CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

01. Vaststellen integrale Verordening sociaal domein gemeente Sluis 2026 - Bijlage a Verordening

Raad 18 december 2025, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van de integrale Verordening Sociaal Domein gemeente sluis 202624.623 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

22

3.5.2 Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen PW, IOAW, IOAZ 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kunt u of uw werkgever bij ons indienen. Wij kunnen hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 2. Wij bepalen na overleg met u, en indien van toepassing met uw werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan uw arbeidsinschakeling. 3. Wij onderzoeken, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de aanvraag uw mogelijkheden en ondersteuningsbehoeften. Wij onderzoeken of integrale samenwerking nodig is. Zo ja, dan werken wij samen met andere partijen, zoals instanties op het gebied van gezondheidszorg, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn of wonen. Dit doen we om te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a lid 2 onderdeel g onder 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a lid 2 onderdeel g onder 2 PW. 4. Wij maken na afronding van het onderzoek een schriftelijk verslag op van de uitkomsten van het onderzoek. 5. Op basis van het onderzoeksverslag nemen wij een besluit en sturen dit naar u of een persoon die u gemachtigd heeft en, indien van toepassing, uw werkgever op.

3.5.3 Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen PW, IOAW, IOAZ 1. Indien wij een persoonlijke ondersteuning of overige voorziening toekennen, sturen wij u een beschikking. In de beschikking staat in ieder geval: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning; d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; f. voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund. 2. Als de aanvraag wordt afgewezen moeten we de reden van de afwijzing goed gemotiveerd in de beschikking vermelden. 3.5.4 Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk PW, IOAW, IOAZ 1. Wij kunnen persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkt in opdracht van de gemeente of een derde, waarbij wij de uitvoering van de jobcoaching hebben ingekocht. 2. Wij kunnen persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b.

interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3. De in lid 1 en 2 genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject. 3.5.5 Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk PW, IOAW, IOAZ 23

1. Uw aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen acht weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking bij ons zijn ingediend. 2. Lid 1 geldt niet als voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 3. Wij besluiten over uw aanvraag op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. 3.5.6 Interne werkbegeleiding PW, IOAW, IOAZ 1. Als u bent aangewezen op begeleiding bij het verrichten van werk die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kunnen wij een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van deze interne werkbegeleiding. 2. Wij kunnen aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor één of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden. 3.5.7 Jobcoaching PW, IOAW, IOAZ 1. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de volgende kwaliteitseisen: a. de jobcoach beschikt over minimaal Hbo werk- en denkniveau; b. de jobcoach heeft een jobcoach opleiding gevolgd; c.

de jobcoach heeft een registratie in het Register Loopbaancoach (voormalig Noloc Jobcoach) of het NVS-Beroepenregister voor jobcoaches en/of is werkzaam bij een organisatie die een Blik op werk of Oval Keurmerk heeft of een jobcoach erkenning heeft van het UWV; d. de jobcoach heeft ervaring op het gebied van jobcoaching; e. de jobcoach heeft kennis van de specifieke doelgroep met een arbeidsbeperking, regionale arbeidsmarkt (ontwikkelingen) en de regionale sociale kaart; f. de jobcoach zorgt ervoor dat zijn kennis en vaardigheden actueel blijven en investeert in na- en bijscholing. 2. Een uitzondering op de gestelde voorwaarden van lid 1 geldt voor situaties waarin een werknemer met baan en bijbehorende jobcoach bij ons binnenkomt, bijvoorbeeld als gevolg van verhuizing of een stageplek vanuit het VSO/PRO onderwijs. De jobcoach moet binnen één jaar alsnog aan de in lid 1 gestelde eisen voldoen. 3. De in te zetten omvang (duur en tarief) van interne werkbegeleiding en jobcoaching wordt bepaald op basis van een onderzoek door ons. De hoogte van het tarief is vastgelegd in beleidsregels. 4. Wij kunnen van de in het lid 3 bedoelde maximale percentages afwijken voor zover toepassing daarvan, leidt tot onredelijkheid en onbillijkheid. 5. Als we één of meer jobcoaches zelf in dienst of gecontracteerd hebben, kunnen wij deze bij voorrang aanbieden. 6.

Voordat wij de jobcoaching beëindigen, verrichten wij onderzoek. Als de beëindiging plaatsvindt met instemming van u en uw werkgever kunnen wij van dit onderzoek afzien. 3.5.8 Jobcoaching in natura PW, IOAW, IOAZ 1. Wij kunnen ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. Jobcoaching is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk. 24

2. Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in artikel 3.5.1 tot en met 3.5.5 en artikel 3.5.7 van deze verordening ook van toepassing. 3.5.9 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching PW, IOAW, IOAZ 1. Wij kunnen op aanvraag subsidie verlenen voor het organiseren van jobcoaching aan een werkgever. Jobcoaching is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 3.5.1 tot en met 3.5.5 en artikel 3.5.7, worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3. Wij kunnen voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij wij zorgdragen voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. 4.

Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach mede: a. ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of b. integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs. 3.5.10 Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening PW, IOAW, IOAZ 1. Wij kunnen een vervoersvoorziening toekennen als u tot de doelgroep behoort. De vervoersvoorziening moet noodzakelijk zijn om naar uw werkplek, proefplaats of opleidingslocatie te reizen. We kunnen de vervoersvoorziening zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld verstrekken. 2. Wij kunnen een vervoersvoorziening aanbieden als u aan de volgende voorwaarden voldoet: a. u kan door uw beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat u werkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. Wij brengen een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.

3.5.11 Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap PW, IOAW, IOAZ Wij kunnen u een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. 3.5.12 Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen PW, IOAW, IOAZ

25

1. Wij kunnen een meeneembare voorziening toekennen, als dit voor u nodig is om te kunnen werken. 2. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kunnen wij besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. 3.5.13 Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen PW, IOAW, IOAZ Wij kunnen een aanpassing van de werkplek toekennen, als dit noodzakelijk is om uw werk uit te voeren. Artikel 3.6 Beëindiging voorziening PW, IOAW, IOAZ 1. Wij kunnen uw recht op een voorziening als bedoeld in artikel 3.5.1 tot en met 3.5.13 van deze verordening intrekken als: a. de voorziening niet langer passend of nodig is; b. u zich niet houdt aan de voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden; c. de voorziening is verstrekt op basis van verkeerde of onvolledige gegevens die u heeft verstrekt; d. u onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voortzetting voorziening; e. de voorziening voor een ander doel gebruikt wordt dan waarvoor hij is verstrekt; f. binnen drie maanden geen gebruik maakt van de voorziening, tenzij hiervoor geen verwijt kan worden gemaakt. 2. Wij kunnen uw recht op de voorziening met terugwerkende kracht intrekken. Artikel 3.7 Uitstroompremie PW, IOAW, IOAZ 1.

Wij kunnen eenmalig een uitstroompremie toekennen indien u langdurig werkloos bent en duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid. En u daardoor niet langer recht heeft op een uitkering van de gemeente. 2. De uitstroompremie is ter hoogte van 50% van het bedrag zoals genoemd in artikel 31, lid 2 sub j Pw en wordt in twee termijnen uitbetaalt. 3. Als aan u in hetzelfde jaar al een participatiepremie is toegekend, zoals bedoeld in artikel 10a lid 6 Pw, wordt deze reeds toegekende participatieplaatspremie in mindering gebracht op uw uitstroompremie. 4. Onder langdurige werkloosheid (eerste lid) verstaan we: een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitkering van de gemeente aangewezen is geweest. 5. Onder duurzame uitstroom wordt naar ons oordeel het volgende verstaan: een periode van uitkeringsonafhankelijkheid van tenminste zes maanden. 6. De uitstroompremie kan worden aangevraagd vanaf de 7de maand na indiensttreding en moet binnen achttien maanden na de indiensttreding zijn aangevraagd. 7. Wij blijven verantwoordelijk voor de betaling van de uitstroompremie als u binnen de termijn van lid 5 verhuist naar een andere gemeente. Artikel 3.8 Regelingen voor mensen met een beperkt inkomen 3.8.1 Individuele inkomenstoeslag PW 1.

Als u 21 jaar of ouder bent, maar jonger bent dan de AOW-leeftijd en langdurig een laag inkomen heeft, kunt u recht hebben op inkomenstoeslag. Dit is een extra bedrag om het inkomen aan te vullen. 2. U kunt de individuele inkomenstoeslag één keer per twaalf maanden aanvragen via een door ons vastgesteld aanvraagformulier. 26

3. Er is sprake van een langdurig laag inkomen als: a. uw inkomen in de ononderbroken periode van 36 maanden voor de aanvraagdatum niet hoger was dan 120% van de voor u toepasselijke bijstandsnorm; b. uw vermogen op de aanvraagdatum niet hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens zoals genoemd in artikel 34 PW. 3.8.2 Hoogte individuele inkomenstoeslag PW 1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar: a. Voor een alleenstaande: 27% van de gehuwdennorm; b. Voor een alleenstaande ouder: 35% van de gehuwdennorm; c. Voor gehuwden: 39% van de gehuwdennorm. 2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag onder de artikelen 11 of 13 lid 1 Pw, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 3. Voor toepassing van lid 1 en 2 is de situatie op de peildatum bepalend. 4. De hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt per 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar vastgesteld op basis van de dan geldende gehuwdennorm. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s. 3.8.3 Algemene bevoegdheid minimabeleid Gemeentewet 1.

We vinden het belangrijk dat alle inwoners van de gemeente Sluis, dus ook kinderen, zich door maatschappelijke participatie kunnen ontplooien en ontwikkelen en daarin niet worden belemmerd door hun financiële situatie. De gemeenteraad geeft daarom het college de bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen over het minimabeleid. 2. We stellen in ieder geval een regeling op waarbij u een bijdrage kan ontvangen om mee te doen aan sociale en culturele activiteiten. We noemen dit ook het sociaal-culturele activiteitenbudget (afkorting: SCA-budget). 3. Om in aanmerking te komen voor de voorzieningen in het minimabeleid, dient uw inkomen niet hoger te zijn dan 130% van de voor u toepasselijke bijstandsnorm. Er kunnen specifieke inkomensvoorwaarden per minimavoorziening gelden. 4. Op alle regelingen zijn de vermogensvrijstellingen op grond van de Pw van toepassing zoals genoemd in artikel 34 Pw. 3.8.4 Kindpakket (educatie, sport en cultuur) Gemeentewet Kinderen zijn een belangrijke en kwetsbare groep. In overleg met Stichting Leergeld en SportZeeland stellen we een kindpakket samen aan beleidsregels op het gebied van (maatschappelijke) participatie, educatie sport en cultuur.

3.8.5 Jeugd- en Volwassenenfonds Sport en Cultuur Gemeentewet In overleg met SportZeeland/het Jeugd- en Volwassenenfonds stellen we beleidsregels op voor een sporten cultuurfonds voor kinderen, jongeren en volwassenen.

27

Hoofdstuk 4 Gezond en veilig opgroeien Wij willen dat kinderen en jongeren zo gezond en veilig mogelijk opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van kinderen en jongeren zelf, hun ouders en hun (sociale) netwerk. Het kan zijn dat u hierbij ondersteuning nodig heeft. Dan kunt u terecht bij de gemeente. Met kinderen en jongeren bedoelen wij kinderen en jongeren tot 18 jaar. Maar ook jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 jaar oud waren en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben. Dit zijn de jeugdigen, zoals staat beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet. In dit hoofdstuk leest u wat uw eigen verantwoordelijkheden zijn en wat de rol van de gemeente is. Ook vindt u hier informatie over voorzieningen. Artikel 4.1 Vrij toegankelijke hulp Jeugdwet 1. Wij zorgen ervoor dat kinderen en jongeren zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dit te bereiken, helpen we alle kinderen en jongeren, hun ouders en hun sociale netwerk met: a. het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken, scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen samenwerken en elkaar aanvullen; b. het geven van informatie, advies en trainingen; c. het bieden van jeugdgezondheidszorg; d. activiteiten voor jongeren die hun talenten ontwikkelen; e. het bieden van opvoedondersteuning; en f. een vertrouwenspersoon. 2.

Deze ondersteuning is vrij toegankelijk. U hebt hiervoor geen besluit nodig van de gemeente. En ook geen verwijzing van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts. 3. Wij zorgen ervoor dat we signalen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk opvangen. En dat we daar ook zo vroeg mogelijk ondersteuning bij aanbieden op vrijwillige basis. Artikel 4.2 Individuele voorziening Jeugdwet 1. Wij kunnen u een individuele voorziening aanbieden waarbij we goed kijken welke ondersteuning op uw vraag aansluit. Wij kunnen de volgende vormen van hulp bieden: a. ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien in de vorm van advies en cursussen; b. een plek in een pleeggezin of verblijf in een instelling. Pleegzorg heeft hierbij de voorkeur; c. specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling; d. persoonlijke verzorging; e. vervoer naar en van de plaats waar u jeugdhulp krijgt. 2. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. U hebt hiervoor een besluit nodig van de gemeente. Of u heeft een verwijzing nodig van een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts.

28

Artikel 4.3 Overgang van 18- naar 18+ Jeugdwet, Wmo 2015 1. Wij kunnen u ook ondersteunen als u (jeugd)hulp nodig hebt als u 18 jaar wordt. Wij kunnen samen met u zorgen voor een toekomstplan op alle belangrijke leefgebieden. In uw toekomstplan kunnen we in ieder geval aandacht besteden aan de volgende onderwerpen: a. wonen; b. inkomen; c. zorg en ondersteuning; d. scholing, werk of participatie; e. vrije tijd; f. uw sociale omgeving/sociale netwerk. 2. Als het nodig is verlengen we uw ondersteuning. Dit kan maximaal tot de dag dat u 23 jaar wordt. Deze verlenging is onderdeel van uw toekomstplan. 3. Pleegzorg kunnen we inzetten tot de dag dat u 21 jaar wordt. Verlengde jeugdhulp in de vorm van pleegzorg blijft mogelijk vanaf 21 jaar totdat u 23 jaar wordt. 4. Verblijf in een gezinshuis kunnen we inzetten tot de dag dat u 21 jaar wordt. Dit geldt tenzij: a. u dat zelf niet wil; b. en/of de gezinshuisouder(s) niet instemmen; c. en/of voor alle partijen (inclusief uzelf) duidelijk is dat u andere passende hulp nodig heeft, en die hulp ook beschikbaar is; d. en/of u voldoet aan de criteria van de Wet langdurige zorg. 5. We streven naar een soepele overgang van Jeugdwet naar ondersteuning vanuit andere wetten. Dit noemen we een warme overdracht. Dit kan bijvoorbeeld de Wmo 2015, Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet zijn.

Artikel 4.4 Afstemming met andere vormen van hulp Jeugdwet 1. Wij zorgen ervoor dat de ondersteuning die u krijgt, aansluit bij andere vormen van ondersteuning die u krijgt. Om dat te bereiken, maken we afspraken met huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen, hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken gaan over: a. procedures die gelden bij doorverwijzing naar ondersteuning; b. communicatie met andere organisaties en de gemeente; c. afbakening van taken en verantwoordelijkheden; d. aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en individuele voorzieningen. 2. Wij zorgen voor afstemming binnen de verschillende samenwerkingstrajecten. Hierbij houden we rekening met de privacywetgeving. Het gaat dan om afstemming met: • de gezondheidszorg, zoals huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en zorgverzekeraars; • justitie en gecertificeerde instellingen, over kinderbescherming en jeugdreclassering; • Veilig Thuis; • maatschappelijke ondersteuning, over de continuïteit van ondersteuning als u 18 jaar wordt. 3. Voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht en werk en inkomen. Wij letten in de afstemming op de volgorde waarop we hulp inzetten, zodat de inzet het meest effect geeft. Soms kan de hulp gelijktijdig worden ingezet.

We zetten in op passende ondersteuning die leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.

29

Hoofdstuk 5 Wonen en meedoen in de samenleving Soms hebt u hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in uw eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. Wij hebben de taak om u te helpen als u niet in staat bent om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten. Bijvoorbeeld in uw woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in de huishouding. Wij moeten ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat u met een beperking zo lang mogelijk voor uzelf kan blijven zorgen (zelfredzaamheid). Wij kijken hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de ontwikkelingen richting de toekomst. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die wij aan u kunnen bieden. Uitgangspunten 1. Wij zetten ons ervoor in, dat als u een beperking en/of langdurige psychosociale problemen hebt u zo lang mogelijk zelfstandig in uw eigen leefomgeving kan wonen, de noodzakelijke dagelijkse activiteiten kan uitvoeren en een eigen huishouding kan voeren. U kan ondersteuning-op-maat krijgen, als u voldoet aan de voorwaarden van artikel 2.3.2. Ook moet de ondersteuning langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren, zodat u zo lang mogelijk in uw eigen leefomgeving kan blijven wonen. 2. Wij stellen normen vast voor het beoordelen van aanvragen voor ondersteuning-op-maat in het kader van de Wmo.

Deze normen moeten gebaseerd zijn op objectief onderzoek dat door onafhankelijke deskundigen is gedaan. De normen maken duidelijk welke concrete ondersteuning er in uw situatie nodig is. Wij kunnen afwijken van deze normen als dat nodig is voor een passend en aanvaardbaar niveau van leven. Artikel 5.1 Dagbesteding (groepsbegeleiding) Wmo 2015 1. Dagbesteding in de gemeente Sluis is vormgegeven in de vorm van een algemene voorziening. Voor deelname aan dagbesteding is geen aanvraag en goedkeuring nodig van de gemeente. 2. Voor de algemene voorziening dagbesteding hoeft geen eigen bijdrage betaald te worden. Artikel 5.2 Individuele begeleiding Wmo 2015 1. U kunt in aanmerking komen voor individuele begeleiding bij het zelfstandig wonen, als u vanwege een beperking of een langdurig psychisch of psychosociaal probleem niet volledig op eigen kracht of met gebruikelijke hulp een huishouden kan voeren. De begeleiding is bijvoorbeeld gericht op: a. Het in orde brengen van de administratie en/of financiën; b. Het vertonen van passend woongedrag/veilig gebruik maken van de woning; c. Het hebben van gezonde huiselijke relaties; d. Zelfzorg en gezondheid, en/of het opbouwen/behouden van een sociaal netwerk. 2. Niet bij iedereen is dezelfde mate van begeleiding nodig. Daarom onderzoeken we bij iedere aanvraag hoe zwaar de ondersteuningsbehoefte is en welke mate van begeleiding passend is.

We gebruiken hiervoor het Normenkader begeleiding van Bureau HHM. Artikel 5.3 Zelfstandig en veilig wonen Artikel 5.3.1 Geschikte woning Wmo 2015 1. Wij zorgen ervoor dat u een maatwerkvoorziening krijgt als het normale gebruik van uw woning door een beperking niet mogelijk is. U moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.4.1. 2. De voorziening houdt in dat wij de woning bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar laten maken.

30

3. Soms kunnen wij uw woning niet of slechts tegen zeer hoge kosten aan laten passen. Dan verwachten wij van u dat u verhuist naar een geschikte(re) woning, als deze beschikbaar is. Uw huidige woning passen wij dan niet aan. 4. Wij zorgen voor een financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten als u verhuist naar een geschikte(re) woning. Een financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten geven we één keer per tien jaar. De gemiddelde verhuisbeweging in Nederland (2020) op basis van het langjarige gemiddelde is dat iemand één keer per tien jaar verhuist. U moet dan wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.4.1 van deze verordening. Artikel 5.3.2 Een schone en leefbare woning Wmo 2015 1. Wij zorgen ervoor dat u ondersteuning kunt krijgen als u als gevolg van een beperking uw woning niet schoon en leefbaar kunt houden. U moet daarbij voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 1.2.1 Wmo 2015 en artikel 2.4.1 van deze verordening. 2. Het doel van hulp in de huishouding is een schoon en leefbaar huis. Een schoon en leefbaar huis houdt in dat de woning opgeruimd en functioneel is. De woning moet schoon zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Hiermee willen we een algemeen aanvaardbaar basisniveau voor een schoon en leefbaar huis bereiken.

Zo moet iedereen in de leefeenheid gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapkamer, keuken, douche/toilet en gang. 3. De ondersteuning houdt in dat de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer en de gang(en) tussen die ruimten voor zover nodig regelmatig schoongehouden worden. Daarbij hanteren wij een geobjectiveerd normenkader. De ondersteuning kan ook zijn: a. het aanbrengen van structuur in de huishouding; b. het doen van boodschappen; c. het zorgen voor eten en drinken; d. het wassen, drogen van kleding, bedden- en linnengoed. 4. Als er in uw huishouden minderjarige kinderen zijn, dan kan de ondersteuning ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke zorg voor deze kinderen. Deze hulp geven wij alleen om de periode tot er andere hulp is te overbruggen. 5. Voor de onderbouwing van de ondersteuning maken we gebruik van het Normenkader Huishoudelijke ondersteuning 2019, met aanvullende instructie 2022 van Bureau HHM. Artikel 5.3.3 Beschermd wonen Wmo 2015 1. Als u door een psychische of psychosociale beperking 24/7 toezicht en ondersteuning nodig hebt om voor uzelf te zorgen, komt u mogelijk in aanmerking voor ondersteuning op maat in de vorm van beschermd wonen. Het gaat hierbij niet om een (acute) crisissituatie. 2. Beschermd wonen biedt een beschermde woonomgeving in een woonvorm waar continu begeleiding aanwezig of nabij is.

De begeleiding is erop gericht, dat u op termijn weer zelfstandig kunt (gaan) wonen. Onder een beschermde woonomgeving kan ook een woning worden verstaan waarbij begeleiding en toezicht in de directe nabijheid wordt geboden. 3. De gemeente Sluis werkt samen met andere gemeenten op het gebied van beschermd wonen. Als u beschermd wonen nodig heeft, gelden de regels die zijn vastgelegd in de Integrale verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning gemeente Vlissingen 2024. Artikel 5.3.4. Kortdurend verblijf (respijtzorg) Wmo 2015

31

1. Als de huisgenoot, partner of ouder die de gebruikelijke zorg van een inwoner op zich neemt overbelast dreigt te raken, dan kan er vanuit de Wmo een voorziening voor kortdurend verblijf worden ingezet. 2. De inzet van deze voorziening is erop gericht de huisgenoot, partner of ouder te ontlasten. De gemeente kan hiervoor nadere regels opstellen.

Artikel 5.4 Meedoen aan de samenleving 5.4.1 Verplaatsen in en om de woning Wmo 2015 1. Wij zorgen ervoor dat u een maatwerkvoorziening kunt krijgen als u zich vanwege een beperking niet voldoende kunt verplaatsen in en om uw woning. U moet wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.4.1 van deze verordening. 2. Een maatwerkvoorziening houdt in dat u een hulpmiddel kunt krijgen dat geschikt is voor dagelijks zittend gebruik. 5.4.2 Verplaatsen dichtbij huis Wmo 2015 1. Als u vanwege een beperking in mobiliteit onvoldoende mogelijkheden heeft om in uw omgeving contact met anderen te hebben, kunnen wij een maatwerkvoorziening geven. U moet wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.4.1 van deze verordening. 2. Als het nodig is, helpen wij u bij het vervoer dicht bij de woning. De hulp kan bestaan in het aanbieden van: a. de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer indien u geen gebruik kunt maken van het openbaar vervoer. b. een scootmobiel, of c. het gebruikmaken van een ander vervoermiddel. 3. Het moet gaan om: a. het verplaatsen rondom de woning; b. het verplaatsen over een langere afstand vanaf de woning; of c. het vervoer naar de plek waar u deelneemt aan een activiteit van de gemeente om de dag in te vullen. Artikel 5.5 Mantelzorg 5.5.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Wmo 2015 1.

Wij waarderen de inzet van u als mantelzorger voor inwoners met een beperking. Daarom stellen wij jaarlijks een vorm van mantelzorgwaardering vast. Het doel van de mantelzorgwaardering is om het belang van mantelzorgers voor de samenleving te onderstrepen. 2. De mantelzorgwaardering kan verschillen van vorm. 3. We kunnen nadere regels vaststellen.

32

Hoofdstuk 6 Schuldhulp- en dienstverlening Het is beter om financiële problemen te voorkomen, dan op te lossen. Inwoners kunnen met vragen over geld en met financiële hulpvragen terecht bij onze toegang van het sociaal domein. Wij hebben als taak om u ondersteuning te bieden als u schulden heeft. Wij kunnen u helpen bij het vinden van een oplossing voor uw schulden. Dit kan bijvoorbeeld door advies, schuldbemiddeling, sociale lening (saneringskrediet), schuldregeling en/of budgetbeheer. Hieronder staan de belangrijkste uitgangspunten die we toepassen als inwoners om ondersteuning vragen bij schulden. Artikel 6.1 Samenwerking en toegang Wgs 1. Wij zorgen ervoor dat u op een eenvoudige manier om ondersteuning kan vragen bij schulden. 2. Wij informeren u over de ondersteuning die we aanbieden en zorgen dat die ondersteuning ook beschikbaar is. 3. Wij sluiten bij voorbaat niemand uit van ondersteuning. Een uitzondering op deze regel is als u geen geldige verblijfstitel heeft. 4. Wij benaderen u actief, zodra andere organisaties schulden melden bij de gemeente. 5. Wij werken samen met andere organisaties om te voorkomen dat u problematische schulden opbouwt. Artikel 6.2 Schuldhulpverlening Wgs 1. Wij zorgen ervoor dat u de ondersteuning voor het oplossen van uw schulden zo snel mogelijk krijgt. Wij verwachten van u dat u meewerkt. Artikel 6.3 Besluit Wgs 1.

Als u ondersteuning kunt krijgen bij het oplossen van uw schulden, informeren wij u over de manier waarop de ondersteuning wordt gegeven. 2. Als u geen ondersteuning kan krijgen, sturen wij u een brief. Daarin staat waarom uw ondersteuningsvraag wordt geweigerd. 3. We nemen ons besluit binnen een termijn van maximaal acht weken na de dag waarop ons eerste gesprek heeft plaatsgevonden. We streven ernaar om de feitelijke beslistermijn zo kort mogelijk te houden voor u.

33

Hoofdstuk 7 Inburgering De gemeente is verantwoordelijk voor begeleiding en ondersteuning van inwoners tijdens hun inburgering. Het doel van inburgering is dat inburgeraars zo snel mogelijk meedoen in de Nederlandse samenleving. Daarvoor gebruiken we inburgeringsvoorzieningen waarin we taal en praktijk zoveel mogelijk combineren. Artikel 7.1 Inburgeringsvoorzieningen Wi Wij verwachten van u dat u meewerkt aan de verschillende onderdelen van het inburgeringstraject en de begeleiding die wij daarin bieden, namelijk: 1. De Brede Intake en de leerbaarheidstoets; 2. Het opstellen van het Plan inburgering en Participatie (PIP); 3. De Module Arbeidsmarkt en Participatie; 4. Het Participatieverklaringstraject (PVT); 5. Voor inburgeringsplichtige statushouders: het aanbod van één van de drie verplichte leerroutes, namelijk: a. de B1-route: gericht op het zo snel mogelijk beheersen van de Nederlandse taal op taalniveau B1 of hoger en het vergroten van het perspectief op de arbeidsmarkt; of b. de Onderwijsroute: gericht op het zo snel mogelijk beheersen van de Nederlandse taal op taalniveau B1 of hoger en instroom in het regulier beroepsonderwijs of het wetenschappelijk onderwijs; of c. de Zelfredzaamheidsroute: gericht op het beheersen van de Nederlandse taal op een zo hoog mogelijk taalniveau (streefniveau A1), zodat u zelfstandig kan deelnemen aan de samenleving. 6.

Re-integratievoorzieningen in het kader van een studie, zoals bepaald in deze verordening en de beleidsregels. Artikel 7.2 Periodieke voortgangsgesprekken Wi Wij bieden statushouders ook maatschappelijke begeleiding bij huisvesting en financiële zelfredzaamheid aan. Wij werken samen met professionele partijen voor een goed aanbod. De voorzieningen en voorwaarden staan in de beleidsregels.

34

Hoofdstuk 8 De vorm van de ondersteuning Als wij u ondersteunen, kan dat in verschillende vormen. In dit hoofdstuk vindt u de regels daarvoor. Wij kunnen ondersteuning bieden in de vorm van een dienst, zoals hulp in de huishouding of individuele begeleiding. Maar we kunnen u ook ondersteunen met behulp van een hulpmiddel, zoals een rolstoel. Een uitkering of minimaregeling noemen wij ondersteuning in de vorm van geld. Onder ondersteuning valt ook het persoonsgebonden budget (pgb). Dit is geld waarmee u zelf de ondersteuning inkoopt die u nodig heeft. Ondersteuning in natura is ondersteuning die u van een instelling of professional krijgt die een contract heeft met de gemeente. Je hoeft deze zorg verder niet zelf te regelen. De verstrekker regelt ook de administratie. Wij bieden u de ondersteuning die noodzakelijk is om uw situatie te verbeteren. Artikel 8.1 Ondersteuning in natura Jeugdwet, Wmo 2015 1. Als u in aanmerking komt voor ondersteuning, krijgt u deze ondersteuning in natura. Wij kunnen de ondersteuning ook op een andere manier geven, als dit in de wet of in deze verordening staat. 2. Als u in aanmerking komt voor een hulpmiddel, dan verstrekken we dit in bruikleen of in eigendom. 3. Wij zorgen ervoor dat de leverancier van het hulpmiddel u helpt om dit hulpmiddel goed te kunnen gebruiken. 4.

Wij zorgen ervoor dat de leverancier van het hulpmiddel de wettelijke bepalingen over de garantie nakomt. 5. De leverancier vertelt u alles wat belangrijk is om te weten over het hulpmiddel dat u krijgt. 6. We kunnen nadere regels vaststellen. Artikel 8.2 Persoonsgebonden budget (pgb) 8.2.1 Voorwaarden Jeugdwet, Wmo 2015 1. U kunt een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als u kunt motiveren waarom het aanbod van de gemeente niet passend is en/of waarom u een pgb wenst. U moet daarnaast ook voldoen aan de voorwaarden die de Wmo 2015, de Jeugdwet en deze verordening stellen. 2. Als u een pgb wilt, kunt u of iemand anders de taken die bij het pgb horen, uitvoeren. Wij kennen een pgb alleen toe als wij vinden dat u of uw budgetbeheerder in staat is uw belangen voldoende te behartigen. De budgetbeheerder moet de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren. De budgetbeheerder is verplicht om mee te werken aan de beoordeling van zijn pgbvaardigheden als wij daarom vragen. 3. Het pgb kan niet worden beheerd door een administratiekantoor. 4. Met een pgb kunt u zelf ondersteuning inkopen. Het pgb heeft geen vrij besteedbaar bedrag. U mag het pgb niet gebruiken voor de volgende kosten: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. het voeren van een pgb-administratie; c.

ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; d. reiskosten van de hulpverlener; en e. kosten voor vervoer, als u zelf gebruik kunt maken van de regiotaxi of een andere vervoersregeling; f. kosten die worden gemaakt in het buitenland, tenzij wij hier toestemming voor heeft gegeven; g. kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag. 5. U maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het pgb-plan. In het pgb-plan schrijft u onder andere welke ondersteuning u met het pgb wilt betalen en wie de ondersteuning gaat geven. Wij moeten het plan goedkeuren voordat het pgb wordt toegekend. 35

6. Wij verstrekken geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van degene die de ondersteuning gaat geven. Dit doen wij als deze persoon in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag: a. fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; b. betrokken was bij strafbare feiten of overtredingen beging die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; c. veroordeeld was tot een gevangenisstraf; of d. op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder. 7. Wij stellen een pgb vast waarmee u veilige, doeltreffende en kwalitatief goede ondersteuning kunt inkopen. 8. Nadat het pgb is toegekend, moet u of uw beheerder met de hulpverlener een zorgovereenkomst sluiten. Deze zorgovereenkomst moet gebaseerd zijn op ons besluit. 9. Wij kunnen, als wij dit nodig vinden, periodiek met u het pgb en het beheer ervan evalueren. Wij kunnen u verzoeken, in de situatie dat u het pgb niet zelf beheert, om de pgb-beheerder niet bij dit gesprek uit te nodigen. 8.2.2 Professionele en niet-professionele hulp Jeugdwet, Wmo 2015 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb maken we onderscheid tussen professionele en nietprofessionele hulp. 2. We spreken van professionele hulp als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- en aanverwanten in de 1e of 2e graad: a.

iemand die in dienst is van een instelling of bedrijfsmatig hulp verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister, of b. iemand die als zelfstandige beroepsmatig de hulp verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister. 3. U mag het pgb besteden aan hulp die wordt gegeven door een professionele hulpverlener, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon: a. moet de diploma’s hebben die nodig zijn om de hulp te kunnen geven; b. heeft een originele verklaring omtrent het gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag; c. moet als hij jeugdhulp biedt, aantonen dat hij de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling gebruikt en dat hij SKJ of BIG geregistreerd is; d. Een ggz-behandeling kan alleen door een professional worden verleend die niet tot het sociale netwerk behoort. 4. Van niet-professionele hulp is sprake als: a. de hulp geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria genoemd in lid 2; b. de hulp geboden wordt door personen die voldoen aan de criteria genoemd in lid 2, maar bloedof aanverwanten zijn in de 1e of 2e graad. 5. U mag het pgb besteden aan hulp die wordt gegeven door een niet-professionele hulpverlener, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon: a.

heeft gemotiveerd aangegeven dat de ondersteuning niet tot overbelasting leidt; b. is in staat om de ondersteuning te bieden die voldoet aan de kwaliteitseisen die gelden voor die ondersteuning op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet; c. heeft een originele verklaring omtrent het gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag. 8.2.3 Hoogte en tarief pgb Jeugdwet, Wmo 2015

36

1. Het pgb voor een hulpmiddel is niet hoger dan de volledige kostprijs van het hulpmiddel en is niet hoger dan de goedkoopst passende voorziening. Als het bedrag dat u de hulpverlener uit het pgb gaat betalen hoger is dan de goedkoopst passende voorziening, betaalt u de meerkosten zelf. 2. Bij het bepalen van de hoogte van het pgb voor het inkopen van ondersteuning hanteren wij de volgende regels: a. Als een professionele hulpverlener de hulp gaat bieden is het pgb 75 procent van de kostprijs voor hulp in natura, behalve als passende hulp voor een lager tarief kan worden ingekocht; b. Als dit onvoldoende is om passende ondersteuning in te kopen wordt het tarief aangepast, zodat er bij ten minste één zorgaanbieder kan worden ingekocht; c. Als een niet-professionele hulpverlener de hulp gaat bieden, is het pgb: I. voor huishoudelijke hulp: het wettelijk minimumuurloon; II. voor begeleiding: het wettelijk minimumuurloon. 3. Gaat het om een hulpmiddel, dan houden we bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving. Maar we houden ook rekening met de onderhouds- en verzekeringskosten. 4. Als u een pgb krijgt voor beschermd wonen, dan gelden de regels die zijn vastgelegd in de ‘Integrale verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning gemeente Vlissingen 2024’.

De gemeenteraad van Vlissingen heeft deze verordening vastgesteld op 14 december 2023. 5. Voor een pgb voor woningaanpassingen stellen wij een document op waarin de eisen staan waaraan een woningaanpassing moet voldoen. Dit heet het programma van eisen. Aan de hand van dit document vraagt u twee offertes op. Wij bepalen aan de hand van deze offertes de hoogte van het pgb. 6. Wij stellen het pgb voor hulpmiddelen als volgt vast: de hoogte van het pgb is gelijk aan de huurprijs die wij betalen voor een vergelijkbaar middel bij zorg in natura. De hoogte van het pgb is maximaal de huurprijs van zeven jaar. Tenzij de situatie verandert waardoor het hulpmiddel niet meer passend is. In deze prijs zitten ook de kosten voor onderhoud, verzekering en reparatie van het hulpmiddel. 8.2.4 Verantwoording pgb Jeugdwet, Wmo 2015 1. Wij kunnen u op elk moment vragen om duidelijk te maken hoe u het pgb heeft besteed. Wij kunnen u ook vragen welke resultaten de ondersteuning voor u heeft gehad. De budgetbeheerder zal daarom een duidelijke en volledige administratie moeten bijhouden. 2. U mag uit het pgb alleen ondersteuning betalen die de hulpverlener ook daadwerkelijk heeft geleverd. Artikel 8.3 Ondersteuning in geld Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ 1. In de wetten en in deze verordening staat wanneer u ondersteuning kunt krijgen in de vorm van geld. 2.

Ondersteuning in de vorm van geld hoeft u meestal niet terug te betalen. U moet het geld wel terugbetalen: a. als dat in de wet staat; b. als het in deze verordening staat. 3. Nadat wij een besluit hebben genomen over de betaling, ontvangt u het geld zo spoedig mogelijk. 4. Wij betalen het geld via uw rekeningnummer. Maar het kan ook op het rekeningnummer van uw gemachtigde, bijvoorbeeld uw bewindvoerder. Als dit niet lukt dan kunnen wij het geld op een andere manier betalen. Voor uitkeringen zijn we verplicht om deze op een bankrekening over te maken, met uitzondering van incidentele betalingen in de vorm van een voorschot per kas. 5. Wij kunnen besluiten om het geld niet te betalen, maar te verrekenen met een bedrag dat u nog moet terugbetalen aan de gemeente. Dat is een verrekening van een vordering. Wij kunnen dit alleen doen als dit volgens de wettelijke regels kan. En het moet gaan om een vordering op grond van één van de wetten waarover deze verordening gaat.

37

Artikel 8.4 Wat is de eigen bijdrage? Wmo 2015 1. U betaalt een eigen bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening. 2. We passen daarbij de wettelijke regels van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 toe. 3. Een bijdrage in de kosten is nooit hoger dan: a. Het bedrag dat betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of b. De kostprijs van de voorziening als deze lager is dan het bedrag dat u volgens het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zou moeten betalen. 4. De duur van de eigen bijdrage hangt af van de soort voorziening. a. Voor hulpverlening vragen wij een eigen bijdrage voor zolang de indicatie duurt. b. Voor voorzieningen die in bruikleen worden verstrekt, vragen wij een eigen bijdrage zolang de voorziening aan u is verstrekt. c. Voor een drempelhulp vragen wij een eigen bijdrage totdat de kostprijs is voldaan. d. Voor een roerende voorziening die wij in eigendom verstrekken, vragen wij een eigen bijdrage totdat de kostprijs is voldaan. e. Voor een bouwkundige of woontechnische aanpassing vragen wij een eigen bijdrage totdat u de kostprijs heeft voldaan. 5. Er is slechts één eigen bijdrage per huishouden verschuldigd. 6. Als u gebruik maakt van intramuraal beschermd wonen (hulp in natura) betaalt u een inkomensafhankelijke bijdrage. 7. Er geldt geen eigen bijdrage: a.

als u of uw partner/echtgenoot al een bijdrage in de kosten van beschermd wonen moet betalen; b. voor niet AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens; c. voor een minderjarige, met uitzondering van woningaanpassingen; d. voor een rolstoel; e. voor een algemene voorziening; 8. Voor het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) geldt een eigen bijdrage per kilometer en een starttarief.

38

Hoofdstuk 9 Afspraken tussen inwoner en gemeente Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop we, de gemeente en u als inwoner, met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als u als inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt u daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen. Artikel 9.1 Hoe gaan we met elkaar om? 9.1.1 De rol van de gemeente Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb 1. De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende: a. Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk. b. De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek bij de gemeente of bij de inwoner thuis. c. De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie. d. De website van de gemeente voldoet aan erkende kwaliteitseisen. e.

Er zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn. f. De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn. g. De gemeente respecteert de privacy van de inwoner. h. De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. 2. De gemeente reageert op een professionele manier op het gedrag van de inwoner dat niet door de beugel kan. De gemeente zorgt voor het volgende: a. De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over: • zijn rechten en plichten; • wat er van hem wordt verwacht; • welk gedrag niet deugt; • wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en • waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt. b. De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren. c. De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij: • de ernst van het gedrag; • de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en • de persoonlijke situatie van de inwoner. d.

De gemeente stuurt de inwoner een beschikking met daarin een besluit dat duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet). 9.1.2 De rol van de inwoner Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb 39

1. U bent in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van uw probleem. Wij vullen de mogelijkheden van u en uw sociale netwerk aan als dat nodig is. U zorgt voor het volgende: a. U zet eerst de eigen mogelijkheden in voordat u hulp vraagt aan de gemeente. b. Als wij hulp verlenen, werkt u mee aan de oplossing van uw probleem. c. U zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is. 2. U werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier we uw probleem zo snel mogelijk kunnen oplossen. Dat betekent het volgende: a. U informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk. Het gaat dan over alles wat belangrijk is voor het beoordelen van uw hulpvraag, uw persoonlijke situatie en uw rechten en plichten. b. We ontvangen alle documenten en bewijsstukken die we nodig hebben zo snel mogelijk van u. c. U brengt ons zo snel mogelijk op de hoogte van uw beperkingen, als die van belang zijn in het contact met ons. d. Als u onvoldoende meewerkt, kunnen we niet vaststellen welke ondersteuning nodig is. We kunnen een lagere omvang vaststellen of geen voorziening verstrekken. Een eerder toegekende voorziening kunnen we intrekken. Artikel 9.2 Afspraken en verplichtingen 9.2.1 Afstemming op houding en gedrag van de inwoner PW, IOAW, IOAZ, Awb 1. Wij kunnen uw uitkering verlagen, als u zich niet aan afspraken en verplichtingen houdt. 2.

Wij kunnen de bijzondere bijstand verlagen als: a. wij u bijzondere bijstand hebben verleend met toepassing van artikel 12 PW; of b. u verwijtbare gedragingen vertoont die daartoe aanleiding geven in relatie met uw recht op bijzondere bijstand. 3. Als wij uw uitkering verlagen, laten wij u weten: a. waarom wij uw uitkering verlagen; b. hoe lang wij uw uitkering verlagen; c. met hoeveel procent wij uw uitkering verlagen of om welk bedrag het gaat; en d. als dat van toepassing is, waarom wij hiervan afwijken. 4. Als wij een beslissing nemen om uw uitkering te verlagen, houden wij rekening met: a. hoe ernstig uw gedrag is; b. of u er iets aan kunt doen (valt u iets te verwijten?); c. uw persoonlijke situatie. 5. Voordat wij uw uitkering verlagen, geven wij u de mogelijkheid om uw reactie te geven. 6. Wij kunnen besluiten om u niet de gelegenheid te geven een reactie te geven zoals bedoeld in lid 5. Dit doen wij als: a. er sprake is van spoed en er dus geen tijd voor is; b. u al eerder uw reactie heeft kunnen geven en de feiten en omstandigheden sindsdien niet zijn veranderd; c. wij uw reactie niet nodig hebben om te oordelen over uw gedrag of dat u iets te verwijten valt; of d. u zelf aangeeft dat u geen reactie wilt geven.

9.2.2 Afzien van verlaging: Geen schuld en verjaring PW, IOAW, IOAZ, Awb We passen geen verlaging toe als u er niets aan kunt doen, als er sprake is van een dringende reden met onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen, of als uw gedrag meer dan drie jaar geleden heeft plaatsgevonden.

40

9.2.3 Ingangsdatum en periode van verlaging PW, IOAW, IOAZ, Awb 1. Wij verlagen uw uitkering of bijzondere bijstand over de kalendermaand nadat dit gedrag heeft plaatsgevonden. 2. Als verlaging over de maand als bedoeld in lid 1 niet mogelijk is, verlagen wij uw uitkering of bijzondere bijstand over de kalendermaand na de maand waarop het besluit tot oplegging van de verlaging bekend is gemaakt. Wij houden hierbij rekening met de op dat tijdstip geldende uitkeringsnorm. 3. Wij kunnen uw uitkering ook met terugwerkende kracht verlagen over de periode waarop uw gedrag betrekking heeft gehad of heeft plaatsgevonden. Dit kan op het moment dat we lid 1 van dit artikel niet kunnen toepassen, omdat we de uitkering hebben beëindigd of ingetrokken en zo lang wij de uitkering nog niet hebben uitbetaald. 4. Wij kunnen uw uitkering verlagen met ingang van de ingangsdatum van uw uitkering. Dit kan op het moment dat uw gedrag heeft plaatsgevonden in de periode tussen de uitkeringsaanvraag en het besluit op die aanvraag. 9.2.4 Berekening verlaging PW, IOAW, IOAZ, Awb 1. De verlaging van uw uitkering of bijstand is een percentage van de voor u geldende uitkeringsnorm. 2. Als u periodieke bijzondere bijstand ontvangt, kunnen wij deze bijstand met een percentage verlagen. 9.2.5 Niet nakomen arbeidsverplichtingen PW 1.

Wij verlagen uw uitkering voor een maand met 10 procent van de bijstandsnorm, als: a. U zich niet tijdig laat registreren als werkzoekende bij het UWV; of b. U niet tijdig uw registratie heeft verlengd. 2. Wij verlagen uw uitkering voor een maand met 20 procent van de bijstandsnorm, als: a. U niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak; b. U een alleenstaande ouder bent en uit uw houding en gedrag laat blijken dat u geen gebruik wilt maken van een voorziening die de kans op werk vergroot, waardoor uw ontheffing van de arbeidsplicht, artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, is ingetrokken; c. U niet voldoende meewerkt aan de opgelegde maatschappelijke participatie; d. U niet voldoende meewerkt aan de taaltoets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid Participatiewet; e. U niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP). 3. Wij verlagen uw uitkering voor een maand met 100 procent van de uitkeringsnorm als u zich niet naar vermogen inzet om werk (algemeen geaccepteerde arbeid) te krijgen; 4. In geval van bijzondere omstandigheden wordt de verlaging van de PW-uitkering, als bedoeld in lid 2 en 3 gelijk verdeeld over twee maanden. De twee maanden zijn de maanden waarover de verlaging oorspronkelijk is opgelegd.

9.2.6 Niet nakomen arbeidsverplichtingen IOAW/IOAZ, IOAW, IOAZ 1. Wij verlagen uw IOAW- of IOAZ-uitkering voor een maand met 20 procent van de uitkeringsnorm, als: 1. u niet of niet voldoende meewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om aan het werk te komen;

41

2. u niet of niet voldoende gebruik maakt van arbeidsinschakeling (artikel 36 IOAW of IOAZ) en overige verplichtingen (artikel 37 IOAW of IOAZ), voor zover dit niet heeft geleid tot het niet starten of (voortijdig) stoppen van die voorziening; 3. u een alleenstaande ouder bent en uit uw houding en gedrag laat blijken dat u geen gebruik wilt maken van een voorziening die de kans op werk vergroot, waardoor uw ontheffing van de arbeidsplicht (artikel 37 IOAW of IOAZ) is ingetrokken; 4. u onvoldoende meewerkt aan een opgelegd maatschappelijke participatie. 2. Wij verlagen uw IOAW- of IOAZ-uitkering voor een maand met 100 procent van de uitkeringsnorm als: a. U zich niet naar vermogen inzet om werk (algemeen geaccepteerde arbeid) te krijgen; b. U niet of onvoldoende gebruik maakt van hulp door de gemeente, waardoor u sneller werk vindt (volgens artikel 36 en 37 IOAW/IOAZ). Tenzij dit heeft geleid tot het niet starten of (voortijdig) stoppen van de voorziening. 3. Wij verlagen uw IOAW- of IOAZ-uitkering niet, als wij deze uitkering blijvend of tijdelijk kunnen weigeren (zoals bedoeld in artikel 20 IOAW en IOAZ). 9.2.7 Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering IOAW, IOAZ 1. Wij kunnen uw uitkering: a.

Tijdelijk gedurende één maand weigeren als aan de beëindiging van uw dienstverband van een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en u ter zake een verwijt kan worden gemaakt; of b. Tijdelijk gedurende één maand weigeren als uw dienstbetrekking is beëindigd door of op uw verzoek zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van u zou kunnen worden gevergd; of c. Tijdelijk gedurende één maand weigeren als u nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of d. Tijdelijk gedurende één maand weigeren als u door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. 2. De verlaging is gelijk aan de mate waarin u inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 IOAW/IOAZ had kunnen verwerven, doch niet hoger dan de verstrekte uitkering per maand. 3. Wij kunnen afzien van de tijdelijke of blijvende weigering als we daarvoor dringende redenen aanwezig achten. 9.2.8 Arbeidsverplichtingen die in de wet staan PW, IOAW, IOAZ 1. Als u een verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet of artikel 37 lid 1 en 2 IOAW of artikel 37 lid 1 en 2 IOAZ niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de uitkeringsnorm voor de uur van een maand. 2.

Als er bijzondere omstandigheden zijn, passen we de verlaging van het eerste lid toe over twee maanden in twee gelijke delen. De twee maanden zijn de maand waarover de verlaging oorspronkelijk is opgelegd en de maand daarna. 9.2.9 Te weinig besef van verantwoordelijkheid PW 1. Wij verlagen uw uitkering op het moment dat u te weinig inzet of verantwoordelijkheid toont voor uw eigen levensonderhoud (artikel 18 lid 2 PW). De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente daardoor onterecht heeft uitbetaald. Dit noemen wij een benadelingsbedrag. 2. De verlaging van de uitkering is: 42

a. 10% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand bij een benadelingsbedrag tot € 1.000; b. 20% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000,tot € 2.000,-; c. 50% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,tot € 4.000,-; d. 100% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000,- tot € 8.000,-; e. 100% van de bijstandsnorm voor de duur van twee maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 8000,- tot € 12.000,-; f. 100% van de bijstandsnorm voor de duur van drie maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 12.000,- tot € 16.000,-; g. 100% van de bijstandsnorm voor de duur van vier maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 16.000,- tot € 20.000,-; h. 100% van de bijstandsnorm voor de duur van vijf maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 20.000,-. Iedere overschrijding van dit bedrag met € 4.000,- leidt tot een verlenging van de duur met één maand. 3. De uitkering wordt verlaagd met 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand als de uitkeringsaanvraag komt door het door eigen toedoen niet behouden van betaalde arbeid. 4. Als het exacte benadelingsbedrag niet of niet schattenderwijs kan worden vastgesteld, dan bedraagt de verlaging 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand.

9.2.10 Onacceptabel gedrag PW, IOAW, IOAZ De uitkering wordt verlaagd tot 100% van de uitkeringsnorm voor de duur van één maand als een belanghebbende zich op een onacceptabele manier gedraagt tegenover medewerkers van de gemeente en/of instanties die de Pw, IOAW of IOAZ uitvoeren tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Denk aan: fysiek geweld tegen medewerkers of spullen en/of mondelinge of schriftelijke bedreiging. 9.2.11 Niet nakomen van andere verplichtingen PW, IOAW, IOAZ Wij verlagen uw uitkering als u andere verplichtingen, bedoeld in artikelen 9, 9a, 17 lid 2, 55 en 56a van de Participatiewet en artikelen 13 en 37 van de IOAW/IOAZ niet of onvoldoende nakomt. 1. Voor de Participatiewet a. Eerste categorie: i. Het niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; ii. Het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid van de Participatiewet neerlegde ontzorgplicht. Dit is de verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het door het college in naam van de belanghebbende verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering. b. Tweede categorie: i.

Het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak, zoals bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; ii. Het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid of artikel 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet;

43

iii. Het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17, tweede lid van de Participatiewet; iv. Het niet of onvoldoende nakomen van de identificatieplicht als bedoeld in artikel 17, vierde lid van de Participatiewet. c. Derde categorie: i. Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet. 2. Wij verlagen uw PW-uitkering voor een maand met: a. 50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie. 3. Voor de IOAW/IOAZ: a. Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. Het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f van de IOAW/IOAZ; c. Het niet of onvoldoende nalaten van dat wat inschakeling in de arbeid belemmert als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel d van de IOAW/IOAZ; d.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=a5df50f3-756a-4e17-8d47-a513b2d76178