CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

01 (Ruimtelijke Onderbouwing)

Raad 5 februari 2026, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot afgifte van een (verzwaard) advies omtrent het verlenen van de aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ten behoeve van natuurontwikkeling aansluitend op de Linie van Passageule31.544 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De soort is tijdens de trek bijna overal waarneembaar langs zoetwaterplassen, rivieren en beken evenals op landaanwinningswerken en strekdammen aan de kust. Veel broedgevallen worden vastgesteld in natuurontwikkelingsterreinen. Lage voorjaarswaterstanden lijken gunstig te zijn vanwege de droogvallende oevers. Binnen het projectgebied zijn geen droogvallende oevers aanwezig waarmee geschikt habitat ontbreekt. De veldleeuwerik broedt in open landschappen. Veldleeuweriken broeden ook vaak in graslanden en open akkerbouwgebieden. Buiten de broedtijd vooral op stoppelvelden. Binnen het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig. Visdieven komen hoofdzakelijk voor in kustgebieden, maar ook in het binnenland zijn kolonies te vinden, in waterrijke graslanden en op platte grinddaken. Ook natuurontwikkelingsgebieden. Visdieven broeden in kolonies op rustige, spaarzame begroeide terreinen aan de kust en bij binnenwateren. Binnen het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig. Waterral komt voornamelijk voor in moerasgebieden met riet en drassige plekken, langs rivieren en meren in rietkragen ook in stadsparken met riet. In de winter ook bij afwateringskanalen en andere plaatsen waar nog open (stromend) water te vinden is. Aangrenzend aan het projectgebied is geschikt leefgebied aanwezig in de rietkraag van de aangrenzende watergang.

Binnen het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig. Ook aan de waterzijde is geen geschikt habitat aanwezig. ondiepe plekken ontbreken. Zomertaling houdt van drassige en moerassige gebieden met een goede waterkwaliteit en veel water- en oeverplanten. Dit is een ideale broedplaats voor de zomertaling. Ook in graslandgebieden met veel hooiland en open water. Buiten het broedseizoen zoekt de zomertaling bij voorkeur grote zoetwatermeren op, met veel drijvende en oevervegetatie. Binnen het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig. Zowel in broedtijd als daarbuiten is de bruine kiekendief vooral in open moerasgebieden, maar ook open boerenland te vinden. Broedt liefst in uitgestrekt rietland, maar ook in slootjes met riet en regelmatig in akkers. Blauwe kiekendief komt in Zeeland alleen voor als doortrekker. De Blauwe kiekendief geeft aan zijn foerageergebied dezelfde voorkeur als de bruine kiekendief.Binnen het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig. De oorspronkelijke habitat van de gele kwikstaart bestaat uit rivierbegeleidend grasland. Tegenwoordig broeden de meeste gele kwikstaarten in boerenland; hooiland en weiland, maar vooral akkers. Hoge dichtheden in gemengde gebieden en in bollenvelden. Vaak foeragerend te vinden op weilanden met schapen, koeien en paarden.

Binnen het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig In de directe omgeving is slecht één melding van de boomvalk in de periode eind augustus. Dit betreft een mogelijk trekkend exemplaar. Broedgevalllen in de omgeving zijn niet bekend. Daarmee wordt mogelijk broedlocatie binnen het projectgebied uitgesloten Daarnaast is er binnen het plangebied geen geschikt foerageergebied aanwezig Slechtvalken verblijven het hele jaar rond de broedplaats (oude vogels) of zwerven rond over afstanden tot een honderdtal kilometers (jonge vogels).Veelal broeden slechtvalken op hooggelegen locaties als torens, of hoogspanningsmasten. Incidenteel wordt ook gebruik gemaakt van oude kraaien nesten. Binnen het projectgebied is naast geen geschikt foerageergebied ook geen geschikte broedlocatie aanwezig. Tapuit is een zangvogel van open gebied. Het zijn open landschappen langs de kust waar hij voorkomt met een afwisseling van korte vegetaties en open, zandige plekken. Binnen het projectgebied is dit habitat niet aanwezig De zwarte roodstaart komt oorspronkelijk als broedvogel voor in middel- en hooggebergtes, maar broedt in Nederland in het stedelijk gebied en bij moderne boerderijen. In met name industrieterreinen en grootschalige nieuwbouw vinden zij holten in muren en tal van andere plekken om te broeden. Verdwijnt weer als de omgeving te groen wordt.

Er is een grote voorkeur voor droge, warme en lichte biotopen. Binnen het projectgebied zijn geen gebouwen aanwezig of holten in muren of andere plekken om te broeden. De velduil leeft in open terrein met lage vegetatie en dekkingsmogelijkheden. Heeft een voorkeur voor vochtige, deels moerassige laagten met verlandingszones, veengebieden en open duinlandschappen met vochtige plaatsen. Daarnaast ook wel broedend op boerenland, zowel grasland als akkerland. Binnen het projectgebied is geen geschikt habitat niet aanwezig

33

BIJLAGE 2 WETTELIJK KADER OMGEVINGSWET NATUUR

OMGEVINGSWET De bescherming van natuur wordt in de nieuwe Omgevingswet geregeld in artikel 2.18 en 2.19. Het provinciebestuur en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn hiervoor verantwoordelijk en zij zijn verplicht zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden en van nature in Nederland voorkomende dier- en plantensoorten en hun leefgebieden. Daarnaast moeten instandhoudingsdoelstellingen door de minister opgesteld worden voor Natura 2000-gebieden en bijzondere natuurgebieden. Ook heeft de minister rode lijsten opgesteld die inzicht geven in met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende dier- en plantensoorten die van nature in Nederland voorkomen. In artikel 2.44 Omgevingswet (hierna te noemen OW) wordt beschreven dat Onze Minister van LNV of de Provincie via een omgevingsverordening, Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale gebieden, nationale parken, natuurnetwerk Nederland en bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen. Om deze gebieden en soorten goed te beschermen en te behouden in ons landschap zijn zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten verboden (art. 5.1 OW): • • • •

Een Natura 2000-activiteit Een jachtgeweeractiviteit Een valkeniersactiviteit Een Flora- en fauna-activiteit

Tenzij het gaat om een, bij algemene maatregel van bestuur, aangewezen geval. De voorschriften uit de omgevingsvergunning moeten gevolgd worden. Het is verboden in strijd met de voorschriften te handelen. Jachtgeweeractiviteiten en valkeniersactiviteiten worden hier niet verder besproken omdat deze niet van toepassing zijn op dit project. De gevallen die bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden aangewezen, ofwel een uitzondering op de vergunningplicht, kunnen alleen uitgevoerd worden wanneer dat nodig is: 1. 2.

met het oog op een nationaal belang en dat belang niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het provinciebestuur of gemeentebestuur kan worden behartigd, of voor een doelmatige en doeltreffende uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van de omgevingswet of de uitvoering van een internationaalrechtelijke verplichting.

Voor een Natura 2000-activiteit en een flora- en fauna-activiteit kunnen op de volgende manieren vergunningsvrije gevallen aangewezen worden: • Omgevingsplan • Waterschapverordening • Omgevingsverordening • Bij ministeriële regeling • In een Programma De gevallen worden aangewezen ter uitvoering van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn en de Vogelrichtlijn. De regels die zijn opgesteld om de beschermingsdoelen van beschermde gebieden en beschermde soorten te bereiken zijn terug te vinden in het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal). Hoofdstuk 11 van het Bal bespreekt de regels omtrent natuur. Te beginnen bij Natura2000activiteiten (Afdeling 11.1 Bal) gevolgd door Flora- en Fauna-activiteiten (Afdeling 11.2.1 t/m 11.2.5 Bal) en activiteiten die Houtopstanden, hout en houtproducten (Afdeling 11.3 Bal) betreffen.

ZORGPLICHT In de omgevingswet is net als in de Wet natuurbescherming een zorgplicht opgenomen (artikel 1.6 t/m1.8 Ow). Deze plicht houdt in dat een ieder die een activiteit verricht die nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kan hebben: 1. Alle maatregelen neemt die redelijkerwijs verwacht kunnen worden om die gevolgen te voorkomen; 2. Wanneer die gevolgen niet voorkomen kunnen worden, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; 3. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, de activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem gevraagd kan worden. In de Ow wordt de zorgplicht verder uitgewerkt per activiteit, een zogenaamde specifieke zorgplicht activiteiten. In het Bal zijn meerdere specifieke zorgplichten opgenomen, waaronder in artikel 11.27 dat toeziet op de specifieke zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten (daarnaast ook voor andere activiteiten, genoemd in artikel 11.22, lid 1, onder b t/m g, zoals het handelen conform een faunabeheerplan, uitoefening jacht, etc.). In het eerste lid is een vergelijkbare zorgplicht opgenomen als onder de algemene zorgplicht, namelijk dat degene die een flora- en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben:

34

1. 2. 3.

Alle maatregelen neemt die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

In het tweede lid van artikel 11.27 Bal wordt de invulling van de specifieke zorgplicht voor Flora- en fauna activiteiten nader uitgewerkt. Hierin staat dat de plicht 'in ieder geval' inhoudt dat wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van bepaalde soorten en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Verwezen wordt naar de volgende soorten: • Van nature in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; • Van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; • Dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX (de nationaal beschermde soorten) of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚ Ow. Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten.

Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen. Verder wordt er ook gevraagd om tijdens en na het verrichten van de activiteit na te gaan of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning. De zorgplicht voor soorten is bovendien niet beperkt tot de dieren en planten zelf, maar ook tot de directe leefomgeving van de soorten. Dat betreft voor dieren de foerageergebieden, rust en vaste verblijfplaatsen en plaatsen voor het grootbrengen van de jongen. Daarnaast kunnen decentrale bestuursorganen de regels van hogere bestuursorganen toespitsten op de lokale situatie middels maatwerkregels (artikel. 4.5 Ow). Het Rijk kan deze bevoegdheid geven aan de provincie, gemeente of waterschap. De provincie kan deze bevoegdheid ook aan gemeente of het waterschap geven. De provincie doet dit via regels in de omgevingsverordening. Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op natuurbescherming.

Geplande werkzaamheden kunnen hierdoor in de ene gemeente of provincie andere eisen hebben dan in een andere gemeente of provincie.

GEBIEDSBESCHERMING De bescherming van gebieden wordt verdeeld in de eerder genoemde gebieden die door de minister of door de Provincie worden aangewezen; Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale gebieden, nationale parken, natuurnetwerk Nederland en bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De bescherming van Natura 2000-gebieden of een bijzonder nationaal natuurgebied wordt beschreven in paragraaf 11.1.1 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal). Natuurnetwerk Nederland, bijzonder provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen worden door de desbetreffende provincie beschermd en de regels omtrent deze gebieden worden in een omgevingsverordening van de provincie beschreven. NATURA 2000- ACTIVITEIT Wanneer een activiteit verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000- gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, wordt gesproken over een Natura 2000- activiteit. Voor natura 2000-activiteten moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd (art. 5.1 Ow). Uitzonderingen waarbij geen omgevingsvergunning noodzakelijk zijn staan beschreven in het Bal artikel 11.16 t/m artikel 11.20.

Het verbod om zonder omgevingsvergunning een N2000-activiteit uit te voeren geldt niet (een uitzondering) wanneer de activiteit: Op grond van een andere wet is toegestaan (artikel 11.16a Bal); Betrekking heeft op (artikel 11.17 Bal): • het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw-of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft;

• •

•

het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk; Oostdijk Pagina 9 | 30 En afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten geen significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, de gevolgen van de depositie van stikstof door de activiteit, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen, buiten beschouwing gelaten. Is aangewezen in een programma van het N2000-gebied (artikel 11.18 lid 1 Bal).

35

• • • • •

Is aangewezen in een omgevingsverordening (artikel 11.19 lid 1 Bal). Is aangewezen in een omgevingsverordening en de gevolgen een bepaalde drempel uit de omgevingsverordening niet overschrijdt (artikel 11.19 lid 2 Bal). Van nationaal belang is die is aangewezen bij ministeriële regeling (artikel 11.20 lid 1 Bal); Van nationaal belang is en gevolgen een bepaalde drempel door de ministeriële regeling is aangewezen, niet overschrijdt (artikel 11.20 lid 2 Bal).

Deze uitzonderingen op het verbod zijn alleen vergunningsvrij wanneer op voorhand op grond van objectieve gegevens met zekerheid kan worden uitgesloten dat de activiteiten significante gevolgen voor een N2000-gebied kan hebben. Wanneer dit niet op basis van objectieve gegevens kan worden uitgesloten, kan met behulp van een passende beoordeling een uitzondering worden verkregen als uit deze passende beoordeling met zekerheid blijkt dat de activiteit de natuurlijke kenmerken van het N2000-gebied niet zal aantasten. Of wanneer de activiteit op grond van dwingende redenen van openbaar belang, het ontbreken van alternatieve oplossingen en het treffen van compenserende maatregelen die waarborgen dat de algehele samenhang van het N2000-gebied bewaard blijft (artikel 11.21 Bal).

SOORTENBESCHERMING FLORA- EN FAUNA ACTIVITEIT De bescherming van soorten in het wild wordt in de Omgevingswet geregeld in afdeling 11.2 van het Bal. Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten worden een flora- en fauna-activiteit genoemd. Voor alle in Nederland voorkomende soorten geldt de zorgplicht (artikel 1.6 Ow) en de specifieke zorgplicht artikel 11.27 Bal. Soorten die meer bescherming nodig hebben zijn in hoofdstuk 11.2 van de Ow onderverdeeld in drie beschermingsregimes: • • •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Europees); Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Europees); Beschermingsregime andere soorten (nationaal).

Soorten die conform Europese regelgeving (Vogel- en Habitatrichtlijn) worden beschermd, zijn zwaarder beschermd. Daarnaast worden soorten op nationaal niveau beschermd, de zogenaamde ‘andere soorten’. Voor deze drie beschermingsregimes gelden verschillende verboden welke in de volgende paragraaf per beschermingsregime worden besproken. VOGELRICHTLIJN Alle van nature in het wild voorkomende vogels zijn in Nederland beschermd conform de Europese regelgeving van de Vogelrichtlijn. Voor het beschermingsregime van vogels gelden de volgende verboden conform artikel 11.37 van het Bal: a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. Het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. Het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.

Deze toevoeging betekent in de praktijk dat per geval beoordeeld dient te worden of de verstoring een negatief effect veroorzaakt, afhankelijk van de zeldzaamheid van de vogelsoort, de uitwijkmogelijkheden en de aard van de verstoring. Ook gelden de verboden niet wanneer de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en voldaan wordt aan de vogelrichtlijn (artikel 9, lid 1 en 2 en artikel 13). Of wanneer de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel van de vogel- of habitatrichtlijn. Daarnaast zijn nesten van enkele soorten vogels jaarrond beschermd, deze vogels zijn opgenomen in de lijst met jaarrond beschermde nesten welke in 2009 is opgesteld door RVO. Provincies hebben de mogelijkheid deze lijst naar eigen inzicht aan te passen middels een omgevingsverordening. HABITATRICHTLIJN Soorten die conform de Habitatrichtlijn zijn beschermd worden ook wel ‘habitatsoorten’ genoemd. Voor het beschermingsregime van habitatsoorten gelden de volgende verboden conform artikel 11.46 van het Bal: a. Het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. Het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c.

Het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a en; e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van

36

soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. ANDERE SOORTEN Daarnaast zijn in Nederland enkele soorten op nationaal niveau beschermd, de zogenaamde ‘andere soorten’. Voor het beschermingsregime van andere soorten gelden de volgende verboden conform artikel 11.54 van het Bal: RO Oostdijk Pagina 12 | 30 a. Het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. Het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. In tegenstelling tot de eerste twee beschermingsregimes geldt voor de ‘andere soorten’ geen verbod op het opzettelijk verstoren en het rapen of beschadigen van eieren. Ook geldt het verbod niet voor het doden of vangen van de bosmuis, huisspitsmuis en veldmuis of het beschadigen of vernielen van hun rustplaatsen wanneer ze in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Of wanneer de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen in art. 8.74 l van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl). Ook is het verbod niet geldig wanneer de activiteit deel uitmaakt van een instandhoudingsmaatregel van de vogel- of habitatrichtlijn.

VERGUNNING EN VRIJSTELLING Alle schadelijke handelingen op beschermde soorten zijn op basis van de verboden niet toegestaan. In speciale gevallen kan echter een “nee, tenzij” principe worden toegepast, dit betekent dat wanneer het project onder specifieke voorwaarden valt er een omgevingsvergunning verleend kan worden voor de verboden. De voorwaarden waaronder een vergunning wordt verleend verschillen per beschermingsregime waarbij geldt dat voor ‘andere soorten’ meer gronden zijn waarop een vergunning kan worden verkregen. Indien gebruik kan worden gemaakt van een vrijstellingsregeling is het niet nodig om een omgevingsvergunning aan te vragen. Wel dient dan altijd te worden voldaan aan de voorwaarden die een dergelijke vrijstellingsregeling stelt en dient de algemene zorgplicht (artikel 1.6 Ow) in acht genomen te worden. Voor het beschermingsregime ‘andere soorten’ geldt dat de provincies een vrijstelling kunnen toekennen voor een bepaalde soort, dit is beschreven in de provinciale verordeningen. Hierdoor bestaan verschillen in de lijst met vrijgestelde soorten tussen de provincies. Daarnaast zijn op basis van artikel 11.54 en 11.57 van het Bal enkele ‘andere soorten’ zoogdieren en amfibieën aangewezen in de omgevingswet welke op nationaal niveau zijn vrijgesteld. Ook indien conform een goedgekeurde gedragscode wordt gewerkt geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht.

GEDRAGSCODE Gedragscodes zijn onder de OW beschikbaar als instrument voor vrijstellingen. In de gedragscodes zijn maatregelen beschreven ter bescherming van soorten, indien deze maatregelen correct worden toegepast tijdens de werkzaamheden, is het aanvragen van een ontheffing niet altijd nodig en kan dus gewerkt worden volgens de vrijstellingsregeling. Hoe zeldzamer de soort en hoe ingrijpender de activiteit, hoe strikter de vrijstellingsregeling. De impact van de werkzaamheden bepaalt namelijk voor welke beschermingsniveaus van de Ow een vrijstelling mogelijk is. Om gebruik te kunnen maken van de vrijstellingsregeling zijn momenteel diverse goedgekeurde gedragscodes beschikbaar.

NATUURNETWERK NEDERLAND (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones en bestaat uit: • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee alle N2000-gebieden

De provincies zijn verantwoordelijk voor het NNN op het land. Ook alle grote wateren (grote rivieren, Deltawateren, IJsselmeergebied en Waddenzee) en de gehele Noordzee behoren tot het NNN. Voor deze gebieden is het Rijk verantwoordelijk. Provincies leggen de begrenzing en het beleid omtrent het NNN vast in de provinciale structuurvisie en omgevingsverordening (artikel 2.44, lid 4 Ow). Ook moeten zij de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden vastleggen in natuurbeheerplannen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in het NNN aan. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied

37

De rijksoverheid heeft de bruto begrenzing van het NNN vastgesteld, de provincies zijn bevoegd om dit netto te begrenzen. ‘Nee, tenzij’ principe Voor NNN-gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting van de natuurdoelen. Voor het NNN geldt het 'nee, tenzij' principe. Dit betekent dat nieuwe plannen of projecten niet zijn toegestaan als deze oppervlak of de wezenlijke kenmerken en (potentiële) waarden van het NNN significant aantasten. Uitzonderingen hierop zijn wanneer sprake is van redenen van groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn buiten het gebied dat deel uitmaakt van de NNN. De schade dient in dat geval door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk beperkt te worden. De restschade dient te worden gecompenseerd. Bij het NNN is geen sprake van externe werking. Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. De provincie werkt samen met verschillende Zeeuwse partners aan het Natuurnetwerk en ondersteunt partijen die natuurprojecten uitvoeren. Gemeenten, organisaties, particulieren en (agrarisch) ondernemers gaan steeds vaker zelf natuur ontwikkelen en beheren.

De concrete ambities voor het NNZ staan beschreven in het natuurbeheerplan. Hierin staan 2 kaarten: de beheertypekaart en de ambitiekaart. De beheertypekaart laat zien hoe natuur en landschap in Zeeland er nu voor staan. En de ambitiekaart geeft aan hoe zij eruit moeten gaan zien. Het natuurbeheerplan vormt de basis voor subsidies die gaan over het beheer en de inrichting van het Natuurnetwerk.

HOUTOPSTANDEN De belangrijkste inhoudelijke regels over het vellen van houtopstanden zijn opgenomen in artikel 11.126 van het Bal (meldplicht vellen van houtopstanden) en artikel 11.129 van het Bal (plicht tot herbeplanting). Het is conform artikel 11.126 van het Bal verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen, of te doen vellen zonder daarvan vooraf een melding te maken bij gedeputeerde staten. Uitzondering op deze regel is het periodiek vellen van griend- of hakhout. Daarnaast geldt op grond van artikel 11.129, eerste lid van het Bal een herbeplantingsplicht als een houtopstand is geveld, of op een andere wijze teniet is gegaan. De herbeplanting moet in beginsel plaatsvinden binnen 3 jaar, op dezelfde grond waar de houtopstanden stonden. In artikel 11.131 van het Bal staan een aantal uitzonderingen beschreven, waarbij het wel is toegestaan om houtopstand zonder deze melding geheel of gedeeltelijk te vellen. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag voor toezicht en handhaving op de regels in het Bal (met uitzondering van een aantal specifieke gevallen waarin de minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit het bevoegd gezag is). De provincie kan op basis van artikel 11.117 van het Bal in de omgevingsverordening aanvullende regels (maatwerkregels) opstellen over het vellen van houtopstanden.

Artikel 11.116 van het Bal formuleert de specifieke zorgplicht, waaronder die voor houtopstanden. Deze specifieke zorgplicht als uitgangspunt heeft dat iedereen alle activiteiten achterwege moet laten met negatieve effecten op de belangen uit artikel 11.112 van het Bal. Deze belangen zijn: areaal houtopstanden in stand houden, natuurbescherming en landschappelijke waarden beschermen. Met de specifieke zorgplicht voor houtopstanden moet degene die gaat kappen of vellen maatregelen treffen om negatieve gevolgen van de activiteit te voorkomen. Ook moet diegene zich op de hoogte stellen van de natuur- en landschapswaarden die aanwezig zijn en eventueel nadelige gevolgen kunnen ondervinden van de activiteit. Wanneer negatieve gevolgen niet te voorkomen zijn, moet diegene maatregelen treffen om de schade te beperken en waar nodig te herstellen.

38

BIJLAGE 3 BESCHERMDE SOORTEN Beschermde soorten conform artikel 11.37 Bal: Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten benoemd in de Vogelrichtlijn zijn beschermd (ca. 700). In deze bijlage worden niet alle soorten benoemd. Hieronder worden uitsluitend de soorten benoemd van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten van de categorieën 1 t/m 5. Categorie 1: jaarrond gebruikte nesten Categorie 2: Zeer honkvaste koloniebroeders Categorie 3: Zeer honkvaste broeders Categorie 4: Vogels die ieder jaar terugkeren naar het specifieke nest Categorie 5: Honkvaste broeders, maar voldoende flexibel

Tabel: Lijst met jaarrond beschermde nesten

39

Beschermde soorten conform artikel 11.46, lid 1, onder a en e, Bal: Van nature in Nederland voorkomende soorten van de Habitatrichtlijn, bijlage IV (inclusief Verdrag van Bern, Bijlage I en II voor zover van toepassing) Onder dit artikel vallen naast habitatrichtlijnsoorten ook soorten uit de conventies van Bern I, Bern II en Bon I. Vogels vallen niet onder artikel 11.46. Beschermde soorten conform art 11.46, lid 1, onder a en e, Bal: Van nature in Nederland voorkomende soorten van de Habitatrichtlijn, bijlage IV (inclusief Verdrag van Bern, Bijlage I en II voor zover van toepassing) Apollovlinder Gestreepte dolfijn Heikikker Narwal Tijmblauwtje Bataafse stroommossel Gestreepte waterroofkever Heldenbok Noordse vinvis Tonghaarmuts Bechsteins vleermuis Gevlekte witsnuitlibel Hille Noordse vleermuis Tuimelaar Bever Gewone baardvleermuis Houting Noordse winterjuffer Tweekleurige vleermuis Boomkikker Gewone dolfijn Ingekorven vleermuis Noordse woelmuis Vale vleermuis Bosvleermuis Gewone dwergvleermuis Juchtleerkever Oostelijke witsnuitlibel Vermiljoenkever Boszandoog Gewone grootoorvleermuis Kamsalamander Orca Vroedmeesterpad Brandts vleermuis Gewone spitsdolfijn Kemps’ zeeschildpad Otter Walrus Brede geelrandwaterroofkever Gewone vinvis Kleine dwergvleermuis Pimpernelblauwtje Watervleermuis Bronslibel Gladde slang Kleine hoefijzerneus Platte schijfhoren Wilde kat Bruinvis Griend

Kleine zwaardwalvis Poelkikker Witflankdolfijn Bultrug Grijze dolfin Kleine vlotvaren Potvis Witsnuitdolfijn Dikkopschildpad Grijze grootoorvleermuis Knoflookpad Rivierrombout Witte dolfijn Donker pimpernelblauwtje Groene glazenmaker Kruipend moerasscherm Rosse vleermuis Wolf Drijvende waterweegbree Groenknolorchis Laatvlieger Rugstreeppad Zandhagedis Dwergpotvis Grote hoefijzerneus Lederschildpad Ruige dwergvleermuis Zilverstreephooibeestje Dwergvinvis Grote rosse vleermuis Liggende raket Sierlijke witsnuitlibel Zomerschroeforchis Franjestaart Grote vuurvlinder Lynx Soepschildpad Oeveraas Gaffellibel Hamster Meervleermuis Spitsdolfijn van Gray Walrus Geelbuikvuurpad Hazelmuis Mopsvleermuis Steur Moerasparelmoervlinder Geel schorpioenmos Muurhagedis Teunisbloempijlstaart Mercuur waterjuffer Tabel: Habitatrichtlijnsoorten en soorten uit de conventies van Bern I, Bern II en Bon I

40

Soorten zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder a en Soorten vaatplanten als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder c Soorten zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder a Soorten vaatplanten als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder c Aardmuis Vinpootsalamander Gevlekte glanslibel Karwijselie Zinkviooltje Boommarter Vuursalamander Gewone bronlibel Kleine ereprijs Zweedse kornoelje Bosmuis Adder Hoogveenglanslibel Kleine Schorseneer Bunzing Hazelworm Kempense heidelibel Kleine wolfsmelk Damhert Levendbarende hagedis Speerwaterjuffer Kluwenklokje Das Ringslang Vliegend hert Knollathyrus Dwergmuis Vissen Akkerboterbloem Knolspirea Dwergspitsmuis Beekdonderpad Akkerdoornzaad Korensla Edelhert Beekprik Akkerogentroost Kranskarwij Eekhoorn Elrits Beklierde ogentroost Kruiptijm Egel Europese rivierkreeft Berggamander Lange zonnedauw Eikelmuis Gestippelde alver Bergnachtorchis Liggende ereprijs Gewone bosspitsmuis Grote modderkruiper Blaasvaren Moerasgamander Gewone zeehond Kwabaal Blauw guichelheil Muurbloem Grote bosmuis Aardbeivlinder Bokkenorchis Naakte lathyrus Grijze zeehond Bosparelmoervlinder Bosboterbloem Naaldenkervel Haas Bruin dikkopje Bosdravik Pijlscheefkalk Hermelijn Bruine eikenpage Brave hendrik

Roggelelie Huisspitsmuis Donker pimpernelblauwtje Brede wolfsmelk Rood peperboompje Konijn Duinparelmoervlinder Breed wollegras Rozenkransje Molmuis Gentiaanblauwtje Bruinrode wespenorchis Ruw parelzaad Ondergrondse woelmuis Grote parelmoervlinder Dennenorchis Scherpkruid Ree Grote vos Dreps Schubvaren Rosse woelmuis Grote vuurvlinder Echte gamander Schubzegge Steenmarter Grote weerschijnvlinder Franjegentiaan Smalle raai Tweekleurige bosspitsmuis Iepenpage Geelgroene wespenorchis Spits havikskruid Veldmuis Kleine heivlinder Geplooide vrouwenmantel Steenbraam Veldspitsmuis Kleine ijsvogelvlinder Getande veldsla Stijve wolfsmelk Vos Kommavlinder Gevlekt zonneroosje Stofzaad Waterspitsmuis Pimpernelblauwtje Glad biggenkruid Tengere distel Wezel Sleedoornpage Gladde zegge Tengere veldmuur Wild zwijn Spiegeldikkopje Groene nachtorchis Trosgamander Woelrat Veenbesblauwtje Groensteel Veenbloembies Amfibieën Veenbesparelmoervlinder Groot spiegelklokje Vliegenorchis Alpenwatersalamander Veenhooibeestje Grote bosaardbei Vroege ereprijs Bruine kikker Veldparelmoervlinder Grote leeuwenklauw Wilde averuit Gewone pad Zilveren maan Honingorchis Wilde ridderspoor Kleine watersalamander Beekkrombout Kalkboterbloem Wilde weit Meerkikker Bosbeekjuffer Kalketrip Wolfskers Middelste groene kikker Donkere waterjuffer Karthuizeranjer Zandwolfsmelk Tabel: Overige soorten

41

BIJLAGE 4 VRIJGESTELDE SOORTEN Artikel 2.154 Aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten: beheer, onderhoud, gebruik, inrichting of ontwikkeling van gebieden 1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, en artikel 11.54, eerste lid, van het besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor de in bijlage VIII genoemde soorten bij het verrichten van een activiteit in verband met: ) ) ) ) )

2.

de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde; bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; bestendig gebruik.

Het eerste lid geldt alleen voor het verrichten van een activiteit die niet al vergunning vrij is op grond van een bij ministeriële regeling aangewezen gedragscode, bedoeld in artikel 11.59, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Vrijgestelde soorten Provincie Zeeland Soort

Aardmuis Bastaardkikker/Middelste groene kikker Bosmuis Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Gewone pad Huisspitsmuis Kleine watersalamander Meerkikker Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat Tabel: Lijst met vrijgestelde soorten Provincie Zeeland

42

BIJLAGE 5 FOTOBLAD

Foto 1: Overzichtslocatie projectgebied zuidzijde perceel P 641 en P 642

Foto 2: Overzicht projectgebied noordzijde perceel P641 en P198

43

Foto 3: Rups dagpauwoog (1)

Foto 4: Mogelijke plukplaats van sperwer (2)

Foto 5: Hol kleine zoogdieren (3)

Foto 6: Nest locatie 1 (4)

Foto 7: Nestlocatie 2 (7)

Foto 8: Prenten van een ree

Foto 9: Boomholtes waarin boombewonende vleermuizen of vogels kunnen verblijven. (8)

Foto 10: Boomholte (9)

44

Foto 11: Klein geaderd witje (11)

Foto 12: Landkaartje (12)

Foto 13: Bloedrode heidelibel

Foto 14: Hol onder omgevallen boom van vermoedelijk een vos (15)

Foto

Foto 15 : Mogelijk gepredeerd ei van de havik (16)

Foto 16: Overzicht ondergroei van brandnetel en smeerwortel

Foto 17: Plukplaats (17)

Foto 18: Boom met holtes specht en mogelijk vleermuizen (18)

45

Foto 19: Boom met nest van vermoedelijk buizerd

Foto 20: Eén van de omgevallen bomen met holtes van kleine zoogdieren

Foto 21: Wild wissel ree aan rand projectgebied (21)

Foto 22: Mogelijke rust en verblijfplaats ree (22)

Foto 23: Nest locatie (23)

Foto 24: Eén van de bomen met holtes (29)

Foto 25: Latrineplaats vos of marter (32)

Foto 26: Impressie populierenopstand met ondergroei

46

Foto 27: Aangetroffen Rietorchis op het perceel ruigte ten oosten van de houtopstand (35)

Foto 28: Aanwezige poel op perceel ruigte ten oosten van de houtopstand

Foto 29: Impressie perceel P198 ruigte met grote brandnetel, smeerwortel en boswilg

47

Foto 30: Impressie perceel P 642 ingezaaid grasland grenzend aan de populierenopstand

Foto 31: Impressie bosgebied met populier en elzen

48

Foto 32: Impressie directe omgeving projectgebied perceel P 211 en P 645

49

50

Bijlage 2: Nader onderzoek Munte - Haas

16

Nader onderzoek Haas De Munte Oostburg

Rapportnummer: 2025-00082

Opdrachtgever: Provincie Zeeland Opdrachtnemer: SNKecoadvies B.V.

Rapportnummer: 2025-00082 Versienummer: 1

Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport inclusief de foto’s is alleen toegestaan met toestemming van de eigenaar (opdrachtgever) en onder vermelding van de bron. Dit rapport is met grote zorg opgesteld. Desondanks aanvaardt SNKecoadvies B.V. geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of door toepassing van adviezen. Onze algemene voorwaarden en privacyverklaring zijn te vinden op www.snkecoadvies.nl

Status: Definitief Datum: 09 oktober 2025 Contactpersoon Opdrachtgever: Dhr. J.A.A. Melaard

Opsteller: ing. P.J. Sinke

Moerdamme 24, 4415 AP Oostdijk KVK: 97228273 BTW-nummer: NL867960036B01

Paraaf:

2

INHOUD 1. Aanleiding en doelstelling ............................................................................................................................................................................. 4 2. Wettelijk kader .............................................................................................................................................................................................. 5 2.1 Flora- en fauna activiteit Omgevingswet ............................................................................................................................................... 5 2.2 Vogelrichtlijn .......................................................................................................................................................................................... 5 2.3 Habitatrichtlijn, bijlage II van verdrag van Bern en Bijlage I van verdrag van Bonn ............................................................................... 5 2.4 Andere soorten ......................................................................................................................................................................................

6 2.5 Zorgplicht ............................................................................................................................................................................................... 6 3. Plangebied en voorgenomen werkzaamheden ............................................................................................................................................. 8 3.1 Huidige situatie ...................................................................................................................................................................................... 8 3.2 Toekomstige situatie ............................................................................................................................................................................ 10 3.3 Voorgenomen werkzaamheden en planning ....................................................................................................................................... 10 3.3.1 Het deels kappen van populieren met behoudt van de ondergroei van struweel ........................................................................ 11 3.3.2 Het realiseren van natuurbos .......................................................................................................................................................

11 3.3.3 Het realiseren van beheertype vochtige duinvallei ...................................................................................................................... 11 3.3.4 Het realiseren van beheertype kruiden- en faunarijk grasland ..................................................................................................... 11 3.3.5. Beheer van vochtige ruigte .......................................................................................................................................................... 11 3.3.6. Het realiseren van een natuurvriendelijke oever met schouwpad .............................................................................................. 11 4. Onderzoeksopzet......................................................................................................................................................................................... 12 5. Kenmerken en leefwijze Haas...................................................................................................................................................................... 13 5.1 Kenmerken Haas ..................................................................................................................................................................................

13 5.2 Leefwijze .............................................................................................................................................................................................. 13 5.3 Functioneel leefgebied......................................................................................................................................................................... 13 6. onderzoeksresultaten veldonderzoek ......................................................................................................................................................... 14 6.1 Kenmerkende elementen functioneel leefgebied Haas ....................................................................................................................... 14 6.2 Resultaten ............................................................................................................................................................................................ 15 6.3 Effectbeoordeling................................................................................................................................................................................. 17 6.3.1 Effectbeoordeling vaste rust- en voortplantingsplaatsen .............................................................................................................

17 6.3.2 Vervolgstappen negatieve effecten vaste rust- en voortplantingsplaatsen .................................................................................. 17 6.3.2 Effectbeoordeling functioneel leefgebied .................................................................................................................................... 17 6.3.3 Vervolgstappen tijdelijke negatieve effecten functioneel leefgebied ........................................................................................... 18 7. Conclusie ..................................................................................................................................................................................................... 19 Bronnen........................................................................................................................................................................................................... 20

3

1. AANLEIDING EN DOELSTELLING In West Zeeuws-Vlaanderen is een groot deel van het voormalige getijden geulensysteem Zwin, Passageule, Braakman opgenomen als natuur- en natuurontwikkelingsgebied in het Natuurnetwerk Zeeland. Natuurgebied De Munte (groot 18,4 hectare) is onderdeel van dit netwerk Zeeland. De huidige populierenopstand en het grasland in dit gebied sluit niet aan bij de ambitietypen zoals die zijn geformuleerd in het Natuurbeheerplan Zeeland. Het is de bedoeling om in het betreffende gebied een kwaliteitsimpuls uit te voeren om de natuur verder te optimaliseren. In 2024 heeft SNKecoadvies B.V. een quickscan flora en fauna uitgevoerd, bekend onder quickscan flora & fauna de Munte Oostburg Rapportnummer: 2024-00045. In 2025 is een actualisatie gedaan van deze quickscan doordat aan het project enkele percelen zijn toegevoegd en inrichtingswensen zijn gewijzigd. Deze rapportage is bekend onder quickscan flora & fauna de Munte Oostburg Rapportnummer: 202500081 d.d. 20 augustus 2025, SNKecoadvies B.V. Deze quickscan heeft als doel in te schatten of er op de onderzoek locatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen werkzaamheden.

Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Uit deze ecologische quickscan blijkt dat nader onderzoek naar vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de Haas benodigd is. Naar aanleiding van de uitkomsten van de uitgevoerde ecologische quickscan heeft de initiatiefnemer SNKecoadvies B.V. gevraagd nader onderzoek naar rust- en voortplanting plaatsten uit te voeren teneinde de kwaliteitsimpuls uit te voeren en de natuur verder te optimaliseren. Het doel van het nader onderzoek is drieledig: 1. Er wordt vastgesteld of en zo ja op welke manier, het projectgebied deel uitmaakt van het functioneel leefgebied en vaster rust- en voortplantingsplaatsen voorkomen van de Haas. 2. Er wordt bepaald of de voorgenomen werkzaamheden een overtreding van de Omgevingswet tot gevolg hebben. 3. Afhankelijk van de resultaten wordt bepaald of, en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn. Op basis van de meest recente planning zullen de werkzaamheden begin 2026 aanvangen door een gedeelte van het bos te kappen en in het derde en vierde kwartaal de verdere inrichtingsmaatregelen. De afronding van de werkzaamheden worden verwacht omstreeks 15 maart 2027.

In onderhavig onderzoek wordt vastgesteld of en zo ja op welke manier, het plangebied deel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de Haas. Daarnaast wordt bepaald of de voorgenomen werkzaamheden een overtreding van de Omgevingswet tot gevolg hebben. Afhankelijk van de resultaten wordt bepaald of, en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn.

4

2. WETTELIJK KADER 2.1 FLORA- EN FAUNA ACTIVITEIT OMGEVINGSWET De bescherming van soorten in het wild wordt in de Omgevingswet (Ow) geregeld in afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten worden een flora- en fauna-activiteit genoemd. Voor alle in Nederland voorkomende soorten geldt de zorgplicht (artikel 1.6 Ow) en de specifieke zorgplicht artikel 11.27 Bal. Soorten die meer bescherming nodig hebben zijn in hoofdstuk 11.2 van de Ow onderverdeeld in drie beschermingsregimes: • • •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Europees); Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Europees); Beschermingsregime andere soorten (nationaal).

Soorten die conform Europese regelgeving (Vogel- en Habitatrichtlijn) worden beschermd, zijn zwaarder beschermd. Daarnaast worden soorten op nationaal niveau beschermd, de zogenaamde ‘andere soorten’. Voor deze drie beschermingsregimes gelden verschillende verboden welke in de volgende paragraaf per beschermingsregime worden besproken.

2.2 VOGELRICHTLIJN Alle van nature in het wild voorkomende vogels zijn in Nederland beschermd conform de Europese regelgeving van de Vogelrichtlijn. Voor het beschermingsregime van vogels gelden de volgende verboden conform artikel 11.37 van het Bal: a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. Het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. Het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Deze toevoeging betekent in de praktijk dat per geval beoordeeld dient te worden of de verstoring een negatief effect veroorzaakt, afhankelijk van de zeldzaamheid van de vogelsoort, de uitwijkmogelijkheden en de aard van de verstoring. Het nest van een vogel, zoals bedoeld in artikel 11.37 sub b van het Bal is de plaats die een vogel gebruikt voor het leggen en uitbroeden van de eieren en het grootbrengen van de jongen.

Indien de soort nest-indicerend gedrag vertoont, zoals het baltsgedrag en het aanslepen van nestmateriaal tot het moment dat de jongen zelfstandig zijn, is het niet toegestaan het nest te verwijderen of de broedlocatie ongeschikt te maken. In de context van de Omgevingswet valt onder nest zowel de inhoud als de functionele leefomgeving onder het begrip nest. De omvang van de functionele leefomgeving verschilt per vogelsoort. Het betreft de omgeving die nodig is om het broedsucces van de betreffende vogelsoort te garanderen. Onder de verbodsbepaling vallen alle activiteiten die het broedsucces negatief beïnvloeden of tenietdoen. Ook situaties, die het nest op zich niet fysiek aantasten, kunnen onder de verbodsbepalingen vallen. Als er bijvoorbeeld sprake is van aantasting van de functionele leefomgeving, waardoor de broedvogel zijn nestplek permanent verlaat. Daarnaast zijn nesten van enkele soorten vogels jaarrond beschermd. Artikel 11.37 sub b van het Bal is gedurende het broedseizoen van toepassing op alle in gebruik zijnde nesten van vogels. Een aantal vogelsoorten maakt het gehele jaar gebruik van hun nest of zijn niet in staat zelf een nieuw nest te maken. Nesten van deze soorten, waaronder huismus en gierzwaluw, zijn jaarrond beschermd. Deze vogels zijn opgenomen in de lijst met jaarrond beschermde nesten welke in 2009 is opgesteld door RVO.

Provincies hebben de mogelijkheid deze lijst naar eigen inzicht aan te passen middels een omgevingsverordening. Dit houdt in dat ook buiten het broedseizoen de nesten beschermd zijn en niet mogen worden vernield of weggehaald.

2.3 HABITATRICHTLIJN, BIJLAGE II VAN VERDRAG VAN BERN EN BIJLAGE I VAN VERDRAG VAN BONN Soorten die conform de Habitatrichtlijn zijn beschermd worden ook wel ‘habitatsoorten’ genoemd. Voor het beschermingsregime van habitatsoorten gelden de volgende verboden conform artikel 11.46 van het Bal: a. Het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. Het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. Het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a en;

5

e.

het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Onder voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van vleermuizen als bedoeld in artikel 11.46 sub d. van het Bal vallen onder andere kraamverblijven, zomerverblijven, paarverblijven en winterverblijven maar ook essentiële vliegroutes en foerageergebieden die van belang zijn voor de instandhouding van de voortplantingsplaats of rustplaats worden hieronder gerekend. Tijdelijke, seizoensgebonden verblijfplaatsen als holen die van belang zijn voor de gunstige staat van instandhouding van een soort op populatieniveau of per individu zijn ook beschermd door artikel 11.46 sub d. van het Bal.

2.4 ANDERE SOORTEN Daarnaast zijn in Nederland enkele soorten op nationaal niveau beschermd, de zogenaamde ‘andere soorten’. Voor het beschermingsregime van andere soorten gelden de volgende verboden conform artikel 11.54 van het Bal: RO Oostdijk Pagina 12 | 30 a. Het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. Het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. In tegenstelling tot de eerste twee beschermingsregimes geldt voor de ‘andere soorten’ geen verbod op het opzettelijk verstoren en het rapen of beschadigen van eieren. Ook geldt het verbod niet voor het doden of vangen van de bosmuis, huisspitsmuis en veldmuis of het beschadigen of vernielen van hun rustplaatsen wanneer ze in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Of wanneer de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen in art. 8.74 l van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl).

Ook is het verbod niet geldig wanneer de activiteit deel uitmaakt van een instandhoudingsmaatregel van de vogel- of habitatrichtlijn.

2.5 ZORGPLICHT In de omgevingswet is net als in de Wet natuurbescherming een zorgplicht opgenomen (artikel 1.6 t/m 1.8 Ow). Deze plicht houdt in dat eenieder die een activiteit verricht die nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kan hebben: 1. 2. 3.

Alle maatregelen neemt die redelijkerwijs verwacht kunnen worden om die gevolgen te voorkomen; Wanneer die gevolgen niet voorkomen kunnen worden, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, de activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem gevraagd kan worden.

In de Omgevingswet wordt de zorgplicht verder uitgewerkt per activiteit, een zogenaamde specifieke zorgplicht activiteiten. In het Bal zijn meerdere specifieke zorgplichten opgenomen, waaronder in artikel 11.27 dat toeziet op de specifieke zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten (daarnaast ook voor andere activiteiten, genoemd in artikel 11.22, lid 1, onder b t/m g, zoals het handelen conform een faunabeheerplan, uitoefening jacht, etc.). In het eerste lid is een vergelijkbare zorgplicht opgenomen als onder de algemene zorgplicht, namelijk dat degene die een flora- en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben: 1. 2. 3.

Alle maatregelen neemt die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

In het tweede lid van artikel 11.27 Bal wordt de invulling van de specifieke zorgplicht voor Flora- en fauna activiteiten nader uitgewerkt. Hierin staat dat de plicht 'in ieder geval' inhoudt dat wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van bepaalde soorten en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Verwezen wordt naar de volgende soorten: • Van nature in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; • Van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;

6

•

Dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX (de nationaal beschermde soorten) of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚ Ow.

Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen. Verder wordt er ook gevraagd om tijdens en na het verrichten van de activiteit na te gaan of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning. De zorgplicht voor soorten is bovendien niet beperkt tot de dieren en planten zelf, maar ook tot de directe leefomgeving van de soorten. Dat betreft voor dieren de foerageergebieden, rust en vaste verblijfplaatsen en plaatsen voor het grootbrengen van de jongen. Daarnaast kunnen decentrale bestuursorganen de regels van hogere bestuursorganen toespitsten op de lokale situatie middels maatwerkregels (artikel. 4.5 Ow). Het Rijk kan deze bevoegdheid geven aan de provincie, gemeente of waterschap.

De provincie kan deze bevoegdheid ook aan gemeente of het waterschap geven. De provincie doet dit via regels in de omgevingsverordening. Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op natuurbescherming. Geplande werkzaamheden kunnen hierdoor in de ene gemeente of provincie andere eisen hebben dan in een andere gemeente of provincie.

7

3. PLANGEBIED EN VOORGENOMEN WERKZAAMHEDEN In dit hoofdstuk zijn het projectgebied en de voorgenomen werkzaamheden binnen het projectgebied beschreven.

3.1 HUIDIGE SITUATIE Het projectgebied is in totaal circa 18,4 hectare groot en bestaat momenteel uit bospercelen met populieren met een struiklaag op een gedeelte van het perceel met soorten als Zomereik, Amerikaanse eik, Zwarte els, Meidoorn, Es, Hazelaar, Okkernoot, Vlier. De kruidlaag bestaat hoofdzakelijk uit Grote brandnetel en Braam en Riet met op de lage delen Watermunt en Koninginnekruid. Aan de randen langs de kreek bestaat de vegetatie uit Riet, Grote brandnetel en Wilgenroosje. Op de wat hogere delen veelal Braam, Smeerwortel, Grote brandnetel en her en der Fluitenkruid. De huidige beheertypen zijn Dynamisch moeras van 0,8 hectare (N05.04) en Haagbeuken- Essenbos van 13,5 hectare (N14.03). Aan de zuidzijde van het bos ligt een strook ingezaaid grasland van 2,78 hectare. Ten oosten van het bos ligt een perceel ruigte van 1,36 hectare met opschot van Boswilg en soorten als Koninginnekruid, Riet, Rietorchis, Smeerwortel, Valse voszegge en Lisdodde. Aan de randen van de kreek staan een rij wilgen en daarnaast is er nog een poel aanwezig. Het projectgebied omvat de volgende percelen kadastraal bekend onder gemeente Aardenburg sectie P, nummers: 198, 211, 645, 212, 644, 642, 641 en 646. In onderstaande kaarten is een overzicht van het projectgebied toegevoegd en een kaart met kadastrale vlakken en nummers.

Kaart 1: Projectgebied quickscan de Munte Oostburg.

8

Kaart 2 : Overzicht kadastrale percelen projectgebied de Munte Oostburg.

Foto 1: Overzicht huidige situatie.

In de quickscan flora & fauna de Munte Oostburg Rapportnummer: 2025-00081 d.d. 20 augustus 2025 SNKecoadvies B.V. zijn aanvullende foto’s opgenomen van de projectlocatie. Deze foto’s zijn genomen tijdens uitvoering van het veldonderzoek en geven een nadere een impressie van de onderzoek locatie.

9

3.2 TOEKOMSTIGE SITUATIE De voedselarme, kalkrijke zandbodem in het gebied biedt kansen voor de ontwikkeling van natuurtypen die onder invloed staan van het grondwater. Op de hogere delen kan dit worden afgewisseld met de ontwikkeling van opgaand bos met een gevarieerde struweel en zoombegroeiing. Een dergelijke ontwikkeling resulteert ook in een landschappelijk herkenbare verdeling van open, vochtig terrein ter plaatse van de oude geul en beplanting langs de hoger gelegen randen. Deze natuurdoelen zijn als ambitietype opgenomen in het Natuurbeheerplan. De ambitie is om 11,6 hectare Vochtige duinvallei (N08.03) te realiseren en 5,4 hectare Kruiden- en faunarijk grasland (N12.02). Het perceel ruigte van 1,4 hectare ten oosten van het bosgebied wordt wel toegevoegd aan het natuurgebied, maar hier vinden geen ingrepen plaats, anders dan maaibeheer van de vochtige Ruigte. Definitieve inrichting is nog niet bekend. Uitsluitend onderstaande schets is momenteel beschikbaar. Hierbij blijft een deel van de houtopstand behouden. Alle populieren zullen wel worden verwijderd. Aanvullend wordt langs de randen van het perceel, langs de watergang een natuurvriendelijke over aangelegd met beschoeiing tegen afkalven van de randen van het gebied en zal er een schouwpad worden gerealiseerd voor het onderhoud.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=78390993-70c8-44a5-a317-af2a365545b9