CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

01 (Ruimtelijke Onderbouwing)

Raad 5 februari 2026, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot afgifte van een (verzwaard) advies omtrent het verlenen van de aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ten behoeve van natuurontwikkeling aansluitend op de Linie van Passageule31.544 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Alle Natura 2000-gebieden binnen vijf kilometer van projectgebied de Munte te Oostburg worden beoordeeld of tot zover de verwachtte effecten reiken. Binnen het projectgebied bevinden zich geen gebieden behorend tot Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Groote Gat op 1265 meter afstand van het projectgebied. Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe is gelegen op 9389 meter afstand van het projectgebied. Zwin en Kievittepolder op 9665 meter afstand van het projectgebied. Vlakte van de Raan is gelegen op 11900 meter van het projectgebied.

13

Figuur 4: Overzicht ligging projectgebied ten opzichte van beschermde gebieden.

3.1.2 EFFECTTOETSING NATURA 2000-GEBIEDEN In de effectenindicator Natura 2000-gebieden is gekeken welke verstoringsfactoren invloed hebben op de aangewezen soorten van Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen zijn alle Natura 2000-gebieden binnen vijf kilometer van het projectgebied beoordeeld op mogelijke effecten door de voorgenomen werkzaamheden. Het Groote Gat is gelegen binnen 1265 meter van het projectgebied. Het Groote Gat is aangewezen op basis van de Habitatrichtlijn voor de habitattypen Schorren en zilte graslanden, Ruigten en zomen en Kruipend moerasscherm. De effectenindicator geeft aan dat mogelijke effecten door het kappen en afgraven op het Groote Gat kunnen worden veroorzaakt door de volgende storende factoren: • • • • • • • • • •

oppervlakteverlies versnippering verontreiniging verdroging verzoeting verstoring door geluid verstoring door licht verstoring door trilling verstoring door beweging verstoring door mechanische effecten

Van deze effecten is in het huidige project geen sprake, aangezien de effecten zeker niet reiken tot één van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied het Groote Gat ligt op 1265 meter afstand. Door deze geruime afstand kunnen verstoring door licht, geluid, trillingen, beweging of mechanische effecten op de aangewezen habitattypen worden uitgesloten. De werkzaamheden hebben eveneens geen invloed op een veranderende watersamenstelling waardoor er sprake is van verzoeting. Eveneens leiden de activiteiten niet tot oppervlakteverlies, versnippering en verontreiniging van aangewezen habitattypen van het Groote Gat. Effecten door oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verzoeting, verstoring door geluid, verstoring door licht, verstoring door trilling, verstoring door beweging of verstoring door mechanische effecten op aangewezen habitattypen van het Groote Gat zijn

14

dan ook uitgesloten. Effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied zijn niet aan de orde. Er is geen sprake van een Natura 2000-activiteit. Naast deze effecten zijn effecten door vermesting op habitattypen en soorten niet op voorhand uitgesloten. Het kappen van het populierenbos en het afgraven van het perceel kan op zichzelf of in cumulatie met andere werkzaamheden in de regio leiden tot effecten op habitattypen doordat er stikstofuitstoot plaatsvindt om de gebiedsontwikkeling te realiseren. Om effecten uit te kunnen sluiten is het voor werkzaamheden die binnen 25 km van N2000-gebieden worden uitgevoerd verplicht een AERIUS meting uit te voeren. Met deze berekening wordt onderzocht of er schadelijke uitstoot plaatsvind die een negatief effect heeft op het Natura 2000-gebied en de instandhoudingsdoelen. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door stikstof is dan ook niet op voorhand uitgesloten. Nader onderzoek middels het uitvoeren van een AERIUS berekening is noodzakelijk om significant negatieve effecten uit te sluiten. Deze maatregel is opgenomen in hoofdstuk vier.

3.1.3 NATUURNETWERK ZEELAND De begrenzingen van beschermde gebieden worden geraadpleegd op de digitale kaarten viewer van Provincies en het Rijk. In dit geval de digitale kaarten viewer van de Provincie Zeeland. De effectbeoordeling voor het Natuurnetwerk Nederland wordt uitgevoerd door te kijken naar de wezenlijke kenmerken van het gebied. De beoordeling kan per situatie verschillen, daardoor wordt op basis van bronnen of expert judgement beoordeeld of een effect te verwachten is. In tabel 2. zijn de afstanden opgenomen van het projectgebied tot de beschermde Natuurnetwerk gebieden in de provincie Zeeland. In figuur 5. is de locatie van het projectgebied opgenomen ten opzichte van beschermde Natuurnetwerk gebieden van het Natuurnetwerk Zeeland. Beschermde gebieden Natuurnetwerk

Afstand tot plangebied

Natuurnetwerk Zeeland

0 meter, projectgebied is onderdeel van het Natuurnetwerk

Tabel 2: Afstand tussen projectgebied de Munte te Oostburg en Natuurnetwerk Zeeland.

Figuur 5: Overzicht ligging projectgebied ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland gebieden.

15

3.1.4 EFFECTTOETSING NATUURNETWERK ZEELAND Het projectgebied is onderdeel van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) als bestaande natuur met de beheertypen Haagbeuken- Essenbos van 13,5 hectare (N14.03) en Dynamisch moeras van 0,8 ha. (N05.04). Door de voorgenomen werkzaamheden worden grote delen van het projectgebied gekapt en opnieuw ingericht. De daadwerkelijke inrichting van het gebied is nog niet bekend. Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Zeeland de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. Doordat de projectlocatie is gelegen binnen het Natuurnetwerk Zeeland kan aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet op voorhand worden uitgesloten. De daadwerkelijke inrichting is namelijk nog niet bekend. Vervolgonderzoek of de wezenlijke kenmerken van het Natuurnetwerk Zeeland wel of niet worden aangetast door voorgenomen werkzaamheden wordt hierdoor noodzakelijk geacht.

16

3.2 BESCHERMDE SOORTEN Als de voorgenomen activiteiten mogelijk gevolgen hebben voor van nature in het wild levende planten of dieren, is er sprake van een flora-en-fauna-activiteit. In dit hoofdstuk worden soorten (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn en nationale soorten) beschreven welke (mogelijk) in het projectgebied voorkomen en welke functies er verwacht worden. Ook is aangegeven welke ecologische risico’s dit project met zich meebrengt met betrekking tot de Omgevingswet. De soorten genoemd in de tabel 3 worden zowel op basis van het bureau- als veldonderzoek verwacht. In paragraaf 3.4 is de specifieke zorgplicht uitgewerkt voor soorten van de Rode Lijsten.. Het projectgebied en omliggende gronden zijn op vrijdag 23 augustus 2024 en 3 juni 2025 visueel geïnspecteerd en gecontroleerd op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten of de nesten/verblijfslocaties daarvan. Waar tijdens de quickscan vooral op gelet/ naar gezocht is zijn de volgende zaken: • • • •

Aanwezigheid van vogels binnen het projectgebied en in de directe omgeving van het projectgebied Nesten van vogels binnen het projectgebied en in de directe omgeving van het projectgebied voor zover dit gezien de tijd van het jaar mogelijk is Holtes en spleten en verblijflocaties die door vleermuizen gebruikt worden binnen het projectgebied Beschermde plantsoorten, vlinders, libellen, grondgebonden zoogdieren binnen het projectgebied en in de directe omgeving van het projectgebied voor zover dit gezien de tijd van het jaar mogelijk is.

In onderstaande tabel 3. zijn de resultaten opgenomen van de te verwachten soorten binnen het projectgebied op basis van het uitgevoerde bureau- en veldonderzoek. In figuur 6. en tabel 4. is een overzicht van relevante waarnemingen toegevoegd die tijdens het veldbezoek zijn waargenomen. De lijst is samengesteld uit soorten die naar voren komen uit een analyse van het Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en die op basis van het veldonderzoek zijn aangetroffen. Er wordt gekozen voor een tijdreeks van vijf jaar. In dit geval de periode 2019- 2024. Alle waarnemingen van soorten waarvan het aannemelijk is dat deze gezien hun gedrag en functionaliteit van de leefomgeving voor betreffende soort aanwezig kunnen zijn binnen het projectgebied worden bekeken en beoordeeld. Ook zijn de ecologische risico’s die de flora en fauna activiteit met zich meebrengt ten aanzien van de Omgevingswet in beeld gebracht. Soorten die op basis van het veldbezoek zijn uitgesloten of soorten waarop geen schadelijke handelingen wordt verwacht zijn opgenomen in bijlage 1. Ook soorten die op basis van verspreiding niet uit te sluiten zijn worden bekeken en beoordeeld. Het gaat hier om zeer mobiele soorten, die vrij algemeen voorkomen of soorten waarvan vestiging in de nabije toekomst verwacht worden.

17

Resultaten bureau- en veldonderzoek Te verwachten soort op basis van bureau onderzoek

Onderbouwing en locaties binnen projectgebied

Vogels zonder jaarrond beschermd nest Inclusief cat. 5soorten zonder zwaarwegende ecologische redenen voor bescherming.

Activiteit

Kans op schadelijke handelingen Omgevingswet

1 en 3

artikel 11.37 lid 1 a, 1b en 1d van het Bal

Nestplaats: in het plangebied is een mogelijk bezet buizerdnest aanwezig. Tijdens het veldbezoek werden enkele buizerds waargenomen in de buurt 1 en 3 van een nest. Meerdere nesten zijn aanwezig binnen het plangebied. Niet bekend welk nest daadwerkelijk bezet is. Bij de voorgenomen werkzaamheden wordt de bomen die mogelijk in gebruik zijn als jaarrond beschermd nest, gekapt. De voorgenomen werkzaamheden leiden tot vernietiging van de nestplaats. Nader onderzoek nodig jaarrond beschermde nesten. Nestplaats: in het plangebied is een mogelijk bezet haviksnest aanwezig. Tijdens het veldbezoek is de havik vliegend waargenomen. Ook zijn diverse 1 en 3 plukplaatsen aangetroffen onder de bomen. Er zijn meerdere nesten aanwezig binnen het plangebied. Niet bekend welk nest daadwerkelijk bezet is. Bij de voorgenomen werkzaamheden wordt de boom waarin het betreffende nest aanwezig is gekapt. De voorgenomen werkzaamheden leiden tot vernietiging van de nestplaats. Nader onderzoek nodig jaarrond beschermde nesten. Nestplaats: in het plangebied is een mogelijk bezet sperwernest aanwezig. Tijdens het veldbezoek werd de sperwer aan de rand van het 1 en 3 projectgebied vliegend waargenomen. Bij de voorgenomen werkzaamheden wordt de boom waarin het betreffende nest aanwezig is gevestigd gekapt. De voorgenomen werkzaamheden leiden tot vernietiging van de nestplaats.

Nader onderzoek nodig jaarrond beschermde nesten. Nestplaats: in het plangebied is een mogelijke nestlocatie van de Torenvalk aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn diverse nesten aangetroffen van 1 en 3 mogelijk diverse roofvogels. De torenvalk is foeragerend waargenomen op de akkers grenzend aan het projectgebied. Er bestaat de kans dat een van de nesten een torenvalk nest is. Bij de voorgenomen werkzaamheden wordt de boom waarin het betreffende aanwezig is, gekapt. De voorgenomen werkzaamheden leiden tot vernietiging van de nestplaats. De staat van instandhouding van de Torenvalk is ongunstig waardoor er zwaarwegende ecololgische redenen zijn voor bescherming. Nader onderzoek nodig jaarrond beschermde nesten.

artikel 11.37 lid 1 a, 1b en 1d van het Bal

Er is geschikt biotoop aanwezig voor kleine marterachtigen. De hermelijn kan in verscheidene natuurterreinen voorkomen, zoals in duinen, 1en 3 moerasgebied of kleinschalig cultuurlandschap met een afwisseling van bijvoorbeeld graslanden en houtwallen. De hermelijn heeft een voorkeur voor terreinen met wateren of hoge grondwaterstand. In het plangebied zijn de dichte struwelen, de bosrand en het open veld langs de bosrand geschikt. Er is van de afgelopen vijf jaar alleen een waarneming van een steenmarter bekend aan de rand van het projectgebied. Gezien deze zoogdieren slecht geinventariseerde soorten zijn, bestaat de kans dat de soort in het plangebied voorkomt. Dichte struwelen en holen muizen die in het projectgebied zijn aangetroffen kunnen als verblijfplaats dienen. De voorkeur van de wezel gaat uit naar structuurrijke terreinen met een afwisseling van bos en veld. Daarin wordt een combinatie van dichte structuren zoals ruigten, hoog gras, rietland, bosjes of houtwallen betrokken. Ook voor deze soort kunnen dichte struwelen en holen van muizen gebruikt worden als verbijfplaats. Alle elementen van een gunstig leefgebied zijn aanwezig. Biotoop van de bunzing komt overeen met die van de wezel en de hermelijn. Het leefgebied van de bunzing is groter. Voor deze soort zijn geschikte verblijfplaatsen mogelijk in de dichte struwelen, alsook in de direct aangrenzende percelen.

De voorgenomen werkzaamheden leiden tot mogelijke vernietiging van leefgebied, voortplanting-, rust- en verblijfplaatsen va kleine marterachtigen. Nader onderzoek naar functies van kleine marterachtigen is noodzakelijk. Er Is geschikt biotoop aanwezig voor de haas. Tijdens de uitvoering van het veldonderzoek is de haas in zijn leger waargenomen binnen het 1 en 3 projectgebied. Ze maken legers bij voorkeur in bosranden, windkeringen, ruigtezomen en onder heggen. Ook in hoog gras of tussen de kluiten van een geploegde akker vind je hazenlegers. Alle elementen zijn binnen of grenzend aan het projectgebied aanwezig. De voorgenomen werkzaamheden leiden tot mogelijke vernietiging van leefgebied, voortplanting-, rust- en verblijfplaatsen van de haas. Nader onderzoek naar functies van de haas is noodzakelijk.

artikel 11.54, lid 1, onder a en b. Bal

Blauwborst

Ijsvogel

Boomkruiper

Kauw

Sprinkhaanzanger

kunnen diverse soorten vogels zonder jaarrond beschermd nest tot broeden komen. De volgende ecotopen zijn daarvoor

Bosrietzanger

Kleine karrekiet

Slobeend

geschikt: water; riet en oevervegetatie, bos en grasland. Zolang een nest in gebruik is mag het niet vernietigd worden.

Dodaars

Kneu

Staartmees

Ook verstoring van een nest is niet toegestaan, tenzij dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding

Ekster

Koekoek

van de betreffende soort.

Fazant

Koolmees

Tjiftjaf Torenvalk

Fitis

Krakeend

Tuinfluiter

tijdens het veldbezoek. Het veldbezoek is namelijk uitgevoerd buiten de reguliere broedperiode (1 maart tot 1 augustus),

Fuut

Kuifeend

Turkse tortel

Ook is het mogelijk dat vogels zonder jaarrond beschermd nest zich binnen drie jaar (houdbaarheid quickscan) vestigen

Gaai

Merel

Vink

binnen het projectgebied.

Meerkoet

Watersnip

Er zijn geen nesten aangetroffen van de categorie 5-soort met een 'matig gunstige staat van instandhouding',

Patrijs

Waterhoen

Zwarte kraai, grote bonte specht, groene specht, ijsvogel, koolmees en pimpelmees betreffen categorie 5-soorten met een 'gunstige staat van

Groene specht

Pimpelmees

Wielewaal

instandhouding'.

Groenling

Putter

Wilde eend

Grote lijster

Rietgors

Winterkoning

Grote bonte specht

Rietzanger

Witte kwikstaart

Heggenmus

Ringmus

Zanglijster

Holenduif

Roodborst

Zomertortel

Houtduif

Roodborsttapuit

Zwartkop

Grasmus Graspieper

Schadelijke handelingen op vogels zonder jaarrond beschermd nest kunnen niet worden uitgesloten. In het plangebied

Houtsnip Spotvogel Vogels met jaarrond beschermd nest

Zwarte kraai

Buizerd

4

nest

Havik

4

nest

Sperwer

4

nest

Torenvalk

5

nest

Grondgebonden zoogdieren wezel, hermelijn, bunzing, steenmarter

Toetsing aan de OW

Er zijn geen vogels (zonder jaarrond beschermd nest) met nestindicerend gedrag aangetroffen binnen het plangebied

functie

artikel 11.37 lid 1 a, 1b en 1d van het Bal

artikel 11.37 lid 1 a, 1b en 1d van het Bal artikel 11.37 lid 1 a, 1b en 1d van het Bal

functie leefgebied, voortplanting-, rusten verblijfplaats

haas

leefgebied, voortplanting-, rusten verblijfplaats

gewone dwergvleermuis

essentiele vliegroute, Verblijfplaatsen: er worden holtebomen gekapt, waarbij potentiële verblijfplaatsen van boombewonende foerageergebied, vleermuizen verloren kunnen gaan. In het plangebied zijn tientallen pupulieren met boomholtes. Deze holtebomen kunnen als verblijfplaats worden verblijfplaatsen benut door de volgende soorten: gewone- en ruige dwergvleermuis, baardvleermuis en rosse vleermuis. Schadelijke handelingen verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen daarom niet worden uitgesloten. Verblijfplaatsen van watervleermuis kan eveneens niet worden uitgesloten essentiele vliegroute, gezien het plangebied bestaat uit (oud) bosrijk landschap. foerageergebied, Schadelijke handelingen op een massawinterverblijf van gewone dwergvleermuis kunnen uitgesloten worden. Dit type verblijfplaats vereist verblijfplaatsen omvangrijke, robuuste bebouwing, diepe spleetvormige ruimten met temperatuurgradiënt en diverse microklimaten, zoals in spouwmuren, dilatatievoegen en/of holle vloerelementen. Bebouwing met dergelijke kenmerken is niet aanwezig in/nabij het plangebied. De werkzaamheden essentiele vliegroute, zullen daarom niet leiden tot verstoring of vernietiging van een eventuele massawinterverblijfplaats. foerageergebied Essentiële vliegroute: schadelijke handelingen op een essentiële vliegroute kunnen niet worden uitgesloten.

Er is een lijnvormig houtig element (de houtopstand en watergang) aanwezig in het plangebied, wat mogelijk fungeert als een (essentiële) vliegroute voor vleermuizen. Dit element zal voor essentiele vliegroute, een groot gedeelte worden gekapt, waardoor deze functie niet of minder goed vervuld kan worden. Omdat er geen alternatieve vliegroutes op vergelijkbare afstand van eventuele verblijfplaatsen en van vergelijkbare kwaliteit aanwezig zijn, kan het lijnvormige element van essentiële waarde foerageergebied, zijn. verblijfplaatsen Essentieel foerageergebied: schadelijke handelingen op een essentieel foerageergebied kunnen niet worden uitgesloten. Er is een groot oppervlak essentiele vliegroute, aan houtige beplanting, kruidige vegetatie en een watergang aanwezig in het gebied, wat mogelijk een (essentieel) foerageergebied is voor foerageergebied, vleermuizen. Verwijdering van de Populierenopstand kan leiden tot kwaliteisverlies van het foerageergebied. Het kappen van de bomen kan leiden verblijfplaatsen tot verminderde voedselbeschikbaarheid. Daarnaast kan het kappen van de bomen leiden tot meer verstoring als gevolg van wind. Het plangebied kan voor gewone-, ruige dwergvleermuis en essentiele vliegroute rosse vleermuis, watervleermuis en meervleermuis fungeren als foerageergebied.

artikel 11.54, lid 1, onder a en b. Bal

Vleermuizen

baardvleermuis

meervleermuis

rosse vleermuis

ruige dwergvleermuis watervleermuis

Reptielen

geen

Amfibieen

geen

Vaatplanten

geen

Vissen

geen

Libellen en vlinders

geen

Overig

geen

1 en 3

artikel 11.46, lid 1, onder a en e, Bal

1 en 3

1 en 3

1 en 3

1 en 3

1 en 3

Tabel 3: Te verwachten soorten en functies binnen het projectgebied.

18

Figuur 6: Overzichtskaart met relevante waarnemingen

19

3.3 ALGEMENE ZORGPLICHT Voor alle in Nederland voorkomende soorten geldt de zorgplicht artikel 1.6 Omgevingswet. Deze plicht houdt in dat een ieder voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving draagt. De zorgplicht is niet alleen beperkt tot dieren en planten, maar ook de directe leefomgeving van de soorten dienen hierin betrokken te worden. Denk hierbij aan vaste rust- of verblijfplaatsen of gebied waar jongen worden grootgebracht. Deze plicht houdt in dat een ieder die een activiteit verricht die nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kan hebben: • • •

Alle maatregelen neemt die redelijkerwijs verwacht kunnen worden om die gevolgen te voorkomen; Wanneer die gevolgen niet voorkomen kunnen worden, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; Als die gevolge onvoldoende kunnen worden beperkt, de activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem gevraagd kan worden.

De algemene zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning. De zorgplicht is niet vergunningplicht. In de volgende paragrafen is opgenomen welke soorten binnen het projectgebied aanwezig kunnen zijn.

3.3.1 DIEREN De volgende inheemse of hier van nature voorkomende diersoorten zijn onder meer aangetroffen in het projectgebied of in de directe nabijheid van het projectgebied: LIBELLEN: bloedrode heidelibel, glassnijder, grote paardenbijter, houtpantserjuffer, tengere pantserjuffer, vuur juffer, zwervende pantserjuffer, platbuik, AMFIBIEËN: bruine kikker, gewone pad, Kleine watersalamander VLINDERS: bruin zandoogje, bont zandoogje, dagpauwoog, distelvlinder, gehakkelde aurelia, hooibeestje, icarus blauwtje, klein geaderd witje, klein koolwitje, koevinkje, landkaartje, sint jakobsvlinder en zwartsprietdikkopje ZOOGDIEREN: bosmuis, rosse woelmuis dwergmuis, aardmuis, bosmuis, dwergspitsmuis, huisspitsmuis, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, veldmuis, veldspitsmuis, vos, woelrat VOGELS: blauwborst, ijsvogel, boomkruiper, kauw, sprinkhaanzanger, bosrietzanger, kleine karrekiet, slobeend, dodaars, kneu, staartmeesekster, koekoek, tjiftjaf, fazant, koolmees, torenvalk, fitis, krakeend, tuinfluiter, fuut, kuifeend, turkse tortel, gaai, merel, vink grasmus, meerkoet, watersnip, graspieper, patrijs, waterhoen, groene specht, pimpelmees, wielewaal, groenling, putter,wilde eend grote lijster, rietgors, winterkoning, grote bonte specht, rietzanger , witte kwikstaart, heggenmus, ringmus, zanglijster, holenduif, roodborst, zomertortel, houtduif, roodborsttapuit, zwartkop,

houtsnip, spotvogel, zwarte kraai

3.3.2 PLANTEN Het bomenbestand in het projectgebied bestaat hoofdzakelijk uit populier, es, grauwe wilg, boswilg, zomereik, amerikaanse eik, okkernoot Verder groeien er struiken en zaailingen van zomereik, vlier, eenstijlige meidoorn, zwarte els, gewone es, hazelaar, rode kornoelje, liguster. De kruidenvegetatie bestaat uit smeerwortel, wilde kamperfoelie, braam, grote brandnetel, riet, koninginnekruid, rietorchis, echte valeriaan, heermoes en wilgenroosje, jacobskruiskruid, boerenwormkruid, watermunt, gewone klit, valse voszegge, lisdodde, heggendoornzaad, echte kamille, hopklaver, kleefkruid , haagwinde, vogelwikke, akkerdistel, heelblaadjes, kruipende boterbloem.

20

3.4 SPECIFIEKE ZORGPLICHT Voor flora- en fauna-activiteiten geldt daarnaast net als voor N2000-activititeiten een specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplicht geldt naast soorten van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en nationale soorten, ook voor trekvogels en soorten die opgenomen zijn op de Rode lijsten en hun leefgebieden. De reikwijdte van deze zorgplicht is specifiekere dan de algemene zorgplicht. Uit deze zorgplicht volgt dat er nadelige gevolgen voor flora of fauna voorkomen worden of dat noodzakelijke maatregelen getroffen worden. De Specifieke Zorgplicht artikel 11.27 Besluit activiteiten leefomgeving houdt voor flora- en fauna-activiteiten in elk geval in dat: •

•

• • • •

Voorafgaand aan de activiteit wordt nagegaan of van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels, van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; voorkomen en/of van nature in Nederland in het wild levende planten of dieren zoals genoemd in bijlage II, IV en V bij de Habitatrichtlijn voorkomen en/of dieren of planten genoemd in bijlage IX of in de rode lijst voorkomen en of voor al deze soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijk habitats aanwezig zijn. Wanneer een van de genoemde soorten (mogelijk) aanwezig is, wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun voorplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren of voor planten van die soorten. Wanneer die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten wordt nagegaan welke gevolge de activiteit kan hebben voor de aanwezige soort of hun leefgebied of habitat. Alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen. Tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben.

Het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen of wanneer het staken van de activiteit niet meer voorkomen kan worden, worden passende herstelmaatregelen getroffen.

Bij de Habitatrichtlijn gaat het om de soorten die zijn opgenomen in de bijlagen II, IV en V. Hieronder wordt beoordeeld of de specifieke zorgplicht zoals bedoeld in artikel 11.27 van het Bal van toepassing is. Nadelige effecten op soorten van bijlage V bij de Habitatrichtlijn kunnen op voorhand uitgesloten worden. Dit betreft de exploitatie of aan de natuur onttrekken van deze soorten. Van deze activiteiten is in het huidige project geen sprake. In paragraaf 3.2 zijn de beschermde soorten van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn bijlage IV inclusief bijlage I en II bij het verdrag van Bern, en nationaal beschermde soorten reeds getoetst. Hiermee is reeds een groot deel van de soorten van de Rode Lijsten en van bijlage II bij de Habitatrichtlijn beoordeeld. Indien er ten aanzien van deze soorten maatregelen nodig zijn, zijn deze opgenomen in hoofdstuk 5. Voor deze soorten zijn er dan ook geen aanvullende maatregelen nodig die volgen uit de specifieke zorgplicht zoals bedoeld in artikel 11.27 van het Bal. In deze paragraaf worden de gevolgen beoordeeld van de voorgenomen activiteiten op de soorten van de Rode Lijsten, de soorten van bijlage II bij de Habitatrichtlijn en trekvogels, voor zover zij niet al behandeld zijn in paragraaf 3.2.

3.4.1 BUREAU- EN VELDONDERZOEK In het projectgebied en de directe omgeving zijn bekende waarnemingen uit de NDFF van de afgelopen 10 jaar opgevraagd van deze soorten. In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend soorten van bijlage II bij de Habitatrichtlijn en trekvogels binnen het projectgebied en de directe omgeving. Wel zijn er in de nabije omgeving meldingen van soorten van de Rode Lijsten bekend. Dit betreft melding van de volgende soorten: bruin blauwtje, oranje zandoogje, kamgras, akkerogentroost, vleeskleurige orchis en kruipend moerasscherm. Tijdens het veldonderzoek is specifiek gekeken of de betreffende soorten binnen het projectgebied aanwezig zijn en gekeken of er eventueel geschikt habitat voorhanden is die van belang is voor de betreffende soorten. Tijdens het veldonderzoek is geconstateerd dat de Rode lijstsoorten binnen het projectgebied niet voorkomen gezien het ontbreken van geschikt habitat. Wel is voor het oranje zandoogje een functie te verwachten binnen het projectgebied. VLINDERS Zowel het bruin blauwtje als oranje zandoogje zijn aangemerkt als gevoelige soorten. De waardplanten van het bruin blauwtje zijn verschillende soorten uit de ooievaarsbekfamilie, met name kleine ooievaarsbek en beide ondersoorten van gewone reigersbek. De vlinder maakt gebruik van soorten als boerenwormkruid, duizendblad en Jacobs kruiskruid.

Gezien deze soorten slechts op zeer kleine schaal binnen het projectgebied aanwezig zijn, wordt het voorkomen van deze soort binnen het projectgebied uitgesloten. Diverse grassoorten, zoals kropaar, rood zwenkgras, gewoon struisgras, grote vossenstaart en kweek dienen als waardplant voor het oranje zandoogje. Ook deze soorten zijn binnen het projectgebied niet- of in zeer kleine aantallen aanwezig. Incidenteel is het mogelijk dat het oranje zandoogje het projectgebied gebruikt om nectar te zoeken op de aanwezig braam. De werkzaamheden zullen echter geen invloed hebben op hun voorplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en waardplanten van het oranje zandoogje. De werkzaamheden hebben geen negatieve effecten op de staat van instandhouding van de soort en zal uitsluitend een klein effect sorteren op het foerageergebied

21

van het oranje zandoogje. Er blijft daarnaast een gedeelte van de houtopstand in stand met ondergroei van braam en zijn er in de directe omgeving van het projectgebied alternatieve foerageerlocaties voorhanden. Hierdoor zijn nadelige gevolgen op het oranje zandoogje uitgesloten. PLANTEN Zowel kamgras, akkerogentroost, vleeskleurige orchis en kruipend moerasscherm betreffen soorten die niet binnen het projectgebied worden verwacht. Kamgras De plant is te vinden in diverse graslanden, aan waterkanten, op dijken en in bermen in de directe omgeving. Het projectgebied bestaat niet uit grasland, dijken of bermen. Het voorkomen van kamgras binnen het projectgebied kan worden uitgesloten. De vleeskleurige orchis komt voor op zonnige plaatsen zij staan voornamelijk in jonge duinvalleien, blauwgraslanden en in hooilanden. In de directe omgeving komt hij voor in hooilanden. Binnen het projectgebied zijn deze niet aanwezig. Voorkomen van de vleeskleurige orchis binnen het projectgebied kan dan ook worden uitgesloten. Akkerogentroost is een echt akkeronkruid wat voorkomt op zonnige locaties in akkers. De soort is op geruime afstand van het projectgebied waargenomen. Binnen het projectgebied zijn geen geschikte omstandigheden voor Akkerogentroost aanwezig. Voorkomen van Akkerogentroost binnen het projectgebied is dan ook uitgesloten.

Kruipend moerasscherm komt voor in het nabijgelegen Natura 2000-gebied Groote Gat. Kruipend moerasscherm verlangt zonnige, open plekken op natte, matig voedselarme tot matig voedselrijke, stikstofrijke, zwak zure veen- of kleibodems, die ’s winters ondiep overstroomd worden. Ze groeit op open plekken langs waterkanten, en in duinvalleien, in extensief begraasde weilanden en oud grasland. Binnen het project gebied is geen geschikt habitat aanwezig voor deze soort. Het voorkomen van kruipend moerasscherm binnen het projectgebied kan worden uitgesloten.

3.5 HOUTOPSTANDEN Onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet heeft als doel het bosareaal in Nederland in stand te houden. Het kappen of rooien van bomen is dan ook niet zondermeer toegestaan. De belangrijkste inhoudelijke regels over het vellen van houtopstanden zijn opgenomen in artikel 11.126 van het Bal (meldplicht vellen van houtopstanden) en artikel 11.129 van het Bal (plicht tot herbeplanting). Het is conform artikel 11.126 van het Bal verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen, of te doen vellen zonder daarvan vooraf een melding te maken bij gedeputeerde staten. Uitzondering op deze regel is het periodiek vellen van griend- of hakhout. Daarnaast geldt op grond van artikel 11.129, eerste lid van het Bal een herbeplantingsplicht als een houtopstand is geveld, of op een andere wijze teniet is gegaan. De herbeplanting moet in beginsel plaatsvinden binnen 3 jaar, op dezelfde grond waar de houtopstanden stonden. In artikel 11.131 van het Bal staan een aantal uitzonderingen beschreven, waarbij het wel is toegestaan om houtopstand zonder deze melding geheel of gedeeltelijk te vellen. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag voor toezicht en handhaving op de regels in het Bal (met uitzondering van een aantal specifieke gevallen waarin de minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit het bevoegd gezag is).

De provincie kan op basis van artikel 11.117 van het Bal in de omgevingsverordening aanvullende regels (maatwerkregels) opstellen over het vellen van houtopstanden.

3.5.1 REGELS HOUTOPSTANDEN Anders dan voor andere activiteiten die onder de Omgevingswet vallen, geldt voor het vellen van houtopstanden geen vergunningplicht, maar is geregeld dat een melding moet worden gedaan bij het bevoegd gezag. Om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen is het verplicht hiervan een melding te doen bij het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 11.126 van het Bal. Voor het kappen van bomen kunnen verschillende regels van toepassing zijn. Zo kan de gemeente bevoegd gezag zijn of de betreffende provincie. Hiervoor is de bebouwingscontour houtkap van toepassing. De houtopstanden/bomen ‘binnen de bebouwingscontour houtkap’ vallen onder het bevoegd gezag van de gemeente (‘Binnen de bebouwingscontour houtkap’, artikel 11.111, lid 2 a van het Bal). In het omgevingsplan geeft de gemeente de bebouwingscontour houtkap en regels voor het kappen van bomen aan. De rijksregels gelden alleen buiten de bebouwingscontour houtkap. Houtopstanden buiten deze bebouwingcontour worden beschermd door de regels van paragraaf 11.3.1 van het Bal. In geval het te kappen perceel buiten de bebouwingscontour houtkap is gelegen, en niet vallen onder onderstaande uitzonderingen, vallen de activiteiten onder Afdeling 11.3 van het Bal.

In dat geval is bij het kappen van een houtopstand het doen van een melding, ten minste vier weken maar niet eerder dan een jaar voor het begin, bij het bevoegd gezag voorafgaand aan de velling verplicht. Ook is het verplicht om binnen drie jaar na de velling de locatie te herplanten op een bosbouwkundig verantwoorde wijze. UITZONDERINGEN EN SPECIFIEKE REGELS: De provincie kan op basis van artikel 11.117 van het Bal in de omgevingsverordening aanvullende regels (maatwerkregels) opstellen over het vellen van houtopstanden. Hier is binnen de provincie Zeeland gebruik van gemaakt. Als een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld dient de initiatiefnemer in dit geval zorg te gedragen voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand.

22

Houtopstanden kunnen meerdere functies hebben en hiermee moet bij de herbeplanting rekening worden gehouden. Voorbeeldfuncties zijn natuur, landschap, houtproductie en recreatie. Gelet op deze punten, verdient het begrip “bosbouwkundig verantwoord”, breed uitgelegd te worden. Het gaat niet alleen om de houtteeltkundige kwaliteit van de houtopstand, maar ook om de natuur- en landschappelijke waarde. Het kan voorkomen dat functieverandering van een huidige houtopstand beoogd is, biedt de omgevingsverordening de ruimte door te stellen dat de te herbeplanten houtopstand tenminste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden ten opzichte van de gevelde of teniet gegane houtopstand dient te vertegenwoordigen. De te herbeplanten houtopstand hoeft dus niet identiek te zijn aan het tenietgegane of gevelde. Wel moet de waarde ten minste vergelijkbaar zijn. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om een soortenrijk loofbos te vervangen door een soortenarme populierenplantage. In geval het herplanten niet op dezelfde locatie kan plaatsvinden dan waar de kap heeft plaatsgevonden, bestaat er de mogelijkheid deze elders te herplanten. Hiervoor is een toestemming benodigd van het bevoegd gezag. In geval er niet binnen drie jaar herplant kan worden omdat bijvoorbeeld een project uitloopt, kan er toestemming worden gegeven om de herplant uit te stellen.

Provincies kunnen nadere regels stellen aan herplant op andere grond. Om te waarborgen dat ook herbeplanting op andere grond toch binnen drie jaar is gerealiseerd, dient de melder uiterlijk twee jaar na de velling de aanvraag tot herbeplanting op andere grond in te dienen. Het is niet toegestaan om beplantingen die een belangrijke ecologische of landschappelijke functie vervullen elders te herbeplanten. Doel hiervan is een verdere ecologische of landschappelijke verschraling van het landschap tegen te gaan.

3.5.2 EFFECTTOETSING HOUTOPSTANDEN De houtopstanden gelegen binnen het projectgebied vallen buiten de ‘bebouwingscontour houtkap’, artikel 11.111, lid 2 a van het Bal. De te kappen houtopstanden vallen niet onder enige uitzondering op grond van artikel 11.111 van het Bal, daarnaast moet de houtopstand niet wijken om een werk in overeenstemming met een omgevingsplan mogelijk te maken. Dit betekent dat de voorgenomen kapwerkzaamheden vallen onder activiteiten van het Bal die houtopstanden betreffen. Hiervoor dient bij het kappen van de houtopstanden binnen het projectgebied ten minste vier weken maar niet eerder dan een jaar voor het begin daarvan melding te worden gemaakt bij het bevoegd gezag. In dit geval de Provincie Zeeland. Dit betekent eveneens dat de initiatiefnemer verplicht binnen drie jaar na het kappen de herplant te realiseren. Gezien de herplant naar alle waarschijnlijkheid niet kan worden uitgevoerd op dezelfde grond, is toestemming van Provincie Zeeland nodig voor herplant uit te voeren op een andere locatie. De Omgevingsverordening Zeeland stelt in artikel 2.171 nader eisen aan herplanting op ander gronden. Herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 11.130, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a) b) c) d) e) f) g) h) i) j) k)

de andere grond is gelegen in de provincie Zeeland; de andere grond is onbeplant en vrij van een plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129, van het Besluit activiteiten leefomgeving; de andere grond is vrij van een plicht tot natuurcompensatie; d. op de andere grond rust niet al een verplichting tot mitigatie of compensatie op grond waarvan bomen dienen te worden aangeplant; beplanting van de andere grond gaat niet ten koste van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden in het betreffende gebied; de gevelde of teniet gegane houtopstand maakt geen onderdeel uit van een aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 5 hectare, dat daardoor in oppervlakte afneemt; de gevelde of teniet gegane houtopstand betreft geen landschapselement of een andere kleine houtopstand met een belangrijke ecologische of landschappelijke functie; de gevelde of teniet gegane houtopstand draagt niet bij aan de instandhoudingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 2.44, eerste lid, van de wet; de gevelde of teniet gegane houtopstand betreft geen oude bosgroeiplaats waarbij sprake is van een goed ontwikkelde bosbodem; de aanplant is bosbouwkundig verantwoord als bedoeld in artikel 2.170; en de aanvraag voor herbeplanting op andere grond wordt gedaan uiterlijk twee jaar na de velling.

Het is nog niet bekend waar herplant zal plaatsvinden. Zodra herplantlocatie bekend is zal de herplant nog moeten worden getoetst aan de eisen herplantplicht op andere grond zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Zeeland.

23

Figuur 7: Locatie projectgebied buiten ‘bebouwingscontour houtkap’

3.5.3 SPECIFIEKE ZORGPLICHT Artikel 11.116 van het Bal formuleert de specifieke zorgplicht, waaronder die voor houtopstanden. Deze specifieke zorgplicht als uitgangspunt heeft dat iedereen alle activiteiten achterwege moet laten met negatieve effecten op de belangen uit artikel 11.112 van het Bal. Deze belangen zijn: areaal houtopstanden in stand houden, natuurbescherming en landschappelijke waarden beschermen. Met de specifieke zorgplicht voor houtopstanden moet degene die gaat kappen of vellen maatregelen treffen om negatieve gevolgen van de activiteit te voorkomen. Ook moet diegene zich op de hoogte stellen van de natuur- en landschapswaarden die aanwezig zijn en eventueel nadelige gevolgen kunnen ondervinden van de activiteit. Wanneer negatieve gevolgen niet te voorkomen zijn, moet diegene maatregelen treffen om de schade te beperken en waar nodig te herstellen. Door de voorgenomen kapwerkzaamheden zal middels herplant, het areaal houtopstanden binnen de provincie Zeeland in stand blijven. Daarnaast wordt het gebied landschappelijk ingericht overeenkomstig de ambities uit het Natuurbeheerplan Zeeland en wordt er rekening gehouden met aanwezige soorten in het gebied. Daarmee vindt geen aantasting plaats van de belangen areaal houtopstanden in stand houden, natuurbescherming en landschappelijke waarden beschermen.

Voor deze ingreep zijn er dan ook geen aanvullende maatregelen nodig die volgen uit de specifieke zorgplicht zoals bedoeld in artikel 11.116 van het Bal.

24

4.0 CONCLUSIE De conclusie geeft antwoord op de deelvragen uit paragraaf 1.2 en is opgedeeld in gebiedsbescherming, soortenbescherming en houtopstanden. In tabel 5. is de conclusie samengevat.

4.1 GEBIEDSBESCHERMING Op basis van deze quickscan is niet op voorhand uit te sluiten of de voorgenomen activiteiten niet leiden tot schadelijke handelingen op beschermde NNN- en Natura 2000-gebieden en een mogelijke overtreding Omgevingswet. Om dit uit te sluiten zijn de volgende vervolgstappen noodzakelijk, namelijk; het uitvoeren van een aerius berekening om te bepalen of er depositie-effecten optreden ten aanzien van Natura 2000 en het uitvoeren van een toets om aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland uit te kunnen sluiten.

4.2 SOORTBESCHERMING Er zijn diverse soorten die beschermd zijn onder de Omgevingswet aanwezig of te verwachten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen activiteiten. Op basis van deze quickscan kan worden gesteld dat de voorgenomen activiteit mogelijk leiden tot schadelijke handelingen op beschermde soorten uit de Omgevingswet. Er kunnen namelijk negatieve effecten optreden op vogels zonder jaarrond beschermd nest. Daarnaast is op voorhand niet uitgesloten dat voorgenomen activiteiten niet leiden tot schadelijke handelingen op vogels met jaarrond beschermd nest waaronder de buizerd, havik, sperwer en torenvalk, essentieel leefgebied van vleermuizen (verblijfplaatsen, vliegroute en foerageergebied) en voortplanting- rust en verblijfplaatsen en het leefgebied van grondgebonden zoogdieren waaronder de wezel, bunzing, hermelijn, steenmarter en de haas. Nader onderzoek m.b.t. gebruik jaarrond beschermde nesten roofvogels, verblijfplaatsen, vliegroute en foerageergebied diverse vleermuizen soorten en naar voortplanting- rust en verblijfplaatsen en het leefgebied van diverse grondgebonden zoogdieren is noodzakelijk. De voorgenomen activiteit leidt naar verwachting niet tot nadelige gevolgen voor soorten van de Rode Lijsten. Aanvullende maatregelen voortvloeiend uit de specifieke zorgplicht zijn niet van toepassing.

4.3 HOUTOPSTANDEN Op basis van deze quickscan kan worden gesteld dat de voorgenomen activiteiten leidt tot een afname van het bosareaal. Om schadelijke handelingen op houtopstanden en overtreding van de Omgevingswet te voorkomen dient de initiatiefnemer bij het kappen van de houtopstanden binnen het projectgebied ten minste vier weken maar niet eerder dan een jaar voor het begin daarvan melding te maken bij het bevoegd gezag. Initiatiefnemer is verplicht binnen drie jaar na het kappen de herplant te realiseren. Wanneer dit niet mogelijk is dient toestemming worden gevraagd aan het bevoegd gezag om herplant op andere gronden te laten plaatsvinden. Gezien de herplant naar alle waarschijnlijkheid niet kan worden uitgevoerd op dezelfde grond, is toestemming van Provincie Zeeland nodig voor herplant uit te voeren op een andere locatie. De Omgevingsverordening Zeeland stelt in artikel 2.171 nader eisen aan herplanting op ander gronden. Wanneer aan voornoemde eisen wordt voldaan, kunnen schadelijke handelingen en overtredingen ten aanzien van houtopstanden Omgevingswet worden uitgesloten. Daarmee vindt geen aantasting plaats van de belangen areaal houtopstanden in stand houden, natuurbescherming en landschappelijke waarden beschermen. Aanvullende maatregelen voortvloeiend uit de specifieke zorgplicht zijn niet van toepassing.

4.4 NADER ONDERZOEK ZIJN NODIG VOOR DE VOLGENDE SOORTEN Op basis van deze quickscan zijn er verschillende vervolg onderzoeken noodzakelijk alvorens met uitvoering van de werkzaamheden kan worden gestart. Voor iedere soort waarvoor nader onderzoek benodigd is zijn hieronder de vervolgstappen nader beschreven:

GEBIEDSBESCHERMING: • •

Er is een aeriuscalculatie benodigd om te bepalen of er depositie-effecten optreden ten aanzien van Natura 2000. Er is een nadere toetsing noodzakelijk om aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland uit te kunnen sluiten.

SOORTENBESCHERMING •

•

Nader onderzoek kleine marterachtigen hermelijn, wezel, bunzing, steenmarter (voortplanting, rust- en verblijfplaatsen en leefgebied): dit onderzoek dient bij voorkeur verricht te worden in de voortplantingsperiode, welke globaal loopt van mei t/m september. Tijdens deze periode dienen gedurende zes weken cameravallen en sporenbuizen in het projectgebied geplaatst te worden overeenkomstig de werkwijze kennisdocument BIJ12 Kleine marterachtigen versie 1.1, juli 2024. Nader onderzoek naar de haas; leefgebied, voortplantingsplaats, rust- en verblijfplaats. Om vast te stellen of voortplanting-, rust- en verblijfplaats daadwerkelijk aanwezig zijn dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Een gestandaardiseerd protocol voor onderzoek naar hazen is tot op heden nog niet uitgewerkt. Het onderzoek is daarom gebaseerd op basis van ‘expert judgement’ van de ecologie van de soort. Voor het onderzoek naar hazen dienen drie veldrondes uitgevoerd te worden in het

25

• •

voorjaar. Het onderzoek wordt rond zonsondergang uitgevoerd, wanneer hazen het meest actief zijn en uit hun schuilplaatsen tevoorschijn komen. Hierbij wordt de onderzoekslocatie afgezocht naar de aanwezigheid van hazenlegers, individuen en andere sporen zoals uitwerpselen. Na zonsondergang wordt de onderzoek locatie afgezocht met behulp van een warmtebeeldcamera. Vleermuizen: zie tabel 3 voor de soorten en functies. Dit onderzoek dient globaal plaats te vinden tussen half mei en half oktober overeenkomstig het Vleermuisprotocol 2021 en de meest recente kennisdocumenten BIJ12. Nader onderzoek naar jaarronde beschermde nesten van buizerd, havik, sperwer, torenvalk: nestplaatsen. Voor roofvogels geldt dat nader onderzoek omtrent de aan- of afwezigheid van een broedgeval van de buizerd, havik, sperwer of torenvalk noodzakelijk geacht wordt. Om te bepalen of een van deze roofvogels gebruik maakt van de onderzoek locatie, dient in het broedseizoen van de te onderzoeken soorten drie tot vier veldbezoeken uitgevoerd te worden. Middels dit nader onderzoek kan worden aangetoond of één van deze beschermde roofvogels gebruik maakt van de onderzoek locatie als broedlocatie. De geschikte periode voor deze telling loopt vanaf 15 februari t/m 15 juli. Tussen de twee bezoeken moet minstens 10 dagen zitten.

De eerste telling moet bij voorkeur plaats vinden wanneer de boom nog geen maximale bladstand heeft bereikt.

Samenvatting conclusie Soortgroep Vogels zonder jaarrond beschermd nest Vogels met jaarrond beschermd nest Vleermuizen

Kleine marterachtigen

Soort Maatregel Onderzoek diverse soorten zie x hoofdstuk 3.2 buizerd, sperwer, x havik, torenvalk gewone x dwergvleermuis, baardvleermuis, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis wezel, hermelijn, x bunzing en steenmarter

Houtopstanden Gebiedsbescherming Natura 2000 / Natuurnetwerk

x x

Tabel 5: Samenvatting conclusie

26

5. MAATREGELEN Hieronder volgen de te nemen maatregelen om schadelijke handelingen op beschermde soorten te voorkomen tijdens de uitvoering van de activiteiten. De maatregelen zijn opgedeeld in de volgende categorieën:

5.1 MAATREGELEN BESCHERMDE SOORTEN

5.1.1 VOGELS ZONDER JAARROND BESCHERMD NEST Ter bescherming van algemene broedvogels dienen maatregelen getroffen te worden. Voorkom vernietiging van vogelnesten óf een verstoring die van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding de vogelsoort. Het broedseizoen vindt globaal plaats van maart t/m augustus, afhankelijk van aanwezige vogelsoorten en klimatologische omstandigheden, kan het broedseizoen eerder beginnen of langer doorlopen. De volgende preventieve maatregelen dienen getroffen te worden:

MAATREGEL 1: Verricht de kapwerkzaamheden buiten het broedseizoen van de aanwezige soorten. Op basis van het veldonderzoek waarin we op aanwezige vogelsoorten hebben gelet verwachten wij dat de broedperiode loopt van half maart t/m 1 augustus. Indien het niet mogelijk is om buiten deze broedperiode te werken, kan maatregel 2 uitkomst bieden.

MAATREGEL 2: laat voorafgaand aan de activiteiten een broedvogelinspectie uitvoeren door een ecoloog. Indien er broedgevallen aanwezig zijn, bepaalt de ecologisch deskundige welke vervolgstappen er nodig zijn (zoals welke verstoringsafstand er minimaal aangehouden dient te worden). Daarbij dient rekening te worden gehouden dat nesten mogen nooit opzettelijk verstoord, beschadigd, vernietig of weggenomen/verplaatst worden. De ecologisch deskundige bepaalt middels aanvullende vrijgave wanneer het nest verlaten is en aanvullende maatregelen komen te vervallen. Indien jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn, bepaalt de ecologisch deskundige of/welke aanvullende maatregelen en/of vervolgstappen nodig zijn. Indien er geen broedende vogels worden vastgesteld, kunnen de activiteiten alsnog doorgang vinden.

5.2 ZORGPLICHT MAATREGELEN In het projectgebied kunnen verschillende soorten voorkomen. Voor alle in Nederland voorkomende soorten geldt de zorgplicht artikel 1.6 Omgevingswet. Om invulling te geven aan de zorgplicht worden ten eerste alle vaste rust- of verblijfplaatsen waar mogelijk gespaard of worden de werkzaamheden verricht buiten de verstoringsafstand van de betreffende soorten. Ingeval dit niet mogelijk is worden de werkzaamheden uitgevoerd buiten de kwetsbare periode van de betreffende soort. Indien hier niet aan voldaan kan worden , worden minimaal de volgende algemene maatregelen genomen om nadelige gevolgen te voorkomen:

5.2.1 ALGEMENE MAATREGELEN MOBIELE SOORTEN MAATREGEL 1: Indien er verstoring plaatsvindt worden de werkzaamheden zoveel mogelijk uitgevoerd in de richting van de uitwijkmogelijkheden van aanwezige mobiele soorten, zodat deze soorten gebruik kunnen maken van deze uitwijkmogelijkheden. Dit kan worden toegepast door het werken vanaf één zijde en bij voorkeur van de watergang in de richting het open veld. MAATREGEL 2: Werk op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten en niet ingesloten raken. MAATREGEL 3: Voorkom en beperk toepassing van kunstlicht. Kunstmatige verlichting zorg voor verstoring van zoogdieren. Voer de werkzaamheden uitsluitend uit tussen zonsopkomst en zonsondergang. MAATREGEL 4: Zorg dat er voldoende dekking aanwezig blijft van bosschages voor kleine zoogdieren

27

5.2.2 MAATREGELEN AMFIBIEËN In het projectgebied kunnen soorten voorkomen zoals bruine kikker en gewone pad. De volgende maatregelen zijn nodig om nadelige effecten te voorkomen op deze soorten: MAATREGEL 1: De voortplanting- en rustplaatsen (voortplantingswateren, overwinteringslocaties, zomerverblijven, broedhopen en dergelijke) te sparen in de periode dat de dieren hier gebruik van maken. De locaties worden gemarkeerd door een deskundig ecoloog op kaart en/of in het veld. MAATREGEL 2: Werken buiten de kwetsbare periode, d.w.z. buiten de periode dat de dieren aanwezig of weinig mobiel zijn. Eén van deze kwetsbare perioden is de winterrustperiode van oktober tot en met maart en de voortplantingsperiode april tot en met augustus. Indien het niet mogelijk is de werkzaamheden buiten de kwetsbare perioden uit te voeren, kan maatregel 3 uitkomst bieden. MAATREGEL 3: Tref in de actieve periode van amfibieën passende inrichtingsmaatregelen waarmee voorkomen wordt dat dieren zich op het werk vestigen. In de huidige situatie dient rondom potentiële verblijfslocaties een amfibieën scherm te worden geplaatst waardoor voorkomen wordt dat zoals bruine kikker en gewone pad, kleine watersalamander zich kunnen verplaatsen naar de locatie binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.

MAATREGEL 4: Voorafgaand aan de werkzaamheden worden potentieel geschikte locaties door een deskundig ecoloog onderzocht op aanwezigheid van amfibieën. In geval individuen worden aangetroffen binnen de invloedssfeer zijn van de werkzaamheden, dan dienen deze individuen verplaatst te worden naar een vergelijkbare, veilige plek buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.

5.2.3 MAATREGELEN LIBELLEN In het projectgebied kunnen soorten voorkomen zoals de bloedrode heidelibel, glassnijder, grote paardenbijter, houtpantserjuffer, tengere pantserjuffer, vuur juffer, zwervende pantserjuffer, Libellen hebben oeverplanten nodig om zich te oriënteren en een uitzichtpunt te hebben over het water. De volgende maatregelen zijn nodig om nadelige effecten te voorkomen. MAATREGEL 1: Bij uitvoering van de werkzaamheden worden ingrepen in de oevervegetatie voorkomen. In geval oevervegetatie wordt aangetast, dienen deze werkzaamheden gefaseerd worden uitgevoerd. Dit houdt in dat niet alles wordt in een keer gemaaid of afgegraven maar een gedeelte van de planten blijft staan.

5.2.4 MAATREGELEN SPECIFIEKE ZORGPLICHT De voorgenomen activiteiten leiden naar verwachting niet tot nadelige gevolgen op trekvogels, dieren van de Rode Lijsten en hun leefgebieden (zie paragraaf 3.4). De specifieke zorgplicht voor flora en fauna, zoals bedoeld in artikel 11.27 van het Bal, niet van toepassing. Er zijn voor dit onderdeel geen vervolgstappen benodigd

MAATREGELEN HOUTOPSTANDEN MAATREGEL 1: Voorafgaand aan de kap een melding van voorgenomen kapwerkzaamheden indienen bij bevoegd gezag. Melding dient ten minste vier weken maar niet eerder dan een jaar voor het begin van de kapwerkzaamheden. MAATREGEL 2: Binnen drie jaar na de kap, herplanten op een bosbouwkundig verantwoorde wijze. MAATREGEL 3: Ingeval van herplant op andere locatie dient een plan tot herplant op een andere locatie worden opgesteld overeenkomstig de eisen 11.130, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze aanvraag tot herplant op een andere locatie dient uiterlijk 2 jaar na het kappen van de opstand te zijn ingediend bij het bevoegd gezag.

28

5.3 WAT TE DOEN BIJ EEN WIJZIGING VAN DE ONTWIKKELING OF BIJ HET AFWIJKEN VAN HET ADVIES? De adviezen in dit rapport zijn opgesteld om volgens de Omgevingswet te werken. Er is hierbij vanuit gegaan van de voorgenomen ontwikkeling zoals dit door de opdrachtgever is aangegeven. Indien de geplande ontwikkelingen wijzigen, is de kans groot dat ook het advies wijzigt. Neem in dat geval contact op met de ecoloog om te onderzoeken of er passende maatregelen zijn om conform de Omgevingswet te kunnen werken. Ook kan het zijn dat wij maatregelen of vervolgstappen adviseren die niet goed in te passen zijn in de planning of uitvoering. Afwijken van het plan of advies is in sommige gevallen mogelijk, maar altijd onder begeleiding van een deskundig ecoloog.

ANDERE BESCHERMDE SOORTEN AANGETROFFEN? Indien er beschermde soorten worden aangetroffen die niet in dit rapport zijn benoemd, dan dient er direct contact opgenomen te worden met de ecoloog om te bepalen hoe gehandeld dient te worden. Verricht geen werkzaamheden voordat de nadere onderzoeken zijn afgerond, maatregelen zijn genomen en/of er een vergunning is verkregen.

29

30

BRONNEN: • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicator Overheid.nl – Omgevingswet (regeling en besluit) Overheid.nl – Besluit activiteiten leefomgeving Overheid.nl – Besluit kwaliteit leefomgeving Overheid.nl – Omgevingsverordening zeeland www.vlinderstichting / libellen www.vleermuis.net www.vogelbeschermingnederland.nl Floron verspreidingsatlas Veldgids Flora Zeelandica, Ed Stikvoort, Peter L. Meininger Kennisdocument Buizerd Buteo buteo Versie 1.0, juli 2017 Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus Versie 1.0, juli 2017 Kennisdocument Gewone grootvleermuis Plecotus auritus Versie 1.0, juli 2017 Kennisdocument Rosse vleermuis Nyctalus noctula Versie 1.0, juli 2017 Minlnv.nederlandsesoorten.nl NDFF verspreidingsatlas NDFF Standaardlevering Natura2000.nl www.nederlandsesoorten.nl

•

Provincie Zeeland Geoviewer https://www.zeeland.nl/loket/kaarten-en-cijfers/kaarten Netwerk Groene Bureaus, Vleermuisprotocol 2021 Staat van instandhouding van soorten van de Vogelrichtlijn zonder instandhoudingsdoelen in Natura 2000-gebieden Sovon Rapport 2022/81 www.verspreidingsatlas.nl www.waarneming.nl www.sovon.nl www.vogelbescherming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.BIJ12.nl

• • • • • • • •

31

32

BIJLAGE 1 TABEL UITGESLOTEN SOORTEN Tabel uitgesloten soorten Amfibieen kamsalamander

Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk wat diepere, vegetatie- en licht voedselrijke, niet verzuurde poelen en plassen op landgoederen, in beekdalen, in het rivierengebied, in loofbossen of in kleinschalige cultuurlandschappen. Kamsalamanders verblijven op het land onder stenen, hout, bladafval, in gaten onder wortels en in holen van kleine zoogdieren, meestal binnen 100 meter van het voortplantingswater. Wanneer geschikt landbiotoop ontbreekt kunnen ze 1000 meter afleggen op zoek naar geschikt biotoop. Overwintering van dieren in het water komt zelden voor.

Vogels bergeend brandgans, grauwe gans, kolgans, grote canadese gans grote zaagbek, knobbelzwaan, geoorde fuut, lepelaar, toendrarietgans, waterral grote zilverreiger, kleine zilverreiger kleine zwaan, wilde zwaan, smient, pijlstaart boerenzwaluw, gierzwaluw, huiszwaluw

dwergmeeuw, kokmeeuw, stormmeeuw, zilvermeeuw, zwartkopmeeuw zwarte stern groenpootruiter, grutto, steltkluut kievit wulp

kerkuil en steenuil

oeverloper

veldleeuwerik visdief

waterral

zomertaling

bruine kiekendief en blauwe kiekendief

gele kwikstaart

boomvalk

slechtvalk

tapuit zwarte roodstaart

velduil

Bergeenden broeden verspreid langs de grote rivieren en zeearmen op boerenland nabij vennen, afgravingen en in nieuwe natte natuur. Binnen projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig Langs de rand van het projectgebied is beperkt habitat voor ganzen aanwezig. In de periode van de trek kunnen ganzen gebruik maken van deze locatie. Gezien het een smalle watergang betreft zal de functie beperkt zijn. Binnen het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig Als echte wintergast wordt de Grote Zaagbek het meest gezien tussen november en maart, met de nadruk op hartje winter. Zaagbek is een vogel van open gebied en open water. Incidenteel wordt hij waargenomen in een brede watergang. Binnen het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig. Aangrenzend aan het projectgebied is open water en daarmee geschikt habitat aanwezig voor de grote en kleine zilverreiger. De rietkraag kan beschutting bieden voor en dienen als foerageergebied. Binnen het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig. Betreffende soorten zijn wintergasten die met name de voorkeur geven aan open gebieden met weinig kans op predatie, waaronder gebieden met nieuwe natte natuur. Binnen het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig. De voorkomende Zwaluwen zijn gebouwbewonende soorten, binnen het projectgebied zijn geen gebouwen aanwezig die geschikt zijn voor de gier, huisen boerenzwaluw.

De gierzwaluw nestelt in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren, onder dakpannen, in kerktorens en in nestkasten, de huiszwaluw onder overstekken van huizen of boerderijen en de boerenzwaluw voornamelijk in oude schuren. Deze zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Betreffende meeuwen komen verspreid over de hele provincie voor. Binnen het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig als als foerageer en rustgebied. Ook is geen geschikt broedhabitat aanwezig. zwarte stern komt voornamelijk voor op open water. Broed veelal in gebieden met krabbescheer. Binnen het projectgebied en aangrenzende watergang is geen geschikt habitat voor de zwarte stern aanwezig. Kleine aantallen overzomeren hier te lande of blijven er tijdens zachte winters hangen, voornamelijk in de Delta. Groenpootruiters foerageren vaak in het binnenland op ondiepe plassen, Binnen het projectgebied zijn geen ondiepe plassen aanwezig. De grutto broedt in open graslanden in het lage deel van het land. De hoogste dichtheden komen voor op vochtige tot natte klei- en veengronden. Binnen het projectgebied zijn geen open graslanden aanwezig. Steltkluten worden voornamelijk tussen april en september gezien op ondiepe zoete tot brakke wateren.Ondiepe moerasgebieden zijn favoriete broedlocaties. Geschikt habitat voor de steltkluut komt niet voor binnen het projectgebied.

Kieviten zijn in allerlei open landschappen te verwachten. De Kievit ontbreekt alleen in zwaar beboste gebieden en stedelijke bebouwing. Hij bereikt de hoogste dichtheden in vochtige open graslanden. Binnen het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig Tegenwoordig broeden de meeste wulpen in vaak open, soms ook meer besloten graslanden op zandige of venige gronden in het oosten en zuiden van het land. Lokaal nestelt de soort ook op kleigrond in agrarisch cultuurland. Binnen het projectgebied is geen geschikt habitat voor de wulp aanwezig Nesten: er zijn geen geschikte nestplaatsen aanwezig voor de steenuil en kerkuil, zoals een nestkast of open schuur. Ook worden geen knotbomen aangetast die door de steenuil gebruikt kunnen worden. Er zijn geen sporen, zoals veren of braakballen aangetroffen. Essentieel leefgebied: in het projectgebied is geen geschikt leef- en jachtgebied van de steenuil of kerkuil aanwezig, zoals boerenerven, agrarisch (gras)land, akkers, houtwallen, kruidenrijke akkerranden, bosjes, wegbermen en heggen. Er vinden geen activiteiten plaats die het leefgebied van de steenuil of kerkuil aantasten. Bovendien zijn er gelijkwaardige alternatieven aanwezig in de omgeving. De activiteiten zullen niet leiden tot schadelijke handelingen op de betreffende functie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=78390993-70c8-44a5-a317-af2a365545b9