01 (Ruimtelijke Onderbouwing)
Tekst van het document
Kaart 3: schetstekening met overzicht toekomstige situatie.
3.3 VOORGENOMEN WERKZAAMHEDEN EN PLANNING Op basis van de meest recente planning zullen de werkzaamheden eind 2026 aanvangen met het kappen van de Populieren en in het derde en vierde kwartaal van 2026 de verdere inrichting plaatsvinden. Een en ander is afhankelijk van de nog te doorlopen procedures en mogelijk aan te vragen vergunningen. De werkzaamheden zullen uiterlijk 15 maart 2027 zijn afgerond. In het projectgebied is de initiatiefnemer voornemens de volgende activiteiten uit te voeren: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Het deels kappen van populieren met behoudt van de ondergroei van het struweel Het realiseren van natuurbos Het realiseren van beheertype vochtig duinvallei Het realiseren van beheertype kruiden- en faunarijk grasland Het beheren van vochtige ruigte Het realiseren van een schouwpad
10
3.3.1 HET DEELS KAPPEN VAN POPULIEREN MET BEHOUDT VAN DE ONDERGROEI VAN STRUWEEL Om de ambitietypen uit het groenbeheerplan te realiseren is initiatiefnemer voornemens 9.7 ha. populierenbos te kappen. Het kappen van het bos zal plaatsvinden op de lagere delen van het terrein. Op de hoger gelegen delen zal opgaand bos met een gevarieerde struweel en zoombegroeiing worden ontwikkeld. Het uitgangspunt is de onder begroeiing van struweel te behouden. De definitieve inrichting van het projectgebied is nog niet bekend.
3.3.2 HET REALISEREN VAN NATUURBOS Op de locaties waar een houtopstand zal worden behouden zal een natuurbos worden gerealiseerd middels aanplant van diverse bos- en struiksoorten van het type haagbeuken-essenbos. De inrichting en specifieke maatregelen die hiervoor nodig zijn en de daarvoor benodigde werkzaamheden zijn nog niet bekend.
3.3.3 HET REALISEREN VAN BEHEERTYPE VOCHTIGE DUINVALLEI Een oppervlakte van circa 11,6 ha. van het projectgebied zal worden ingericht als vochtig duinvallei. Dit zal plaatsvinden door het perceel te ontgraven tot het zand (tot een diepte van circa 30 – 50 centimeter), lokaal kan dieper worden gegraven voor het creëren van zoetwater (circa 100 centimeter). De definitieve inrichting van het projectgebied is nog niet bekend.
3.3.4 HET REALISEREN VAN BEHEERTYPE KRUIDEN - EN FAUNARIJK GRASLAND Op een oppervlakte van circa 5,44 ha. zal kruiden- en faunarijk grasland worden gerealiseerd. Dit zal plaatsvinden door op een gedeelte uitsluitend de bomen te kappen en de grond te egaliseren waarbij de rijke bodem wordt behouden en wordt ingericht als grasland. De definitieve inrichting van het projectgebied is nog niet bekend.
3.3.5. BEHEER VAN VOCHTIGE RUIGTE Het perceel vochtige ruigte ten oosten van het bosperceel zal over een oppervlakte van 1,4 hectare middels aanvullend maaibeheer worden ontwikkeld naar een soortenrijk perceel vochtige ruigte. Er vinden geen aanvullende inrichtingsmaatregelen plaats op deze locatie anders dan een aanvullend maaibeheer om de natuurkwaliteit op dit perceel te optimaliseren.
3.3.6. HET REALISEREN VAN EEN NATUURVRIENDELIJKE OEVER MET SCHOUWPAD Langs de randen van de watergang wordt een natuurvriendelijke oever aangelegd met beschoeiing om het afkalven van de randen van het perceel tegen te gaan. De natuurvriendelijke oever zal circa 5 meter breed zijn en aan de waterzijde voorzien zijn van natuurlijke beschoeiing. Langs de oever zal een schouwpad worden gerealiseerd om onderhoud uit te kunnen voeren aan de watergang.
11
4. ONDERZOEKSOPZET Op basis van de door SNKecoadvies B.V. uitgevoerde quickscan flora & fauna de Munte Oostburg Rapportnummer: 2025-00081 d.d. 20 augustus 2025 dient nader onderzoek plaats te vinden naar voortplanting- rust en verblijfplaatsen van de Haas. In dit hoofdstuk is de toegepaste methode van het veldonderzoek beschreven. SNKecoadvies B.V. heeft opdracht gekregen aanvullend onderzoek uit te voeren omtrent de aan- of afwezigheid van functioneel leefgebied en vaste rust- of voortplantingslocaties van de Haas. Het is verboden om vaste rust- en voortplantingsplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen. Verblijfplaatsen, zoals legers, van deze soort kunnen potentieel aanwezig zijn langs de randen het projectgebied. Om vast te stellen of deze verblijfplaatsen daadwerkelijk aanwezig zijn dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Een gestandaardiseerd protocol voor onderzoek naar hazen is tot op heden nog niet uitgewerkt. Het onderzoek is daarom gebaseerd op basis van ‘expert judgement’ van de ecologie van de soort. Voor het onderzoek naar hazen zijn drie specifieke veldrondes uitgevoerd in de periode 25 februari tot 16 mei 2025. Het onderzoek is op 9 juli en 6 augustus 2025 uitgevoerd. Direct waarnemen van de soort is het meest kansrijk rond de schemering en in de nacht.
Redelijkerwijs kan men ervan uitgaan dat als er geen waarnemingen worden gedaan bij twee gebied dekkende veldbezoeken in de avond, met warmtebeeldcamera zoals hierboven beschreven, er geen hazen in het gebied aanwezig zijn. Het onderzoek is uitgevoerd in de periode rond zonsondergang, wanneer hazen het meest actief zijn en uit hun schuilplaatsen tevoorschijn komen. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: -
Voorafgaand aan het onderzoek worden strategische observatiepunten vastgelegd. Alle observatiepunten worden per avond tweemaal gedurende 10 minuten geobserveerd. De observatiepunten liggen maximaal 400 meter uit elkaar. Windsnelheden zijn niet meer dan 5 Bft. Observaties vinden uitsluitend plaats tijdens droog weer. Tussen de twee veldonderzoeken zit minimaal 10 dagen. De bodemtemperatuur mag niet hoger zijn dan 15 graden en; De observatie dient plaats te vinden met een warmtebeeld camera. Voor huidig onderzoek is de warmtebeeldcamera van het merk Hikmicro serie FH- 25 en FH-35 ingezet.
De veldonderzoeken naar de haas die zijn uitgevoerd zijn weergegeven in tabel 1. Onderzoeker
Soort
Functie
Datum
P.J. Sinke J. van Kruiningen J. van Kruiningen
Haas Haas Haas
leefgebied, foerageergebied, rust- en voortplantingsplaats leefgebied, foerageergebied, rust- en voortplantingsplaats leefgebied, foerageergebied, rust- en voortplantingsplaats
25/02/2025 18/03/2025 16/05/2025
Zon op/onder 18:15 18:50 21:29
Begintijd Eindtijd 18:30 20:07 22:00
21:00 22:03 00:15
Temperatuur Bewolking
Windrichting Windkracht Neerslag
3 bewolkt ZO 6 onbewolkt O 12 zwaar bewolktN
6 knopen 8 knopen 8 knopen
geen geen geen
Tabel 1: Overzicht gegevens veldonderzoeken Haas.
12
5. KENMERKEN EN LEEFWIJZE HAAS 5.1 KENMERKEN HAAS De haas (Lepus europaeus) is een zoogdiersoort van 50 tot 65 centimeter groot, met een lichaamsgewicht van 3 tot 5 kilogram. De vacht is grijs (met name in kleigebieden) tot bruin (met name in zandgebieden), met een witte buik. De 9 tot 12 centimeter lange oren zijn aan het uiteinde donker. De staart is kort, donker van boven en wit van onder. Verwarring met het konijn is mogelijk, maar die is kleiner en mist de donkere uiteinden aan de oren.
5.2 LEEFWIJZE Hazen zijn in principe solitair en plaatsgebonden. Tijdens de voorplanting in het voorjaar en het foerageren in de winterperiode kunnen er wel groepen worden waargenomen. De haas is zowel dag- als nachtactief. Ze rusten in legers, met hun achterlijf in het diepste deel. Legers zijn ondiepe (10 tot 25 cm) uithollingen die met name te vinden zijn in bosranden, windkeringen, ruigtezomen en onder heggen, maar legers kunnen ook in hoog gras of tussen de kluiten van een geploegde akker liggen. Een haas maakt geen permanente verblijven of holen, maar gebruikt verschillende legers op verschillende plaatsen in zijn leefgebied. Ze gebruiken het leger als een vaste rustplaats en schuilplaats tegen predatoren. De voortplantingsperiode loopt van januari tot september. In uitzonderlijke gevallen worden ook wel jongen in december of tot in oktober waargenomen. De draagtijd is 42 dagen. Gemiddeld werpt een haas 3 maal per seizoen jongen. Een worp is 1 tot 3 (maximaal 5) jongen. De jongen worden in het vrije veld geworpen, wat als tijdelijke (maar niet als zodanig herkenbare) voortplantingsplaats gezien kan worden. De jongen hebben met- een hun ogen open, zijn volledig behaard (zogenaamde nestvlieders) en binnen een paar weken zelfstandig. Ze worden ongeveer een maand lang eenmaal per etmaal rond de plaats van geboorte kort gezoogd.
Dit gebeurt (een uur) na zonsondergang, de rest van de tijd verstoppen de jongen zich. Hazen zijn na 5 maanden geslachtsrijp, maar de eerste voortplanting gebeurt in het jaar na het geboortejaar. Veel jongen sterven echter in het eerste jaar. Koude en natten periode zijn voor jonge hazen vaak erg ongunstig.
5.3 FUNCTIONEEL LEEFGEBIED Bij voorkeur leven hazen in kleinschalig gras- en bouwland en open veld waaronder akkers en weilanden. Hierin is variatie belangrijk, zowel qua gewassoorten en teeltstadia als afwisseling met beschutting in de vorm van ruigtezomen, bosranden, windkeringen en heggen. Ook komen er hazen voor in open bos, heide en kwelders, maar ze lijken dorpen en steden te mijden. Het functioneel leefgebied bestaat uit de legers, de omgeving waar gegeten wordt, groenstructuren die dekking bieden en de wissels. Al deze onderdelen vormen samen het functionele leefgebied en zijn daarmee ook essentieel. Leefgebieden zijn gemiddeld 26-38 ha groot, maar soms groter, tot 300 ha. Er is veel overlap tussen leefgebieden. Dichtheden in het voorjaar variëren tussen 1 en 156 hazen / 100 ha. In het najaar, inclusief jonge dieren, kunnen deze oplopen tot 275 hazen / 100 ha.
13
6. ONDERZOEKSRESULTATEN VELDONDERZOEK In dit hoofdstuk zijn de resultaten van het veldonderzoek beschreven. SNKecoadvies B.V. heeft opdracht gekregen aanvullend onderzoek uit te voeren omtrent de aan- of afwezigheid van functioneel leefgebied en vaste rust- of voortplantingslocaties van de haas. In de periode 9 juli tot 7 augustus 2025 hebben twee veldonderzoeken plaatsgevonden Om een goede veld dekkende observatie uit te voeren is een aantal strategisch uitkijkpunten genomen die zo over het projectgebied verdeeld zijn dat alle delen van het terrein kunnen worden afgespeurd. Per punt is minimaal 10 minuten besteed. Het projectgebied was goed te overzien.
6.1 KENMERKENDE ELEMENTEN FUNCTIONEEL LEEFGEBIED HAAS Voorafgaand aan het veldonderzoek zijn de belangrijke kenmerkende elementen voor mogelijke functies van de Haas in het landschap in beeld gebracht. Het functioneel leefgebied bestaat uit de legers, de omgeving waar gegeten wordt, groenstructuren die dekking bieden en de wissels. In het projectgebied betreffen de kenmerkende elementen voornamelijk perceelscheidingen bos met slootkanten of akkerbouwpercelen die als groenstructuur dekking bieden en dienen als mogelijke rust- of voortplantingsplaats voor de Haas. De met gras ingezaaide percelen dienen voornamelijk als hun foerageergebied. Aan de hand hiervan zijn een vijftal observatiepunten vastgesteld waar tweemaal per avond gedurende 10 minuten een observatie heeft plaatsgevonden. In de kaart 4 zijn de kenmerkende elementen en observatiepunten in beeld gebracht.
Kaart 4: Overzicht kenmerkende landschapselementen en observatiepunten onderzoek Haas projectgebied de Munte.
14
6.2 RESULTATEN Tijdens de veldonderzoeken zijn maximaal 7 Hazen geteld. De Hazen maken uitsluitend gebruik van het oostelijke gedeelte van het projectgebied. Deze locatie is gelegen langs de bosrand en grenzend aan akkerbouwgebied en ingezaaid grasland. De meeste waarnemingen zijn de hazen die foerageren op het ingezaaide grasland. Het akkerbouwperceel met uien werd beperkt gebruikt om te foerageren. In de randzone van het bos is een strook waar op groot aantal locaties Hazenlegers zijn waargenomen. Het aantal is niet exact te tellen gezien het gebied niet overal eenvoudig te onderzoeken is. Aan de hand van de uitgevoerde onderzoeken in combinatie met het aantal Hazen wordt verwacht een aantal van circa 15 legers die aanwezig zijn in het projectgebied die in gebruik zijn als rust- en mogelijk voortplantingsplaats. Het projectgebied bestaat uit recent ingezaaid grasland wat door de Haas wordt gebruikt als foerageergebied. Er zijn tijdens de veldonderzoeken circa 10 wissels aangetroffen op de grens tussen het bosgebied en het ingezaaide grasland. Deze wissels worden door diverse diersoorten gebruikt waaronder de Vos, Ree en het Haas. Tijdens het veldbezoek zijn ook deze soorten waargenomen. Via deze wissels vindt er uitwisseling plaats naar de aangrenzende percelen natuur en akkerbouw / grasland.
Alle elementen die essentieel zijn voor een functioneel leefgebied van de Haas zijn tijdens het veldonderzoek vastgesteld. In kaart 5 zijn de resultaten van alle waarnemingen weergegeven. Op foto 2 t/m 6 zijn enkele opnamen van de aangetroffen hazen weergegeven. Deze foto’s zijn gemaakt met de warmtebeeldcamera.
Kaart 5: Overzicht van de waarnemingen tijdens de veldonderzoeken in en grenzend aan het projectgebied de Munte.
15
Foto 3: 5 Hazen foeragerend op grasland grenzend aan het Populierenbos .
Foto 4: Haas op perceel grasland.
Foto 5: Haas en Ree op perceel G 1015.
Foto 6: Haas op perceel Grasland
Foto 7: Haas foeragerend waargenomen binnen projectgebied middels inzet van een struikrover.
16
6.3 EFFECTBEOORDELING 6.3.1 EFFECTBEOORDELING VASTE RUST - EN VOORTPLANTINGSPLAATSEN Verspreid over het projectgebied en in de direct aangrenzende locaties zijn meerdere hazen waargenomen. Zowel de projectlocatie als de directe omgeving is onderdeel van het leefgebied van de Haas in de vorm van geschikt foerageergebied en / of rust- en voorplantingsplaats. Vastgesteld is dat aan de randen van het projectgebied, in de randzone van het bos circa 15 vaste rust- en voortplantingsplaatsen aanwezig zijn. De voorgenomen ontwikkelingen / werkzaamheden kunnen leiden tot het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de Haas. Het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste rust- of voortplantingsplaatsen kunnen door de voorgenomen werkzaamheden niet worden uitgesloten.
6.3.2 VERVOLGSTAPPEN NEGATIEVE EFFECTEN VASTE RUST - EN VOORTPLANTINGSPLAATSEN In geval de werkzaamheden leiden tot het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de Haas, leidt dit tot een overtreding van de Omgevingswet artikel 11.54 lid 1 onder b. Tijdens het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden is het aannemelijk dat vaste rust- en voortplantingsplaatsen worden beschadigd of vernield. Een vergunning voor een flora- en fauna activiteit is dan ook noodzakelijk om de ontwikkelingen / werkzaamheden uit te voeren. Deze vergunning kan worden verkregen als onderbouwd kan worden dat: • • • • •
Er een wettelijk belang zoals genoemd bij Artikel 8.74l lid 1 onder b ; van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing is op het project; Er geen alternatieven voor het voornemen zijn; De staat van instandhouding van de soort(en) niet in het geding is; Er voldoende leefgebied gemitigeerd/ gecompenseerd wordt; Er buiten de kwetsbare periode van de soort(en)wordt gewerkt.
Voornoemde punten dienen worden uitgewerkt in een activiteitenplan wat dient als onderbouwing voor de vergunningaanvraag.
6.3.2 EFFECTBEOORDELING FUNCTIONEEL LEEFGEBIED Het functioneel leefgebied van de Haas bestaat uit de legers, de omgeving waar gefoerageerd wordt, groenstructuren die dekking bieden en de wissels die zorgen voor uitwisseling naar omliggende gebieden. Naast vaste rust- en voortplantingsplaatsen is tijdens de veldbezoeken vastgesteld dat binnen het projectgebied deel uitmaken van het foerageergebied van de Haas. Het foerageergebied is geen essentieel foerageergebied gezien in de directe omgeving van het projectgebied voldoende landbouwpercelen en natuurpercelen aanwezig zijn die kunnen dienen als alternatief foerageergebied wanneer het huidige projectgebied tijdelijk en gedeeltelijk permanent ongeschikt is als foerageergebied. Binnen het projectgebied wordt een groot gedeelte van het Populierenbos gekapt. Het perceel wordt aansluitend ingericht met beheertypen Kruiden- en faunarijk grasland en vochtig duinvallei en er zal een gedeelte bos in stand worden gehouden. Dit betekent dat er binnen het projectgebied een tijdelijke afname is van foerageergebied. De afname van het foerageergebied zal met de huidige aantallen hazen niet leiden tot een verslechtering van het functioneel leefgebied. Het foerageergebied wordt namelijk vervangen door struweel en bos, wat kan dienen als rust- en voortplantingslocatie.
Gezien er maar beperkte locaties beschikbaar zijn als rust- en voortplantingsplaats, zal de inrichting een kwaliteitsverbetering zijn van het functioneel leefgebied van de Haas. Buiten het projectgebied blijft voldoende foerageergebied beschikbaar in de vorm van akkerbouwpercelen met diverse gewassen en weilanden. Het toekomstig beheer op de stukken waar geen bos of struweel wordt aangeplant is gericht om te komen tot een kwalitatief hoogwaardige vegetatie kruiden- en faunarijk grasland en vochtig duinvallei op de overige niet aangeplante gronden. Na het uitvoeren van de werkzaamheden zullen de kwalitatieve omstandigheden van het foerageergebied min of meer gelijk of zelfs beter zijn aan de huidige situatie waarbij er meer schuilmogelijkheden en locaties die kunnen dienen als rust- en voortplantingsplaats aanwezig zullen zijn. De uitwisseling tussen diverse percelen blijft eveneens in stand. Verbindingen tussen leefgebieden worden niet permanent aangetast door de werkzaamheden. Mogelijk worden door de voorgenomen werkzaamheden enkele wissels vernietigd. Echter worden door de werkzaamheden geen barrières gemaakt die uitwisseling tussen aangrenzende gebieden in te toekomst belemmeren. De Haas is voldoende in staat nieuwe verbindingen te maken. Effecten op deze verbindingen zijn dan ook tijdelijk en niet permanent.
Tijdelijk kunnen er eveneens minder geschikte rust- en voortplantingsplaatsen beschikbaar zijn door verstoring door de voorgenomen werkzaamheden. Dit effect is eveneens tijdelijk en niet permanent. Er is daarnaast geen sprake van permanent verlies van groenstructuren die dienen als dekking. Onderdeel van de werkzaamheden is het aanleggen van struweel en bos waardoor juist extra schuilgelegenheid wordt gerealiseerd en daarmee geschikter leefgebied voor de Haas wordt gerealiseerd. Nu blijkt dat het niet beschikbaar zijn van een gedeelte van het foerageergebied niet leidt tot aantasting van het functioneel leefgebied van de Haas en er voldoende alternatief foerageergebied in de directe omgeving aanwezig is, uitwisseling tussen aangrenzende gebieden in stand blijft en geen aantasting is van groenstructuren, maar extra groenstructuren worden gerealiseerd waardoor er voldoende dekking
17
aanwezig blijft na afronding van de werkzaamheden, kan worden gesteld dat negatieve effecten op het functioneel leefgebied van de Haas slechts tijdelijk zijn en niet permanent.
6.3.3 VERVOLGSTAPPEN TIJDELIJKE NEGATIEVE EFFECTEN FUNCTIONEEL LEEFGEBIED Om de tijdelijk negatieve effecten ten aanzien van het foerageergebied, uitwisseling en voldoende dekking voor de Haas gedurende de werkzaamheden tot een minimum te beperken en te kunnen voldoen aan de zorgplicht, dienen hiervoor aanvullende maatregelen worden genomen. Artikel 11.27 Bal stelt dat naast het uitvoeren van onderzoek naar voorkomen van soorten ook de effecten van de werkzaamheden op deze soorten moeten worden beoordeeld. Wanneer negatieve effecten op leefgebieden of natuurlijke habitats niet kunnen worden voorkomen dient de initiatiefnemer alle passende preventieve maatregelen te treffen om die nadelige gevolgen te voorkomen, tijdens en na het verrichten van de activiteit dient worden nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben en het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. Door met een werkprotocol te werken kan het volgen van de zorgplicht opgevolgd worden. Negatieve effecten op de Haas kunnen zo veel als mogelijk beperkt worden door dit werkprotocol te volgen. De volgende onderdelen dienen in een ecologisch werkprotocol nader worden uitgewerkt: -
In welke periode gewerkt moet worden. Welke activiteiten op welke locatie(s) en op welk moment plaatsvinden. Welke maatregelen worden genomen en wat daarmee wordt gerealiseerd voor de haas. Wanneer begeleiding door een hazendeskundige noodzakelijk is. Wie die hazendeskundige is en wat de deskundige exact gaat doen, en; Hoe, hoe lang en op welke wijze maatregelen gemonitord gaan worden.
Voornoemde punten dienen in een ecologisch werkprotocol worden uitgewerkt om negatieve effecten op het functioneel leefgebied van de haas tot een minimum te beperken en daarmee binnen de wettelijke kaders van de zorgplicht te kunnen werken.
18
7. CONCLUSIE Het projectgebied en de directe omgeving is en in gebruik als foerageergebied en vaste rust- en voortplantingsplaats van de Haas. Er zijn in het leefgebied circa 15 legers aanwezig. Hierdoor geldt het hele projectgebied als zijnde leefgebied met vaste rust- of verblijfplaatsen. Het foerageergebed is geen essentieel foerageergebied gezien in de omliggende landbouwpercelen en natuurpercelen voldoende geschikt foerageergebied voorhanden is en de afname van foerageergebied slechts tijdelijk is. Het tenietgaan van het foerageergebied door de werkzaamheden leidt niet tot aantasting van het functioneel leefgebied van de Haas. Er worden door de werkzaamheden op lange termijn meer locaties gerealiseerd die geschikt kunnen zijn als rust- en voortplantingsplaats. Omdat er mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van hazen worden vernietigd, is een vergunning Omgevingswet nodig. Omdat er tijdelijk negatieve effecten worden verwacht door de werkzaamheden op o.a. het foerageergebied van de Haas en te kunnen voldoen aan de zorgplicht, is het werken volgens een ecologisch werkprotocol nodig. In het protocol dient aangegeven te worden op welke manier en binnen de wettelijke kaders gewerkt moet worden om negatieve effecten op de Haas tot een minimum te beperken.
Enkele van deze kaders is het werken buiten de kwetsbare periode van de Haas en een gefaseerde uitvoering van de werkzaamheden.
19
BRONNEN • • • • • • • •
Overheid.nl – Omgevingswet (regeling en besluit) Overheid.nl – Besluit activiteiten leefomgeving Overheid.nl – Besluit kwaliteit leefomgeving Overheid.nl – Omgevingsverordening zeeland Vleermuis.net www.synbiosys.alterra.nl/effectenindicator Minlnv.nederlandsesoorten.nl NDFF-verspreidingsatlas
•
Provincie Zeeland Geoviewer https://www.zeeland.nl/loket/kaarten-en-cijfers/kaarten Waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl Juridisch Kader behorende bij Kennisdocumenten Soortenbescherming Versie 1.0, juli 2017 www.nederlandsesoorten.nl www.sovon.nl www.vogelbescherming.nl www.zeeland.nl SNKecoadvies 2025, Quickscan flora & fauna de Munte Oostburg Rapportnummer: 2025-00081 Toetsingskader Bescherming van de haas bij flora- en fauna activiteiten in de provincie Utrecht ,Datum 10 juni 2024, status definitief. www.omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart
• • • • • • • • • •
20
21
Bijlage 3: Nader onderzoek Munte – Kleine Marterachtigen
17
Nader onderzoek marterachtigen De Munte Oostburg
Rapportnummer: 2025-00088
Opdrachtgever: Provincie Zeeland Opdrachtnemer: SNKecoadvies B.V
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport inclusief de foto’s is alleen toegestaan met toestemming van de eigenaar (opdrachtgever) en onder vermelding van de bron. Dit rapport is met grote zorg opgesteld. Desondanks aanvaardt SNKecoadvies B.V. geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of door toepassing van adviezen. Onze algemene voorwaarden en privacyverklaring zijn te vinden op www.snkecoadvies.nl
Rapportnummer: 2025-00088 Versienummer: 1
Status: Definitief Datum: 09 oktober 2025 Contactpersoon Opdrachtgever: dhr. J.A.A. Melaard
Opsteller: ing. P.J. Sinke
Moerdamme 24, 4415 AP Oostdijk KVK: 97228273 BTW-nummer: NL867960036B01
Paraaf:
2
INHOUD 1. Aanleiding en doelstelling ............................................................................................................................................................................. 4 2. Wettelijk kader .............................................................................................................................................................................................. 5 2.1 Flora- en fauna activiteit Omgevingswet ............................................................................................................................................... 5 2.2 Vogelrichtlijn .......................................................................................................................................................................................... 5 2.3 Habitatrichtlijn, bijlage II van verdrag van Bern en Bijlage I van verdrag van Bonn ............................................................................... 5 2.4 Andere soorten ......................................................................................................................................................................................
6 2.5 Zorgplicht ............................................................................................................................................................................................... 6 3. Plangebied en voorgenomen werkzaamheden ............................................................................................................................................. 8 3.1 Huidige situatie ...................................................................................................................................................................................... 8 3.2 Toekomstige situatie ............................................................................................................................................................................ 10 3.3 Voorgenomen werkzaamheden en planning ....................................................................................................................................... 10 3.3.1 Het deels kappen van populieren met behoudt van de ondergroei van struweel ........................................................................ 11 3.3.2 Het realiseren van natuurbos .......................................................................................................................................................
11 3.3.3 Het realiseren van beheertype vochtige duinvallei ...................................................................................................................... 11 3.3.4 Het realiseren van beheertype kruiden- en faunarijk grasland ..................................................................................................... 11 3.3.5. Beheer van vochtige ruigte .......................................................................................................................................................... 11 3.3.6. Het realiseren van een natuurvriendelijke oever met schouwpad .............................................................................................. 11 4. Onderzoeksopzet......................................................................................................................................................................................... 12 4.1 Marterachtigen .................................................................................................................................................................................... 12 4.2 Beschrijving marterachtigen ................................................................................................................................................................
13 5 Resultaten onderzoek Marterachtigen ......................................................................................................................................................... 14 5.1 Resultaten ....................................................................................................................................................................................... 16 5.1.3 Overige soorten ............................................................................................................................................................................ 23 6. Effectbeoordeling ........................................................................................................................................................................................ 29 6.1 Effectbeoordeling Steenmarter ....................................................................................................................................................... 29 6.2 Preventieve maatregelen ................................................................................................................................................................ 29 6.3 Effectbeoordeling Wezel .................................................................................................................................................................
29 6.4 Effectbeoordeling Hermelijn en Bunzing ......................................................................................................................................... 30 7. Conclusies, aanbevelingen en vervolgstappen ............................................................................................................................................ 30 Bronnen........................................................................................................................................................................................................... 31
3
1. AANLEIDING EN DOELSTELLING In West Zeeuws-Vlaanderen is een groot deel van het voormalige getijden geulensysteem Zwin, Passageule, Braakman opgenomen als natuur- en natuurontwikkelingsgebied in het Natuurnetwerk Zeeland. Natuurgebied De Munte (groot 17,89hectare) is onderdeel van dit netwerk Zeeland. De huidige populierenopstand en het grasland in dit gebied sluit niet aan bij de ambitietypen zoals die zijn geformuleerd in het Natuurbeheerplan Zeeland. Het is de bedoeling om in het betreffende gebied een kwaliteitsimpuls uit te voeren om de natuur verder te optimaliseren. In 2024 heeft SNKecoadvies B.V. een quickscan flora en fauna uitgevoerd, bekend onder quickscan flora & fauna de Munte Oostburg Rapportnummer: 2024-00045. In 2025 is een actualisatie gedaan van deze quickscan doordat aan het project enkele percelen zijn toegevoegd en inrichtingswensen zijn gewijzigd. Deze rapportage is bekend onder quickscan flora & fauna de Munte Oostburg Rapportnummer: 202500081 d.d. 20 augustus 2025 SNKecoadvies B.V. Deze quickscan heeft als doel in te schatten of er op de onderzoek locatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen werkzaamheden.
Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Uit deze ecologische quickscan blijkt dat nader onderzoek marterachtigen waaronder de Wezel, Hermelijn, Bunzing en Steenmarter benodigd is. Naar aanleiding van de uitkomsten van de uitgevoerde ecologische quickscan heeft de initiatiefnemer SNKecoadvies B.V. gevraagd nader onderzoek naar marterachtigen uit te voeren teneinde de kwaliteitsimpuls uit te voeren en de natuur verder te optimaliseren. Het doel van het nader onderzoek is drieledig: 1. Er wordt vastgesteld of en zo ja op welke manier, het projectgebied deel uitmaakt van het leefgebied voortplanting-, rust- en verblijfplaatsen van: Wezel Hermelijn Bunzing Steenmarter 2. Er wordt bepaald of de voorgenomen werkzaamheden een overtreding van de Omgevingswet tot gevolg hebben. 3. Afhankelijk van de resultaten wordt bepaald of, en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn. Op basis van de meest recente planning zullen de werkzaamheden begin 2026 aanvangen door een gedeelte van het bos te kappen en in het derde en vierde kwartaal de verdere inrichtingsmaatregelen. De afronding van de werkzaamheden worden verwacht omstreeks 15 maart 2027.
In onderhavig onderzoek wordt vastgesteld of en zo ja op welke manier, het plangebied deel uitmaakt van het leefgebied voortplanting-, rust- en verblijfplaatsen binnen het projectgebied voorkomen van de Wezel, Hermelijn, Bunzing en Steenmarter. Daarnaast wordt bepaald of de voorgenomen werkzaamheden een overtreding van de Omgevingswet tot gevolg hebben. Afhankelijk van de resultaten wordt bepaald of, en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn.
4
2. WETTELIJK KADER 2.1 FLORA- EN FAUNA ACTIVITEIT OMGEVINGSWET De bescherming van soorten in het wild wordt in de Omgevingswet geregeld in afdeling 11.2 van het Bal. Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten worden een flora- en fauna-activiteit genoemd. Voor alle in Nederland voorkomende soorten geldt de zorgplicht (artikel 1.6 Ow) en de specifieke zorgplicht artikel 11.27 Bal. Soorten die meer bescherming nodig hebben zijn in hoofdstuk 11.2 van de Ow onderverdeeld in drie beschermingsregimes: • • •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Europees); Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Europees); Beschermingsregime andere soorten (Nationaal).
Soorten die conform Europese regelgeving (Vogel- en Habitatrichtlijn) worden beschermd, zijn zwaarder beschermd. Daarnaast worden soorten op nationaal niveau beschermd, de zogenaamde ‘andere soorten’. Voor deze drie beschermingsregimes gelden verschillende verboden welke in de volgende paragraaf per beschermingsregime worden besproken.
2.2 VOGELRICHTLIJN Alle van nature in het wild voorkomende vogels zijn in Nederland beschermd conform de Europese regelgeving van de Vogelrichtlijn. Voor het beschermingsregime van vogels gelden de volgende verboden conform artikel 11.37 van het Bal: a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. Het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. Het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Deze toevoeging betekent in de praktijk dat per geval beoordeeld dient te worden of de verstoring een negatief effect veroorzaakt, afhankelijk van de zeldzaamheid van de vogelsoort, de uitwijkmogelijkheden en de aard van de verstoring. Het nest van een vogel, zoals bedoeld in artikel 11.37 sub b van het Bal is de plaats die een vogel gebruikt voor het leggen en uitbroeden van de eieren en het grootbrengen van de jongen.
Indien de soort nest-indicerend gedrag vertoont, zoals het baltsgedrag en het aanslepen van nestmateriaal tot het moment dat de jongen zelfstandig zijn, is het niet toegestaan het nest te verwijderen of de broedlocatie ongeschikt te maken. In de context van de Omgevingswet valt onder nest zowel de inhoud als de functionele leefomgeving onder het begrip nest. De omvang van de functionele leefomgeving verschilt per vogelsoort. Het betreft de omgeving die nodig is om het broedsucces van de betreffende vogelsoort te garanderen. Onder de verbodsbepaling vallen alle activiteiten die het broedsucces negatief beïnvloeden of tenietdoen. Ook situaties, die het nest op zich niet fysiek aantasten, kunnen onder de verbodsbepalingen vallen. Als er bijvoorbeeld sprake is van aantasting van de functionele leefomgeving, waardoor de broedvogel zijn nestplek permanent verlaat. Daarnaast zijn nesten van enkele soorten vogels jaarrond beschermd. Artikel 11.37 sub b van het Bal is gedurende het broedseizoen van toepassing op alle in gebruik zijnde nesten van vogels. Een aantal vogelsoorten maakt het gehele jaar gebruik van hun nest of zijn niet in staat zelf een nieuw nest te maken. Nesten van deze soorten, waaronder huismus en gierzwaluw, zijn jaarrond beschermd. Deze vogels zijn opgenomen in de lijst met jaarrond beschermde nesten welke in 2009 is opgesteld door RVO.
Provincies hebben de mogelijkheid deze lijst naar eigen inzicht aan te passen middels een omgevingsverordening. Dit houdt in dat ook buiten het broedseizoen de nesten beschermd zijn en niet mogen worden vernield of weggehaald.
2.3 HABITATRICHTLIJN, BIJLAGE II VAN VERDRAG VAN BERN EN BIJLAGE I VAN VERDRAG VAN BONN Soorten die conform de Habitatrichtlijn zijn beschermd worden ook wel ‘habitatsoorten’ genoemd. Voor het beschermingsregime van habitatsoorten gelden de volgende verboden conform artikel 11.46 van het Bal: a. Het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. Het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. Het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a en;
5
e.
het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Onder voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van vleermuizen als bedoeld in artikel 11.46 sub d. van het Bal vallen onder andere kraamverblijven, zomerverblijven, paarverblijven en winterverblijven maar ook essentiële vliegroutes en foerageergebieden die van belang zijn voor de instandhouding van de voortplantingsplaats of rustplaats worden hieronder gerekend. Tijdelijke, seizoensgebonden verblijfplaatsen als holen die van belang zijn voor de gunstige staat van instandhouding van een soort op populatieniveau of per individu zijn ook beschermd door artikel 11.46 sub d. van het Bal.
2.4 ANDERE SOORTEN Daarnaast zijn in Nederland enkele soorten op nationaal niveau beschermd, de zogenaamde ‘andere soorten’. Voor het beschermingsregime van andere soorten gelden de volgende verboden conform artikel 11.54 van het Bal: RO Oostdijk Pagina 12 | 30 a. Het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. Het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. In tegenstelling tot de eerste twee beschermingsregimes geldt voor de ‘andere soorten’ geen verbod op het opzettelijk verstoren en het rapen of beschadigen van eieren. Ook geldt het verbod niet voor het doden of vangen van de bosmuis, huisspitsmuis en veldmuis of het beschadigen of vernielen van hun rustplaatsen wanneer ze in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Of wanneer de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen in art. 8.74 l van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl).
Ook is het verbod niet geldig wanneer de activiteit deel uitmaakt van een instandhoudingsmaatregel van de vogel- of habitatrichtlijn.
2.5 ZORGPLICHT In de omgevingswet is net als in de Wet natuurbescherming een zorgplicht opgenomen (artikel 1.6 t/m 1.8 Ow). Deze plicht houdt in dat eenieder die een activiteit verricht die nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kan hebben: 1. 2. 3.
Alle maatregelen neemt die redelijkerwijs verwacht kunnen worden om die gevolgen te voorkomen; Wanneer die gevolgen niet voorkomen kunnen worden, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, de activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem gevraagd kan worden.
In de Ow wordt de zorgplicht verder uitgewerkt per activiteit, een zogenaamde specifieke zorgplicht activiteiten. In het Bal zijn meerdere specifieke zorgplichten opgenomen, waaronder in artikel 11.27 dat toeziet op de specifieke zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten (daarnaast ook voor andere activiteiten, genoemd in artikel 11.22, lid 1, onder b t/m g, zoals het handelen conform een faunabeheerplan, uitoefening jacht, etc.). In het eerste lid is een vergelijkbare zorgplicht opgenomen als onder de algemene zorgplicht, namelijk dat degene die een flora- en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben: 1. 2. 3.
Alle maatregelen neemt die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
In het tweede lid van artikel 11.27 Bal wordt de invulling van de specifieke zorgplicht voor Flora- en fauna activiteiten nader uitgewerkt. Hierin staat dat de plicht 'in ieder geval' inhoudt dat wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van bepaalde soorten en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Verwezen wordt naar de volgende soorten: • Van nature in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; • Van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; • Dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX (de nationaal beschermde soorten) of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚ Ow.
6
Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen. Verder wordt er ook gevraagd om tijdens en na het verrichten van de activiteit na te gaan of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning. De zorgplicht voor soorten is bovendien niet beperkt tot de dieren en planten zelf, maar ook tot de directe leefomgeving van de soorten. Dat betreft voor dieren de foerageergebieden, rust en vaste verblijfplaatsen en plaatsen voor het grootbrengen van de jongen. Daarnaast kunnen decentrale bestuursorganen de regels van hogere bestuursorganen toespitsten op de lokale situatie middels maatwerkregels (artikel. 4.5 Ow). Het Rijk kan deze bevoegdheid geven aan de provincie, gemeente of waterschap.
De provincie kan deze bevoegdheid ook aan gemeente of het waterschap geven. De provincie doet dit via regels in de omgevingsverordening. Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op natuurbescherming. Geplande werkzaamheden kunnen hierdoor in de ene gemeente of provincie andere eisen hebben dan in een andere gemeente of provincie.
7
3. PLANGEBIED EN VOORGENOMEN WERKZAAMHEDEN In dit hoofdstuk zijn het projectgebied en de voorgenomen werkzaamheden binnen het plangebied beschreven.
3.1 HUIDIGE SITUATIE Het projectgebied is in totaal circa 18,4 hectare groot en bestaat momenteel uit bospercelen met populieren met een struiklaag op een gedeelte van het perceel met soorten als Zomereik, Amerikaanse eik, Zwarte els, Meidoorn, Es, Hazelaar, Okkernoot, Vlier. De kruidlaag bestaat hoofdzakelijk uit Grote brandnetel en Braam en Riet met op de lage delen Watermunt en Koninginnekruid. Aan de randen langs de kreek bestaat de vegetatie uit Riet, Grote brandnetel en Wilgenroosje. Op de wat hogere delen veelal Braam, Smeerwortel, Grote brandnetel en her en der Fluitenkruid. De huidige beheertypen zijn Dynamisch moeras van 0,8 hectare (N05.04) en Haagbeuken- Essenbos van 13,5 hectare (N14.03). Aan de zuidzijde van het bos ligt een strook ingezaaid grasland van 2,78 hectare. Ten oosten van het bos ligt een perceel ruigte van 1,36 hectare met opschot van Boswilg en soorten als Koninginnekruid, Riet, Rietorchis, Smeerwortel, Valse voszegge en Lisdodde. Aan de randen van de kreek staan een rij wilgen en daarnaast is er nog een poel aanwezig. Het projectgebied omvat de volgende percelen kadastraal bekend onder gemeente Aardenburg sectie P, nummers: 198, 211, 645, 212, 644, 642, 641 en 646. In onderstaande kaarten is een overzicht van het projectgebied toegevoegd en een kaart met kadastrale vlakken en nummers.
Kaart 1: Projectgebied quickscan de Munte Oostburg.
8
Kaart 2 : Overzicht kadastrale percelen projectgebied de Munte Oostburg.
Foto 1: Overzicht huidige situatie.
In de quickscan flora & fauna de Munte Oostburg Rapportnummer: 2025-00081 d.d. 20 augustus 2025 SNKecoadvies B.V. zijn aanvullende foto’s opgenomen van de projectlocatie. Deze foto’s zijn genomen tijdens uitvoering van het veldonderzoek en geven een nadere een impressie van de onderzoek locatie.
9
3.2 TOEKOMSTIGE SITUATIE De voedselarme, kalkrijke zandbodem in het gebied biedt kansen voor de ontwikkeling van natuurtypen die onder invloed staan van het grondwater. Op de hogere delen kan dit worden afgewisseld met de ontwikkeling van opgaand bos met een gevarieerde struweel en zoombegroeiing. Een dergelijke ontwikkeling resulteert ook in een landschappelijk herkenbare verdeling van open, vochtig terrein ter plaatse van de oude geul en beplanting langs de hoger gelegen randen. Deze natuurdoelen zijn als ambitietype opgenomen in het Natuurbeheerplan. De ambitie is om 11,6 hectare Vochtige duinvallei (N08.03) te realiseren en 5,4 hectare Kruiden- en faunarijk grasland (N12.02). Het perceel ruigte van 1,4 hectare ten oosten van het bosgebied wordt wel toegevoegd aan het natuurgebied, maar hier vinden geen ingrepen plaats, anders dan maaibeheer van de vochtige Ruigte. Definitieve inrichting is nog niet bekend. Uitsluitend onderstaande schets is momenteel beschikbaar. Hierbij blijft een deel van de houtopstand behouden. Alle populieren zullen wel worden verwijderd. Aanvullend wordt langs de randen van het perceel, langs de watergang een natuurvriendelijke over aangelegd met beschoeiing tegen afkalven van de randen van het gebied en zal er een schouwpad worden gerealiseerd voor het onderhoud.
Kaart 3: schetstekening met overzicht toekomstige situatie.
3.3 VOORGENOMEN WERKZAAMHEDEN EN PLANNING Op basis van de meest recente planning zullen de werkzaamheden eind 2026 aanvangen met het kappen van de Populieren en in het derde en vierde kwartaal van 2027 de verdere inrichting plaatsvinden. Een en ander is afhankelijk van de nog te doorlopen procedures en mogelijk aan te vragen vergunningen. In het projectgebied is de initiatiefnemer voornemens de volgende activiteiten uit te voeren: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Het deels kappen van populieren met behoudt van de ondergroei van het struweel Het realiseren van natuurbos Het realiseren van beheertype vochtig duinvallei Het realiseren van beheertype kruiden- en faunarijk grasland Het beheren van vochtige ruigte Het realiseren van een schouwpad
10
3.3.1 HET DEELS KAPPEN VAN POPULIEREN MET BEHOUDT VAN DE ONDERGROEI VAN STRUWEEL Om de ambitietypen uit het groenbeheerplan te realiseren is initiatiefnemer voornemens 9.7 ha. populierenbos te kappen. Het kappen van het bos zal plaatsvinden op de lagere delen van het terrein. Op de hoger gelegen delen zal opgaand bos met een gevarieerde struweel en zoombegroeiing worden ontwikkeld. Het uitgangspunt is de onder begroeiing van struweel te behouden. De definitieve inrichting van het projectgebied is nog niet bekend.
3.3.2 HET REALISEREN VAN NATUURBOS Op de locaties waar een houtopstand zal worden behouden zal een natuurbos worden gerealiseerd middels aanplant van diverse bos- en struiksoorten van het type haagbeuken-essenbos. De inrichting en specifieke maatregelen die hiervoor nodig zijn en de daarvoor benodigde werkzaamheden zijn nog niet bekend.
3.3.3 HET REALISEREN VAN BEHEERTYPE VOCHTIGE DUINVALLEI Een oppervlakte van circa 11,6 ha. van het projectgebied zal worden ingericht als vochtig duinvallei. Dit zal plaatsvinden door het perceel te ontgraven tot het zand (tot een diepte van circa 30 – 50 centimeter), lokaal kan dieper worden gegraven voor het creëren van zoetwater (circa 100 centimeter). De definitieve inrichting van het projectgebied is nog niet bekend.
3.3.4 HET REALISEREN VAN BEHEERTYPE KRUIDEN - EN FAUNARIJK GRASLAND Op een oppervlakte van circa 5,44 ha. zal kruiden- en faunarijk grasland worden gerealiseerd. Dit zal plaatsvinden door op een gedeelte uitsluitend de bomen te kappen en de grond te egaliseren waarbij de rijke bodem wordt behouden en wordt ingericht als grasland. De definitieve inrichting van het projectgebied is nog niet bekend.
3.3.5. BEHEER VAN VOCHTIGE RUIGTE Het perceel vochtige ruigte ten oosten van het bosperceel zal over een oppervlakte van 1,4 hectare middels aanvullend maaibeheer worden ontwikkeld naar een soortenrijk perceel vochtige ruigte. Er vinden geen aanvullende inrichtingsmaatregelen plaats op deze locatie anders dan een aanvullend maaibeheer om de natuurkwaliteit op dit perceel te optimaliseren.
3.3.6. HET REALISEREN VAN EEN NATUURVRIENDELIJKE OEVER MET SCHOUWPAD Langs de randen van de watergang wordt een natuurvriendelijke oever aangelegd met beschoeiing om het afkalven van de randen van het perceel tegen te gaan. De natuurvriendelijke oever zal circa 5 meter breed zijn en aan de waterzijde voorzien zijn van natuurlijke beschoeiing. Langs de oever zal een schouwpad worden gerealiseerd om onderhoud uit te kunnen voeren aan de watergang.
11
4. ONDERZOEKSOPZET Op basis van de door SNKecoadvies B.V. uitgevoerde quickscan flora & fauna de Munte Oostburg Rapportnummer: 2025-00081 d.d. 20 augustus 2025 dient nader onderzoek plaats te vinden naar het leefgebied voortplanting-, rust- en verblijfplaatsen van Wezel, Hermelijn, Bunzing en Steenmarter. In dit hoofdstuk is de methode van het veldonderzoek beschreven.
4.1 MARTERACHTIGEN SNKecoadvies B.V. heeft opdracht gekregen aanvullend onderzoek uit te voeren omtrent de aan- of afwezigheid van functioneel leefgebied en vaste rust- of voortplantingslocaties van de Bunzing, Hermelijn, Wezel. Het onderzoek naar is uitgevoerd overeenkomstig het Kennisdocument BIJ12 Kleine marterachtigen Bunzing - Hermelijn – Wezel versie 1.1. juli 2024. Om te bepalen of het project deel uitmaakt van het functioneel leefgebied en rust- en voortplantingslocaties van de Wezel, Bunzing, Hermelijn is verdiepend onderzoek noodzakelijk. Om te beginnen is potentieel leefgebied van marterachtigen binnen het projectgebied in beeld gebracht. Dit is gedaan door tijdens het verkennend veldonderzoek binnen de beïnvloedingszone van de ruimtelijke activiteit onder andere te letten op de aanwezigheid van de leefgebiedskenmerken waarvan de kleine marterachtigen afhankelijk zijn. Hoewel de leefgebieden-vereisten tussen de soorten verschillen, kunnen de landschapskenmerken waar de kleine marterachtigen van afhankelijk is voor alle drie de soorten inclusief de steenmarter worden samengevat in vier punten: 1. Foerageergebied met voldoende dekking; 2. Verbindingen met andere leefgebieden; 3. Rust- en voortplantingsplaatsen; 4. Voedselaanbod. Op basis van deze vier punten is een kaart gemaakt met potentieel geschikt leefgebied.
Op basis van dit potentieel geschikt leefgebied zijn de camera’s geplaatst. Vervolgonderzoek verschilt per martersoort welke soort mogelijk aanwezig is. Voor de Bunzing, Hermelijn en Wezel wordt veelal gebruik gemaakt van een camera genaamd de Struikrover. De Struikrover is een pvc buis waarin een wildcamera is geplaatst. Deze is gemonteerd op een plank waar aan de voorkant een blik sardines is geplaatst. In het blik sardines wordt een gaatje geprikt. Het idee is dat kleine marterachtigen op de geur afkomen en bij het ruiken aan het blik sardines worden gefotografeerd. Omdat de methode op alle marterachtigen kan worden toegepast is de Struikrover gebruikt in het onderzoek. De waarnemingskansen zijn van marterachtigen gedurende de zomer en de nazomer het hoogst. Met name in de nazomer, wanneer de dispersie plaats vindt en populatieaantallen het hoogst zijn, is de waarnemingskans het hoogst. De dichtheden en de activiteit van de kleine marterachtigen zijn het laagst gedurende de winter en het voorjaar, waardoor de waarnemingskans in deze periode het laagst is. Bepalend voor de locatie van de meetpunten is de kwaliteit van het biotoop, waar de hoogste kans op aanwezigheid van de kleine marterachtigen is. Er is gekozen om op strategische plaatsen het onderzoeksmateriaal in te zetten. Op 13 locaties zijn camera’s geplaatst.
De locaties zijn specifiek gekozen op basis van aanwezige sporen en wissels en geschikt biotoop, specifiek verbindingszones naar nabijgelegen gebieden. Voor het goed uitvoeren van verdiepend onderzoek naar de kleine marterachtigen dient een onderzoeksperiode minimaal zes tot acht aaneengesloten weken te duren, met de mogelijkheid om het onderzoeksmateriaal per vier weken te verplaatsen om meer meetpunten in het plangebied te creëren. Bij een dergelijke onderzoeksperiode kan, als het onderzoek degelijk is uitgevoerd, met zekerheid de aan- of aanwezigheid van de kleine marterachtigen worden vastgesteld. Voor de meetpunten geldt de minimale inzet van één methodiek per 0,25 hectare geschikt leefgebied. De waarde is gebaseerd op het kleinst mogelijke leefgebied van een Wezel onder de meest optimale omstandigheden. Het (juist) toepassen van de methodieken volgens de richtlijnen geeft voldoende onderbouwing om de aan- of afwezigheid van de kleine marterachtigen vast te stellen. Bij het inzetten van de inventarisatiemethoden heeft het de voorkeur om deze zo goed mogelijk ruimtelijk te verspreiden. Bij onderhavige onderzoek is afgeweken van de minimale inzet van 0.25 hectare per methodiek. Het bosgebied is dermate groot en aan één zijde omringt door een watergang waardoor inzet is aangepast.
Overeenkomstig het Kennisdocument BIJ12 Kleine marterachtigen Bunzing - Hermelijn – Wezel versie 1.1. juli 2024 is het onderzoek uitgevoerd in de periode 1 juni t/m 26 september. Tijdens deze periode is gedurende 16 weken gebruik gemaakt circa 10 struikrovers in het projectgebied ingezet waarbij circa om de zes weken de struikrovers zijn verplaatst.
12