CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

01 (Ruimtelijke Onderbouwing)

Raad 5 februari 2026, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot afgifte van een (verzwaard) advies omtrent het verlenen van de aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ten behoeve van natuurontwikkeling aansluitend op de Linie van Passageule31.544 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Passageule 002045_OFL01_C01 G.Verweij 28 oktober 2025

ONDERBOUWING FYSIEKE LEEFOMGEVING 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

INLEIDING PLANGEBIED TOEKOMSTIGE SITUATIE TOETSING AAN OMGEVINGSPLAN GEMEENTELIJK BELEID KWALITEIT VAN DE LEEFOMGEVING CONCLUSIE

BIJLAGEN 1. INLEIDING De provincie Zeeland is voornemens om een aantal agrarische percelen in de gemeente Sluis te ontwikkelen tot natuur. De natuurontwikkeling sluit aan op de Linie van Passageule, gelegen ten zuiden van Oostburg en IJzendijke. De percelen hebben binnen het omgevingsplan van de gemeente Sluis, zijnde het voormalige bestemmingsplan ‘3e herziening buitengebied’, een agrarische functie. De realisatie van natuur is daarom in strijd met het geldende omgevingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, heeft de gemeente aangegeven, dat van het omgevingsplan kan worden afgeweken met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). Hierdoor moet gemotiveerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De ontwikkeling betreft de realisatie van natuur waar recreatief medegebruik, in de vorm van wandelpaden, mogelijk is. Aangezien er geen gevoelige functie wordt gerealiseerd, het plangebied reeds deel uitmaakt van het Natuur Netwerk Zeeland en de ontwikkeling uitvoering geeft aan het Natuurbeheerplan Zeeland 2026, kan volstaan worden met een beperkte onderbouwing. Voorliggende document voorziet in deze onderbouwing.

Afbeelding 1 | Luchtfoto met plangrens – Munte in het westen, Ponte en Turkeye in het oosten (bron: Omgevingsloket, bewerking: Juust)

1

2. PLANGEBIED Het plangebied heeft een totale oppervlakte van 153.100 m2 en bestaat uit drie delen: Munte, Ponte en Turkeye. Het plangebied bestaat uit de volgende kadastrale percelen: - Gemeente Aardenburg, sectie P, perceelnummer 642 (27.830 m2) - Munte - Gemeente Aardenburg, sectie P, perceelnummer 198 (13.610 m2) - Munte - Gemeente Oostburg, sectie G, perceelnummer 1015 (66.320 m2) - Turkeye - Gemeente Oostburg, sectie G, perceelnummer 548 (45.340 m2) – Ponte Deze percelen zijn in eigendom van de provincie en zijn gebruiksvrij verworven. Op perceel 641, gelegen ten noorden van perceel 642, is boskap voorzien ten behoeve van het aanleggen van vochtige graslanden en natuurlijk bos. Dit particuliere perceel heeft reeds een natuurbestemming, waardoor deze geen deel uitmaakt van deze onderbouwing. Het perceel maakt wel deel uit van het totale natuurontwikkelingsproject. De boskap wordt gecompenseerd in de deelgebieden Turkeye en Ponte.

Afbeelding 2 | Luchtfoto met plangrens – Munte (bron: Omgevingsloket, bewerking: Juust)

2

Afbeelding 3 | Luchtfoto met plangrens – Turkeye (bron: Omgevingsloket, bewerking: Juust)

Afbeelding 4 | Luchtfoto met plangrens – Ponte (bron: Omgevingsloket, bewerking: Juust)

3

3. TOEKOMSTIGE SITUATIE Munte De Munte is onderdeel van het Natuurnetwerk Zeeland en is in het Natuurbeheerplan Zeeland (2024) opgenomen als bestaande natuur. Het terrein is gelegen aan de Passageule-Linie en betreft momenteel een populierenopstand die niet is opgenomen in de set aside regeling. Ter plaatse van de locatie Munte is voor een deel bomenkap voorzien en maaiveldverlaging ten behoeve van de aanleg van vochtige graslanden en natuurlijk bos. De overige bomen (donkergroen) blijven staan. Ook wordt kruidenrijk grasland en een vochtige ruigte aangelegd. De vrijgekomen grond wordt verwerkt op de aangrenzende percelen van de provincie en op de deelgebieden Ponte en Turkeye. Het doel van het project De Munte is om: - De biodiversiteit van de betreffende gebieden te vergroten en een duurzaam ecosysteem te creëren dat beter bestand is tegen klimaatverandering en een grotere diversiteit aan planten- en diersoorten kan herbergen. - Het creëren van nieuwe habitats: meer variatie bieden in het gebied voor flora en fauna, waaronder bedreigde plantensoorten en diersoorten zoals amfibieën, vogels en insecten. Hierbij wordt rekening gehouden met de al bestaande waarden. - Verhogen van de landschappelijke waarde door realisatie van een gevarieerd landschap. Met de inrichting wordt zoveel mogelijk de historische context van de Passageule-Linie herkenbaar.

Afbeelding 5 | Toekomstige situatie plangebied – Munte (bron: Provincie Zeeland)

Om bovenstaande doelen te halen zijn de volgende maatregelen voorzien: - Het kappen van een bestaande populierenopstand op het perceel 641; - Het ontgraven van grond op het perceel 641; - Het verwerken van vrijkomende grond op perceel 1015, perceel 548 en perceel 642; - Het planten van inheemse en zoveel mogelijk autochtone soorten bomen en struiken op het perceel 641; - Het planten van inheemse en zoveel mogelijk autochtone soorten bomen en struiken op de percelen: 1015, 548 en 642;

4

Turkeye en Ponte Ter plaatse van de locatie Turkeye en Ponte wordt kruiden- en faunarijk grasland aangebracht, evenals een gemengd bos, waterpartij en (drink)poelen. De vrijgekomen grond, afkomst van de Munte, wordt verwerkt in het gebied van Turkeye en Ponte.

Afbeelding 6 | Toekomstige situatie plangebied – Turkeye (bron: Provincie Zeeland)

Afbeelding 7 | Toekomstige situatie plangebied – Ponte (bron: Provincie Zeeland)

4. TOETSING AAN OMGEVINGSPLAN Ter plaatse van het plangebied geldt het omgevingsplan van de gemeente Sluis. Het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ dat op 23 juni 2011 door de gemeenteraad is vastgesteld, maakt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege deel uit van het omgevingsplan. De gronden van het plangebied hebben de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ en de ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden - 2’. Binnen deze bestemmingen is de aanleg van nieuwe natuur niet toegestaan. Voorgenomen ontwikkeling is daarom in strijd met het omgevingsplan. Op de locatie Turkeye is eveneens de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ gelegen. Het uitvoeren van werkzaamheden, waaronder het uitvoeren van grondbewerking of het aanbrengen van beplantingen en bomen, is niet toegestaan.

5

Afbeelding 8 | Uitsnede Omgevingsplan gemeente Sluis - Munte (bron: Omgevingsloket, bewerking: Juust)

Afbeelding 9 | Uitsnede Omgevingsplan gemeente Sluis - Munte (bron: Omgevingsloket, bewerking: Juust)

6

Afbeelding 10 | Uitsnede Omgevingsplan gemeente Sluis - Munte (bron: Omgevingsloket, bewerking: Juust)

5. GEMEENTELIJK BELEID Aangezien het plangebied reeds deel uitmaakt van het Natuur Netwerk Zeeland en de ontwikkeling uitvoering geeft aan het Natuurbeheerplan Zeeland 2026 is de ontwikkeling in overeenstemming met het provinciaal beleid. In deze onderbouwing wordt daarom enkel ingegaan op het gemeentelijk beleid. Overigens wordt in paragraaf 6.2, in het kader van gebiedsbescherming, wel ingegaan op het Natuur Netwerk Zeeland. Krachtig Verbonden (visiedocument 2021-2025) Het Visiedocument Krachtig Verbonden is een visie op hoofdlijnen waarmee de gemeente Sluis de koers bepaalt ten aanzien van het ruimtelijk-economisch en sociaal-maatschappelijk beleid. In de visie zijn de volgende aanknopingspunten te vinden als het gaat om de ontwikkeling van nieuwe en bestaande natuur: - Openbaar toegankelijke en aantrekkelijke recreatienatuurgebieden, waar het beheer en onderhoud goed geregeld is. - Daar waar mogelijk willen we opgaven in het buitengebied in samenhang aanpakken. Dit in het kader van efficiënt en duurzaam ruimtegebruik. Denk bijvoorbeeld aan een koppeling van (nieuwe) natuur en klimaatadaptatie - De nadruk dient in de toekomst te liggen op verdere ontwikkeling en verbinding van de bestaande natuurgebieden/waterpartijen. Er worden geen volledig nieuwe (recreatie) natuurgebieden ontwikkeld.

Mocht grondverwerving toch noodzakelijk zijn, dan dient vrijwillige grondverwerving een voorwaarde te zijn. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van nieuwe natuur. De natuurontwikkeling maakt de realisatie van een robuuster natuurgebied mogelijk en draagt hierdoor bij aan de ecologische doelstellingen. Ook wordt er binnen het plangebied mogelijkheden gecreëerd voor recreatief medegebruik, in de vorm van wandelpaden. Het project past binnen de visie Krachtig Verbonden. Het gemeentelijk beleid staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg. 6. KWALITEIT VAN DE LEEFOMGEVING De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van nieuwe natuur. De ontwikkeling van nieuwe natuur heeft beperkte milieueffecten aangezien de natuur ter plaatse wordt verbeterd en recreatief medegebruik beperkt wordt

7

toegestaan door middel van de aanleg van wandelpaden. Om deze reden zijn niet alle omgevings- en milieuaspecten, die afgewogen moeten worden in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, op deze ontwikkeling van toepassing. 6.1 Archeologie Ter plaatse van de locatie Munte geldt op een klein deel van het perceel 642 de dubbelbestemming ‘WaardeArcheologie 2’. Archeologisch onderzoek is nodig wanneer de vrijstellingswaarden (500 m2 en 40 cm-mv) overschreden worden. Ter plaatse zijn geen graafwerkzaamheden voorzien. Archeologisch onderzoek is daarom niet aan de orde. 6.2 Soortenbescherming Nieuwe ontwikkelingen kunnen effect hebben op beschermde soorten (dieren en planten). Het plan voorziet in het aanleggen nieuwe natuur. Ruimtelijke ingrepen, zoals natuurontwikkelingsprojecten, kunnen bij de realisatie (negatieve) effecten hebben op beschermde flora en fauna. Munte Op de locatie Munte is op 26 juni 2025 een quickscan flora en fauna uitgevoerd (bijlage 1). Uit dit onderzoek blijkt dat nader onderzoek nodig is naar kleine marterachtigen (hermelijn, wezel, bunzing, steenmarter), de haas, vleermuizen en jaarronde beschermde nesten van buizerd, havik, sperwer, torenvalk. Ter plaatse van het perceel van de provincie betreft het haas, en kleine marterachtigen. In het activiteitenplan worden compenserende maatregelen beschreven die worden uitgevoerd.

De natuurvergunning is inmiddels aangevraagd. Hieronder worden de conclusies van de betreffende onderzoeken weergeven. Ter plaatse van het perceel van de provincie betreft het haas en kleine marterachtigen. Volledigheidshalve zijn ook de conclusies van de onderzoeken op het particuliere perceel opgenomen. Nader onderzoek haas (gronden provincie) Het projectgebied en de directe omgeving is en in gebruik als foerageergebied en vaste rust- en voortplantingsplaats van de Haas. Er zijn in het leefgebied circa 15 legers aanwezig. Hierdoor geldt het hele projectgebied als zijnde leefgebied met vaste rust- of verblijfplaatsen. Het foerageergebed is geen essentieel foerageergebied gezien in de omliggende landbouwpercelen en natuurpercelen voldoende geschikt foerageergebied voorhanden is en de afname van foerageergebied slechts tijdelijk is. Het tenietgaan van het foerageergebied door de werkzaamheden leidt niet tot aantasting van het functioneel leefgebied van de Haas. Er worden door de werkzaamheden op lange termijn meer locaties gerealiseerd die geschikt kunnen zijn als rust- en voortplantingsplaats. Omdat er mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van hazen worden vernietigd, is een vergunning Omgevingswet nodig. Omdat er tijdelijk negatieve effecten worden verwacht door de werkzaamheden op o.a.

het foerageergebied van de Haas en te kunnen voldoen aan de zorgplicht, is het werken volgens een ecologisch werk-protocol nodig. In het protocol dient aangegeven te worden op welke manier en binnen de wettelijke kaders gewerkt moet worden om negatieve effecten op de Haas tot een minimum te beperken. Enkele van deze kaders is het werken buiten de kwetsbare periode van de Haas en een gefaseerde uitvoering van de werkzaamheden. Nader onderzoek kleine marterachtigen (gronden provincie) Het projectgebied maakt onderdeel uit van de functionele leefomgeving van de wezel in de vorm van foerageergebied en bevat rust- en voortplantings-plaatsen van de Wezel. Door de voorgenomen werkzaamheden wordt foerageergebied opzettelijk aangetast en worden vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de Wezel, vernield. Het aantasten van het foerageergebied en vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de Wezel, is een overtreding van de Omgevingswet artikel 11.54 lid 1 onder b. Een vergunning voor een flora- en fauna activiteit is dan ook noodzakelijk om de ontwikkelingen / werkzaamheden uit te voeren.

Deze vergunning kan worden verkregen als onderbouwd kan worden dat: • Er een wettelijk belang zoals genoemd bij Artikel 8.74l lid 1 onder b ; van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing is op het project; • Er geen alternatieven voor het voornemen zijn; • De staat van instandhouding van de soort(en) niet in het geding is; • Er voldoende mitigatie en compensatie plaatsvindt ten aanzien van het leefgebied en de verloren verblijfplaatsen;

8

•

Er buiten de kwetsbare periode van de soort(en)wordt gewerkt. Het is aan te bevelen voornoemde onderdelen nader uit te werken in een activiteitenplan.

Een activiteitenplan is de basis van een vergunningaanvraag. In een activiteitenplan worden alle onderdelen beschreven die benodigd zijn om een vergunning voor een flora en fauna activiteit te verkrijgen. Nader onderzoek vleermuizen en roofvogels In het plangebied zijn vijf verblijfplaatsen van de Ruige dwergvleermuis aangetroffen. De werkzaamheden zullen een negatief effect hebben op de verblijfplaatsen van de aangetroffen vleermuizen. Aanvullend worden door de werkzaamheden essentieel foerageergebied van de Ruige dwergvleermuis en de Gewone dwergvleermuis aangetast. Een vergunning Omgevingswet voor het uitvoeren van deze activiteit is noodzakelijk. Om uitvoering te kunnen geven aan de inrichtingsmaatregelen dient een activiteitenplan gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit plan dient in samenhang met onderhavige onderzoek en de eerder uitgevoerde quickscan te worden ingediend in het kader vergunningaanvraag Omgevingswet. Door de werkzaamheden is het mogelijk dat een jaarrond beschermde nest van de Buizer de Havik wordt beschadigd en vernield en de functionele leefomgeving van de Buizerd en de Havik worden aangetast. Dit een overtreding van artikel 11.37 lid 1 onder b en d van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Een vergunning voor het opzettelijk verstoren en beschadigen van nesten van de Buizerd en de Havik en het aantasten van de functionele leefomgeving is dan noodzakelijk. Het opzettelijk beschadigen of vernielen van jaarrond beschermde nesten van de Buizerd en de Havik is een overtreding van de Omgevingswet artikel 11.37 lid 1 onder b en d. Een vergunning voor een flora- en fauna activiteit is dan ook noodzakelijk om de werkzaamheden uit te voeren. Deze vergunning kan worden verkregen als onderbouwd kan worden dat: • Er een wettelijk belang zoals genoemd bij Artikel 8.74J lid 1 onder b ; van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing is op het project; • Er geen alternatieven voor het voornemen zijn; • De staat van instandhouding van de soort(en) niet in het geding is; • Er voldoende nestlocaties gecompenseerd worden; • Er buiten de kwetsbare periode van de soort(en)wordt gewerkt. Effecten op overige roofvogels waaronder de Sperwer en de Torenvalk worden niet verwacht gezien er geen jaarrond beschermde nesten binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Aanvullende maatregelen zijn niet noodzakelijk. Turkey en Ponte Op de locaties Turkey en Ponte is op 27 juni 2025 een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Bijlage 6). Uit dit onderzoek blijkt dat nader onderzoek nodig is naar de haas. Op 27 augustus is een nader onderzoek uitgevoerd (bijlage 7).

Uit dit onderzoek blijkt, dat het projectgebied en de directe omgeving leefgebied vormen van de haas, met meerdere vaste rust- en voortplantingsplaatsen op de percelen G1015 en G548. Hoewel het foerageergebied verdwijnt door de werkzaamheden, is dit geen probleem vanwege voldoende alternatieve foerageergebieden in de omgeving. De werkzaamheden kunnen zelfs nieuwe geschikte rust- en voortplantingsplekken opleveren. Omdat mogelijk vaste rustplaatsen worden vernietigd, is een natuurvergunning vereist. Daarnaast moet gewerkt worden volgens een ecologisch werkprotocol om negatieve effecten op de haas te beperken, bijvoorbeeld door buiten de kwetsbare periode te werken en de werkzaamheden gefaseerd uit te voeren. De natuurvergunning is inmiddels aangevraagd. 6.3 Gebiedsbescherming Stikstof Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Natura-2000 gebieden. Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied is Groote Gat. Dit natuurgebied ligt op circa 1,2 kilometer van het plangebied. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op enige afstand van beschermde Natura 2000-gebieden plaatsvindt worden geen

9

negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. Voor dit plan is op 11 oktober 2025 door NOX-advies voor de realisatiefase de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden berekend (zie bijlage 8). Uit dit onderzoek blijkt dat de stikstofemissie die als gevolg van dit project vrijkomt in de aanlegfase niet leidt tot significante stikstofeffecten. Voor de aanlegfase is een Aerius-berekening uitgevoerd waaruit een depositieresultaat van 0,02 mol N/ha/jaar resulteert, op Nederlandse en Belgische Natura 2000-gebieden. Deze vindt echter plaats op niet overbelaste hexagonen in het Nederlandse Natura 2000-gebied Groote Gat. De toename op Belgische gebieden overschrijdt eveneens niet de kritische depositiewaarden. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het project geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is derhalve niet aan de orde. Er is geen vergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuur Netwerk Zeeland Het plangebied maakt wel deel uit van het Natuurnetwerk Zeeland.

Alle bestaande natuurgebieden en agrarische gebieden van ecologische betekenis worden planologisch beschermd via het Natuurnetwerk Zeeland (onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland, voorheen EHS). In het Natuurbeheerplan Zeeland worden doelen gesteld voor goed en actief beheer van de natuurgebieden. Het plangebied is in het Natuurnetwerk Zeeland aangewezen als nieuwe natuur (afbeelding 11 en 12, geel). Voorgenomen planontwikkeling geeft uitvoering aan de realisatie van nieuwe natuur en sluit daarom naadloos aan bij de doelstelling van het Natuurbeheerplan Zeeland 2026 en de gewenste ontwikkeling van het gebied. Met de ontwikkeling van nieuwe natuur worden de leefgebieden voor verschillende flora- en faunasoorten uitgebreid. De boskap in het deelgebied Munte (perceel 641) wordt gecompenseerd in de deelgebieden Turkeye en Ponte.

Afbeelding 11 | Uitsnede Natuurbeheerplan Zeeland 2026 – Munte (bron: Provincie Zeeland)

10

Afbeelding 12 | Uitsnede Natuurbeheerplan Zeeland 2026 – Turkeye en Ponte (bron: Provincie Zeeland)

Het aspect gebiedsbescherming staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg. 6.4 Omgevingsveiligheid Recreatief medegebruik, in de vorm van wandelpaden, is mogelijk. Bezoekers en wandelaars zullen enige tijd verblijven in de natuurgebieden. In de directe omgeving van het deelgebied Munte is een opslagtank aanwezig ten noorden van de Slepersdijk en ten zuiden van de Sint Jorisweg. Het plangebied is gelegen buiten de risicocontouren.

Afbeelding 13 | Uitsnede Register Externe Veiligheid – Munte (bron: REV)

11

Over het deelgebied Turkeye loopt een gasleiding. Het plangebied is gelegen binnen het brandaandachtsgebied van deze leiding. Het wandelpad wordt gerealiseerd aan de westzijde van het plangebied (deelgebied Turkeye). Er ter plaatse van de gasleiding geen graafwerkzaamheden voorzien of de aanplant van bomen. Zodoende vormt de gasleiding geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en andersom.

Afbeelding 14 | Uitsnede Register Externe Veiligheid – Turkeye en Ponte (bron: REV)

6.5 Overige aspecten Buitenom de eerder genoemde aspecten, zijn er diverse andere aspecten die in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties beschouwd moeten worden. De volgende aspecten worden gezien het type ontwikkeling kort beschouwd. - Bodem: Er wordt geen gevoeligere functie mogelijk gemaakt. Een verkennend bodemonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Er is enkel grondaanvoer voorzien. - Niet Gesprongen Explosieven (NGE): het plangebied is gelegen binnen een verdacht gebied. Een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten wordt voorafgaand aan de werkzaamheden uitgevoerd. Dit onderzoek wordt gelijktijdig met de aanvraag om omgevingsvergunning uitgevoerd. - Cultuurhistorische waarden: De natuurontwikkeling heeft geen negatieve effecten op cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied. - Weging van het waterbelang: Door het omvormen van agrarische gronden naar natuurgronden zal de waterbergende capaciteit van het gebied toenemen. Er wordt geen dakoppervlak of dichte bodemverharding toegevoegd. Watercompensatie is niet benodigd. - Parkeren, verkeersgeneratie en ontsluiting: Het natuurgebied heeft op zichzelf geen verkeersaantrekkende werking. - Milieuzonering: In de nabije omgeving van het plangebied zijn, in het kader van milieuzonering, geen relevante bedrijven of milieubelastende functies gelegen.

De voorgenomen ontwikkeling maakt geen gevoelige functie mogelijk en vormt geen belemmering voor omliggende functies. - Geluid: De voorgenomen ontwikkeling maakt geen geluidsgevoelig object mogelijk. Andersom is er vanuit het plangebied geen sprake van geluidsuitstraling naar nabijgelegen functies. Het aspect geluid geeft geen belemmering voor de realisatie van nieuwe natuur. - Luchtkwaliteit: Met het realiseren van nieuw natuur is er geen sprake van een toename in het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het plan draagt niet in betekende mate bij aan de concentratie van stikstofdioxide. De realisatie van nieuwe natuur zorgt juist voor een verbetering van de luchtkwaliteit. - Milieueffectrapportage: Met de voorgenomen ontwikkeling wordt nieuwe natuur gerealiseerd. Het plan maakt geen activiteit mogelijk die genoemd is in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast zijn er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten, omdat de milieueffecten zeer beperkt zijn. Het opstellen van een mededeling van de voorgenomen ontwikkeling is niet nodig.

12

7. CONCLUSIE Om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit te verkrijgen, moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) aanvaardbaar wordt geacht, volgens artikel 8.0a, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Daarnaast moet ook voldaan worden aan de instructieregels en instructies van zowel de provincie als het Rijk (artikel 8.0b Bkl). In het voorgaande is ingegaan op de relevante (milieu- en omgevings)aspecten met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling. Zoals uit het bovenstaande blijkt, wordt aan alle aspecten voldaan. Er zijn geen voorwaarden van toepassing. Daarmee is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De ontwikkeling wordt aanvaardbaar geacht ten aanzien van de leefomgeving. Omwonenden, grondeigenaren/agrariërs, natuurorganisaties en belangenorganisaties worden betrokken bij de planvorming. Op 26 november is/wordt een informatiebijeenkomst georganiseerd in Waterlandkerkje om de omwonenden te informeren op de natuurontwikkeling. PM Resultaten participatie na 26 november.

13

BIJLAGEN

14

Bijlage 1: Quickscan Munte

15

QUICKSCAN FLORA & FAUNA De Munte Oostburg

Rapportnummer: 2025-00081

Opdrachtgever: Provincie Zeeland Opdrachtnemer: SNKecoadvies B.V.

Rapportnummer: 2025-00081 Versienummer: 1

Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport inclusief de foto’s is alleen toegestaan met toestemming van de eigenaar (opdrachtgever) en onder vermelding van de bron. Dit rapport is met grote zorg opgesteld. Desondanks aanvaardt SNKecoadvies geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of door toepassing van adviezen. Onze algemene voorwaarden en privacyverklaring zijn te vinden op www.snkecoadvies.nl

Status: Concept Datum: 26 juni 2025 Contactpersoon Opdrachtgever: Dhr. A. Melaard

Opsteller: ing. P.J. Sinke

SNKecoadvies B.V. Moerdamme 24, 4415 AP Oostdijk KVK: 97228273 BTW-nummer: NL86790036B01

Paraaf:

2

INHOUD 1. Aanleiding en onderzoek ............................................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................................................................................. 5 1.2 Doel en centrale vraag ........................................................................................................................................................................... 6 1.3 Criteria ................................................................................................................................................................................................... 6 1.4 Methode ................................................................................................................................................................................................ 6 1.4.1 Reikwijdte .......................................................................................................................................................................................

6 1.4.1.2 Soortbescherming ....................................................................................................................................................................... 6 1.4.1.3 Gebiedsbescherming ................................................................................................................................................................... 7 1.4.1.4 Houtopstanden ............................................................................................................................................................................ 7 1.4.1.5 Provinciaal en gemeentelijk beleid .............................................................................................................................................. 7 1.4.1.6 Toetsing ....................................................................................................................................................................................... 7 1.4.2 Bureau onderzoek .......................................................................................................................................................................... 7 1.4.3 Veldonderzoek................................................................................................................................................................................

7 1.4.4 Effectenbeoordeling ....................................................................................................................................................................... 8 2. Projectgebied en werkzaamheden ................................................................................................................................................................ 9 2.1 Huidige situatie ...................................................................................................................................................................................... 9 2.2 Toekomstige situatie ............................................................................................................................................................................ 11 2.3 Werkzaamheden en planning .............................................................................................................................................................. 11 2.3.1 Het deels kappen van populieren met behoudt van de ondergroei van struweel ........................................................................ 11 2.3.2 Het realiseren van natuurbos .......................................................................................................................................................

12 2.3.3 Het realiseren van beheertype vochtige duinvallei ...................................................................................................................... 12 2.3.4 Het realiseren van beheertype kruiden- en faunarijk grasland ..................................................................................................... 12 2.3.5. Beheer van vochtige ruigte .......................................................................................................................................................... 12 2.3.6 Verstoringsfactoren ...................................................................................................................................................................... 12 3.0 Aanwezigheid en effectenbeoordeling ...................................................................................................................................................... 13 3.1 Beschermde natuurgebieden ............................................................................................................................................................... 13 3.1.1 Natura 2000 gebieden ..................................................................................................................................................................

13 3.1.2 Effecttoetsing Natura 2000-gebieden........................................................................................................................................... 14 3.1.3 Natuurnetwerk Zeeland ................................................................................................................................................................ 15 3.1.4 Effecttoetsing Natuurnetwerk Zeeland ........................................................................................................................................ 16 3.2 Beschermde soorten ............................................................................................................................................................................ 17 3.3 Algemene zorgplicht ............................................................................................................................................................................ 20 3.3.1 Dieren ........................................................................................................................................................................................... 20 3.3.2 Planten .........................................................................................................................................................................................

20 3.4 Specifieke zorgplicht ............................................................................................................................................................................ 21 3.4.1 Bureau- en veldonderzoek............................................................................................................................................................ 21 3.5 Houtopstanden.......................................................................................................................................................................................... 22 3.5.1 Regels houtopstanden .................................................................................................................................................................. 22 3.5.2 Effecttoetsing Houtopstanden ...................................................................................................................................................... 23 3.5.3 specifieke zorgplicht ..................................................................................................................................................................... 24 4.0 Conclusie ................................................................................................................................................................................................... 25

3

4.1 Gebiedsbescherming............................................................................................................................................................................ 25 4.2 Soortbescherming ................................................................................................................................................................................ 25 4.3 Houtopstanden .................................................................................................................................................................................... 25 4.4 Nader onderzoek zijn nodig voor de volgende soorten ....................................................................................................................... 25 Gebiedsbescherming: ............................................................................................................................................................................ 25 Soortenbescherming ............................................................................................................................................................................. 25 5. MAATREGELEN ............................................................................................................................................................................................

27 5.1 Maatregelen beschermde soorten ....................................................................................................................................................... 27 5.1.1 Vogels zonder jaarrond beschermd nest ...................................................................................................................................... 27 5.2 zorgplicht maatregelen ........................................................................................................................................................................ 27 5.2.1 Algemene maatregelen mobiele soorten ..................................................................................................................................... 27 5.2.2 Maatregelen Amfibieën ................................................................................................................................................................ 28 5.2.3 Maatregelen Libellen .................................................................................................................................................................... 28 5.2.4 Maatregelen Specifieke zorgplicht ...............................................................................................................................................

28 Maatregelen Houtopstanden..................................................................................................................................................................... 28 5.3 Wat te doen bij een wijziging van de ontwikkeling of bij het afwijken van het advies? ....................................................................... 29 Andere beschermde soorten aangetroffen? ......................................................................................................................................... 29 Bronnen: ......................................................................................................................................................................................................... 31 Bijlage 1 Tabel uitgesloten soorten ................................................................................................................................................................. 33 Bijlage 2 Wettelijk kader Omgevingswet Natuur ............................................................................................................................................. 34 Omgevingswet ...........................................................................................................................................................................................

34 Zorgplicht ................................................................................................................................................................................................... 34 Gebiedsbescherming ................................................................................................................................................................................. 35 Soortenbescherming .................................................................................................................................................................................. 36 Vergunning en vrijstelling .......................................................................................................................................................................... 37 Gedragscode .............................................................................................................................................................................................. 37 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ..............................................................................................................................................................

37 Houtopstanden .......................................................................................................................................................................................... 38 Bijlage 3 Beschermde Soorten......................................................................................................................................................................... 39 Bijlage 4 Vrijgestelde Soorten ......................................................................................................................................................................... 42 Bijlage 5 Fotoblad ............................................................................................................................................................................................ 43

4

1. AANLEIDING EN ONDERZOEK 1.1 AANLEIDING In West Zeeuws-Vlaanderen is een groot deel van het voormalige getijdengeulensysteem Zwin, Passageule, Braakman opgenomen als natuur- en natuurontwikkelingsgebied in het Natuurnetwerk Zeeland. Natuurgebied De Munte (groot 13,75 hectare) is onderdeel van dit netwerk. De huidige populierenopstand in dit gebied sluit niet aan bij de ambitietypen zoals die zijn geformuleerd in het Natuurbeheerplan Zeeland. Het is de bedoeling om in het betreffende gebied een kwaliteitsimpuls uit te voeren om de natuur verder te optimaliseren. Recent zijn enkele nieuwe percelen verworven en toegevoegd aan het projectgebied. Dit betreft één perceel ingezaaid grasland en een perceel ruigte (groot 4,14 hectare). Door het toevoegen van percelen aan het projectgebied, dient er een actualisatie plaats te vinden van de in 2024 uitgevoerde quickscan flora en fauna, bekend onder quickscan flora & fauna de Munte Oostburg Rapportnummer: 2024-00045. In deze quickscan worden alle activiteiten nogmaals getoetst, inclusief de recent toegevoegde percelen. Van de recent verworven percelen is nog niet beoordeeld of de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde soorten (flora- en fauna) die aanwezig zijn in en nabij het projectgebied.

In deze quickscan wordt daarom aanvullend op de reeds eerder onderzochte percelen, onderzocht welke beschermde soorten er in en nabij het projectgebied aanwezig zijn en of deze soorten mogelijk negatieve effecten ondervinden. Daarnaast wordt onderzocht of het treffen van mitigerende maatregelen voldoende is om deze effecten te beperken en er geen verbodsbepalingen uit de Omgevingswet worden overtreden. Om dit vast te stellen is een bureauonderzoek en een aanvullend veldonderzoek uitgevoerd door een deskundig ecoloog. Tijdens het veldonderzoek zijn de resultaten van het bureauonderzoek gecontroleerd en waar nodig aangevuld op basis van waarnemingen in het veld. Als na het onderzoek wordt verwacht dat de voorgenomen activiteit/ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor van nature in het wild levende dieren, kan de ontwikkeling vanuit de ecologie zonder beperkingen doorgang vinden. Indien negatieve effecten op beschermde soorten niet uitgesloten kunnen worden, dienen beschermende maatregelen, aanvullend onderzoek en/of aanvullende toetsingen uitgevoerd te worden. Beschermende maatregelen en/of advies voor aanvullende onderzoeken en toetsingen zijn in dit rapport opgenomen ingeval dit van toepassing is.

Kunnen effecten door het treffen van beschermende maatregelen niet worden voorkomen, of worden uitgesloten dan dient men een omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit of Natura 2000- activiteit aan te vragen voor de Omgevingswet. Voorgenomen activiteiten en werkzaamheden kunnen in veel gevallen nog steeds plaatsvinden na het verkrijgen van een vergunning. De opdrachtgever is voornemens diverse activiteiten uit te voeren waaronder het kappen van de populieren en het herinrichten van de het gebied. In paragraaf 2.2 is meer informatie opgenomen over deze activiteiten. De voorgenomen flora-en-fauna-activiteiten en/ of Natura 2000-activiteiten kunnen leiden tot schadelijke handelingen onder de Omgevingswet. Om de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteiten te toetsen, is het nodig om te bepalen of er effecten op beschermde soorten of gebieden kunnen optreden. Dit is een wettelijke verplichting van de initiatiefnemer bij deze activiteiten. Dit rapport geeft invulling aan deze verplichting.

5

1.2 DOEL EN CENTRALE VRAAG In dit rapport wordt een voorgenomen activiteit/ werkzaamheid getoetst aan de Omgevingswet. Zo kan bepaald worden of maatregelen nodig zijn en/of nader onderzoek noodzakelijk is. Om hiertoe te komen worden volgende hoofdvragen beantwoord: 1. 2.

Is de voorgenomen activiteit/ ontwikkeling in strijd met de regels gesteld m.b.t. flora- en faunactiviteiten in de Omgevingswet? Welke vervolgstappen, vervolgonderzoeken of mitigerende maatregelen moeten worden genomen te worden voor er met de uitvoering gestart kan worden?

Om antwoord te geven op deze hoofdvraag worden middels uitwerking van onderstaande deelvragen tot een antwoord gekomen: Onderdeel gebiedsbescherming • •

Zijn er negatieve effecten te verwachten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden? Zijn er vervolgstappen nodig voor Natura 2000- of NNN-gebieden?

Onderdeel Soortenbescherming • • •

Zijn beschermde soorten onder de Omgevingswet aanwezig of te verwachten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen activiteiten? Worden schadelijke handelingen verwacht die leiden tot conflicten met de artikelen 11.37 1a, b, d of 11.46 1a,b,d,e 11.54 1a en b en c van het Bal en/of Jaarrond beschermde nesten en/of soorten van de Rode Lijst? Kunnen negatieve effecten voorkomen worden óf wordt nader onderzoek of een vergunning noodzakelijk geacht?

Onderdeel Houtopstanden •

Zijn er negatiever effecten te verwachten op Houtopstanden en leiden die tot conflicten met de artikelen opgenomen in § 11.3.2. Houtopstanden, hout en houtproducten van het Bal?

1.3 CRITERIA Op dit onderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: • • •

Het onderzoek is uitgevoerd door een deskundig gediplomeerd ecoloog met een mbo en hbo opleiding op ecologisch gebied, bos- en natuurbeheer en / of natuur en landschapstechniek. Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk adviesbureau. SNKecoadvies verklaart hierbij geen enkel belang te hebben bij de uitkomst van het onderzoek. Het onderzoek is maximaal drie jaar geldig na de opleverdatum of zolang dit realistisch is, gezien de ecologie van betreffende soorten. Uit de jurisprudentie blijkt dat een geldigheid van drie jaar voldoende is om de actualiteit van deze onderzoeksgegevens te borgen.

1.4 METHODE Dit onderzoek bestaat uit een bureau onderzoek, een veldonderzoek op locatie en een toetsing aan de Omgevingswet. Daarna volgen de conclusie en de aanbevelingen.

1.4.1 REIKWIJDTE Onderstaand is beschreven aan welke wetten, artikelen en aan welk beleid de voorgenomen activiteiten worden getoetst in dit rapport. Er wordt niet getoetst op stikstofdepositie, maar verstrekken we wel de benodigde informatie om de voorgenomen activiteit te kunnen vervolgen.

1.4.1.2 SOORTBESCHERMING Er wordt getoetst aan de volgende artikelen uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en rijksbeleid: • 11.37 Vogelrichtlijn • 11.46 Habitatrichtlijn • 11.54 Andere soorten • 11.27 Specifieke zorgplicht en rode lijst soorten

6

Ook wordt beoordeeld of voldaan wordt aan de algemene zorgplicht, zoals geformuleerd in Afdeling 1.3 Omgevingswet 'Zorg voor de fysieke leefomgeving'.

1.4.1.3 GEBIEDSBESCHERMING Voor gebiedsbescherming wordt getoetst aan de volgende onderdelen van de Omgevingswet: • • • •

Natura 2000-gebieden: afdeling 1.3 (algemene zorgplicht) en artikel 11.6 (specifieke zorgplicht), met uitzondering van stikstofdepositie en aeriuscalculatie: artikel 4.15 en 6.15 uit de Omgevingsregeling. Natuurnetwerk Nederland: artikel 7.8 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en Omgevingsverordening artikel 7.7, 2e lid Bkl. Bijzondere nationale natuurgebieden en landschappen: artikel 11.6 en 2.44 lid 5 uit het Bal.

1.4.1.4 HOUTOPSTANDEN •

Voor houtopstanden wordt getoetst aan de volgende onderdelen van de omgevingswet: § 11.3.2. Houtopstanden, hout en houtproducten van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 2.11.3 plicht tot herbeplanting van de omgevingsverordening Zeeland.

1.4.1.5 PROVINCIAAL EN GEMEENTELIJK BELEID Aan overige beleidsgebieden wordt in principe niet getoetst.

1.4.1.6 TOETSING Indien uit de toetsing naar voren komt dat er mogelijk sprake is van een schadelijke handeling, dan is veelal vervolgonderzoek benodigd. Hierbij valt te denken aan een nader onderzoek (soortbescherming), een NNN-toetsing of Voortoets Natura 2000 (gebiedsbescherming). Deze nadere onderzoeken zijn een vervolg op dit onderzoek.

1.4.2 BUREAU ONDERZOEK Als eerste wordt het bureau onderzoek uitgevoerd. Hieruit volgt een lijst met soorten die in de omgeving aanwezig zijn of voor kunnen komen. Deze lijst is opgenomen in tabel 3 bureau- en veldonderzoek. De lijst is samengesteld uit soorten die naar voren komen uit een analyse van het Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en die op basis van het veldonderzoek zijn aangetroffen. Er wordt gekozen voor een tijdreeks van vijf jaar. In dit geval de periode 2019-2024. Voor een periode van vijf jaar is gekozen omdat het voor aangetroffen soorten binnen deze periode aannemelijk is dat deze soorten nog steeds te verwachten zijn in het projectgebied. Alle waarnemingen van soorten waarvan het aannemelijk is dat deze gezien hun gedrag en functionaliteit van de leefomgeving voor betreffende soort aanwezig kunnen zijn binnen het projectgebied worden bekeken en beoordeeld. Ook soorten die op basis van verspreiding niet uit te sluiten zijn worden bekeken en beoordeeld. Het gaat hier om zeer mobiele soorten, die vrij algemeen voorkomen of soorten waarvan vestiging in de nabije toekomst verwacht worden. Het bureau onderzoek is uitgevoerd op 16 augustus 2024. Het bureau onderzoek is uitgevoerd door een deskundig en gediplomeerd ecoloog, dhr. ing. P.J. Sinke.

1.4.3 VELDONDERZOEK Na het bureau onderzoek wordt een veldonderzoek uitgevoerd. Dit veldonderzoek wordt uitgevoerd door een deskundig ecoloog. De ecoloog onderzoekt of er een geschikte biotoop aanwezig is voor beschermde soorten op grond van de Omgevingswet. In dit veldonderzoek wordt de potentie bepaald van aanwezige beschermde soorten. Het is geen onderzoek naar de daadwerkelijke aanwezigheid van soorten. De beoordeling wordt verricht aan de hand van een lijst met alle beschermde soorten en niet alleen soorten die voortkomen uit het bureau onderzoek. In veel gevallen komen er binnen het projectgebied soorten voor die niet uit het bureau onderzoek naar voren komen. De beoordeling van de biotopen wordt uitgevoerd op basis van de kennis van de ecoloog, aangevuld met een literatuurstudie. Daarnaast wordt gezocht naar individuen, sporen of verblijfplaatsen van beschermde soorten. Denk hierbij aan uitwerpselen, pootafdrukken, nesten, braakballen etc. Aangetroffen geschikte biotopen, individuen, sporen en verblijfplaatsen worden in het veld door de ecoloog geregistreerd. Als er in het veld een geschikte biotoop is gevonden van een bepaalde soort, maar niet zeker is of deze soort op de betreffende locatie voorkomt, dan wordt vastgesteld of de soort wel of niet in het projectgebied voor kan komen door te kijken naar de mate waarin een

7

soort op deze locatie is onderzocht, de verspreiding en mogelijke aanwezigheid van obstakels / belemmeringen voor vestiging van de beschermde soort. Het uitsluiten van soorten wordt beargumenteerd in hoofdstuk 3 en bijlage 1. Het veldonderzoek is uitgevoerd op 23 augustus 2024. Het veldonderzoek is uitgevoerd door een deskundig en gediplomeerd ecoloog, dhr. ing. P.J. Sinke. Tijdens het veldonderzoek op 23 augustus 2024 was het droog, bewolkt, circa 20 graden, en stond een harde wind van 5-6 bft. uit het West- Zuidwesten. Het veldonderzoek voor de recent toegevoegde percelen kadastraal bekend onder Oostburg Sectie P, nmmer 642 en 198 is uitgevoerd op 3 juni 2025. Tijdens het veldonderzoek was het droog, bewolkt, circa20 graden en er stond een harde wind van 6 bft. uit het Zuidwesten. De weersomstandigheden tijdens het veldonderzoek zijn niet van invloed op de potentiebepaling. Wel kunnen de weersomstandigheden van invloed zijn op de aangetroffen soorten. De potentiebepaling blijft daardoor leidend.

1.4.4 EFFECTENBEOORDELING Wanneer alle informatie over soorten en gebieden is verzameld wordt getoetst aan de Omgevingswet. Dit wordt gedaan door een effectenbeoordeling op basis van de resultaten uit het bureauonderzoek en het veldonderzoek in combinatie met de kennis van de ecologisch deskundige van de werkzaamheden op mogelijk aanwezige soorten en gebieden in relatie tot de voorgenomen activiteiten / werkzaamheden. Op basis van de resultaten uit deze toetsing worden aanbevelingen gedaan. Hieruit volgt of er wel/geen negatieve effecten verwacht worden en of het treffen van maatregelen/het aanvragen van een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Dit rapport is opgesteld om aan wettelijke vereisten uit de Omgevingswet te voldoen. Er kunnen zich ook situaties voordoen dat ook niet beschermde natuurwaarden waardevol zijn om te behouden. Is dat bij een activiteit of ontwikkeling het geval, dan worden bovenwettelijke maatregelen in de rapportage benoemd. Op deze wijze kunnen ecologische kansen in het projectgebied worden verhoogd.

8

2. PROJECTGEBIED EN WERKZAAMHEDEN In dit hoofdstuk wordt het projectgebied beschreven en wat de voorgenomen werkzaamheden binnen het projectgebied zijn.

2.1 HUIDIGE SITUATIE Het projectgebied is in totaal 14,3 hectare groot en bestaat momenteel uit bospercelen met populieren met een struiklaag op een gedeelte van het perceel met soorten als zomereik, amerikaanse eik, zwarte els, meidoorn, es, hazelaar, okkernoot, vlier. De kruidlaag bestaat hoofdzakelijk uit brandnetel en braam en riet met op de lage delen watermunt en koninginnekruid. Aan de randen langs de kreek bestaat de vegetatie uit riet, brandnetel en wilgenroosje. Op de wat hogere delen veelal braam smeerwortel brandnetel en her en der fluitenkruid. De huidige beheertypen zijn Dynamisch moeras van 0,8 hectare (N05.04) en Haagbeuken- Essenbos van 13,5 hectare (N14.03). Aan de zuidzijde van het bos ligt een strook ingezaaid grasland van 2,78 hectare. Ten oosten van het bos ligt een perceel ruigte van 1,36 hectare met opschot van boswilg en soorten als koninginnekruid, riet, rietorchis, smeerwortel, valse voszegge en lisdodde. Aan de randen van de kreek staan een rij wilgen en daarnaast is er nog een poel aanwezig. Het projectgebied omvat de volgende percelen kadastraal bekend onder gemeente Aardenburg sectie P, nummers: 198, 211, 645, 212, 644, 642, 641 en 646. In onderstaande kaarten is een overzicht van het projectgebied toegevoegd en een kaart met kadastrale vlakken en nummers.

Figuur 1: Projectgebied quickscan de Munte Oostburg

9

Figuur 2 : Overzicht kadastrale percelen projectgebied de Munte Oostburg

Foto 1: Overzicht huidige situatie

In bijlage 5 zijn aanvullende foto’s opgenomen van de projectlocatie. Deze foto’s zijn genomen tijdens uitvoering van het veldonderzoek en geven een nadere een impressie van de onderzoekslocatie.

10

2.2 TOEKOMSTIGE SITUATIE De voedselarme, kalkrijke zandbodem in het gebied biedt kansen voor de ontwikkeling van natuurtypen die onder invloed staan van het grondwater. Op de hogere delen kan dit worden afgewisseld met de ontwikkeling van opgaand bos met een gevarieerde struweel en zoombegroeiing. Een dergelijke ontwikkeling resulteert ook in een landschappelijk herkenbare verdeling van open, vochtig terrein ter plaatse van de oude geul en beplanting langs de hoger gelegen randen. Deze natuurdoelen zijn als ambitietype opgenomen in het Natuurbeheerplan. De ambitie is om 11,6 hectare Vochtige duinvallei (N08.03) te realiseren en 0,9 hectare Kruiden- en faunarijk grasland (N12.02). Het perceel ruigte van 1,4 hectare ten oosten van het bosgebied wordt wel toegevoegd aan het natuurgebied, maar hier vinden geen ingrepen plaats, anders dan maaibeheer van de vochtige Ruigte. Definitieve inrichting is nog niet bekend. Uitsluitend onderstaande schets is momenteel beschikbaar. Een deel van de houtopstand blijft behouden.

Figuur 3: schetstekening met overzicht toekomstige situatie

2.3 WERKZAAMHEDEN EN PLANNING Het moment van uitvoering van de voorgenomen activiteiten is nog niet bekend. In het projectgebied is de initiatiefnemer voornemens de volgende activiteiten uit te voeren: 1. 2. 3. 4. 5.

Het deels kappen van populieren met behoudt van de ondergroei van het struweel Het realiseren van natuurbos Het realiseren van beheertype vochtig duinvallei Het realiseren van beheertype kruiden- en faunarijk grasland Het beheren van vochtige ruigte

2.3.1 HET DEELS KAPPEN VAN POPULIEREN MET BEHOUDT VAN DE ONDERGROEI VAN STRUWEEL Om de ambitietypen uit het groenbeheerplan te realiseren is initiatiefnemer voornemens 9.7 ha. populierenbos te kappen. Het kappen van het bos zal plaatsvinden op de lagere delen van het terrein. Op de hoger gelegen delen zal opgaand bos met een gevarieerde struweel en zoombegroeiing worden ontwikkeld. Het uitgangspunt is de onder begroeiing van struweel te behouden. De definitieve inrichting van het projectgebied is nog niet bekend.

11

2.3.2 HET REALISEREN VAN NATUURBOS Op de locaties waar een houtopstand zal worden behouden zal een natuurbos worden gerealiseerd middels aanplant van diverse bos- en struiksoorten van het type haagbeuken-essenbos. De inrichting en specifieke maatregelen die hiervoor nodig zijn en de daarvoor benodigde werkzaamheden zijn nog niet bekend.

2.3.3 HET REALISEREN VAN BEHEERTYPE VOCHTIGE DUINVALLEI Een oppervlakte van circa 8,8 ha. van het projectgebied zal worden ingericht als vochtig duinvallei. Dit zal plaatsvinden door het perceel te ontgraven tot het zand (tot een diepte van circa 30 – 50 centimeter), lokaal kan dieper worden gegraven voor het creëren van zoetwater (circa 100 centimeter). De definitieve inrichting van het projectgebied is nog niet bekend.

2.3.4 HET REALISEREN VAN BEHEERTYPE KRUIDEN - EN FAUNARIJK GRASLAND Op een oppervlakte van circa 0,9 ha. zal kruiden- en faunarijk grasland worden gerealiseerd. Dit zal plaatsvinden door op een gedeelte uitsluitend de bomen te kappen en de grond te egaliseren waarbij de rijke bodem wordt behouden en wordt ingericht als grasland. De definitieve inrichting van het projectgebied is nog niet bekend.

2.3.5. BEHEER VAN VOCHTIGE RUIGTE Het perceel vochtige ruigte ten oosten van het bosperceel zal over een oppervlakte van 1,4 hectare middels aanvullend maaibeheer worden ontwikkeld naar een soortenrijk perceel vochtige ruigte. Er vinden geen aanvullende inrichtingsmaatregelen plaats op deze locatie anders dan een aanvullend maaibeheer om de natuurkwaliteit op dit perceel te optimaliseren.

2.3.6 VERSTORINGSFACTOREN De werkzaamheden veroorzaken op voorhand mogelijk verschillende typen verstoring, ook wel potentiële verstoringsfactoren genoemd. Een overzicht van de potentiële verstoringsfactoren is hieronder weergegeven op basis van de door de opdrachtgever aangeleverde informatie. Op basis van deze informatie is te verwachten dat de storingsfactoren de volgende effecten sorteren op de omgeving. Op basis van de aangeleverde informatie wordt uitgegaan van een redelijkerwijs te verwachten worstcasescenario. Van een worstcasescenario is sprake wanneer alle mogelijke verstoringsfactoren in hoge mate gelijktijdig aanwezig zullen zijn tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Er wordt verwacht dat bij het kappen van het populierenbos en het afgraven van het perceel er sterke trillingen en harde geluiden zullen ontstaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Ook wordt bij de uitvoering van de werkzaamheden verwacht dat er extra verlichting wordt gebruikt ten opzichte van de huidige situatie. In hoofdstuk 3 wordt een effectenbeoordeling gemaakt en wordt bepaald of de relevante potentiële verstoringsfactoren negatieve effecten veroorzaken op beschermde soorten. Hieronder zijn de mogelijke verstoringsfactoren op basis van de effectindicator soorten beschreven: • • • • • • • • • • •

oppervlakteverlies versnippering verontreiniging verdroging verzoeting vermesting verstoring door geluid verstoring door licht verstoring door trilling verstoring door beweging verstoring door mechanische effecten

12

3.0 AANWEZIGHEID EN EFFECTENBEOORDELING In dit hoofdstuk worden de resultaten van de quickscan besproken. Hieronder volgt een beschrijving van de aanwezigheid en de effectenbeoordeling van de activiteit / werkzaamheden op beschermde gebieden. Daarna volgt een beschrijving van de aanwezigheid van soorten per soortgroep. Per soortgroep worden achtereenvolgens de aanwezigheid in/nabij het projectgebied en de verwachtte effecten van de werkzaamheden beschreven.

3.1 BESCHERMDE NATUURGEBIEDEN In Europa is een netwerk van beschermde gebieden aanwezig. Dit zijn de Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn in Nederland gebieden aangewezen onder het Natuurnetwerk Nederland en als bijzondere nationale natuurgebieden en landschappen. Deze gebieden zijn onder de Omgevingswet geschermd. In de volgende paragrafen zijn de afstanden en ligging ten opzichte van het projectgebied in beeld gebracht. De begrenzingen van beschermde gebieden worden geraadpleegd op de webviewer van Provincies en het Rijk. In dit geval de webviewer van de Provincie Zeeland. De effectbeoordeling voor Natura 2000-gebieden wordt verricht door het invullen van de effectenindicator. Door de ecoloog zijn eerst de meest passende activiteiten gekozen waarna wordt beoordeeld of de effecten compleet zijn en of een effect relevant is voor de voorgenomen activiteiten / ontwikkelingen. De informatie over de activiteit / ontwikkeling zijn aangeleverd door de opdrachtgever.

3.1.1 NATURA 2000 GEBIEDEN In tabel 1. zijn de afstanden opgenomen van het projectgebied tot de beschermde Natura 2000- gebieden in de provincie Zeeland. In figuur 3. is de locatie van het projectgebied opgenomen ten opzichte van beschermde Natura 2000- gebieden opgenomen. Beschermde Natura 2000-gebieden

Afstand tot plangebied

Westerschelde & Saeftinghe

9389 meter

Zwin en Kievittepoler

9665 meter

Groote Gat

1265 meter

Vlakte van de Raan

11900 meter

Tabel 1: Afstand tussen projectgebied de Munte te Oostburg en Natura 2000-gebieden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=78390993-70c8-44a5-a317-af2a365545b9