01 Ontwerp BP Buijzenpolderdijk 7 Breskens.pdf
Tekst van het document
1.88 Vuurwerk vuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit. 1.89 Weidegang gedurende een substantieel gedeelte van het jaar, nagenoeg dagelijks buiten laten lopen van dieren, op een substantiële oppervlakte landbouwgrond, waarbij een deel van de voerbehoefte door de dieren buiten verzameld wordt en waarbij meer dan 50% van de betreffende landbouwgrond is begroeid. 1.90 Wgh - inrichtingen bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken. 1.91 Windturbine een bouwwerk ter opwekking van energie door benutting van windkracht, met uitzondering van bemalingsinstallaties ten behoeve van de waterhuishouding.
Adromi B.V.
Pagina 12 van 26
1.92 Zijerf de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.
Artikel 2 Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 Afstand de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn. 2.2 Bouwhoogte van een antenne - installatie a. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne - installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne - installatie; b. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne - installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne - installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne installatie. 2.3 Bouwhoogte van een bouwwerk, geen antenne - installatie zijnde vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4 Breedte, lengte en diepte van een bouwwerk tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.5 Goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot / de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; indien een bouwwerk met betrekking tot deze constructiedelen over verschillende hoogten beschikt, wordt als volgt gemeten: a.
indien zich aan de voorgevelzijde een goot / druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de hoogte aan de voorgevelzijde; b. indien zich – in geval van een lessenaarsdak – aan de voorgevelzijde van het gebouw geen goot / druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de laagste hoogte. 2.6 Inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en / of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.7 Oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en / of het hart van de scheidsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
Adromi B.V.
Pagina 13 van 26
2.8 Hoogte van een windturbine vanaf het peil tot aan de (rotor)as van de windturbine. 2.9 Vloeroppervlakte de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.
Adromi B.V.
Pagina 14 van 26
2 Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen met aan - huis - gebonden beroepen, kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en de opslag van agrarische machines en aanverwante materialen en producten; b. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden': het behoud en herstel van de aanwezige molen en zijn cultuurhistorische en landschappelijke waarden; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – appartementenverhuur': de verhuur van appartementen; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – minicamping': een kampeerterrein - overeenkomstig de Verordening kleinschalig kamperen Sluis - voor ten hoogste 15 seizoensgebonden standplaatsen met bijbehorende voorzieningen voor dienstverlening en beheer; e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – landgoed': het wonen op een landgoed; f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – 1 t / m 4': tevens een economische nevenactiviteit; g. ter plaatse van de aanduiding 'zorginstelling': tevens een zorginstelling; h. ter plaatse van de aanduiding 'zwembad': een zwembad; i. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water. 3.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a.
op deze gronden mogen hoofdgebouwen (woningen) met bijbehorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met dien verstande dat op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - zonder gebouwen' geen gebouwen of overkappingen zijn toegestaan; b. per bestemmingsvlak is ten hoogste één woning toegestaan, tenzij met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' of de aanduiding 'woning uitgesloten' anders is aangegeven; c. op bestemmingsvlakken waar tevens een bouwvlak is aangegeven worden gebouwen en overkappingen binnen bouwvlakken gebouwd; d. op de gronden met de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is geen (bedrijfs)woning toegestaan; e. op de gronden met de aanduiding 'erf' of 'specifieke bouwaanduiding - 3' mogen uitsluitend bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; f. bijgebouwen op de gronden met de aanduiding 'erf' mogen niet worden vergroot; g. per woning is ten hoogste één paardenbak en / of stapmolen toegestaan; h. de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 3 m; i. indien gebouwen op een bouwperceel niet aaneen worden gebouwd, geldt een onderlinge afstand van tenminste 3 m; j. de afstand van gebouwen en overkappingen tot de bestemming Verkeer bedraagt tenminste 40 m bij de volgende wegen; 1.
N253 (Rondweg, Oostburgseweg, Nieuwstraat, Commerswerveweg, Lange Heerenstraat); Adromi B.V.
Pagina 15 van 26
2. N675 (Sterreboschweg, Nieuwvlietseweg, Voorstraat, Provincialeweg, Hoogstraat); 3. N61 (Willemsweg, Middenweg); 4. N251 (Draaibrugseweg, Beekmanstraat, Rijksweg); 5. N674 (Mariastraat, Oostburgsestraat, Oude Haven); 6. Zuidzandseweg; k. de afstand van gebouwen en overkappingen tot de bestemming Verkeer van de overige wegen bedraagt tenminste 20 m; l. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en / of inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste: bouwwerk
goothoogte
bouwhoogte
hoofdgebouwen (inclusief aan-
6 m tenzij anders 10 m
ten hoogste 40% van het
en uitbouwen) /woningzonder
aangegeven
bouwperceel met een maximum
aanduiding
oppervlakte/inhoud
van 1.000 m³
hoofdgebouwen, bijgebouwen en 6 m
12 m
2.500 m³
8m
ten hoogste 40% van het zij- en
overkappingen (inclusief aan- en uitbouwen) op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – landgoed' bijgebouwen en overkappingen
4m
bij de woning op de gronden
achtererf met een maximum
zonder de aanduiding 'specifieke
van 120 m² tenzij anders met de
vorm van wonen – landgoed'
aanduiding 'maximum oppervlakte bijgebouwen' anders is aangegeven
gebouwen en overkappingen op
4m
8m
gebouwen en overkappingen ten 4 m
8m
150 m²
2m
ten hoogste
de gronden met de aanduiding 'zorginstelling'
behoeve van de minicamping paardenbak en / of stapmolen
1.200 m² bouwwerken, geen gebouwen
7m
zijnde, op de gronden met de
300 m 3
aanduiding 'specifieke vorm van wonen -5' erfafscheidingen voor de
1m
voorgevel erfafscheidingen elders
2m
windturbines
15 m; in afwijking van
Adromi B.V.
één per bouwperceel
Pagina 16 van 26
het bepaalde in artikel 2 lid 8 wordt de bouwhoogte van deze windturbines gemeten vanaf het peil tot aan het uiteinde of de tip van de rotor in de hoogste stand overige bouwwerken, geen
3m
gebouwen zijnde
m. op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed' zijn ten hoogste 2 bijgebouwen en /of overkappingen toegestaan met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 120 m2; n. bijgebouwen mogen uitsluitend achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd; o. de goothoogte van woningen mag worden overschreden door dakkapellen, indien: 1. de afstand tot de dakvoet, de nok en de zijkanten van het dakvlak tenminste 0,5 m bedraagt; 2. de bouwhoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, ten hoogste 1,5 m bedraagt; 3. de breedte van dakkapellen aan de voor- of zijkant van de woning ten hoogste 50% van het dakvlak bedraagt; 4. de breedte van dakkapellen aan de achterkant van de woning ten hoogste 70% van het dakvlak bedraagt; p. de goothoogte, de bouwhoogte, het grondoppervlak en de dakhelling van de molen op de gronden met de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' mogen ten hoogste gelijk zijn aan de goothoogte, de bouwhoogte, het grondoppervlak en de dakhelling zoals deze aanwezig zijn op de dag van terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan. q. met dien verstande dat: woningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - cultuurhistorisch waardevolle woning' niet gesloopt, vergroot of verplaatst mogen worden en dat ten behoeve van deze woningen geen nieuwe bijgebouwen gerealiseerd mogen worden; r.
van het bepaalde onder q kan worden afgeweken indien er aangetoond is dat er inpandig onvoldoende ruimte is om hobby-, bergruimtes en garages te realiseren. In dat geval kan een extra bijgebouw in de vorm van een bakkeet of varkenshok worden gerealiseerd waarbij aangesloten dient te worden bij de oorspronkelijke indeling van de Zeeuws-Vlaamse erven.
3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Bouwen grotere bijgebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2 sub l voor het vergroten van de maximaal toelaatbare oppervlakte bijgebouwen ten behoeve van het stallen van (klein)vee of de opslag van materieel ten behoeve van het onderhoud van het aangrenzende perceel tot een gezamenlijk oppervlakte van de bijgebouwen van:
Adromi B.V.
Pagina 17 van 26
a. ten hoogste 200 m², onder de voorwaarde dat de omgevingsvergunning alleen kan worden verleend voor bouwpercelen met een omvang van meer dan 3.500 m²; b. ten hoogste 250 m², onder de voorwaarde dat de omgevingsvergunning alleen kan worden verleend voor bouwpercelen met een omvang van meer dan 1 ha; c. ten hoogste 350 m², onder de voorwaarde dat de omgevingsvergunning alleen kan worden verleend voor de realisatie van dierenverblijven op bouwpercelen met een omvang van meer dan 1 ha; met dien verstande dat: a. het aangrenzende perceel ten dienste moet staan van de bestemming Wonen; b. het bijgebouw binnen het bestemmingsvlak met de bestemming Wonen gerealiseerd dient te worden. 3.3.2 Bouwen tot perceelsgrens Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2 sub h voor de bouw van een aan- of uitbouw of bijgebouw op een kleinere afstand tot of in de zijdelingse perceelsgrens, mits verlening van de omgevingsvergunning niet leidt tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen. 3.3.3 Bouwen nabij de bestemming Verkeer Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2 sub k voor het bouwen van een gebouw of overkapping binnen een afstand van 20 m tot de bestemming Verkeer, met in achtneming van het volgende: a.
verlening van de omgevingsvergunning leidt niet tot een verkeersonveilige situatie; b. verlening van de omgevingsvergunning leidt niet tot aantasting van de verkeersplanologische functie van de weg. 3.3.4 Nieuwbouw NED Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2 voor het vervangend nieuw bouwen van een gebouw ten behoeve van een NED per woning, met inachtneming van het volgende: a. de omgevingsvergunning wordt verleend voor het bouwen van een gebouw ten behoeve van één NED waarbij het vloeroppervlak niet meer bedraagt dan ten hoogste 250 m²; b. de omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien tenminste eenzelfde oppervlak bestaande gebouwen op het betreffende bouwvlak wordt gesloopt; c. nieuwe gebouwen worden binnen het bestemmingsvlak gebouwd; d. de omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien ook toepassing is of wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 3 lid 5.1. 3.3.5 Hogere erfafscheiding Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2 sub l voor erfafscheidingen hoger dan 1 m voor de voorgevel, met in achtneming van het volgende: a. de bouwhoogte van de erfafscheiding mag niet meer dan 2 m bedragen; b. verlening van de omgevingsvergunning leidt niet tot een verkeersonveilige situatie;
Adromi B.V.
Pagina 18 van 26
c. verlening van de omgevingsvergunning niet leidt tot onevenredige aantasting van de gebruiksen ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen; d. medewerking wordt uitsluitend verleend indien de erfafscheiding passend is in het landschap en met beplanting wordt ingekleed. 3.4 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: a. de vloeroppervlakte ten behoeve van aan - huis - gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 25% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning met een maximum van 50 m²; b. het aanbieden van meer dan 3 kamers ten behoeve van logies met ontbijt per woning is niet toegestaan; c. het aanbieden van overnachtingsmogelijkheden is uitsluitend toegestaan indien er op het betreffende perceel gewoond wordt en er sprake is van een planologische samenhang tussen de woning en de logiesfunctie; d. het gebruiken van een deel van de woning, of een aan- of uitbouw van de woning ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is toegestaan; e. de opslag van caravans, boten en inboedels is uitsluitend binnen de bestaande gebouwen toegestaan; f. bij een paardenbak en / of stapmolen is het gebruik van een geluidsinstallatie, of verlichting door middel van lichtmasten die niet zijn voorzien van bovenafdekking, niet toegestaan; g.
ten behoeve van de drie woningen op het perceel Oudelandseweg 2 is uitsluitend één uitrit op de Oudelandseweg toegestaan; h. detailhandel is niet toegestaan; i. de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – 1 t/m 6' mogen voor de volgende economische nevenactiviteiten worden benut, waarbij de vloeroppervlakte ten behoeve van de economische nevenactiviteiten ten hoogste mag bedragen: aanduiding
activiteit
specifieke vorm van wonen workshops
vloeroppervlakte 250 m²
–1 specifieke vorm van wonen verblijfsrecreatie
in bestaand gebouw
–2 specifieke vorm van wonen geluidstudio
50 m²
–3 specifieke vorm van wonen huisverkoop
150 m²
–4
150 m²
workshops
specifieke vorm van wonen toeleverancier aan of afnemer van agrarische –5
350 m2
bedrijven
specifieke vorm van wonen valkenier
275 m2
–6
Adromi B.V.
Pagina 19 van 26
3.5 Afwijken van de gebruiksregels 3.5.1 Nieuwe Economische Dragers (NED's) Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 1 voor een NED, met inachtneming van het volgende: a. de omgevingsvergunning wordt verleend voor: 1. een NED die voorkomt in de positieve lijst Nieuwe Economische Dragers zoals opgenomen in bijlage 1, met dien verstande dat verblijfsrecreatie (groepsaccomodatie, 5 appartementen en 10 hotelkamers) zoals genoemd in bijlage 1 niet is toegestaan, mits; ▪ op het perceel van oudsher meer dan 250 m2 aan bijgebouwen aanwezig is ▪ de ruimtelijke uitstraling en de perceelsgrootte van het perceel vergelijkbaar is met dat van een agrarisch bedrijf; 2. overige bedrijfsactiviteiten, die naar aard en omvang gelijk te stellen zijn met de NED's zoals vermeld in bijlage 1; b. de oppervlakte van een NED bedraagt ten hoogste de in bijlage 1 genoemde omvang; c. tenzij toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 3 lid 3.4, vindt de NED plaats in bestaande gebouwen op het bestemmingsvlak; d. de NED of NED's zijn niet toegestaan in de woning; e. de NED, of alle NED's tezamen op een bestemmingsvlak, wordt of worden uitgeoefend in een kleinschalige omvang, hetgeen blijkt uit: 1. de ruimtelijke uitstraling; 2.
de verkeersaantrekkende werking, waarbij verlening van de omgevingsvergunning niet tot een onevenredige toename leidt van de automobiliteit; 3. de categorie uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten waartoe de activiteit behoort, waarbij geldt dat: ▪ de bedrijfsactiviteit ten hoogste tot categorie 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten behoort; ▪ de bedrijfsactiviteit ten hoogste tot categorie 3 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten behoort, mits is aangetoond dat daardoor geen milieuhinder voor aangrenzende percelen ontstaat; alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vraagt het bevoegd gezag hierover schriftelijk advies van de milieudeskundige; f. de verkeersveiligheid wordt niet negatief beïnvloed; g. op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid; h. opslag van goederen ten behoeve van de NED buiten gebouwen is niet toegestaan; i. nieuwe bouwwerken, geen gebouwen zijnde, lichtmasten en lichtbakken voor reclamedoeleinden daaronder begrepen zijn niet toegestaan; j.
ter plaatse van de uitbreiding wordt voorzien in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een gemiddelde breedte van tenminste 10 m; op basis van een landschapsplan, opgesteld door een gecertificeerde landschapsarchitect of goedgekeurd door de landschaps- en natuurdeskundige, kan volstaan worden met een landschappelijke inpassing waarbij voldaan wordt aan de 'Richtlijn landschappelijke inpassing gemeente Sluis' zoals opgenomen in bijlage 2; k. verlening van de omgevingsvergunning leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
Adromi B.V.
Pagina 20 van 26
l.
de omgevingsvergunning wordt slechts verleend als zorg wordt gedragen voor ruimtelijke kwaliteitswinst in de vorm van landschaps- of natuurontwikkeling of het verbeteren van de inrichting van het erf; m. medewerking wordt slechts verleend indien een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst. n. verlening van de omgevingsvergunning leidt niet tot onevenredige gevolgen voor het waterbeheer; het bevoegd gezag vraagt hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de omgevingsvergunning te verlenen.
Artikel 4 Waterstaat - Waterkering 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waterstaat - Waterkering aangewezen gronden zijn - bij wijze van dubbelbestemming bestemd voor: a. bescherming en veiligstelling van de waterstaatkundige functie van de primaire en regionale waterkering; b. water en bijbehorende voorzieningen voor de waterhuishouding. 4.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op de gronden mogen ten behoeve van de in artikel 4 lid 1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m; c. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Hogere bouwwerken Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 2 sub b ten behoeve van het bouwen van hogere bouwwerken, met inachtneming van het volgende: a.
de omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend ten behoeve van de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. de omgevingsvergunning wordt verleend, indien het belang van de waterstaatskundige functie van de primaire en regionale waterkering door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad; c. alvorens omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder van de waterkering. 4.3.2 Uitbreiding bestaande bebouwing Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 2 sub c ten behoeve van het uitbreiden van bestaande bouwwerken, met inachtneming van het volgende:
Adromi B.V.
Pagina 21 van 26
a. de omgevingsvergunning wordt verleend, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de waterstaatskundige functie van de primaire en regionale waterkering door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad; b. alvorens omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder van de waterkering. 4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waterstaat – Waterkering zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en ophogen; c. het aanleggen van boven- of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.
4.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod Het verbod van artikel 4 lid 4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; b. werken en werkzaamheden die noodzakelijk zijn ten behoeve van de instandhouding van de waterkering; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan; d. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning. 4.4.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 4 lid 4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de waterstaatskundige functie van de primaire en regionale waterkering niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. 4.4.4 Advisering Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 4 lid 4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de beheerder van de waterkering of aan de voorwaarde als bedoeld in lid artikel 4 lid 4.3 wordt voldaan.
Adromi B.V.
Pagina 22 van 26
3 Algemene regels Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen, waarvoor een omgevingsvergunning voor bouwen is vereist, buiten beschouwing.
Artikel 6 Algemene bouwregels 6.1 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van het bestemmingsplan worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt; b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt; c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt. 6.2 Bestaande maten Met betrekking tot bestaande maten gelden de volgende regels: a. de op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; b. de op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als tenminste toelaatbaar worden aangehouden; c. in geval van herbouw is het bepaalde onder a en b slechts van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt; d.
op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken zoals opgenomen in artikel 11 lid 1 niet van toepassing. 6.3 Afstanden van woningen tot wegen Ingeval van herbouw van een (bedrijfs-, dienst-)woning elders op een bestemmingsvlak of bouwvlak mag de afstand van de woning (inclusief aan- en uitbouwen) tot de as van de weg - ter beperking van geluidhinder - niet worden verkleind. 6.4 Zonnepanelen Zonnepanelen buiten het bouwvlak zijn uitsluitend toegestaan aansluitend aan een bouwvlak en zijn uitsluitend toegestaan als ze landschappelijk ingepast worden en blijven met dien verstande dat de maximum oppervlakte ten hoogste 500 m2 bedraagt.
Artikel 7 Algemene gebruiksregels De algemene gebruiksregels luiden als volgt:
Adromi B.V.
Pagina 23 van 26
a. het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de bestemmingsomschrijving en de overige regels. b. het bevoegd gezag wijkt af van het bepaalde onder a, indien strikte toepassing van het verbod leidt tot beperkingen in het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen worden gerechtvaardigd.
Artikel 8 Algemene afwijkingsregels 8.1 Geringe afwijkingen Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken - bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. c. de omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 8.2 Herbouw van gebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6 lid 2 sub c teneinde herbouw van gebouwen op een andere locatie toe te staan, met in achtneming van het volgende: a. b. c. d. e.
herbouw dient op hetzelfde perceel plaats te vinden; herbouw dient binnen een bouwvlak plaats te vinden; er dient sprake te zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse; de herbouw is stedenbouwkundig aanvaardbaar; de nieuwe situering van de bebouwing leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende (agrarische) bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving; f. de nieuwe situering van de bebouwing leidt niet tot extra belemmeringen voor de omliggende natuur; g. indien de (bedrijfs)woning op een ander locatie herbouwd wordt mag de geluidsbelasting aan de gevel ten gevolge van weg- en railverkeer de voorkeursgrenswaarde, zoals vastgelegd in de Wet geluidhinder, niet worden overschreden.
Artikel 9 Algemene wijzigingsregels 9.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen Burgemeester en wethouders kunnen de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.
Adromi B.V.
Pagina 24 van 26
Artikel 10 Overige regels De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan.
Adromi B.V.
Pagina 25 van 26
4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht 11.1 Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwen luidt het overgangsrecht als volgt: a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het bestemmingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan; b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%; c. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.2 Overgangsrecht gebruik Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a.
het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregeling van dat plan.
Artikel 12 Slotregel Deze regels worden aangehaald onder de naam Regels van het bestemmingsplan Buijzenpolderdijk 7, Breskens.
Adromi B.V.
Pagina 26 van 26
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 te Breskens
1
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 te Breskens
Datum: 20 april 2020 Opdrachtgever: Uitgevoerd en opgesteld door:
Adviesbureau Wieland Liniestraat 13 4561 ZS Hulst 0612352169 © Niets uit deze rapportage mag gekopieerd worden zonder schriftelijke toestemming van de auteur.
2
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
INHOUD 1
Inleiding ......................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding en doel onderzoek ................................................................................ 4 1.2 Kader ..................................................................................................................... 4 1.3 Afbakening plangebied en werkwijze ..................................................................... 8 1.4 Opzet beoordeling..................................................................................................
9 2 Beschrijving huidige situatie en voorgenomen activiteiten.............................................10 3 Soortenbescherming.....................................................................................................13 3.1 Zoogdieren............................................................................................................13 3.2 Vogels ...................................................................................................................14 3.2.1 Broedvogels ......................................................................................................14 3.2.2 Watervogels ......................................................................................................14 3.3 Reptielen en Amfibieën .........................................................................................15 3.4 Vissen ...................................................................................................................15 3.5 Ongewervelden .....................................................................................................16 3.6 Vaatplanten...........................................................................................................16 4 Toetsing Natura 2000 (Vogelrichtlijn / Habitatrichtlijn) en Natuurbeschermingswet en Natuurnetwerk Zeeland
(NNZ)..............................................................................................17 5 Conclusies en aanbevelingen mbt de uitvoering ...........................................................18
Bijlage 1 Kaart Natuurbeheerplan, Natura 2000 Bijlage 2 Informatie Wet natuurbescherming
3
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel onderzoek
De opdrachtgever wil op de locatie Buijzenpolderdijk 7 te Breskens bebouwing afbreken. Voor deze activiteit geldt een onderzoeksplicht in het kader van beschermde natuurwaarden. Deze rapportage bevat de resultaten van een voorstudie van beschikbare kennis op het gebied van beschermde natuurwaarden. Op basis van de gevonden resultaten kan op voorhand bepaald worden of significante effecten op de huidige (beschermde) natuurwaarden al dan niet uit te sluiten zijn en wat eventueel nog nader onderzocht dient te worden. In deze quickscan worden dan ook de volgende vragen, voor zover mogelijk, beantwoord: • • • • •
1.2
Tot welke (mogelijke) effecten leidt het vervangen van de riolering op beschermde natuurwaarden? Wat is de reikwijdte van de mogelijke effecten? Hoe beïnvloeden de effecten de jaarrond beschermde soorten en de kwalificerende natuurwaarden, gelet op de instandhoudingsdoelen? Zijn mogelijke negatieve effecten significant? Al of niet in combinatie met andere projecten in de omgeving? Op welke wijze kunnen negatieve effecten voorkomen of gemitigeerd worden?
Kader
Soortbescherming De soortbescherming is per 01/01/2017 ook opgenomen in de Wet natuurbescherming. Deze wet omvat ook de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000-gebieden. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking. Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied. Conform deze wet is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Vanuit deze kennis dienen plannen e projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Onder de werking van de soortbescherming vallen circa 930 dier- en plantensoorten. Alle inheemse zoogdieren, vogels, amfibieën, en reptielen zijn beschermd. Tevens hebben een aantal planten, vissen, insecten en ongewervelden een beschermde status. Voor de in het wild voorkomende planten en dieren geldt bovendien de algemene zorgplicht (art. 1.11). Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantensoorten niet worden gedood, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting- of vaste rust of verblijfplaatsen mogen niet opzettelijk worden beschadigd of vernield.
Habitatrichtlijnsoorten mogen tevens niet opzettelijk worden verstoord. Beschermde planten mogen niet opzettelijk
4
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wnb) staan vernoemd in onderstaand kader. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wnb)
Bron: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, Ministerie van Economische Zaken
5
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
De werkingssfeer van de Wet natuurbescherming is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft de beschermde soorten overal in Nederland bescherming. In o.a. artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wet natuurbeschermingswet worden de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden weergegeven. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing- of vrijstelling (zoals werken met een goedgekeurde gedragscode) hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen in het plangebied. Beschermde soorten – met (Provinciale) vrijstelling: Voor deze soorten geldt een vrijstelling van een of meerdere verbodsbepalingen (zoals bijvoorbeeld het vangen van dieren en/of het vernielen van vaste verblijfsplaatsen. Voor deze soorten is derhalve in veel gevallen geen ontheffing nodig. Wel geldt ten aanzien van deze soorten de zorgplicht, die eveneens van de Wet natuurbescherming uitgaat. Soorten die vallen onder de vrijstelling betreft over het algemeen (en dus per Provincie verschillend) onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals algemene muizen- en spitsmuizen, de woelrat, de egel, konijn, ree en vos, algemene amfibiesoorten, waaronder de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.
Overige ‘nationaal beschermde’ soorten: Voor deze soorten geldt voor ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer een mogelijkheid voor ontheffing, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Voor deze soorten is derhalve een ontheffing nodig of kan gewerkt worden met een goedgekeurde gedragscode. Soorten die vallen onder dit nationale beschermingsregime vallen betreft onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals das, boommarter, algemene amfibieën en reptielen alpenwatersalamander, hazelworm, flora als schubvaren en bokkenorchis en vissoorten waaronder de grote modderkruiper. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Habitatrichtlijnsoorten: Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode.
Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Tot dit beschermingsregime horen o.a. alle vleermuissoorten, de bever, otter, noordse woelmuis, verschillende amfibiesoorten waaronder rugstreeppad en kamsalamander.
6
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
Vogelrichtlijnsoorten: Alle vogels zijn in Nederland gelijk beschermd. Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling ook geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Zorgplicht Voor alle in het wild voorkomende plant- en diersoorten, dus ook voor onbeschermde en beschermde soorten die zijn vrijgesteld geldt wel de ook ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan beschermde gebieden en in het wild voorkomend plant en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allen gelijk.
Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en diersoorten als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een locatie in die periode bouwrijp wordt gemaakt, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar probleemloos worden gewerkt. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren of amfibieën die in winterslaap gaan. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen genomen te worden om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen of terreindelen af te zetten en het werk ter plaatse stil te leggen). Ecologische begeleiding kan hierin voorzien. Gebiedenbescherming Natura 2000 De Europese Vogelrichtlijn (1979) regelt de bescherming van leefgebieden van Europees bedreigde en kwetsbare vogelsoorten. Met de Europese Habitatrichtlijn (1992) worden Europese (half-) natuurlijke habitats en bedreigde en kwetsbare dier- (andere dan vogels) en plantensoorten beschermd.
De Natura 2000-gebieden zijn de gebieden die zijn aangewezen als speciale beschermingszones (SBZ’s) in het kader van de EU Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Deze gebieden samen vormen het omvangrijke Europese netwerk Natura 2000. Het hoofddoel van Natura 2000 is het stoppen van de achteruitgang en de waarborging van de biodiversiteit in Europa. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Wet natuurbescherming (Wnb) overgenomen. Vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn belangrijke bepalingen overgenomen. Eén van die bepalingen is het afwegingskader, incl. compenserende maatregelen, zoals dat in artikel 6 van de Habitatrichtlijn staat. Het afwegingskader geeft aan op welke wijze besluitvorming plaats moet vinden voor plannen en projecten met mogelijke gevolgen voor beschermde natuurgebieden.
7
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
Binnen Nederland zijn er, in de periode 1986-2005, 79 belangrijke vogelgebieden als speciale beschermingszone (SBZ) van de Vogelrichtlijn aangewezen. In het kader van de Habitatrichtlijn zijn in 2003 141 gebieden aangemeld bij de Europese Commissie. Ongeveer 87% van het oppervlak van deze Habitatrichtlijngebieden heeft overlap met de gebieden die als Vogelrichtlijngebied zijn aangewezen. In Aanwijzingsbesluiten wordt door de minister van EZ de bescherming van de Natura 2000-gebieden juridisch vastgelegd. Centraal in de Aanwijzingsbesluiten staan de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van leefgebieden, natuurlijke habitats en populaties van in het wild levende plant- en diersoorten, waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Het toetsingskader van de Wet natuurbescherming kent de volgende procedurevarianten: 1. Er is zeker geen kans op effecten: geen vergunningplicht; 2. Er een kans op effecten, maar zeker niet significant: vergunningaanvraag via een verstoringstoets/ verslechteringstoets; 3. Er is een kans op significante effecten: vergunningaanvraag via Passende Beoordeling (alternatieventoets + dwingende redenen van groot openbaar belang). Het referentiekader voor de toetsing wordt gevormd door de instandhoudingsdoelen voor de habitats en soorten waarvoor het Natura 2000gebied is aangewezen.
Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Zeeland, vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Zeeuwse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het maakt onderdeel uit van het Nederlandse netwerk. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het Natuurnetwerk Nederland moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen.
1.3
Afbakening plangebied en werkwijze
Het plangebied is weergegeven in figuur 1. Het plangebied is het gebied waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden (rood aangegeven).
8
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
Figuur 1. Plangebied.
Het terrein is bezocht op: 22 april 2020. Daarnaast zijn lokale verspreidingsatlassen geraadpleegd, zijn gegevens opgevraagd en zijn openbare websites geraadpleegd.
1.4
Opzet beoordeling
De opzet van deze beoordeling is als volgt. In hoofdstuk 2 is een korte beschrijving gegeven van het studiegebied, het plangebied en de voorgenomen activiteit. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van de te verwachten en de aangetroffen natuurwaarden in het gebied. Deze gegevens zijn vervolgens geïnterpreteerd en beoordeeld in relatie tot de voorgenomen activiteit.
9
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
2 Beschrijving huidige situatie en voorgenomen activiteiten In dit hoofdstuk wordt een korte beschrijving gegeven van de huidige situatie. Het plangebied waar deze quickscan op van toepassing is, is weergegeven in figuur 1. Het plangebied is gelegen ten oosten van Breskens. Het betreft een woonhuis. Achter het huis een rijbak voor paarden. De omgeving bestaat uit landbouwgronden (fruitteelt en akkerbouw) en dijken. De geplande werkzaamheden bestaan uit het slopen van bebouwing. Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied en de omgeving.
10
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
Foto 1. Plangebied voorzijde.
Foto 2. Plangebied zijkant huis.
11
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
Foto 3. Plangebied, achterzijde.
12
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
3
Soortenbescherming
Hieronder worden soorten vernoemd die in en nabij het plangebied voorkomen. Vervolgens wordt uitgewerkt of er eventueel nadelige effecten te verwachten zijn.
3.1
Zoogdieren
Huisspitsmuis, Bosmuis, Konijn, Haas, Bosspitsmuis, Veldmuis, Rosse woelmuis, Egel, Vos, Haas, Bunzing. Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Watervleermuis, Laatvlieger, Hermelijn, Wezel. Voorkomen / functie van het plangebied: Bron: Bekker 2009, Zoogdieren in Zeeland en veldbezoek Grondgebonden soorten komen sporadisch voor in het plangebied. De te slopen bebouwing heeft geen waarde voor deze soorten. Vleermuizen komen voor in het plangebied. De te slopen bebouwing is niet geschikt voor soorten die in bebouwing een dagverblijf hebben. Er zijn geen dakpannen, geen kierende boeiboorden/gevelbeplating en geen open stootvoegen. Uit te voeren maatregelen: Slopen bebouwing. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing. Gunstige staat van instandhouding / effect op populatieniveau (lokaal): Werkzaamheden hebben geen effect op de gunstige staat van instandhouding. Mitigerende maatregelen / Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: Er zin geen nadelige effecten te verwachten op zoogdieren. Het gebouw is ongeschikt voor zoogdieren.
13
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
3.2
Vogels
3.2.1 Broedvogels De volgende broedvogels zijn in de omgeving van het plangebied vastgesteld: Houtduif, Holenduif, Zwarte kraai, Kauw, Winterkoning, Heggenmus, Putter, Groenling, Vink, Merel, Zanglijster, Zwarte roodstaart, Boerenzwaluw, Huiszwaluw, Koolmees, Pimpelmees, Staartmees, Grasmus, Kerkuil, Ransuil, Steenuil, Fazant, Kievit, Scholekster, Veldleeuwerik, Graspieper, Gele Kwikstaart, Wilde eend, Patrijs, Roodborsttapuit, Bergeend, Turkse Tortel, Witte kwikstaart, Torenvalk, Huismus. Vetgedrukt zijn soorten waarvan het leefgebied jaarrond beschermd is. Voorkomen / functie van het plangebied: Vogelatlas van Nederland, NDFF. De genoemde soorten komen voor in de directe omgeving. De bebouwing is niet geschikt als broedlocatie.
Uit te voeren maatregelen: Slopen bebouwing. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing. Gunstige staat van instandhouding / effect op populatieniveau (lokaal): Is niet in geding. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: .Het gebouw is niet geschikt als broedlocatie.
3.2.2 Watervogels Watervogels die in de omgeving van plangebied voorkomen zijn: Blauwe reiger, Wilde eend, Kolgans, Grauwe gans, Grote Zilverreiger.
Trekvogels en watervogels Voorkomen / functie van het plangebied: (Ministerie van Verkeer en Waterstaat e.a., Deltavogelatlas, atlas van vogelconcentraties en vliegbewegingen in het Deltagebied, digitale versie 14-04-2020; SOVON Vogelonderzoek Nederland & Ganzenwerkgroep Zeeland.2018; In het plangebied zelf komen geen watervogels voor. Vanwege de ligging op een erf met bebouwing is het geen geschikt biotoop. Verder gelegen > 100 meter van het plangebied komen foerageergebieden van ganzen voor. Uit te voeren maatregelen: Slopen bebouwing. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet te verwachten.
14
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
Gunstige staat van instandhouding / effect op populatieniveau (lokaal): Is niet in het geding. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: Geen nadelig effect te verwachten.
3.3
Reptielen en Amfibieën
Bruine kikker, Gewone pad, Groene kikker, Kleine watersalamander.
Voorkomen en functie van het plangebied: Bron: website www.ravon.nl De genoemde soorten komen voor in waterpartijen in de omgeving van het plangebied. In het plangebied zelf zijn geen voortplantingswateren aanwezig. Uit te voeren maatregelen: Slopen bebouwing. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing. Gunstige staat van instandhouding / effect op populatieniveau (lokaal): Niet in het geding. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: geen nadelige effecten te verwachten.
3.4
Vissen
In het plangebied komen geen vissen voor. Voorkomen en functie van het plangebied: (Website Ravon versie 18 april 2020). Er is geen water in het plangebied. Uit te voeren maatregelen: Slopen bebouwing, bouwrijp maken van het terrein, bouwen van een woning. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing. Gunstige staat van instandhouding / effect op populatieniveau (lokaal): Niet in het geding. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie:
15
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
Geen negatieve effecten te verwachten.
3.5
Ongewervelden
Voorkomen en functie van het plangebied: Vlinder- en Libellenwerkgroep 2003; Geene et. al. 2007; Wagenaar 2007. NDDF. www.verspreidingsatlas.nl In het plangebied komen geen dagvlinders, nachtvlinders, libellen, sprinkhanen en overige ongewervelde voor die beschermd worden door de Wet natuurbescherming. Uit te voeren maatregelen: Slopen bebouwing, bouwrijp maken van het terrein, bouwen van een woning. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing Gunstige staat van instandhouding / effect op populatieniveau (lokaal): Niet van toepassing. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: Geen negatieve effecten te verwachten.
3.6
Vaatplanten
In het plangebied komen geen beschermde soorten voor. Voorkomen en functie van het plangebied: In het plangebied komen geen beschermde soorten voor. Bron veldbezoek en Flora Zeelandica. Uit te voeren maatregelen: Slopen bebouwing, bouwrijp maken van het terrein, bouwen van een woning. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing. Gunstige staat van instandhouding / effect op populatieniveau (lokaal): Niet in het geding. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: Er komen geen beschermde soorten voor in het plangebied.
16
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
4 Toetsing Natura 2000 (Vogelrichtlijn / Habitatrichtlijn) en Natuurbeschermingswet en Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) Natura 2000 Het plangebied ligt in niet in een Natura 2000 gebied, zie bijlage 1. Het dichtst nabij gelegen Nature 2000 gebied is het gebied Westerschelde & Saeftinghe. Dit is op circa 2 kilometer afstand. De geplande ingrepen zijn relatief kleinschalig en hebben hierdoor weinig effect op het genoemde Natura 2000 gebied. Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) Het plangebied is niet begrensd in het kader van de Natuurnetwerk Zeeland (NNZ, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)), zie bijlage 1. De dichtstbijzijnde gebieden zijn de Buijzenpolderdijk, Baarzandsekreek en Nieuwlandsekreek. De Buijzenpolderdijk is aangemerkt als faunadijk. De Baarzandsekreek en de Nieuwlandsekreek zijn aangemerkt als moeras. De geplande ingrepen zijn relatief kleinschalig en hebben hierdoor weinig effecten op de genoemde natuurgebieden. Wet bescherming houtopstanden Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom. Er wordt geen beplanting gekapt, de Wet bescherming houtopstanden is niet van toepassing. Conclusie: Werkzaamheden worden niet uitgevoerd in een Natura 2000 gebied en een gebied dat is begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland. Er is geen negatief effect te verwachten. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten op gebieden die zijn aangewezen in het kader van het NNZ.
17
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
5
Conclusies en aanbevelingen mbt de uitvoering
Voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden dient geen rekening gehouden te worden met beschermde natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming. Het plangebied bestaat uit bebouwing. Het is de intentie de bebouwing te slopen. In de te slopen bebouwing zijn geen broedvogels te verwachten. Er zijn geen toegangen tot het gebouw. Vleermuizen komen voor in het plangebied. Het te slopen gebouw is niet geschikt als dagverblijf voor vleermuizen. Er zijn geen toegangen tot spouwmuren. Er zijn geen dakpannen. Er zijn geen boeiboorden of gevelbeplating. Voor andere soortgroepen is het plangebied ongeschikt leefgebied, of ze komen niet voor in de omgeving van het plangebied.
Gebiedsbescherming De reikwijdte van de tijdelijke verstoring blijft beperkt tot enkele tientallen meters van de het plangebied. De werkzaamheden vinden plaats op een kleine oppervlakte en hebben een kort tijdsbeslag. Na afloop van de werkzaamheden is er geen effect. Er is een zeer beperkte tijdelijke extra stikstofdepositie omdat de werkzaamheden relatief kleinschalig zijn en binnen een kort tijdsbestek uitgevoerd worden. Grondlagen en (grond)waterstromingen worden niet verstoord. Er is dus geen significante verstoring op beschermde natuurwaarden.
18
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
Bijlage 1 Natuurnetwerk Zeeland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur).
19
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
Natura 2000.(rode pijl is plangebied).
20
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
Bijlage 2 Informatie Wet natuurbescherming Zeeland
21
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
22
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
23
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
24
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
Beschermde soorten provincie Zeeland Hieronder worden beschermde soorten en voor bepaalde activiteiten vrijgestelde soorten weergegeven. voor de provincie Zeeland. Deze pagina is opgesteld middels het besluit van Provinciale Staten van Zeeland inzake de Verordening Wet natuurbescherming Zeeland 2017. Let op, van alle broedvogels (met uitzondering van exoten) is het nest (eieren en jongen) beschermd.
Beschermingsregime andere soorten Onder dit beschermingsregime vallen de nationaal beschermde soorten als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Soortgroep
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Bescherming
Amfibiëen
alpenwatersalamander
Mesotriton alpestris
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Amfibiëen
vinpootsalamander
Lissotriton helveticus
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Amfibiëen
vuursalamander
Salamandra salamandra
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
aardbeivlinder
Pyrgus malvae
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
bosparelmoervlinder
Melitaea athalia
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
bruin dikkopje
Erynnis tages
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
bruine eikenpage
Satyrium ilicis
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
duinparelmoervlinder
Argynnis niobe
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
gentiaanblauwtje
Maculinea alcon
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
grote parelmoervlinder
Argynnis aglaja
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
grote vos
Nymphalis polychloros
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
grote weerschijnvlinder
Apatura iris)
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
iepenpage
Satyrium w-album
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
kleine heivlinder
Hipparchia statilinus
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
kleine ijsvogelvlinder
Limenitis camilla
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
kommavlinder
Hesperia comma
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
sleedoornpage
Thecla betulae
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
spiegeldikkopje
Heteropterus morpheus
Andere soorten (bijlage A van de wet)
25
Quickscan natuurwetgeving project Buijzenpolderdijk 7 Breskens
Insectendagvlinders
veenbesblauwtje
Plebejus optilete
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
veenbesparelmoervlinder
Boloria aquilonaris
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
veenhooibeestje
Coenonympha tullia
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
veldparelmoervlinder
Melitaea cinxia
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insectendagvlinders
zilveren maan
Boloria selene
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insecten-kevers
vliegend hert
Lucanus cervus
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insecten-libellen
beekrombout
Gomphus vulgatissimus
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insecten-libellen
bosbeekjuffer
Calopteryx virgo
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insecten-libellen
donkere waterjuffer
Coenagrion armatum
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insecten-libellen
gevlekte glanslibel
Somatochlora flavomaculata
Andere soorten (bijlage A van de wet)
Insecten-libellen
gewone bronlibel
Cordulegaster boltonii
Andere soorten (bijlage A van de wet)