CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

01(camping Zonneweelde vaststelling) - ontwerp bp.pdf

Commissie Ruimte/AB 9 maart 2021, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan 'Camping Zonneweelde'18.326 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 4.3: Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: geoweb provincie Zeeland)

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

36

Figuur 4.4: Uitsnede Natura 2000 inclusie stikstofgevoelige gebieden.

Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de geringe ontwikkeling kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het Natura 2000‐gebied Westerschelde & Saeftinghe is wel gevoelig voor stikstofdepositie. Op het punt van vermesting/verzuring door stikstofdepositie zou als gevolg van de toename van het verkeer sprake kunnen zijn van een externe werking. Ter plaatse van de stikstofgevoelige habitattypen bij Nieuwvliet‐Bad is de achtergronddepositie echter dermate laag (> 70 mol N/ha/jr. verschil ten opzichte van de kritische depositiewaarden van de habitattypen) dat geen sprake is van een overbelaste situatie. De zeer beperkte toename van het verkeer leidt niet tot overschrijding van de kritische depositiewaarden van de habitattypen. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. De Wet Natuurbescherming en het beleid van de provincie Zeeland staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. Soortenbescherming De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's van het plangebied (google earth), algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere Ravon, www.verspreidingsatlas.nl en www.waarneming.nl).

De beoogde werkzaamheden bestaan uit:  ruimere opzet van de camping,  sloop van receptie en bedrijfswoning  realisatie nieuwe bedrijfswoning en receptie. Vaatplanten Vanwege het intensieve gebruik van het uitbreidingsgebied als agrarische grond zijn hier geen beschermde plantensoorten aanwezig. Vogels Ter plaatse van het uitbreidingsgebied kunnen akkervogels aanwezig zijn als fazant, roofvogels als buizerd kunnen gebruik maken van het gebied als jachtterrein. In de omgeving van het plangebied is

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

37

voldoende alternatief en soortgelijk gebied aanwezig. In de omgeving kunnen algemene broedvogels aanwezig zijn. Op basis van informatie van de campingbeheerder blijkt dat er geen huismussen aanwezig zijn in de daken van de te slopen bebouwing.

Figuur 4.5 Te slopen bebouwing Zoogdieren Het plangebied biedt geschikt leefgebied aan algemeen voorkomende, licht beschermde soorten als bunzing, egel, veldmuis, bosmuis en haas. Er is geen opgaand groen of bebouwing aanwezig in het uitbreidingsgebied. Gezien de openheid van het gebied kan worden gesteld dat het gebied niet van essentiële betekenis is voor vleermuizen. De te slopen bebouwing biedt geen geschikte gaten/kieren om te verblijven voor vleermuizen Amfibieën Algemene amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker, kleine watersalamander en gewone pad zullen zeker gebruik zullen maken van het plangebied als schuilplaats in struiken, onder stenen en als voortplantingsplaats in de waterpartijen. Gezien de aanwezige biotopen komen hier geen zwaarder beschermde soorten voor. Overige soorten Er zijn, gezien de aanwezige biotopen, geen beschermde vissen, reptielen en/of bijzondere insecten of overige soorten te verwachten op de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan. In tabel 4.2 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) aanwezig zijn en onder welk beschermingsregime deze vallen.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

38

Tabel 4.2: Naar verwachting aanwezige beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime (niet limitatief) Wet Natuurbescherming Nader onderzoek nodig bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting Vogelrichtlijn alle inheemse soorten: o.a. fazant nee

Habitatrichtlijn bijlage IV Overige soorten Algemeen

jaarrond beschermde soorten; buizerd en huismus

nee

vleermuizen

nee

‐

nee

Vrijstellingsregeling bunzing, egel, veldmuis, bosmuis en nee provincie Zeeland haas

Het bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding de camping. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.  Er is geen ontheffing nodig voor de benoemde overige soorten omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Wnb in provincie Zeeland. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.  Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Wnb wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 augustus (bron: website vogelbescherming). Gezien de bovenstaande conclusies staan de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie, met inachtneming van de voorgestelde maatregelen, de uitvoering van het plan niet in de weg.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie Beleidskader In aansluiting op het Verdrag van Valletta (Malta, 1992) en het provinciaal archeologiebeleid moet in bestemmingsplannen rekening worden gehouden met archeologische waarden in planvormingsprocessen. Concreet betekent dit dat de bescherming van het archeologisch erfgoed vastgelegd dient te worden en dat bij ruimtelijke afwegingen rekening gehouden moet worden met eventueel aanwezige archeologische waarden.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

39

Onderzoek Volgens de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Sluis ligt de gehele onderzoekslocatie in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde (categorie 6) voor archeologische resten in het Laagpakket van Walcheren. Voor deze categorie geldt een onderzoeksplicht voor alle werkzaamheden die de maximale vrijstellingsgrens van 2.500 vierkante meter overschrijden én dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld. Binnen het plangebied zullen nieuwe bebouwing, parkeerplaatsen en een weg gerealiseerd worden. De genoemde vrijstellingsgrenzen zullen hierdoor naar verwachting niet worden overschreden. In het kader van de ruimtelijke procedure is geen Archeologisch Bureauonderzoek of een Inventariserend Veldonderzoek nodig. Cultuurhistorie Beleidskader Op rijksniveau zijn de Monumentenwet 1988 en de Wet Modernisering Monumentenzorg (MoMo) van belang. De Monumentwet 1988 bepaalt onder andere dat monumenten niet beschadigd of vernield mogen worden. Daarnaast kent de wet een vergunningenstelsel voor het afbreken, verstoren, verplaatsen of wijzigen van monumenten. In het Omgevingsplan 2012‐2018 stelt de provincie als doel om waardevolle landschappen en cultuurhistorisch erfgoed in Zeeland te beschermen en ontwikkelen en (in)directe economische baten die daaruit voortvloeien te vergroten. De provincie zet hierbij in op restauratie en herbestemming van monumenten.

In de Nota Provinciaal Cultuurbeleid 2013‐2015 stelt de provincie dat zij de instandhouding van agrarisch erfgoed wil betrekken bij gebiedsgerichte ontwikkelingslocaties. Binnen het omgevingsbeleid wordt ruimte geboden voor niet‐agrarische en semi‐agrarische activiteiten in het landelijk gebied (nieuwe economische dragers). Een activiteit dient binnen dat kader een bijdrage te leveren aan de herbestemming of sanering van vrijkomende (agrarische) bebouwing en het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. In de Monumentennota stelt de gemeente Sluis dat zij de aanwezige cultuurhistorische waarden erkent, het herstel en behoud ervan bevordert en het beheer stimuleert. Onderzoek Volgens de cultuurhistorische hoofdstructuurkaart van de provincie Zeeland zijn op de gronden van Camping Zonneweelde geen monumenten aanwezig. Zowel stedenbouwkundig als landschappelijk zijn op of in de directe omgeving van het plangebied geen te behouden en te beschermen elementen aanwezig. Conclusie Het aspecten archeologie en cultuurhistorie staan de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.4

Relatie met omliggende functies

Beleid en toetsingskader Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat:  een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de (recreatie)woningen;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de bedrijven/inrichtingen. Om voor deze ontwikkeling de belangenafweging tussen een goed woon‐ en leefklimaat en de bedrijfsvoering goed mee te nemen wordt voor dit plan gebruik gemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

40

activiteiten en bijbehorende richtafstanden die gehanteerd worden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. De richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd. Bouwen binnen de richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder voorkomen wordt. Onderzoek De ontwikkeling betreft zowel een milieuhinderlijke als deels ook een milieugevoelige functie. De huidige bedrijfswoning wordt verplaatst naar de rand van de camping zodat deze minder hinder ondervind van de aanwezige recreatieve voorzieningen. Deze recreatieve centrumvoorzieningen worden opnieuw ingericht. Ten gevolge van omliggende activiteiten kan de ontwikkeling hinder ondervinden. Ten opzichte van omliggende woningen van derden kan de ontwikkeling hinder veroorzaken. Om deze reden worden beide vormen getoetst. Conform de VNG‐publicatie beschikken de activiteiten met betrekking tot de kampeerplaatsen en de groepsaccommodaties over milieucategorie 3.1.

De bijbehorende richtafstand bedraagt maximaal 50 meter ten opzichte van woningen in een rustige woonwijk en/of rustig buitengebied. Het maatgevende aspect hierbij betreft het aspect geluid, voor de aspecten geur en gevaar geldt een richtafstand van 30 meter en het aspect stof is niet van toepassing. De activiteiten met betrekking tot het restaurant en winkel zijn geschaald in milieucategorie 1 met een bijbehorende richtafstand van 10 meter ten opzichte van woningen in een rustige woonwijk en/of rustig buitengebied. De maatgevende aspecten zijn geur, geluid en gevaar. Het aspect stof is niet van toepassing. De activiteiten met betrekking tot het overdekt zwembad en de sportvelden zijn geschaald in milieucategorie 3.1 met een bijbehorende richtafstand van 50 meter ten opzichte van woningen in een rustige woonwijk en/of rustig buitengebied. De maatgevende aspecten zijn geur en geluid. De dichtstbijzijnde woning is aan de Baanstpoldersedijk 2 te Nieuwvliet, die is gelegen op een afstand van 50 meter van de recreatieve voorzieningen. Daarmee wordt aan de richtafstanden van 10, 30 en 50 meter zoals deze gelden voor dergelijke activiteiten voldaan. Omliggende bedrijfsactiviteiten In de nabije omgeving van de ontwikkeling is een agrarische inrichting aanwezig. Overige bedrijvigheid is op (zeer) grote afstand gelegen. Er wordt voldaan aan de richtafstanden.

Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van uitbreiding en recreatievoorzieningen sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat, de omliggende bedrijvigheid wordt niet in haar bedrijfsvoering beperkt.

4.5

Verkeer en parkeren

Verkeersontsluiting Het plangebied wordt primair ontsloten op de Baanstpoldersedijk, een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom (60 km/u). Zowel de bedrijfswoning als de entree van de camping ontsluit op deze weg. Deze weg leidt in noordelijke richting naar het strand. In zuidelijke richting wordt Nieuwvliet bereikt. Van hieruit wordt ook het hoger gelegen netwerk bereikt via de N675. Deze provinciale weg leidt in oostelijke richting naar onder andere de kern Breskens. In zuidwestelijke richting kunnen de kernen Sluis en Oostburg en de grens met België worden bereikt. De N675 is gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom en kent een maximum snelheid van 80 km/u.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

41

Ten behoeve van het fietsverkeer is parallel aan de Baanstpoldersedijk een vrijliggende fietsvoorziening in twee richtingen aanwezig. Deze fietsvoorziening leidt in noordelijke richting naar verschillende strandopgangen, gelegen aan de Zeedijk/Zeeweg. Ten zuiden van het plangebied sluit de fietsvoorziening langs de Baanstpoldersedijk via de Lampsinsdijk en de Sint Bavodijk aan op de parallelle fietsstructuur langs de N675. Voor zowel het gemotoriseerd verkeer als voor het fietsverkeer is de locatie goed bereikbaar. Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling Het aantal standplaatsen / recreatiewoningen blijft in de toekomstige situatie gelijk met de huidige situatie. Ook het bedrijfsvloeroppervlakte van de voorzieningen op de camping neemt niet toe. De voorzieningen zijn daarnaast bedoeld en alleen toegankelijk voor de campinggasten. In de beoogde ontwikkeling is hierdoor geen sprake van een verkeerstoename. De locatie van de ontsluiting van de camping wordt circa 50 meter in noordelijke richting verplaatst. Hierdoor is het niet meer noodzakelijk om langs de centrale voorzieningen te rijden. Tevens komt er een afzonderlijke afrit voor de bedrijfswoning. Voor deze ontwikkelingen is een watervergunning noodzakelijk. Op grond van mondelinge informatie van het waterschap zal deze vergunning naar verwachting worden verkregen.

Parkeren De gemeentelijke parkeernota ('Beleidsnota parkeernormen', 2012) voorziet enkel in de parkeernormen voor ontwikkelingen binnen de bebouwde kom. Onderhavige ontwikkeling is buitenstedelijk gelegen. Daarom is aansluiting gezocht bij de parkeerkencijfers van het CROW zoals opgenomen in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' afgaande op een ligging in het buitengebied in een niet stedelijke omgeving. De camping voorziet in de nieuwe situatie in een parkeerterrein met 98 parkeerplaatsen nabij de entree in het plangebied. Daarnaast worden 22 laad en los plaatsen voor auto's (of 11 laad en los plaatsen voor auto's met caravan) gerealiseerd nabij de entree. De parkeerplaatsen zijn voornamelijk bedoeld voor gasten van campingbezoekers. Per standplaats zijn volgens het CROW maximaal 1,3 parkeerplaatsen per standplaats benodigd, waarvan 10% voor gasten van bezoekers. Volgens het gemeentelijke beleid zijn er minimaal 1,2 parkeerplaatsen per standplaats nodig. Totaal zijn 292 standplaatsen voornemens, waarvoor de parkeerbehoefte 350 parkeerplaatsen bedraagt. Bezoekers van de camping parkeren de auto voornamelijk bij de standplaats (292 parkeerplaatsen). Voor gasten van bezoekers zijn 58 parkeerplaatsen benodigd. Dit wordt ruim voorzien in het parkeerterrein van 98 parkeerplaatsen.

Conclusie De ontsluiting van het plangebied is goed, zowel voor het gemotoriseerd verkeer als fietsverkeer. Er is geen sprake van een noemenswaardige verkeerstoename. De parkeerbehoefte wordt geheel op eigen terrein opgevangen. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

42

4.6

Bodemkwaliteit

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek De uitbreiding van camping Zonneweelde aan de noordzijde is voor zover bekend altijd in gebruik geweest als landbouwgrond. Van deze locatie zijn geen rapportages bekend. De naastgelegen camping is in het verleden een boerenerf geweest.

In de archieven zijn geen bodembedreigende activiteiten gevonden die te relateren zijn aan het voormalige boerenerf. Ook in het milieudossier van de camping zijn die niet aanwezig. Daarnaast ligt het voormalige bouwblok van het voormalige boerenerf op c.a. 70 meter tot de grens van de voorgenomen uitbreiding en heeft dit geen invloed op de bodemkwaliteit van deze voorgenomen uitbreiding.

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in functiewijzigingen. Gelet op deze functiewijziging moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem geschikt is voor de beoogde functie en moet worden nagegaan of er sprake is van gevallen van ernstige verontreiniging waarvoor saneringsmaatregelen moeten worden getroffen. Vanuit dat oogpunt is voor het plangebied een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. De voorgenomen uitbreiding van 1,1 hectare ligt in de zone "buitengebied en naoorlogse woonwijken (Achtergrondwaarde)" van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Sluis. Op basis van de aanwezige historische informatie zijn er geen redenen om anders te bepalen. Men kan dus uitgaan van de gemiddelde kwaliteit "achtergrondwaarde" (schoon). Als er in de toekomst grondverzet en transport plaatsvindt is het Besluit bodemkwaliteit van kracht. Conclusie Bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect bodem staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.7

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Toetsingskader Langs alle wegen ‐ met uitzondering van 30 km/u‐wegen en woonerven ‐ bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen‐ of buitenstedelijke ligging. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day‐evening‐night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

43

Onderzoek en resultaten In het plangebied wordt een nieuwe bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Woningen zijn binnen de Wet geluidhinder (Wgh) aangemerkt als geluidgevoelige functies, waarvoor akoestisch onderzoek dient te worden verricht indien deze liggen binnen de geluidzone van wettelijke gezoneerde wegen. Verblijfsrecreatie betreft volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geen geluidgevoelige functie. De provincie Zeeland heeft echter binnen het eigen milieubeleid, zoals opgenomen in het 'Omgevingsplan 2012‐2018', verblijfsrecreatie (met uitzondering van kleinschalig kamperen en hotels) gelijk getrokken met de functie wonen, waardoor onderzoek naar de akoestische situatie ook hiervoor noodzakelijk is. De Adornisdijk en de Lampingsdijk/Baanstpoldersedijk zijn erftoegangswegen buiten de bebouwde kom waar een maximum snelheid geldt van 60 km/u. De bedrijfswoning, het kampeerterrein en de recreatiewoningen zijn gelegen binnen de wettelijke geluidzone van deze wegen. De geluidbelasting in het plangebied wordt berekend onder de normen van de Wgh. In de memo in bijlage 5 worden de uitgangspunten en resultaten toegelicht. Berekend is de geluidbelasting in het plangebied vanaf de assen van de wegen. Hierbij wordt de geluidbelasting berekend tot de grenswaarden uit de Wgh zijn bereikt.

De afstanden vanaf de assen van de weg tot de bereikte grenswaarden in het plangebied zijn weergeven in tabel 4.3. Tabel 4.3 Afstanden contouren grenswaarden Wgh Bron Contour voorkeursgrenswaarde Contour maximale (48 dB) ontheffingswaarde (53 dB) Lampingsdijk/Baanstpoldersedijk 22 meter 11 meter Adornisdijk 17 meter 9 meter Conclusie De geluidgevoelige functies zijn momenteel minstens 18 meter vanaf de as van de Adornisdijk gelegen. In de toekomstige situatie zal, mede door de groenvoorzieningen aan de randen van het park, van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ook geen sprake zijn. De geluidgevoelige functies worden in de toekomstige situatie op meer dan 15 meter van de as van de Lampingsdijk/Baanstpoldersedijk mogelijk gemaakt. De maximale ontheffingswaarde wordt hierdoor niet overschreden. De geluidgevoelige functies worden daardoor ten alle tijden in een aanvaardbaar akoestisch klimaat mogelijk gemaakt. Het is akoestisch wenselijk om de geluidgevoelige functies vanaf 22 meter van de as van de Lampingsdijk/Baanstpoldersedijk te realiseren zodat een hogere waarde procedure niet noodzakelijk is. Wanneer niet aan de afstand van de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan, is een hogere waarde noodzakelijk. Geadviseerd wordt in dat geval een hogere waarde van 53 dB (de maximale ontheffingswaarde) te verlenen.

4.8

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

44

Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24‐uurgemiddelde concentratie fijn stof (Pm²,5) jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op een uitbreiding van een camping en leidt niet tot een toename van verkeer. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht.

Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2016 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de N61, ten oosten van het plangebied. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2015; 18.4 µg/m³ voor NO2, 16.2 µg/m³ voor PM10 en 9.1 µg/m³ voor Pm²,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

45

Afbeelding 4.6. Luchtkwaliteit op basis van NSL‐monitoringstool. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Ter plaatse van de ontwikkeling is er tevens sprake van een acceptabel woon‐ en leefklimaat.

4.9

Externe veiligheid

Beleid en toetsingskader Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:  bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

46

Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken.

Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Besluit externe veiligheid buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.

Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Onderzoek Risicovolle inrichtingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig die met hun plaatsgebonden risicocontour, of het invloedsgebied ten gevolge van het groepsrisico over het plangebied liggen. Deze vormen dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen Over de Westerschelde vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats van stofcategorie LF1, LF2, LT1, LT2, GF2, GF3 en GT3. Het maximale invloedsgebied bedraagt 880 meter, behorende bij stofcategorie LT2. Het plangebied is op meer dan 3 kilometer van de vaarroute gelegen en ligt derhalve niet in het invloedsgebied. Gezien de afstand heeft de voornoemde risicobron geen invloed op de externe veiligheidssituatie in het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor, de weg of door buisleidingen.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

47

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.10

Landschappelijke inpassing

Toetsingskader Een verblijfsrecreatieterrein dient landschappelijk goed ingepast te zijn. Als richtlijn geldt een zone rondom het terrein met een breedte van 5 meter. Dit is op de verbeelding vastgelegd door het toekennen van de bestemming Groen. Onderzoek Langs de rand van het terrein komt een groenstrook met een breedte van 5 meter. De beplanting bestaat uit soorten die hier thuishoren, zie bijlage beeldkwaliteitsplan. De waterberging staat los van de landschappelijke inpassing. Conclusie Het aspect landschappelijke inpassing voldoet aan het beleid en vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

4.11

Besluit milieueffectrapportage

In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer‐plichtig (bijlage C en D), projectmer‐plichtig (bijlage C) of mer‐beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onder deze drempelwaarden is een ontwikkeling niet rechtstreeks planmer‐, projectmer of mer‐beoordelingsplichtig. Conclusie Gelet op de kenmerken, de plaats en de kenmerken van de potentiële effecten kan op voorhand worden geconcludeerd dat er geen milieueffectrapportage noodzakelijk is.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

48

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

49

Hoofdstuk 5

Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de handhaving en maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1

Handhaving

Tegen activiteiten, die in strijd zijn met het bestemmingsplan zal het gemeentebestuur, administratiefrechtelijk optreden, op grond van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor een aanvaardbaar handhavingsbeleid wordt in de eerste plaats gestreefd naar een voldoende draagvlak. Een bestemmingsplan met weinig draagvlak houdt immers het risico in dat het slecht wordt nageleefd en is dan weinig zinvol. In verband hiermee is het bestemmingsplan zodanig opgezet dat het voor zoveel mogelijk betrokkenen een duidelijke, toegankelijke en op de hedendaagse behoeften en eisen afgestemde bestemmingsregeling bevat. Verder wordt informatie verstrekt omtrent de inhoud van het bestemmingsplan. Hiermee wordt onder andere beoogd het begrip bij de burger te vergroten. Het geven van voorlichting vormt daarmee ook een belangrijke schakel in de handhavingactiviteiten. Van gemeentewege worden hiertoe de nodige activiteiten ondernomen, waaronder een inspraakbijeenkomst. Daarnaast worden de voorschriften in de praktijk toegepast en gehandhaafd. Ten aanzien van overtredingen zal een actief handhavingsbeleid worden gevoerd. Getracht wordt de controlewerkzaamheden ten aanzien van geconstateerde overtredingen op een intensieve manier uit te voeren. Handhavingactiviteiten worden zoveel mogelijk onderling afgestemd.

Controle in het kader van het bestemmingsplan wordt gekoppeld aan controle in het kader van milieuwetgeving en omgekeerd. Dit is van belang om de benodigde inzet van extra middelen zo beperkt mogelijk te houden, maar ook om tot een samenhangend handhavingsbeleid te komen. Wanneer eenmaal sancties moeten worden getroffen, zal dit op consistente wijze, maar met oog voor de juridische spelregels, worden gedaan. Indien de activiteiten niet kunnen worden gelegaliseerd, zullen de instrumenten van aanschrijving, stillegging bouw, bestuursdwang en dwangsom worden toegepast. De uitvoering van de strafrechtelijke vervolging ligt in handen van het Openbaar Ministerie.

5.2

Financiële uitvoerbaarheid

Naast de planologische haalbaarheid van het project zoals getoetst in voorgaande paragrafen, moet ook de financiële uitvoerbaarheid van het project aangetoond worden. In de Wet ruimtelijke ordening is de grondexploitatiewet opgenomen. Deze afdeling regelt verplicht kostenverhaal door de gemeente. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Van een exploitatieplan kan worden afgeweken door in het kostenverhaal anderszins te voorzien (overeenkomst met alle grondeigenaren in het plangebied of volledig grondeigendom). In een bestemmingsplan is sprake van kostenverhaal (6.2.3. tot en met 6.2.5. Bro) als een bouwplan (6.2.1 Bro) wordt mogelijk gemaakt.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

50

Initiatiefnemer heeft aan de gemeente laten zie dat de beoogde ontwikkeling financieel uitvoerbaar is.

5.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg ex artikel 3.1.1. Bro Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de overleginstanties plegen. In dat kader heeft de gemeente het ontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de volgende instanties:  provincie Zeeland;  Waterschap Scheldestromen. Het bestemmingsplan is conform de reacties van deze instanties aangepast. PM Reacties. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan 'Camping Zonneweelde' heeft van ... tot en met ... digitaal ter inzage gelegen op www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen tegen het plan in te dienen. PM zienswijzen

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

51

Hoofdstuk 6

6.1 

 

Bestemmingsregeling

Inleiding De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) bindende afspraken waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. De SVBP2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie‐ en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de regels en het renvooi. Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan de wettelijke vereisten en is dus raadpleegbaar en uitwisselbaar. Het bestemmingsplan is gepubliceerd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

In dit hoofdstuk wordt als eerste de verschillen tussen het voorgaande bestemmingsplan en voorliggend bestemmingsplan beschreven. Vervolgens worden de bestemmingen toegelicht.

6.2

Toelichting op de inleidende regels

Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begrippen en wijze van meten.

6.3

Gehanteerde bestemmingen

Groen (Artikel 3) De bestemmingsregeling voor 'Groen' is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. Daaraan toegevoegd is een specifieke regeling voor de groenstrook aan de noordzijde van de camping, waar de uitbreiding is voorzien. De hoofdregel van het groen rondom campings is dat de groenstroken zijn bestemd voor landschappelijke inpassing door opgaande beplantingen. Voor de betreffende groenstrook is bepaald dat andere vormen van landschappelijke inpassing zijn toegestaan, voor zover die vormen zijn gebaseerd op de uitgangspunten in de 'Zeeuwse Kustvisie, samen sterk voor de Zeeuwse kust 26‐06‐2017'. Voor welke gebied is Artikel 3 Groen opgenomen? In deze bestemming zijn de groenstroken ten behoeve van de landschappelijke inpassing rondom de verblijfsrecreatieterreinen opgenomen. Wat is de huidige situatie? Rondom bijna alle verblijfsrecreatieterreinen liggen groenstroken met hoog opgaande beplanting ten behoeve van de landschappelijke inpassing. Door deze brede groenstroken wordt het zicht op de recreatieterreinen onttrokken. Hierdoor is het mogelijk om de indeling van het verblijfsrecreatieterrein vrij in te delen zonder eventuele nadelige invloeden op de omgeving.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

52

Wat zijn de uitgangspunten voor de regeling? 1. Daar waar in het voorheen geldende bestemmingsplan een groenstrook was geregeld rondom het recreatieterrein is deze gehandhaafd. 2. Daar waar voor het recreatieterrein nog geen groenstrook was geregeld is daar waar mogelijk voorzien in een groenstrook van 5 meter. Maatwerk is hiervoor het uitgangspunt. Ter bescherming van opgaande beplanting is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden vereist. Tenzij het onderhoud betreft. Welke functies zijn toegestaan? 1. Opgaande beplanting. 2. Op enkele plaatsen langzaamverkeersverbindingen. Wat mag er gebouwd worden en hoeveel? Alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan of overkappingen zijn met een hoogte van ten hoogste 3 meter. Recreatie ‐ Verblijfsrecreatie ‐ Zonneweelde (Artikel 4) Bestemmingsomschrijving Door middel van een aanduiding is aangegeven dat het gaat om een kampeerterrein (kt). In de bestemmingsomschrijving is verder opgenomen welke voorzieningen zijn toegestaan. Bouwregels De bouwregels zijn onderverdeeld in de bouwwerken die zijn toegelaten en de maten, aantallen, afstanden die de bouwwerken maximaal mogen hebben. Om deze maten, aantallen en afstanden zo duidelijk mogelijk weer te geven is er voor gekozen dit middels een tabel te doen. In deze tabel zijn uitsluitend de toegestane bouwwerken opgenomen.

Soorten toelaatbare bebouwing De volgende bebouwing is toegestaan:  gebouwen ten behoeve van centrale voorzieningen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en overkappingen zoals: sanitaire voorzieningen, kantines, kantoren, recepties, zalen, parkwinkel, beheerloodsen, overdekte zwembaden, horeca en huisvesting ten behoeve van personeel.  bedrijfswoning: inclusief aan‐ en uitbouwen, veranda en bijgebouwen;  kampeermiddelen met bijgebouw: zoals tenten, vouwwagens, kampeerauto's, caravans of hiermee gelijk te stellen onderkomens, die bestemd zijn voor recreatief verblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben;  bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf inclusief aan‐ en uitbouwen, veranda en bijgebouwen: eenvoudige bouwwerken zoals stacaravans, chalets, trekkershutten, kampeerhuisjes etc.. De verblijven zijn bestemd voor recreatief nachtverblijf en de gebruikers hebben hun hoofdverblijf elders;  bouwwerk, geen gebouwen zijnde: zoals een pergola of een schutting. Situering bebouwing Ten behoeve van de flexibiliteit ten aanzien van de terreinindeling is één groot bouwvlak opgenomen. Binnen dit bouwvlak is het aan de eigenaar/exploitant om te bepalen waar functies worden geprojecteerd. Hoewel in beginsel overal op het terrein kan worden gebouwd, gelden voor het bouwen verschillende regels.

Alle toelaatbare gebouwen ten behoeve van centrale voorzieningen, bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf en kampeermiddelen zijn alleen toegestaan binnen het bouwvlak. Een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf en een kampeermiddel zijn alleen toegestaan op een standplaats. Voor de toelaatbare bebouwing zijn afstanden tot aan de perceelsgrenzen

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

53

opgenomen. Aantallen De aantallen toegestane bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf en de kampeermiddelen zijn overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Er is geen onderscheid gemaakt naar het soort standplaats. Het is aan de ondernemer om te bepalen of de standplaats wordt gebruikt voor een kampeermiddel of voor een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf. Goot‐ en bouwhoogten, oppervlakte en inhoud De goot‐ en bouwhoogte zijn conform het voorheen geldende bestemmingsplan bestemd. De centrumvoorziening heeft een goothoogte van 10 meter net als in de huidige situatie. Ook de overkapping van het zwembad mag een hoogte hebben van maximaal 10 meter. Dit is gelijk aan de huidige maximale bouwhoogte van de centrale voorzieningen. Voor de waterglijbaan is een hoogte van 12 meter toegestaan. Dit is 2 meter hoger dan in de huidige situatie. Gezien de beoogde kwaliteit van de waterglijbaan is dit noodzakelijk. De gemeente streeft naar een hoogwaardig toeristisch‐recreatief voorzieningenniveau. Het bouwvlak mag voor 15% worden bebouwd met centrale voorzieningen. Hiermee wordt de mogelijkheid geboden voor het realiseren van extra voorzieningen. Binnen dit bebouwingspercentage valt ook de bedrijfswoning.

Bouwwerken voor recreatief nachtverblijf en recreatiewoningen, beiden inclusief aan‐ en uitbouwen, veranda's en bijgebouwen, worden niet meegerekend bij deze oppervlaktemaat. Hiervoor zijn specifieke oppervlaktematen opgenomen. Bedrijfswoning Per terrein is een bedrijfswoning toegestaan. Deze mag een inhoud hebben van maximaal 1.000 m³, inclusief aan‐ en uitbouw, veranda en bijgebouwen. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Binnen de bestemming zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Om te voorkomen dat op het kampeerterrein onnodige lichthinder wordt veroorzaakt is de volgende regeling opgesteld:  Lichtmasten worden zonder meer toegestaan tot 3 meter.  Lichtmasten met een neerwaartse uitstraling direct toestaan tot 5 meter. Gebruiksregels Het is niet toegestaan de kampeermiddelen en bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf permanent te bewonen. Het is wel toegestaan om in de verblijven heel het jaar rond te recreëren. Binnen de bestemming Recreatie ‐ Verblijfsrecreatie ‐ Zonneweelde is gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 2.22 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht biedt om voorwaardelijke verplichtingen in de regels op te nemen.

Een voorwaardelijke verplichting is een regel in het bestemmingsplan waarmee bijvoorbeeld wordt bepaald dat een nieuwe functie wel is toegestaan of dat een bepaald gebouw mag worden gebouwd, maar alleen als óók de benodigde maatregelen worden getroffen en deze maatregelen in stand worden gelaten. De voorwaardelijke verplichtingen zijn middelen om afspraken tussen de gemeente en de ontwikkelende partij(en) planologisch te borgen. Omdat deze afspraken door gebruikmaking van een publiekrechtelijk regeling kunnen worden vastgelegd, behoeven en kunnen deze niet via privaatrechtelijke weg worden vastgelegd. Het gebruik maken van voorwaardelijke verplichtingen heeft ook een aantal praktische voordelen. Het biedt ook flexibiliteit. Zo kan bijvoorbeeld geregeld dat de aanleg van de groen, niet hoeft te worden uitgevoerd zolang de ontwikkeling niet concreet ter hand wordt genomen. Ook hoeft de maatregel niet per definitie als eerste tot stand te komen. De verplichting kan bijvoorbeeld ook inhouden dat een inrichtingsplan voor groen en water moet worden gerealiseerd (en in stand gehouden) binnen een bepaalde periode nadat de bebouwing is gerealiseerd. Daar kan om praktische of financiële redenen alle

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

54

aanleiding toe zijn. Een voordeel van voorwaardelijke verplichtingen is dat er geen nader toetsingsmoment aan te pas komt. Er is ook geen nadere besluitvorming door het bevoegd gezag (veelal het college van burgemeester en wethouders) nodig. Binnen de Specifieke gebruiksregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het gebruik van gronden en bouwwerken die liggen binnen een afstand van 20 meter van de groenstrook met de aanduiding specifieke vorm van groen ‐ landschappelijk inpassing. Dat is alleen toegestaan indien overeenstemming bestaat tussen de Provincie Zeeland, de gemeente Sluis en de camping over de inrichting van de betreffende groenstrook. Toelichting op de algemene regels Hoofdstuk 3 van de regels bestaat uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, bepalingen. 5.52 Overgangs‐ en slotbepalingen In artikel 3.2.1 van het Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. In de slotregel is aangegeven onder welke naam de regels kunnen worden aangehaald.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

55

Bijlagen bij toelichting

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

56

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

57

Bijlage 1 Toekomstvisie Camping Zonneweelde

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

58

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

59

Bijlage 2 Plan centrumgebied 23‐10‐2017

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

60

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

61

Bijlage 3 Advies Toetsingscommissie 13‐12‐2017

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

62

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

63

Bijlage 4 Beeldkwaliteitsplan

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

64

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

65

Bijlage 5 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

66

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

67

Bijlage 6 Toelichting op Staat van Horeca‐activiteiten

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

68

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

69

Regels

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

70

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

71

Hoofdstuk 1

Artikel 1

Inleidende bepalingen

Begrippen

1.1 het plan het bestemmingsplan 'Camping Zonneweelde' van de gemeente Sluis. 1.2 het bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML‐bestand NL.IMRO.1714.bpzonneweelde‐ON01 met de bijbehorende regels en bijlagen. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en / of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan‐ en uitbouw een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. 1.6 bebouwing een of meer gebouwen en / of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.7 bed een meubel om in te slapen, geschikt voor één of twee personen, met dien verstande dat bedden geschikt voor twee personen, zoals een tweepersoonsbed en een stapelbed, als twee afzonderlijke bedden worden gerekend. 1.8 bedrijf een onderneming gericht op het vervaardigen, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen. 1.9 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein.

1.10 bestaande afstands‐, hoogte‐, inhouds‐ en oppervlaktematen afstands‐, hoogte‐, inhouds‐ en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet. 1.11

bestemmingsgrens

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

72

de grens van een bestemmingsvlak. 1.12 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.13 bewoonbaar vloeroppervlak de oppervlakte van de ruimten in de recreatiewoning, gemeten binnen de afgewerkte omtrekwanden (in voorkomende gevallen binnen de balustrade) onder aftrek van de in de ruimte uitspringende onderdelen van het gebouw zoals schoorsteenstoelen, kanalen en kasten, doch zonder aftrek van plinten en vast meubilair zoals aanrechten en verwarmingslichamen. Vloeroppervlak waarboven minder dan 1,5 m hoogte aanwezig is wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. 1.14 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats. 1.15 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.16 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.17 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.18 bouwwerk voor recreatief nachtverblijf een constructie van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.19 bijgebouw een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. 1.20 centrale bedrijfsmatige exploitatie het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een gezamenlijk beheer en exploitatie van recreatiewoningen, gericht op het bieden van recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden; 1.21 extensieve dagrecreatie de niet‐gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, outdooractiviteiten gelieerd aan het aangrenzende outdoorbedrijf, zwemmen en natuurobservatie. 1.22 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

73

1.23 groepsaccommodatie een (deel van een) gebouw, of een (cluster van) bouwwerk(en) voor recreatief nachtverblijf, dat blijkens zijn indeling geschikt en is voor recreatief nachtverblijf door groepen en ook als zodanig bestemd is. 1.24 hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.25 kampeermiddel niet als een bouwvergunningplichtig bouwwerk aan te merken vouwwagens, kampeerauto's, caravans of hiermee gelijk te stellen onderkomens, die bestemd zijn voor recreatief nachtverblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben. 1.26 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.27 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak. 1.28 peil voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: a. de hoogte van die weg; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

1.29 recreatiewoning een gebouw, uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief nachtverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon‐ of verblijfplaats elders hebben; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen. 1.30 standplaats kampeermiddel het gedeelte van een kampeerterrein aangewezen voor recreatief nachtverblijf in één of meerdere kampeermiddelen, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten. 1.31 stacaravan een gebouw dat in zijn geheel kan worden verplaatst en is bestemd voor recreatief verblijf, waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

74

Artikel 2

Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstand de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.4 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot / de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.5 inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en / of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.6 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en / of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.7 oppervlakte standplaats kampeermiddel de oppervlakte van het gedeelte van een kampeerterrein aangewezen voor recreatief nachtverblijf.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

75

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Bestemmingsregels

Groen

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. opgaande beplantingen ten behoeve van een adequate groene omzoming van recreatieterreinen; b. ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van groen ‐ landschappelijke inpassing: tevens voor andere vormen van landschappelijke inpassing, voor zover die vormen zijn gebaseerd op de uitgangspunten in de 'Zeeuwse Kustvisie, samen sterk voor de Zeeuwse kust 26‐06‐2017'; c. groen en water; d. waterberging en waterafvoermogelijkheden; e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer ‐ langzaam verkeersverbinding': tevens een langzaamverkeersverbinding; f. bij deze bestemming behorende nutsvoorzieningen. 3.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m. 3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.3.1 Aanlegverbod Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b.

het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en ophogen; c. het aanleggen van boven‐ of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting. 3.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod Het verbod uit lid 3.3.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden die:  behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;  reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, mits in overeenstemming met het voorgaande bestemmingsplan;  reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

76

3.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.3.1 zijn slechts toelaatbaar: a. een inrichtingsplan en/of beeldkwaliteitsparagraaf is overlegd; b. naar het oordeel van burgemeester en wethouders het inrichtingsplan en de beeldkwaliteitsparagraaf zoals genoemd onder a past binnen de beoogde kwaliteitsdoelstellingen zoals deze zijn vastgelegd in de rapportage Ruimtelijke kwaliteit recreatieterreinen die als bijlage 2 bij deze regels is opgenomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

400137.20170722

77

Artikel 4

Recreatie ‐ Verblijfsrecreatie ‐ Zonneweelde

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Recreatie ‐ Verblijfsrecreatie ‐ Zonneweelde' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verblijfsrecreatie; b. ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein': verblijfsrecreatie in kampeermiddelen en in bouwwerken voor recreatief nachtverblijf; c. horeca uit ten hoogste categorie 1b van de Staat van Horeca activiteiten; d. een parkwinkel; e. een onoverdekt en/of overdekt zwembad; f. een bedrijfswoning; g. een appartement; h. spel‐, sport‐ en speelvoorzieningen; i. waterglijbaan; j. centrale voorzieningen voor dienstverlening, beheer, sanitaire voorzieningen voor gezamenlijk gebruik en onderhoud ten behoeve van de verblijfsrecreatie op hetzelfde terrein; k. bij de bestemming behorende voorzieningen, zoals ontsluitingswegen, groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en water, waterberging en overige voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. 4.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels. 4.2.1 Toelaatbare bebouwing op deze gronden mogen worden gebouwd: a. binnen het bouwvlak: 1. gebouwen en overkappingen ten behoeve van centrale voorzieningen; 2. bedrijfswoning met bijbehorende aan‐ en uitbouw, veranda en bijgebouwen 3. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen, zijnde; b. binnen het bouwvlak op een standplaats: 1.

bouwwerken voor recreatief nachtverblijf, met bijbehorende aan‐ en uitbouw en bijgebouwen; 2. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen, zijnde; c. op de gronden buiten het bouwvlak mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen, zijnde worden gebouwd. 4.2.2 Maatvoering a. het aantal, de goot‐ en bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en onderlinge afstand van gebouwen en bouwwerken bedragen ten hoogste de navolgende maten: gebouwen en bouwwerken

aantal

standplaatsen voor 292 kampeermiddelen en bouwwerken voor recreatief nachtverblijf inclusief aan‐ en uitbouw en veranda bijgebouw bij een 1

Rho adviseurs voor leefruimte

goothoogte bouwhoogte oppervlakte inhoud afstand van een van een van een van een tussen bouwwerk bouwwerk bouwwerk bouwwerk gebouwen en bouwwerken onderling 3m 5m 70 m² 5m

3m

6 m²

3m

400137.20170722

78

kampeermiddelen en/of bouwwerken voor recreatief nachtverblijf gebouwen en overkappingen ten behoeve van centrale voorzieningen appartement in 1 centrumgebouw bedrijfswoning 1 inclusief aan‐ en uitbouw, veranda en bijgebouwen erfafscheidingen nutsvoorzieningen straatverlichting met neerwaartse uitstraling speelvoorzieningen waterglijbaan vlaggenmasten en lichtmasten overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=553df3c7-bc79-4c44-8628-964e208b0cea