CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

01 Bijlagen 4 tm 7 bij ruimtelijke onderbouwing (Natuur)

Commissie Ruimte/AB 2 september 2025, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot afgeven verklaring van geen bedenkingen voor herontwikkeling Boulevard de Wielingen 24-25 te Cadzand-Bad.30.778 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Op Boulevard de Wielingen 16 worden 14 appartementen gerealiseerd en op Boulevard de Wielingen 24 en 25 worden respectievelijk er 14 en 5 appartementen gebouwd. De ontheffing wordt aangevraagd in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. De ontheffing wordt aangevraagd voor de periode vanaf 1 september 2024 tot en met 31 december 2028. De ontvangst van deze aanvraag is op 4 december 2023 bevestigd. In deze brief maken wij u onze beslissing op uw aanvraag bekend.

BESLUIT WET NATUURBESCHERMING ONDERDEEL SOORTENBESCHERMING MET ZAAKNUMMER: 382210 Wij besluiten: I. Aan uw cliënt de aangevraagde ontheffing van artikel 3.5 lid 2 en lid 4 Wnb om de laatvlieger opzettelijk te verstoren en om één zomerverblijfplaats van de laatvlieger te vernielen of te beschadigen te verlenen. Deze ontheffing wordt verleend op grond van artikel 3.8 lid 5 Wnb; in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. II. Aan uw cliënt de aangevraagde ontheffing van artikel 3.5 lid 2 en lid 4 Wnb om de gewone dwergvleermuis opzettelijk te verstoren en om drie verblijfplaatsen (twee zomer- en één paarverblijfplaats) van deze soort te vernielen of te beschadigen te verlenen. Deze ontheffing wordt verleend op grond van artikel 3.8 lid 5 Wnb; in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. III. Dat de ontheffing mag worden gebruikt voor het uitvoeren van de sloop en de nieuwbouw van appartementen aan Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 in Cadzand-Bad (zie figuur 1 in bijlage 1). IV.

Dat de ontheffing geldig is vanaf 1 september 2024 tot en met 31 december 2028. V. De voorschriften in onderdeel 1 te verbinden aan dit voorgenomen besluit. VI. Dat de ontheffing voor wat betreft voorschrift 20 en voorschrift 31, geldig is totdat de sloop van de bestaande bebouwing is uitgevoerd en de inbouwvleermuiskasten zijn gerealiseerd. VII. Dat de ontheffing voor wat betreft voorschrift 25 geldig is tot drie jaar na de sloop van het gebouw met de zomerverblijfplaats van de laatvlieger. VIII. De volgende documenten deel uit te laten maken van de ontheffing: a. Aanvraagformulier bestaande uit de ondertekende basismodule, ontvangen op 31 januari 2024, ons kenmerk: 382210-01; b. Bijlagen bij de aanvraag zoals aangeleverd op 27 november 2023: i. Wnb module 2a, ons kenmerk: 382210-02; ii. Machtingsformulier, ons kenmerk: 382210-03; iii. Quickscan, Wnb Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 te Cadzand-Badrevisie, opgesteld door Blom Ecologie B.V, Project: 2022-0157, Revisie: 21 juli 2022, ons kenmerk: 382210-04; iv. Aanvullend onderzoek ecologie Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 te Cadzand-Bad v2, opgesteld door Blom Ecologie B.V, Project: 2022-0823 Datum: 28 juli 2023, ons kenmerk: 382210-05; v. Mitigatieplan Boulevard de Wielingen 16, 24, en 25 te Cadzand-Bad, opgesteld door Blom Ecologie B.V, Project: 2023-1004 Datum: 20 november 2023, ons kenmerk: 382210-06; c.

Aanvullende gegevens, zoals ontvangen op 31 januari 2024: i. Aanvullende informatie Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 te Cadzand-Bad, opgesteld door Blom Ecologie B.V, Datum: 31 januari 2024, Project: 20231004, ons kenmerk: 382210-07; ii. GRO Boulevard de Wielingen 16 Cadzand, opgesteld door Adromi group, datum: 20-12-2023, Projectnummer: R202207/2301f, ons kenmerk: 38221008; iii. Werkbare mitigatiemaatregelen voor de laatvlieger (Eptesicus serotinus), Notitie van de Zoogdiervereniging, Datum: 21 november 2022, Projectnummer 2022.026, ons kenmerk: 382210-09; d. Zienswijze, zoals ontvangen op 2 mei 2024, ons kenmerk: 382210-10. Leest u vooral onderdeel 1 zorgvuldig door, hierin staan de voorschriften die wij aan de ontheffing verbinden. Zorgvuldig nakomen van deze voorschriften voorkomt dat we de ontheffing op grond van artikel 5.4 lid 1 Wnb voortijdig intrekken of wijzigen. De motivering van dit besluit vindt u in onderdeel 2 ‘Overwegingen’. De ontheffing is gebaseerd op de aanvraag inclusief alle bijgevoegde stukken. De eventuele negatieve effecten op beschermde soorten zijn alleen beoordeeld als gevolg van de ingreep zoals die in de aanvraag beschreven zijn. De ingreep moet dan ook worden uitgevoerd conform de aanvraag.

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

2

Misschien wilt of moet u tijdens de looptijd van de ontheffing iets veranderen aan de uitvoering van de werkzaamheden. Dat is mogelijk, op voorwaarde dat de verandering geen schade toebrengt aan beschermde soorten. Neem altijd van tevoren contact met ons op als u iets aan de uitvoering van de werkzaamheden wilt veranderen. Het kan namelijk zijn dat u dan een aangepaste ontheffing nodig heeft. U kunt ons bereiken via het e-mailadres natuurbescherming@zeeland.nl. Hierbij moet altijd het zaaknummer van de ontheffing worden vermeld. Controleer of overige regelgeving van toepassing is Bij de beoordeling van onderhavige aanvraag zijn andere aspecten dan gerelateerd aan de Wnb, hoofdstuk 3 Soortenbescherming en de daarbij behorende regelgeving niet betrokken. Mogelijk zijn er voor de ingreep waarop de aanvraag betrekking heeft nog andere bepalingen van de Wnb van toepassing. Wij wijzen u er wellicht ten overvloede op dat het kan zijn dat er ook een vergunning en/of ontheffing en/of melding op grond van andere hoofstukken van de Wnb, of op grond van andere wet- en regelgeving vereist kan zijn. Zorgplicht Daarnaast moet u altijd voldoen aan de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wnb. Dat betekent dat u moet voorkomen dat uw handelingen schade aanrichten aan planten en dieren en hun leefomgeving.

Zienswijze Wij hebben u in het kader van artikel 4:7 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tot 3 mei 2024 in de gelegenheid gesteld om mondeling of schriftelijk uw zienswijze over het voorgenomen besluit bij ons naar voren te brengen. Op 2 mei 2024 heeft u uw zienswijze bij ons naar voren gebracht. Deze zienswijze is geregistreerd onder kenmerk: 382210-10. Voor de inhoudelijke behandeling van deze zienswijze, verwijzen wij naar onderdeel C zienswijzen. Deze zienswijze heeft geleid tot aanpassing van het besluit. Met vriendelijke groet, Gedeputeerde Staten van Zeeland, Namens deze,

mr. J. Versteeg Unitmanager Natuurbescherming Noem in uw contact met ons steeds het zaaknummer. Dit staat bovenaan deze brief. Noem in uw contact met ons steeds het zaaknummer. Dit staat bovenaan deze brief. Bezwaar Belanghebbenden kunnen schriftelijk bezwaar maken tegen dit besluit bij: Gedeputeerde Staten van Zeeland, t.a.v. de secretaris van de commissie voor bezwaarschriften, Postbus 6001, 4330 LA Middelburg. In het bezwaarschrift neemt u ten minste op uw naam en adres, de dagtekening van het bezwaarschrift, tegen welk besluit u bezwaar maakt en waarom. Het bezwaarschrift dient te worden ondertekend. U moet het bezwaarschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is bekendgemaakt. Doorgaans is dat de dag na de datum van verzending. Overschrijding van de inzendtermijn kan ertoe leiden dat met uw bezwaren geen rekening wordt gehouden. Als u overweegt bezwaar te maken, kunt u meer informatie vinden op https://www.zeeland.nl/bezwaar-maken. Wij wijzen u erop dat het bezwaar niet de werking van het besluit schorst. U kunt een verzoek doen tot het treffen van een voorlopige voorziening. U richt het verzoek aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, team bestuursrecht, Postbus 90006, 4800 PA Breda. Voor de behandeling van het verzoek is griffierecht verschuldigd.

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

3

Bijlagen: 1. Kaart van het plangebied; 2. Invulformulier logboek; 3. Monitoringsformulier. Kopie aan: RUD Zeeland, groenewetten@rud-zeeland.nl

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

4

Voorschriften Algemene voorschriften 1. De werkzaamheden bestaan uit: • Het ongeschikt maken van de te slopen bebouwing voor de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger; • Het weghalen van het groen in het plangebied; • Het slopen van de bebouwing; • Het egaliseren van het terrein; • Het realiseren van de nieuwbouw waaronder algemene bouwwerkzaamheden; • Het integreren van inbouwvoorzieningen voor de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger; • Het revitaliseren van het terrein, waaronder de aanleg van nieuwe verharding en de aanplant van nieuw groen. 2. De werkzaamheden worden strikt conform de ontheffingsaanvraag en de daarbij behorende bijlagen uitgevoerd. 3. De ecologische deskundige 1 stelt een ecologisch werkprotocol op waarin in ieder geval de volgende zaken moeten worden opgenomen: • Maatregelen om verstoring van vogels en andere (beschermde) diersoorten te voorkomen; • Maatregelen om het vernielen van (beschermde) planten te voorkomen; • De momenten waarop ecologische begeleiding noodzakelijk is; • De periode van het jaar waarin de werkzaamheden moeten of mogen worden uitgevoerd; • De mate waarin en de wijze waarop verlichting tijdens en na de werkzaamheden kan worden ingezet; • De werkvolgorde en de werkmethoden in relatie tot de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger in voorliggende aanvraag.

In dit protocol dienen dan ook de voorschriften van dit besluit te worden meegenomen. 4. De initiatiefnemer en alle partijen die de werkzaamheden uitvoeren moeten op de hoogte zijn van de ontheffing, de daarin opgenomen voorschriften en de wijze waarop de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Om dit te borgen wordt een logboek bijgehouden (bijlage 2). Dit moet op verzoek worden getoond aan de inspecteurs van de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland (hierna: RUD-Zeeland). Het besluit, inclusief alle bijbehorende bijlagen, het werkprotocol en het logboek moeten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden op het plangebied aanwezig zijn. 5. De ecologisch deskundige wordt bij alle benodigde werkzaamheden (voorschrift 1) betrokken. Hij/zij zal aanwijzingen geven over hoe het ongeschikt maken, het weghalen van het groen, de sloop en het integreren van de inbouwvoorzieningen uitgevoerd moeten worden. Hij/zij is altijd oproepbaar tijdens de werkzaamheden. De aanwijzingen van de ecologisch deskundige en de wijze waarop hier uitvoering aan wordt gegeven, worden vastgelegd in het logboek. 6. Er wordt tijdens alle benodigde werkzaamheden (voorschrift 1) in de actieve periode alleen gebruik gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting. Welke vleermuisvriendelijk verlichting wordt gebruikt wordt vooraf afgestemd met en goedgekeurd door de ecologisch deskundige.

De verlichting mag niet worden gericht op mogelijk aanwezige groenstructuren. De verlichting mag ook niet worden gericht op de reeds opgehangen vleermuiskasten. In het logboek moet door de ecologisch deskundige worden vastgelegd welk type vleermuisvriendelijke verlichting wordt gebruikt.

Het bevoegd gezag verstaat onder een ecologisch deskundige een persoon die voor de situatie en soorten waarover hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, minimaal 3 jaar aantoonbare ervaring ecologie heeft met het uitvoeren van soortgericht onderzoek, eventueel onder begeleiding van een ervaren ecologisch deskundige.

1

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

5

7. Het aanwezige groen mag alleen worden verwijderd buiten het algemene broedseizoen (15 maart tot en met 15 juli), tenzij door de ecologisch deskundige is vastgesteld dat er geen broedende vogels aanwezig zijn. De resultaten van deze controle worden vastgelegd in het logboek. 8. Indien tijdens controle voorafgaand aan of tijdens de sloop andere beschermde soorten worden aangetroffen, worden de werkzaamheden ter plaatse stopgezet en wordt contact opgenomen met het bevoegd gezag, Provincie Zeeland. Dit kan via het e-mailadres natuurbescherming@zeeland.nl. 9. Voordat u start met de werkzaamheden, zoals vermeld in voorschrift 1, moet u bij de RUD-Zeeland melden wanneer u begint. Het is niet nodig om dit per werkzaamheid apart aan te geven. Het melden dient u minimaal twee weken vooraf te doen. U doet dit via het emailadres handhaving.groen@rud-zeeland.nl. Noem in uw contact steeds het zaaknummer. Het werkprotocol (voorschrift 3) moet aan deze melding worden toegevoegd. 10. Binnen twee dagen nadat u klaar bent met de werkzaamheden moet u dit melden bij de RUDZeeland. U doet dit via het hierboven genoemde emailadres. Het bijgehouden logboek wordt ook twee dagen nadat de werkzaamheden zijn afgerond, opgestuurd aan de RUD-Zeeland. Specifieke voorschriften gewone dwergvleermuis 11.

Voor de gewone dwergvleermuis moeten minimaal acht alternatieve zomerverblijfplaatsen, minimaal drie maanden aanwezig zijn geweest voorafgaand aan het ongeschikt maken van de te slopen bebouwing in het vleermuisactieve seizoen (1 april tot en met 31 oktober daaropvolgend). 12. Voor de gewone dwergvleermuis moeten minimaal vier alternatieve paarverblijfplaatsen, minimaal drie maanden aanwezig zijn geweest voorafgaand aan het ongeschikt maken van de te slopen bebouwing in het vleermuisactieve seizoen (1 april tot en met 31 oktober daaropvolgend). 13. Zodra de verblijfplaatsen, zoals bedoeld in voorschrift 11 en 12 zijn gerealiseerd, wordt dit gemeld bij de RUD-Zeeland. De gewenningsperiode gaat lopen zodra deze melding is gedaan. De locaties van deze tijdelijke zomer- en paarverblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis worden bepaald door de ecologisch deskundige. Een ecologische beoordeling (al dan niet in het logboek) van de eisen waaraan de verblijfplaatsen moeten voldoen (voorschrift 15) maakt onderdeel uit van de melding aan de RUD-Zeeland. 14. Voor de gewone dwergvleermuis moeten minimaal acht definitieve zomerverblijfplaatsen en vier definitieve paarverblijfplaatsen worden gerealiseerd. Bij voorliggende ingreep moet dit gebeuren door definitieve zomer- en paarverblijfplaatsen in de nieuwbouw te integreren. 15.

De alternatieve zomerverblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis moeten voldoen aan een aantal eisen. Deze eisen worden door de ecologisch deskundige beoordeeld. De ecologisch deskundige legt zijn bevindingen met betrekking tot de locatie en de eisen van de alternatieve zomerverblijfplaatsen vast in het logboek. Het gaat hierbij om de volgende eisen: • Ze worden op minimaal 3 meter hoogte geplaatst; • Ze voldoen aan de afmetingen van model A (50 cm hoog, 20-30 cm breed, 1 - 2 compartimenten zijn), zoals is beschreven in het Kennisdocument gewone dwergvleermuis 2; • Ze worden zo geplaatst dat sprake is van een vrije aanvliegroute en vliegruimtes; dit betekent dat de invliegopening en de ruimte vlak onder de alternatieve voorziening vrij is van obstakels, zoals takken, bladeren of ramen; • Ze worden zo geplaatst dat predatoren deze niet kunnen bereiken; • Ze worden zo geclusterd dat er verschillende microklimaten worden aangeboden, waarbij ten minste drie verschillende kompasrichtingen gedekt moeten zijn; • Ze worden zo aangebracht dat algemene verstoring door lichtbronnen of andere verstoring van de zomerverblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebieden, wordt voorkomen; • Ze zijn van een materiaal dat voldoende duurzaam is. Tevens moet het materiaal ruw zijn, zodat gewone dwergvleermuizen zich kunnen vastgrijpen.

Deze alternatieve 2 https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

6

•

•

zomerverblijfplaatsen beschikken over spleten en/of kieren waarin de gewone dwergvleermuizen weg kunnen kruipen; Ze worden zo dicht mogelijk bij de locatie van de oorspronkelijke verblijfplaats geplaatst, maar buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Dit betekent dat de alternatieve zomerverblijfplaatsen zo worden aangebracht dat verstoring door lichtbronnen of andere verstoring als gevolg van de voorgenomen ingreep wordt voorkomen; Wat betreft de nieuwe locaties worden afgestemd met functies die het gebied tot geschikt paargebied maken: (massa-) winterverblijfplaatsen, vliegroutes, foerageergebied en met al bestaande territoria van mannetjes.

16. De te slopen bebouwing wordt minimaal vijf dagen voorafgaand aan de sloop ongeschikt gemaakt voor de gewone dwergvleermuis. Het ongeschikt maken moet plaats vinden tussen 1 september en 15 oktober of tussen 15 april en 15 mei wanneer: • De temperatuur in de periode van één uur voor zonsondergang tot één uur na zonsondergang hoger is dan 10 °C; • Bij voor de gewone dwergvleermuis geschikte weersomstandigheden. 17. Het ongeschikt maken van de te slopen bebouwing voor de gewone dwergvleermuis gebeurt op één (of een combinatie) van de volgende manieren: • Het maken van tochtgaten; vleermuizen houden niet van tocht en zullen zo makkelijker naar de alternatieve zomerverblijfplaatsen uitwijken. De beste manier om een tochtgat te maken is door over de volledige hoogte van de muur of verdieping de hoeken van de te slopen bebouwing te verwijderen. Hierdoor ontstaat er in de spouw een flinke tocht en kan het licht diep in de spouw doordringen. De ecologisch deskundige beoordeelt de manier waarop hier invulling aan wordt gegeven en legt zijn bevindingen vast in het logboek; • Het handmatig verwijderen van bijvoorbeeld dakpannen, zonneschermen, loodslabben, en houten dakgoten; • Gebruik maken van zogenaamde “exclusion flaps” in combinatie met rondschuim, waardoor gewone dwergvleermuizen wel kunnen uitvliegen maar niet opnieuw naar binnen kunnen vliegen.

Controle door de ecologisch deskundige op het naar behoren functioneren van de “exclusion flaps” is nodig gedurende de periode dat de flap aanwezig is. Wanneer dit niet het geval is, worden maatregelen genomen om te zorgen dat deze “exclusion flaps” naar behoren gaan functioneren, of moeten er in overleg met de ecologisch deskundige andere maatregelen worden uitgevoerd om de vleermuizen te verjagen. De bevindingen van deze controle en eventuele aanpassingen worden vastgelegd in het logboek. • Het dichtmaken van openingen met rondschuim mag alleen worden toegepast de achterliggende spouw open is en aaneengesloten met openingen waar een “exclusion flap” aanwezig is. Te allen tijde moet worden voorkomen dat een afgesloten spouwmuurdeel aanwezig waar geen flap is opgehangen en vleermuizen opgesloten raken. De ecologisch deskundige geeft aanwijzingen over welke openingen dicht gemaakt mogen worden. Deze aanwijzingen moeten worden vastgelegd in het logboek. • Er mag geen gebruik worden gemaakt van folie, netten, purschuim of stootvoegroosters/bijenbekjes. 18. Maximaal twee dagen voor aanvang van de sloop van de bebouwing controleert de ecologisch deskundige of de gewone dwergvleermuis de te slopen bebouwing heeft verlaten. Indien bij de controle de gewone dwergvleermuis wordt aangetroffen, worden de in voorschrift 17 genoemde maatregelen opnieuw getroffen.

Hierbij wordt rekening gehouden met de voorwaarden in voorschrift 16. De werkzaamheden worden uitgesteld totdat de ecologische deskundige heeft vastgesteld dat de te slopen bebouwing is verlaten door de gewone dwergvleermuis. De ecologisch deskundige legt de resultaten van deze controle, de eventuele extra getroffen maatregelen en de datum waarop is vastgesteld dat de te slopen bebouwing is verlaten door de gewone dwergvleermuis vast in het logboek. 19. Zodra de nieuwbouw met de definitieve alternatieve zomer- en paarverblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis gereed is, moet dit worden gemeld bij de RUD-Zeeland. De locaties van deze definitieve zomer- en paarverblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis worden bepaald door de ecologisch deskundige. Een ecologische beoordeling (al dan niet in het logboek) van de eisen waarin de definitieve verblijfplaatsen moeten voldoen (voorschrift 15) maakt onderdeel uit van de melding aan de RUD-Zeeland. Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

7

20. De tijdelijke alternatieve zomer- en paarverblijfplaatsen die als zodanig in gebruik zijn genomen door de gewone dwergvleermuis, moeten functioneel blijven. Hiervoor is het nodig de functionaliteit van de desbetreffende verblijfplaatsen te controleren en indien nodig te repareren. Tevens worden eventuele takken die de aanvliegroute blokkeren, verwijderd. Deze controle en mogelijk onderhoud vinden plaats in de periode 1 november tot en met 31 maart daaropvolgend. Zodra de nieuwbouw met de alternatieve definitieve zomer- en paarverblijfplaatsen gereed is, dan kunnen de tijdelijke alternatieve zomer- en paarverblijfplaatsen worden verwijderd als de ecologisch deskundige heeft vastgesteld dat de tijdelijke alternatieve zomer- en paarverblijfplaatsen op dat moment niet worden gebruikt door de gewone dwergvleermuis. Specifieke voorschriften laatvlieger 21. Voor de laatvlieger moeten minimaal twee gevelbetimmeringen van het type VMN1 van Unitura 3 worden geplaatst. Deze gevelbetimmeringen worden op twee kopgevels geplaatst, zoals weergegeven in figuur 3 in bijlage 1. Verder moet deze voorziening 240 cm breed zijn. De hoogte mag variëren tussen de 120 en 60 cm hoog, afhankelijk van de dakhelling. De kast is voorzien van ten minste twee lagen met tussenruimtes van 30 mm.

Deze twee voorzieningen moeten minimaal drie maanden aanwezig zijn geweest voorafgaand aan het ongeschikt maken van de te slopen bebouwing in het vleermuisactieve seizoen (1 april tot en met 31 oktober daaropvolgend). 22. Voor de laatvlieger moeten minimaal vier vleermuiskasten van het type Vera van Faunus Nature Creations 4 worden gerealiseerd. Deze vleermuiskasten worden geplaats zoals is weergegeven in bijlage. Verder moet deze vleermuiskasten twee verblijflagen hebben met een toegang vanaf de bovenzijde. Ook moet de kast twee compartimenten hebben die vanaf de onderzijde toegankelijk zijn. De kast heeft binnenmaten van 51 x 3,2 x 73 cm (lxbxh) per laag. Deze vier vleermuiskasten moeten minimaal drie maanden aanwezig zijn geweest voorafgaand aan het ongeschikt maken van de te slopen bebouwing in het vleermuisactieve seizoen (1 april tot en met 31 oktober daaropvolgend). 23. Zodra de verblijfplaatsen, zoals bedoeld in voorschrift 21 en 22 zijn gerealiseerd, wordt dit gemeld bij de RUD-Zeeland. De gewenningsperiode gaat lopen zodra deze melding is gedaan. De locaties van deze tijdelijke zomer- en paarverblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis worden bepaald door de ecologisch deskundige. Een ecologische beoordeling (al dan niet in het logboek) van de eisen waaraan de verblijfplaatsen moeten voldoen (voorschrift 24) maakt onderdeel uit van de melding aan de RUD-Zeeland.

24. De alternatieve verblijfplaatsen voor de laatvlieger moeten voldoen aan een aantal eisen. Deze worden door de ecologisch deskundige beoordeeld en vastgelegd in het logboek. Dit zijn de volgende eisen: • Ze worden op minimaal 4 m hoogte gerealiseerd; • Ze worden op dusdanige wijze gerealiseerd dat sprake is van een vrije aanvliegroute en vliegruimtes; dit betekent dat de invliegopening en de ruimte vlak onder de alternatieve voorziening vrij is van obstakels, zoals takken, bladeren of ramen; • Ze worden op dusdanige wijze gerealiseerd dat predatoren deze niet kunnen bereiken; • Ze worden op dusdanige wijze gerealiseerd dat er verschillende microklimaten worden aangeboden, • Ze zijn van een materiaal dat voldoende duurzaam is. Tevens moet het materiaal ruw zijn, zodat gewone dwergvleermuizen zich kunnen vastgrijpen. Deze alternatieve zomerverblijfplaatsen beschikken over spleten en/of kieren waarin de gewone dwergvleermuizen weg kunnen kruipen; • Ze worden zo dicht mogelijk bij de locatie van de oorspronkelijke verblijfplaats geplaatst, maar buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Dit betekent dat de alternatieve

3 https://unitura.nl/product/vmn1-vleermuis-gevelbetimmering/ 4 https://faunusnature.com/product/vleermuiskast-vera/

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

8

•

zomerverblijfplaatsen zo worden aangebracht dat verstoring door lichtbronnen of andere verstoring als gevolg van de voorgenomen ingreep wordt voorkomen; Wat betreft de nieuwe locaties worden afgestemd met functies die het gebied tot geschikt paargebied maken: (massa-) winterverblijfplaatsen, vliegroutes, foerageergebied en met al bestaande territoria van mannetjes.

25. Het gebruik van de tijdelijke vleermuiskasten van het type “Vera van Faunus Nature Creations” als zomerverblijfplaats door de laatvlieger moet worden gemonitord (bijlage 3 moet hiervoor worden gebruikt) gedurende drie jaar na aanvang van de ingreep. De monitoring naar het gebruik van de zomer- en zomer/paarverblijfplaatsen vindt plaats in de periode 1 april tot en met 31 oktober daaropvolgend. De ecologisch deskundige moet deze monitoring uitvoeren. De resultaten moeten per locatie worden vastgelegd, waarbij wordt aangegeven: • Wie deze monitoring heeft uitgevoerd; • Wat de gebruikte methode is; • Wanneer de monitoring heeft plaatsgevonden; • Hoe de weerscondities waren op dat moment. Uit de resultaten moet duidelijk worden welke aantallen én voor welke functies de laatvlieger gebruik maakt van de alternatieve verblijfplaatsen. Deze resultaten worden jaarlijks, voor 31 december, aangeleverd aan RUD-Zeeland. Dit kan via het e-mailadres: handhaving.groen@rud-zeeland.nl. Vermeld hierbij altijd het zaaknummer van de ontheffing. 26. Voor de laatvlieger moeten minimaal vier definitieve zomerverblijfplaatsen en worden gerealiseerd. Bij voorliggende ingreep moet dit gebeuren door definitieve zomerverblijfplaatsen in de nieuwbouw te integreren. Deze inbouwkasten zijn het type IB de IB VL 10 5. Deze inbouwkasten dienen over een binnenruimte van 30 mm te beschikken.

Deze inbouwkast dient te worden gerealiseerd in combinatie met de entreesteen IB VL 09 6. Deze entreesteen heeft een sleuf van 11 cm hoog en 16 cm breed. 27. De te slopen bebouwing wordt minimaal vijf dagen voorafgaand aan de sloop ongeschikt gemaakt voor de laatvlieger. Het ongeschikt maken moet plaats vinden tussen 1 september en 15 oktober of tussen 15 april en 15 mei wanneer: • De temperatuur in de periode van één uur voor zonsondergang tot één uur na zonsondergang hoger is dan 10 °C; • Bij voor de laatvlieger geschikte weersomstandigheden. 28. Het ongeschikt maken van de te slopen bebouwing voor de laatvlieger gebeurt op één (of een combinatie) van de volgende manieren: • Het maken van tochtgaten; vleermuizen houden niet van tocht en zullen zo makkelijker naar de alternatieve zomerverblijfplaatsen uitwijken. De beste manier om een tochtgat te maken is door over de volledige hoogte van de muur of verdieping de hoeken van de te slopen bebouwing te verwijderen. Hierdoor ontstaat er in de spouw een flinke tocht en kan het licht diep in de spouw doordringen.

De ecologisch deskundige beoordeelt de manier waarop hier invulling aan wordt gegeven en legt zijn bevindingen vast in het logboek; • Het handmatig verwijderen van bijvoorbeeld dakpannen, zonneschermen, loodslabben, en houten dakgoten; • Gebruik maken van zogenaamde “exclusion flaps”, mits deze groot genoeg zijn voor de laatvlieger, in combinatie met rondschuim, waardoor laatvliegers wel kunnen uitvliegen maar niet opnieuw naar binnen kunnen vliegen. Controle door de ecologisch deskundige op het naar behoren functioneren van de “exclusion flaps” is nodig gedurende de periode dat de flap aanwezig is. Wanneer dit niet het geval is, worden maatregelen genomen om te zorgen dat deze “exclusion flaps” naar behoren gaan functioneren, of moeten er in overleg met de 5 https://www.vivarapro.nl/product/ib-vl-10-vleermuisinbouwkast/ 6 https://www.vivarapro.nl/product/ib-vl-09-vleermuis-

entreesteen/#:~:text=Deze%20inbouwsteen%20is%20geschikt%20voor,en%20heeft%20een%20schui n%20bodemvlak.

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

9

•

•

ecologisch deskundige andere maatregelen worden uitgevoerd om de vleermuizen te verjagen. De bevindingen van deze controle en eventuele aanpassingen worden vastgelegd in het logboek. Het dichtmaken van openingen met rondschuim mag alleen worden toegepast de achterliggende spouw open is en aaneengesloten met openingen waar een “exclusion flap” aanwezig is. Te allen tijde moet worden voorkomen dat een afgesloten spouwmuurdeel aanwezig waar geen flap is opgehangen en vleermuizen opgesloten raken. De ecologisch deskundige geeft aanwijzingen over welke openingen dicht gemaakt mogen worden. Deze aanwijzingen moeten worden vastgelegd in het logboek. Er mag geen gebruikt worden gemaakt van folie, netten, purschuim of stootvoegroosters/bijenbekjes.

29. Maximaal twee dagen voor aanvang van de sloop van de bebouwing controleert de ecologisch deskundige of de laatvlieger de te slopen bebouwing heeft verlaten. Indien bij de controle de laatvlieger wordt aangetroffen, worden de in voorschrift 28 genoemde maatregelen opnieuw getroffen. Hierbij wordt rekening gehouden met de voorwaarden in voorschrift 27. De werkzaamheden worden uitgesteld totdat de ecologische deskundige heeft vastgesteld dat de te slopen bebouwing is verlaten door de laatvlieger. De ecologisch deskundige legt de resultaten van deze controle, de eventuele extra getroffen maatregelen en de datum waarop is vastgesteld dat de te slopen bebouwing is verlaten door de gewone dwergvleermuis vast in het logboek. 30. Zodra nieuwbouw gereed is en de definitieve alternatieve zomerverblijfplaatsen voor de laatvlieger gerealiseerd zijn is, moet dit worden gemeld bij de RUD-Zeeland. De locaties van deze definitieve zomerverblijfplaatsen voor de laatvlieger worden bepaald door de ecologisch deskundige. Een ecologische beoordeling (al dan niet in het logboek) van de eisen waaraan de definitieve alternatieve zomerverblijfplaatsen moeten voldoen (voorschrift 24) maakt onderdeel uit van de melding aan de RUD-Zeeland. 31. De tijdelijke alternatieve zomerverblijfplaatsen die als zodanig in gebruik zijn genomen door de laatvlieger, moeten functioneel blijven.

Hiervoor is het nodig de functionaliteit van de desbetreffende verblijfplaatsen te controleren en indien nodig te repareren. Tevens worden eventuele takken die de aanvliegroute blokkeren, verwijderd. Deze controle en mogelijk onderhoud vinden plaats in de periode 1 november tot en met 31 maart daaropvolgend. Zodra de nieuwbouw met de alternatieve definitieve zomerverblijfplaatsen gereed zijn én wanneer dit is gemeld bij de RUD-Zeeland én de monitoring (Voorschrift 25). Vervalt deze onderhoudsplicht. Eventueel kunnen de tijdelijke alternatieve zomerverblijfplaatsen dan worden verwijderd. Dit kan alleen als de ecologisch deskundige heeft vastgesteld dat de tijdelijke alternatieve zomer/paarverblijfplaats op dat moment niet wordt gebruikt door de laatvlieger.

2.

OVERWEGINGEN

A.

Weergave van de feiten

A1.

Ontheffingsaanvraag

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

10

Uw cliënt vraagt ontheffing aan van het verbod als bedoeld in artikel 3.5 lid 2 Wnb voor het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. Daarnaast vraagt uw cliënt ontheffing aan van het verbod als bedoeld in artikel 3.5 lid 4 Wnb voor het beschadigen of vernielen van drie verblijfplaatsen (twee zomer- en één paarverblijfplaats) van de gewone dwergvleermuis en één zomerverblijfplaats van de laatvlieger. Deze verboden worden overtreden door de sloop van de bestaande bebouwing aan Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 in Cadzand-Bad. Ook het aanwezige groen (bomen/struiken) wordt verwijderd. De vrijgekomen ruimte wordt gebruikt voor de realisatie van nieuwbouw die bestaat uit meerdere appartementencomplexen. In totaal worden 33 appartementen gerealiseerd. Op Boulevard de Wielingen 16 worden 14 appartementen gerealiseerd en op Boulevard de Wielingen 24 en 25 worden respectievelijk 14 en 5 appartementen gebouwd. De ingreep wordt uitgebreider beschreven in het bij de aanvraag gevoegde Mitigatieplan Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 te Cadzand-Bad, ons kenmerk 382210-06. De aanvraag is geregistreerd onder zaaknummer 382210. In verband met het ontbreken van gegevens hebben wij u op 4 december 2023 in de gelegenheid gesteld om tot en met 18 december 2023 de aanvraag aan te vullen. Op uw verzoek is de aanvullingstermijn verlengd naar 2 februari 2024.

Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 31 januari 2024. De termijn voor het nemen van het besluit is opgeschort vanaf 4 december 2023 tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld. De aanvraag is op 31 januari 2024 verder in behandeling genomen. A2. Noodzaak voor ontheffing Uit de aanvraag blijkt dat uw cliënt voornemens is om in afwijking van artikel 3.5 lid 2 Wnb de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger opzettelijk te verstoren. Daarnaast is uw cliënt voornemens om in afwijking van 3.5 lid 4 Wnb drie verblijfplaatsen (twee zomer- en één paarverblijfplaats) van de gewone dwergvleermuis en één zomerverblijfplaats van de laatvlieger te vernielen. Voor antwoord op de vraag of op grond van de Wnb een ontheffing verleend kan worden, wordt gekeken of voldaan is aan de eisen zoals deze in de wet zijn gesteld: Voor soorten van bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn (HR) en bijlage I en II bij het Verdrag van Bonn en Bern (gewone dwergvleermuis en laatvlieger) met uitzondering van vogels betreft dit artikel 3.8 lid 5 Wnb wanneer het een ontheffing betreft van verboden als bedoeld in artikel 3.5 Wnb. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) verlenen alleen een ontheffing als bedoeld in artikel 3.8 Wnb wanneer voldaan is aan de bij wet voorgeschreven voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; 2.

Zij is nodig: • In het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; • Ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; • In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; • Voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of • Om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

11

Naast de bij wet voorgeschreven voorwaarden mag de ingreep niet in strijd zijn met het provinciaal beleid. GS verlenen voor de ingreep alleen een ontheffing, wanneer uit het aanvraagformulier en de daarbij behorende stukken de zekerheid is verkregen dat de ingreep voldoet aan de voorwaarden waarop een ontheffing kan worden verleend. Naar ons oordeel bevat uw ontheffingsaanvraag en de daarbij gevoegde stukken, de benodigde objectieve informatie om de voorgenomen ingreep te kunnen beoordelen. A3. Bevoegd gezag GS van de provincie waarin de aangevraagde handeling plaatsvindt, zijn op grond van artikel 1.3 lid 1 Wnb het bevoegde gezag om op de ontheffingsaanvraag te besluiten. De handelingen vinden geheel binnen de grenzen van de provincie Zeeland plaats. GS van Zeeland zijn daarom bevoegd om op uw aanvraag een besluit te nemen. Er vinden geen handelingen plaats buiten de grenzen van de provincie Zeeland. Daarnaast hebben de aangevraagde handelingen geen nadelige gevolgen voor vogels, dieren of planten van soorten die zich bevinden in een andere provincie, waardoor instemming van GS van andere provincies niet aan de orde is bij dit besluit. A4. Procedure De ontheffingenprocedure is uitgevoerd in overeenstemming met artikel 5.1 Wnb. Op uw aanvraag is de reguliere procedure uit hoofdstuk 4 van de Awb van toepassing.

Van het besluit tot het verlenen van een ontheffing zal mededeling worden gedaan op de website van de provincie Zeeland: • https://www.zeeland.nl/publicaties-en-bekendmakingen/wet-natuurbescherming-overzichtreguliere-besluiten. Tegen dit besluit staat bezwaar open zoals onder “Rechtsmiddelen” is aangegeven. B.

Toetsing

B1. Toetsingskader Voor iedere ingreep die niet is vrijgesteld van de noodzaak voor ontheffing, moet het bevoegd gezag beoordelen of ontheffing kan worden verleend van de verbodsbepalingen op grond van artikel 3.1 t/m 3.10 Wnb. Uw ontheffingsaanvraag betreft een aanvraag in het kader van artikel 3.5 lid 2 en lid 4 Wnb. GS verlenen alleen een ontheffing als aan de in artikel 3.8 Wnb genoemde voorwaarden is voldaan. B2. Beoordeling van het wettelijk kader Uit de aanvraag blijkt dat uw cliënt voornemens is om in afwijking van artikel 3.5 lid 2 Wnb de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger opzettelijk te verstoren. Daarnaast is uw cliënt voornemens om in afwijking van 3.5 lid 4 Wnb drie verblijfplaatsen (twee zomer- en één paarverblijfplaats) van de gewone dwergvleermuis en één zomerverblijfplaats van de laatvlieger te vernielen. Dit maakt dat beoordeeld moet worden of er voldoende is aangetoond dat: 1. Er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is; 2. Er een wettelijk belang is op grond waarvan ontheffing kan worden verleend; 3. Het uitvoeren van de aangevraagde ingreep geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de gewone dwergvleermuis in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; 4.

Het uitvoeren van de aangevraagde ingreep geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de laatvlieger in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. 1) Er bestaan geen andere bevredigende oplossingen Voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger geldt dat aangetoond moet worden aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing (alternatief) is voor de door uw cliënt geplande ingreep. I. Locatie De voorliggende ingreep bestaat uit de sloop van de bebouwing aan Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25. Deze gebouwen worden gesloopt om ruimte te maken voor de realisatie van nieuwbouw in de vorm van 33 appartementen. Deze 33 appartementen zijn verdeeld over drie Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

12

appartementencomplexen. Indien er gekozen wordt voor een andere locatie is het mogelijk dat hiervoor gebieden zonder woonbestemming of gebieden met een hogere natuurwaarde plaats moeten maken voor woningbouw. Hiermee is de beoogde ontwikkeling elders niet wenselijk en blijft deze locatiegebonden. Het plangebied bevindt zich geheel binnen de bebouwde kom, wat de ladder van duurzame verstedelijking van toepassing maakt. II. Planning De beoogde planning van de benodigde werkzaamheden is volledig gebaseerd op de minst kwetsbare periode van vleermuizen. De sloopwerkzaamheden staan gepland vanaf september, na het realiseren van tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen en het natuurvrij maken van de bebouwing. Na de sloopwerkzaamheden volgen de werkzaamheden voor het bouwrijp maken en de daadwerkelijke bouw. Een andere planning is niet wenselijk, omdat hiermee de werkzaamheden mogelijk in de kwetsbare periode van vleermuizen moeten worden uitgevoerd. III. Werkwijze en inrichting De sloop van drie woonpercelen en de nieuwbouw is onderdeel van de herontwikkeling aan de boulevard genaamd de ‘Groene Wielingen’. De panden zijn gedateerd en hebben een laag energielabel. Met enkel renovatie kan de gevraagde kwaliteitsslag niet gehaald worden. In de nieuwbouw zijn ook meer appartementen voorzien dan er in de huidige situatie woningen zijn.

Deze aantallen zijn binnen de huidige bebouwing niet haalbaar met enkel renovatie. Andere alternatieve werkwijzen en/of inrichting zijn daarom niet mogelijk. 2) Wettelijk belang De ontheffing voor de laatvlieger en de gewone dwergvleermuis wordt aangevraagd in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Aanpassingen van de woningen in het kader van klimaatverandering is een dwingende reden van groot openbaar belang met betrekking tot redenen voor het milieu wezenlijke effecten. In het kader van de klimaatverandering zijn door allerlei partijen convenanten gesloten en afspraken gemaakt over maatregelen die leiden tot een stabilisatie en uiteindelijk afname van de CO2-uitstoot. Om de CO2-uitstoot terug te dringen is het nodig om het verbruik van fossiele brandstoffen te reduceren. Dit kan door gebruik te maken van alternatieve energiebronnen zoals elektrische energie opgewekt door wind, zon en water of het gebruik van aardwarmte. Een andere manier kan zijn om (bestaande) bebouwing beter te isoleren. De te slopen bebouwing binnen het planvoornemen zijn niet energiezuinig. De nieuwbouw zal worden geïsoleerd en er zal gebruik worden gemaakt van hernieuwbare energie.

De nieuwbouw van energiezuinige appartementen mag daarom worden gezien als “voor het milieu wezenlijk gunstig effect”. Door de hoge woningbehoefte blijft het van belang dat er nieuwe woningen worden gebouwd. De realisatie van de nieuwbouw in de vorm van appartementen mag daarom als reden van sociale aard worden beschouwd. De huidige woningvoorraad van de gemeente Sluis is onvoldoende vernieuwd en past niet meer in de huidige tijd, zowel qua verduurzaming, woonwensen en bevolkingsopbouw. Het is daarom nodig de woningvoorraad aan te passen aan de transities op het gebied van klimaat en demografie. De aangevraagde ingreep zorgt voor een toename van het aantal appartementen. De te realiseren nieuwbouw zal ook worden gebruikt als recreatieve voorziening. De gemeente Sluis zet in op een uitbreiding en kwaliteitsslag van de recreatieve functie van badplaats Cadzand-Bad. Recreatie en toerisme zijn zeer belangrijk voor Zeeland, als pijlers voor de economie, werkgelegenheid en leefbaarheid. De realisatie van recreatieve voorzieningen mag daarom ook als reden van economische aard worden beschouwd. Uit bovenstaande overwegingen wordt duidelijke dat de ingreep nodig is in het belang van de openbare veiligheid en dat een bijdrage wordt geleverd aan redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten.

3) Gunstige staat van instandhouding gewone dwergvleermuis Er moet worden aangetoond dat door het uitvoeren van de ingreep geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de gewone dwergvleermuis in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. I.

Inleiding

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

13

De gewone dwergvleermuis is de meest algemene vleermuis van Nederland. De gunstige staat van Instandhouding op landelijk niveau wordt als gunstig beschouwd. Sinds 1986 neemt het aantal vleermuizen in Nederland toe. II.

Onderzoek

 Quickscan In de bij de aanvraag gevoegde quickscan, ons kenmerk: 382210-04, is een uitgebreide beschrijving opgenomen van het plangebied. Dat uit drie deelgebieden bestaat. Het plangebied betreft drie woningen (16, 24 en 25) en is gelegen aan Boulevard de Wielingen in Cadzand-Bad. Het plangebied ligt centraal in het dorp Cadzand-bad. De omliggende bebouwing bestaat voornamelijk uit appartementencomplexen en vrijstaande woningen. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en in het gehele plangebied zijn meerdere (jaarrond groene) struiken en heesters aanwezig. Boulevard de Wielingen 16 is opgebouwd uit baksteenmuren met spouw en een pannendak met dakbeschot. In de muren zijn er geen openingen aanwezig die toegang bieden tot de spouwmuur. Echter zijn er kierende kantpannen aanwezig aan de kopgevels van de woning waarin mogelijkheden aanwezig zijn voor vleermuizen. Naast de woning is een garage gesitueerd. Door het gebrek aan spouw en dakbeschot in de garage kan de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen daar uitgesloten worden. Boulevard de Wielingen 24 staat er sinds 1965 en bestaat uit een vakantiehuizen-verhuurbedrijf en een tweetal bovengelegen appartementen. Het gebouw is opgebouwd uit baksteenmuren en een pannendak. Er is een spouwmuur en dakbeschot aanwezig.

In de muren van de bebouwing zijn ventilatiegaten en stootvoegen aanwezig op circa 2,5 meter hoogte en laag bij de grond. Hierdoor kan de aanwezigheid van vleermuizen niet worden uitgesloten. Boulevard de Wielingen 25 is een woning, die dateert uit 1960. De woning is opgebouwd uit baksteenmuren met een pannendak. Er is een dakbeschot en spouwmuur aanwezig. Door de aanwezigheid van openingen in de spouw en de kierende kantpannen aan de kopgevels is de aanwezigheid van vleermuizen niet uit te sluiten. Daarnaast is nog een schuur aanwezig, die is overwoekerd. De aanwezigheid van vleermuizen kan worden uitgesloten in de schuur. Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocaties gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocaties gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Op en rondom de Boulevard de Wielingen 16 zijn er geen structuren aanwezig die dienen als essentiële vliegroute en/of foerageergebied. Op Boulevard de Wielingen 24 en 25 zijn bomenrijen aanwezig die als vliegroute zouden kunnen dienen.  Nader ecologische onderzoek In het nader ecologisch onderzoek, ons kenmerk: 382210-05, zijn binnen het plangebied twee zomerverblijfplaatsen en één paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aangetroffen. De exacte vindplaatsen van de verblijfplaatsen zijn weergegeven in figuur 2 in bijlage 1.

De paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis is aangetroffen in de voeg tussen de gevelplaten en de gemetselde gevel van Boulevard de Wielingen 25. Eén van de zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis is aangetroffen tussen de opening via het dak en de gevel van Boulevard de Wielingen 16. De andere zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis tussen de kantkannen van huisnummer 16. In de bebouwing van Boulevard de Wielingen 24 zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. In het nader ecologisch onderzoek is ook beschreven dat gewone dwergvleermuizen gebruik maken van een netwerk van verblijfplaatsen. Gedurende het vleermuisonderzoek zijn geen essentiële vliegroutes en/of essentieel foerageergebied vastgesteld. III. Alternatieven Gewone dwergvleermuizen bewonen een netwerk aan verblijfplaatsen. Een bepaalde verblijfplaats binnen dit netwerk kan, afhankelijk van de kwaliteit van de verblijfplaats, voor één of meer functies worden gebruikt. De gewone dwergvleermuizen moeten in staat zijn om zich van de ene naar de andere verblijfplaats te verplaatsen. Er moet een netwerk aan verblijfplaatsen die geschikt zijn voor de betreffende functie in stand blijven. Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

14

De functionaliteit van twee zomerverblijfplaatsen en één paarverblijfplaats gaat verloren bij het slopen van de bebouwing. Hierdoor moeten alternatieve zomer- en paarverblijfplaatsen worden gerealiseerd in de omgeving van het plangebied. Volgens het Kennisdocument gewone dwergvleermuis moeten deze vervangende verblijfplaatsen voor minimaal eenzelfde aantal gewone dwergvleermuizen dezelfde ecologische functie kunnen vervullen als de verblijfplaatsen die door de werkzaamheden verloren gaan. Een vervangende verblijfplaats heeft nooit dezelfde eigenschappen als de oorspronkelijke verblijfplaats. Hierdoor kunnen vervangende zomer- en paarverblijfplaatsen, zowel wat betreft eigenschappen als locatie, minder geschikt blijken dan verwacht. Dit wordt ondervangen door in het gebied van het bestaande netwerk per verblijfplaats die verloren gaat, meerdere verblijfplaatsen aan te bieden. Hoe meer alternatieven verblijfplaatsen aanwezig zijn, hoe groter de kans is dat minimaal een van deze geschikt gevonden wordt. Dat betekent dat er voor de twee zomerverblijfplaatsen die in het plangebied zijn aangetroffen tenminste acht alternatieve zomerverblijfplaatsen moeten worden gerealiseerd (voorschrift 11). Ook moeten er vier alternatieve paarverblijfplaatsen voor de paarverblijfplaats die verloren gaat worden gerealiseerd (voorschrift 12).

Daarnaast worden er tenminste acht alternatieve zomerverblijfplaatsen en vier alternatieve paarverblijfplaatsen geïntegreerd in de nieuwbouw (voorschrift 14). De locaties van zowel de tijdelijke en de definitieve alternatieve zomer- en paarverblijfplaatsen worden vastgesteld door de ecologisch deskundige, omdat dit de kans op succes vergroot. De ecologisch deskundige legt zijn bevindingen over de locatie vast al dan niet het logboek (voorschrift 13). IV.

Eisen aan alternatieven

 Tijdelijke alternatieve voorzieningen Voor de gewone dwergvleermuis moeten in totaal twaalf vleermuiskasten worden gerealiseerd. Deze kasten moeten voldoen aan de afmetingen zoals beschreven in het Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Deze afmetingen zijn ook opgenomen in voorschrift 15. Het gebruikte type vleermuiskastis van van het type VivaraPro VK WS 01 7 of vergelijkbaar. In het Kennisdocument gewone dwergvleermuis is een gewenningsperiode beschreven. In deze periode dienen zowel de oorspronkelijke verblijfplaatsen als de alternatieve verblijfplaatsen aanwezig te zijn. Voor gewone dwergvleermuizen geldt een minimale gewenningsperiode van 3 maanden in het vleermuisactieve seizoen (april-oktober daaropvolgend) voor zowel zomer- als paarverblijfplaatsen. Deze gewenningsperiodes zijn opgenomen in voorschrift 11 en 12. Omdat op het moment van indienen van de aanvraag niet duidelijk is of en wanneer de vleermuiskasten zijn geplaatst. Moet zodra de vleermuiskasten zijn opgehangen dit worden gemeld aan de RUD-Zeeland. Als de kasten inmiddels al zijn opgehangen moet aan de RUD doorgegeven worden wanneer de kasten zijn opgehangen. De gewenningsperiode gaat pas lopen zodra het plaatsen van de kasten is gemeld bij de RUD-Zeeland (voorschrift 14). In het Kennisdocument gewone dwergvleermuis zijn ook diverse eisen opgenomen waaraan de vleermuiskasten moeten voldoen.

Zo moeten de vleermuiskasten op verschillende oriëntaties worden geplaatst. De maximale afstand tussen de huidige vleermuisverblijfplaats en de alternatieve verblijfplaats is maximaal 200 meter. De alternatieve verblijfplaatsen worden buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden geplaatst. De kasten moeten op 3 meter hoogte worden geplaatst met een vrije in- en uitvliegroute. Daarnaast moeten de kasten voldoende veiligheid tegen predatoren en minimale verstoring van kunstmatig licht. Deze eisen zijn opgenomen in voorschrift 15. De locaties en verdere uitwerking van de voorzieningen worden in overleg met de ecologisch deskundige nader bepaald. Aan de melding aan de RUD moet een onderbouwing door de ecologisch deskundige worden toegevoegd waarin uitgewerkt is hoe aan de eisen voor de locatie is voldaan (voorschrift 15). Om ook op de lange termijn de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis op lokaal niveau te kunnen waarborgen, moeten zowel de vleermuiskasten die gebruikt worden voor de tijdelijke als de definitieve zomerverblijfplaatsen van voldoende duurzaam materiaal zijn 7

VK WS 01 Vleermuis gevelkast - Vivara Pro

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

15

(voorschrift 15). Om te zorgen dat de tijdelijke vleermuiskasten blijven functioneren is voorschrift 20 aan de ontheffing verbonden dat voorschrijft dat er jaarlijks controle en indien nodig onderhoud aan de kasten plaats moet vinden.  Realiseren permanente voorzieningen Naast het realiseren van de alternatieve tijdelijke vleermuiskasten worden in de nieuwbouw ook twaalf vleermuiskasten geïntegreerd voor de gewone dwergvleermuis (voorschrift 14). Deze inbouwkasten zijn het type IB VL 06 van VivaraPro 8 of vergelijkbaar. Momenteel is het exacte ontwerp van de appartementencomplexen nog niet bekend. Inbouwstenen worden echter geplaatst in daartoe geschikte (idealiter stenen) gevels. De locaties en verdere uitwerking van de voorzieningen worden in overleg met de ecologisch deskundige nader bepaald (voorschrift 19). Zodra de nieuwbouw met de inbouwvoorzieningen gereed is wordt dit gemeld bij de RUD-zeeland. Aan de melding aan de RUD moet een onderbouwing door de ecologisch deskundige worden toegevoegd waarin bovenstaande punten met betrekking tot de locatie zijn uitgewerkt (voorschrift 19). Voor de inbouwvoorzieningen gelden dezelfde voorwaarden als voor de tijdelijke vleermuisvoorzieningen. Wanneer deze melding is gedaan, vervalt de onderhouds- en controleplicht. Eventueel kunnen de tijdelijke alternatieve zomer- en paarverblijfplaatsen worden verwijderd.

Dit kan alleen als de ecologisch deskundige heeft vastgesteld dat de tijdelijke alternatieve zomer- en paarverblijfplaats op dat moment niet wordt gebruikt door de gewone dwergvleermuis (voorschrift 20). V. Werkwijze Omdat de te slopen bebouwing een functie heeft voor de gewone dwergvleermuis, zal vleermuisvriendelijk worden gewerkt. Dit houdt in dat er maatregelen worden genomen om te voorkomen dat gewone dwergvleermuizen worden gedood en ook onnodige verstoring wordt voorkomen. Om effecten als gevolg van licht te voorkomen is voorschrift 6 aan de ontheffing verbonden.  Ongeschikt maken Een andere maatregel is het ongeschikt maken van de te slopen bebouwing voorafgaand aan de ingreep. Op deze manier krijgt de gewone dwergvleermuis de tijd om de te slopen bebouwing te verlaten en worden geen gewone dwergvleermuizen gedood tijdens het slopen van de bebouwing (zie voorschrift 16 en 17). Dit voorschrift schrijft voor dat het ongeschikt maken van de te slopen bebouwing plaats mag vinden tussen 1 september en 15 oktober of tussen 15 april en 15 mei (voorschrift 16). Dit ongeschikt maken mag alleen plaats vinden als de temperatuur boven de 10 °C is én bij voor de gewone dwergvleermuis geschikte weersomstandigheden. De aanvraag gaat uit van 8 °C. Veiligheidshalve gaan wij uit van 10 °C.

Dit omdat gewone dwergvleermuizen beneden deze temperatuur en niet geschikte weersomstandigheden niet actief zijn en dan dus niet in staat zijn om hun verblijfplaats te verlaten. Gewone dwergleermuizen krijgen zo de kans om de vastgestelde verblijfplaats tijdig te verlaten zodat er tijdens de werkzaamheden geen gewone dwergvleermuizen meer aanwezig kunnen zijn in de te slopen bebouwing. De basis van het ongeschikt maken is het verstoren van het microklimaat, zoals bij het maken van tochtgaten. Een andere methode is gebaseerd op het afdichten van verblijfplaatsen op een dusdanige manier dat vleermuizen wel naar buiten, maar niet meer naar binnen kunnen komen. Bij het dichtmaken van openingen met rondschuim of spouwborstels is het van belang dat er geen vleermuizen opgesloten raken in afgesloten delen. Deze methode mag daarom alleen worden toegepast bij openingen waarbij de achterliggende spouw open is en aaneengesloten met openingen waar een “exclusion flap” aanwezig is. Voor het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen onder de kantpannen worden de kantpannen afgedicht met rondschuim en op de locatie van de invliegopening wordt een “exclusion flap” geplaatst (voorschrift 17). Er wordt een “exclusion flap” voor de geschikte opening geplaatst, daarnaast wordt per type opening (voeg/kantpan) elke meter één “exclusion flap” geplaatst, om voldoende uitvliegmogelijkheden te

8

https://www.vivarapro.nl/shop/inbouwstenen/inbouwstenen-vleermuizen/ib-vl-06-inbouwsteen-vleermuizen/

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

16

bieden. De overige openingen worden gedicht met rondschuim. Op deze manier kunnen vleermuizen de openingen verlaten, zonder opgesloten te raken. De voorzieningen voor het ongeschikt moeten minimaal 5 aaneengesloten dagen worden ingezet. Er wordt expliciet geen gebruikgemaakt van folie, netten of purschuim (voorschrift 17).  Ecologisch deskundige De ecologisch deskundige stelt een ecologisch werkprotocol op (voorschrift 3). Dit werkprotocol moet worden opgestuurd aan de RUD-zeeland tegelijktijdig met de startmelding (voorschrift 9). In dit werkprotocol moeten in ieder geval de volgende zaken worden opgenomen: • • • • • •

Maatregelen om verstoring van vogels en andere (beschermde) diersoorten te voorkomen; Maatregelen om het vernielen van (beschermde) planten te voorkomen; De momenten waarop ecologische begeleiding noodzakelijk is; De periode van het jaar waarin de werkzaamheden moeten of mogen worden uitgevoerd; De mate waarin en de wijze waarop verlichting tijdens en na de werkzaamheden kan worden ingezet; De werkvolgorde en de werkmethoden in relatie tot de gewone dwergvleermuis in voorliggende aanvraag. In dit protocol dienen dan ook de voorschriften van deze ontheffing te worden meegenomen.

Een ecologisch deskundige wordt bij alle benodigde werkzaamheden betrokken; hij/zij zal aanwijzingen geven over hoe het ongeschikt maken en de benodigde werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Deze aanwijzingen moeten worden vastgelegd in het logboek (voorschrift 5). De ecologisch deskundige moet oproepbaar zijn tijdens alle benodigde werkzaamheden (voorschrift 5). Om te controleren of er ondanks de genoemde maatregelen geen vleermuizen meer aanwezig zijn, vindt kort (twee dagen) voor de sloop een controle door de ecologisch deskundige plaats. Dit vindt plaats tussen het ongeschikt maken en de start van de sloop, maar ten minste drie dagen na het ongeschikt maken, zodat de vleermuizen de tijd hebben gehad om uit te vliegen. De controle, zoals beschreven in voorschrift 18 mag uiteraard ook alleen plaats vinden bij een voor vleermuizen geschikte temperatuur en weersomstandigheden, zoals beschreven in voorschrift 16. Zijn er nog vleermuizen aanwezig dan mag pas met de sloop worden aangevangen nadat in overleg met de ecologisch deskundige maatregelen genomen zijn (voorschrift 18). VI. Conclusie Door het uitvoeren van de ingreep gaan er twee vastgestelde zomerverblijfplaatsen en één paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis definitief verloren.

Door het ongeschikt maken en de controle door de ecologisch deskundige wordt voorkomen dat exemplaren van de gewone dwergvleermuizen worden verwond of gedood. Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden worden tijdelijke zomer- en paarverblijfplaatsen gerealiseerd die geschikt zijn als alternatieve voor gewone dwergvleermuis. Daar komt bij dat ook in de nieuwbouw alternatieve zomer/paarverblijfplaatsen worden geïntegreerd voor de gewone dwergleermuis in de vorm van inbouwvleermuiskasten. Hiermee is aangetoond dat er, ondanks het verdwijnen van de drie twee vastgestelde verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de gewone dwergvleermuis in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. 4) Gunstige staat van instandhouding laatvlieger Er moet worden aangetoond dat door het uitvoeren van de ingreep geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de laatvlieger in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. I.

Aanvraag

Inleiding De laatvlieger wordt in het gehele land waargenomen. Het voorkomen van de laatvlieger in Nederland laat tussen 2015 en 2021 een stabiele trend zien. De populatietrend van de laatvlieger in Nederland is

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

17

dan ook geclassificeerd als ‘stabiel’ (Zoogdiervereniging, 2022). Maar de soort staat wel als kwetsbaar op de rode lijst van 2020 9. Onderzoek 

Quickscan

In de bij de aanvraag gevoegde quickscan, ons kenmerk: 382210-04, is een uitgebreide beschrijving opgenomen van het plangebied. Dat uit drie deelgebieden bestaat. Het plangebied betreft drie woningen (16, 24 en 25) en is gelegen aan de Boulevard de Wielingen in Cadzand-Bad. Het plangebied ligt centraal in het dorp Cadzand-bad. De omliggende bebouwing bestaat voornamelijk uit appartementencomplexen en vrijstaande woningen. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en in het gehele plangebied zijn meerdere (jaarrond groene) struiken en heesters aanwezig. Boulevard de Wielingen 16 is opgebouwd uit baksteenmuren met spouw en een pannendak met dakbeschot. In de muren zijn er geen openingen aanwezig die toegang bieden tot de spouwmuur. Echter zijn er kierende kantpannen aanwezig aan de kopgevels van de woning waarin mogelijkheden aanwezig zijn voor vleermuizen. Naast de woning is een garage gesitueerd. Door het gebrek aan spouw en dakbeschot in de garage kan de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen daar uitgesloten worden. Boulevard de Wielingen 24 staat er sinds 1965 en bestaat uit een vakantiehuizen-verhuurbedrijf en een tweetal bovengelegen appartementen. Het gebouw is opgebouwd uit baksteenmuren en een pannendak. Er is een spouwmuur en dakbeschot aanwezig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=3f2b511d-3a0f-493a-bc7c-8c2a79c7f065