01 Bijlagen 4 tm 7 bij ruimtelijke onderbouwing (Natuur)
Tekst van het document
Deze maatregelen bestaan uit het ongeschikt dan wel ontoegankelijk houden van het plangebied. Indien er sprake is van het ontstaan van mogelijk geschikt voortplantingswater dient het ontoegankelijk maken van een perceel voor de migratie en voortplantingsperiode (april-september) uitgevoerd worden. Het ongeschikt houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat zo min mogelijk vergraafbaar zand gebruikt of opgeslagen wordt binnen het bouwterrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. De aanleg van een zanddepot moet voorkomen worden. In de voorjaars- en zomerperiode zorgen dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden (figuur 2).
30
Figuur 2
Bij hevige regenval kunnen ondiepe plassen gevuld worden met water. Deze tijdelijke poelen zijn uitermate geschikt voor de rugstreeppad, waarin eisnoeren afgezet kunnen worden. Het ontstaan van deze geulen dient te allen tijde voorkomen te worden (bron: Blom Ecologie).
In de najaar- en winterperiode moet gezorgd worden dat er geen overwintering van rugstreeppadden kan optreden. Voldoende vergraafbaar zand (zanddepot) kan gebruikt worden voor overwintering. Ook stenenstapels, houtstapels of andere vorstvrije structuren (onder een bouwkeet bijvoorbeeld) kunnen gebruikt worden voor overwintering. Dergelijke structuren dienen weggehaald te worden buiten de overwinteringsperiode (september-april) van de soort. Het ontoegankelijk houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat voorzieningen worden geplaatst waardoor rugstreeppadden het plangebied niet kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (figuur 3). De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
Figuur 3
Een incorrect geplaatst amfibiescherm (links). Een correct geplaatst amfibiescherm (rechts). Deze dienen minimaal 10 cm ingegraven te zijn (bron foto’s: Blom Ecologie).
31
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 32
Aanvullend onderzoek ecologie Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 te Cadzand-Bad Aanvullend onderzoek naar huismus, gierzwaluw en vleermuizen in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Status:
Definitief
Project:
2022-0823
Datum:
28 juli 2023
Samensteller:
E. Honingh MSc.
Collegiale toets:
ing. J. Dekkers
Opdrachtgever:
Adromi B.V.
Contactpersoon:
S. van Werven
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Doel
4
1.3
Beschrijving plangebied
5
1.4
Voorgenomen werkzaamheden
5
1.5
Mogelijk aanwezige soorten
6
1.6
Kader Wet natuurbescherming
6
2 Methode onderzoek
8
2.1
Theoretisch kader
8
2.2
Praktische uitvoering
8
2.3
Materialen en aanvullende onderzoeksmethodes
10
2.4
Veldbezoeken
10
2.5
Specifieke omstandigheden
10
3 Resultaten
11
3.1
Huismus
11
3.2
Gierzwaluw
13
3.3
Vleermuizen
14
3.4
Overige soorten
15
4 Conclusie
17
4.1
Huismus
17
4.2
Gierzwaluw
17
4.3
Vleermuizen
17
4.4
Overige soorten
17
4.5
Samenvatting
18
4.6
Vervolgstappen
18
1 Inleiding 1.1
Aanleiding Aan de Boulevard de Wielingen te Cadzand-Bad zijn drie woonpercelen met bijgebouwen gesitueerd (figuur 1.1). De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te slopen en al het aanwezige groen (bomen/struiken) te verwijderen ten behoeve van meerdere appartementencomplexen. Op Boulevard de Wielingen worden 14 appartementen gerealiseerd en op Boulevard de Wielingen 24 en 25 worden er 14 en 5 appartementen gebouwd.
Figuur 1.1
Het plangebied is gelegen te Cadzand-Bad.
Gezien de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van natuurwaarden beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb) is een quickscan Wnb uitgevoerd naar de potentie van het plangebied en mogelijke negatieve effecten ten gevolge van de beoogde werkzaamheden (Vleeshouwers, 2022). Op basis van de quickscan Wnb kon de aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels (huismus en gierzwaluw) en vleermuisverblijfplaatsen niet uitgesloten worden (zie tabel 1.1). Om vast te stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor vorengenoemde soorten dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Adromi heeft Blom Ecologie verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven.
1.2
Doel In dit aanvullende ecologische onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Zijn huismus, gierzwaluw en vleermuizen aanwezig in het onderzoeksgebied? • Op welke wijze maken vorengenoemde soorten gebruik van het onderzoeksgebied? Zijn in het onderzoeksgebied jaarrond beschermde nestlocaties, verblijfplaatsen of essentiële onderdelen van het leefgebied aanwezig? • Resulteert de voorgenomen ingreep in het beschadigen of wegnemen van jaarrond beschermde nestlocaties, verblijfplaatsen of essentiële onderdelen van het leefgebied? Is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de voorgenomen ingreep uitgevoerd kan worden?
4
1.3
Beschrijving plangebied Het plangebied betreft drie woningen gelegen aan de Boulevard van Wielingen te Cadzand-Bad. De woningen zijn uit verschillende bouwjaren (allen tussen 1959 – 1965) en beschikken over gemetselde muren met pannen dakbedekking. Op het perceel van Boulevard van Wielingen 25 zijn tevens verwilderde groenstructuren en is een bomenrij aanwezig welke verwijderd dient te worden. Op de andere percelen zijn goed onderhouden tuinen gesitueerd. Een uitgebreide beschrijving van het plangebied en de directe omgeving hiervan is te vinden in de quickscan Wnb (Vleeshouwers, 2022). Een impressie van de planlocatie is weergegeven in figuur 1.2.
Figuur 1.2 De bebouwing in het plangebied betreft een woning/kantoorpand/schuur.
1.4
Voorgenomen werkzaamheden De initiatiefnemer is voornemens om de bebouwing en de groenstructuren op het plangebied te verwijderen ten behoeve van de realisatie van 33 appartementen. De ingreep zal indicatief op hoofdlijnen bestaan uit de volgende werkzaamheden: • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen van struiken en bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
5
1.5
Mogelijk aanwezige soorten Uit de quickscan Wnb (Vleeshouwers, 2022) is gebleken dat binnen het plangebied mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties en/of vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn (tabel 1.1). In tabel 1.2 wordt de potentie naar vleermuissoort en type verblijfplaats gespecificeerd. Tabel 1.1
Overzicht van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten (Vleeshouwers, 2022). Onderzoek nodig
Bescherming Wnb
Mogelijke functie plangebied
Ja
art. 3.5
Verblijfplaatsen in gebouwen
huismus
Ja
art. 3.1
Nestlocaties en leefgebied
gierzwaluw
Ja
art. 3.1
Nestlocaties
Soortgroep Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën, reptielen en vissen Insecten en ongewervelden Vogels (Cat. 1 t/m 4)
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Tabel 1.2
Overzicht van de potentie voor vleermuissoorten en type verblijfplaatsen (Vleeshouwers, 2022).
Vleermuissoort
1.6
Zomer
Kraam
Paar
Massawinter
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Laatvlieger
Ja
Ja
Ja
Nee
Kader Wet natuurbescherming De soortenbescherming van de Wet natuurbescherming valt op grond van internationale verdragen en nationaal beschermde soorten uiteen in drie verschillende beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (art. 3.1), Habitatrichtlijn (art. 3.5) en de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). De bescherming van de gierzwaluw en huismus valt onder de Vogelrichtlijn. Binnen de Vogelrichtlijn wordt onderscheid gemaakt tussen soorten waarvan het leefgebied en de nestplaats jaarrond beschermd zijn en overige broedvogels waarvan de nestplaats en het leefgebied enkel beschermd zijn tijdens de broedperiode. Vleermuizen vallen onder de bescherming van de Habitatrichtlijn. Naar aanleiding van de beoogde werkzaamheden kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden: Wnb, art. 3.1 (Vogelrichtlijnsoorten) Lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Lid 4: Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Wnb, art. 3.5 (Habitatrichtlijnsoorten) Lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren Lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
6
Voorliggend onderzoek en rapportage zijn uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Aannemelijk zal per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking treden. Binnen de Omgevingswet blijven de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn onverminderd van kracht. Uitvoeringskaders, termijnen en processen vinden binnen de Omgevingswet op andere wijze plaats. Implementatie en wijze van uitvoering zijn vooralsnog niet vastgesteld.
7
2 Methode onderzoek 2.1
Theoretisch kader Ten behoeve van ecologische onderzoek naar een aantal beschermde soorten in Nederland zijn door experts richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in zekere mate juridische kaders gaan vormen bij de toetsing van onderzoeken op juistheid en volledigheid. Voor de huismus en de gierzwaluw zijn deze richtlijnen vastgelegd in de Kennisdocumenten (BIJ12, 2017). Voor vleermuizen geldt het meest actuele Vleermuisprotocol (momenteel NGB, 2021) als richtlijn. De richtlijnen worden door de opstellers geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast. De uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in de richtlijnen vormen de basis voor het soortspecifiek onderzoek wat wordt uitgevoerd door Blom Ecologie. In tabel 2.1 wordt voor de desbetreffende beschermde gebouwbewonende soorten beknopt weergeven wat de onderzoeksperioden en methode zijn. Voor de veldbezoeken wordt een minimale tussenliggende periode aangehouden voor een goede spreiding over de onderzoeksperiode, conform de relevante Kennisdocumenten en het meest actuele Vleermuisprotocol. Tabel 2.1
Samenvatting van de uitgangspunten ten behoeve van het aanvullend ecologisch onderzoek zoals geformuleerd in de relevante Kennisdocumenten en het meest actuele Vleermuisprotocol.
Soort Huismus
Gierzwaluw
Cat. 5 vogels Algemene broedvogels
Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen
Type Nest Leefgebied
Nest
Periode
Omschrijving
1 april t/m 15 mei
2 veldbezoeken, idealiter in de ochtend. Inventariseren van baltsende mannetjes, nestbezoeken en het gebruik van leefgebied.
15 mei t/m 15 juli
3 veldbezoeken in de avond, waarvan 1 tussen 20 juni en 7 juli. Inventariseren van in- en uitvliegende individuen. De nesten van cat. 5 soorten en andere algemene broedvogels worden meegenomen gedurende de overige veldbezoeken.
Nest
Kraam
15 mei t/m 15 juli
Zomer
15 april t/m 15 aug.
Paar
15 aug. t/m 30 sep.
Minimaal 2 veldbezoeken per type verblijfplaats na zonsondergang of voor zonsopkomst. Veldbezoeken kunnen gecombineerd worden uitgevoerd. Inventariseren van in- en uitvliegende individuen alsmede gedrag indicatief voor een verblijfplaats (o.a. baltsende dieren).
2.2 Praktische uitvoering De praktische uitvoering valt uiteen in standaardprocedure tijdens elk veldbezoek, de reactieve onderzoek wijze die gehanteerd wordt en, indien van toepassing, de aanvullende onderzoeksmethodes. Op basis van de te verwachten soorten en de relatieve potentie voor deze soorten binnen het onderzoeksgebied wordt het aanvullende onderzoek ingericht. Voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering wordt bekeken vanaf welke posities het onderzoeksgebied (gevels/daken/dakranden met potentie) het meest efficiënt en strategisch kan worden onderzocht. De strategische punten, looproute en zichtlijnen zijn afhankelijk van de aanwezigheid van obstructies, struiken/bomen, verlichting en diverse typen van bebouwing. Tevens zijn deze afhankelijk van de te onderzoeken soortgroep.
8
Binnen de kaders van de relevante Kennisdocumenten en het Vleermuisprotocol (tabel 2.1) is de onderzoek wijze vormvrij. Afhankelijk van omstandigheden zoals de relatieve potentie, ervaring, moment van onderzoek het aantal onderzoekers, en dergelijke, worden door de diverse onderzoeksbureaus op verschillende wijze onderzoek uitgevoerd. Aangezien de te onderzoeken soorten veelal voorkeur hebben voor bepaalde type verblijfsplaatsen en leefgebied wordt door Blom Ecologie reactief onderzoek uitgevoerd. Dit type onderzoek houdt vast aan strategische punten, looproutes en zichtlijnen waarbij het geobserveerde gedrag van de te onderzoeken soort en de lokale omstandigheden leidend zijn voor de keuze van de strategische punten of looproute en de verblijfsduur per punt. De strategische punten worden bepaald op locatie voorafgaand aan de start van een onderzoek door een visuele beoordeling op de actuele potentie voor de soort in kwestie. Deze punten kenmerken zich door goed overzicht binnen het onderzoeksgebied en zicht op zoveel mogelijk potentiële in- of uitvliegopeningen. Tijdens het aanvullend onderzoek huismus wordt met name gebruik gemaakt van strategische looproutes waarbij alle potentiële nesten gedurende het veldbezoek visueel gecontroleerd worden.
Hierbij wordt specifiek gelet op de aanwezigheid van baltsende mannetjes, het gebruik van het leefgebied en het in/uit vliegen bij de nestlocaties. Voor huismus geldt dat strategische punten veelal liggen nabij geschikt leefgebied. Tijdens het aanvullend onderzoek gierzwaluw wordt met name gebruik gemaakt van strategische punten. Deze strategische punten worden gekozen op basis van overzicht van het onderzoeksgebied, relatieve potentie, sporen van nesten en in latere rondes de gegevens van de eerdere bezoeken. Tijdens het gehele veldbezoek worden het aantal laagvliegende gierzwaluwen geteld voor het inschatten van het aantal nesten op locatie. De wisseling van de strategische punten is een reactie op het gedrag van de gierzwaluw, de waarnemer verandert van strategisch punt als er sprake is van laagvliegende, bouncende en roepende gierzwaluwen in een bepaald deel van het onderzoeksgebied. Het onderzoek wordt afgerond rond zonsondergang. De onderzoeker verlaat het onderzoeksgebied echter pas wanneer alle gierzwaluwen zijn ingevlogen of uit het gebied weggetrokken zijn. Afhankelijk van de periode kan het onderzoek daardoor doorlopen tot circa 30 minuten na zonsondergang. Tijdens deze laatste 30 minuten is er vaak sprake van relatief lage activiteit waardoor dit onderzoek waar nodig zonder kwaliteitsrisico’s kan overlopen in de veldbezoeken ten aanzien van vleermuizen.
Het aanvullend onderzoek vleermuizen wordt uitgevoerd door een combinatie van strategische punten en looproutes. Tijdens het eerste veldbezoek (zowel in het voorjaar als najaar) worden strategische punten ingenomen. Op het moment dat er sprake is van uitvliegende vleermuizen beweegt de onderzoeker zich in tegenovergestelde richting (dus de vleermuis tegemoet) naar het volgende strategische punt om zo een eventueel tweede of daaropvolgende uitvliegend individu, en uiteindelijk zo mogelijk de kolonieverblijfplaats, te lokaliseren. Hierbij blijft de nadruk op de woningen die binnen het plangebied vallen. Tijdens de vervolgonderzoeken wordt per seizoen de strategische punten ingenomen waar op dat moment de hoogste trefkans is. Voor alle onderzoeken geldt dat tijdens de rondes de keuze van strategische punten en/of looproutes beïnvloed worden door veranderende omstandigheden. Dit kan zijn een plotselinge verandering van windrichting, sterke toename of afname van windkracht, defecte straatverlichting en andere omstandigheden. Het aantal factoren dat bepaalt waarom een onderzoeker juist de ene richting meer op kijkt dan de andere of er juist voor kiest af te wijken van een gebruikelijke route zijn niet of nauwelijks definieerbaar.
De wijze van onderzoek verschilt, met in achtneming van de randvoorwaarden van de relevante Kennisdocumenten en het meest actuele Vleermuisprotocol, dus per datum, per loopronde en per moment. Er is derhalve geen sprake van vaste transecten maar veel eerder van diverse looproutes naar strategische punten waarbij de frequentie van stilstaan en beweging afhankelijk zijn van de omstandigheden op dat moment.
9
De personele inzet van ieder veldbezoek is afhankelijk van het type onderzoek, de ervaring van de waarnemers en de potentie van het plangebied. Alle veldwerkers van Blom Ecologie zijn bedreven en ervaren in onderzoeken in urbaan gebied. Het onderzoek is er niet op gericht om met volledige zekerheid alle mogelijke nesten en/of verblijfplaatsen te vinden of de aanwezigheid hiervan volledig uit te sluiten. Hiervoor zou een onderzoeksinspanning geleverd moeten worden die de onderzoeksprotocollen ver overstijgt. Van de geleverde onderzoeksinspanning wordt beoordeeld dat deze voldoende is zoals dat redelijkerwijs van een initiatiefnemer gevraagd kan worden. Met het uitgevoerde onderzoek worden derhalve resultaten geleverd die een goed beeld bieden van de aantallen individuen en de actieve nesten en/of verblijfplaatsen op die momenten binnen het onderzoeksgebied.
2.3 Materialen en aanvullende onderzoeksmethodes Het huismus- en gierzwaluwonderzoek is uitgevoerd met behulp van een verrekijker. Tijdens het gierzwaluwonderzoek is gebruik gemaakt van een speaker voor het afspelen van gierzwaluwgeluiden. Indien wordt teruggeroepen door jongen of ouderdieren kunnen hiermee nestlocaties van gierzwaluwen worden geïdentificeerd. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd met behulp van een batdetector, type Petterson D-200x of type PettersonD-240x. Deze type zijn heterodyne en D-240x heeft een time expansion functie. De time expansion functie maakt het mogelijk de geluidopnames te vertragen waardoor nauwkeurige analyse van de hoogfrequent geluiden uitgevoerd kunnen worden.
2.4 Veldbezoeken Het onderzoeksgebied is geïnventariseerd door ter zake deskundig ecologen van Blom Ecologie of externe ter zake deskundig ecologen onder verantwoordelijkheid van Blom Ecologie. De relevante omstandigheden ten tijde van de veldbezoeken zijn opgenomen in onderstaande tabel (tabel 2.2). Tabel 2.2
Uitgevoerde veldbezoeken gedurende het aanvullend onderzoek.
Veldbezoek
Functie
Vleermuis paar 1
Paar
Vleermuis paar 2
Aantal
Datum
Zon
Tijd
Weersomstandigheden
2
29-8-2022
20.37
23.00-01.00
0/8, droog, 3 Bft, 19°C
Paar
1
20-9-2022
19.45
21.00-23.00
3/8, droog, 1 Bft, 14°C
Huismus 1
Nest
2
4-4-2023
07.16
07.45-10.00
0/8, droog, 1 Bft, 3°C
Huismus 2
Nest
2
8-5-2023
06.00
06.30-08.30
8/8, droog, 2 Bft, 11°C
Vleermuis ochtend
Kraam + zomer
2
8-5-2023
06.00
04.00-06.00
4/8, droog, 2 Bft, 11°C
Gierzwaluw 1
Nest
2
16-6-2023
22.00
20.00-22.00
0/8, droog, 3 Bft, 22°C
Vleermuis avond 1
Kraam + zomer
2
16-6-2023
22.00
22.00-00.00
1/8, droog, 3 Bft, 19°C
Gierzwaluw 2
Nest
2
6-7-2023
22.03
20.00-22.15
2/8, droog, 2 Bft, 18°C
Vleermuis avond 2
Kraam + zomer
2
6-7-2023
22.03
22.00-00.15
1/8, droog, 2 Bft, 17°C
Gierzwaluw 3
Nest
1
14-7-2023
21.57
19.45-22.00
6/8, droog, 3 Bft, 22°C
pers.
2.5 Specifieke omstandigheden Tijdens de uitvoering van het onderzoek kan er sprake zijn van dusdanig omstandigheden dat er mogelijk een vertekend beeld optreedt van de verzamelde resultaten. Hiermee wordt niet bedoeld het gemotiveerd afwijken van uitgangspunten zoals geformuleerd in de Kennisdocumenten en Vleermuisprotocol. Tijdens het onderzoek was er, voor zover de onderzoekers hebben kunnen nagaan, geen sprake van omstandigheden die mogelijk effect sorteren op de onderzoeksresultaten. 10
3 Resultaten 3.1
Huismus Per veldbezoek zijn in totaal circa 20 huismussen waargenomen. De hoogste concentratie waargenomen huismussen bevond zich rond de Meester P.C. Hennequinlaan. Gezien het aantal waarnemingen van huismussen is er sprake van een middelgrote populatie binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied (klein < 10 paar, gemiddeld 10-25 paar, groot > 25 paar). Gedurende het onderzoek zijn 7 nesten van de huismus vastgesteld. Van deze nesten bevonden zich er geen binnen het plangebied, alle nesten zijn aangetroffen in de directe nabijheid van het plangebied. De exacte vindplaats van de huismusnesten zijn weergeven in tabel 3.1. In figuur 3.1 worden de aangetroffen nestlocaties weergeven. Ten gevolge van de beoogde ingreep worden er geen nestlocaties binnen het plangebied weggenomen. Het waargenomen functionele leefgebied van huismussen is geconcentreerd in de groenstructuren. Op deze plaats zijn enkele bomen en struiken aanwezig. In figuur 3.1 wordt weergeven welke delen van het onderzoeksgebied veelvuldig door huismussen worden gebruikt om te rusten, foerageren en als dekking tegen predatoren. Het gedefinieerde functioneel leefgebied is niet van essentieel belang voor het functioneren van nestlocaties van huismussen. Ten gevolge van de beoogde ingreep wordt dit functioneel leefgebied niet weggenomen. Tabel 3.1
Locaties van de aangetroffen huismusnesten.
Woonblok
Aantal nesten
Plangebied
Omschrijving
Meester P.C. Hennequinlaan 24
2
Buiten
Via dakvoet aan voorzijde en achterzijde
Duinlaan 5 & 5C
2
Buiten
Via dakvoet aan voorzijde
Sterntjeslaan 7 & 11
3
Buiten
Via dakvoet aan voorzijde
11
Figuur 3.1 Overzicht van de aangetroffen nestlocaties en leefgebied van huismussen binnen het onderzoeksgebied.
12
3.2 Gierzwaluw Per veldbezoek zijn in totaal circa 40 gierzwaluwen waargenomen. Het aantal wegtrekkende en aannemelijk niet-broedende individuen betreft circa 40 individuen. Gedurende het onderzoek zijn geen nesten van de gierzwaluw vastgesteld. Het functioneel leefgebied van gierzwaluwen laat zich vrijwel niet definiëren. Van aantasting van leefgebied van de gierzwaluw is derhalve geen sprake.
13
3.3 Vleermuizen Tijdens de onderzoeksrondes zijn in totaal een tweetal soorten waargenomen in het onderzoeksgebied (tabel 3.2). Waargenomen soorten betreffen de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. De meest waargenomen soort betrof de gewone dwergvleermuis. Tabel 3.2
Waarnemingen en aantallen van vleermuizen gedurende de veldbezoeken in het onderzoeksgebied. Een verblijfplaats kan bij meerdere veldbezoeken zijn vastgesteld, het totaal aantal verblijfplaatsen wordt weergegeven in tabel 3.3 en figuur 3.2. Aantal individuen
Veldbezoek
Soort
Vleermuis paar 1
Gewone dwergvleermuis
4
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
6
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
1
Paarverblijfplaats vastgesteld 1x
Gewone dwergvleermuis
1
Zomerverblijfplaats vastgesteld 1x
Gewone dwergvleermuis
10
Foeragerend
Laatvlieger
1
Zomerverblijfplaats vastgesteld 1x
Gewone dwergvleermuis
4
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
1
Zomerverblijfplaats vastgesteld 1x
Laatvlieger
1
Overvliegend
Laatvlieger
1
Foeragerend
Vleermuis paar 2 Vleermuis ochtend Vleermuis avond 1
Vleermuis avond 2
Gedrag en verblijfplaatsen
Gedurende het vleermuisonderzoek zijn 4 vleermuisverblijfplaatsen vastgesteld, allen binnen het plangebied. Binnen het plangebied is sprake van zomerverblijfplaatsen en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en een zomerverblijfplaats van de laatvlieger. De exacte vindplaats van de vleermuisverblijfplaatsen zijn weergegeven in tabel 3.3 en in figuur 3.2. Gedurende het vleermuisonderzoek is geen essentiële vliegroute en/of essentieel foerageergebied vastgesteld. Op basis van het vleermuisonderzoek wordt het bosschage aan de Boulevard de Wielingen frequent gebruikt als foerageergebied, dit wordt in de beoogde ruimtelijke ingreep niet aangetast. Op basis van het aantal waargenomen individuen is de aanwezigheid van een veel gebruikte vliegroute uitgesloten. De waargenomen individuen verspreiden zich nabij de bebouwing diffuus door het onderzoeksgebied waardoor er geen sprake is van de aanwezigheid van een vaste vliegroute of essentieel foerageergebied. De werkzaamheden hebben geen invloed op een mogelijke vliegroute of foerageergebied (Vleeshouwers, 2022). De resultaten van het vleermuisonderzoek onderschrijven deze beoordeling. Tabel 3.3
Overzicht van de aangetroffen vleermuisverblijfplaatsen in het onderzoeksgebied.
Adres
Soort
Functie
Plangebied
Omschrijving
Boulevard de Wielingen 25
Gewone dwergvleermuis
Paar
Binnen
1 individu invliegend in voeg tussen gevelplaten en gemetselde gevel
Boulevard de Wielingen 16
Gewone dwergvleermuis
Zomer
Binnen
1 individu invliegend via opening tussen dak en gevel
Boulevard de Wielingen 16
Laatvlieger
Zomer
Binnen
1 individu uitvliegend via kantpannen
Boulevard de Wielingen 16
Gewone dwergvleermuis
Zomer
Binnen
1 individu uitvliegend via kantpannen
14
Figuur 3.2 Overzicht van de aangetroffen vleermuisverblijfplaatsen in het onderzoeksgebied.
3.4 Overige soorten Naast de te onderzoeken soorten waarvoor het voorliggend onderzoek is uitgevoerd zijn tijdens de veldbezoeken waarnemingen van overige soorten gedaan. De volgende vogelsoorten zijn gedurende de veldbezoeken waargenomen: ekster, goudhaan, graspieper, groene specht, grote stern, heggemus, holenduif, houtduif, huismus, huiszwaluw, kauw, koolmees, kokmeeuw, lepelaar, merel, nachtegaal, ooievaar, roodborst, roodborsttapuit, spreeuw, tjiftjaf, tureluur, turkse tortel, wilde eend, winterkoning, wulp, zanglijster, zwarte kraai en zwartkopmeeuw. Deze waarnemingen bestaan met name uit overvliegende, rustende of foeragerende vogels. Tijdens het onderzoek zijn er nesten waargenomen van houtduif, merel, koolmees, en roodborst. De vindplaats van deze nestlocaties wordt weergegeven in figuur 3.3. Nesten van algemene broedvogels zijn beschermd gedurende het broedseizoen. Het broedseizoen loopt indicatief van 15 maart t/m 15 juli. Werkzaamheden die mogelijk nesten van algemene broedvogels aantasten dienen uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen. In het plangebied is er sprake van nesten van cat. 5 vogels die worden weggenomen, namelijk de koolmees.
Gezien er sprake is van één nest, er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn, de soort in een gunstige staat van instandhouding verkeert, er vervangende voorzieningen worden gerealiseerd en/of er voldoende nestlocaties van de soort lokaal behouden blijven is er geen sprake van ecologisch zwaarwegende redenen van cat. 5 vogels.
15
Figuur 3.2 Overzicht van de aangetroffen nestlocaties van algemene broedvogels en vogels die vallen onder cat. 5.
16
4 Conclusie 4.1
Huismus In april en mei 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in het plangebied aan de Boulevard de Wielingen 15, 24 en 25 te Cadzand. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument huismus (BIJ12, 2023). Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied geen nesten van huismus aanwezig zijn. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het leefgebied.
4.2 Gierzwaluw In juni en juli 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de gierzwaluw in het plangebied aan de Boulevard de Wielingen 15, 24 en 25 te Cadzand. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument gierzwaluw (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied geen nesten van gierzwaluw aanwezig zijn.
4.3 Vleermuizen In augustus en september 2022 en mei, juni en juli 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied aan de Boulevard de Wielingen 15, 24 en 25 te Cadzand. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB, 2021). Tijdens het onderzoek zijn 4 verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de woningen in het plangebied (Boulevard de Wielingen 16 en 25) een functie hebben voor de gewone dwergvleermuis als zomer- en paarverblijfplaats en voor de laatvlieger als zomerverblijfplaats. Deze verblijfplaatsen worden bij de beoogde ingreep weggenomen. Tevens maakt het plangebied (in beperkte mate) onderdeel uit van het leefgebied, maar is er geen sprake van het wegnemen van essentiële onderdelen van het leefgebied. De beoogde ingreep leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.5, lid 2 (verstoren vleermuizen) en lid 4 (wegnemen 4 verblijfplaatsen). Er dient ten aanzien van gewone dwergvleermuis en laatvlieger een ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de woningen met vleermuisverblijfplaatsen gerenoveerd kunnen worden.
4.4 Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in het plangebied. Er zijn in totaal 1 nest van een koolmees aangetroffen binnen het plangebied. Er is voor cat. 5 vogelsoorten geen sprake van ecologische zwaarwegende redenen en derhalve ook geen ontheffing Wnb noodzakelijk. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode 15 maart t/m 15 juli. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.
17
4.5 Samenvatting Tabel 4.1
Samenvatting van de aangetroffen nestlocaties en vleermuisverblijfplaatsen in het onderzoeksgebied.
Soort
Type
Aantal wegnemen
Aantal behouden
Bescherming Wnb
Ontheffing nodig
Huismus
Nest
0
7
Art. 3.1
Nee
Gierzwaluw
Nest
0
0
Art. 3.1
Nee
Zomer
2
0
Paar
1
0
Art. 3.5
Ja
Laatvlieger
Zomer
1
0
Art. 3.5
Ja
Nesten broedvogels en cat. 5 vogels
Koolmees
1
0
Art. 3.1
Nee
Gewone dwergvleermuis
4.6 Vervolgstappen Voor de uitvoering van de ingreep is ontheffing nodig van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (tabel 4.1). Conform de relevante wetteksten en Kennisdocumenten wordt aanbevolen om de navolgende aspecten te onderbouwen. Deze aspecten maken integraal onderdeel uit van het projectplan ten behoeve van de ontheffingsaanvraag. 1. De activiteit is nodig met een wettelijk belang (Wnb, art. 3.3, lid 4b en art. 3.8, lid 5b); 2. Voor de activiteit is geen alternatieve bevredigende oplossing (Wnb, art. 3.3, lid 4a en art. 3.8, lid 5a); 3. De staat van instandhouding van de soort blijft gewaarborgd (Wnb, art. 3.3, lid 4c en art. 3.8, lid 5c); 4. Bepaal compensatie en mitigatie (Wnb, art. 3.3, lid 4c en art. 3.8, lid 5c). Een ontheffingsaanvraag Wnb is enkel succesvol als al deze aspecten voldoende onderbouwd kunnen worden. Indien de ingreep geen wettelijk belang kent of indien de staat van instandhouding van de aanwezige soorten in het geding komt kan een ontheffing Wnb mogelijk geweigerd worden. Bevoegd gezag heeft de wettelijke termijn van 20 weken (13 + 7 weken verlenging) om een ontheffingsaanvraag Wnb te beoordelen. De planning van de werkzaamheden dient aangepast te worden aan de aanwezige soorten om zoveel mogelijk de werkzaamheden uit te voeren buiten kwetsbare periodes.
Dergelijk maatwerk kan ervoor zorgen dat het project enkel in bepaalde periodes van het jaar uitgevoerd kan worden. Indien de werkzaamheden leiden tot het wegnemen van nesten of verblijfplaatsen dienen alternatieve verblijfplaatsen gedurende een bepaalde periode aanwezig te zijn naast de huidige nesten of verblijfplaatsen. Deze gewenningsperiode is afhankelijk van de soort en het aantal individuen en betreft indicatief een aantal maanden en/of een specifiek seizoen. Het tijdig aanbrengen van alternatieve verblijfplaatsen is van belang om onnodige vertraging te voorkomen. Raadpleeg voor de plaatsing van de voorzieningen een ter zake deskundig ecoloog.
18
Bronvermelding Vleeshouwers, B.C.E, 2022. Quickscan Wnb aan de Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25. Oriënterend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. NGB, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, 2021. Vleermuisprotocol, versie januari 2021.
Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
19
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 20
Mitigatieplan Boulevard de Wielingen 16 en 25 te Cadzand-Bad Ontheffingsaanvraag soortenbescherming Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Concept
Project:
2023-1004
Datum:
6 november 2023
Samensteller:
ing. M.M.G. Vincken
Collegiale toets:
ing. J. Dekkers
Opdrachtgever:
Adromi B.V.
Contactpersoon:
S. van Werven
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Projectinformatie
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Soorten
5
1.3
Beoogde werkzaamheden en planning
5
1.4
Periode ontheffing
5
1.5
Wettelijk kader ontheffing
5
2 Mitigerende maatregelen 2.1
Gewone dwergvleermuis en laatvlieger
3 Staat van instandhouding
6 6
10
3.1
Gewone dwergvleermuis
10
3.2
Laatvlieger
11
4 Alternatievenafweging
13
4.1
Locatie
13
4.2
Planning
13
4.3
Werkwijze en inrichting
13
5 Wettelijk belang 5.1
Groot openbaar belang
14 14
1 Projectinformatie 1.1
Aanleiding Adromi B.V. is voornemens om op de locatie Boulevard de Wielingen 16 en 25 te Cadzand-Bad meerdere appartementencomplexen te realiseren. Hierbij wordt de bestaande bebouwing gesloopt en al het aanwezige groen (bomen/struiken) verwijderd. Ook de bebouwing aan de Boulevard de Wielingen 24 wordt gesloopt binnen de beoogde ontwikkeling. In deze bebouwing zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen, waardoor deze woning niet wordt meegenomen binnen deze ontheffingsaanvraag. Op Boulevard de Wielingen 16 worden 14 appartementen gerealiseerd en 25 worden 5 appartementen gebouwd.
Figuur 1.1
Overzicht van de planlocatie aan de Boulevard de Wielingen 16 en 25 te Cadzand-Bad.
In het kader van de ruimtelijke procedure is middels een ecologische quickscan getoetst of de voorgenomen werkzaamheden leiden tot verstoring of schade aan beschermde flora en fauna en derhalve tot overtreding van Wet natuurbescherming (Wnb). Uit deze quickscan bleek dat negatieve effecten op voorhand niet uitgesloten konden worden voor de huismus, gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen (Vleeshouwers, 2022). Middels aanvullend ecologisch onderzoek is vastgesteld dat de te slopen bebouwing een functionele betekenis hebben als verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen (Honingh, 2023). Voorliggend Mitigatieplan is opgesteld voor de ontheffingsaanvraag inzake Wnb voor overtreding van verbodsbepaling artikel 3.5 lid 2 (verstoren vleermuizen) en lid 4 (wegnemen vleermuisverblijfplaatsen). Plangebied De te slopen woningen betreffen naoorlogse woningen met een bouwjaar van 1959 (nr. 16) en 1960 (nr. 25). De woningen bestaan uit drie bouwlagen en zijn opgetrokken uit gemetselde muren en een zadeldak met dakpannen. Op het perceel van Boulevard van Wielingen 25 zijn tevens verwilderde groenstructuren en is een bomenrij aanwezig welke verwijderd dient te worden. Op het andere perceel is een goed onderhouden tuin gesitueerd. Een uitgebreidere beschrijving van het plangebied en een fotografische impressie hiervan zijn opgenomen in de rapportages van de quickscan (Vleeshouwers, 2022).
4
1.2
Soorten Er wordt ontheffing aangevraagd voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger (tabel 1.2). Voor exacte adressen en gebruikte openingen wordt verwezen naar het aanvullende ecologische onderzoek (Honingh, 2023). Tabel 1.1
De soorten waarvoor ontheffing in het kader van de Wnb wordt aangevraagd. Tevens is benoemd welk type en aantal functie(s) verloren zal gaan (Honingh, 2023).
Soort
Type
Aantal wegnemen
Aantal behouden
Gewone dwergvleermuis
Zomer
2
0
art. 3.5 lid 2 (opzettelijk verstoren)
(Pipistrellus pipistrellus)
Paar
1
0
art 3.4 lid 4 (vernielen verblijfplaats)
Zomer
1
0
art. 3.5
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
1.3
Overtreding Wnb
Beoogde werkzaamheden en planning De werkzaamheden betreffen de sloop van de bebouwing in september 2024 en de realisatie van meerdere appartementencomplexen met een beoogde oplevering in oktober 2026. Hierbij is sprake van het wegnemen van verblijfplaatsen (Honingh, 2023), waardoor verbodsbepalingen van de Wnb worden overtreden en een ontheffing Wnb noodzakelijk is. Onderstaand is een lijst van relevante werkzaamheden opgenomen. • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen van struiken en bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
1.4
Periode ontheffing De ontheffing wordt aangevraagd vanaf 1 september 2024 tot 31 december 2028. In deze periode is reeds een eventuele uitloopperiode meegenomen. Door onvoorziene omstandigheden kunnen werkzaamheden mogelijk niet tijdig worden opgestart of uitgevoerd. Daarnaast is een extra periode ingecalculeerd voor het mogen verwijderen van de tijdelijke voorzieningen, nadat de permanente voorzieningen gerealiseerd zijn en er een gewenningsperiode heeft plaatsgevonden.
1.5
Wettelijk kader ontheffing Bevoegd gezag kan een ontheffing verlenen indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Habitatrichtlijn (art. 3.8 lid 5) a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. er is sprake van een wettelijk belang; c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
5
2 Mitigerende maatregelen Om negatieve effecten te verzachten, te voorkomen en/of functies te herstellen zijn mitigerende maatregelen benodigd. Deze maatregelen worden per soort beschreven.
2.1
Gewone dwergvleermuis en laatvlieger Werken buiten de kwetsbare periode Voor vleermuizen is de winterperiode het meest kwetsbaar. Bij lage temperaturen zijn vleermuizen niet actief en kunnen worden verwond of gedood door spouwisolatie, dakisolatie of sloop. Tussen 15 mei en 15 juli is het kraamseizoen van gewone dwergvleermuizen. De minst kwetsbare perioden voor gewone dwergvleermuizen en laatvlieger zijn 15 april t/m 15 mei en 1 september t/m 15 oktober. De huidige vleermuisverblijfplaatsen worden ongeschikt gemaakt tussen 1 september en 15 oktober of tussen 15 april en 15 mei. Ongeschikt maken vleermuisverblijfplaatsen De huidige vleermuisverblijfplaatsen worden onder begeleiding van een ter zake deskundige ecoloog ongeschikt gemaakt tussen 1 september en 15 oktober of tussen 15 april en 15 mei. De minimale weersomstandigheden voor het ongeschikt maken zijn een temperatuur van minimaal 8 graden Celsius bij zonsondergang, maximaal windkracht 4 Bft en maximaal lichte regen. ‘Exclusion flaps’ zorgen ervoor dat vleermuizen nog wel het gebouw uit kunnen, maar middels het afdichten van de aanwezige openingen met weringsborstels, rondschuim of ander materiaal kunnen vleermuis de bebouwing niet meer betreden (figuur 2.1). De voorzieningen worden minimaal 5 aaneengesloten dagen ingezet. Er wordt expliciet geen gebruikgemaakt van folie, netten of purschuim.
Figuur 2.1 De bebouwing kan ongeschikt gemaakt worden door gebruik te maken van exclusion flaps (links). Overige openingen kunnen afgedicht worden middels rugvulling/compriband (rechts).
6
Controlebezoek voorafgaand aan sloopwerkzaamheden Tussen het ongeschikt maken en de sloopwerkzaamheden wordt met een controlebezoek uitgesloten dat er vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn. De controleronde dient 5 dagen na het ongeschikt maken plaats te vinden. Het controlebezoek wordt uitgevoerd bij een avondbezoek vanaf zonsondergang of bij een ochtendbezoek tot zonsopkomst. De minimale weeromstandigheden hierbij zijn een temperatuur van minimaal 8 graden Celsius bij zonsondergang, maximaal windkracht 4 Bft en maximaal lichte regen. Realiseren tijdelijke alternatieve voorzieningen Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden worden er voor de vleermuizen tijdelijke alternatieve voorzieningen getroffen om de periode tussen het ontoegankelijk of ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen en het realiseren van de permanente alternatieve voorzieningen te overbruggen. Voor de gewone dwergvleermuis worden in totaal 12 vleermuiskasten (type VivaraPro VK WS 01 of vergelijkbaar) geplaatst. Deze voorzieningen zijn bewezen effectief. Voor de laatvlieger worden in totaal 4 kasten (type VivaraPro VK SK 03 of vergelijkbaar) geplaatst. Deze voorzieningen zijn anekdotisch bewezen. De tijdelijke kasten worden geplaatst aan gebouwen in de directe omgeving (figuur 2.2). De vleermuiskasten worden op een voor de vleermuis geschikte plek aangebracht.
Voor gewone dwergvleermuizen geldt een minimale gewenningsperiode van 3 maanden in de periode april-oktober (zomerverblijfplaats) en 6 maanden voor de start van het paarseizoen half juli (paarverblijfplaats). Voor de laatvlieger wordt een gewenningsperiode van minimaal 3 maanden binnen de actieve periode van april-oktober aangehouden. Bij de planning van de werkzaamheden vanaf 1 september 2024 worden de tijdelijke vleermuiskasten voor 15 februari 2024 geplaatst. Voor het onder begeleiding van een ter zake deskundige ecoloog verwijderen van de tijdelijke vleermuiskasten na afloop van de ontwikkeling dient weer de minimale gewenningsperiode in acht te worden genomen. Bij het plaatsen van de tijdelijke vleermuiskasten gelden de volgende voorwaarden (BIJ12, 2017): • per weggenomen vleermuisverblijfplaats worden minimaal 4 alternatieve vleermuiskasten geplaatst; • de vleermuiskasten worden op verschillende oriëntaties aangeboden; • maximale afstand van 200 meter van de huidige vleermuisverblijfplaats, maar buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden; • op minimaal 3 m hoogte en met vrije in- en uitvliegroute; • voldoende veiligheid tegen predatoren en minimale verstoring van kunstmatig licht; • zo veel mogelijk buiten bekende paarterritoria van andere vleermuizen.
7
Figuur 2.2 De tijdelijke vleermuiskasten dienen binnen een straal van 200 m van de oorspronkelijke verblijfplaats geplaatst te worden. Realiseren permanente voorzieningen In totaal dienen er 12 permanente voorzieningen ter compensatie van de zomer- en paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en 4 permanente voorzieningen ter compensatie van de zomerverblijfplaats van laatvlieger gerealiseerd te worden welke weggenomen worden door de sloop. Momenteel is het exacte ontwerp van de appartementencomplexen nog niet bekend. Inbouwstenen worden echter geplaatst in daartoe geschikte (idealiter stenen) gevels. Het type inbouwsteen dat gebruikt zal worden ter compensatie van de verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis betreft de IB VL 06 van VivaraPro, dit type inbouwsteen is bewezen effectief. Het type inbouwsteen dat gebruikt zal worden ter compensatie van de verblijfplaats van de laatvlieger betreft de IB VL 10 van VivaraPro. Dit zijn de enige inbouwstenen welke over een binnenruimte van 30 mm beschikken. De laatvlieger is een grote vleermuissoort die doorgaans nauwelijks gebruikt maakt van vleermuiskasten met een standaard binnenruimte van 25 mm. Hiervoor is de mitigatiecatalogus van Arcadis (Onnes, 2021) geraadpleegd, welke indiceert dat een binnenruimte van 30 mm geschikt kan zijn voor de laatvlieger.
Door vier van deze ruime inbouwstenen te realiseren wordt ruim voldoende alternatief voor de zomerverblijfplaats van een laatvlieger aangeboden. De mitigatiecatalogus (Onnes, 2021) stelt dat deze voorzieningen anekdotisch bewezen zijn. Conform de planning van de nieuwbouw (2024-2026) zijn de permanente verblijfplaatsen rond 2026 beschikbaar. Bij de plaatsing van de permanente voorzieningen worden de richtlijnen van het kennisdocument van de gewone dwergvleermuis gehandhaafd (BIJ12, 2017): • per permanent te compenseren vleermuisverblijfplaats (4 stuks) worden 4 alternatieve vleermuiskasten geplaatst; • de vleermuiskasten worden op verschillende oriëntaties aangeboden; • maximale afstand van 200 meter van de huidige vleermuisverblijfplaats, maar buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden; • op minimaal 3 m hoogte en met vrije in- en uitvliegroute; • voldoende veiligheid tegen predatoren en minimale verstoring van kunstmatig licht.
8
Behouden van leefgebied vleermuizen De sloopwerkzaamheden hebben uitsluitend invloed op de vleermuisverblijfplaatsen. De groenstructuren die onderdeel zijn van het functioneel leefgebied van vleermuizen blijven behouden. Er is geen sprake van het wegnemen van groenstructuren die essentieel zijn in het functioneren van vleermuisverblijfplaatsen.
9
3 Staat van instandhouding 3.1
Gewone dwergvleermuis Lokaal Tijdens het aanvullend onderzoek in Cadzand-Bad zijn tijdens bijna elk veldbezoek foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen, variërend van 4 tot 10 foeragerende individuen per veldbezoek. Tijdens het onderzoek zijn in totaal 3 (zomer-, en paar)verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld (Honingh, 2023). Deze resultaten laten zien dat de gewone dwergvleermuis een veel voorkomende soort is in Cadzand-Bad. De verblijfplaatsen worden ongeschikt gemaakt buiten de meest kwetsbare periode van vleermuizen, buiten de winterperiode. Voordat de verblijfplaatsen ongeschikt worden gemaakt wordt er voor elke weg te nemen verblijfplaatsen 4 tijdelijke kasten geplaatst. Deze tijdelijke kasten zullen gedurende de gehele gewenningsperiode, sloop- en bouwperiode en tot en met de gewenningsperiode van de permanente voorzieningen aanwezig zijn. Gewone dwergvleermuizen maken gebruik van een netwerk van verblijfplaatsen, zij wisselen eens in de 12 dagen van verblijfplaats (Dietz, et. al., 2012). In de omgeving van het plangebied zijn derhalve voldoende uitwijkmogelijkheden voor de gewone dwergvleermuis aanwezig. Van negatieve effecten wegens de beoogde ingreep op de lokale staat van instandhouding van gewone dwergvleermuizen is geen sprake.
Regionaal In de provincie Zeeland zijn in de afgelopen 10 jaar meer dan 5.500 waarnemingen van de gewone dwergvleermuis bekend (NDFF 2013-2023). Gezien er in de beoogde ontwikkeling 2 zomer- en 1 paarverblijfplaatsen weggenomen worden en er geen sprake is van effecten op lokaal niveau, zal er geen sprake zijn van effecten op regionaal niveau. Daarnaast worden deze verblijfplaatsen gemitigeerd waardoor voor, tijdens en na de werkzaamheden voldoende alternatieve verblijfplaatsen aanwezig zijn. De sloopwerkzaamheden leiden derhalve niet tot significante negatieve effecten op regionaal niveau. Landelijk De gewone dwergvleermuis is de meest algemene vleermuis van Nederland. De GSVI op landelijk niveau wordt als gunstig beschouwd. Sinds 1986 neemt het aantal vleermuizen in Nederland toe (figuur 3.1). Aangezien effecten op lokale schaal gemitigeerd worden waardoor de lokale gunstige staat van instandhouding gewaarborgd is leidt de beoogde ontwikkeling niet tot een negatief effect op de gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau.
10
Figuur 3.1 Matige toename van de aantallen gewone dwergvleermuizen over de periode 2015-2020 (Zoogdiervereniging Telganger, 2021).
3.2 Laatvlieger Lokaal Tijdens het aanvullend onderzoek zijn tijdens meerdere veldbezoeken laatvliegers waargenomen (Honingh, 2023). Overige inventarisatierapporten geven ook de aanwezigheid van de laatvlieger aan in Cadzand-Bad (Adviesbureau Wieland, 2021; Van Werven, 2022). Het is derhalve zeer aannemelijk dat er meerdere verblijfplaatsen van de laatvlieger in Cadzand-Bad aanwezig zijn. De verblijfplaats van de laatvlieger wordt ongeschikt gemaakt in de minst kwetsbare periode van de laatvlieger, namelijk buiten de winterperiode. Negatieve effecten worden daarmee zo minimaal mogelijk gehouden. Voordat de bebouwing ongeschikt gemaakt wordt, worden er tijdelijke kasten geplaatst. Deze voorzieningen blijven gedurende de werkzaamheden toegankelijk voor de laatvlieger. In de bebouwing worden permanente kasten gerealiseerd waardoor er te allen tijde mogelijke verblijfplaatsen voor de laatvlieger aanwezig zijn. Het wegnemen van één zomerverblijfplaats van de laatvlieger heeft geen significant negatief effect op de lokale staat van instandhouding van de laatvlieger. Regionaal In Zeeland zijn waarnemingen met meer dan 10 individuen van de laatvlieger bekend (NDFF 2013-2023). Hieruit blijkt dat de laatvlieger een algemeen voorkomende soort is in Zeeland en er voldoende verblijfplaatsen aanwezig zijn.
Gezien het gaat om één zomerverblijfplaats van de laatvlieger, er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn en de lokale staat van instandhouding is gewaarborgd, is er van negatieve effecten op de regionale staat van instandhouding van de laatvlieger wegens de beoogde ingreep geen sprake.
11
Landelijk De laatvlieger is door het gehele land waargenomen en is een vrij algemeen voorkomende vleermuis in Nederland (figuur 3.2). Het voorkomen van de laatvlieger in Nederland laat tussen 2015 en 2021 een stabiele trend zien (figuur 3.2). De populatietrend van de laatvlieger in Nederland is dan ook geclassificeerd als ‘stabiel’ (Zoogdiervereniging, 2022). Doordat effecten op lokale schaal gewaarborgd zijn, leidt de beoogde ingreep niet tot een negatief effect op de landelijke staat van instandhouding van de laatvlieger.
Figuur 3.2 Weergave van de landelijke verspreiding van de laatvlieger (Verspreidingsatlas).
Figuur 3.3 De Laatvlieger laat een stabiele trend zien tussen 2015-2021 (Telganger, 2022).
12
4 Alternatievenafweging 4.1
Locatie Binnen de ontwikkeling worden drie woonpercelen gesloopt ten behoeve van de realisatie van 33 appartementen. Door de hoge woningbehoefte blijft het van belang dat er nieuwe woningen worden gebouwd. Indien er gekozen wordt voor een andere locatie is het mogelijk dat hiervoor gebieden zonder woonbestemming of gebieden met een hogere natuurwaarde plaats moeten maken voor woningbouw. Hiermee is de beoogde ontwikkeling elders niet wenselijk en blijft deze locatiegebonden. Daarnaast worden er meer woningen teruggebracht binnen de beoogde ontwikkeling, wat bijdraagt aan de hoge woningbehoefte.
4.2 Planning De beoogde planning van de werkzaamheden is volledig gebaseerd op de minst kwetsbare periode van vleermuizen. De sloopwerkzaamheden staan gepland vanaf september na het realiseren van alternatieve verblijfplaatsen en het natuurvrij maken van de bebouwing. Na de sloopwerkzaamheden volgen de werkzaamheden betreft het bouwrijp maken en de bouw. Een andere planning is niet wenselijk, omdat hiermee werkzaamheden mogelijk gelijk vallen met kwetsbare periode van beschermde soorten.
4.3 Werkwijze en inrichting De sloop van drie woonpercelen ten behoeve van de realisatie van 33 appartementen is onderdeel van de herontwikkeling aan de Boulevard genaamd de ‘Groene Wielingen’. De panden komen uit het jaar 1959 – 1965, hebben een energie label E (nr. 25) en G (nr. 16) en voldoen daarmee structureel niet meer. Met enkel renovatie kan de gevraagde kwaliteitsslag niet gehaald worden en passen de woningen, door de recente ontwikkelingen, niet meer in het stedenbouwkundig geheel. Ook komen er meer woningen voor terug, deze aantallen zijn binnen de huidige bebouwing niet haalbaar met enkel renovatie. Het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen, op een gunstige locatie, en het slopen van de bebouwing betreft de beste optie voor zowel de haalbaarheid van het plan als voor vleermuizen. Andere alternatieve wijze van werken en inrichten zijn niet aanwezig.
13
5 Wettelijk belang Conform Wnb art. 3.3 lid 4b en art. 3.8 lid 5b kan een ontheffing uitsluitend worden verkregen indien de activiteit nodig is met een wettelijk belang. De ontheffing van de Wnb wordt aangevraagd op grond van de belangen: Voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger: • In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten (Wnb, art. 3.8, lid 5b, 3⁰).
5.1
Groot openbaar belang Voor het milieu wezenlijke effecten Aanpassingen van de woningen in het kader van klimaatsverandering is een dwingende reden van openbaar belang met betrekking tot redenen voor het milieu wezenlijke effecten. In het kader van de klimaatsverandering zijn door landelijke en provinciale overheden convenanten gesloten en afspraken gemaakt over maatregelen die leiden tot een stabilisatie en uiteindelijk afname van de CO 2-uitstoot. Het terugdringen van de CO2-uitstoot kan op diverse wijzen waarbij centraal staat dat het verbruik van fossiele brandstoffen zal moeten worden gereduceerd. Deze reductie vertaalt zich onder andere in het toepassen van alternatieve energiebronnen zoals elektrische energie opgewekt door wind, zon en water of het gebruik van aardwarmte. Daarnaast leidt het optimaliseren van bestaande processen, systemen, producten, gebouwen etc. eveneens tot een reductie in verbruik van fossiele brandstoffen. De meeste woningen in Nederland worden verwarmd middels aardgasinstallaties. Veel oude(re) woningen zijn slechts beperkt geïsoleerd waardoor er relatief veel aardgas wordt verstookt en CO2 vrijkomt in de atmosfeer. De woningen binnen het planvoornemen zijn niet geïsoleerd, hebben een gasaansluiting en een energie label E (nr. 25) en G (nr. 16). De beoogde nieuwe woningen worden wel geïsoleerd en maken gebruik van hernieuwbare energie.
De beoogde nieuwbouw van de woningen is derhalve een onderdeel van het proces om te komen tot een regionale, nationale en internationale reductie van de CO2-uitstoot en is derhalve relevant als dwingende reden van groot openbaar belang. Sociale redenen In het Beleidsplan Wonen van de gemeente Sluis (2023-2023) (Gemeente Sluis, 2023) wordt gesproken over een verouderde en verzwakte woonvoorraad. De woonvoorraad is onvoldoende vernieuwd en past niet meer in deze tijd, zowel qua verduurzaming, woonwensen en bevolkingsopbouw. Het Beleidsplan Wonen sluit aan op de contouren van het woonbeleid op niveau van de regio West Zeeuws-Vlaanderen (‘Vitaal West Zeeuws-Vlaanderen’), Zeeuws-Vlaanderen (Regiovisie en Regionale Woonvisie ZeeuwsVlaanderen’) en de provincie Zeeland. Daarnaast sluit het aan bij het Coalitieakkoord ‘Strategie met Ambitie’ 2022- 2026 van gemeente Sluis. Er wordt gestreefd naar een woningvoorraad die qua locatie, omvang als type is afgestemd op de woonwensen van de Zeeuwse huishoudens. Daarnaast is de noodzaak om de woningvoorraad aan te passen groot door de transitie op het gebied van klimaat en demografie. De doelstelling is om in 2040 tussen de kwalitatieve en kwantitatieve woningvoorraad een balans te hebben, wat betekend dat de vraag naar een bepaald type woning in overeenstemming moet zijn met het aanbod.
In de Woondeal van de Provincie Zeeland wordt uitgegaan van een uitbreiding van 270 woningen in de gemeente Sluis tot 2030. In de boogde ontwikkeling worden 33 appartementen gerealiseerd, wat zorgt voor een toename van het aantal woningen en dus past binnen de woonvisie van de gemeente Sluis. Daarnaast betreffen de beoogde woningen appartementen, wat aansluit bij de woonvoorkeuren van de kwalitatieve woonbehoefte van de gemeente Sluis (Gemeente Sluis, 2023).
14
Bronvermelding Abram, N. J., Henley, B. J., Sen Gupta, A., Lippmann, T. J. R., Clarke, H., Dowdy, A. J., Sharples, J. J., Nolan, R. H., Zhang, T., Wooster, M. J., Wurtzel, J. B., Meissner, K. J., Pitman, A. J., Ukkola, A. M., Murphy, B. P., Tapper, N. J., & Boer, M. M. (2021). Connections of climate change and variability to large and extreme forest fires in southeast Australia. Communications Earth &Amp; Environment, 2(1). https://doi.org/10.1038/s43247-020-00065-8 Adviesbureau Wieland, 2021. Quickscan natuurwetgeving project Boulevard de Wielingen 21-23 Cadzand-Bad. Hulst. Carvalho, A., Monteiro, A., Flannigan, M., Solman, S., Miranda, A., & Borrego, C. (2011). Forest fires in a changing climate and their impacts on air quality. Atmospheric Environment, 45(31), 5545–5553. https://doi.org/10.1016/j.atmosenv.2011.05.010 Dietz, C., Helversen, O., Nil, D. 2011. Vleermuizen, alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur en Zoogdiervereniging. Gemeente Sluis, 2023. Woondoelen Waarmaken in Sluis-bindende basis voor de uitvoering. Beleidsplan Wonen gemeente Sluis (2023-2032). Oostburg. Honingh, E., 2023. Aanvullend onderzoek ecologie Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 te Cadzand-Bad. Aanvullend onderzoek naar huismus, gierzwaluw en vleermuizen in het kader van de Wet natuurbescherming. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. KNMI, 2022.
Klimaat penalty: slechtere luchtkwaliteit door klimaatverandering. https://www.knmi.nl/over-het-knmi/nieuws/klimaat-penalty-slechtere-luchtkwaliteit-doorklimaatverandering Oleson, K. W., Monaghan, A., Wilhelmi, O., Barlage, M., Brunsell, N., Feddema, J., Hu, L., & Steinhoff, D. F. (2013). Interactions between urbanization, heat stress, and climate change. Climatic Change, 129(3–4), 525–541. https://doi.org/10.1007/s10584-013-0936-8 Onnes, C.E., 2021. Mitigatiecatalogus gebouwbewonende soorten. Leidraad natuurinclusief bouwen, renoveren en verduurzamen – Versie December 2021. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), GGD-richtlijn medische milieukunde, gezondheidsrisico’s van zomerse omstandigheden. RIVM Rapport 609400007/2012b Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Meldingen van milieu gerelateerde gezondheidsklachten bij GGD’en, vierde inventarisatie 2011-2012. RIVM-rapport 200000004/2013 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Effecten van klimaat op gezondheid, Actualisatie voor de Nationale Adaptatiestrategie (2016). RIVM Rapport 2014-0044. Milieu Centraal. (z.d.). Luchtvervuiling: tips tegen fijnstof. https://www.milieucentraal.nl/klimaat-enaarde/milieuproblemen/luchtvervuiling-en-fijnstof/ Van Werven, S.P., 2022. Boulevard de Wielingen 17 – Cadzand. Ruimtelijke onderbouwing. Adromi B.V., Hendrik-Ido-Ambacht.
Vleeshouwers, B.C.E, 2022. Quickscan Wnb aan de Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25. Oriënterend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Gebruikte websites www.ndff.nl www.zoogdierverening.nl
15
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 16
Abdij 6 4331BK Middelburg Postbus 6001 4330 LA Middelburg +31 118631011 IBAN NL08 BNGH 0285010557
Blom Ecologie B.V. t.a.v. mevrouw M.M.G. Vincken Zandweg 46 4181 PM Waardenburg
Onderwerp Definitief besluit op de ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming ten behoeve van de sloop en de nieuwbouw van appartementen aan Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 in Cadzand-Bad
Zaaknummer
382210
Behandeld door
N. Meijdam +31 6 25726609
Verzonden
Middelburg, 12 juni 2024 Geachte mevrouw Vincken, Op 27 november 2023 hebben wij uw aanvraag op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) ontvangen. Omdat de aanvraag is ingediend voor de inwerkingtreding (1 januari 2024) van de Omgevingswet, is op grond van artikel 4.3, onder a van de Invoeringswet Omgevingswet de Wnb van toepassing op uw aanvraag. U vraagt, namens Compagnie Het Zoute Nederland BV (hierna: uw cliënt), ontheffing aan van het verbod als bedoeld in artikel 3.5 lid 2 Wnb voor het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en de laatvlieger (Eptesicus serotinus). Daarnaast vraagt uw cliënt ontheffing aan van het verbod als bedoeld in artikel 3.5 lid 4 Wnb voor het beschadigen of vernielen van drie verblijfplaatsen (twee zomer- en één paarverblijfplaats) van de gewone dwergvleermuis en één zomerverblijfplaats van de laatvlieger. Deze verboden worden overtreden door de sloop van de bestaande bebouwing aan Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 in Cadzand-Bad (hierna: de te slopen bebouwing). Ook het aanwezige groen (bomen/struiken) wordt verwijderd. De vrijgekomen ruimte wordt gebruikt voor de realisatie van nieuwbouw die bestaat uit meerdere appartementencomplexen. In totaal worden 33 appartementen gerealiseerd.