CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

01 Bijlagen 4 tm 7 bij ruimtelijke onderbouwing (Natuur)

Commissie Ruimte/AB 2 september 2025, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot afgeven verklaring van geen bedenkingen voor herontwikkeling Boulevard de Wielingen 24-25 te Cadzand-Bad.30.778 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

In de muren van de bebouwing zijn ventilatiegaten en stootvoegen aanwezig op circa 2,5 meter hoogte en laag bij de grond. Hierdoor kan de aanwezigheid van vleermuizen niet worden uitgesloten. Boulevard de Wielingen 25 is een woning, die dateert uit 1960. De woning is opgebouwd uit baksteenmuren met een pannendak. Er is een dakbeschot en spouwmuur aanwezig. Door de aanwezigheid van openingen in de spouw en de kierende kantpannen aan de kopgevels is de aanwezigheid van vleermuizen niet uit te sluiten. Daarnaast is nog schuur aanwezig, die is overwoekerd. De aanwezigheid van vleermuizen kan worden uitgesloten in de schuur. Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocaties gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocaties gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Op en rondom de Boulevard de Wielingen 16 zijn er geen structuren aanwezig die dienen als essentiële vliegroute en/of foerageergebied. Op Boulevard de Wielingen 24 en 25 zijn bomenrijen aanwezig die mogelijk als vliegroute zouden kunnen dienen.

Nader ecologische onderzoek

In het nader ecologisch onderzoek, kenmerk: 382210-05, is binnen het plangebied één zomerverblijfplaats van de laatvlieger vastgesteld. De exacte vindplaats van de verblijfplaats is weergegeven in figuur 2 in bijlage 1. De zomerverblijfplaats van de laatvlieger is aangetroffen tussen de kantpannen van Boulevard de Wielingen 16. In het nader ecologisch onderzoek is ook beschreven dat laatvliegers gebruik maken van een netwerk van verblijfplaatsen. Gedurende het vleermuisonderzoek zijn geen essentiële vliegroutes en/of essentieel foerageergebied vastgesteld. Alternatieven 

9

Tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen

https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/laatvlieger

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

18

In het mitigatieplan en de aanvullende gegevens is beschreven dat er voor de laatvlieger vier vleermuiskasten van het type VK SK 03 10 worden geplaatst. De tijdelijke kasten worden geplaatst aan gebouwen in de directe omgeving. De vleermuiskasten worden op een voor de laatvlieger geschikte plek aangebracht. Voor de laatvlieger wordt een gewenningsperiode van minimaal 3 maanden binnen de actieve periode van april-oktober aangehouden. In de aanvraag zijn diverse eisen opgenomen waaraan de vleermuiskasten voor de laatvlieger moeten voldoen. Zo moeten de vleermuiskasten op verschillende oriëntaties worden geplaatst. De maximale afstand tussen de huidige vleermuisverblijfplaats en de alternatieve verblijfplaats is maximaal 200 meter. De alternatieve verblijfplaatsen worden buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden geplaatst. De kasten moeten op 3 meter hoogte worden geplaatst met een vrije in- en uitvliegroute. Daarnaast moeten de kasten voldoende veiligheid tegen predatoren en minimale verstoring van kunstmatig licht. In de aanvullende gegevens is beschreven dat het gekozen type vleermuiskast VK SK 03 geschikt is omdat dit een grote kast is met veel compartimenten. Verder wordt aangevoerd dat de laatvlieger een grote vleermuis is die vaak een voorkeur heeft voor de wat warmere plekken. Het is daarom van belang dat de gerealiseerde verblijfplaatsen warm moeten worden.

Door de grootte van de kasten en door de aanwezigheid van meerdere compartimenten is er in deze kast zowel een temperatuurgradiënt in de hoogte als in de diepte wat deze vleermuiskast geschikt maakt voor de laatvlieger. Verder is de geschiktheid van dit type vleermuiskast volgens de aanvraag anekdotisch bewezen. Er is bijvoorbeeld een waarneming bekend van twee laatvliegers in een voor gewone dwergvleermuizen bedoelde mitigatie-kraamkast. Dit betreft één waarneming van twee laatvliegers in een voor gewone dwergvleermuizen bedoelde mitigatie-kraamkast. Ook zijn er twee waarnemingen bekend van laatvliegers in een tijdelijke opbouw-mitigatiekast en een tijdelijke mitigatiekast. Deze waarnemingen zijn beschreven in een notitie van de Zoogdiervereniging 11. Deze notitie is ook bij de aanvraag gevoegd, ons kenmerk: 382210-09. In dit document wordt ook aangegeven dat standaardvoorzieningen (standaard externe (opbouw)kasten en inbouwkasten) potentie hebben als mitigatie voor een zomerverblijfplaats van de laatvlieger. Daarnaast is in de aanvraag nog beschreven dat het openmaken van stootvoegen in voorliggende aanvraag geen goede optie is. Dit is omdat de verblijfplaats van de laatvlieger is aangetroffen onder een kantpan. Het openmaken van stootvoegen brengt daarom geen vergelijkbare situatie terug.

Daarnaast zijn de stootvoegen in de bebouwing in de omgeving of al open, en is niet bekend of deze al in gebruik zijn als verblijfplaats, of te klein om als invliegopeningen voor de laatvlieger te dienen. In de bebouwing in de omgeving van het plangebied zijn ook kantpannen aanwezig, welke als uitwijkmogelijkheid kunnen dienen, maar ook hiervan is niet bekend of er al verblijfplaatsen aanwezig zijn. 

Realiseren permanente voorzieningen

Naast het realiseren van de alternatieve tijdelijke vleermuiskasten worden in de nieuwbouw ook vier vleermuiskasten geïntegreerd voor de laatvlieger. Deze inbouwkasten zijn het type IB de IB VL 10. Momenteel is het exacte ontwerp van de nieuwe appartementencomplexen nog niet bekend. Inbouwstenen worden echter geplaatst in daartoe geschikte (idealiter stenen) gevels. De locaties en verdere uitwerking van de voorzieningen worden in overleg met de ecologisch deskundige nader bepaald. Zodra de nieuwbouw met de inbouwvoorzieningen gereed is wordt dit gemeld bij de RUDzeeland. Het type inbouwsteen dat gebruikt zal worden is de enige inbouwstenen welke over een binnenruimte van 30 mm beschikt. De laatvlieger is een grote vleermuissoort die doorgaans nauwelijks gebruikt maakt van vleermuiskasten met een standaard binnenruimte van 25 mm. Hiervoor is de mitigatiecatalogus van Arcadis (Onnes, 2021) geraadpleegd, welke indiceert dat een binnenruimte van 30 mm geschikt kan zijn voor de laatvlieger. De inbouwvoorziening wordt bereikbaar voor vleermuizen door het toepassen van de entreesteen IB VL 09. Deze entreesteen heeft een sleuf van 11 cm hoog en 16 cm breed en biedt daarmee een grote opening om de inbouwvoorziening te betreden.

VK SK 03 Vleermuiskast - Vivara Pro n2022020_werkbare_mitigatiemaatregelen_voor_de_laatvlieger_eptesicus_serotinus._versie_1_2022.026.2.pdf (zoogdiervereniging.nl) 10 11

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

19

Werkwijze Omdat de te slopen woning op Boulevard de Wielingen 16 een functie heeft voor laatvlieger, zal vleermuisvriendelijk worden gewerkt. Dit houdt in dat er maatregelen worden genomen om te voorkomen dat laatvliegers worden gedood en ook onnodige verstoring wordt voorkomen. 

Ongeschikt maken

Een andere maatregel is het ongeschikt maken van de te slopen bebouwing voorafgaand aan de ingreep. Op deze manier krijgt de laatvlieger de tijd om de te slopen bebouwing te verlaten en worden geen laatvliegers gedood tijdens het slopen van de bebouwing. Dit ongeschikt maken van de te slopen bebouwing mag alleen plaatsvinden tussen 1 september en 15 oktober of tussen 15 april en 15 mei. Dit ongeschikt maken mag alleen plaatsvinden als de temperatuur boven de 8 °C is én bij voor de laatvlieger geschikte weersomstandigheden. Dit omdat laatvliegers beneden deze temperatuur en niet geschikte weersomstandigheden niet actief zijn en dan dus niet in staat zijn om hun verblijfplaats te verlaten. Laatvliegers krijgen zo de kans om de vastgestelde verblijfplaats tijdig te verlaten zodat er tijdens de werkzaamheden geen laatvliegers meer aanwezig kunnen zijn in de te slopen bebouwing. De basis van het ongeschikt maken is het afdichten van verblijfplaatsen op een dusdanige manier dat vleermuizen wel naar buiten, maar niet meer naar binnen kunnen komen. Bij het dichtmaken van openingen met rondschuim is het van belang dat er geen vleermuizen opgesloten raken in afgesloten delen. Deze methode mag daarom alleen worden toepast bij openingen waarbij de achterliggende spouw open is en aaneengesloten met openingen waar een “exclusion flap” aanwezig is.

Voor het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen onder de kantpannen worden de kantpannen afgedicht met rondschuim en op de locatie van de invliegopening wordt een “exclusion flap” geplaatst. Er wordt een “exclusion flap” voor de geschikte opening geplaatst, daarnaast wordt per type opening (voeg/kantpan) elke meter één “exclusion flap” geplaats, om voldoende uitvliegmogelijkheden te bieden. De overige openingen worden gedicht met rondschuim. Op deze manier kunnen vleermuizen de openingen verlaten, zonder opgesloten te raken en vervolgens niet meer betreden. De voorzieningen voor het ongeschikt maken moeten minimaal vijf aaneengesloten dagen worden ingezet. Er wordt expliciet geen gebruikgemaakt van folie, netten of purschuim. Om te controleren of er ondanks de genoemde maatregelen geen vleermuizen meer aanwezig zijn, vindt kort (twee dagen) voor de sloop een controle door de ecologisch deskundige plaats. Dit vindt plaats tussen het ongeschikt maken en de start van de sloop, maar ten minste vijf dagen na het ongeschikt maken, zodat de laatvlieger de tijd heeft gehad om uit te vliegen. Deze controle mag uiteraard ook alleen plaats vinden bij een voor vleermuizen geschikte temperatuur en weersomstandigheden. Zijn er nog laatvliegers aanwezig dan mag pas met de sloop worden aangevangen nadat in overleg met de ecologisch deskundige maatregelen genomen zijn. II.

Reactie

Alternatieven Het is bekend dat de laatvlieger zelden in tijdelijke vleermuiskasten wordt aangetroffen. De eerste mogelijkheid om alternatieve verblijfplaatsen te realiseren zou daarom moeten zijn om op zoek te gaan naar andere mogelijkheden. De vastgestelde verblijfplaats is aangetroffen onder een kantpan. De beste optie zou daarom zijn om alternatieve verblijfplaatsen te realiseren onder een kantpan. Er is beschreven dat in de omgeving van het plangebied ook kantpannen aanwezig zijn in de bebouwing, welke als uitwijkmogelijkheid kunnen dienen, maar ook hiervan is niet bekend of er al verblijfplaatsen aanwezig zijn. Hieruit kunnen we opmaken dat er dus nader onderzoek plaats zou moeten vinden of er mogelijkheden zijn in de omgeving onder kantpannen. Dit omdat dit naar onze mening betere verblijfplaatsen oplevert voor de laatvlieger.

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

20

Een andere optie zou het open maken van stootvoegen kunnen zijn. In de aanvraag is beschreven dat het openmaken van stootvoegen niet de beste optie is in voorliggende aanvraag, omdat de verblijfplaats is aangetroffen onder een kantpan. Wij kunnen er mee instemmen dat het realiseren van een verblijfplaats onder een kantpan beter is dat het openmaken van een stootvoeg. Maar we vinden het openmaken van stootvoegen een betere optie dan de in voorliggende aanvraag gebruikte tijdelijke vleermuiskasten. Dit onder andere omdat in de aanvraag niet goed in kaart is gebracht of de aanwezige openingen in de omgeving al in gebruik zijn als verblijfplaats voor de laatvlieger. Ook is niet goed beschreven of er mogelijkheden zijn om openingen te realiseren. Verder wordt ter onderbouwing van het gebruikte type vleermuiskasten verwezen naar een bijlage van de zoogdiervereniging. Deze notitie is ook bij de aanvraag gevoegd, ons kenmerk: 382210-09. Hierin wordt gezegd dat er eenmalig laatvliegers zijn aangetroffen in kraamkasten voor gewone dwergvleermuizen, maar daarbij is geen afmeting van de kasten gegeven. Omdat er verschillende kraamkasten met verschillende afmetingen tussenruimtes in de omloop zijn, valt hieruit niet af te leiden, hoe groot het in de brochure bedoelde type kast is.

Het in voorliggende aanvraag gebruikte type vleermuiskast bestaat uit meerder compartimenten met een tussenruimte van 1,9 centimeter. Volgens de brochure vleermuisvriendelijk bouwen 12 dienen de tussenruimtes voor grote vleermuissoorten als de laatvlieger minstens 2,5-4 centimeter te zijn. Het gebruikte type vleermuiskast in voorliggende aanvraag is dus te klein voor de laatvlieger. We kunnen dus stellen dat de laatvlieger mogelijk wel gebruik maakt van kasten, maar uit de brochure valt niet af te leiden welke kasten dit zijn en weke afmeting deze hebben. Zonder deze informatie kunnen we het gebruikte type tijdelijke vleermuiskasten niet accepteren als geschikt voor de laatvlieger. Voor wat betreft het type definitieve inbouw vleermuiskast kunnen we instemmen met de geschiktheid voor de laatvlieger. Ten eerste omdat dit type kast groot genoeg is voor de laatvlieger. Ten tweede omdat deze kast wordt ingebouwd in de gevel, wat het een geschikte verblijfplaats maakt voor de laatvlieger. Werkwijze De in de aanvraag geschetste werkwijze is een goede manier om de laatvlieger de tijd te geven de te slopen bebouwing te verlaten en het doden van de laatvlieger wordt op deze manier ook voorkomen. Wel wijzen we erop dat de aanvraag uitgaat van het uitvliegen van laatvliegers bij 8 °C. Veiligheidshalve gaan wij uit van 10 °C.

Een belangrijk aandachtspunt is wel om “exclusion flaps” te gebruiken die groot genoeg zijn voor de laatvlieger. Maar omdat de geschiktheid van de tijdelijke verblijfplaatsen ter discussie staat, kan er niet worden gegarandeerd dat er tijdens de werkzaamheden voldoende alternatieve verblijfplaatsen aanwezig zijn voor de laatvlieger. Dit betekent ook dat we niet kunnen garanderen dat geen schade optreedt aan de laatvlieger als er wordt gestart met het ongeschikt maken van de vastgestelde verblijfplaats. Dit betekent dat niet vaststaat dat met het uitvoeren van de aangevraagde ingreep geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de laatvlieger in hun natuurlijke verspreidingsgebied ineen gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Zolang dit niet vaststaat, kan de aangevraagde ontheffing niet worden verleend en kan er niet worden gestart met het ongeschikt maken van de vastgestelde zomerverblijfplaats van de laatvlieger. III.

Conclusie In tegenstelling tot datgene wat beschreven is in de aanvraag, zijn wij niet van mening dat door het plaatsen van vier tijdelijke vleermuiskasten van het type VK SK 03 voldoende geschikte alternatieve zomerpaarverblijfplaatsen voor de laatvlieger aanwezig zijn. Wij kunnen de gebruikte vleermuiskasten in voorliggende situatie niet zondermeer beschouwen als effectieve maatregel. Er kan daarom ook niet worden gestart met het ongeschikt maken van de vastgestelde verblijfplaats. Hierdoor kunnen wij niet uit sluiten dat met het uitvoeren van de aangevraagde ingreep geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de laatvlieger in hun natuurlijke verspreidingsgebied ineen gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

12

https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/2024-01/Brochure%20Vleermuisvriendelijk%20Bouwen.pdf

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

21

We verlenen de ontheffing van artikel 3.5 lid 2 en lid 4 Wnb om de laatvlieger opzettelijk te verstoren en om één zomerverblijfplaats van de laatvlieger te vernielen, daarom niet. Beoordeling van het provinciaal beleid • Beleidsnota Natuurwetgeving Het soortenbeleid is geregeld in de Beleidsnota Natuurwetgeving: “Meer prioriteit voor Zeeuwse Biodiversiteit”. In de Beleidsnota Natuurwetgeving zijn over de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger geen specifieke bepalingen opgenomen. Aanvragen voor ontheffing over de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger worden daarom getoetst aan de wettelijke criteria. Deze toets heeft plaatsgevonden onder B2 van dit besluit. • Zeeuwse omgevingsvisie In de Zeeuwse omgevingsvisie staan de Zeeuwse ambities voor 2050 beschreven. De Zeeuwse gemeenten, woningcorporaties en de provincie werken aan een Zeeuwse Woonagenda, waarbinnen gezamenlijk wordt opgetrokken om de woningvoorraad toekomstbestendig te maken en te houden. De huidige Zeeuwse woningvoorraad is met veel oude woningen niet duurzaam. Er ligt daarom een grote verduurzamingsopgave, zowel voor bestaande woningen als voor nieuw te bouwen woningen. Hiermee willen we voorkomen dat we in Zeeland met een overschot te maken krijgen van oude woningen en bedrijfsgebouwen, die niet meer aan moderne eisen voldoen.

Ook wordt op deze manier een bijdrage geleverd aan het verminderen van de CO2-uitstoot. Daarnaast stuurt de provincie aan op ontwikkelingen binnen de bestaande kaders van verstedelijking. De aangevraagde ingreep zorgt voor de realisatie van duurzame nieuwbouw met een woonfunctie. Recreatie en toerisme zijn zeer belangrijk voor Zeeland, als pijlers voor de economie, werkgelegenheid en leefbaarheid. Toerisme draagt in sommige regio’s binnen onze provincie in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid en de instandhouding van voorzieningen, vooral in de kleine kernen van Zeeland, zoals bijvoorbeeld Cadzand-Bad. Bestedingen van verblijfs-en dagtoeristen liggen niet alleen in logies en horeca, maar ook in sectoren als detailhandel, vervoer en zakelijke dienstverlening. Daarnaast in de recreatie- en toerismesector is sterk in beweging en er ligt een vraag om kwaliteitsverbetering en een gemeenschappelijke infrastructuur. De aangevraagde ingreep zorgt voor verblijfsrecreatie die passend is voor de huidige vraag. De voorgenomen ingreep is daarom niet in strijd met de Zeeuwse omgevingsvisie. C. Zienswijze Wij hebben u in het kader van artikel 4:7 lid 1 van de Awb tot 3 mei 2024 in de gelegenheid gesteld om mondeling of schriftelijk uw zienswijze over het voorgenomen besluit bij ons naar voren te brengen. Op 2 mei 2024 heeft u uw zienswijze bij ons naar voren gebracht.

Deze zienswijze is geregistreerd onder kenmerk: 382210-10. Deze zienswijze heeft geleid tot aanpassing van het voorgenomen besluit. Wij geven hieronder uw zienswijze weer. In de reactie vindt u onze beoordeling van de zienswijze. C.1 Tijdelijke alternatieve voorzieningen Zienswijze Ter aanvulling op de kasten die al zijn opgehangen voor de laatvlieger wordt, op 2 kopgevels van de bebouwing aan de Boulevard de Wielingen 12, gevelbetimmering gerealiseerd (zie figuur 3 in bijlage 1). Voor de gevelbetimmering wordt de Vleermuiskast VMN1 van Unitura geplaatst. Deze vleermuiskast is ontworpen als jaarrond verblijf voor laatvliegers. De voorziening is 240 cm breed en tussen de 120 en 60 cm hoog, afhankelijk van de dakhelling. De kast is voorzien van verschillende lagen met tussenruimtes van 30 mm. De tussenruimtes van 30 mm bieden voor de laatvlieger voldoende ruimte. Daarnaast stelt de Zoogdiervereniging in de bij de aanvraag gevoegde notitie, ons kenmerk: 382210-09, dat laatvliegers verblijfplaatsen hebben achter betimmering. Het aanpassen/plaatsen van gevelbetimmering wordt daarom benoemd als goed werkbare oplossing voor de laatvlieger. Ook worden 4 vleermuiskasten van het type Vera van Faunus Nature Creation geplaatst op de gevels van de bebouwing aan de Boulevard de Wielingen 12 (zie figuur 3 in bijlage 1).

De Vleermuiskast Vera is in potentie geschikt als zomerverblijfplaats voor laatvliegers. De kast is speciaal voor laatvliegers ontwikkeld op basis van ervaring en onderzoek. Deze vleermuiskast wijkt af van andere kasten doordat de kast twee verblijflagen heeft met een toegang vanaf de bovenzijde. Ook heeft de kast twee Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

22

compartimenten die vanaf de onderzijde toegankelijk zijn. De kast heeft binnenmaten van 51 x 3,2 x 73 cm (lxbxh) per laag, waarmee de kast voldoende ruimte biedt voor een grote vleermuissoort als de laatvlieger. De woning (Boulevard de Wielingen 12) waaraan de extra maatregelen worden geplaatst ligt buiten de invloedssferen van de werkzaamheden en andere werkzaamheden die al uitgevoerd worden aan de Boulevard de Wielingen. Daarnaast ligt de woning binnen 200 meter van, met de bebouwing waar de verblijfplaats van de laatvlieger is waargenomen. Hiermee is een grote kans aanwezig dat de vleermuiskasten binnen de vliegroute van de laatvlieger vallen en sneller ontdekt en geaccepteerd gaan worden als tijdelijke voorziening. Door het realiseren van zowel gevelbetimmering als het plaatsen van tijdelijke kasten worden voor de laatvlieger diverse opties geboden als tijdelijke voorziening van voldoende grootte en met diverse microklimaten. Reactie In het voorgenomen besluit hebben we beschreven dat de laatvlieger zelden in standaard vleermuiskasten wordt aangetroffen, omdat die vaak te klein zijn en dat daarom gezocht zou moeten worden naar andere mitigerende maatregelen. In de zienswijze wordt nu voorgesteld om gevelbetimmering te realiseren aan twee kopgevels van een gebouw. Ook worden aan dit gebouw speciale voor de laatvlieger ontwikkelde vleermuiskasten opgehangen.

Omdat de aangetroffen verblijfplaats is aangetroffen onder een kantpan verdient het de voorkeur om de alternatieve verblijfplaatsen ook te realiseren aan de kopse kant van een gebouw. Het plaatsen van gevelbetimmering aan twee kopgevels is daarom een goede manier om alternatieve verblijfplaatsen te bieden. De afmetingen van de voorgestelde gevelbetimmering zijn groot genoeg om voor de laatvlieger als verblijfplaats te kunnen fungeren. Verder stelt de Zoogdiervereniging dat deze maatregelen kunnen werken voor de laatvlieger. Wel is het belangrijk om verschillende microklimaten aan te bieden. Door het plaatsen van gevelbetimmering aan twee kanten van een gebouw is hieraan voldaan. Het plaatsen van twee gevelbetimmeringen is voldoende om de laatvliegers uit de aangetroffen verblijfplaats, alternatieve verblijfplaatsen te kunnen bieden. Dit maakt dat we kunnen instemmen met het plaatsen van gevelbetimmering als alternatieve verblijfplaats voor de laatvlieger. Het doen van extra onderzoek naar het gebruik van stootvoegen en kantpannen door de laatvlieger in de omgeving van het plangebied, zoals beschreven in het voorgenomen besluit is daarmee ook niet langer noodzakelijk. Wel hebben we enkele voorschriften (21 en 24) opgenomen waaraan deze gevelbetimmering moet voldoen. Zodra de verblijfplaatsen zijn gerealiseerd, wordt dit gemeld bij de RUD-Zeeland (voorschrift 23).

De tijdelijke alternatieve zomerverblijfplaatsen die als zodanig in gebruik zijn genomen door de laatvlieger moeten functioneel blijven (voorschrift 31). In de zienswijze wordt verder nog gesproken over het plaatsen van extra vleermuiskasten van het type Vera van Faunus Nature Creations. Het gebruik van kasten door laatvlieger is niet bewezen effectief en verschillende bronnen spreken elkaar tegen. De website van de leverancier van het type vleermuiskast Vera van Faunus Nature Creations beschouwd dat dit type vleermuiskast als potentieel geschikt voor de laatvlieger. Verder stelt de notitie van de Zoogdiervereniging dat standaardvoorzieningen (standaard externe (opbouw)kasten en inbouwkasten) potentie hebben als mitigatie voor een zomerverblijfplaats van de laatvlieger, maar daarbij zijn geen afmetingen bij vermeld. Volgens de eerder aangehaalde brochure vleermuisvriendelijk bouwen dienen de tussenruimtes voor grote vleermuissoorten als de laatvlieger minstens 2,5-4 centimeter te zijn. Het gebruikte type vleermuiskast in voorliggende aanvraag heeft twee tussenruimtes met een afmeting van meer dan 30 mm. Deze bieden voor de laatvlieger voldoende ruimte waarmee dit type kast in potentie geschikt is als zomerverblijfplaats voor de laatvlieger.

Samengevat komt het erop neer dat het plaatsen van kasten niet bewezen effectief is/zijn, maar dat het voorgestelde type vleermuiskast voor de laatvlieger groot genoeg is en de potentie heeft om te worden gebruikt door de laatvlieger. Wij beschouwen het gebruik van dit type vleermuiskast daarom als experimenteel. Dit betekent dat gedurende drie jaar monitoring plaats moet vinden naar de effectiviteit van dit type kasten. Dit is geborgd in voorschrift 25.

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

23

Verder zijn nog enkele andere voorschriften opgenomen met specificaties waar dit type kast aan moet voldoen (voorschrift 22 en 24). Zodra de verblijfplaatsen zijn gerealiseerd, wordt dit gemeld bij de RUD-Zeeland (voorschrift 23). De tijdelijke alternatieve zomerverblijfplaatsen die als zodanig in gebruik zijn genomen door de laatvlieger moeten functioneel blijven (voorschrift 31). C.2 Overige opmerkingen In het voorgenomen besluit is beschreven dat we konden instemmen met het voorgestelde type definitieve inbouw vleermuiskast voor de laatvlieger. Dit omdat dit type kast groot genoeg is voor de laatvlieger en omdat deze kast wordt ingebouwd in de gevel, wat het een geschikte verblijfplaats maakt voor de laatvlieger. Aan het voorliggende definitieve besluit zijn enkele voorschriften (26 en 30) verbonden die betrekking hebben op deze definitieve inbouwkasten. Daarnaast is in het voorgenomen besluit beschreven dat de aanvraag geschetste werkwijze een goede manier is om de laatvlieger de tijd te geven de te slopen bebouwing te verlaten en het doden van de laatvlieger wordt op deze manier ook voorkomen. Maar omdat niet vaststond dat voldoende alternatieven aanwezig waren voor de laatvlieger kon er niet worden overgegaan tot het ongeschikt maken.

In de zienswijze worden andere mitigerende maatregelen voorgesteld die wel geschikt zijn voor de laatvlieger, er kan nu dus wel worden overgegaan tot het ongeschikt maken van de te slopen gebouwen. Wij hebben we aan dit besluit enkele voorschriften over de te volgen werkwijze (27 t/m 29) opgenomen. Deze voorschriften hebben betrekking op het ongeschikt maken van de te slopen bebouwing voor de laatvlieger. Ook is een controle voorafgaand aan het slopen nodig om te zien of het ongeschikt maken succesvol is geweest. Zo moet bijvoorbeeld rekening worden gehouden met een gewenningsperiode (voorschrift 21 en 22). Deze voorschriften houden echter geen grote verandering van de manier van werken zoals die is beschreven in de aanvraag en het ontwerpbesluit. Wel wijzen we erop dat de aanvraag uitgaat van het uitvliegen van laatvliegers bij 8 °C. Veiligheidshalve gaan wij uit van 10 °C. Dit is ook als voorschrift 26 aan de ontheffing verbonden. Een ander belangrijk aandachtspunt is om zogenoemde “exclusion flaps” te gebruiken die groot genoeg zijn voor de laatvlieger. Dit is opgenomen in voorschrift 28. D.

Conclusies U heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat geen andere bevredigende oplossing bestaat en dat de ingreep nodig is in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Het verlenen van de ontheffing voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger levert evenmin strijdigheid op met het provinciaal beleid. Daarnaast heeft u voldoende aannemelijk gemaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Wij zijn daarom van oordeel dat de ontheffing van de gewone dwergvleermuis onder oplegging van voorschriften (onderdeel 1) kan worden verleend.

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

24

Bijlage 1 – kaart van het plangebied en locatie alternatieven

Figuur 1 - De planlocaties (rood omkaderd) zijn gelegen aan de Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 te CadzandBad.

Figuur 2- Overzicht van de aangetroffen vleermuisverblijfplaatsen in het onderzoeksgebied.

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

25

Figuur 3 - Locaties van de extra tijdelijke voorzieningen voor de laatvlieger.

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

26

Bijlage 2- Invulformulier dat moet worden gebruikt als logboek Stuur het logboek twee dagen nadat de benodigde werkzaamheden zijn afgerond naar RUDzeeland via handhaving.groen@rud-zeeland.nl. Onder vermelding van het zaaknummer van de ontheffing. Zaaknummer: Nr. voorschrift

Datum & ecologisch deskundige/waarnemer

Wijze van invulling/afwijking voorschrift

Paraaf werkverantwoordelijke

Zaaknummer: Nr. voorschrift

Datum & ecologisch deskundige/waarnemer

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

Wijze van invulling/afwijking voorschrift

Paraaf werkverantwoordelijke

28

Bijlage 3 – Monitoringsformulier Stuur het formulier vóór 31 december naar RUD zeeland: handhaving.groen@rud-zeeland.nl onder vermelding van het zaaknummer van de ontheffing. 1.Invulformulier monitoringsrapportage Zaaknummer: Opdrachtgever: Uitvoerende partij: Monitoringsjaar: 2.Contactpersoon monitoring Contactpersoon uitvoerende partij: Telefoonnummer: Emailadres: 3.Monitoringsmethode Soort(groep): Methodiek Protocol:

Soort(groep): Methodiek Protocol:

Soort(groep): Methodiek Protocol:

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

29

4.Monitoringslocaties (verblijfplaatsen genummerd op kaart)

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

30

5.Monitoringsresultaten Kastnummer

Datum

Soort

kast 1 kast 2 kast 3 kast … kast … kast …

Aantallen

Functioneel (ja/nee)

Bijzonderheden/opmerking*

*bijvoorbeeld: staat van de kast - factoren die de monitoringsresultaten beïnvloeden - kasttype 6.Foto’s verblijfplaatsen

(Foto’s koppelen aan kastnummer)

Behoort bij brief met zaaknummer: 382210

31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=3f2b511d-3a0f-493a-bc7c-8c2a79c7f065