CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

01 Bijlagen 4 tm 7 bij ruimtelijke onderbouwing (Natuur)

Commissie Ruimte/AB 2 september 2025, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot afgeven verklaring van geen bedenkingen voor herontwikkeling Boulevard de Wielingen 24-25 te Cadzand-Bad.30.778 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Quickscan Wet natuurbescherming Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 te Cadzand-Bad Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2022-0157

Datum:

13 juli 2022

Revisie:

21 juli 2022

Samensteller:

ing. B.C.E. Vleeshouwers

Collegiale toets:

ing. J. Dekkers

Opdrachtgever:

Adromi B.V.

Contactpersoon:

S. van Werven

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocaties

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

6

2 Methode

7

2.1

Uitvoering onderzoek

7

2.2

Soortenbescherming

7

2.3

Gebiedsbescherming

9

2.4

Houtopstanden

9

2.5

Houdbaarheid en toepassing

9

3 Beoordeling

10

3.1

Soortenbescherming

10

3.2

Gebiedsbescherming

18

3.3

Houtopstanden

19

4 Samenvatting

20

4.1

Soortenbescherming

20

4.2

Gebiedsbescherming

20

4.3

Houtopstanden

20

5 Conclusie

21

5.1

Conclusie

21

5.2

Uitvoerbaarheid

21

5.3

Vervolgstappen

21

5.4

Te treffen maatregelen

22

1 Inleiding Aan de Boulevard de Wielingen te Cadzand-Bad zijn drie woonpercelen met bijgebouwen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te slopen en al het aanwezige groen (bomen/struiken) te verwijderen ten behoeve van meerdere appartementencomplexen. Op Boulevard de Wielingen worden 14 appartementen gerealiseerd en op Boulevard de Wielingen 24 en 25 worden er 14 en 5 appartementen gebouwd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Adromi B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocaties te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.

Onderzoeksdoelen • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocaties en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocaties zijn gelegen aan de Boulevard de Wielingen 16 (1), 24 (3) en 25 (2).

4

1.1

Planlocaties De planlocaties zijn gelegen aan de Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 te Cadzand-Bad (figuur 1.2). 1.

Boulevard de Wielingen 16 is een huurwoning uit 1959. Deze woning is opgebouwd uit baksteenmuren met spouw en een pannendak met dakbeschot. Naast de woning is een garage gesitueerd bestaand uit baksteenmuren en een pannendak. Op dit perceel wordt een appartementencomplex met 14 appartementen gerealiseerd. In de garage is er geen dakbeschot of spouwmuur aanwezig. 2. Boulevard de Wielingen 24 staat er sinds 1965 en bestaat uit een vakantiehuizen-verhuurbedrijf en tweetal bovengelegen appartementen. Op dit perceel wordt een appartementencomplex met 14 appartementen gerealiseerd. Het gebouw is opgebouwd uit baksteenmuren en een pannendak. Er is een spouwmuur en dakbeschot aanwezig. 3. Boulevard de Wielingen 25 is een woning dat gebouwd is in 1960 en is leegstaand. De woning is opgebouwd uit baksteenmuren met een pannendak. Er is een dakbeschot en spouwmuur aanwezig. Daarnaast is er nog een schuur aanwezig. Deze schuur is overwoekerd met klimop en wordt gesloopt in de beoogde ontwikkeling. Op dit perceel wordt een appartementencomplex met 5 appartementen gerealiseerd. Het perceel van Boulevard de Wielingen 16 en 24 worden goed onderhouden. Het perceel van Boulevard de wielingen 25 wordt niet onderhouden en hier is een hoge mate aan overwoekering aanwezig van gewone braam, tevens is hier een bomenrij aanwezig. Er is geen oppervlaktewater aanwezig op de planlocaties.

Tussen boulevard de Wielingen 24 en 25 is een bomenrij aanwezig en op alle planlocaties zijn er meerdere (jaarrond groene) struiken en heesters aanwezig. Op alle planlocaties worden alle struiken en bomen verwijderd in de beoogde ontwikkeling. In figuur 1.3, figuur 1.4 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocaties en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocaties (rood omkaderd) zijn gelegen aan de Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 te Cadzand-Bad. De planlocaties liggen centraal in het dorp Cadzand-bad. De omgeving van Cadzand wordt gekenmerkt door de Noordzee en agrarische percelen. De omliggende bebouwing bestaat voornamelijk uit appartementen complexen en vrijstaande woningen. Op circa 2,2 km ten westen van de planlocaties is het natuurgebied ‘Het Zwin’ in België gelegen. Op circa 250 m ten noorden is de Noordzee gelegen.

5

Figuur 1.3 Op de Boulevard de Wielingen 25 te Cadzand-Bad is de tuin sterk overwoekerd met gewone braam,

Figuur 1.4 Op de Boulevard de Wielingen 16 te Cadzand-Bad zijn er verscheidende (jaarrond groene) struiken en heesters aanwezig.

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 te CadzandBad ten behoeve van de realisatie van 33 appartementen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen van struiken en bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden. 6

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocaties, de betekenis van de planlocaties voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocaties nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 27 juni 2022 en is uitgevoerd door ing. B.C.E. Vleeshouwers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 19 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocaties en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocaties. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocaties kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

7

Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c.

vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Zeeland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zeeland.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Rosse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Tweekleurige bosspitsmuis

Bosmuis

Huisspitsmuis

Veldmuis

Bruine kikker

Kleine watersalamander

Vos

Dwergmuis

Meerkikker

Wild zwijn

Dwergspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Woelrat

Egel

Ree

8

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Zeeland Binnen het Natuurnetwerk Zeeland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij geen reële andere mogelijkheden zijn en situaties waarbij negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en gemitigeerd. Bij aantasting van het Natuurnetwerk Zeeland geldt een compensatieplicht

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.

4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocaties, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

9

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocaties en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocaties is het voorkomen bekend van de volgende beschermde planten: grote leeuwenklauw, kleine wolfsmelk en muurbloem (NDFF 2012-2022). Grote leeuwenklauw groeit op zonnige, open plaatsen en op matig voedselrijke tot voedselrijke kalkhoudende grond. Voorbeelden hiervan zijn bermen langs onverharde wegen, akkers, waterkanten, braakliggende grond, dijken, tuinen en langs spoorwegen. De planlocaties bestaan uit meerdere gebouwen en de omliggende tuinen. Echter is er geen kalkhoudende grond aanwezig wat benodigd is voor deze soort om te groeien. Tevens zijn er monoculturen van gras aanwezig op de Boulevard de Wielingen 16 en 24. Bij Boulevard de Wielingen 25 is de tuin overwoekerd met hoge grassen en gewone braam.

De grote leeuwenklauw kan zich niet vestigen wanneer er een grote concurrentie aanwezig is. Derhalve door gebrek aan geschikte groeiplaatsen en de hoge mate aan monotone en overwoekerde tuinen kan de grote leeuwenklauw uitgesloten worden op de planlocaties. Kleine wolfsmelk komt voor op open, zonnige, vrij warme, vochtige, matig voedsel- en stikstofrijke, kalkhoudende, kleiige, niet te sterk bemeste, omgewoelde grond. (leem, klei, löss en mergel). Ze groeit in akkers met graan of hakvruchten, op stoppelvelden, op braakliggende grond, langs spoorwegen en paden en op open plekken van dijken en bermen (FLORON Verspreidingsatlas Vaatplanten, 2022). Gezien op de planlocaties geen kleiige en/of kalkhoudende gronden aanwezig zijn kan de aanwezigheid van kleine wolfsmelk worden uitgesloten. Muurbloem groeit alleen op oude, verweerde muren van kerken, ruïnes, stadsmuren en forten die met zachte kalkspecie zijn gevoegd. Zij staat bovenop muren of uitspringende randen, in scheuren en nissen, op min of meer scheefstaande muurdelen of aan de voet van muren (FLORON Verspreidingsatlas Vaatplanten, 2022). Op de muren van de bebouwing is geen vegetatie waargenomen. Daarnaast worden woonhuizen niet gevoegd met een zachte kalkspecie. Hierdoor zijn er geen groeiplaatsen aanwezig voor de muurbloem. Derhalve kan de aanwezigheid van muurbloem uitgesloten worden.

Ter plaatse van de planlocaties is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: gewone braam, grote teunisbloem, klaproos, klimop, madeliefje en paardenbloem. Er is weinig Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. aangetroffen boom en struiken soorten zijn es, esdoorn, laurierkers, rododendron, vlinderstruik en zwarte els. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

10

Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bruine rat, dwergspitsmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, vos en wezel (NDFF 20122022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: haas, konijn en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Hazen hebben een voorkeur voor kleinschalig gras- en bouwland en open velden als akkers en weilanden. Hazen maken geen gebruik van holen maar rusten in legers (ondiepe kuilen in de grond). Konijnen hebben een voorkeur voor halfopen landschappen zoals perken, tuinen, bosranden met een goed vergraafbare zandige bodem waar ze holen in kunnen graven. De planlocaties zijn gedeeltelijk verhard en gelegen in stedelijk gebied, op de planlocaties is geen goed vergraafbare grond aanwezig. Derhalve bestaan de planlocaties niet uit geschikt leefgebied voor hazen en konijnen. De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van de haas en het konijn op de planlocaties kan op voorhand uitgesloten worden. De wezel heeft een voorkeur voor een structuurrijk kleinschalig (cultuur-) landschap, maar wordt ook wel in bebouwde omgeving aangetroffen.

De wezel is sterk afhankelijk van voldoende dekking. Door zijn kleine formaat is de soort dan ook kwetsbaar voor predatoren. Bij Boulevard de Wielingen 16 en 24 zijn er geen tot weinig dekkingsstructuren aanwezig in de vorm van ruwe vegetatie, bosschages en houtwallen. De tuin van Boulevard de Wielingen 25 is verwilderd en overwoekerd door onder andere gewone braam en klimop. Op de planlocatie zijn geen sporen zoals uitwerpselen, latrines of prooiresten waargenomen. De planlocatie is gelegen in een stedelijke omgeving waardoor er een hoge mate van verstoring aanwezig is. De planlocatie bestaat derhalve niet uit geschikt leefgebied voor de wezel. In de omgeving van de planlocatie is voldoende geschikt leefgebied voor de wezel aanwezig. Van aantasting van essentiële onderdelen van leefgebied van de wezel in de beoogde ruimtelijke ingreep is derhalve geen sprake. De planlocaties heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruin rat, egel, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de gewone dwergvleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocaties tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocaties zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. Alle bomen worden gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. In de bomen op en nabij de planlocaties zijn geen boomholten aangetroffen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.

11

De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Boulevard de Wielingen 16 bestaat uit een woning en naastgelegen garage. De woning is opgebouwd uit baksteenmuren met spouw en een pannendak met dakbeschot. In de muren zijn er geen openingen aanwezig die toegang bieden tot de spouwmuur. Echter zijn er kierende kantpannen aanwezig aan de kopgevels van de woning (figuur 3.1). Door de aanwezigheid van openingen die naar potentieel geschikte verblijfplaatsen leiden is het mogelijk dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in het wegnemen van vleermuisverblijfplaatsen.

Figuur 3.1 Kierende dakpannen aan de kopgevels van Boulevard de Wielingen 16 te Cadzand-Bad. De garage op het perceel is opgebouwd uit enkelsteense muren en een pannendak zonder dakbeschot. Door het gebrek aan spouw en dakbeschot in de garage kan de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen uitgesloten worden. Boulevard de Wielingen 24 bestaat uit een woning dat is opgebouwd uit baksteenmuren met spouw en een pannendak met dakbeschot. In de muren van de bebouwing zijn ventilatiegaten en stootvoegen aanwezig op circa 2,5 m hoogte en laag bij de grond (<20 cm). Tevens zijn er kierende kantpannen aanwezig aan de kopgevels van de bebouwing. Door de aanwezigheid van openingen die naar potentieel geschikte verblijfplaatsen leiden is het mogelijk dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in het wegnemen van vleermuisverblijfplaatsen (figuur 3.2).

12

Figuur 3.2 Kierende dakpannen aan de kopgevels en ventilatiegaten aan de Boulevard de Wielingen 24 te Cadzand-Bad. Boulevard de Wielingen 25 bestaat uit een woning en schuur dat is opgebouwd uit baksteenmuren met spouw en een pannendak met dakbeschot. Tevens zijn er kierende kantpannen aanwezig aan de kopgevels van de bebouwing. Door de aanwezigheid van openingen die naar potentieel geschikte verblijfplaatsen leiden is het mogelijk dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in het wegnemen van vleermuisverblijfplaatsen (figuur 3.3).

Figuur 3.3 Kierende dakpannen aan de kopgevels en ventilatiegaten aan de Boulevard de Wielingen 24 te Cadzand-Bad. De schuur is opgebouwd uit perceel is opgebouwd uit enkelsteense muren en een pannendak zonder dakbeschot. Door het gebrek aan spouw en dakbeschot in de garage kan de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen uitgesloten worden.

13

Door de sloop van de drie woningen aan de Wielingen 16, 24 en 25 te Cadzand-Bad is het mogelijk dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in het wegnemen van vleermuisverblijfplaatsen. Gebaseerd op de bekende verspreidingsgegevens, de ligging van de planlocaties (stedelijk gebied) en de type bebouwing/bomen is potentie voor verblijfplaatsen van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (tabel 3.1). Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels veldbezoeken in de periode april-september (zie H5.3). Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocaties gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocaties gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Op en rondom de Boulevard de Wielingen 16 zijn er geen structuren aanwezig die kunnen dienen als vliegroute/foerageergebied. Op Boulevard de Wielingen 24 en 25 zijn bomenrijen en bebouwing aanwezig. De bomenrijen staan niet in verbinding met andere bomenrijen, bosschages en/of bosgebieden. In de directe omgeving van de planlocaties zijn er voldoende alternatieven aanwezig die als foerageergebied en vliegroute kunnen dienen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot aantasting van een essentiële vliegroute of een essentieel foerageergebied. Tabel 3.1

Samenvatting van de beoordeling van verblijfplaatsen, essentiële vliegroute en foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten.

Vleermuissoort

Potentie

Onderbouwing

Gewone dwergvleermuis

Ja

Geschikte openingen in bebouwing.

Ruige dwergvleermuis

Ja

Geschikte openingen in bebouwing.

Laatvlieger

Ja

Geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing.

Gewone grootoorvleermuis

Nee

Planlocaties liggen binnen stedelijk gebied met (te) veel lichtverstoring

Meervleermuis

Nee

Afwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving en buiten bekende verspreiding

Watervleermuis

Nee

Geen geschikte boomholtes en buiten bekende verspreiding

Rosse vleermuis

Nee

Geen geschikte boomholtes en buiten bekende verspreiding

Tweekleurige vleermuis

Nee

Buiten bekende verspreiding en afwezigheid van zeer hoge bebouwing voor paarverblijfplaatsen.

Vleermuizen algemeen

Potentie

Onderbouwing

Massawinterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis) Essentiële vliegroute

Nee

Afwezigheid hoge bebouwing met bufferende vermogen

Nee

Geen aantasting van lijnvormige structuren

Essentieel foerageergebied

Nee

Geen aantasting van houtopstanden met struweel en oppervlaktewater

Tabel 3.2

Samenvatting van de potentie voor vleermuissoorten op de planlocaties.

Vleermuissoort

Zomer

Kraam

Paar

Massawinter

Gewone dwergvleermuis

Ja

Ja

Ja

Nee

Ruige dwergvleermuis

Ja

Nee

Ja

Nee

Laatvlieger

Ja

Ja

Ja

Nee

Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, boomkikker, bruine kikker, kamsalamander, kleine watersalamander en rugstreeppad (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, boomkikker, kamsalamander en rugstreeppad.

14

Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocaties. De Alpenwatersalamander, boomkikker en kamsalamander worden vaak aangetroffen bij verscheidende oppervlaktewateren zoals sloten, vennen en solitaire waterplassen. Daarnaast hebben ze dekkingsmogelijkheden nodig op te schuilen en te overwinteren. Denkend aan (oude) hout/takkenhopen, houtwallen, bosschages en stenenhopen. In een straal van 1km rondom de planlocaties zijn er verscheidende geschikte wateren aanwezig en zijn er meerdere waarnemingen bekend van genoemde soorten. Echter bieden de planlocaties geen schuilmogelijkheden, overwinteringsmogelijkheden en oppervlaktewateren voor deze soorten. Derhalve kan de aanwezigheid van deze soorten en geschikt leefgebied van de Alpenwatersalamander, boomkikker en kamsalamander op de planlocaties uitgesloten worden. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden.

Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). Momenteel wordt het voorkomen van rugstreeppad op de planlocaties niet verwacht wegens het ontbreken van functioneel leefgebied in de vorm van vergraafbaar zand, ondiepe poeltjes of geschikte overwinteringslocaties. Desalniettemin kan de rugstreeppad opduiken wanneer zandige terreinen ontstaan tijdens graaf- en bouwwerkzaamheden (bijlage 2). Er zijn maatregelen benodigd ten aanzien van rugstreeppadden (zie H5.4). Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocaties. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers.

Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). Op de planlocaties en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

15

Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocaties en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: ekster, houtduif, huismus, merel en Turkse tortel. Gedurende het veldbezoek zijn er enkele huismussen gehoord op naastgelegen percelen. Binnen een straal van 100 meter van de planlocaties is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing.

Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is. (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Alle drie de woningen en bijgebouwen beschikken over een pannendak echter alleen de woningen beschikken ook over dakbeschot. In de bebouwing aan de Boulevard de Wielingen 16 en 24 zijn geen openingen aanwezig in het pannendak die naar geschikte nestlocaties leiden voor huismussen. Tevens zijn er houten planken aangebracht die dieren weerhouden om onder de dakpannen te komen. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de Boulevard de Wielingen 16 en 24 kan derhalve uitgesloten worden. De bebouwing aan de Boulevard de Wielingen 25 is tevens opgebouwd uit een pannendak met dakbeschot. Echter mist er een kantpan waardoor er een geschikte opening aanwezig in het dak. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot grote aantasting van groene delen en resulteert mogelijk in afname van essentieel leefgebied.

Echter biedt de directe omgeving voldoende alternatief leefgebied. Om de aan- of afwezigheid van nestlocaties van huismussen in de bebouwing op de planlocaties vast te stellen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie H5.3). De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. Bij de drie woningen zijn er kierende kantpannen aanwezig die breed genoeg zijn om als invliegopening voor gierzwaluwen te fungeren. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluwnesten op de planlocaties niet uitgesloten worden. Om de aan- of afwezigheid van nestlocaties van gierzwaluwen in de bebouwing op de planlocaties vast te stellen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie H5.3).

In en rondom de bebouwing zijn geen sporen zoals braakballen, veren en krijtsporen, van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocaties. 16

De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. In de directe omgeving van de planlocaties zijn voldoende alternatieven aanwezig voor foerageergebieden en leefgebieden van uilen en roofvogels. Door de locatie van de bebouwing en de gedeeltelijke verharding is er geen sprake van essentieel leefgebied van roofvogelsoorten en uilen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocaties voorzien in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocaties. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Tabel 3.3

Vogelsoorten onder categorie 5: Honkvaste broeders, maar voldoende flexibel

Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eidereend

Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel

Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw

Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht

17

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocaties maken geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 500 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Westerschelde & Saeftinghe’ (figuur 3.1).

Figuur 3.4 De planlocaties liggen op een afstand van circa 500 m tot het Natura 2000-gebied ‘Westerschelde & Saeftinghe’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van 33 appartementen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a).

De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. 18

Gezien er een geringe afstand (500 m) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Westerschelde & Saeftinghe’, dient er een berekening met de AERIUS-Calculator uitgevoerd te worden. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocaties zijn buiten het Natuurnetwerk Zeeland gelegen (figuur 3.3). Bij een nieuwe ontwikkeling (nieuw bestemmingsplan) in het Natuurnetwerk Zeeland wordt dit toegestaan als dit geen aantasting geeft van de wezenlijke kenmerken of waarden van het Natuurnetwerk Zeeland. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Zeeland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Figuur 3.5 De planlocaties liggen op een afstand van circa 50 m tot het Natuurnetwerk Zeeland (bron: kaarten.zeeland.nl).

3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

19

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: vleermuizen, huismussen en gierzwaluw. De planlocaties zijn mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

Mogelijke functie planlocatie

art. 3.5

Ja

Verblijfplaats/essentiële vliegroute/essentieel foerageergebied

art. 3.1 art. 3.1

Ja Ja

Nestlocatie/foerageergebied Nestlocatie

Planten Grondgebonden zoogdieren

Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Huismus Gierzwaluw Vogels (Algemeen en cat. 5)

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Nader onderzoek

Natura 2000 Natuurnetwerk Zeeland

500 m 50 m

Stikstof Geen

AERIUS N.v.t.

4.3 Houtopstanden Op de planlocaties zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

20

5 Conclusie 5.1

Conclusie De sloop van 3 woningen en bijgebouwen ten behoeve van de realisatie van 33 appartementen aan de Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 te Cadzand-Bad is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd te worden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing en aanwezige groenstructuren een relevante functie hebben voor huismus, gierzwaluwen vleermuis. (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus, gierzwaluw: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd).

Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

5.3 Vervolgstappen • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei, conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar gierzwaluw uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar gierzwaluw wordt uitgevoerd middels drie gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei t/m 15 juli met minstens één veldbezoek tussen 20 juni en 7 juli, conform het Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2017). • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen drie rondes in het voorjaar en twee rondes in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocaties voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 3.1 en 3.2 uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute.

• Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator.

21

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocaties te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocaties tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden.

Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 3. • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

22

Bronvermelding Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites w.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zeeland.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Fotografische impressie Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming Ecologie rugstreeppad

23

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocaties zijn gelegen aan de Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 te Cadzand-Bad en bestaat uit drie woningen met bijgebouwen. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van alle bebouwing ten behoeve van de realisatie van 33 appartementen. Hierboven is Boulevard de Wielingen 16 afgebeeld.

Figuur 2

Tussen Boulevard de Wielingen 24 en Boulevard de Wielingen 25 is een bomenrij en haag gelegen.

24

Figuur 3

De bomen tussen Boulevard de Wielingen 24 en Boulevard de Wielingen 25 zijn overwoekerd met klimop.

Figuur 4

De tuin van Boulevard de Wielingen 25 is volledig overwoekerd en wordt niet onderhouden.

25

Bijlage 2 Vervolgstappen Wnb Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

26

Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee).

De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

27

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het

daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen,

industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter

plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.

28

Bijlage 3 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (figuur 1, Diepenbeek & Creemers, 2006).

Figuur 1

Impressies van de verschillende levensstadia van rugstreeppad. Bron: bovenste foto’s RAVON, onderste foto’s: Blom Ecologie.

29

Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.

Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Voorkomen kolonisatie Doordat de rugstreeppad een typische pioniersoort is en een dynamische omgeving met vergraafbare grond prefereert, kan snel spontane kolonisatie van de soort in een braakliggend gebied of bouwterrein ontstaan. Om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=3f2b511d-3a0f-493a-bc7c-8c2a79c7f065