CConstaterende datSliedrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting bestemmingsplan Sliedrecht Buiten Stationspark III.pdf

Besluitvormend - Gemeenteraad Sliedrecht 28 mei 2024, gemeente SliedrechtBij agendapunt: 9: FYS – Vaststelling bestemmingsplan Sliedrecht Buiten en Stationspark III23.767 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, wordt deze aantasting gecompenseerd. Gedeputeerde staten leggen de vereisten betreffende de aard en omvang van de compensatie en het moment waarop de compensatie gerealiseerd moet zijn, vast in een beleidsregel over de compensatie bij nieuwe ontwikkelingen. De motivering bij het bestemmingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie. Planspecifiek Sliedrecht Buiten Transformatie is mogelijk in o.a. gebieden met de beschermingscategorie buitengebied en recreatie voor de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur- en recreatiegebieden of van grote buitenstedelijke bouwlocaties bedoeld in artikel 6.10. Het project betreft de ontwikkeling van een natuur- en recreatiegebied, hetgeen ook is opgenomen in het Omgevingsprogramma. Deze ontwikkeling verandert de gebiedsidentiteit omdat het agrarische karakter en de bestaande landschappelijke structuren in het gebied worden getransformeerd. Sportvelden en natuurontwikkeling (met bijbehorende verschijningsvorm) zijn functies die een verandering van de huidige situatie met zich meebrengen.

De sportvelden passen qua maat en vorm niet op de smalle kavels en het huidige slotenpatroon en dit vraagt om een wijziging van de structuur. Daarom is de ontwikkeling door de provincie gecategoriseerd als een vorm van “transformatie”. De voorwaarden voor transformatie zijn van overeenkomstige toepassing. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan, mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. Voor de ontwikkeling is een landschappelijke inpassing waarin de ruimtelijke kwaliteit is gewaarborgd, zie hiervoor Bijlage 1.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

26 - 61

De onderbouwing van de gebieden met een specifieke beschermingscategorie wordt onderstaand toegelicht. Stationspark III De ontwikkeling van STP III kan worden aangemerkt als zijnde aanpassing. De voorziene ruimtelijke ontwikkeling op de locatie is passend binnen de bestaande gebiedsidentiteit van de locatie en zijn omgeving, maar er is wel sprake van een wijziging op structuurniveau door de wijziging van de functie sport naar de functiebedrijven. Een ontwikkeling in de categorie aanpassen wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen: 1. duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt; 2. wegnemen van verharding; 3. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; 4. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert. Ter plaatse van het plangebied zijn geen specifieke kenmerken van toepassing, zoals een specifiek soort landschap. De ontwikkeling van het Stationspark III is mogelijk als daarmee de ruimtelijke kwaliteit van het gebied tenminste gelijk blijft.

Door de toevoeging van grote waterpartijen, aangevuld met groen, ontstaan er ruime kwalitatieve randen die het nieuwe bedrijventerrein omzomen. Dit zorgt voor een kwaliteit die minimaal gelijkwaardig is aan de bestaande kwaliteiten. Daarnaast moet voor dit onderdeel van het plan rekening worden gehouden met de relevante richtpunten. Dit zijn de richtpunten voor de laag steden en dorpen in de kwaliteitskaart waar de planlocatie onderdeel van uit maakt. Relevante richtpunten: Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht. STP III sluit aan op de bedrijventerreinen en voorzieningen aan beide zijden van het plangebied. Het vormt een nieuw gezicht richting de A15 en de Sportlaan, met aan de zijde van deze wegen de voorkanten van de bebouwing omringd met groen en water. Daarmee sluit het aan op de aanwezige bebouwing in de zone tussen A15 en spoor en continueert het de stedenbouwkundige structuur van Sliedrecht, van oost naar west. Voor de beeldkwaliteit wordt aangesloten op de beeldkwaliteitseisen van Stationspark II. Daarmee sluit het in beeld aan op de directe omgeving.

De toevoeging van ruim groen en water aan de randen zorgt voor het doortrekken van bestaande groenstructuren. De groene inrichting van de zone aan de A15 wordt zoveel mogelijk behouden. Bij de inrichting van de noordzijde van de planlocatie, aan de Sportlaan, wordt aangesloten bij het open karakter met groen en water, zoals verder langs Sportlaan/Stationslaan/Parallelweg voorkomend is. Het plangebied wordt omzoomd door water, aansluitend op de bestaande waterstructuur. Stationspark III valt binnen het beleid en is vertaald naar het gebruik en toepassingen van landschappelijke kenmerken. Ondanks dat deze in het huidige sportpark niet meer zichtbaar zijn, is het wenslelijk om deze elementen in het ontwerp van het bedrijventerrein als uitgangspunt te hanteren. Gemeentelijk beleid ten aan zien van structureel groen en ecologische waarde zal worden omgezet in het behouden en transformeren van de bestaande structuur parallel aan de A15. Om een aanzet te geven in de overige bedrijvenparken wordt in Stationspark III een start gemaakt met de recreatieve wandel routen door het gebied. Voor beide gebieden wordt het huidige of oude polderlandschap via toepassen van het patroon van sloten en gelijke landschapselementen verbonden met elkaar.

In de opzet is gebruik gemaakt van landschapselementen als [knot]bomen rijen, groepjes bomen of bosjes, knip/scheerhaag, kruidenrijke grasland, natuurvriendelijke oevers, korte of langere houtwallen/houtsingels, en dergelijke. Zelfs is er de mogelijkheid om een rietveld te realiseren mits dit voor de waterkwaliteit en de biodiversiteit beter is.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

27 - 61

Artikel 6.27a Risico’s van klimaatverandering Bij ontwerp van Stationspark III is ook rekening gehouden met artikel 6.27a Risico’s van klimaatverandering. Het artikel luidt als volgt: In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling. Voor zover risico’s zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht op het aanvaarden van deze risico’s. Bij het ontwerp is rekening gehouden met o.a. hittestress door in het profiel van de ontsluitingsweg ruimte op te nemen om bomen te planten wat bijdraagt aan een groene beleving als het voorkomen van hittestress. Zie de landschappelijke inpassing van Bijlage 1 voor de verdere maatregelen die rekening houden met de risico's van klimaatverandering. Artikel 6.9a Beschermingscategorie 3 Buitengebied 1.

Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied waarvan de plaats geometrisch is verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; b. de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; c. het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de ontwikkeling van natuur- en groengebied en grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 6.10. Planspecifiek De keuze om de recreatie en sportvoorzieningen (voetbal, tennis, padel en andere sportvormen) buiten het bestaand dorps gebied te realiseren komt doordat STP III gerealiseerd gaat worden en omdat er geen uitbreidingsmogelijkheden op de huidige locatie en binnen stedelijk gebied is (zie hiervoor paragraaf 4.1.4 Onderbouwing ladder voor duurzame verstedelijking) .

Vandaar dat dit in Sliedrecht Buiten zal plaatsvinden waar de combinatie van sportvoorzieningen met een TOP locatie en recreatienatuur zal leiden tot een recreatief knooppunt. Wat een grote toegevoegde waarde voor Sliedrecht en de regio zal hebben. De keuze om het recreatief knooppunt, horizontaal langs de ontsluiting (de Provinciale Weg en het spoor) te positioneren in plaats van haaks erop komt voort uit de zone langs het spoor die vrij van bebouwing dient te blijven. Door deze ruimte te benutten voor natuur, sport en recreatie worden ontwikkelingen op deze plek niet uitgesloten. Bij het plaatsen van de sportvelden is zoveel mogelijk de bestaande richting en structuur van het huidige of oude polderlandschap aangehouden, via toepassen van het patroon van sloten en gelijke landschapselementen verbonden met elkaar, zie hiervoor Bijlage 1. Verder is Sliedrecht Buiten aangegeven als "andere stedelijke ontwikkeling" bij artikel 6.10 Stedelijke ontwikkeling.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

28 - 61

Afbeelding uitsnede provinciale verordening. Artikel 6.9b Beschermingscategorie 2 Recreatiegebied Een bestemmingsplan voor een locatie binnen recreatiegebied waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voor zover: a. de ontwikkeling geen beperking oplevert voor de openbare toegankelijkheid van het gebied, rekening houdend met het huidige gebruik van het gebied; b. de ontwikkeling gericht is op de vergroting van de diversiteit en de kwaliteit van het recreatiegebied en ook de recreatieve waarde van het gebied zal versterken; c. de ontwikkeling past bij de uitstraling en het recreatieve gebruik van het gebied; d. de ontwikkeling bijdraagt aan de samenhang tussen binnenstedelijke en buitenstedelijke groen- en waterstructuren; e. de ontwikkeling zo mogelijk gekoppeld wordt aan recreatie knooppunten en cultuurhistorisch erfgoed. Planspecifiek In algemene zin liggen recreatiegebieden op de overgang van de stedelijke dynamiek naar het luwe buiten. Dat is ook in Sliedrecht Buiten het geval. De ontwikkeling van een recreatief knooppunt op deze locatie zorgt voor een startpunt voor recreanten voor het grote buitengebied. Het is een directe verbinding tussen het dorp en het buitengebied Alblasserwaard-Vijfheerenlanden.

De toevoeging van recreatienatuur zo dicht bij de Drechtsteden maakt het voor de stedeling extra aantrekkelijk om het buitengebied in te trekken en zorgt voor een extra aanbod op het gebied van recreatie in het grotere geheel van Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. Een kleinschalige recreatieve toevoeging op een groot en aantrekkelijk buitengebied met een duidelijke recreatieve functie, doordat het plangebied wordt ingevuld als overstappunt met natuurspeeltuin, openbare beweegpleinen en plek van waaruit de Alblasserwaard fietsend en lopend ontdekt kan worden. Daarnaast is het plangebied aangewezen als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.10 waardoor het passend is.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

29 - 61

Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening. b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. 2. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt, voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie. 3.

Gedeputeerde staten kunnen bij de vaststelling van een regionaal woningbouwprogramma aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen, mits het regionaal woningbouwprogramma past in de regionale woonvisie en de regionale woonvisie een uitwerking bevat van de in de provinciale omgevingsvisie genoemde doelstellingen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie en het regionale woningbouwprogramma bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 4. Gedeputeerde Staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale visie. Planspecifiek De ladder is onderbouwd in subparagraaf 4.1.4. Hieruit volgt dat het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Verder is Sliedrecht Buiten aangegeven als "andere stedelijke ontwikkeling" waardoor het planvoornemen ook passend is, binnen het beleid van de provincie. Artikel 6.10h Kansen voor biodiversiteit Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit.

Planspecifiek Biodiversiteit Stationspark III Variatie is belangrijk voor de biodiversiteit. Door in de nieuwe situatie een gevarieerder aanbod aan (inheemse) bomen, struiken en kruiden te gebruiken, met geleidelijke overgangen van laag naar hoog (zoom/mantel) in combinatie met bloemrijk grasland is gedurende het hele seizoen voedsel (nectar/stuifmeel) voor insecten beschikbaar. Door dit ecologisch te beheren zijn er altijd schuilmogelijkheden en voortplantingsplekjes, waarvan niet alleen vlinders, libellen en zweefvliegen en wilde bijen profiteren, maar ook tal van andere dieren zoals vogels. Langs de A15 zal worden getracht om een aantal oude (afstervende en dode) bomen te behouden en in te passen in de nieuwe groenstructuren. Tal van insecten en vogels zoals spechten, kauwen en spreeuwen, zullen gebruik maken van de holtes ontstaan in het dode hout. Die ook weer aantrekkelijk zijn als verblijfplaats voor vleermuizen en hun foerageergebied. Door meer openheid (coullise) te creëren kan het zonlicht de bodem/water beter bereiken. Dit zal positieve gevolgen hebben voor de oever- en watervegetatie op de (natuurvriendelijke) oevers en hiermee de waterkwaliteit. Door de bosschages te combineren met natuurvriendelijke oevers, laanbeplanting, rietzomen en andere kleine landschapselementen ontstaat een gevarieerd biotoop met meer kansen voor veel dier- en plantsoorten.

Planspecifiek Biodiversiteit Sliedrecht Buiten Door de diverse inrichting van het groen zal het leefgebied aantrekkelijker worden. De diverse beplanting moet ervoor zorgen dat er gedurende het gehele seizoen nectaraanbod is voor insecten, waarvan tal van andere fauna zoals de vele vogels weer profiteren. De natuurvriendelijke oevers en de rietkragen, zorgen voor meer variatie, zowel op de oever, als onder de waterlijn. Dit biedt kansen voor een grote diversiteit aan flora en fauna.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

30 - 61

Bedrijven (artikel 6.12) 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 20 in bijlage II, maakt vestiging mogelijk van bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel voorziet in overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur, passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen op een grote buitenstedelijke bouwlocatie als bedoeld in artikel 6.10 of die mogelijk zijn op grond van een vigerend bestemmingsplan. 2. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een watergebonden bedrijventerrein, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 20 in bijlage II, laat in hoofdzaak watergebonden bedrijven toe. 3. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan in beperkte mate voorzien in nieuwe woningen, bedrijfswoningen en andere functies op delen van een bedrijventerrein, voor zover dit niet in strijd is met het eerste lid. 4.

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein als bedoeld in het eerste of tweede lid en dat gehele of gedeeltelijke transformatie naar een andere bestemming dan bedrijven mogelijk maakt, verantwoordt in de toelichting op welke wijze binnen de regio planologische compensatie van bedrijventerrein zal plaatsvinden of reeds heeft plaatsgevonden. Planologische compensatie is nodig bij: a. een bedrijventerrein met milieucategorie 3, dan wel overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur; b. een bedrijventerrein met milieucategorie 4 of hoger, dan wel overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur; c. een geluidgezoneerd bedrijventerrein; d. een watergebonden bedrijventerrein. 5. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing bij verlaging van de milieucategorie of milieuzone. 6. Compensatie als bedoeld in het vierde lid, kan achterwege blijven als is aangetoond dat na transformatie voldoende bedrijventerrein in de regio beschikbaar zal blijven afgezet tegen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. 7. Compensatie van feitelijk gebruik en m² voor m² is mogelijk mits wordt voldaan aan een evenwichtige balans in vraag en aanbod, vastgelegd in de door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale bedrijventerreinenvisie. Toetsing De planlocatie Stationspark III wordt bestemd als 'Bedrijf'.

Voor het bepalen van de maximale milieucategorie is gekeken naar het type bedrijven dat zich in de toekomst gaat vestigen op het terrein en de omgeving van het bedrijventerrein. In het ladderonderzoek (zie hiervoor Bijlage 3) voor STP III komt naar voren dat het wenselijk is dat het bedrijventerrein voor het grootste deel ruimte biedt aan reguliere bedrijvigheid. Hier is in het primaire marktgebied ook de meeste ruimtevraag naar. Daarnaast kan STP III ook de ruimte bieden om aanbod te creëren voor gemengd stedelijke bedrijvigheid en HMC werkmilieus (tot en met milieucategorie 4.2) waarvan regionaal sprake is van aanbodtekort. De maximaal mogelijk toelaatbare milieucategorie is voor een deel van het plangebied 4.2. Derhalve wordt in het noordelijk deel bedrijven toegestaan met maximaal categorie 4.2 en in het zuidelijk deel is maximaal categorie 3.2 toegestaan. Archeologie en Romeinse Limes (artikel 6.27) 1. Een bestemmingsplan voor gronden met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat bestemmingen en de daarbij behorende regels die de bekende archeologische waarden beschermen. 2. De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in elk geval in een verbod op werken of werkzaamheden waarbij de bodem tot meer dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: a.

door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast, of b. het werken of werkzaamheden betreffen die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten. 3. In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag bij uitzondering besluiten tot behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’, als andere belangen prevaleren. 4. Een bestemmingsplan voor gronden binnen de Romeinse Limes met een hoge of zeer hogem2 archeologische verwachtingswaarde, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat bestemmingen en daarbij behorende regels die de verwachte archeologische waarden beschermen. 5. De regels, bedoeld in het vierde lid voorzien in elk geval in de voorwaarde van archeologisch onderzoek bij

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

31 - 61

werken of werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m² waarbij de bodem tot meer dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd en de voorwaarde, dat gehandeld wordt in overeenstemming met de uitkomsten van dat onderzoek. Planspecifiek De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' wordt overeenkomstig het gebied zoals opgenomen in de omgevingsverordening opgenomen in de verbeelding. Het aspect archeologie wordt toegelicht in paragraaf 5.1.

4.2.3 Omgevingsprogramma Per 15 maart 2022 geldt de geconsolideerde versie van het Omgevingsprogramma. Sliedrecht Buiten In het Omgevingsprogramma is Sliedrecht Buiten opgenomen als andere stedelijke ontwikkeling. In totaal is er 20 hectare uitgeefbaar oppervlak beschikbaar op de beoogde locatie van het knooppunt. Het knooppunt wordt in het Omgevingsprogramma aangehaald als belangrijk transformatiegebied. De Merwedezone biedt een ontwikkelingskader voor het regiopark met recreatieve knooppunten. In het recreatief knooppunt Sliedrecht worden de uit te plaatsen sportvelden opgenomen. De nieuwe sportvoorzieningen in Sliedrecht Buiten, bieden de kans om nieuwe recreatieve functies toe te voegen. Niet alleen voor het recreatief knooppunt, het zorgt voor een verbetering én verdere ontwikkeling van de recreatieve ontsluiting van de Alblasserwaard. Daardoor ontstaat de mogelijkheid om meerwaarde te creëren tussen sport, recreatie, ecologie, biodiversiteit, de groenblauwe dooradering en de landschapskwaliteit. Uitgangspunt bij de ontwikkeling van Sliedrecht Buiten moet zijn dat de verrommeling wordt tegengegaan, dat de agrarische bedrijfsvoering wordt gerespecteerd en dat de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied worden behouden en versterkt. Hoe aan deze uitgangspunten is voldaan staat uitgebreid beschreven in Bijlage 1 Landschappelijke inpassing.

Bij de ontwikkeling van Sliedrecht Buiten zijn de uitgangspunten uit het Omgevingsprogramma meegenomen. De verschillende functies zijn in samenhang ontworpen. In de vormgeving en inrichting zijn de landschappelijke en historische kenmerken van het plangebied als uitgangspunt genomen. Het aspect ruimtelijke kwaliteit in relatie tot het planvoornemen is nader toegelicht in paragraaf 3.1, Bijlage 1 Landschappelijke inpassing en 4.2.2.

4.2.4 Conclusie Voor Sliedrecht Buiten is het aspect ruimtelijke kwaliteit en het behouden en verbeteren meegenomen in Bijlage 1 Landschappelijke inpassing en staat in paragraaf 3.4 Landschap een korte samenvatting hiervan. Ook is het aspect archeologie nader onderzocht, zie hiervoor paragraaf 5.1. De ladder voor duurzame verstedelijking is onderbouwd in paragraaf 4.1.4. Voor het Stationspark III zijn milieucategorieën opgenomen die passen bij de beoogde behoefte en dit komt overeen met het provinciaal beleid. Het planvoornemen is passend binnen het provinciaal beleid.

4.3 Regionaal beleid 4.3.1 Groeiagenda Drechtsteden 2030 In de Groeiagenda 2030 van de Regio Drechtsteden wordt als één van de drie belangrijkste thema’s de ambitie ‘Goed Werken’ genoemd. De regio wil dit thema invullen door o.a. het bevorderen van nieuwe hoogwaardige bedrijvigheid, stimuleren innovatiekracht, ‘groen, digitaal en innovatief’ en stimuleren crossovers tussen sectoren, onderwijs en zorg. Centraal staat het faciliteren en aanjagen van de transformatie van de maakindustrie (Smart Industry 4.0). Hiertoe worden economische hotspots doorontwikkeld naar een ecosysteem van samenhangende innovatiemilieus. Naast maritiem ook inzet op logistiek, leisure/retail en zorg alsmede banen aan zowel de boven- als de onderkant van de markt.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

32 - 61

Het planvoornemen voor Stationspark III draagt hieraan bij door de realisatie van nieuwe (hoogwaardige) bedrijfskavels voor bedrijven uit marktregio.

4.3.2 Conclusie Het planvoornemen is passend binnen het regionaal beleid.

4.4 Waterschap Het plangebied valt binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland.

4.4.1 Waterbeheerprogramma In de Watervisie 2050 beschrijft het Waterschap Rivierenland het gewenste toekomstbeeld; een toekomstbestendig rivierengebied. Om dit toekomstbeeld te bereiken moet het waterschap ook in dit waterbeheerprogramma (WBP) keuzes maken. Met dit WBP wordt er geen nieuw beleid gemaakt maar wordt de uitvoering van bestaand beleid beschreven of het voornemen om voor een thema nieuw beleid te gaan maken. Dit waterbeheerprogramma beschrijft de doelen en maatregelen voor de periode 2022-2027. Met deze doelen en maatregelen bouwt het waterschap voort op de bestaande goede basis. Die basis is het fundament van het waterschapswerk: het dagelijks beheer van een heel systeem aan dijken, watergangen, stuwen, gemalen en afvalwaterzuiveringen.

4.4.2 Keur De Keur van het Waterschap Rivierenland is op 1 januari 2015 vastgesteld. De regels in de keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Ook kent de Keur verbodsbepalingen over zaken die niet mogen in of bij dijken en wateren. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en bij dijken en wateren, heeft met de keur te maken.

4.4.3 Legger wateren Het waterschap legt informatie over wateren in het beheergebied vast in de legger. In de legger wateren wordt weergegeven welke wateren een A-, B-, C- status hebben. Deze status is van belang voor; het verlenen van een watervergunning; het bepalen van de onderhoudsplicht. In de Keur is opgenomen dat de status van het water (A, B, C) bepaalt wie verantwoordelijk is voor het onderhoud. In de Keur is vastgelegd dat de verantwoordelijke verplicht is tot het uitvoeren van gewoon of buitengewoon onderhoud. En de onderhoudsplichtigen zijn verplicht tot instandhouding van het waterstaatwerk overeenkomstig de functie van dit werk. De te beheren wateren zijn verdeeld in; A-wateren: van primair belang voor het waterbeheer en worden daarom door het waterschap onderhouden. B-wateren: van secundair belang voor het waterbeheer en dienen door de aangrenzende eigenaren te worden onderhouden. C-wateren: wateren die van tertiair belang zijn voor het waterbeheer waarvoor geen jaarlijkse onderhoudsplicht geldt. A-watergangen hebben een beschermingszone van in principe 5 meter aan beide zijden, gemeten uit de insteek. Afhankelijk van de wijze van onderhoud van dit water kan in overleg met het waterschap worden bekeken of eenzijdig onderhoud (en dus eenzijdige beschermingszone van 5 meter en overzijde 1 meter) mogelijk is.

Voor B-watergangen geldt een beschermingszone van 1 meter aan beide zijden, gemeten uit de insteek. Voor C-Watergangen gelden geen beschermingszones. Sliedrecht Buiten De planlocatie wordt deels begrensd door watergangen met een B-status (secundaire watergang). In het gebied liggen

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

33 - 61

watergangen met een C-status (tertiaire watergang). Aan de noord- en zuidzijde van de planlocatie liggen watergangen met een A-status (primaire watergang) waarvoor is bepaald dat er gedeeld onderhoud plaats vindt. Aangrenzende eigenaren zijn bij dit type water onderhoudsplichtig voor de watergang. Voor deze A-watergang geldt aan beide zijden een beschermingszone van circa 5 meter breed. Beschermingszones bij A-wateren zijn vooral bedoeld om onderhoud te kunnen uitvoeren aan de watergang, deze wateren toegankelijk te houden voor het uitvoeren van inspecties en ter voorkoming van instabiele oevers. Er liggen geen waterkering(en) in en of nabij de planlocatie. In onderstaande figuur is de ligging van de watergangen in en grenzend aan de planlocatie weergegeven.

Figuur: Legger wateren, plangedeelte Sliedrecht Buiten Stationspark III Deze planlocatie is omringd door watergangen met een C-status (tertiaire watergangen), zonder beschermingszones. Aan de noordrand van het gebied is langs de Sportlaan een A- watergang (primaire watergang) gelegen met een onderhoudstrook van 5 meter. Er ligt geen waterkering in of nabij het plangebied. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een waterleiding. In het bestemmingsplan is het functioneren van de leiding geborgd middels een dubbelbestemming ''Leiding - Water''. In onderstaand figuur is de ligging van de watergangen in en grenzend aan het plangebied weergegeven.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

34 - 61

Figuur: Legger wateren plangedeelte Stationspark III

4.4.4 Conclusie Uit de beschrijving van het beleid van het waterschap zijn een aantal punten naar voren gekomen die in het voorliggende bestemmingsplan zijn uitgewerkt. Voor het voorliggende plan is een watertoets uitgevoerd, deze wordt in paragraaf 5.4 Water nader toegelicht. In deze paragraaf wordt ook getoetst of het planvoornemen passend is binnen het beleid van het waterschap.

4.5 Gemeentelijk beleid 4.5.1 Omgevingsvisie Sliedrecht Met de omgevingsvisie wordt koers gezet naar 2030. De drie hoofduitgangspunten uit Koers 2030 zijn voor de omgevingsvisie nader uiteengezet langs de thema's ruimtelijke vernieuwing (woningbouw/ruimtelijke kwaliteit/duurzaamheid/bereikbaarheid), veilige, gezonde en inclusieve samenleving (milieu en gezondheidsbescherming/sociaal, veilig en gezondheidsbevordering) en ondernemend en betrokken (sport, cultuur en recreatie/vitale bedrijventerreinen en een levendig centrum).

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

35 - 61

Afbeelding Omgevingsvisiekaart Sliedrecht De onderdelen sport en bedrijven (inclusief ontwikkelingsgebied station) worden nader toegelicht: Sport Alle inwoners moeten de mogelijkheid hebben om op een veilige en verantwoorde manier (voldoende) te sporten en te bewegen. Daarom wordt gewerkt aan duurzame en toegankelijke sportinfrastructuur voor iedereen. Om dat te bereiken, wordt 'beleefbaarheid' van Sliedrecht verbeterd. De specifieke focus ligt daarbij naast culturele dragers als het dijklint op de rivieroevers, het havenfront, het centrum en de polder. En op de verbindingen daartussen natuurlijk. Met het plan wordt een nieuw hoogwaardig sportcomplex gerealiseerd door de verplaatsing van de sportvelden. Dit sluit aan op bovengenoemd beleid. Daarnaast sluit de ontwikkeling aan op het zoekgebied naar woningbouw in Sliedrecht-Noord. In een zoekgebied rondom station Sliedrecht (gebied Sliedrecht-Noord) worden de mogelijkheden voor buiten stedelijke woningbouw verkend. De inpassing van sport- en recreatievoorzieningen (voorliggend plan) maken deel uit van dit gebied. Bedrijven Sliedrechtse ondernemers, gemeente en inwoners zijn onderling betrokken en werken samen aan de realisatie van economische ambities. Economische diversiteit met ruimte voor innovatie staat daarbij voorop. Er wordt daarbij voort gebouwd op de historie van Sliedrecht als bakermat van de baggerindustrie.

Gemeente en ondernemers zetten zich in voor de versterking van de economische positie van Sliedrecht. Verbetering van het vestigingsklimaat voor de diversiteit van het Sliedrechtse bedrijfsleven staat daarbij op de eerste plaats. Terwijl specifieke thema's en sectoren om maatschappelijke en economische redenen aanvullende inzet vragen, zijn ruimte en capaciteit beperkt. De ruimte voor bedrijvigheid en werkgelegenheid moet worden behouden. Om de groei die nodig is voor de continue ontwikkeling van bedrijven mogelijk te maken, is herstructurering en revitalisering van incourante bedrijfslocaties een sleutelopgave. Het stationsgebied, met Stationspark III en het gebied rondom de Lockhorst, wordt een belangrijke schakel tussen Sliedrecht-Noord en het bestaande dorp. In het gebied wordt ruimte geboden aan bedrijven. Hiermee wordt voorzien in een aansluiting op het gebied om groei te faciliteren.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

36 - 61

Stationsgebied 1 + 2 + 3 Op Stationspark 2 staat bedrijvigheid centraal, net als op Stationspark III. Functiemening is niet mogelijk op het bedrijventerrein door het beleid van de provincie dat gevoerd wordt op een bedrijventerrein met hogere milieucategorieën. Deze bedrijventerreinen verdragen zich in het algemeen niet met functiemenging, zeker niet met gevoelige functies zoals wonen. Functiemenging wordt om die reden dan ook niet wenselijk geacht zeker niet omdat uit de laddertoets blijkt dat de behoefte groot is aan deze hogere milieucategorieën. Ook sluit functiemenging niet aan op de bedrijventerreinenvisie Zuid-Holland-Zuid om de bestaande gebieden met hoge hindercontouren of gebieden die als zodanig zijn geoormerkt vooral te behouden. De provincie ziet hier actief op toe.

4.5.2 Visie op recreatie In december 2020 heeft de gemeenteraad het beleidsstuk visie op reactie vastgesteld. Deze beleidsvisie zet een stip op de horizon en geeft een duidelijk visie op de toekomst van recreatie in Sliedrecht. De belangrijkste ambities zijn: Het beter beleefbaar maken van de rivieroevers en het havenfront (aanbodontwikkeling) Een nieuwe (gedeeltelijk) toeristisch- recreatieve functie voor het Raadhuis (aanbodontwikkeling) Het verbeteren van de recreatieve verbinding tussen de Alblasserwaard en Merwede (aanbodontwikkeling) Het verbeteren van de uitstraling en levendigheid van het centrum van Sliedrecht (uitstraling) De bestaande bezienswaardigheden beter promoten (zichtbaarheid) En Sliedrecht profileren als ‘Volleybal-hoofdstad’ (zichtbaarheid) Voor de ontwikkeling van Sliedrecht-Buiten is de derde ambitie het belangrijkste: Verbinding Alblasserwaard en Merwede optimaliseren voor recreatief gebruik: bijvoorbeeld door meer recreatieve fietsen wandelverbindingen te ontwikkelen in afstemming met de omliggende gemeenten. En een recreatieve ‘hub’ of toeristische overstapplaats te realiseren. Dit kan bijvoorbeeld bij het recreatieve cluster ‘Sliedrecht buiten’.

De recreatieve ‘hub’ of toeristische overstappunt kan fungeren als startpunt voor fietsers en wandelaars uit de omgeving met goede informatievoorziening over wat er te doen is in Sliedrecht en omgeving, voldoende parkeergelegenheid om van de auto over te stappen op de fiets of voet en van waaruit goede fiets- en wandelvriendelijke verbindingen zijn gerealiseerd met het centrum en andere recreatieve clusters (in- en buiten de gemeente). Met voorliggend bestemmingsplan wordt hier invulling aan gegeven.

4.5.3 Welstandsnota Sliedrecht 2011 De Welstandsnota Sliedrecht is vastgesteld in 2011 en in 2013 herzien en gewijzigd. Toezicht op de welstand middels deze nota heeft als voornaamste doel, voorkomen dat bouwwerken de openbare ruimte ontsieren. Bij iedere aanvraag voor een vergunning wordt bekeken of de plannen voldoen aan redelijke eisen van welstand, wat inhoudt dat de plaatsing en het uiterlijk van het beoogde bouwwerk wordt beoordeeld. Per deelgebied in de gemeente is een aantal criteria met betrekking tot de landschappelijke kenmerken en de detaillering en het materiaal- en kleurgebruik van de gebouwen opgenomen. Voor het plangebied is het welstandsniveau 'gewoon' van toepassing. Dit betekent dat er geen bijzondere welstandseisen gelden behalve de algemene regels. Zodra de bouwplannen voor gereed zijn worden deze getoetst aan op dat moment geldende welstandsbeleid. Voor het buitengebied is opgenomen dat het beleid is gericht op het behoud van het karakteristieke profiel van de lintwegen en de cultuurhistorische bebouwing en het inperken van grote oppervlakken verharding. Bij de ontwikkeling van Sliedrecht Buiten blijft het karakteristieke profiel van de Kweldamweg behouden. De toe te voegen bebouwing is gelegen in de invloedsgebieden van de bestaande N482.

Daarbij worden de nieuwe parkeerterreinen in halfverharding of open bestrating (grasbeton of TTE) uitgevoerd en omzoomd met groen, waarmee grote vlakken verharding zoveel mogelijk wordt voorkomen.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

37 - 61

In het kader van het welstandsbeleid van de gemeente mogen de nieuwe bouwwerken in het plangebied niet in strijd zijn met de welstandsnota.

4.5.4 Groenbeleidsplan Sliedrecht 2021-2025 De visie van Gemeente Sliedrecht op groen is de laatste jaren veranderd door nieuwe ontwikkelingen, inzichten en ambities. De doelen en kaders van de gemeente voor de langere en kortere termijn veranderen daarmee ook. Dit groenbeleidsplan verwoordt de bijgestelde visie en werkt die uit naar kaders en doelstellingen. In onderstaand figuur is een uitsnede van de groenstructuur kaart opgenomen voor de locatie Stationspark III. De locatie ligt binnen een gebied dat is aangewezen als buurtgroen en de zuidelijke bomenrij is onderdeel van de hoofdgroenstructuur. Het bedrijventerrein ten noorden van de A15 is langs de randen groen 'aangekleed'. Langs de snelweg gaat het om kijknatuur met kruidenrijke grasbermen, met waarde voor insecten en kleine zoogdieren. Op het terrein van bedrijven, sportvelden en woonbebouwing zet dat beeld zich gedeeltelijk door. Ook zijn er bosplantsoenstroken. In deze strook wil de gemeente zoeken naar mogelijkheden voor ecologische noord-zuidverbindingen, die ook kunnen bijdragen aan vergroening van het terrein.

Figuur: Uitsnede groenstructuurkaart Het wijzigen van de groenstructuurkaart conform het nog vast te stellen onderliggende bestemmingsplan vindt tegelijkertijd met de vaststelling van het bestemmingsplan 'Sliedrecht Buiten & Stationspark III' plaats. In het onderzoek door de Bomenwacht Nederland (in juli 2022 en geüpdatet in augustus 2023 opgenomen als Bijlage 10) is van de aanwezige bomen de toekomstverwachting bepaald. Hierbij ervan uitgaande dat er geen ontwikkelingen in het gebied plaatsvinden. Hieruit komt naar voren dat méér dan de helft van de bomen een toekomstverwachting heeft van minder dan 5 jaar. Verder hebben ca. 20% van de bomen een toekomstverwachting minder dan 15 jaar. De

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

38 - 61

beperkte toekomstverwachting komt door verschillende aspecten, onder andere onderlinge concurrentie en beperkte groeiruimte, ziekte en aantasting zoals de essentaksterfte, de huidig aanwezige hoge grondwaterstand op sommige locaties en de (on)mogelijkheid tot het treffen van beheermaatregelen. Bij de gebiedsontwikkeling is het noodzakelijk de buitenruimte opnieuw in te richten en een verkaveling te maken met uitgeefbare en openbare gronden. Hierdoor treedt verlies op van ruimte en standplaats voor bomen. Daarnaast is de verwachting dat een groot deel van de aanwezige bomen onherstelbare schade oploopt als gevolg van het ophogen van het maaiveld, wat onderdeel is van het bouwrijp maken van de gronden. De kosten om de bomen te verplaatsen zijn hoog en niet doelmatig is voor de inzet van publieke middelen, mede gelet op de huidige kwaliteit van de bomen. Bij een gebiedsontwikkeling van deze schaal en impact, wordt het handhaven van bomen met beperkte levensverwachting (<15 jaar, betreft circa 70% van de bomen) over het algemeen als ongewenst beschouwd. Waar mogelijk laten we de bestaande bomen staan en worden andere bomen geleidelijk vervangen voor nieuwe bomen en begroeiing. Het huidig gebied is eenzijdig qua diversiteit in soort en grootte.

In het nieuwe ruimtelijk ontwerp komt een brede groenbuffer aan de zuidrand van het Stationspark III met kleine bosschages en streekeigen beplanting. Door de inrichting van de groenbuffer (grotere diversiteit) zal het leefgebied voor insecten, vleermuizen en vogels aantrekkelijker worden. Door diverse bomen voorafgaande aan de inrichting stapsgewijs te vervangen wordt het foerageergebied voor vleermuizen en overige soorten behouden. De nadere uitwerking van het groen ter plaatse is terug te vinden in Bijlage 1 landschappelijk inpassingsplan.

4.5.5 Bomenverordening 2023 In het plangebied staan geen bijzonder waardevolle bomen. Voor de bomen die moeten verdwijnen, als gevolg van de planontwikkeling (waaronder het verwijderen van de onderbemaling) moet een kapvergunning worden aangevraagd. In het kader hiervan is een Bomeneffectenanalyse uitgevoerd die is opgenomen als Bijlage 10 waarin is onderzocht wat de toekomstbestendigheid van de bestaande bomen in STP III is, zie bovenstaande paragraaf voor een korte samenvatting.

4.5.6 Parkeernota Sliedrecht In december 2015 is de Parkeernota 2016 Sliedrecht vastgesteld. Door middel van deze nota wordt voorzien in actuele en eenduidige parkeernormen voor geheel Sliedrecht. Dit is noodzakelijk om de leefbaarheid en de bereikbaarheid te kunnen blijven waarborgen. De parkeernormen in deze nota hebben betrekking op nieuw-/verbouwplannen en functie- of gebruikswijzigingen. In bestemmingsplannen wordt na inwerkingtreding van deze nota aangegeven dat voldaan moet worden aan de parkeernormen van de gemeente. Het aspect parkeren in relatie tot het planvoornemen is nader toegelicht in paragrafen 3.3 en 5.7. In de Parapluherziening Parkeernormen is geborgd dat voor het gehele gemeentelijk grondgebied een eenduidige parkeerregeling geldt. In dit parapluplan is bepaald dat er voldaan moet worden aan de Parkeernormennota 2016, of als het beleid wordt gewijzigd dient er rekening gehouden te worden met deze wijziging. De regels uit dit parapluplan worden overgenomen.

4.5.7 Conclusie Met dit bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan het gemeentelijk beleid zoals is genoemd in deze paragraaf.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

39 - 61

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

40 - 61

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

5.1 Archeologie Het door de provincie aangewezen gebied met een hoge archeologische waarde ligt tussen de locatie Sliedrecht Buiten en de locatie Stationspark III en is beschermd door middel een dubbelbestemming. Voor deze locatie is een archeologische notitie opgesteld door IDDS, deze is als Bijlage 4 bijgevoegd.

5.1.1 Onderzoek Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op een ontgonnen veenvlakte. In de ondergrond bestaat de bodemopbouw uit Hollandveen, op rivierafzettingen van de Formatie van Echteld, op afzettingen van de Basisveen Laag of de Laag van Wijchen op (grof) Pleistoceen zand. In een deel van het plangebied is een rivierduin aanwezig. Hierop is bij eerder onderzoek een vindplaats aangetroffen met een minimale ouderdom van 7.000 jaar (laat Mesolithicum). De maximale ouderdom is nog onbekend. De rivierduin zelf is gevormd in het laat Pleistoceen, waardoor bewoning mogelijk is geweest vanaf het Paleolithicum. Op basis hiervan kan in het plangebied één archeologisch niveau voorkomen. Dit niveau wordt verwacht vanaf ca. 7,0 m -mv (-8,5 m NAP) ter plaatse van de rivierduin en komt overeen met het niveau van de eerder aangetroffen vindplaats. Buiten het rivierduin heeft het plangebied een (zeer) lage archeologische verwachting. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek adviseert IDDS Archeologie om vervolgonderzoek uit te laten voeren. Dit vervolgonderzoek kan het beste bestaan uit een booronderzoek en dient er op gericht te zijn de contouren van de rivierduin nauwkeuriger vast te stellen. Vanwege de benodigde boordiepte van tenminste 7,0 m -mv zullen de boringen mechanisch uitgevoerd moeten worden.

Voor de delen van het plangebied waar volgens het hoogtemodel geen rivierduin aanwezig is én die buiten het archeologisch monument vallen, wordt geadviseerd deze archeologisch vrij te geven, zie onderstaande afbeelding.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

41 - 61

5.1.2 Conclusie In het voorliggende bestemmingsplan wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen overeenkomstig met bovenstaande kaart. Indien er bouwwerkzaamheden zijn voorzien in het gebied waar deze dubbelbestemming geldt moet er in het kader van de omgevingsvergunning archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Er is geen onderzoek nodig buiten de contouren van het PAB-terrein door het bevoegd gezag door hier onderbouwd van af te wijken. Dit wordt in dit geval dan aangevraagd bij de provincie.

5.2 Ecologie 5.2.1 Onderzoek Ter plaatse van het plangebied zijn verscheidene onderzoeken uitgevoerd. Het betreffende de volgende onderzoeken: Quickscan Stationspark III. Arvalis Natuur & Landschap. Nieuw-Lekkerland, Breur Ecologie & Onderzoek. Dordrecht, 15-3-2019, Bijlage 5; Quickscan Stationspark III. Arvalis Natuur & Landschap. Nieuw-Lekkerland, Breur Ecologie & Onderzoek. Dordrecht, april 2022, Bijlage 6; Aanvullend Natuuronderzoek Stationspark III Arvalis Natuur & Landschap. Nieuw-Lekkerland, Breur Ecologie & Onderzoek. Dordrecht, 5 november 2022 Bijlage 7; Aanvullend Natuuronderzoek Sliedrecht Buiten Arvalis Natuur & Landschap. Nieuw-Lekkerland, Breur Ecologie & Onderzoek. Dordrecht, 5 november 2022 Bijlage 8; Aanvullend onderzoek roofvogels Sliedrecht, Stationspark III, Breur Ecologie & Onderzoek, Dordrecht, 26 juni 2023 Bijlage 9 Bomeneffectanalyse Planbeoordeling Stationspark III Sliedrecht, Bomenwacht Nederland, 24 augustus 2023 Bijlage 10 Waardebepaling groenstructuren, Veenweide Natuur & Landschap & VanderHelm Milieubeheer BV, september 2023, Bijlage 11

5.2.2 Conclusie Er zijn voor beide locaties een groot aantal onderzoeken uitgevoerd. Daarbij zijn geen soorten over het hoofd gezien. In de recente onderzoeken zijn een aantal eerder genoemde beschermde soorten uitgesloten. Stationspark III In het plangebied is er sprake van de volgende beschermde situatie: Het betreft een essentieel foerageergebied van gewone- en ruige dwergvleermuis De omvorming van en functieverandering van sportterrein met boszoom naar bedrijventerrein en daarmee gepaarde werkzaamheden, leidt tot negatief effect op dit essentieel foerageergebied van beide soorten. Dit is in strijd is met de volgende verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (zie Bijlage I): Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb - Art 3.5 lid 2: Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren. Een ontheffing voor bovenstaande verbodsbepalingen is noodzakelijk om het bedrijventerrein Stationspark III te kunnen realiseren. Op basis van de bovenstaande onderzoeken is het ontwerp voor STP III aangepast, waardoor het foerageergebied niet wordt aangetast, zie hiervoor de landschappelijk inpassing in Bijlage 1. Langs de A15 zal worden getracht om een aantal oude (afstervende en dode) bomen te behouden en in te passen in de nieuwe groenstructuren. Tal van insecten en vogels zoals spechten, kauwen en spreeuwen, zullen gebruik maken van de holtes ontstaan in het dode hout.

Die ook weer aantrekkelijk zijn als verblijfplaats voor vleermuizen en hun foerageergebied. Variatie is belangrijk voor de biodiversiteit. Door in de nieuwe situatie een gevarieerder aanbod aan (inheemse) bomen, struiken en kruiden te gebruiken, met geleidelijke overgangen van laag naar hoog (zoom/mantel) in combinatie met bloemrijk grasland is gedurende het hele seizoen voedsel (nectar/stuifmeel) voor insecten beschikbaar. Door dit ecologisch te beheren zijn er altijd schuilmogelijkheden en voortplantingsplekjes, waarvan niet alleen vlinders, libellen en zweefvliegen en wilde bijen profiteren, maar ook tal van andere dieren zoals vogels.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

42 - 61

Verder dient middels reguliere monitoring (jaarlijks of om het jaar) men er zorg voor blijven dragen dat roofvogels met zekerheid afwezig zijn, of - indien een broedende roofvogel zich toch hier vestigt - de adequate vervolgstappen nemen. Sliedrecht Buiten In het plangebied Sliedrecht Buiten zijn via de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig, namelijk: heikikker (Rana arvalis) poelkikker (Pelophylax lessonae) platte schijfhoren (Anisus vorticulus) weidevogels Een ontheffing voor bovenstaande verbodsbepalingen is noodzakelijk om de het project Sliedrecht Buiten te kunnen realiseren. Daarvoor zal een mitigatie en compensatieplan moeten worden opgesteld. Het beoogde compensatieterrein heeft potenties voor weidevogels en de heikikker. Weidevogels broeden momenteel in lage dichtheden op naastgelegen percelen. De heikikker is in lage dichtheden aanwezig op het terrein. Door een combinatie van inrichtingsmaatregelen en beheer kan er een kwaliteitsslag worden gemaakt, waardoor het compensatieterrein geschikt(er) wordt voor beide soorten. Op basis van de bovenstaande onderzoeken is een aanvraag ontheffing Wnb opgesteld die ingediend is bij de Omgevingsdienst Haaglanden.

5.3 Stikstofdepositie Tritium advies heeft voor het planvoornemen een onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de stikstofdepositie. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 12.

5.3.1 Onderzoek Uit de rekenresultaten van AERIUS-calculator 2023 blijkt dat er ten gevolge van het planvoornemen geen sprake is van een toename van stikstofdepositie waarbij significant negatieve effecten in Natura 2000-gebieden kunnen plaatsvinden ten gevolge van de aanlegfase en gebruiksfase, ten opzichte van de referentiesituatie (intern salderen). In overeenstemming met de uitspraak Raad van State in de zaak Logstebaan is geen vergunning nodig voor intern salderen. Een vergunning in het kader van de Wnb ten aanzien van het aspect stikstofdepositie is derhalve niet aan de orde. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert ten aanzien van de uitvoering van het beoogde planvoornemen.

5.3.2 Conclusie Stikstof vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.

5.4 Water 5.4.1 Wettelijk kader 5.4.1.1 Rijksbeleid De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het Nationaal Water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van: klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering, die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

43 - 61

voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen, infiltraties en werken in en nabij waterstaatwerken (watergangen), met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd.

De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. 5.4.1.2 Provinciaal beleid Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 bevat de beleidsuitwerking voor wateronderwerpen. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland het waterbeleid. Hierin staat hoe de provincie samen met onze partners werken aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland (d.d. 1 april 2023) is regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken.

Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Beleid waterbeheerder De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is Waterschap Rivierenland. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (hierna: WBP) beschrijft wat het waterschap gedurende de planperiode wil bereiken. Waterschap Rivierenland zorgt voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem. Deze missie is het vertrekpunt voor alle activiteiten en projecten van Waterschap Rivierenland. De langetermijnvisie staat in de Watervisie 2050. Deze visie is in het WBP uitgewerkt met oplossingen, maatregelen en ideeën voor de korte termijn; een planperiode van zes jaar. De principes van de Watervisie 2050 zijn als volgt: 1. De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt voor ons werk. 2. Water is bepalend voor de inrichting van het gebied. 3. We zijn zuinig op water en grondstoffen. 4. Bescherming van het gebied tegen overstromingen is onze focus. 5. We pakken uitdagingen op binnen deze generatie en wentelen niet af.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

44 - 61

6. 7.

Waterbeheer van de toekomst: we maken maatschappelijk verantwoorde keuzes. Met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendig rivierengebied. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het Waterschap Rivierenland het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater.

5.4.1.3

Gemeentelijk beleid

Gemeentelijk Rioleringsplan De gemeentelijke taken op het gebied van de riolering zijn gebaseerd op de Waterwet en de Wet milieubeheer. Voor de uitvoering van deze wettelijke verplichting is gemeentelijke autonome beleidsruimte beschikbaar. In het gemeentelijk rioleringsplan (per 2024 water- en rioleringsprogramma) beschrijft de gemeente Sliedrecht hoe zij invulling geeft aan de zorgplichten voor afval-, hemel- en grondwater. De omgang met afvalwater, afstromend hemelwater, grondwater en klimaatadaptatie zijn opgenomen in dit plan.

5.4.2 Onderzoek Drooglegging In het bestemmingsplan is geen invulling gegeven aan de toekomstige niveaus van het maaiveld. Uiteraard is het toekomst niveau van het maaiveld een essentieel punt van de verdere voorbereiding. Voor alle oppervlakten met een verandering van functie, wordt een maaiveldniveau bepaald die behoort bij de toekomstige functie. Net als het voorbelasten van terreinen, om ongewenste zettingen te reduceren, is het vaststellen van het toekomstig maaiveld onderdeel van de uitwerkingen die in een later stadium volgen. Het waterschap heeft aangegeven dat de drooglegging een punt van aandacht is, dit wordt meegenomen in de verdere planuitwerking en duidelijk gemaakt bij de aanvraag van de watervergunning. Wijzigen peil Om een klimaat- en waterrobuust watersysteem te creëren wordt voor de realisatie van Stationspark III gekozen om het grond- en oppervlaktewaterpeil te wijzigen. Het is namelijk wenselijk dat het oppervlaktewaterpeil gelijk wordt aan de rest van de gemeente Sliedrecht. Momenteel wordt het oppervlaktewaterpeil, waar straks Stationspark III wordt ontwikkeld, kunstmatig op een lager niveau gehouden door middel van een onderbemaling. Bij de beoogde ontwikkeling wordt de onderbemaling van het plangebied gehaald, wat een stijging van het grond- en oppervlaktewaterpeil tot gevolg heeft.

Uitgangspunten voor de berekening van de watercompensatie Voor de watercompensatie is de regelgeving van het waterschap Rivierenland maatgevend. Het waterschap Rivierenland heeft in de keur en de legger beleidsregels opgenomen met betrekking tot bescherming van doelmatige waterhuishouding. De basisregel is T=10+10%. Daarbij mag het peil niet meer dan 20 cm stijgen. De vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha toegevoegd verhard oppervlak of 664 m3 alternatieve berging. Voor sportvelden is een gedeeltelijke compensatie noodzakelijk als aan bepaalde criteria voldaan kan worden. Deze criteria zijn opgenomen in de beleidsregels, behorende bij de Keur, van het Waterschap Rivierenland. Bij nieuw aan te leggen sportvelden moet worden gecompenseerd voor versnelde afvoer van hemelwater naar het watersysteem. Afhankelijk van het type ondergrond moet voor een bepaald percentage worden gecompenseerd ten opzichte van 100% verhard oppervlak. Als een sportveld in de huidige situatie onverhard is (weiland), dan zijn de volgende watercompensaties van toepassing: Sportveld natuurgras (gedraineerd) 20% Sportveld kunstgras (gravel e.d.) 50% Sportveld verhard (beton, tegels e.d.) 100%

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

45 - 61

5.4.2.1 Watertoets Sliedrecht Buiten Watertoets De uitgebreide watertoets voor Sliedrecht Buiten is terug te vinden in Bijlage 13. Kort samengevat wordt het volgende aan verhard oppervlak en aan oppervlaktewater en berging gerealiseerd in het plan. In de ontwikkeling is sprake van een toename van 46.742 m² aan verhard oppervlak. Gelet op de uitgangpunten van het waterschap moet deze compensatie plaatsvinden door het graven van 10.190m2 aan wateroppervlak. Het nieuwe plan voorziet in een toename van 9.763m2 open water t.o.v. de bestaande situatie. De gerealiseerde berging op het oppervlaktewater is niet voldoende om geheel te voldoen aan de watercompensatie eis. Dit houdt in dat er nog 1.958 m² aan toename verharding gecompenseerd moet worden. In overleg met waterschap Rivierenland is afgestemd dat de resterende watercompensatie voor de toename aan verharding in een waterbergende voorziening binnen het plangebied van Sliedrecht Buiten wordt gerealiseerd. De exacte locatie wordt in afstemming met het waterschap Rivierenland nader bepaald in de technische uitwerking van het plan en de daarbij behorende vergunningprocedure. Hierbij is het uitgangspunt dat de ledigingscapaciteit van de waterbergende voorziening in Sliedrecht Buiten, gebaseerd wordt op een ledigingsduur van 48-96 uur. Dit om de mogelijk volgende bui ook te kunnen bergen in deze voorziening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.sliedrecht.nl/api/v1/meetings/723/documents/9208