CConstaterende datSliedrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting bestemmingsplan Sliedrecht Buiten Stationspark III.pdf

Besluitvormend - Gemeenteraad Sliedrecht 28 mei 2024, gemeente SliedrechtBij agendapunt: 9: FYS – Vaststelling bestemmingsplan Sliedrecht Buiten en Stationspark III23.767 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

In lijn met het beleid van het waterschap zal ten tijde van het aanvragen van de watervergunning eerst getoetst worden of het restant ook gecompenseerd kan worden in open water. Als dit echt niet lukt kan het restant worden gecompenseerd door middel van technische voorzieningen. De waterbergende voorziening wordt specifiek geborgd door een 'Voorwaardelijke verplichting - waterberging' op te nemen. Deze regeling is in artikel 18.2 opgenomen. Waarbij specifiek is opgenomen dat rekening wordt gehouden met het afwegingskader 'Samen door één buis' van het Waterschap Rivierenland inzake de omgang afstromend hemelwater. Het Waterschap Rivierenland zal op het moment dat de gemeente de aanvraag voor een watervergunning indient toetsen of voldaan wordt aan hun beleid en o.a. sprake is van: een adequate infiltratie en berging van het hemelwater, voldoende watercompensatie wordt geborgd inclusief beheer- en onderhoudsplan; de ontwikkeling geen negatieve hydrologische gevolgen heeft voor de omliggende percelen. Waterketen Vuilwater (DWA) wordt afgevoerd via de riolering. Dit zal nader gedetailleerd worden in een rioleringsplan. Uitgangspunt is dat hemelwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater, al dan niet via een bodem- of bermpassage. Hemelwater van schoon verhard oppervlak kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater en belast op deze wijze niet de afvalwaterzuivering.

Beheer en onderhoud De zuidelijk gelegen A-watergang blijft in onderhoud van waterschap Rivierenland. Onderhoud kan, zoals in de huidige situatie, plaats vinden vanaf de zuidelijke berm. Gemeente Sliedrecht is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de B-watergangen. Langs watergangen zijn benodigde onderhoudsstroken voorzien. Mocht beheer en onderhoud vanaf de kant niet mogelijk zijn wordt dit vanaf het water uitgevoerd. Een onderhoud- en beheerplan wordt in een later stadium verder uitgewerkt. 5.4.2.2 Watertoets Stationspark III Watertoets De uitgebreide watertoets voor Sliedrecht Buiten is terug te vinden in Bijlage 14. Kort samengevat wordt het volgende aan verhard oppervlak en aan oppervlaktewater en berging gerealiseerd in het plan.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

46 - 61

In de ontwikkeling is sprake van een toename van 37.455 m² aan verhard oppervlak. Gelet op de uitgangpunten van het waterschap moet deze extra verharding gecompenseerd worden. In totaal wordt er 9.434 m² aan oppervlaktewater gegraven, met een peilstijging van 0,20 m bedraagt de beschikbare berging op het oppervlaktewater 1.887 m³. De gerealiseerde berging op het oppervlaktewater is voldoende om geheel te voldoen aan de watercompensatie eis. Hieruit wordt geconcludeerd dat er ruim voldoende oppervlaktewater gegraven wordt en het plan hierdoor voldoet aan de compensatie eis. Het Waterschap Rivierenland zal op het moment van het aanvragen van de watervergunning toetsen of voldaan wordt aan hun beleid en o.a. sprake is van: een adequate infiltratie en berging van het hemelwater, voldoende watercompensatie wordt geborgd inclusief beheer- en onderhoudsplan; de ontwikkeling geen negatieve hydrologische gevolgen heeft voor de omliggende percelen. Waterketen en waterkwaliteit Vuilwater (DWA) wordt afgevoerd via de riolering. Dit zal nader gedetailleerd worden in een rioleringsplan. Uitgangspunt is dat hemelwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater, al dan niet via een bodem- of bermpassage. Hemelwater van schoon verhard oppervlak kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater en belast op deze wijze niet de afvalwaterzuivering.

Bij (licht) verontreinigde oppervlakken dient gebruik te worden gemaakt van een voorzuivering door middel van een bodem- of bermpassage alvorens het water op de watergang komt. Toekomstige bedrijven moeten voldoen aan de 'lozingsregels' conform vigerende wet- en regelgeving, zoals het activiteitenbesluit. Beheer en onderhoud Gemeente Sliedrecht is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de B-watergangen. Langs watergangen zijn benodigde onderhoudsstroken voorzien. Mocht beheer en onderhoud vanaf de kant niet mogelijk zijn zal dit vanaf het water worden uitgevoerd. Een onderhoud- en beheerplan wordt in een later stadium verder uitgewerkt.

5.4.3 Conclusie De conclusie is dat dit aspect voor de uitvoering van het plan geen belemmering is.

5.5 Bodem BK ingenieurs heeft een bodemonderzoek uitgevoerd voor het voorliggende bestemmingsplan. Het onderzoek is als Bijlage 15 toegevoegd.

5.5.1 Onderzoek In het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd met als doel het vaststellen van de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit. Nog niet de gehele locatie is onderzocht, dit geldt voor het noordoostelijke deel van het huidige sportcomplex en diverse agrarische percelen.

5.5.2 Conclusie De grond in het plangebied voldoet in hoofdlijnen aan de bodemkwaliteitsklasse 'achtergrondwaarde', met plaatselijk klasse 'wonen' of 'industrie'. Er zijn geen tot licht verhoogde gehaltes voor enkele metalen, PCB en/of PAK in de grond aangetroffen. Daarnaast zijn licht verhoogde gehaltes voor xylenen, arseen en/of chroom in het grondwater aangetroffen. Ten noordoosten van de huidige sportvelden is een matige verontreiniging met koper en zink en een sterke verontreiniging met barium aangetroffen. De gestelde hypothese 'onverdacht' voor de keuze van de onderzoekstrategie voor het landbodemonderzoek is formeel niet juist gebleken. De grond in het plangebied voldoet in hoofdlijnen aan de bodemkwaliteitsklasse 'achtergrondwaarde', met plaatselijk klasse 'wonen' of 'industrie'. Er zijn geen tot licht verhoogde gehaltes voor enkele metalen, PCB en/of PAK in de grond aangetroffen.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

47 - 61

Plaatselijk is matig tot sterk verontreinigde grond in het plangebied aanwezig. In het grondwater zijn over het algemeen licht verhoogde gehaltes voor barium gemeten. De gehaltes voor naftaleen zijn marginaal verhoogd. Daarnaast zijn licht verhoogde gehaltes voor xylenen, arseen en/of chroom in het grondwater aangetroffen. De gestelde hypothese 'onverdacht' voor de keuze van de onderzoekstrategie voor het landbodemonderzoek is formeel niet juist gebleken. Het slib in de zuidelijk gelegen sloot is verspreidbaar en toepasbaar in oppervlaktewater en op landbodem. De toplaag van het asfalt in het plangebied is plaatselijk teerhoudend. Het fundatiemateriaal onder het asfalt op het parkeerterrein voldoet indicatief aan de eisen voor 'niet vormgegeven bouwstof'. Aanbevelingen Op basis van de onderzoeksresultaten en de historische informatie wordt voor een aantal deellocaties aanvullend/nader bodemonderzoek geadviseerd. Dat onderzoek vindt plaats in het kader van de aanvraag van een aanlegvergunning en/of omgevingsvergunning en dit levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Het aanvullend/nader onderzoek is tevens nodig ten behoeve van voorgenomen grondverzet op de locatie.

5.5.3 Vervolg Omdat het bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan is uitgevoerd en niet voor toekomstige werkzaamheden, is aanvullend onderzoek nodig. Het aanvullend onderzoek dient tevens te worden aangevuld met een historisch onderzoek die de periode 2017 tot nu overbrugt. De potentieel ernstige gevallen van bodemverontreiniging zijn opgenomen in bijlage 15 Bodemonderzoek. Dit betreft onder andere het volgende: Verontreiniging met zware metalen op het sportpark. Mogelijke verontreinigingen ter plaatse van de gedempte sloten, dit kan onder andere asbest bevatten. Mogelijke PFAS-verontreiniging op de gehele locatie. De locatie valt binnen de verwachtingszone depositiezone Alblasserwaard (zone 2) waar gehaltes tussen 10 en 120 ?g/kg verwacht worden. Ook is het plangebied verdacht op het voorkomen van PFOA. De volgende deellocaties dienen nader onderzocht te worden naar aanleiding van genoemd uitgevoerd bodemonderzoek:

Vergunning bouwactiviteit Het bodemonderzoek moet bij aanvraag van een omgevingsvergunning nogmaals worden getoetst. Dit is een ander toetsingskader. Gezien het voorgaande zal hierbij naar verwachting worden geconcludeerd dat het uitgevoerde bodemonderzoek niet voldoet aan de NEN-5740 en NEN5707 richtlijnen. Dit houdt in dat voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw, aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd. Conclusie In het kader van de bestemmingsplanprocedure is voldoende aangetoond dat het aanneembaar is dat de gronden geen belemmering zijn voor de beoogde ontwikkeling. Aangezien de locatie naar verwachting door sanering wel geschikt is te maken voor het toekomstige gebruik. Wat de saneringskosten bedragen voor de geplande ontwikkelingen op de locatie dient ook nog nader onderzocht te worden.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

48 - 61

5.6 Geluid Het plangebied voorziet niet in de bouw van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Het uitvoeren van een uitgebreid akoestisch onderzoek en het vaststellen van een hogere waarde is daarom niet aan de orde. Als gevolg van de planontwikkelingen wordt wel een toename van de geluidsbelasting verwacht op de langs de ontsluitingswegen gelegen geluidsgevoelige bestemmingen. Voor het beoordelen van de grootte van de geluidstoename is aansluiting gezocht bij het hoofdstuk 'reconstructies' uit de Wet geluidhinder. Kort gezegd is geen sprake van een significante geluidstoename als de toename van de geluidsbelasting 1,5 dB of lager is. Onderzocht is of er ten gevolge van het plan een significante toename van de geluidsbelasting plaatsvindt door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Het akoestisch rapport is opgenomen als Bijlage 16.

5.6.1 Onderzoek Uit de resultaten blijkt dat de geluidtoename op de bestaande woningen afgerond niet hoger dan 0 dB bedraagt. De hoogste toename bedraagt 0,4 dB en is berekend op de woning Buitendams 508 langs het Buitendams. Alhoewel de verkeerstoename langs deze weg relatief gering is (circa 10%), is door de relatief lage verkeersintensiteit zonder plan toch sprake van enige geluidstoename. Omdat de toename lager is dan 1,5 dB is er geen sprake van een significante, hoorbare geluidstoename.

Tabel: Geluidseffecten planontwikkeling Sliedrecht Buiten en Stationspark III

5.6.2 Conclusie Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat de verkeersproductie door de planontwikkeling geen significante hoorbare geluidstoename veroorzaakt op bestaande woningen langs de ontsluitingsroutes van het plan. Het aspect geluid leidt daarom niet tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.

5.7 Verkeer en parkeren Door de gemeente is een verkeerskundige beoordeling opgesteld voor zowel Sliedrecht Buiten en Stationspark III. Deze verkeerskundige beoordelingen zijn bijgevoegd als Bijlage 17 en Bijlage 18.

5.7.1 Verkeer Verkeerskundige beoordeling Sliedrecht Buiten De beoogde ontwikkeling van Sliedrecht Buiten aan de Kweldamweg voorziet in voldoende parkeerruimte en de bestaande verkeersinfrastructuur kan de gewijzigde verkeersstromen op zaterdag met het extra verkeer goed verwerken. De beoogde vrij liggende voorzieningen ten behoeve van de fietsers, staan borg voor een verkeersveilige fietsroute naar het sport- en recreatiecomplex. Op termijn wordt de bereikbaarheid van Sliedrecht Buiten directer en beter na realisatie van de noord-zuidverbinding in het kader van de Binnenstedelijke herstructurering Sliedrecht.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

49 - 61

Stationspark III De beoogde ontwikkeling van bedrijventerrein Stationspark III dat via één aansluiting voor vracht-/autoverkeer ontsloten wordt op de Sportlaan voorziet in een goede wegenstructuur, die met 7 meter de interne verkeersafwikkeling goed kan verwerken. De ontsluiting via het aan te passen kruispunt Sportlaan/Sportlaan (ventweg) kan het verkeer in 2030 met de komst van Stationspark III goed verwerken en blijft met wachttijden van minder dan 15 seconden goed functioneren. De bestaande gebiedsontsluitingswegen waarover het verkeer van/naar Stationspark zal afwikkelen, hebben voldoende (rest-)capaciteit en zijn verkeersveilig ingericht. Verkeerskundig gezien is de realisatie van Stationspark III goed mogelijk zonder aanpassingen van de bestaande wegen, uitgezonderd de aansluiting op de Sportlaan, waarvoor voldoende ruimte beschikbaar is om deze op een adequate wijze her in te richten. De ontsluiting van Stationspark III voor fietsverkeer is geregeld via de huidige te handhaven fietsinfrastructuur langs de Sportlaan en het Stationsplein. Met de toekomstige noord-zuidverbinding ontstaat er een directere verbinding tussen het woongebied ten zuiden van de rijksweg A15 en de bedrijven ten noorden van de A15 en maakt de keuze voor de fiets als vervoersmiddel nog logischer.

Verkeerseffecten op rijksweg A15 De verkeerseffecten van de beoogde ontwikkelingen van Sliedrecht-Buiten samen met Stationspark III zijn met behulp van het regionale verkeersmodel doorgerekend. Uit de verkeersmodelresultaten voor planjaar 2030 blijkt dat de effecten van beide ontwikkelingen nauwelijks invloed hebben op de rijksweg A15. In vergelijking tot de autonome ontwikkeling voor planjaar 2030 blijken de effecten op de rijksweg A15 alsmede de toe- en afritten in zowel het oosten als het westen van de gemeente Sliedrecht beperkt. In onderstaande tabel zijn de resultaten van de verkeersmodelberekeningen per wegvak, toe- en afritten voor beide rijkswegaansluitingen (Sliedrecht-Oost en West) overzichtelijk weergegeven.

Tabel: verkeerseffecten Stationspark III en Sliedrecht-Buiten t.o.v. autonome ontwikkeling planjaar 2030

5.7.2 Parkeren Sliedrecht buiten De locatie Sliedrecht Buiten is gelegen buiten de bebouwde kom. De vigerende Parkeernormennota Sliedrecht 2016 kent alleen parkeernormen voor de gedefinieerde gebieden ‘centrum’ en ‘rest bebouwde kom’. Op basis van de adressendichtheid wordt gemeente Sliedrecht als ‘sterk stedelijk’ aangemerkt. Voor parkeernormen die qua functie of gebied niet benoemd zijn in de parkeernormen-nota wordt gekeken naar CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’ (december 2018). Niet voor alle functies in het plan Sliedrecht Buiten zijn in de Parkeernormennota Sliedrecht 2016 of CROW-publicatie 381 de parkeernormen gegeven. Voor een aantal functies, zoals ‘natuurspeelplein’ en ‘beweegplein’ moet daarom aansluiting worden gezocht bij functies die daar (enigszins) aan gelijkgesteld kunnen worden, dan wel bij benadering op aansluiten. Voor ruimtes, zoals kleedkamers, bergruimtes, bestuurskamers, etc. die in het plan onder ‘overige ruimten’ worden geschaard, geeft CROW geen parkeernorm. Voor het bepalen van de parkeeropgave van Sliedrecht Buiten is gerekend met de gemiddelde parkeernorm voor de

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

50 - 61

functies die binnen deze ontwikkeling zijn opgenomen. In onderstaande tabel is de berekening aangegeven, die leidt tot een parkeeropgave van 348 parkeerplaatsen.

De theoretische parkeerbehoefte is berekend op 348 parkeerplaatsen, waarin het plan Sliedrecht Buiten met 350 parkeerplaatsen voorziet. De berekening geldt voor de zaterdag op het moment dat alle functies samen de maximale theoretische parkeervraag hebben. De parkeercapaciteit in het plan is voldoende om te voorzien in de parkeerbehoefte. Stationspark III Het plan Stationspark III gaat uit van verplicht parkeren op eigen terrein. Op de openbare weg op het bedrijventerrein mag niet worden geparkeerd. Hiervoor zal een parkeerverbodszone worden ingesteld. De rijbaan blijft daardoor gevrijwaard van geparkeerde voertuigen, zodat de volledige breedte van 7 meter beschikbaar is voor de afwikkeling van het verkeer. Voor de parkeeropgave per bedrijf zijn de vigerende parkeernormen van toepassing en moet de inrichting van het eigen terrein per bedrijf voorzien in voldoende parkeerplaatsen conform de bij het type bedrijf behorende parkeeropgave.

5.7.3 Conclusie De ontwikkelingen van Stationspark III en Sliedrecht Buiten hebben geen nadelige gevolgen voor de verkeersbelasting van de rijksweg A15 en beide rijkswegaansluitingen Sliedrecht-Oost en Sliedrecht-West. De locatie aan de Kweldamweg wordt goed ontsloten via goed functionerende bestaande verkeersinfrastructuur en biedt aan fietsers via vrij liggende fietsinfrastructuur een verkeersveilige ontsluiting. De parkeercapaciteit is meer dan voldoende.

5.8 Luchtkwaliteit Voor het bestemmingsplan is het aspect luchtkwaliteit onderzocht.

5.8.1 Onderzoek De Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid heeft voor het planvoornemen een onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de luchtkwaliteit. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 19. Uit de rekenresultaten voor PM10 en NO2 blijkt dat op alle rekenpunten voor zowel PM10 als NO2 de bronbijdrage 0,0 ug/m³ is. Dit betekent dat middels de berekening is aangetoond dat het project NIBM is.

5.8.2 Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

51 - 61

5.9 Externe veiligheid Het plangebied is gelegen aan de Betuweroute, A15 en er loopt een hogedruk gasleiding door het gebied. Deze functies hebben invloed op de externe veiligheid van de locatie. Ook is nabij de locatie Stationspark III een chloorbleekloogtank aanwezig. Daarom is voor het bestemmingsplan het aspect externe veiligheid onderzocht door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Het onderzoek is als Bijlage 20 bijgevoegd.

5.9.1 Onderzoek Ten behoeve van de opstelling van het rapport zijn risicoanalyses uitgevoerd voor de Betuweroute, A15 en de aardgastransportleidingen. Plaatsgebonden risico vervoer gevaarlijke stoffen Wegvervoer gevaarlijke stoffen De plaatsgebonden risicocontour PR 10-6/jaar ligt, op grond van de geschetste vervoersomvang over de A15, op 46 meter uit het hart van de weg. Binnen deze contour zijn in het plangebied geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig of geprojecteerd. In dit plangebied wordt voor deze weg daarmee voldaan aan zowel de grens- als richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. Spoorvervoer gevaarlijke stoffen De plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 per jaar) ligt, op grond van de geschetste vervoersomvang over de Betuweroute, op 30 meter uit het hart van de spoorweg. Het recreatiegebied Sliedrecht Buiten kan worden gezien als beperkt kwetsbaar object (conform Artikel 1, lid 1, sub b van het Bevi). De minimale afstand tussen de voetbalvelden en de Betuweroute, gemeten vanuit het hart van de spoorweg, bedraagt 35 meter. In dit plangebied worden geen kwetsbare objecten gerealiseerd, zoals woningen. Binnen deze PR 10-6-contour van 30 meter zijn in het plangebied daarmee geen beperkt kwetsbare objecten aanwezig of geprojecteerd. In het plangebied wordt voor deze spoorweg daarmee voldaan aan zowel de grenswaarde als de richtwaarde voor het plaatsgebonden risico.

Daarmee vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering voor de planontwikkeling. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen De plaatsgebonden risicocontour PR 10-6/jaar voor de beschouwde buisleiding is in de onderstaande tabel weergegeven als afstand vanuit het hart van de betreffende leiding:

Binnen de risicocontouren mogen geen kwetsbare objecten zoals woonbebouwing worden geprojecteerd. Deze buisleiding kent geen PR 10-6-contour en vormt daarmee geen belemmering voor de planontwikkeling. Volgens Artikel 5.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (verder: Bkl) onder de nieuwe Omgevingswet per 1 januari 2024, moet in een omgevingsplan rekening worden houden met een plaatsgebonden risico van 1 op de miljoen per jaar (PR 10-6) voor beperkt kwetsbare gebouwen en -locaties. Dit betekent dat de gemeente Sliedrecht de realisatie van beperkt kwetsbare gebouwen binnen PR 10-6-contouren alleen mogelijk kan maken na een belangenafweging en een goede motivatie. Voor dit plangebied is dit echter niet aan de orde. Dit aangezien geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen deze contour worden geprojecteerd. Groepsrisico's In het kader van de verantwoording van het groepsrisico moet de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid advies uitbrengen over dit planvoornemen. Aangezien het groepsrisico voor de A15 zowel in de huidige- als in de toekomstige situatie in dit plangebied worden overschreden, dient het groepsrisico volledig te worden verantwoord.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

52 - 61

Voor de Betuweroute geldt dat de toename van het groepsrisico lager is dan 10% en de oriëntatiewaarde specifiek door dit planvoornemen niet wordt overschreden (conform de subleden 1 en 2 van onderdeel b uit lid 2 van Art. 8). Dit betekent dat het invulling geven aan de mogelijkheden voor rampenbestrijding, bereikbaarheid en zelfredzaamheid volstaat voor dit spoortraject. De kortste afstanden tussen bebouwing in het plangebied en het midden van de spoorbaan, respectievelijk de weg zijn 50 en 40 meter. Dit betekent dat ten gevolge van optredende incidenten met gevaarlijke stoffen op de Betuweroute en de Rijksweg A15 mogelijk dodelijke slachtoffers vallen. De kans hierop is, zoals onder paragraaf 3.2.1 en 3.2.2 is onderbouwd van het onderzoek in Bijlage 20, binnen de wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico. Groepsrisicoverantwoording voor buisleidingen (Bevb) Hoewel de toename van het groepsrisico als gevolg van het planvoornemen in beperkte mate toeneemt (zie par. 3.3.4 van bijlage 19), ligt een gedeelte van de sportvelden binnen de 100%-letaalzone (65 meter) van buisleiding W-528-01. Dit betekent dat beoordeel moet worden of het groepsrisico voor deze buisleiding daarom beperkt of volledig verantwoord dient te worden, volgens artikel 12 van het Bevb. Voor dit plangebied geldt hiermee dat een beperkte verantwoording van het groepsrisico volstaat.

Hoewel het plangebied gedeeltelijk binnen de 100%-letaalzone van deze buisleiding ligt, is het groepsrisico lager dan 0,1 maal (< 10% van) de oriëntatiewaarde. Uit de QRA volgt namelijk dat het groepsrisico maximaal 0,213 % van de oriëntatiewaarde bedraagt. Bovendien is geen sprake van een significante toename van dit groepsrisico. In het huidige plan ligt het recreatiegebouw van de tennisvelden binnen de 100%-letaalzone van deze leiding. Zodoende zijn aanvullende bouwkundige maatregelen voor dit gebouw noodzakelijk ter bescherming van de aanwezige personen in het kader van zelfredzaamheid. Als alternatieve maatregel geldt het advies om de locatie van dit gebouw te wijzigen en deze noordelijker, ofwel op grotere afstand van zowel de buisleiding als de Betuweroute te plaatsen. Het recreatiegebouw van de voetbalvelden ligt op een afstand van ongeveer 130 meter van de buisleiding, waardoor bouwkundige maatregelen niet noodzakelijk zijn. Voor het Stationspark III geldt dat het groepsrisico voor deze buisleiding alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Dit gedeelte van het plangebied ligt namelijk niet binnen de 100%-letaalzone (67 meter) en de berekende hoogte van het groepsrisico ligt ruimschoots onder 10% van de oriëntatiewaarde.

Dit betekent dat voor het gehele plangebied daarnaast invulling gegeven moet worden aan: Voorbereiding van rampenbestrijding door hulpdiensten, waaronder de bereikbaarheid van het plangebied (Art. 12, lid 1, sub f van het Bevb) hiervoor moet worden voldaan aan de 'Handreiking bereikbaar en bluswatervoorzieningen, 2020); Zelfredzaamheid van aanwezige personen in het plangebied (Art. 12, lid 1, sub g van het Bevb). In het onderzoek wordt ingegaan op de rampenbestrijding en de zelfredzaamheid.

5.9.2 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan. Het onderzoek wordt voorgelegd aan de veiligheidsregio. Het onderzoek is voorgelegd aan de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid en in deze paragraaf verwerkt en vervolgens akkoord bevonden.

5.10 Bedrijven- en milieuzonering De (bedrijfs)activiteiten in het plangebied kunnen geluidshinder veroorzaken. Voor deze functies is op basis indicatief onderzocht of vanuit geluid hinder is te verwachten. In de onderstaande paragraaf wordt aandacht besteed aan het geluidsaspect van de bedrijvenstrook, de sportvelden en de parkeerterreinen. Voor het planvoornemen Stationspark III is daarnaast getoetst wat voor type bedrijven maximaal gevestigd kunnen worden op het bedrijventerrein, om te kunnen voldoen aan de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG handreiking Bedrijven en milieuzonering.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

53 - 61

5.10.1 Onderzoek Sliedrecht Buiten Voor deze activiteiten is geen belemmering vanuit milieuzonering doordat het niet in de nabijheid van milieugevoelige objecten wordt gerealiseerd. Stationspark III Milieuzonering heeft betrekking op het ruimtelijk scheiden van milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies zoals woningen. De VNG handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” 2009 is de meest gebruikte methode bij milieuzoneringen. In de handreiking worden voor vier verschillende milieuaspecten richtafstanden aanbevolen voor milieubelastende activiteiten (bedrijven), ten opzichte van een rustige woonwijk. De milieubelastende activiteiten zijn gerangschikt op SBI code. De grootste richtafstand is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. De gegeven richtafstanden kunnen, met uitzondering van de richtafstand voor gevaar, met één stap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, wanneer er sprake is van een gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Milieucategorie bedrijven Rustige woonwijk 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 5.1 500 m 5.2 700 m 5.3 1000 m 6 1500 m Tabel Milieucategorieën volgens de VNG

Gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1000 m

De gemeente is van plan 50% van de kavels uit te geven met een milieucategorie van 4.2 en de overige 50% uit te geven met een milieucategorie van 3.2. Bedrijven met cat. 4.2 hebben een richtafstand van 300 m of 200 m, afhankelijk van de classificatie van het gebied. Het plangebied is gelegen aan hoofdinfrastructuur. Op basis hiervan kan gesteld worden dat hier sprake is van een gemengd gebied. Daarom mogen de richtafstanden behalve voor gevaar met één stap verlaagd worden, naar 200 meter (milieucategorie 4.2) en 50 meter (milieucategorie 3.2). Aan de overzijde van de A15 liggen woningen (milieugevoelige objecten) op een kortere afstand (minder dan 200 m) dan de richtafstand aangeeft. Bij het verdelen van de categorieën 3.2 en 4.2 is in verband met de richtafstand van 200 m de verdeling in een zonering van twee stroken gewenst. Een noordelijke zone bedrijven tot en met categorie 4.2 en zuidelijk bedrijven tot en met categorie 3.2. Voor dit bestemmingsplan is een staat van bedrijfsactiviteiten opgesteld, omdat de afstand reductie voor bedrijven van categorie 4.2 voor gemengd gebied niet geldt voor het aspect gevaar.

5.10.2 Conclusie Binnen de richtafstanden van de sportvelden en parkeerplaatsen voor de locatie Sliedrecht Buiten zijn geen geluidsgevoelige functies gelegen, daarom is er geen hinder te verwachten naar geluidsgevoelige functies. Voor Stationspark III is het mogelijk om bedrijven met een milieucategorie van 4.2 toe te staan als deze gezoneerd worden uitgegeven. Deze zonering is op de plankaart opgenomen en is er een specifieke Staat van Bedrijfsactiviteiten met toegestane bedrijven aan de regels toegevoegd.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

54 - 61

5.11 Kabels, leidingen en spoorbaan Aan de zuidzijde van de locatie Sliedrecht Buiten liggen aardgastransportleidingen van de N.V. Nederlandse Gasunie welke niet verplaatsbaar zijn. Deze leidingen mogen ook niet voorbelast worden. Dit houdt in dat op deze strook geen tot weinig veranderingen kunnen plaatsvinden. Na de bestemmingsplanprocedure volgt de fase van detailuitwerking. Dan zal een uitgebreider geotechnisch onderzoek uitgevoerd worden welke input zal zijn voor deze voorbelasting- en zettingsberekening. Resultaten en ontwerpen zullen ter toetsing worden voorgelegd aan Gasunie. Evenals detailtekeningen waaruit dient te blijken dat de bereikbaarheid van de aardgastransportleiding gegarandeerd is. Ook aan de zuidzijde van de locatie STP III liggen leidingen, een watertransportleiding van waterschap Rivierenland en een ondergrondse hoogspanningsleiding, die niet verplaatsbaar zijn. Deze watertransportleiding mag ook niet voorbelast worden. Dit houdt in dat ook op deze strook geen tot weinig veranderingen kunnen plaatsvinden. Een zeer belangrijk uitgangspunt voor de ontwikkeling van Sliedrecht Buiten en Stationspark III is dat deze projecten geen invloed hebben op de stabiliteit van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen, alsmede op het ongehinderd gebruik van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen, waaronder de blusfunctie en de bereikbaarheid van de spoorbaan.

5.12 Lichthinder Lux4u heeft een onderzoek lichthinder uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 21 bijgesloten. Uit het onderzoek blijkt dat de gekozen waarnemers en gevels voldoet aan de voorgestelde sportverlichtingsinstallatie aan de "Richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) van maart 2020 (3e herziene druk) voor zone E3 (stedelijke gebied). Wanneer in plaats van omgevingszone E3 (stedelijk gebied), de omgevingszone E2 (landelijke gebied) wordt gehanteerd, wordt de grenswaarde voor de verlichtingssterkte (Ev) en lichtsterkte met de voorgestelde installaties eveneens niet overschreden. Conform de richtlijn lichthinder bedraagt de grenswaarde voor de lichtsterkte omgevingszone E2, als gevolg van de beperkte afstand tussen armatuur en woningen, namelijk eveneens 2500 candela en bedraagt de maximale verlichtingssterkte (lux level, E.max) tegen de gevel 5 lux. De maximaal toelaatbare hoeveelheid licht die door het armatuur naar boven mag worden uitgestraald, de ULR (Upward Light Ratio), bedraagt in zone E2 in geïnstalleerde stand 2,5%. Met de gevonden waarde van 0,00 wordt ook hieraan voldaan.

5.13 M.e.r. beoordeling Plannen en activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is geregeld dat in zulke gevallen een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Een bestemmingplan (of wijzigingsplan) kan plan m.e.r.-plichtig zijn. Daarnaast kan een plan ook m.e.r.-plichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt. Voor het bestemmingsplan is een aanmeldingsnotitie m.e.r. opgesteld. Deze is als Bijlage 22 bijgesloten. Hieruit volgt dat het planvoornemen ruimschoots onder de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. ligt en daarmee niet rechtstreeks plan-m.e.r.-, project-m.e.r. of m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Omdat het planvoornemen wel een activiteit betreft zoals genoemd in lijst D is een vormvrije m.e.r. beoordeling nodig. In deze paragraaf wordt de opgestelde vormvrije m.e.r. beoordeling beknopt toegelicht. Voor de uitgebreide beoordeling wordt verwezen naar de aanmeldingsnotitie. Vormvrije m.e.r. beoordeling Kenmerken van het project Het planvoornemen betreft de realisatie van het bedrijventerrein Stationspark III en recreatief knooppunt Sliedrecht Buiten.

De bestaande sportvelden op de locatie Stationspark III worden uitgeplaats naar de locatie Sliedrecht Buiten.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

55 - 61

De omvang van het project (11.2 ha bedrijventerrein en 17.5 ha sport- en recreatiegebied Sliedrecht Buiten) is in relatie tot de drempelwaarden relatief klein. Plaats van het project Het plangebied ligt tussen de A15, het spoor en het landelijk gebied van Sliedrecht, ten noorden van de kern Sliedrecht. De locatie Sliedrecht Buiten is in het vigerende bestemmingsplan bestemd als 'Agrarisch' en ook als zodanig in gebruik. De locatie STP III is in het vigerende bestemmingsplan bestemd met 'Sport' en ook als zodanig in gebruik. Kenmerken potentiële effecten De effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn lokaal van aard en hebben geen landsgrensoverschrijdend karakter. Er is geen sprake van cumulatie van effecten met andere projecten. De effecten duren zo lang als de bedrijven in gebruik zijn. Effecten zijn uitsluitend omkeerbaar door het gebruik te beëindigen. Effecten in de aanlegfase (zoals bouwverkeer) zijn tijdelijk en van relatief korte duur. Conclusie Gelet op de kenmerken van het project, de locaties van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project, moet worden geconcludeerd dat de ontwikkeling van de beoogde 11,2 ha industrieterrein en de sportaccommodatie van 17,5 ha geen belangrijke negatieve gevolgen heeft voor het milieu. Het doorlopen van een m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

56 - 61

Hoofdstuk 6

Juridische Planbeschrijving

6.1 Planvorm De gewenste flexibiliteit voor de invulling van de locatie vraagt om een globaal bestemmingsplan. Voor Sliedrecht Buiten wordt door de toepassing van verschillende bestemmingen gezorgd voor een scheiding tussen de voorziene functies. Voor de locatie waar sport is voorzien is alleen de bestemming 'Sport - Veldsport' opgenomen. Ditzelfde is van toepassing voor de functies verkeer, natuur, water en groen en recreatie. Voor het bedrijventerrein is gekozen om het gedeelte waar bedrijven zijn voorzien te bestemmen met 'Bedrijventerrein' en de interne ontsluiting en de aansluiting op de Sportlaan te bestemmen met 'Verkeer'. Om voldoende afstand aan te houden tot de A15 is aan de zijde van deze snelweg een strook opgenomen als 'Water - Water en Groen', waarbinnen water- en groenvoorzieningen zijn toegestaan. Het bestemmingsplan bestaat, naast deze toelichting, uit een verbeelding en regels.

6.2 Systematiek bestemmingen 6.2.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In Artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten.

6.2.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de regels voor de bestemmingen. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In het navolgende wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Artikel 3 Bedrijf De gronden met de bestemming 'Bedrijf' zijn bestemd voor het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten tot en met milieucategorie 4.2. Door middel van aanduidingen is aangegeven waar de maximale milieucategorie 3.2 en de maximale milieucategorie 4.2 van toepassing is. De bestemming is globaal bestemd. De maximale bouwhoogte bedraagt 10 meter. Het parkeren moet op eigen terrein opgelost worden zoals vastgelegd is in Artikel 14. Binnen de bestemming zijn geen zelfstandige kantoren toegestaan. Artikel 4 Natuur De gronden met de bestemming 'Natuur' zijn bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel daaraan eigen natuur- en landschapswaarden. Op of in de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming. In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ook is een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden opgenomen.

Artikel 5 Sport - Veldsport De gronden met de bestemming 'Sport - Veldsport' bestemd voor het uitoefenen van sportactiviteiten in de vorm van veldsport. Er mogen maximaal 2 gebouwen met ieder horeca en bijbehorende bijgebouwen / ondergeschikte gebouwen (zoals fietsenstallingen) gerealiseerd worden. Op deze gronden mogen daarnaast bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Tot slot zijn in de regels nadere voorwaarden voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde opgenomen.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

57 - 61

Artikel 6 Water - 1 De A-watergang van het waterschap is bestemd als 'Water - 1' conform de regels in de legger van het waterschap Rivierenland. Artikel 7 Water - Water en Groen De gronden met de bestemming 'Water - Water en Groen' zijn bestemd voor water- en waterhuishoudkundige voorzieningen, wateraanvoer, waterafvoer en waterberging en groenvoorzieningen, met daarbij behorende voorzieningen als oevers, waterhuishoudkundige kunstwerken, bruggen en andere waterstaatswerken. Daarnaast mogen er paden, speelvoorzieningen en nutsvoorzieningen gerealiseerd worden. Op of in de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming. In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Artikel 8 Leiding - Gas De gronden met de bestemming 'Leiding - Gas' zijn mede bestemd voor de aanleg, het herstel en de instandhouding van een gasleiding. De dubbelbestemming bevat een bouwverbod met afwijkingsmogelijkheid en een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden. Een omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend na schriftelijk advies van de leidingbeheerder. Tot slot is een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden opgenomen.

Artikel 9 Leiding - Hoogspanning De gronden met de bestemming 'Leiding - Hoogspanning' mede bestemd voor de aanleg, het herstel en de instandhouding van een ondergrondse hoogspanningsleiding. De dubbelbestemming bevat een bouwverbod met afwijkingsmogelijkheid en een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden. Een omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend na schriftelijk advies van de leidingbeheerder. Tot slot is een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden opgenomen. Artikel 10 Leiding - Water De gronden met de dubbelbestemming 'Leiding - Water' zijn mede bestemd voor de aanleg, het herstel en de instandhouding van een ondergrondse watertransportleiding. De dubbelbestemming bevat een bouwverbod met afwijkingsmogelijkheid en een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden. Een omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend na schriftelijk advies van de leidingbeheerder. Ook is een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden opgenomen. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de gronden met de dubbelbestemming 'Leiding - Water' te wijzigen door bestemmingsvlakken met de dubbelbestemming 'Leiding - Water' aan te passen, toe te voegen of te verwijderen.

De wijzigingsbevoegdheid kan alleen worden toegepast onder een aantal voorwaarden. Artikel 11 Waarde - Archeologie De gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' zijn mede bestemd voor behoud van de verwachte archeologische waarden en de bij de bestemming behorende voorzieningen. De dubbelbestemming bevat een bouwverbod met afwijkingsmogelijkheid en een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden. Een omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend na schriftelijk advies van de leidingbeheerder. Ook is een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden opgenomen. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' te wijzigen. De wijzigingsbevoegdheid kan alleen worden toegepast onder een aantal voorwaarden.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

58 - 61

6.2.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn onder andere de anti-dubbeltelregel, algemene aanduidingsregels, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels opgenomen. Tot slot is er een voorrangsregeling voor de dubbelbestemmingen opgenomen. In Artikel 13 Algemene aanduidingsregels is de aanduiding overige zone - verkeer opgenomen voor de aanleg van de ontsluitingswegen voor beide locaties en de parkeerplaatsen voor Sliedrecht Buiten. In Artikel 18 Overige regels is ook de Voorwaardelijke verplichting - waterberging opgenomen voor de realisatie van de benodigde waterberging in Sliedrecht Buiten voordat de gronden in gebruik kunnen worden genomen. Ook is een Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing opgenomen voor de borging van de beschreven kwaliteiten in het landschappelijke inpassingsplan.

6.2.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

59 - 61

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

60 - 61

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid Het ontwerpbestemmingsplan is een integrale gebiedsontwikkeling bestaande uit de aanleg van het sport- en recreatiecomplex Sliedrecht Buiten (krediet) en de aanleg van het bedrijventerrein Stationspark III (grondexploitatie). Deze ontwikkelingen beïnvloeden elkaar inhoudelijk, maar zijn financieel van elkaar gescheiden. Hierbij geldt dat Sliedrecht Buiten doorgang moet vinden, voordat begonnen kan worden met Stationspark III. Voor de ontwikkeling van Sliedrecht Buiten wordt, uiterlijk op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan, een kredietaanvraag gedaan. De dekking hiervoor is in de begroting opgenomen met de eerste vastgestelde begrotingswijziging 2023. Met deze wijziging kreeg de financiële vertaling van het collegewerkprogramma een plaats in de begroting. De grondexploitatie Stationspark III kent een positief saldo. Deze grondexploitatie is reeds in 2022 vastgesteld en in oktober 2023 herijkt. De ontwikkeling bestaat enkel uit het realiseren van uitgeefbare bedrijfskavels en de inrichting van de buitenruimte. Na realisatie komt het gerealiseerde resultaat beschikbaar in de reserve Koers 2030. Bij de vaststelling van dit bestemmingsplan hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In deze paragraaf worden de resultaten van de inspraakprocedures en het overleg ex artikel 3.1.1 Bro behandeld.

7.2.1 Overleg ex artikel 3.1.1. Bro Het voorontwerp bestemmingsplan is aangeboden aan overlegpartners. De binnengekomen reacties zijn samengevat en beantwoord in de bijgesloten nota (zie bijlage 23) en verwerkt in het bestemmingsplan.

7.2.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van donderdag 14 december 2023 zes weken, dus tot en met woensdag 24 januari 2024 ter inzage gelegen, waarbij een ieder in de gelegenheid was om een zienswijze in te dienen. Er zijn 11 zienswijze ontvangen. De reacties op de zienswijzen zijn samengevat en van een passende beantwoording voorzien in de nota. Ook bevat de nota een overzicht van ambtshalve wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. De nota van beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen is toegevoegd aan Bijlage 24.

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

61 - 61

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.sliedrecht.nl/api/v1/meetings/723/documents/9208