3.2 Besluitdocument_Renvooi Ontwerp-Definitief OP Bodem en basisstructuur.pdf
Tekst van het document
de afstand tussen op de grond staande bijbehorende bouwwerken in de vorm van aanbouwen en in de vorm van bijgebouwen op het achtererf is niet minder dan 2 meter.
Artikel 6.49 Verbod bouwen van een op de grond staand bouwwerk - [gereserveerd] Het is, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.48, onder a, verboden om bijbehorende bouwwerken te bouwen binnen de locatie 'bijgebouwen uitgesloten'.
Artikel 6.50 Bouwen van een bijbehorend bouwwerk binnen locatie bijgebouw [gereserveerd]
23
1.
Bijbehorende bouwwerken mogen, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.48, onder b, voor de voorgevellijn gebouwd worden op voorwaarde dat: a. het bijbehorend bouwwerk binnen de locatie 'bijgebouw 1' staat; b. de oppervlakte van het bijbehorend bouwwerk maximaal 6 m2 bedraagt; c. de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk maximaal de bouwhoogte van de eerste bouwlaag bedraagt; en d. het bijbehorend bouwwerk een berging is.
2.
Bijbehorende bouwwerken mogen, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.48, onder b, voor de voorgevellijn gebouwd worden op voorwaarde dat: a. de bijbehorende bouwwerken binnen de locatie 'bijgebouw 2' staan; b. de bijbehorende bouwwerken in de periode vóór 6 augustus 2015 tot en met 16 september 2015 in de voortuin gebouwd zijn; c. het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken maximaal 40% van de oppervlakte van het gezamenlijk voorerf bedraagt, met een maximum van 25 m2; d. de bijbehorende bouwwerken op maximaal 2 meter afstand van de voorerfgrens worden gebouwd; e. achter de voorgevellijn maximaal 1 vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd; f. de oppervlakte van het bijbehorend bouwwerk als bedoeld onder e maximaal 6 m2 bedraagt;
g. h. i.
een aangebouwd bijbehorend bouwwerk achter de achtergevel van het hoofdgebouw mag worden gebouwd; de diepte van het aangebouwde bijbehorend bouwwerk als bedoeld onder g maximaal 2 meter bedraagt; en de afstand tussen de bijbehorende bouwwerken achter de voorgevellijn en de zijerfgrens minimaal 1 meter bedraagt.
Artikel 6.51 Afwijkende hoogte van een bijbehorend bouwwerk binnen de locatie 'garage' In afwijking van het bepaalde in artikel 6.48 bedraagt de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk binnen de locatie 'garage' maximaal 2,5 meter.
Artikel 6.52 Afwijkende oppervlakte bijbehorende bouwwerken achter voorgevelrooilijn Maximaal 50% van de oppervlakte van gronden achter de voorgevellijn mogen, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.48, onder g, bebouwd worden met bijbehorende bouwwerken.
Artikel 6.53 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de activiteit 'Bouwen van een bijbehorend bouwwerk' en de activiteit 'In stand houden van een bijbehorend bouwwerk' te verrichten als dat bijbehorend bouwwerk niet voldoet aan de regels als bedoeld in artikel 6.48.
Artikel 6.54 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.53 kan worden verleend als: a. het bijbehorend bouwwerk binnen de locatie 'bouwvlak' wordt gebouwd; b. het bouwen niet leidt tot een onnodig nadelige verandering van: 1°. de bezonningssituatie op de aangrenzende erven; 2°. de licht- en luchttoetreding van de aangrenzende erven; c. het te behouden erf zoveel mogelijk zijn gebruikswaarde behoud; d. het maximaal toegestane bebouwd oppervlak niet overschreden wordt; en e. de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 50 m2 bedraagt.
Paragraaf 6.3.2 Dakkapel op een woning Artikel 6.55 Algemene regels 1.
In afwijking van de algemene regels voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld inartikel 6.48 geldt dit artikel voorde activiteit 'Bouwen van een dakkapel op een woning'.
2.
Dit artikel geldt alleen voor het bouwen van een dakkapel die niet aangewezen is in artikel 2.29, sub b van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
3.
Een dakkapel wordt voorzien van een plat dak.
4.
Een dakkapel is niet hoger dan 1,75 meter.
5.
De voet van een dakkapel ligt ten minste 0,5 meter hoger dan de goothoogte van het gebouw.
6.
De voet van een dakkapel ligt niet hoger dan 1 meter boven de goothoogte van het gebouw.
7.
Een dakkapel ligt ten minste 0,5 meter onder de bouwhoogte van het gebouw.
8.
Een dakkapel ligt ten minste 0,5 meter van de perceelgrens.
9.
Een dakkapel ligt ten minste 0,5 meter van de zijkant van het dak.
Artikel 6.56 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakkapel te bouwen die niet voldoet aan de regels bedoeld in artikel 6.55.
24
Artikel 6.57 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 6.56, kan worden verleend als: a. de dakkapel, in afwijking van het bepaalde inartikel 6.55, niet wordt voorzien van een plat dak, maar deze afwijking naar het oordeel van burgemeester en wethouders aanvaardbaar is uit stedenbouwkundig oogpunt en passend is in het straatbeeld; of b. de dakkapel niet voldoet aan de maatvoeringseisen zoals bepaald in artikel 6.55, maar de afwijking naar het oordeel van burgemeester en wethouders aanvaardbaar is uit stedenbouwkundig oogpunt en passend is in het straatbeeld.
Paragraaf 6.3.3 Bouwen van een bijbehorend bouwwerk behorend bij een bedrijf Artikel 6.58 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf is bedoeld voor de activiteit 'Bedrijf' als bedoeld in artikel 6.29, sub a en gaat over de activiteit 'Bouwen van een bijbehorend bouwwerk' en de activiteit 'In stand houden van een bijbehorend bouwwerk'.
2.
De paragraaf is niet bedoeld voor de activiteiten als bedoeld in artikel 6.29, sub b tot en met sub o en de activiteit 'Wonen' als bedoeld in artikel 6.38, en gaat daarom niet over de activiteit 'Bouwen van een bijbehorend bouwwerk' en de activiteit 'In stand houden van een bijbehorend bouwwerk' als er sprake is van een bijbehorend bouwwerk anders dan bij de activiteit 'Bedrijf'.
Artikel 6.59 Algemene regels Het bouwen van een op de grond staand bijbehorend bouwwerk mag zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd als wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a. op de grond staande bijbehorende bouwwerken staan binnen de locatie 'bouwvlak'; b. de bouwhoogte van op de grond staande bijbehorend bouwwerken is niet meer dan 3 meter; c. bijbehorende bouwwerken staan: 1°. in de zij- of achtererfgrens, of 2°. minimaal 1 meter uit de zij- of achtererfgrens; en d. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorend bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt: 1°. bij een bebouwingsgebied van 100 m2 of meer: niet meer dan 50% van dat bebouwingsgebied; 2°. bij een bebouwingsgebied tussen de 100 m2 en 300 m2: niet meer dan 50 m2 plus 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; of 3°. bij een bouwvlak van meer dan 300 m2: 90 m2 plus 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot niet meer dan 150 m2.
Artikel 6.60 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de activiteit 'Bouwen van een bijbehorend bouwwerk' en de activiteit 'In stand houden van een bijbehorend bouwwerk' te verrichten als dat bijbehorend bouwwerk niet voldoet aan de regels als bedoeld in artikel 6.48.
Artikel 6.61 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.60 kan worden verleend als: a. het bijbehorend bouwwerk binnen de locatie 'bouwvlak' wordt gebouwd; b. het bouwen niet leidt tot een onnodig nadelige verandering van: 1°. de bezonningssituatie op de aangrenzende erven; 2°. de licht- en luchttoetreding van de aangrenzende erven; c. het te behouden erf zoveel mogelijk zijn gebruikswaarde behoudt; d. het maximaal toegestane bebouwd oppervlak niet overschreden wordt; en e. de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 50 m2 bedraagt.
Paragraaf 6.3.4 Bouwen van een bijbehorend bouwwerk anders dan bij bedrijf en wonen Artikel 6.62 Toepassingsbereik 1.
25
Deze paragraaf gaat over de activiteit 'Bouwen van een bijbehorend bouwwerk' en de activiteit 'In stand houden van een bijbehorend bouwwerk' voor: a. de activiteit 'Detailhandel';
b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. n.
2.
de activiteit 'Dienstverlening'; de activiteit 'Groen'; de activiteit 'Handel in volumineuze goederen'; de activiteit 'Horeca in horeca-categorie 1' [gereserveerd]; de activiteit 'Horeca in horeca-categorie 2'; de activiteit 'Horeca in horeca-categorie 3'; de activiteit 'Horeca in horeca-categorie 4'; de activiteit 'Horeca in horeca-categorie 5'; de activiteit 'Kantoor'; de activiteit 'Maatschappelijk'; de activiteit 'Supermarkt'; de activiteit 'Sport' [gereserveerd]; de activiteit 'Wonen' in combinatie met een activiteit zoals bedoeld onder a tot en met l, alleen waar deze combinatie toegestaan is in .
Deze paragraaf is niet bedoeld voor de activiteit 'Bedrijf' als bedoeld in artikel 6.29, sub a en de activiteit 'Wonen' als bedoeld in artikel 6.38, en gaat daarom niet over de activiteit 'Bouwen van een bijbehorend bouwwerk' en de activiteit 'In stand houden van een bijbehorend bouwwerk' als er sprake is van een bijbehorend bouwwerk bij de activiteit 'Bedrijf' of de activiteit 'Wonen' zonder combinatie met een andere functie als bedoeld in eerste lid, sub a tot en met m.
Artikel 6.63 Algemene regels Het bouwen van een op de grond staand bijbehorend bouwwerk mag zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd als wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a. op de grond staande bijbehorende bouwwerken staan binnen de locatie 'bouwvlak'; b. op de grond staande bijbehorende bouwwerken staan minimaal 1 meter achter de voorgevellijn; c. op de grond staande bijbehorende bouwwerken staan minimaal 1 meter achter de zijerfgrens als deze aan de openbare weg ligt; d. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorend bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt: 1°. bij een bebouwingsgebied van 100 m2 of meer: niet meer dan 50% van dat bebouwingsgebied; 2°. bij een bebouwingsgebied tussen de 100 m2 en 300 m2: niet meer dan 50 m2 plus 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; of 3°. bij een bouwvlak van meer dan 300 m2: 90 m2 plus 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot niet meer dan 150 m2; e. de goothoogte van op de grond staande bijbehorende bouwwerken is niet meer dan 3 meter; f. de bouwhoogte van op de grond staande bijbehorende bouwwerken is niet meer dan 5 meter; g. de diepte van op de grond staande aangebouwde bijbehorende bouwwerken aan de achterzijde van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 4 meter; en h.
de afstand tussen op de grond staande bijbehorende bouwwerken in de vorm van aanbouwen en in de vorm van bijgebouwen op het achtererf is niet meer dan 2 meter.
Artikel 6.64 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de activiteit 'Bouwen van een bijbehorend bouwwerk' en de activiteit 'In stand houden van een bijbehorend bouwwerk' te verrichten als dat bijbehorend bouwwerk niet voldoet aan de regels als bedoeld in artikel 6.48.
Artikel 6.65 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.64 kan worden verleend als: a. het bijbehorend bouwwerk binnen de locatie 'bouwvlak' wordt gebouwd; b. het bouwen niet leidt tot een onnodig nadelige verandering van: 1°. de bezonningssituatie op de aangrenzende erven; en 2°. de licht- en luchttoetreding van de aangrenzende erven; c. het te behouden erf zoveel mogelijk zijn gebruikswaarde behoudt; d. het maximaal toegestane bebouwd oppervlak niet overschreden wordt; en e. de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 50 m2 bedraagt.
Paragraaf 6.3.5 Bouwen van erkers en serres
26
Artikel 6.66 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over de activiteit 'Bouwen van een erker of serre aan de voorgevel van een hoofdgebouw' en de activiteit 'In stand houden van een erker of serre aan de voorgevel van een hoofdgebouw' voor: a. de activiteit 'Detailhandel'; b. de activiteit 'Dienstverlening'; c. de activiteit 'Horeca in horeca - categorie 2'; d. de activiteit 'Horeca in horeca - categorie 3'; e. de activiteit 'Horeca in horeca - categorie 4'; f. de activiteit 'Horeca in horeca - categorie 5'; g. de activiteit 'Kantoor'; h. de activiteit 'Maatschappelijk'; i. de activiteit 'Wonen'.
Artikel 6.67 Algemene regels Het bouwen van een erker of serre mag zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd als wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a. een erker of serre voor de voorgevellijn staat maximaal 2 meter buiten de voorgevellijn; b. a.de breedte van de erker of serre is maximaal twee-derde van de breedte van het hoofdgebouw; c. a.de afstand tussen de voorste perceelsgrens en de erker of serre is minimaal 2 meter; d. een erker of serre wordt alleen op de begane grondlaag gebouwd. O Het opschrift van afdeling 6.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afdeling 6.4 Ander bouwwerk Bouwwerk bouwen, in stand houden of gebruiken P Paragraaf 6.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 6.4.1 Ander bouwwerk bouwen, in stand houden of gebruiken in de openbare ruimte Gebouw of een uitbreiding daarvan bouwen Subparagraaf 6.4.1.1 Dakkapel bouwen [Gereserveerd]
Subparagraaf 6.4.1.2 Bodemgevoelig gebouw bouwen op een bodemgevoelige locatie [Gereserveerd]
Artikel 6.68 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het in de openbare ruimte uitvoeren van de activiteit 'Bouwen van andere bouwwerken' en de activiteit 'In stand houden van andere bouwwerken'.
Artikel 6.69 Algemene regels Het bouwen van een ander bouwwerk mag zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd als wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de activiteit 'Verkeer' is maximaal 6 meter; b. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de activiteit 'Water' is maximaal 5 meter; c. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor een luifel is maximaal 4 meter; d. de bouwhoogte van geluidschermen is maximaal 6,5 meter; e. de bouwhoogte van masten en palen is maximaal 10 meter;
27
f. g. h.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor nutsvoorzieningen is maximaal 4 meter en de oppervlakte is maximaal 25 vierkante meter; de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die niet genoemd zijn in sub a tot en met f en binnen de locatie 'groen' liggen, is maximaal 6 meter; de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die niet genoemd zijn in sub a tot en met f is maximaal 3 meter.
Artikel 6.70 Uitzondering bouwwerken halte waterbus Binnen de locatie 'halte waterbus' zijn lichtmasten, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.67, sub a en b, met een hoogte van maximaal 10 meter zonder omgevingsvergunning toegestaan. Q Paragraaf 6.4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 6.4.2 Ander bouwwerk bouwen, in stand houden of gebruiken anders dan in de openbare ruimte Bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan bouwen Subparagraaf 6.4.2.1 Bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk bouwen op een bodemgevoelige locatie [Gereserveerd]
Artikel 6.71 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het buiten de openbare ruimte uitvoeren van de activiteit 'Bouwen van andere bouwwerken' en de activiteit 'In stand houden van andere bouwwerken'.
Artikel 6.72 Algemene regels ander bouwwerk Het bouwen van een ander bouwwerk mag zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd als wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a. andere bouwwerken staan binnen of buiten het 'bouwvlak'; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen is maximaal 2 meter; c. de bouwhoogte van masten en palen is maximaal: 1°. 10 meter voor: i. de activiteit 'Bedrijf'; ii. de activiteit 'Detailhandel'; iii. de activiteit 'Dienstverlening'; iv. de activiteit 'Maatschappelijk'. 2°. 7 meter voor de activiteit 'Wonen'. d. een ander bouwwerk binnen de locatie 'specifieke bouwaanduiding - 1' is maximaal 5 meter hoog; e. andere bouwwerken dan bedoeld in sub a, sub b en sub c voor de activiteit 'Verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' zijn maximaal 6 meter hoog. f. de bouwhoogte van een luifel is maximaal: 1°. 6 meter binnen de locatie 'specifieke bouwaanduiding - luifel'; 2°. [gereserveerd voor andere specifieke bouwhoogten over luifels] g. de bouwhoogte van een ander bouwwerk dan bedoeld in sub a tot en met sub f is maximaal 3 meter hoog.
Artikel 6.73 Uitzondering erf- en terreinafscheiding buiten bouwvlak en voor voorgevel Erf- en terreinafscheidingen buiten de locatie 'bouwvlak' en voor het (verlengde van) de voorgevel zijn, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.72, sub b met een hoogte van maximaal 1 meter zijn zonder omgevingsvergunning toegestaan.
Artikel 6.74 Uitzondering erf- en terreinafscheiding bij bedrijf Erf- en terreinafscheidingen binnen en buiten het bouwvlak voor de activiteit 'Bedrijf' zijn, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.72, sub b en artikel 6.73 met een hoogte van maximaal 3 meter zijn zonder omgevingsvergunning toegestaan.
28
R Na paragraaf 6.4.2 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende:
Paragraaf 6.4.3 Ander bouwwerk bouwen [Gereserveerd]
Paragraaf 6.4.4 Ondergronds bouwwerk bouwen [Gereserveerd] S Afdeling 6.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afdeling 6.5 Bouwwerk slopen Bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan bouwen, in stand houden of gebruiken [Gereserveerd]
Artikel 6.75 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over de activiteit 'Slopen van een bouwwerk' binnen de locatie 'karakteristiek'.
Artikel 6.76 Verbod veranderen bouwwerk Het is verboden om binnen de locatie 'karakteristiek' de grondoppervlakte, de goothoogte, de bouwhoogte en de dakhelling van gebouwen te wijzigen.
Artikel 6.77 Vergunningplicht slopen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor de activiteit 'Slopen van een bouwwerk' bebouwing binnen de locatie 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen.
Artikel 6.78 Uitzondering Het verbod als bedoeld in artikel 6.77 geldt niet voor: a. normale sloop- of onderhoudsactiviteiten die gericht zijn op de instandhouding van de bebouwing en daarvoor noodzakelijk zijn; b. werkzaamheden van ondergeschikte betekenis, in het geval dat door burgemeester en wethouders is aangegeven dat voor die werkzaamheden geen omgevingsvergunning voor het slopen is vereist; c. de activiteit 'Slopen van een bouwwerk' als voor die activiteit al een omgevingsvergunning is verleend; d. het beperken van de directe gevolgen van calamiteiten; en e. het terugbouwen van oorspronkelijke cultuurhistorische waarden van het bouwwerk.
Artikel 6.79 Beoordelingsregels De vergunning als bedoeld in artikel 6.77 kan alleen worden verleend als: a. de karakteristieke waarde van het bouwwerk zo min mogelijk wordt aangetast; of b. het niet redelijk is om een aanvraag van de vergunning te weigeren omdat het behouden van het karakteristieke bouwwerk tot onevenredig hoge kosten leidt.
Artikel 6.80 Vergunningvoorschriften Aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.77 kunnen door het college van burgemeester en wethouders voorwaarden verbonden worden. T
29
Het opschrift van afdeling 6.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afdeling 6.6 Bouwwerk slopen in een gemeentelijk beschermd of rijksbeschermd stadsof dorpsgezicht Ander bouwwerk bouwen, in stand houden of gebruiken U Na afdeling 6.6 worden twee afdelingen ingevoegd, luidende:
Afdeling 6.7 Dakkapel bouwen, in stand houden of gebruiken [Gereserveerd]
Afdeling 6.8 Ondergronds bouwen [Gereserveerd] V Afdeling 7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afdeling 7.3 Terras aanbrengen [Gereserveerd]
Paragraaf 7.3.1 Terras aanbrengen [Gereserveerd] W Afdeling 7.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afdeling 7.6 Parkeeractiviteit verrichten [Gereserveerd]
Paragraaf 7.6.1 Parkeren motorvoertuigen bij wijziging functies Artikel 7.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het parkeren of stallen van motorvoertuigen bij functies als bedoeld in hoofdstuk 5 of de activiteit 'bouwen van een bouwwerk' als bedoeld in artikel 6.2, onder a.
Artikel 7.2 Beoordelingsregels
30
1.
Als op grond van het bepaalde in hoofdstuk 5 of hoofdstuk 6 een omgevingsvergunning nodig is, wordt die omgevingsvergunning alleen verleend als in voldoende mate ruimte is aangebracht voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen.
2.
Of in voldoende mate ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen is aangebracht, toetst het bevoegd gezag aan de gemeentelijke parkeernormennota, zoals die geldt op het moment van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag;
3.
In afwijking van het bepaalde in eerste lid geldt binnen de locatie 'parkeren appartementen centrumgebied' de beleidsregel 'Verlagen van de parkeernormen Kerkbuurt voor nieuwe appartementen' en wordt bij de bouw van appartementen getoetst aan deze beleidsregel of een rechtsopvolger daarvan zoals die geldt op het moment van de ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning.
4.
In afwijking van het bepaalde in tweede lid kan worden afgeweken van de gemeentelijke parkeernormennota als deze vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig bezwarend zijn.
Paragraaf 7.6.2 Fietsparkeren bij wijziging functies Artikel 7.3 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het parkeren of stallen van fietsen bij functies als bedoeld in hoofdstuk 5 of de activiteit 'bouwen van een bouwwerk' als bedoeld in artikel 6.2, onder a.
Artikel 7.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1.
Als op grond van het bepaalde in hoofdstuk 5 of hoofdstuk 6 een omgevingsvergunning nodig is, wordt die omgevingsvergunning alleen verleend als in voldoende mate ruimte is aangebracht voor het parkeren of stallen van fietsen.
2.
Of in voldoende mate ruimte voor het parkeren of stallen van fietsen is aangebracht, toetst het bevoegd gezag aan de 'Fietsparkeerkencijfers 2019' van CROW-Fietsberaad, of de rechtsopvolger hiervan, zoals die geldt op het moment van de ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning.
3.
Bij het bepalen van de hoeveelheid ruimte voor parkeren of stallen van fietsen, als bedoeld in het tweede lid, geldt binnen de locatie 'centrum' dat de parkeerkencijfers behorend bij 'centrum en schil' en 'centrum' aangehouden moeten worden. - [gereserveerd]
4.
Bij het bepalen van de hoeveelheid ruimte voor parkeren of stallen van fietsen, als bedoeld in het tweede lid, geldt binnen de locatie 'rest bebouwde kom' dat de parkeer kencijfers behorend bij 'rest bebouwde kom', 'schil centrum', 'binnen de bebouwde kom' en 'rand bebouwde kom' aangehouden moeten worden. - [gereserveerd]
5.
In afwijking van het bepaalde in eerste lid kan worden afgeweken van de Fietsparkeerkencijfers als deze vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig bezwarend zijn.
X Afdeling 8.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afdeling 8.1 Archeologisch waardevolle gebieden [Gereserveerd]
Paragraaf 8.1.1 Bouwactiviteiten in beperkingengebied Archeologie Artikel 8.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over de activiteit 'Bouwen van bouwwerken binnen het beperkingengebied archeologie'.
Artikel 8.2 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen binnen de locatie 'beperkingengebied archeologie'.
Artikel 8.3 Uitzondering op de vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 8.2, geldt binnen de locatie 'beperkingengebied archeologie' niet voor het bouwen van bouwwerken: a. waarvan de oppervlakte niet meer is dan 100 m2; of b. waarbij de bodem niet dieper wordt verstoord dan 30 cm.
Artikel 8.4 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning, bedoeld inartikel 8.2, wordt verleend als:
31
a. b.
uit het rapport van het archeologisch onderzoek blijkt dat de bouwactiviteiten niet leiden tot verstoring van archeologische waarden; of uit het rapport van het archeologisch onderzoek blijkt dat de bouwactiviteiten kunnen leiden tot verstoring van archeologische waarden, maar deze verstoring kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning één of meer van de vergunningvoorschriften, bedoeld in artikel 8.6te verbinden.
Artikel 8.5 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 8.2, worden de volgende documenten en gegevens verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.
Artikel 8.6 Vergunningvoorschriften Aan een omgevingsvergunning, bedoeld inartikel 8.2, kunnen de volgende vergunningvoorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, zodat archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
Paragraaf 8.1.2 Aanlegactiviteiten in beperkingengebied Archeologie Artikel 8.7 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over de activiteit 'Aanlegactiviteiten binnen het beperkingengebied archeologie'.
Artikel 8.8 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten binnen het beperkingengebied archeologie: a. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; b. het uitvoeren van grondbewerkingen; c. het graven, vergraven, vergroten evenals het dempen van watergangen en waterpartijen; d. het ophogen van gronden; e. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; of f. het verhogen of het verlagen van de grondwaterstand.
Artikel 8.9 Uitzondering op de vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 8.8, geldt binnen de locatie 'beperkingengebied archeologie' niet voor: a. aanlegactiviteiten die normaal onderhoud en/of gebruik betreft; of b. aanlegactiviteiten die uit oogpunt van bescherming van de archeologische waarde niet van ingrijpende betekenis zijn.
Artikel 8.10 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning, bedoeld inartikel 8.8, wordt verleend als: a. uit het rapport van het archeologisch onderzoek blijkt dat de aanlegactiviteiten niet leiden tot verstoring van archeologische waarden; of b. uit het rapport van het archeologisch onderzoek blijkt dat de aanlegactiviteiten kunnen leiden tot verstoring van archeologische waarden, maar deze verstoring kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning één of meer van de vergunningvoorschriften, bedoeld in artikel 8.12te verbinden; en c. door burgemeester en wethouders schriftelijk advies is ingewonnen bij een archeologisch deskundige.
Artikel 8.11 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 8.8, worden de volgende documenten en gegevens verstrekt:
32
a.
een rapport waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.
Artikel 8.12 Vergunningvoorschriften Aan een omgevingsvergunning, bedoeld inartikel 8.8, kunnen de volgende vergunningvoorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, zodat archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. Y Artikel 11.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.2 Maatwerkvoorschriften bodem Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.10 met uitzondering van de beperking voor maatwerkvoorschriften ten aanzien van grondwatersanering zoals gesteld in artikel 11.42 11.45 . Z Artikel 11.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.7 Verbod toepassen thermische Aanwijzing vergunningplichtige gevallen thermisch gereinigde grond Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in afwijking van aanvulling op paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verboden zonder omgevingsvergunning thermisch gereinigde grond toe te passen. AA Na artikel 11.7 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 11.8 Aanvraagvereisten vergunning thermisch gereinigde grond Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 11.7, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de verwachte datum van het begin van de activiteit, als bedoeld in artikel 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een planning van de werkzaamheden; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen grond of baggerspecie die overeenkomstig BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie, aangevuld met de zuurgraad, geleidbaarheid, kritische parameters van deze bouwstof en indien relevant de eisen van het productcertificaat; d. de ligging en de omvang van de toepassing, aangeduid in locatietekeningen en doorsneden; e. een identificatie en een beschrijving van kritische aspecten en hoe hier de zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt ingevuld, waaronder in ieder geval grondwater en oppervlaktewater in de nabijheid, zetting, PH-buffercapaciteit, kwetsbare objecten en ecologie; f. een beschrijving van de wijze waarop overlast voor de omgeving wordt voorkomen in de vorm van stofvorming en ook de wijze waarop overlast voor de omgeving in de vorm van wateropvang, als dit vrijkomt uit het materiaal, wordt voorkomen; g.
een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat grond of baggerspecie die overeenkomstig BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater sig-
33
h. i. j. k. l.
nificant beïnvloeden of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast; de toepassingshoogte ten opzichte van de grondwaterstand (GHG); de schriftelijke instemming van de eigenaar van de locatie; het akkoord van de opdrachtgever; de gegevens van de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase; de verwachte zetting voor de komende 100 jaar.
Artikel 11.9 Beoordelingsregels thermisch gereinigde grond De omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 11.7, wordt alleen verleend als: a. de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de specifieke zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd; c. de toepassing verenigbaar is met het belang van: 1°. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; 2°. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 3°. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; d. bij het bepaalde onder c rekening wordt gehouden met het waterbeheerprogramma, het regionale waterprogramma, het stroomgebiedsbeheerplan en het nationale waterprogramma die betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam; e. de toepassing past bij de functie van de locatie; f. de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte; g. de thermisch gereinigde grond: 1°. zodanig wordt toegepast dat deze vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de grondwaterstand (GHG) ligt en niet in contact komt met het grond- en oppervlaktewater; en 2°.
wordt toegepast onder gesloten verharding of op vergelijkbare manier worden afgedekt zodat contact met hemelwater wordt voorkomen; h. de bovenafdichting waaronder de thermisch gereinigde grond wordt toegepast binnen 1 jaar na toepassing wordt aangebracht; en i. de thermisch gereinigde grond wordt toegepast over een oppervlakte van minimaal 1.000 m2. BB Artikel 11.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.8 11.10 Bodemvreemd materiaal in toe te passen grond of baggerspecie 1.
Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in afwijking van artikel 4.1271, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, binnen de bodemfunctieklassen landbouw/natuur en wonen alleen grond of baggerspecie toegepast, als daarin niet meer dan 5 gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout voorkomt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een grootschalige toepassing als bedoeld in artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van de afdeklaag als bedoeld in het vierde lid van dat artikel.
CC Artikel 11.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.9 11.11 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie 1.
34
Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in aanvulling op artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, alleen grond of baggerspecie toegepastals toegepast als deze voldoet aan de kwaliteitseisen en bijbehorende zones als bepaald in tabel 11.9.1 11.11.1 .
Tabel 11.9.111.11.1 afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie
2.
Zones
Kwaliteitseisen (voor standaardbodem)
Alle zones
pH waarde is minimaal 5 en maximaal 9
Alle zones
Maximaal 200 mg/kg droge stof chloride
Alle zones
Maximaal 920 mg/kg droge stof barium
Wonen
Maximaal 90 mg/kg droge stof lood
Volks-/Moestuin
Maximaal 50 mg/kg droge stof lood
Asbestgevoelige locatie
Maximaal 10 mg/kg droge stof asbest (gewogen gehalte)
Met het oog op het gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die voor de stof nikkel niet voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: a. voor de andere stoffen voldoet aan die kwaliteitseisen; b. afkomstig is uit en toegepast wordt binnen de locatie 'bodembeheergebied grond en baggerspecie'; en c. voor de stof nikkel voldoet aan de kwaliteitseisen in tabel 11.9.2 11.11.2 die gelden voor de zone waar de grond of baggerspecie wordt toegepast Tabel 11.9.211.11.2 afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie Zones
Kwaliteitseisen (voor standaardbodem)
Wonen
Maximaal 56 mg/kg droge stof nikkel
DD Artikel 11.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.10 11.12 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen van baggerspecie 1.
Met het oog op het beschermen van het milieu wordt in aanvulling op artikel 4.1278, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, alleen baggerspecie toegepast als deze voldoet aan de kwaliteitseisen als bepaald in tabel 11.10.1 11.12.1 . Tabel 11.10.111.12.1 afwijkende kwaliteitseisen voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie
2.
Zones
Kwaliteitseisen (voor standaardbodem)
Alle zones
Maximaal 200 mg/kg droge stof chloride
Het eerste lid is niet van toepassing als de baggerspecie wordt verspreid op een naastgelegen perceel of op percelen die reeds belast zijn met chloride in gehalten boven de kwaliteitseis. Dit dient middels een (water)bodemonderzoek of beheerplan te zijn aangetoond.
EE Artikel 11.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.11 11.13 GERESERVEERD [Gereserveerd] FF Het opschrift van artikel 11.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
35
Artikel 11.12 11.14 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor wegbermen buiten bebouwde kom GG Artikel 11.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.13 11.15 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor bedrijventerreinen Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: a. afkomstig is uit het 'bodembeheergebied grond en baggerspecie' en toegepast wordt op een bedrijventerreinen bedrijventerrein met een oppervlakte groter dan 2 hectare; en b. de grond of baggerspecie voldoet aan de kwaliteitseisen van de kwaliteitsklassen industrie, wonen of landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d, tweede en derde lid van het Besluit bodemkwaliteit. HH Artikel 11.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.14 11.16 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie PFAS Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die voor de stoffen PFOA (perfluoroctaanzuur), PFOS (perfluoroctaansulfonaten) en overige PFAS (per- en polyfluoralkylstoffen) niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: a. voor de andere stoffen voldoet aan die kwaliteitseisen; b. afkomstig is uit en toegepast wordt binnen het gebied 'zone B PFAS zonekaart'; en c. voor de stoffen PFOA en PFOS voldoet aan de kwaliteitseisen in tabel 11.14.1 11.16.1 die gelden voor de zone waar de grond of baggerspecie wordt toegepast. Tabel 11.14.111.16.1 afwijkende kwaliteitseisen zone B Zones
Stof
Kwaliteitseisen (voor standaardbodem, uitgedrukt in mg/kg droge stof)
Landbouw/natuur
PFOA
0,0023
Landbouw/natuur
PFOS
0,0024
Moestuinen en Volkstuinen
PFOA
0,0023
Moestuinen en Volkstuinen
PFOS
0,0024
II Artikel 11.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.15 11.17 Maatwerkregel milieukwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie
36
1.
Voor zover de milieuverklaring bodemkwaliteit, als bedoeld in artikel 4.1272, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bestaat uit een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart, wordt ook met een verkennend bodemonderzoek aangetoond dat aan het eerste en tweede lid van artikel 4.1272 van dat besluit wordt voldaan.
2.
In aanvulling op het eerste lid wordt het verkennend bodemonderzoek: a. verricht overeenkomstig de onderzoeksstrategieën voor (grootschalige) onverdachte locaties, als bedoeld in NEN 5740;
b.
c.
gebaseerd op een vooronderzoek dat overeenkomstig NEN 5725 is verricht waarbij het standaard stoffenpakket is aangevuld met andere verontreinigende stoffen die op grond van historie van de te onderzoeken locatie kunnen worden verwacht; en niet gedaan naar de kwaliteit van het grondwater.
JJ Artikel 11.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.16 11.18 Maatwerkregel informatieplicht toepassen grond of baggerspecie 1.
Artikel 4.1267, tweede lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt is niet van toepassing.
2.
In aanvulling op artikel 4.1267, eerste lid, onder c d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden ook de volgende rapporten verstrekt: a. een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 11.15 11.17 als de milieuverklaring bodemkwaliteit bestaat uit een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart; b. een rapport van een bodemonderzoek als bedoeld in de milieuverklaring Regeling bodemkwaliteit, bedoeld in dat onderdeel, als de milieuverklaring bodemkwaliteit bestaat uit een verklaring op grond van een bodemonderzoek; en c. een rapport van een partijkeuring als de milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in dat onderdeel, bestaat uit een verklaring op grond van een partijkeuring.
3.
In aanvulling op artikel 4.1267 in het Besluit activiteiten leefomgeving worden extra gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt in verband met de risico's bij de toepassing van grond of baggerspecie.
KK Het opschrift van artikel 11.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.17 11.19 Toepassingsbereik toepassen van bouwstoffen LL Het opschrift van artikel 11.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.18 11.20 Oogmerken Oogmerk toepassen van bouwstoffen MM Artikel 11.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.19 11.21 Verbod toepassen van Aanwijzing vergunningplichtige gevallen AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, en metaalslakken Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in afwijking van aanvulling op paragraaf 4.123 van het Besluit activiteit activiteiten leefomgeving, verboden zonder omgevingsvergunning AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie , of metaalslakken bestaan, toe te passen. NN Na artikel 11.19 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
37
Artikel 11.22 Aanvraagvereisten vergunning AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 11.21, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de verwachte datum van het begin van de activiteit, als bedoeld in artikel 4.1258 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een planning van de werkzaamheden; c. de RD-coördinaten van de ontvangende landbodem; d. de ligging, de omvang en de dimensionering van de functionele toepassing, aangeduid in locatietekeningen en doorsneden; e. een onderbouwing van de toepassingshoogte na zetting van het werk ten opzichte van de grondwaterstand (GHG); f. de hoeveelheid AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; g. de aanduiding van de functionele toepassing, als bedoeld in artikel 4.1260 Bal, in het kader waarvan de AVI-bodemassen, grondstabilisatie, immobilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, worden toegepast; h.
een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, die de kwaliteit duidt, aangevuld met de zuurgraad, geleidbaarheid en kritische parameters van deze bouwstof; i. de schriftelijke instemming van de eigenaar van de locatie; j. het akkoord van de opdrachtgever; k. de gegevens van de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase; l. een beschrijving van de wijze waarop overlast voor de omgeving in de vorm van stofvorming wordt voorkomen en, indien de bouwstof met een toepassingseis gericht op het voorkomen van permanent in contact komen van de bouwstof met hemel-, grond- en oppervlaktewater wordt geleverd, ook de wijze waarop overlast voor de omgeving in de vorm van wateropvang als dit vrijkomt uit het materiaal wordt voorkomen; m. bij het toepassen van immobilisaten: een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de toevoeging van de bindmiddelen aan de bodem de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden; n.
bij het toepassen van immobilisaten: de hoeveelheid bindmiddelen en de exacte beschrijving en receptuur van het type immobilisaat die in totaal voor de immobilisatie of stabilisatie van de bodem zal worden toegepast; o. een beschrijving van de voorzieningen en de maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden.
Artikel 11.23 Beoordelingsregels vergunning AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 11.22, wordt alleen verleend als: a. de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de specifieke zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd; c. de toepassing verenigbaar is met het belang van: 1°. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; 2°. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 3°. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; d. bij het bepaalde onder c rekening wordt gehouden met het waterbeheerprogramma, het regionale waterprogramma, het stroomgebiedsbeheerplan en het nationale waterprogramma die betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam;
38
e. f. g. h.
i. j.
k.
de locatie van de toepassing zich niet in een waterwingebied bevindt, tenzij het de uitvoering van taken betreft door drinkwaterbedrijven als bedoeld in artikel 7 van de Drinkwaterwet; de toepassing past bij de functie van de locatie; de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte; de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan: 1°. zodanig worden toegepast dat deze vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de grondwaterstand (GHG) liggen en niet in contact komen met het grond- en oppervlaktewater; en 2°.
worden toegepast onder gesloten verharding of op vergelijkbare manier worden afgedekt zodat contact met hemelwater wordt voorkomen; indien de bouwstoffen met aanvullende toepassingseisen (zogenaamde 'wenken' voor de toepasser) worden geleverd, wordt voldaan aan de aanvullende toepassingseisen; beschreven is welke voorzieningen of maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, in de aanlegfase en in de gebruiksfase de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden; en de toepassing in de aanlegfase en in de gebruiksfase geen nadelige gevolgen heeft voor veiligheid, gezondheid en milieu, waaronder de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.
OO Het opschrift van artikel 11.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.20 11.24 Toepassingsbereik opslaan van grond en baggerspecie PP Het opschrift van artikel 11.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.21 11.25 Oogmerken opslaan van grond en baggerspecie QQ Artikel 11.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.22 11.26 Afscherming bij opslaan grond 1.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen wordt, in aanvulling op paragraaf 4.122 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij het opslaan van grond van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen en industrie: a. het depot grond afgeschermd van de omgeving, en b. indien sprake is van asbesthoudende grond: de bovenzijde van het depot met een zeil afgedekt. Er is sprake van asbesthoudende grond als meer dan 10 mg/kg droge stof asbest aanwezig is in de grond of als asbesthoudend materiaal zichtbaar aanwezig is in de partij grond.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
RR Het opschrift van artikel 11.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.23 11.27 Maatwerkregel informatieplicht: beëindigen activiteit
39
SS Artikel 11.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.24 11.28 Oogmerken graven in de bodem De regels in paragraaf 11.1.5 Graven in de bodem subparagraaf 11.1.5.2 en subparagraaf 11.1.5.3 zijn, in aanvulling op artikel 11.1 gesteld met het oog op het zuinig gebruik van energie en grondstoffen en doelmatig beheer van afvalstoffen waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu. TT Artikel 11.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.25 11.29 Toepassingsbereik graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Deze paragraaf subparagraaf is van toepassing op de activiteit 'graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit', bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3. UU Het opschrift van artikel 11.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.26 11.30 Maatwerkregel graven Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit VV Artikel 11.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.27 Maatwerkregel bodem en afval: tijdelijk uitnemen van grond 1.
Bij het terugbrengen van grond op of nabij de locatie van uitname, bedoeld in artikel 4.1222a Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de grond binnen hetzelfde werk binnen 25 meter van de herkomstlocatie en onder dezelfde omstandigheden teruggebracht. Daarbij mogen er geen aanwijzingen zijn dat de bodemkwaliteit op de locatie waar de grond wordt teruggebracht verslechtert.
2.
In afwijking van het eerste lid kan grond binnen hetzelfde werk worden ontgraven en teruggebracht op afstanden groter dan 25 meter van de herkomstlocatie als: a. de bodemkwaliteit van het gehele werkgebied bekend is via minimaal een verkennend bodemonderzoek; en b. de terug te brengen grond van vergelijkbare of betere kwaliteit is dan de kwaliteit van de terugbrenglocatie.
3.
Bij de toepassing van het tweede lid wordt rekening gehouden met humane en ecologische risico's en de toekomstige gebruiksfunctie van de locatie.
4. Toepassing van het tweede en derde lid blijkt uit een grondstromenplan. [Vervallen] WW Artikel 11.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
40
Artikel 11.28 11.31 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit 1.
Indien grond binnen hetzelfde werk wordt ontgraven en teruggebracht op afstanden groter dan 25 meter van de herkomstlocatie, wordt, in aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving, ook een verkennend bodemonderzoek en het grondstromenplan, bedoeld in artikel 11.27, verstrekt.
2.
Het verkennend bodemonderzoek wordt ook verstrekt in het bestandsformaat XML.
3.
In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden tenminste een week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag extra gegevens en bescheiden verstrekt in verband met de risico's bij het graven in de bodem.
XX Artikel 11.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.29 11.32 Toepassingsbereik graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Deze paragraaf subparagraaf is van toepassing op de activiteit 'graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit', bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3. YY Artikel 11.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.30 11.33 Maatwerkregel graven Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ook van overeenkomstige toepassing op het graven in de bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) van meer dan 0,060 mg/kg droge stof. ZZ Het opschrift van artikel 11.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.31 11.34 Maatwerkregel meldingsplicht: voor het begin van de activiteit AAA Artikel 11.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.32 11.35 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit 1.
In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden tenminste vier weken voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag extra gegevens en bescheiden verstrekt in verband met de risico's bij de het graven in de bodem.
2.
In afwijking van het eerste lid, geldt bij het tijdelijk uitnemen van grond een termijn van een week, als bedoeld in artikel 4.1226, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
BBB Artikel 11.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
41
Artikel 11.33 11.36 Oogmerken saneren van de bodem De regels in paragraaf 11.1.6 Saneren van de bodem subparagraaf 11.1.6.2 en subparagraaf 11.1.6.3 zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op: a. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem; b. het beschermen van het milieu waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu. CCC Artikel 11.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.34 11.37 Toepassingsbereik saneren Deze paragraaf subparagraaf is van toepassing op de activiteit 'saneren van de bodem'. DDD Het opschrift van artikel 11.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.35 11.38 Maatwerkregel saneringsaanpak: aanbrengen duurzaam aaneengesloten verhardingslaag EEE Artikel 11.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.36 11.39 Maatwerkregel saneringsaanpak: aanbrengen laag grond of baggerspecie Met het oog op het beschermen zuinig gebruik van de gezondheid energie en grondstoffen en het beschermen van de kwaliteit van de bodem het milieu heeft, in afwijking van artikel 4.1241, derde lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, een laag grond of baggerspecie die wordt aangebracht als afdeklaag de minimale dikte opgenomen in tabel 11.36.1 11.39.1 voor het betreffende bodemgebruik. Tabel 11.36.111.39.1 minimale dikte van de afdeklaag Minimale dikte leeflaag (in cm)
Bodemgebruik
50
Industrie- en bedrijventerreinen, groenzones industrie- en bedrijventerrein, zonneparken en wegbermen
FFF Artikel 11.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.37 11.40 Maatwerkregel saneringsaanpak: terugsaneerwaarden lood en PFOA bij verwijdering van verontreiniging Met het oog op het beschermen van de gezondheid en de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof die boven de waarde, bedoeld in artikel 11.55 11.58 was aangetroffen, niet meer voorkomt in een concentratie hoger dan de waarde opgenomen in tabel 11.37.1 11.40.1 voor de betreffende zone.
42
Tabel 11.37.111.40.1 terugsaneerwaarden bij verwijderen van verontreiniging Zone en bodemfunctieklasse/ gebruiksfunctie
Waarden stof (in mg/kg droge stof voor standaard bodem)
Lood Moes- en volkstuinen
50
Wonen
90
PFOA zone B Landbouw/natuur
0,0023
Moes- en volkstuinen
0,0023
Wonen
0,007
Industrie
0,007
PFOA zone A Landbouw/natuur
0,0019
Moes- en volkstuinen
0,0019
Wonen
0,007
Industrie
0,007
GGG Het opschrift van artikel 11.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.38 11.41 Maatwerkregel saneringsaanpak: uitdampen naar bodemgevoelig gebouw bij verwijderen van verontreiniging HHH Het opschrift van artikel 11.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.39 11.42 Maatwerkregel meldingsplicht saneren III Het opschrift van artikel 11.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.40 11.43 Maatwerkregel informatieplicht aan het begin van de activiteit saneren JJJ Artikel 11.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.41 11.44 Toepassingsbereik grondwatersaneringen Deze paragraaf subparagraaf is van toepassing op het saneren van de grondwaterbodem ter uitvoering van een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a, van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. KKK Het opschrift van artikel 11.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
43
Artikel 11.42 11.45 Maatwerkvoorschrift grondwaterverontreiniging LLL Het opschrift van artikel 11.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.43 11.46 Maatwerkregel saneringsaanpak grondwaterverontreiniging MMM Het opschrift van artikel 11.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.44 11.47 Maatwerkregel informatieplicht bij begin van de grondwaterbodemactiviteit NNN Het opschrift van artikel 11.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.45 11.48 Maatwerkregel informatieplicht bij beëindiging van de grondwaterbodemactiviteit OOO Het opschrift van artikel 11.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.46 11.49 Toepassingsbereik nazorg PPP Het opschrift van artikel 11.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.47 11.50 Nazorg na afloop van saneren van de bodem QQQ Het opschrift van artikel 11.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.48 11.51 Nazorg tijdelijke beschermingsmaatregelen bij toevalsvondst RRR Het opschrift van artikel 11.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.49 11.52 Toepassingsbereik historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico SSS
44
Het opschrift van artikel 11.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.50 11.53 Oogmerken historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico TTT Artikel 11.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.51 11.54 Mitigerende maatregelen historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico 1.
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.49 11.52 verricht, neemt in het belang van de bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.
2.
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.49 11.52 verricht, neemt in het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen maatregelen om verdere verontreiniging van het grondwater, al dan niet indirect vanuit de vaste bodem, te voorkomen of te beperken, of als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.
UUU Het opschrift van artikel 11.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.52 11.55 Toepassingsbereik bouwen van een bodemgevoelig gebouw VVV Het opschrift van artikel 11.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.53 11.56 Oogmerken bouwen van een bodemgevoelig gebouw WWW Het opschrift van artikel 11.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.54 11.57 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een bodemgevoelig gebouw XXX Artikel 11.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.55 11.58 Waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie 1.
45
Voor de stoffen, bedoeld in bijlage XIIIa van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gelden de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, als de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
2.
Er is sprake van een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
3.
In afwijking van het tweede lid is het zinsdeel "in meer dan 25 m3 bodemvolume" niet van toepassing op de stof asbest.
4.
In afwijking van het eerste lid zijn voor lood de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opgenomen in tabel 11.55.1 11.58.1 .
5.
In afwijking van het eerste lid zijn voor PFOA de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opgenomen in tabel 11.55.1 11.58.1 . Tabel 11.55.111.58.1 waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood en PFOA per gebruiksfunctie Gebruiksfunctie (in de zin van de bodemfunctiekaart en bodemfunctieklassen)
Gebruiksfunctie Waarden (in mg/kg droge stof)
Lood Landbouw/natuur
370
Wonen
370
PFOA (perfluoroctaanzuur) Landbouw/natuur
0,030
Wonen
0,030
Industrie
0,030
YYY Het opschrift van artikel 11.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.56 11.59 Maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie ZZZ Het opschrift van artikel 11.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.57 11.60 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een bodemgevoelig gebouw AAAA Het opschrift van artikel 11.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: