CConstaterende datSliedrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

211119_Bijlage 4_Programmaruimte actualisering 2016_ANTW_TECH.VR_Pauw_PRO Sliedrecht_Sliedrecht Buiten.pdf

Oordeelsvormend - Gemeenteraad Sliedrecht 23 november 2021, gemeente SliedrechtBij agendapunt: 11: FYS – Ruimtelijk en financieel kader Sliedrecht Buiten37.001 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Operationeel doel

De cultuurhistorische kwaliteiten behouden, beschermen en beleefbaar houden en maken

Realisatiemix

Verordening ruimte, o.a. via de beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit Uitvoeringsprogramma Groen Gebiedsprofielen Ruimtelijke Kwaliteit Beleidsvisie Cultureel Erfgoed en Uitvoeringsprogramma Erfgoedlijnen

Cultureel erfgoed is een belangrijke factor voor de kwaliteit van het cultuurlandschap. De cultuurhistorie kan een belangrijke toegevoegde waarde zijn voor de belevings- en gebruikskwaliteit van de groene ruimte. De provincie staat voor de opgave om de cultuurhistorische waarden in het landschap te behouden en ervoor te zorgen dat deze bijdragen aan de belevings- en gebruikskwaliteit. Daarbij gaat het om de waarden die zijn opgenomen in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS). In de Beleidsvisie Cultureel Erfgoed 2013-2016 geeft de provincie haar ambitie aan voor het cultureel erfgoed. Het provinciaal erfgoedbeleid richt zich op twee sporen: •

beschermen via het planologisch spoor (via de Verordening ruimte),

•

beleven en benutten via het ontwikkelspoor.

De inzet is om middelen vanuit groen en erfgoed waar mogelijk te bundelen bij de uitvoering van de Beleidsvisie Groen en de Beleidsvisie Cultureel Erfgoed. De nadruk bij de inzet van de erfgoedmiddelen ligt op de gewenste ontwikkelingen in de erfgoedlijnen. Molens in het landelijk gebied

Operationeel doel

De windvang en het zicht op de molens in het landelijk gebied voldoende behouden

Realisatiemix

Verordening ruimte Beleidsvisie Cultureel Erfgoed Uitvoeringsprogramma Erfgoedlijnen

De provincie maakt onderscheid tussen traditionele windmolens in stedelijk en landelijk gebied. In het landelijk gebied geldt voor monumentale windmolens een molenbiotoop. Deze is in de Verordening 63

ruimte vastgelegd. Op deze wijze is voldoende vrije windvang geborgd en wordt recht gedaan aan de kenmerken en waarden van de windmolen in relatie tot zijn omgeving (de ruimtelijke kwaliteit). Dankzij de molenbiotoop kan de molen blijven draaien en blijft de bouwkundige (functionele) staat behouden. Molens in het stedelijk gebied

Operationeel doel

De windvang voor molens in het stedelijk gebied voldoende behouden

Realisatiemix

Verordening ruimte Beleidsvisie Cultureel Erfgoed en Uitvoeringsprogramma Erfgoedlijnen Bestuurlijke afspraken

In het stedelijk gebied is het moeilijker om de vrije windvang en het zicht op de molen te garanderen. Dit met name vanuit het oogpunt van de vele andere belangen die hier een rol spelen. Voor molenbiotopen binnen bestaand stads- en dorpsgebied is daarom de zogenaamde 1:30 regel van toepassing, terwijl voor molenbiotopen buiten bestaand stads- en dorpsgebied de zogenaamde1:100 regel van toepassing is. De 1:30 regel houdt in dat per 30 meter de toegestane hoogte met 1 meter toeneemt. De 1:100 regel houdt in dat per 100 meter afstand de toegestane hoogte voor bebouwing en beplanting met 1 meter toeneemt. Landgoed- en kasteelbiotoop

Operationeel doel

Nieuwe ontwikkelingen binnen de biotoop van de afzonderlijke landgoederen en kastelen, moeten de waarden van de landgoed- en kasteelbiotoop beschermen en waar mogelijk versterken.

Realisatiemix

Verordening ruimte Beleidsvisie Cultureel Erfgoed en Uitvoeringsprogramma Erfgoedlijnen

Het provinciaal beleid is gericht op de bescherming en versterking van de historische landgoederen en de ontsluiting voor een breed publiek. De provincie wil de waarden van de historische landgoederen en kastelen integraal meewegen in ruimtelijke ordenings- en ontwikkelingsprocessen. De ‘landgoeden kasteelbiotoop’ heeft betrekking op de bescherming van de historische buitenplaats of het kasteel en de kasteellocatie Nieuwe Hollandse Waterlinie

Operationeel doel

Het behouden en versterken van de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie

Realisatiemix

Verordening ruimte Gebiedsprofielen Ruimtelijke Kwaliteit

De Nieuwe Hollandse Waterlinie is een voormalige verdedigingslinie, opgenomen op de voorlopige lijst van Werelderfgoed van de Unesco, waarbij water werd gebruikt als verdedigingswapen. Slechts een klein deel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie ligt in Zuid-Holland. De provincie vindt het belangrijk dat de betrokken gemeenten de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie behouden en versterken door ze op te nemen in bestemmingsplannen. In overleg met de regio en de gemeenten zijn de kernkwaliteiten als handreiking uitgewerkt in het Gebiedsprofiel Ruimtelijke Kwaliteit voor de Alblasserwaard/Vijfheerenlanden.

64

Unesco Werelderfgoedcomplex Kinderdijk

Operationeel doel

Het behouden en versterken van de kernkwaliteiten van Unesco Werelderfgoedcomplex Kinderdijk

Realisatiemix

Verordening ruimte Gebiedsprofielen Ruimtelijke Kwaliteit Beleidsvisie Cultureel Erfgoed en Uitvoeringsprogramma Erfgoedlijnen Gebiedsvisie Kinderdijk

De molens, boezems en gemalen van Kinderdijk zijn van grote betekenis. Het ensemble van negentien molens, twee lage boezems en twee hoge boezems vormen een icoon van het vernuft van het Nederlandse waterbeheer door de eeuwen heen. De provincie vindt het belangrijk dat de betrokken gemeenten de kernkwaliteiten van het werelderfgoedcomplex Kinderdijk behouden en versterken door ze op te nemen in bestemmingsplannen. In overleg met de regio en de gemeenten zijn de kernkwaliteiten uitgewerkt in het Gebiedsprofiel Ruimtelijke Kwaliteit voor de Alblasserwaard/Vijfheerenlanden. Het gaat hierbij vooral om het behouden en versterken van de zichtlijnen van en naar het complex Kinderdijk, door de openheid van het gebied te bewaren en de samenhang tussen alle onderdelen van het ensemble in stand te houden. Daarnaast ligt er een ontwikkelopgave om een verbinding te leggen tussen historisch en hedendaags waterbeheer, door het watersysteem zichtbaar en begrijpelijk te maken. Ook ligt er een opgave om bezoekers een rijke ervaring van dit bijzondere erfgoed te bieden, alsmede om de bereikbaarheid en voorzieningen voor bezoekers te verbeteren. 3.6 Stad en land beter verbonden Recreatie rond het stedelijk gebied

Operationeel doel

Het realiseren van voldoende recreatiemogelijkheden rond het stedelijk gebied door het afronden van Recreatie om de Stad en overige groenprojecten rond de stad

Realisatiemix

Uitvoeringsprogramma Groen

De provincie heeft met de gebiedspartners afspraken gemaakt over de realisatie van het projectenpakket Recreatie om de Stad (RodS). De RodS-projecten zijn al ver in de uitvoering. Ze moeten in 2016 klaar zijn. Op dit moment bereidt de provincie nieuwe projecten voor. Deze projecten zijn opgenomen in het Uitvoeringsprogramma Groen. Naast het projectenpakket RodS realiseert de provincie samen met partners 750 hectare groen rond Rotterdam (Project Mainportontwikkeling Rotterdam, waaronder 600 hectare in het Buijtenland van Rhoon) en de kwaliteitsprojecten groen in het kader van de Integrale Ontwikkeling Delft-Schiedam (IODS, waaronder 100 hectare nieuwe natuur en nieuwe recreatieve verbindingen). Op grond van het Advies Veerman (die een inhoud en aanpak met meer draagvlak heeft voorgesteld) zal de 600 ha groen in het Buijtenland van Rhoon middels een programmatische aanpak en in nauwe samenwerking met de partijen uit het gebied worden ingevuld. Landbouw, natuur en recreatie zullen in harmonie binnen het bestaande cultuurlandschap worden ontwikkeld. Ruimtelijk is het gebied globaal in tweeën te delen: ten noorden van de Essendijk zal het accent op recreatie liggen, ten zuiden van de Essendijk op natuur en natuurbeleving. In het hele gebied is er ruimte voor combinaties met aangepaste agrarische bedrijvigheid.

Met het faciliteren van dit advies door de provincie is het voor het Rijk mogelijk om uitvoering te geven aan dit deel van de afspraken die zijn gemaakt rond de aanleg van de Tweede Maasvlakte. Indien nodig zal het vigerende bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon in een herziening worden aangepast. Ook realiseert de provincie een aanvullend pakket voor kwaliteitsverbetering van groengebieden rond de stad (Versnellingsprojecten Groen). Tot de belangrijke recreatieve landschappen behoren de groene buffers. Daarnaast zijn er recreatiegebieden die door hun maat, schaal, ligging en recreatieve gebruikswaarde als belangrijk recreatief landschap geduid kunnen worden. Voorbeelden zijn het complex van Bieslandse Bos en 65

Balij, de Rottemeren, het Bentwoud en de Brielse Maas. Met de realisatie van deze projecten en de projecten uit het herijkte projectenpakket RodS is er voldoende aanbod aan recreatief groen rond het stedelijk netwerk. Binnen de projecten worden veelal ook doelen voor water gerealiseerd. Recreatieve poorten en de Toeristische Overstap Punten

Operationeel doel

Versterken van het toeristische en recreatieve netwerk door het realiseren van recreatieve poorten en de Toeristische Overstap Punten

Realisatiemix

Uitvoeringsprogramma Groen

Recreatieve poorten en Toeristische Overstap Punten (TOP’s) dragen bij aan de verbeterde ontsluiting van het landelijk gebied voor wandelen, fietsen en varen. De afgelopen jaren zijn vooral TOP’s ontwikkeld in de veenweidegebieden. De komende jaren wil de provincie in de overige gebieden TOP’s (laten) ontwikkelen, zodat er een provinciebreed netwerk ontstaat. Recreatietoervaartnet

Operationeel doel

Het oplossen van knelpunten in het recreatietoervaartnet

Realisatiemix

Uitvoeringsprogramma Groen

De provincie Zuid-Holland is de meest waterrijke provincie van Nederland. Jaarlijks varen hier gemiddeld 150.000 recreatievaartuigen. Een goed functionerend netwerk van recreatieve vaarwegen is van groot economisch belang. Voor een deel van de Zuid-Hollandse vaarwegen heeft de provincie de verantwoordelijkheid voor onderhoud en beheer. Dit is op basis van de Waterwet in de nieuwe provinciale Vaarwegverordening geregeld en betreft de vaarwegen uit het Basis Recreatie Toervaart Netwerk (BRTN). Het Zuid-Hollandse netwerk van vaarwegen met recreatief belang is uitgebreider dan alleen het BRTN. De verantwoordelijkheid voor ontwikkeling, onderhoud en beheer van deze andere vaarwegen ligt bij de waterschappen en gemeenten. Er wordt onderscheid gemaakt wordt in 3 categorieën recreatieve vaarwegen, te weten: 1. Recreatieve vaarwegen die deel uitmaken van het BRTN-netwerk: aan deze vaarwegen wordt in de provinciale Vaarwegverordening op basis van de Waterwet een functie toegekend en regelt de provincie ontwikkeling, onderhoud en beheer; 2. Recreatieve vaarwegen buiten het BRTN netwerk, van belang voor de recreatievaart in ZuidHolland, niet behorend tot categorie III. De bevaarbaarheid van deze vaarwegen wordt vastgelegd in de Verordening ruimte. Waterschappen en gemeenten zijn verantwoordelijk voor ontwikkeling, onderhoud en beheer van deze vaarwegen; 3.

Recreatieve vaarwegen van lokaal belang zoals stadswateren, poldersloten en boezemwateren. Ontwikkeling, onderhoud en beheer van dit deel van het netwerk valt onder de verantwoordelijkheid van de lokale partijen. In de Verordening ruimte is opgenomen dat nieuwe activiteiten in en om deze recreatieve vaarwegen (uit categorie II) niet mogen leiden tot achteruitgang van de bestaanbare recreatieve bevaarbaarheid. Voor ingrepen van zwaarwegend maatschappelijk belang kan via een ontheffingsclausule een uitzondering worden gemaakt. Er worden in de nieuwe regeling geen hoogte/breedte/dieptematen maten voor de recreatieve vaarwegen opgenomen. Er wordt als uitgangspunt voor de ruimtelijke bescherming de “huidige bevaarbaarheid” gehanteerd (deze moet minstens gelijk blijven) omdat ieder type vaarweg afhankelijk van het soort recreatieve gebruik zijn eigen eisen aan afmetingen stelt en de verantwoordelijkheid voor ontwikkeling, beheer en onderhoud, bij andere overheden ligt.

66

Fietsinfrastructuur

Operationeel doel

Aanleggen van ontbrekende schakels fietsinfrastructuur en beter benutten van bestaande fietsinfrastructuur

Realisatiemix

Uitvoeringsprogramma Fiets

In het Uitvoeringsprogramma Fiets is opgenomen dat tussen 2012 en 2016 veertig stadlandverbindingen aangepakt worden. Bij de fietsprojecten is nadrukkelijk aandacht voor ruimtelijke kwaliteit. Bij de voorbereiding wordt gezocht naar een route die optimaal ingepast kan worden in het landschap. Verder wordt gekeken naar een goede aanhaking op het stedelijk fietsnetwerk. De inzet is de komende jaren daarnaast gericht op routes met een ‘snelfietskarakter’. Een completering en opwaardering van dit netwerk, van kern tot kern, is noodzakelijk om de fiets als alternatieve vervoerswijze te kunnen faciliteren. Wandelnetwerk

Operationeel doel

Realiseren van een provinciebreed wandelnetwerk

Realisatiemix

Uitvoeringsprogramma Groen

Voor wandelaars wil de provincie de komende jaren samen met gebiedspartijen het provinciaal wandelroutenetwerk realiseren. Op deze manier ontstaat een provinciedekkend netwerk met nieuwe verbindingen en bewegwijzering. Noordrand Goeree

Operationeel doel

Ontwikkelen van 75 ha natuur en recreatie inclusief ontwikkeling van 40 woningen (Nieuwe Marke)

Realisatiemix

Woonvisie, IRP Goeree-Overflakkee

In de Noordrand van Goeree-Overflakkee wordt een bijzonder woonmilieu gerealiseerd. Het gaat om 40 woningen (geen recreatiewoningen). De woningen worden gebouwd op een terp aan de dijk van het Haringvliet, waarbij de rest van de Eerste Bekading als natuur wordt ontwikkeld. De gronden voor de terp komen uit het door het waterschap Hollandse Delta aan te leggen zoetwaterkanaal. Het kanaal is een van de compenserende maatregelen kierbesluit Haringvliet (CMK). De aan te leggen 75 ha natuur sluit aan en is vergelijkbaar met de buitendijkse natuur aan het Haringvliet. Deze natuurontwikkeling zal voor publiek toegankelijk zijn en wordt gefinancierd uit de woningbouwontwikkeling.

67

4 Strategie voor water, bodem en energie 4.1 Inleiding

Vanuit de ambitie om Zuid-Holland een duurzame, concurrerende en leefbare Europese topregio te laten zijn, streeft de provincie naar groei met een duurzaam karakter, die gebaseerd is op de aanwending van hernieuwbare grondstoffen, energie efficiency en zuinig ruimtegebruik In samenhang met de water- en energie opgave wil de provincie de kansen en natuurlijke kwaliteiten van bodem en ondergrond meer en duurzamer benutten, bij ruimtelijke keuzen, planvorming en/of gebiedsprocessen. Strategische doelen •

Duurzame bescherming van Zuid-Holland tegen overstroming, door primaire inzet op preventie, in combinatie met een gebiedsgerichte, kwalitatief hoogwaardige en waterrobuuste ruimtelijke inrichting en goede rampenbeheersing.

•

Grond- en oppervlaktewater van goede ecologische en chemische kwaliteit, dat structureel in de behoeften van alle gebruikers kan blijven voorzien, en verbetering van de bodemkwaliteit afgestemd op de gebruiksfunctie.

•

Duurzame zoetwatervoorziening uit grond- en oppervlaktewater voor maatschappelijke en economische benutting, met inzet op een gedeelde verantwoordelijkheid van overheid/ aanbieders en gebruikers.

•

Betere benutting van bodem en ondergrond voor energietransitie en andere maatschappelijke en economische doelen.

•

Transitie naar een energie-efficiënte samenleving, waarbij op termijn grotendeels duurzaam en CO2-neutraal kan worden voorzien in de energiebehoefte.

Genoemde strategische doelen worden in dit programma nader geconcretiseerd in onderstaande operationele doelen. 4.2 Water: versterking van de samenhang in veiligheid, identiteit en kwaliteit Primaire waterkeringen (en compartimenteringskeringen)

Operationeel doel

Waterveiligheid realiseren door middel van primaire waterkeringen (en compartimenteringskeringen)

Realisatiemix

Onderzoek naar de rol van compartimenterende dijken en de ruimtelijke kwaliteit van dijken

Het Rijk is de kadersteller voor de primaire keringen (rivierdijken, zeekeringen en duinen) en de waterschappen voeren het beheer en onderhoud van de waterkeringen uit. Primaire keringen beschermen tegen overstromingen vanuit de zee en de grote rivieren. Uitgangspunt is een basisveiligheidsniveau voor gebieden, dat wordt vertaald in normen voor delen van dijkringen. Vooral de combinatie met compartimenteringskeringen binnen een dijkring kan een effectieve manier zijn om gevolgen van een eventuele overstroming te beperken. Aanvullend op dijkversterking kunnen ook meerlaagse maatregelen de waterveiligheid vergroten, waaronder maatregelen voor waterrobuust inrichten (zie beperking overstromingsrisico's) De provincie onderzoekt de invloed van bestaande compartimenterende keringen op de potentiële gevolgen van overstromingen. Ook zal de provincie de ruimtelijke kwaliteit van dijken (als structurerend element in het landschap) onderzoeken. Voor de vertaling van de voorkeursstrategieën die binnen het Deltaprogramma zijn ontwikkeld, voorziet de provincie nadere uitwerkingen in integrale gebiedsvisies of -plannen. Dit geldt in ieder geval voor het Eiland van Dordrecht, de Albasserwaard-Vijheerenlanden (met de Merwedes) en de Krimpenerwaard (met de Hollandsche IJssel en de Lek).

68

Regionale keringen

Operationeel doel

Waterveiligheid realiseren door middel van regionale keringen

Realisatiemix

Verordening ruimte Afzonderlijke waterverordeningen per waterschap

De provincie is de kadersteller voor de regionale keringen en de waterschappen voeren het beheer en onderhoud uit. Het gewenste beschermingsniveau van de genormeerde regionale keringen is vastgelegd in de afzonderlijke waterverordeningen per waterschap. In de Verordening ruimte is opgenomen dat gemeenten verplicht zijn om de zones, die bij een regionale kering horen, vast te leggen in hun bestemmingsplannen. De provincie legt na overleg met de waterschappen afspraken over de uitvoering van verbeteringsmaatregelen vast in een uitvoeringsbesluit. De provincie wil samen met de waterschappen en andere provincies verkennen op welke wijze de afzonderlijke normstelsels voor regionale keringen en wateroverlast kunnen worden geïntegreerd waarbij het uitgangspunt is dat meer doelgericht en gebiedsgericht wordt gewerkt. Ontwikkelingen in buitendijkse gebieden

Operationeel doel

Risico’s minimaliseren bij nieuwe ontwikkelingen in buitendijkse gebieden

Realisatiemix

Verordening ruimte Instrument RisicoApplicatieBuitendijks

In buitendijkse gebieden langs de grote rivieren neemt de druk op de ruimte toe. De provincie ziet het als haar rol om te zorgen dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden, ook gezien de klimaatverandering, een goede afweging maken van de hoogwaterrisico’s. In de Verordening ruimte wordt aan gemeenten gevraagd bij nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen in buitendijkse gebieden een inschatting te maken van het slachtofferrisico bij overstromingen en te verantwoorden hoe zij daarmee zijn omgegaan. Gemeenten kunnen de RisicoApplicatieBuitendijks (RAB) gebruiken, een instrument dat de provincie hiervoor heeft ontwikkeld. Het staat gemeenten vrij om ook de risico`s op functie-uitval, economische schade en milieuschade in beeld te brengen. Beperken overstromingsrisico’s

Operationeel doel

Beperken overstromingsrisico’s in binnendijkse gebieden, door waterrobuust (her)inrichten

Realisatiemix

Nadere beleidsuitwerking, waaronder het aanwijzen van aandachtsgebieden overstromingsrisico’s

De provincie zal in overleg met alle betrokken partijen ‘aandachtsgebieden overstromingsrisico’s’ aanwijzen. De provincie wil dat de mogelijkheden van waterrobuust inrichten hier expliciet worden meegewogen bij ruimtelijke (her)ontwikkeling, aanvullend op landelijk regelgeving. Aandachtsgebieden kunnen om twee redenen worden aangewezen: ten eerste om nieuwe waterveiligheidsopgaven in de toekomst te voorkomen, en ten tweede om de gevolgschade bij een eventuele overstroming te beperken. Het voorkómen van nieuwe waterveiligheidsopgaven is van belang in gebieden waar de mogelijkheden voor een nieuwe ronde van dijkverbeteringen beperkt zijn. Toekomstige dijkverzwaringen kunnen tegen grenzen aanlopen vanwege ruimtegebrek, technische of andere belemmeringen en aanwezige gebiedskwaliteiten. In deze situaties is het beter om een toename van het risico zoveel mogelijk te beperken door een waterrobuuste inrichting. De provincie inventariseert ook in welke gebieden de gevolgschade van een eventuele overstroming onaanvaardbaar hoog is.

69

Risico op wateroverlast minimaliseren

Operationeel doel

Risico op wateroverlast minimaliseren door te voldoen aan de normen die hiervoor gelden

Realisatiemix

Afzonderlijke waterverordeningen per waterschap

Wateroverlast vanuit het oppervlaktewatersysteem kan leiden tot overlast en schade aan functies en eigendommen. Het garanderen van een bepaald beschermingsniveau is voor bewoners en bedrijven een belangrijke economische vestigingsfactor. De provincie stelt het beschermingsniveau vast in normen. Een groot deel van Zuid-Holland voldoet aan deze normen. Deze normen zijn gedifferentieerd naar gebruiksfunctie en vastgelegd in de waterverordening Zuid-Holland. Maar er zijn knelpunten. In sommige stedelijke gebieden en glastuinbouwgebieden staan de mogelijkheden om water af te voeren of te bergen nu al onder grote druk. Dit zal in de toekomst toenemen door verdere verdichting en de effecten van klimaatverandering. De provincie zet hier in op alternatieve vormen om water af te voeren en te bergen. Ook in de natste, laagste gedeelten van de veenweidegebieden is het soms lastig om extra neerslag te bergen. De relatief beperkte schade die hier optreedt, staat in de regel in geen verhouding tot de hoge kosten om het te voorkomen. De provincie wil flexibeler, integraler en innovatiever om kunnen gaan met de aanpak van de wateroverlast. Een aanpassing van het normstelsel moet het mogelijk maken om meer doelgericht en gebiedsgericht te gaan werken. Samen met de waterschappen en de buurprovincies wordt dit nader uitgewerkt.

In het kader van de wateragenda zijn voorstellen uitgewerkt om voor specifieke gevallen gebiedsnormen mogelijk te maken, die vaak onder de categorie innovatief geschaard kunnen worden en kunnen afwijken van de generieke norm. Daaraan ligt een gebiedsproces ten grondslag waarbij publieke en private partijen betrokken worden. Het initiatief voor zo een gebiedsproces ligt bij de waterschappen. De provincie wil actief meedenken. Verbeteren waterkwaliteit en onderzoeken energieopwekking

Operationeel doel

De waterkwaliteit verbeteren en de mogelijkheden van innovatieve energieopwekking onderzoeken door een getijdencentrale in de Brouwersdam te realiseren

Realisatiemix

Onderzoek naar de mogelijkheden voor een getijdencentrale in de Brouwersdam

De waterkwaliteit en de ecologische kwaliteit van de Grevelingen kunnen sterk verbeterd worden door de getijdenwerking terug te brengen. Het getij kan daarnaast duurzame energie leveren. De provincie onderzoekt samen met de provincie Zeeland, het Rijk en private partijen de mogelijkheid voor een getijdencentrale in de Brouwersdam. Voorzieningenniveau zoet water

Operationeel doel

Duidelijkheid verschaffen aan gebruikers van zoet water door het voorzieningenniveau vast te leggen

Realisatiemix

Afspraken met partijen over voorzieningenniveau voor zoetwater

Binnen de context van de landelijke Deltabeslissing Zoetwater zal de provincie samen met de betrokken partijen het voorzieningenniveau bepalen. Dat is een middel om aan te geven wat de gebruikers van zoet water in een bepaalde regio kunnen verwachten van de overheid, zowel onder normale omstandigheden als in droge jaren. Als een gebruiker hogere eisen stelt aan de waterkwaliteit of de leveringszekerheid, kan hij hier zelf voor zorgen en/of zijn investeringen hierop afstemmen. Het voorzieningenniveau maakt transparant wat de verschillende gebruikers in verschillende gebieden onder normale omstandigheden aan zoet water kunnen verwachten van de overheid en dat er grenzen zijn aan wat geleverd kan worden.

70

Strategische grondwatervoorraad

Operationeel doel

Reserveren gebieden voor strategische grondwatervoorraad

Realisatiemix

Provinciale Milieuverordening

Om de drinkwatervoorziening op langere termijn te kunnen blijven garanderen, wijst de provincie een aantal gebieden aan als strategische zoetgrondwatervoorraad. Het grondwater in deze gebieden wordt gereserveerd voor de toekomstige drinkwatervoorziening. Gebieden zijn indicatief aangegeven en bevinden zich aan de weerszijden van de Lek en delen van de Vijfheerenlanden, Alblasserwaard en het eiland van Dordrecht. Hierbij is aansluiting gezocht bij de al bestaande winningen. De reservering heeft tot gevolg dat in deze gebieden een aantal functies en ontwikkelingen worden uitgesloten en dat zorgvuldig met overige functies moet worden omgegaan die een nadelige invloed hebben op de kwaliteit van het grondwater en een risico vormen voor de drinkwatervoorziening. Exacte uitwerking van het beschermingsniveau voor deze gebieden vindt plaats bij de herziening van de Provinciale Milieuverordening (PMV). De bron voor de duinwaterwinning is buiten Zuid-Holland gelegen in de Afgedamde Maas. Voor de bescherming van deze bron is het van belang dat er afstemming is met provincies Gelderland en Brabant Duurzame gietwatervoorziening in greenports

Operationeel doel

Duurzame gietwatervoorziening in greenports realiseren door hier in principe het eerste watervoerend pakket voor te reserveren

Realisatiemix

Afspraken over reserveren eerste watervoerend pakket in greenports

De overheid blijft zich inspannen om de greenports te voorzien van voldoende zoet water, maar kan geen garanties geven. De sector zal zelf op tijd met besparingen en innovaties moeten anticiperen op (eventuele) situaties van minder zoet water in de toekomst. Vanwege het belang van een duurzame gietwatervoorziening in de greenports, heeft ondergrondse opslag in het eerste watervoerend pakket daar prioriteit boven andere gebruiksvormen in dit deel van de ondergrond. Van deze prioritering kan worden afgeweken als in een door de gemeente vastgesteld plan een integrale afweging heeft plaatsgevonden van ondergrondse en bovengrondse belangen en in dat plan ruimte wordt gecreëerd voor een andere functie in het eerste watervoerend pakket, bijvoorbeeld warmte-koudeopslag). De provincie wil dat gemeenten met intensieve glastuinbouw in bestemmingsplannen voldoende ruimte reserveren voor ondergrondse opslag in het eerste watervoerend pakket. Als hulpmiddel heeft de provincie een ‘kansenkaart ondergrondse hemelwaterberging’ gemaakt voor zes concentratiegebieden in de greenports. 4.3 Bodem en ondergrond: benutten en beschermen in afstemming met ruimtelijke ontwikkeling

De begrippen bodem en ondergrond worden in de praktijk verschillend en door elkaar gebruikt, waardoor er een verschil in interpretatie kan ontstaan over de reikwijdte van onderdelen van de beleidsvisie. Wij zien de ondergrond als het deel van de aarde vanaf het maaiveld tot grote diepte waarbij de bodem dat gedeelte van de ondergrond is waarin zich de bodemvormende processen afspelen. Het begrip ondergrond omvat tevens de ondergrondse ruimte. Het begrip ondergrond omvat tevens de ondergrondse ruimte.

71

Efficiënt en effectief gebruik van de ondergrond

Operationeel doel

Efficiënt en effectief gebruik van de ondergrond door verbetering en bundeling van kabels en leidingen

Realisatiemix

Afspraken met gebruikers van de ondergrond

De provincie streeft naar een betere bundeling van ondergrondse kabels en leidingen primair op regionaal niveau, waarbij afstemming plaatsvindt met bovengrondse structuren zoals wegen en spoorwegen. De drukte in de ondiepe ondergrond manifesteert zich in een wirwar van kabels en leidingen. Bij bouwwerkzaamheden worden regelmatig hoge kosten gemaakt voor het tijdelijk omleggen van deze kabels en leidingen. Bovendien wordt voor een nieuwe toepassing vaak een eigen nieuw netwerk aangelegd en is voor de directe omgeving rond de tracés sprake van beperkingen en belemmeringen in het gebruik. Om hier meer structuur in aan te brengen, wil de provincie afspraken maken met de gebruikers van de ondergrond over afstemming van gebruik en informatie-uitwisseling. Het ontwikkelen van een (boven)regionaal leidingnet behoort tot de mogelijkheden. Hierbij moet rekening worden gehouden met archeologische waarden. Natuurlijke hulpbronnen

Operationeel doel

Verantwoord omgaan met natuurlijke hulpbronnen door een integrale afweging te maken bij de winning van fossiele brandstoffen

Realisatiemix

Overleg en afspraken met het Rijk Toepassen Bodemladder Advisering Mijnbouwwet

De provincie wil een bijdrage leveren aan de transitie naar duurzame energie. De provincie wil dat bij besluitvorming over winning van fossiele brandstoffen deze transitiegedachte meegenomen wordt. Bovendien is het van belang dat bij de keuzes voor nieuwe winlocaties, de regionale (ruimtelijke) belangen worden meegewogen. De provincie is geen voorstander van het boren naar schaliegas en is kritisch ten aanzien van de winning van andere nieuwe vormen van fossiele energie, vanwege mogelijke milieueffecten op korte en lange termijn. De provincie zal in een later stadium een standpunt bepalen over deze nieuwe vormen van fossiele energie. Dat doet zij mede op basis van onderzoeksresultaten bij proefprojecten. Dit standpunt zal worden bepaald met toepassing van de Bodemladder, waarbij nut en noodzaak van de winning prominenter dan voorheen aan de orde zullen komen, en het instrumentarium voor ruimtelijke kwaliteit. De provincie streeft ernaar dat decentrale ruimtelijke belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over vergunningsaanvragen op grond van de Mijnbouwwet. In IPO-verband wil de provincie afspraken maken met het Rijk over de winning van fossiele brandstoffen. Duurzaam gebruik van de ondergrond

Operationeel doel

Duurzaam gebruik van de ondergrond door het afwegen van bodembelangen via het toepassen van de bodemtoets en de Bodemladder als procesinstrumenten bij ruimtelijke planvorming en gebiedsontwikkeling

Realisatiemix

Uitwerking bodemladder in overleg met betrokkenen Staat van Zuid-Holland: Bodematlas

De provincie onderzoekt de introductie van een instrumentarium om de bodem op een transparante en betrouwbare wijze bij beleidskeuzes te betrekken (vergelijkbaar met de watertoets). Wij streven daarbij naar een balans tussen het benutten en het beschermen van de kwaliteiten van bodem en ondergrond. Een mogelijk instrument om die balans te vinden, is de bodemtoets en daarbinnen de Bodemladder. De terminologie van de bodemtoets is inmiddels in de praktijk vervangen door de ondergrondwijzer. De ondergrondwijzer is bedoeld als een instrument dat de kwaliteiten van bodem en ondergrond expliciet en op evenwichtige wijze meeneemt bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is een procesinstrument waarmee de partners in het proces met elkaar de belangen van bodem en ondergrond in een zo vroeg mogelijk stadium in beeld brengen en meewegen. Als 72

handreiking voor het uitvoeren van de ondergrondwijzer heeft de provincie de Bodemladder ontwikkeld. De ondergrondwijzer en de Bodemladder zijn nieuwe instrumenten die door concrete toepassingen verder kunnen worden uitgewerkt. Het is van belang dat ervaringen met concrete toepassingen worden uitgewisseld. De benodigde (regionale) informatie over bodem en ondergrond wordt opgenomen in de Bodematlas, als onderdeel van de Staat van Zuid-Holland. Om de balans te kunnen bepalen tussen benutten en beschermen, kan aansluiting worden gezocht bij bestaande handreikingen en methoden.

73

Voor het maken van keuzes rond het gebruik van bodem en ondergrond, introduceert de provincie een handelingsperspectief en afwegingssystematiek in de vorm van de Bodemladder. In deze ladder staan twee benaderingen centraal. Enerzijds is het de primaire voorkeur dat het gebruik hernieuwbaar is, als dat niet mogelijk is omkeerbaar en in laatste instantie beheersbaar. Anderzijds moet het gebruik in alle gevallen aanvaardbaar zijn. De Bodemladder wordt toegepast bij het maken van afwegingen voor het gebruik van de bodem en de ondergrond bij gebiedsopgaven en wanneer zich conflicterende functies/claims op de bodem aandienen. De onderdelen van de Bodemladder worden hieronder toegelicht. Hernieuwbaarheid, omkeerbaarheid, beheersbaarheid Hernieuwbaarheid Hernieuwbaarheid betreft de mate waarin natuurlijke processen een ingreep of verandering in bodem of ondergrond terugbrengen in de oorspronkelijke toestand, en de termijn waarop. De redelijkheid van de termijn voor herstel kan van functie tot functie verschillen. In de Bodemladder is sprake van hernieuwbaar gebruik wanneer de periode voor natuurlijk herstel niet meer dan dertig jaar bedraagt. Omkeerbaarheid Indien herstel van het bodemsysteem niet op natuurlijke wijze mogelijk is, heeft het de voorkeur dat de consequenties van het gebruik omkeerbaar zijn.

Door aanvullende maatregelen te treffen kunnen de bodem en de ondergrond in een toestand worden teruggebracht die vergelijkbaar is met de oorspronkelijke situatie, ofwel kunnen de gevolgen van het bodemgebruik worden hersteld. Omkeerbaarheid gaat ook over de mate waarin het technisch en financieel mogelijk is om de bodem na een ingreep terug te brengen in de oorspronkelijke toestand of in een nieuwe, gewenste toestand te brengen. Beheersbaarheid Beheersbaarheid betreft de mate waarin risico’s rondom initiatieven en projecten (technisch en/of financieel) beheerst kunnen worden. Het gaat primair om de milieuhygiënische gevolgen voor bodem en ondergrond zelf, maar ook om de gevolgen voor andere milieucompartimenten, de veiligheid en de fysieke leefomgeving. De huidige wet- en regelgeving met het daarbij geldende normenstelsel en de beleidskaders vormen de referentie. Op ondergeschikte punten kan een beperkte normoverschrijding aanvaardbaar zijn als er een groot maatschappelijk belang aan een functie wordt gehecht en er - het totaal overziend - een positieve bijdrage wordt geleverd aan de fysieke leefomgeving (‘positieve evenredigheid’). Van belang is in hoeverre de normoverschrijding kan en zal worden gemitigeerd en/of gecompenseerd.

Als effecten en risico’s onbekend zijn, wordt per geval afgewogen of met toepassing van het voorzorgsprincipe niets mag gebeuren of dat door beheersmaatregelen (bijvoorbeeld intensieve monitoring en bepalen van acceptabele grenswaarden) toch gestart kan worden met een project of initiatief. Het gaat om verantwoord omgaan met onzekerheden, waarbij het aanvaarden van onzekerheden mede afhankelijk is van de aard en omvang van de risico’s en de mogelijkheid om te monitoren op de risico’s. Om nieuwe ontwikkelingen van de grond te krijgen, is het juist relevant om ruimte te bieden, bijvoorbeeld in de vorm van pilots, om nieuwe inzichten te verkrijgen. Aanvaardbaarheid Bepalende factoren bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid zijn nut, noodzaak en impact. Nut Onder ‘nut’ wordt verstaan de mate van meerwaarde die een functie of ingreep heeft voor belangrijke maatschappelijke opgaven. Dit wordt in principe primair beoordeeld tegen de provinciale maatschappelijke opgaven, maar opgaven van mede-overheden kunnen hierin ook bepalend zijn. De mogelijke functies van de bodem en de ondergrond kunnen sterk bijdragen aan de strategische doelstellingen uit de Visie ruimte en mobiliteit. De provincie streeft ernaar de kansen van de bodem te (laten) benutten.

Bij een beoogd nieuw gebruik is het noodzakelijk vooraf goed te doordenken of de ingreep in de bodem noodzakelijk is of dat er wellicht een andere (bovengrondse) mogelijkheid is om het beoogde doel te bereiken, waarbij effecten en kosten meegewogen worden. Noodzaak 74

Veenbodemdaling in Veenweidepactgebieden

Operationeel doel

Omgaan met veenbodemdaling: inzetten op behoud veennatuur en veenbodem (CO2) in veenweidepactgebieden

Realisatiemix

Veenweidepact Krimpenerwaard Veenweideconvenant Gouwe Wiericke Veenweide Innovatie Centrum Uitvoeringsprogramma Groene Hart Systeeminnovatie landbouw Afspraken over aanpak bodemdaling in de Veenweidepacten

Veengebieden hebben continu te maken met bodemdaling. Het verschil tussen land- en zeeniveau en het onderlinge verschil tussen polderniveaus worden daardoor groter, de (zoute) kwel neemt toe en gebouwen en infrastructuur (dijken, wegen, riolering, kabels en leidingen) kunnen verzakken. Het proces van bodemdaling kan niet volledig worden gestopt zonder ingrijpende vernatting. De provincie geeft voor het behouden van het veenweidelandschap en de daarbij behorende landschappelijke en cultuurhistorische waarden, prioriteit aan de landbouwgronden in drie veenweide(pact)gebieden: de Krimpenerwaard, Gouwe-Wiericke en De Venen/Nieuwkoop met het inliggend Natura2000veengebied de Nieuwkoopse Plassen. Hier wordt getracht om met verschillende (waterbeheer)maatregelen de bodemdaling zo veel mogelijk tegen te gaan. De provincie is trekker van deze pactgebieden en werkt daarin intensief samen met andere overheden en belangenorganisaties. Veenbodemdaling: transitie of adaptatie in knikpuntgebieden

Operationeel doel

Omgaan met veenbodemdaling: inzetten op transitie of adaptatie in knikpuntgebieden

Realisatiemix

Integraal gebiedsproces in knikpuntgebied doorlopen of starten Aanpak knikpuntgebieden

In een aantal gebieden nadert het kritieke moment waarop de bodemdaling het moeilijk maakt om de huidige (meestal agrarische) functie op dezelfde wijze te handhaven. Dit zijn de ‘knikpuntgebieden bodemdaling’. De nu benoemde knikpuntgebieden zijn door de waterschappen aangedragen en te beschouwen als oefen- of leergebieden. In knikpuntgebieden waar nog geen gebiedsproces loopt, start de provincie samen met de betrokken partijen een verkenning om de problematiek in beeld te brengen en om te bepalen op welke wijze en wanneer een transitie of adaptatie nodig is c.q. kan plaatsvinden. Aangedragen als knikpuntgebied zijn het restveengebied bij Moordrecht, de Middelburg Tempelpolder bij Boskoop, de polder Achttienhoven naast de Nieuwkoopse Plassen en de polder Lange Weide. Benutten van natuurlijke bodemkwaliteiten

Operationeel doel

Beter benutten van natuurlijke bodemkwaliteiten voor een klimaatbestendige inrichting, voor natuur en voor agrarische functies

Realisatiemix

Afspraken over benutten van de natuurlijke bodemkwaliteit in gebiedsprocessen Financiën/procesgeld voor actualisatie en ontsluiting van informatie Toepassing ondergrondwijzer en Bodemladder Risicokaart ondergrondverdichting met betrekking tot agrarisch gebruik

De bodem is vanwege natuurlijke kwaliteiten bijzonder geschikt voor bepaalde functies zoals landbouw, natuur, drinkwatervoorziening en waterregulatie. De provincie wil dat de geschiktheid van de bodem voor specifieke functies nadrukkelijk wordt betrokken bij de ruimtelijke planvorming, bijvoorbeeld voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De provincie vindt het van belang dat specifieke bodemkwaliteiten voor bijvoorbeeld de landbouw of de natuur in stand blijven en waar mogelijk worden versterkt. Te denken valt hierbij aan het behouden 75

en versterken van een goede bodemstructuur door behoud van organische stof en het behouden van de bodembiodiversiteit. Bij een te sterke bodemverdichting zal de doorlatendheid en het vochtbergend vermogen van de bodem afnemen. Dit kan onder meer leiden tot wateroverlast, oppervlakkige afstroming en piekbelasting bij poldergemalen. Ook is er meer kans op uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater. Er is een risicokaart ondergrondverdichting met betrekking tot agrarisch landgebruik. Saneren of beheersen spoedlocaties

Operationeel doel

Saneren of beheersen spoedlocaties en adequate nazorg van rest verontreinigingen

Realisatiemix

Afspraken met gemeenten en omgevingsdiensten over de aanpak van spoedlocaties Bodemconvenant 2010-2014: financiën (procesgeld, subsidies) Provinciale Milieuverordening

De provincie heeft op grond van de Wet bodembescherming de verantwoordelijkheid voor de aanpak van bodemverontreiniging. Samen met andere overheidspartijen is het Bodemconvenant 2010-2014 afgesloten. Daarin is vastgelegd dat locaties die een risico vormen voor de mens, uiterlijk in 2015 beheerst of gesaneerd zijn. Locaties die spoedeisend zijn vanwege verspreidingsrisico’s of ecologische risico’s, zullen eind 2015 in beeld zijn gebracht en waar mogelijk beheerst of gesaneerd zijn. De verwachting is dat de aanpak van de overige spoedlocaties doorloopt tot 2018. Over de aanpak van de spoedlocaties worden afspraken gemaakt met de gemeenten en omgevingsdiensten. Verwacht wordt dat de sanering van niet-spoedlocaties plaatsvindt als er ook een ruimtelijke herontwikkeling aan de orde is. Op deze manier verbetert in de loop van de tijd de totale bodemkwaliteit. Bodemsanering vindt vaak ‘functioneel’ plaats, dus met het oog op het bovengrondse ruimtegebruik. Het gevolg is dat er restverontreinigingen in de bodem achterblijven. Deze vragen om nazorg en/of gebruiksbeperkingen. De provincie heeft op grond van de Wet bodembescherming de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving. Herontwikkeling van locaties met bodemverontreiniging en voormalige stortplaatsen

Operationeel doel

Herontwikkeling van locaties met bodemverontreiniging en voormalige stortplaatsen door deze beter af te stemmen op ruimtelijke ontwikkelingen

Realisatiemix

Onderzoek en overleg met betrokkenen Toepassing ondergrondwijzer en Bodemladder Financiën (procesgeld)

De provincie wil beter gebruik maken van de mogelijkheden om via ruimtelijke planprocessen of gebiedsontwikkeling te komen tot een aanpak van verontreinigde locaties. Dit vanuit twee invalshoeken. Ten eerste door de juiste functie op de juiste plaats te plannen, rekening houdend met de chemische bodemkwaliteit. De kosten voor bodemsanering zijn bijvoorbeeld hoger bij de ontwikkeling van een gevoelige functie zoals wonen, dan bij een minder gevoelige functie zoals een bedrijventerrein. Ten tweede is de inzet om ruimtelijke ontwikkelingen aan te grijpen om de bodem te saneren. Daarvoor is van belang dat verontreinigde locaties actief worden betrokken bij een beoogde ontwikkeling, dus niet vanwege de verontreiniging worden ontweken. Daarnaast is het wenselijk om de mogelijkheden te onderzoeken om de aanpak van de bodemverontreiniging gebiedsgericht te benaderen, mogelijk in afstemming met de ruimtelijke ontwikkeling. Het begrip ‘bodemkwaliteit’ wordt dan verbreed naar de fysische en biologische kwaliteit. In Zuid-Holland bevinden zich meerdere locaties waar in het verleden afvalmateriaal is gestort en die nog braak liggen. De provincie zet zich in om de schaarse ruimte zo goed mogelijk te benutten. Dat geldt ook voor deze stortplaatsen. Ruimtelijke ontwikkeling geeft de kans om ze aan te pakken en een andere bestemming te geven, bijvoorbeeld door zonnepanelen te plaatsen.

Door bij gebiedsontwikkeling de voormalige stortplaatsen voor in het planproces mee te nemen, wordt 76

bijgedragen aan een verbetering van de bodemkwaliteit. De provincie maakt hierover afspraken met partijen in de publieke en private sector. Archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden

Operationeel doel

De archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden behouden en waar mogelijk ontwikkelen door deze te betrekken in het beleid voor ruimtelijke kwaliteit en bij gebiedsontwikkelingen

Realisatiemix

Verordening ruimte Beleidsvisie Cultureel Erfgoed (incl. de Cultuurhistorische Hoofdstructuur) en Uitvoeringsprogramma Erfgoedlijnen Werkwijzer Servicepunt Archeologie Gebiedsprofielen Ruimtelijke Kwaliteit Visie ruimte en mobiliteit: kwaliteitskaart Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie

De identiteit van Zuid-Holland wordt mede bepaald door de in de bodem aanwezige archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit versterken door deze waarden nadrukkelijk te betrekken in het beleid voor ruimtelijke kwaliteit en bij gebiedsontwikkelingen. Dit geldt in ieder geval voor terreinen met vastgestelde archeologische waarden. Door deze waarden mee te nemen, te behouden of zelfs te accentueren, wordt de ruimtelijke kwaliteit van het terrein verhoogd. De provincie vindt de bescherming van zowel bekende als verwachte waarden van belang. De gebieden waar het om gaat zijn opgenomen in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS). De bescherming van bekende waarden is opgenomen in de Verordening ruimte. Uitgangspunt is behoud ‘in situ’, dat wil zeggen dat het archeologisch erfgoed in principe onverstoord behouden blijft, tenzij andere belangen prevaleren. Dan kan gekozen worden voor het opgraven van het archeologisch erfgoed, oftewel voor behoud ‘ex situ’. De gemeenten hebben het voortouw bij de bescherming van verwachte waarden. Het gemeentelijk archeologiebeleid is hierop van toepassing. Voor gemeenten die geen eigen archeologiebeleid hebben geformuleerd, gelden de regels van de CHS. Dit betekent dat bij ontwikkelingen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm archeologisch onderzoek nodig is.

Dit is ook vastgelegd in de Verordening ruimte. Dit archeologisch onderzoek vindt ook plaats bij gemeentegrensoverschrijdende projecten en wanneer de provincie zelf opdrachtgever, (mogelijk) verstoorder of vergunningverlener is. De provincie maakt haar afwegingen vervolgens op grond van de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie (POA) met betrekking tot de zogenaamde selectiebesluiten archeologie. De provincie neemt haar besluiten inzake de archeologische monumentenzorg op basis van vastgesteld provinciaal beleid, dat gebaseerd is op kennis en inzicht in de aard en staat van de bekende en verwachte archeologische waarden, verantwoord is vanuit het perspectief van zorg voor het bodemarchief en transparant is voor alle gebruikers en belanghebbenden. De provinciale werkwijze is beschreven in de Werkwijzer Servicepunt Archeologie. Beschermen Romeinse Limes

Operationeel doel

De hoge en zeer hoge waarden van de Romeinse Limes beschermen

Realisatiemix

Verordening ruimte Beleidsvisie Cultureel Erfgoed en Uitvoeringsprogramma Erfgoedlijnen

De Limes, de noordgrens van het voormalige Romeinse Rijk, bevindt zich langs de zone van de Oude Rijn en langs het Rijn-Schiekanaal (de Vliet) tussen Leiden en Voorburg. De archeologische waarden betreffen: forten, burgerlijke nederzettingen, grafvelden, scheepswrakken en militaire infrastructuur, 77

bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens De Limes is opgenomen op de voorlopige lijst van Unesco-werelderfgoed. De provincie vindt bescherming van de Limes van groot belang. Daarom is bescherming van zowel de bekende als de verwachte hoge tot zeer hoge waarden opgenomen in de Verordening ruimte. De Limes is voorts onderdeel van de ontwikkelopgave voor cultureel erfgoed die is opgenomen in het Uitvoeringsprogramma Erfgoedlijnen. 4.4 Energietransitie als integrale opgave Duurzamer in 2020

Operationeel doel

Verhogen van het aandeel duurzame energie in 2020, reduceren uitstoot CO2 en energieverbruik reduceren

Realisatiemix

Opstellen van (regionale) ruimtelijke Actie-agenda’s Energie, waarbij besparen, opwekken en CO2-reductie integraal worden benaderd

Nederland heeft met de Europese Unie de afspraak om in 2020 14% duurzame energie op te wekken. De provincie werkt aan de realisatie van de doelstelling. Voor Zuid-Holland betekent dit dat in 2020 tussen de 6 en 10% hernieuwbare energie wordt geproduceerd. De provincie wil dit bereiken door in te zetten op windenergie, warmte, biomassa en zonne-energie. Daarnaast werkt de provincie mee aan Europese en nationale energiedoelen om de CO2-uitstoot te verminderen en het energieverbruik te reduceren. Het gaat om een CO2-reductie van 20% in 2020 ten opzichte van 1990 en om een energieefficiëntiebesparing van 20% in 2020 ten opzichte van 2007. Als de besparingsambities niet gehaald worden, betekent dit automatisch dat ingezet moet worden op een hoger aandeel hernieuwbare energie. Vanwege deze onderlinge relaties, wordt onderzocht of de provincie, samen met haar partners op regionaal niveau, ruimtelijke Actie-agenda’s Energie kan opstellen die ingaan op besparing, opwekking en CO2-reductie per gemeente, regio of sector. Het kabinet zet in de EU in op ten minste een emissiereductie van 40% in 2030 ten opzichte van 1990. Windenergie op land

Operationeel doel

Verhogen van het aandeel duurzame energie in 2020 door het mogelijk maken van een opgesteld vermogen van 735,5 MW windenergie op land

Realisatiemix

Verordening ruimte Faciliteren en stimuleren van de realisatie van de aangewezen windlocaties Opstellen van inpassingsplannen indien noodzakelijk Koepelstartnotitie Inpassingsplannen Locaties Windenergie

Met het Rijk zijn afspraken gemaakt om in 2020 te voorzien in 735,5 MW opgesteld vermogen op land. Hiervoor zijn ‘locaties windenergie’ aangewezen. Deze locaties zijn opgenomen op de kaartbijlage van de verordening. De locaties zijn het resultaat van een afweging tussen eisen vanuit windenergie en voorwaarden vanuit landschap en ruimtelijke kwaliteit. De locaties combineren windenergie met technische infrastructuur, grootschalige bedrijvigheid en grootschalige scheidslijnen tussen land en water. Mede door de grote omvang en ruimtelijke invloed van moderne windturbines is het van belang om deze geconcentreerd te plaatsen in daarvoor geschikte gebieden en versnippering over de hele provincie te voorkomen. Daarbij wordt voorkeur gegeven aan enkelvoudige lijnopstellingen en clusters, in samenhang met en evenwijdig aan de betreffende infrastructuur en scheidslijnen. Bestaande opstellingen binnen de ‘locaties windenergie’ kunnen ter plaatse vervangen en opgeschaald worden. In gebieden die vanuit landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of recreatief oogpunt kwetsbaar zijn, is plaatsing uitgesloten. Ook zijn er nadere afspraken gemaakt met gemeenten. De rol van de provincie is het ruimtelijk faciliteren van deze opgave en gemeenten te stimuleren om deze locaties te ontwikkelen.

Daarnaast heeft de provincie bevoegdheden vanuit de Wet ruimtelijke ordening en de Elektriciteitswet inzake het vergunnen en bestemmen van windparken. Indien een gemeente niet wil meewerken aan de ontwikkeling en realisering van een locatie windenergie, zal de provincie gepast gebruik maken van 78

haar bevoegdheden die de Elektriciteitswet biedt om de locaties windenergie mogelijk te maken en stelt zij een inpassingsplan vast. Provinciale Staten hebben voor een aantal locaties de Koepelstartnotitie Inpassingsplannen Locaties Windenergie vastgesteld. Hieronder wordt per regio ingegaan op de locaties windenergie. Private partijen zijn aan zet voor initiatieven tot plaatsing van windturbines. Het totale bestaand opgesteld vermogen komt momenteel uit op circa 270 MW. Bij de plaatsing van windturbines dienen op projectniveau effecten ten aanzien van o.m. natuur, flora en fauna, bescherming van waardevolle cultuurhistorische stads- en dorpsgezichten, geluid, externe veiligheid, slagschaduw, lichtschittering, vaarwegen en waterstaatswerken, landschappelijke inpassing, watertoets en archeologie te worden onderzocht. Het voorgaande dient in een MER en/of een ruimtelijke onderbouwing te worden vastgelegd. In principe wordt voor het behalen van de windenergieopgave vastgehouden aan de door Provinciale Staten vastgestelde locaties. Mochten die om technische of andere redenen niet haalbaar zijn, dan zullen locaties, die niet eerder door Provinciale Staten waren afgewezen, door de provincie alsnog worden overwogen. Daarvoor is dan aanpassing van de verordening nodig. In de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden staat 9 MW bestaand opgesteld vermogen op de locatie Giessenlanden.

Bedrijventerrein Gorinchem Noord (9 MW) is als locatie windenergie opgenomen in het provinciaal beleid. Met de gemeente Gorinchem wordt samengewerkt om zo spoedig mogelijk een bestemmingsplan voor het bedrijventerrein Gorinchem-Noord vast te stellen, met de daarin opgenomen locatie windenergie. De windenergie dient in combinatie met het bedrijventerrein ontwikkeld te worden. In de Drechtsteden zijn nog geen windturbines opgesteld. In het provinciaal beleid is de locatie Nedstaal (12 MW) in de gemeente Alblasserdam opgenomen. Onder meer voor deze locatie hebben Provinciale Staten de Koepelstartnotitie Inpassingsplannen Locaties Windenergie vastgesteld. Bij de ontwikkeling van de locatie Nedstaal is de impact op het werelderfgoed Kinderdijk een belangrijk aandachtspunt. Gedeputeerde Staten zullen een impact study laten uitvoeren en via de Rijksdienst Cultureel Erfgoed contact opnemen met Unesco over de locatie windenergie Nedstaal. Daarnaast is een locatie opgenomen langs de Dordtsche Kil, op de bedrijventerreinen Dordtsche Kil I, II, III, IV tot aan Duivelseiland (20 MW), mits voldoende doorzichten worden gegarandeerd. De locatie Merwedehaven Dordrecht (3-9 MW) kan worden gerealiseerd in samenhang met de locatie Oosteinde Papendrecht (3 MW, eveneens opgenomen in de Koepelstartnotitie Inpassingsplannen Locaties Windenergie).

In Zwijndrecht heeft de provincie de locatie Groote Lindt opgenomen in de Verordening ruimte (6-9 MW). Op Goeree-Overflakkee staat zo’n 60 MW aan bestaand opgesteld vermogen op land. De provincie heeft afspraken gemaakt over de realisatie van maximaal 260 MW (inclusief bestaande en/of reeds vergunde windturbines) met de gemeente in het bestuursakkoord ‘Duurzame Energie op GoereeOverflakkee’ en met de gemeente en de Coöperatie Windgroep Goeree-Overflakkee in de samenwerkingsovereenkomst ‘Wind Werkt voor Goeree-Overflakkee’. Voor de locatiekeuze is het planMER Windenergie Goeree-Overflakkee opgesteld. In het planMER geniet de plaatsingsvisie clusters in de randzone afgewisseld met vides de voorkeur. Aan deze plaatsingsvisie wordt door de provincie en gemeente grotendeels vastgehouden. Niet op alle locaties is een volwaardig cluster te realiseren. In deze locaties wordt een lijnopstelling toegestaan. De locaties die voor windenergie worden aangewezen zijn: de Noordrand, Van Pallandtpolder, Anna Wilhelminapolder en Battenoert. Binnen deze locaties mogen windparken in clusters of lijnopstelling worden gerealiseerd. Naast deze nieuw aangewezen locaties, bevinden zich in de gemeente drie locaties waar al windturbines staan of zijn vergund. Deze locaties Herkingen, Piet de Wit en Hellegatsplein, zijn in de Verordening ruimte eveneens als locatie windenergie aangegeven.

Voor Battenoert worden in het planMER Windenergie Goeree-Overflakkee aanzienlijke negatieve landschappelijke effecten verwacht, vanwege de interferentie met het beoogde windpark op de Krammersluizen in de gemeente Schouwen-Duiveland. Omdat op de locatie Battenoert al windturbines aanwezig zijn en interferentie met het windpark Krammer dus reeds een gegeven is, is ook deze locatie aangewezen als locatie windenergie. In tegenstelling tot het bestuursakkoord ‘Duurzame Energie op Goeree-Overflakkee’ mag in de Noordrand meer dan 60 MW gerealiseerd worden. De exacte situering van de te plaatsen windturbines

79

in de locatie Noordrand dient in goed overleg met de gebiedspartijen van de beoogde gebiedsontwikkeling Noordrand te worden afgestemd. In de locaties windenergie op Goeree-Overflakkee kan met de huidige stand der techniek redelijkerwijs voor circa 225 MW windenergie gerealiseerd worden. Bij het realiseren van de locaties windenergie op Goeree-Overflakkee zijn cumulatieve effecten mogelijk op beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden) en plant- en diersoorten (Flora- en faunawet) en op het landschap. De invulling van de locaties vereist daarom in de volgende fase van besluitvorming (projectMER) een integrale aanpak. Effecten van de locaties windenergie op beschermde gebieden en soorten moeten in samenhang worden onderzocht en getoetst. Bij de ontwikkeling van één van de locaties windenergie dient onderzoek te worden uitgevoerd, waarin alle op het eiland te ontwikkelen locaties windenergie worden meegenomen. Er dient te worden voorkomen dat ontwikkeling van één locatie windenergie de ontwikkeling van andere locaties windenergie onmogelijk maakt. Ten aanzien van de plaatsingsvisie ‘robuuste clusters in de randzone afgewisseld met vides’ moet worden gezocht naar logische cluster-opstellingen met aandacht voor de onderlinge afstanden tussen en hoogtes van windturbines.

Ook van belang zijn de mogelijke interferentie met de andere locaties windenergie en de aansluiting bij de overgang van land en water. Door o.a. de geluidsproductie en slagschaduw beïnvloeden windturbines de leefomgeving. Voor de vervolgfase zijn daarom thematische aandachtspunten geformuleerd voor de leefomgeving. Dit zijn: •

Stiltegebieden. Het gebied Noordrand ligt deels in een stiltegebied.

•

Vrijliggende woningen.

•

Waterkeringen: afstemming met Rijkswaterstaat en Waterschap als tussenstap naar de projectMERfase is noodzakelijk, vanwege aanwezigheid waterkeringen.

•

Netaansluiting: voorbereidende afspraken met Stedin en TenneT over locaties en benodigde capaciteit van infrastructuur.

•

Radar: in verband met mogelijke impact van de windturbines op de radar van Defensie is tijdig overleg met Defensie/TNO noodzakelijk.

Bij de bovenstaande algemene punten zullen gemeente en provincie, gezien de aard van de stakeholders en de wens om integraal vorm te geven aan windenergieontwikkeling op GoereeOverflakkee, zich waar nodig inzetten voor het bereiken van de doelstelling. Naast deze thematische aandachtspunten leiden de planMER-resultaten tot aandachtspunten per locatie. Deze specifieke aandachtspunten zijn: Locatie windenergie

Aandachtspunten

Noordrand

Ecologische effecten Scheelhoek Buisleiding Gasunie Relatie project Noordrand Effecten op woonkern Sommelsdijk/Middelharnis

Van Pallandtpolder

Bestaande windturbine-opstelling Effecten op woonkern Stad aan ’t Haringvliet Demagnetiseringsgebied mijnenvegers Defensie voor de kust

Anna Wilhelminapolder

Ecologische effecten Krammer Slikken Landschappelijke interferentie met locatie Piet de Wit

Battenoert

Landschappelijke interferentie met project Krammersluizen Landschappelijke interferentie bestaande turbines Herkingen Bestaande windturbine-opstelling

80

In de regio Haaglanden staat 10,5 MW bestaand opgesteld vermogen (Zoetermeer). Voor de locatie Maasland (9 MW, Westland en Midden-Delfland) hebben Gedeputeerde Staten de Koepelstartnotitie Inpassingsplannen Locaties Windenergie vastgesteld. De provincie heeft daarnaast de locatie A4 CEVA Den Haag (3MW) opgenomen in de Verordening ruimte. Het voormalige zoekgebied windenergie A4-A12-A13 is vervallen. In de Hoeksche Waard staat 8,3 MW bestaand opgesteld vermogen (Westerse Polder Cromstrijen en Mariapolder Strijen). De provincie gaat ervan uit dat deze locaties worden opgeschaald tot zo’n 15 MW per locatie, aangezien de locaties landschappelijk aanvaardbaar worden geacht, mits binnen de locaties een lijnopstelling wordt gerealiseerd. Daarnaast zijn de locaties Piershil-Spui (15 MW), de Hogezandse Polder (30 MW) en bedrijventerrein Hoeksche Waard langs de Oude Maas bij de Heinenoordtunnel (15 MW) opgenomen als locatie windenergie in de Verordening ruimte. De locatie aan de Oude Maas dient in samenhang met de locatie aan de Oude Maas in Barendrecht te worden ontwikkeld. In de regio Holland-Rijnland staat 16 MW bestaand opgesteld vermogen (Zoeterwoude en Rijnwoude). Op dit moment werkt de provincie samen met de gemeente Zoeterwoude aan de realisering van windturbines op het terrein van Heineken (12 MW).

Daarnaast heeft de provincie de locatie Valkenburgse Meer (9 MW), die binnen de afspraken van de energieneutrale woonwijk Valkenburg kan worden ontwikkeld, en de locatie A44 Akzo Nobel (4-6 MW) opgenomen in de Verordening ruimte. Het voormalige zoekgebied windenergie A44/Valkenburgsmeer is vervallen. In de regio Midden-Holland staat 12 MW bestaand opgesteld vermogen (Waddinxveen). Deze locatie is opgenomen in de Verordening ruimte. Het Distripark Doelwijk is aangewezen als locatie windenergie (3-6 MW), aansluitend op de bestaande turbines. Indien mogelijk mag hier een cluster windenergie gerealiseerd worden. Een eventuele vijfde turbine ten oosten van de bestaande 4 turbines dient geen belemmering te vormen voor de realisatie en beheer van het project Parallelstructuur A12 en de reeds geplande infrastructuur in Zuidplas Polder. In de Stadsregio Rotterdam staat circa 150 MW bestaand opgesteld vermogen. In de regio zijn twee windenergieconvenanten van kracht, te weten het Convenant Realisatie Windenergie Rotterdamse Haven (2009) en het Convenant Realisatie Windenergie Stadsregio Rotterdam (2012). De provincie heeft beide convenanten ondertekend. Het havenconvenant betreft het haven- en industriegebied van Rotterdam en heeft als doelstelling een extra opgesteld vermogen van 150 MW in 2020.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.sliedrecht.nl/api/v1/meetings/161/documents/2843