211119_Bijlage 4_Programmaruimte actualisering 2016_ANTW_TECH.VR_Pauw_PRO Sliedrecht_Sliedrecht Buiten.pdf
Tekst van het document
Het totale in onderzoek zijnde aantal MW in 2020 voor het havengebied komt daarmee op 283-300 MW. Het convenant voor de voormalige Stadsregio Rotterdam heeft als doelstelling 150 MW in 2020 op het grondgebied van de Stadsregio buiten het haven- en industriegebied. Beide convenanten zijn vertaald in het provinciaal beleid. Een aantal locaties uit het windenergieconvenant van de voormalige stadsregio Rotterdam is technisch niet haalbaar. In de stadsregio doorloopt de provincie een proces waarbij wordt gezocht naar alternatieve locaties voor windenergie om de opgave in dit gebied te realiseren. Hierin zijn de gemeente betrokken. De resultaten van dit proces leiden tot een aanpassing/ aanvulling van de in deze regio aangewezen locaties voor windenergie in de Verordening ruimte. De provincie participeert bij beide convenanten in de ambtelijke project- en evaluatiegroep. Voor het Havenconvenant vervult de provincie een secretarisrol. Realisatiestrategie De provincie streeft naar maximale invulling van de vastgestelde locaties windenergie. Gelet op de afspraken met het Rijk, ziet de provincie toe op de voortgang. De provincie zal overeenkomsten sluiten met gemeenten die willen meewerken aan de realisatie van de locaties windenergie en zelf de ruimtelijke inpassing en vergunningverlening van de locaties willen regelen.
De provincie zal in dat geval geen gebruik maken van de bevoegdheid tot coördinatie en besluitvorming omtrent de omgevingsvergunning en eventueel andere benodigde vergunningen die zij op basis van de Elektriciteitswet heeft. De provincie hanteert daarbij de lijn dat op 31 december 2015 de besluitvorming voor de betreffende locatie(s) windenergie bij de gemeente zover gevorderd is dat het ontwerp bestemmingsplan voor de realisatie van de windturbines ter inzage ligt of reeds heeft gelegen of op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een (herroepelijke) omgevingsvergunning voor het realiseren van de windturbines is verleend. Mocht de gemeente op 31 december 2015 niet aan deze lijn kunnen voldoen zal de provincie de bevoegdheid voor de omgevingsvergunning en ruimtelijke inpassing zelf uitvoeren. Als een initiatiefnemer een locatie windenergie wenst te ontwikkelen en na ambtelijk en bestuurlijk overleg blijkt dat de betreffende gemeente daar niet aan wil meewerken, dan behoudt de provincie haar bevoegdheid. In dat geval zal 81
de provincie een provinciaal inpassingsplan vaststellen en de vergunningen verlenen, ook wanneer het om een locatie windenergie van minder dan 5 MW gaat. De provincie gaat ervan uit dat de exploitant bij de ontwikkeling van een locatie windenergie een participatieplan opstelt en daar de omgeving direct bij betrekt. Afhankelijk van de situatie kan bijvoorbeeld gezorgd worden voor een vorm van maatschappelijk rendement voor de omgeving. Ook valt te denken aan aandelen, obligaties of andere vormen van mede-eigendom. Particuliere initiatieven plaatsing windturbines
Operationeel doel
Verhogen van het aandeel duurzame energie in 2020 door initiatieven vanuit de samenleving te faciliteren om windturbines te mogen plaatsen.
Realisatiemix
Verordening ruimte
Buiten de aangewezen locaties voor windturbines, biedt de provincie ruimte voor initiatieven vanuit de samenleving voor kleine en middelgrote windturbines. Buiten bestaand stads- en dorpsgebied is de ashoogte voor deze windturbines begrensd op maximaal 15 meter. Binnen bestaand stads- en dorpsgebied en binnen het glastuinbouwgebied is de ashoogte voor deze windturbines begrensd op maximaal 45 meter. Voorwaarde is dat de plaatsing van kleine of middelgrote windturbines passend is bij de lokale situatie. Dit is ter beoordeling van de gemeente. Het provinciaal beleid voor ruimtelijke kwaliteit is van toepassing. De provincie kan dus nog wel een zienswijze indienen als te weinig rekening is gehouden met het omringende landschap en de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve kwaliteiten. Een regeling voor kleine en middelgrote windturbines is opgenomen in artikel 2.4.1, derde lid, van de Verordening ruimte. Ten slotte is er voor bestaande turbines buiten de locaties windenergie een lid aan artikel 2.3.1. van de Verordening ruimte toegevoegd, waarin staat opgenomen dat vervanging van bestaande windturbines buiten de aangewezen locaties voor windenergie mogelijk is mits de ashoogte niet toeneemt. Indien het voornemen bestaat de ashoogte te verhogen, dient een studie te worden gedaan naar de landschappelijke inpasbaarheid ervan.
Op basis van de uitkomsten hiervan kunnen Provinciale Staten de locatie aanmerken als nieuwe locatie voor windenergie. Windenergie op zee
Operationeel doel
Verhogen van het aandeel duurzame energie in 2020 door het produceren van 4450 MW windenergie in 2023 op zee
Realisatiemix
Programma ruimte, Agenda ruimte: overleg met Rijk en de kustgemeenten
In het SER-energieakkoord is afgesproken om extra windparken op zee te realiseren. Het gaat vooralsnog om een totaal opgesteld vermogen van 4450 MW in 2023. De vergunningverlening voor dergelijke parken op zee is een rijksaangelegenheid. Mogelijk heeft de provincie wel een rol bij het bepalen van de locaties waar de energie aan land komt. In het overleg tussen Rijk, provincie en kustgemeenten over de wenselijkheid en mogelijkheid richt de provincie zich met name op het borgen van belangen vanuit ruimtelijke kwaliteit en natuur en de relatie met windenergie op land. Zonne-energie binnen bestaand stads- en dorpsgebied
Operationeel doel
Verhogen van het aandeel duurzame energie in 2020 door binnen bestaand stads- en dorpsgebied meer zonne-energie op te wekken
Realisatiemix
Visie ruimte en mobiliteit
De provincie staat positief tegenover het opwekken van zonne-energie in bestaand stads- en dorpsgebied. Zij wil mogelijke initiatieven zo veel mogelijk faciliteren en stimuleren, als de plaatsing van zonnepanelen niet ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteit. De aanleg van zonnepanelen door particulieren en bedrijven neemt sterk toe. In de meeste gevallen gaat het om plaatsing op gebouwen. Binnen het bestaande stads- en dorpsgebied ligt de verantwoordelijkheid voor de plaatsing van zonnepanelen bij de gemeenten. 82
Zonne-energie buiten bestaand stads- en dorpsgebied
Operationeel doel
Zonnepanelen stimuleren op bebouwde ruimten buiten bestaand stads- en dorpsgebied en terughoudend zijn met zonnepanelen in het landschap
Realisatiemix
Visie ruimte en mobiliteit, kwaliteitskaart
Bij de plaatsing van zonnepanelen buiten bestaand stads- en dorpsgebied gaat de voorkeur van de provincie uit naar meervoudig ruimtegebruik door benutting van bebouwing, agrarische bouwblokken, infrastructuur, stortplaatsen en (nader te bepalen) restruimtes. Bij plaatsing worden richtlijnen vanuit ruimtelijke kwaliteit in acht genomen. Zonnevelden zijn een vorm van enkelvoudig ruimtegebruik. Ze sluiten andere functies op dezelfde plaats nagenoeg uit. Ze hebben in beginsel een duidelijke invloed op de kwaliteit van het landschap en beperken de ruimte voor voedselproductie. Afhankelijk van de omvang zijn zonnevelden te beschouwen als een vorm van aanpassing dan wel transformatie van het landschap. In een provincie waarin onbebouwde ruimte een schaars en waardevol goed is, is een terughoudende benadering in die open ruimte op zijn plaats, in combinatie met een stimulerende benadering voor de bebouwde ruimte. Omdat zonnevelden een relatief nieuw fenomeen zijn, wil de provincie experimenteerruimte bieden voor zonne-initiatieven buiten bestaand Stedelijk en dorpsgebied. Daarbij gaat de voorkeur uit naar initiatieven waarvan de plek nog niet exact is bepaald en er ruimte is om te zoeken naar de juiste plek voor het initiatief afhankelijk van de lokale situatie.
Bij voorkeur ligt het experiment op locaties waar op termijn een andere functie is voorzien, maar waar die bestemming om diverse redenen vooralsnog niet wordt gerealiseerd. Deze initiatieven moeten aan de volgende voorwaarden voldoen: -
-
-
Aan het initiatief voor het experiment moet een duidelijke onderzoeksvraag te koppelen zijn. Vooraf is duidelijk dat er draagvlak is bij betreffende gemeenten en omwonenden/ belanghebbenden. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is van toepassing (generiek en het specifieke beleid voor de beschermingscategorieën 1 en 2). Dit betekent dat de initiatiefnemer in een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht moet geven in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van het voorgenomen zonneveld op de (wijde) omgeving. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het ruimtelijk kwaliteitsinstrumentarium van de provincie (Kwaliteitskaart, gebiedsprofielen, werkboek ruimtelijke kwaliteit). De initiatiefnemer legt in overleg met de provincie schriftelijk vast wat de onderzoeksvragen zijn die met het experiment worden beantwoord, heldere go-no-go momenten, een evaluatie, monitoring, inzicht in de realiseerbaarheid van het project en hoe om te gaan met maatschappelijk draagvlak. Na buitenbedrijfstelling van het zonneveld dient de initiatiefnemer het zonneveld weer weg te halen. De ervaringen met de experimenten kunnen aanleiding zijn om te bezien of zonnevelden in de onbebouwde ruimte in bepaalde gevallen structureel mogelijk gemaakt kunnen worden, indachtig de richtlijnen voor ruimtelijke kwaliteit.
83
Transitie naar een duurzame economie
Operatoneel doel
Een bijdrage leveren aan de transitie naar een duurzame economie door het benutten van restwarmte, aardwarmte en warmte-koudeopslag (WKO) voor 20PétaJoule in 2020 door de aanleg van een warmtenet voor het transporteren van restwarmte van de haven en geothermie naar de greenports en het stedelijk gebied.
Realisatiemix
SER-akkoord Programma ruimte, Agenda ruimte: opstellen (regionale) warmteplannen Ruimtelijke reservering warmtenet (indicatief)
De provincie werkt aan het tot stand brengen van nieuwe koude- en warmtenetwerken om op (boven)regionale schaal vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. Hiervoor gaat de provincie in gesprek met haar partners om te bezien of er op (boven)regionale schaal ruimtelijke reserveringen in de ondiepe ondergrond kunnen worden gemaakt. Kansen liggen vooral in een betere verbinding tussen de mainport Rotterdam en de greenport Westland-Oostland. Aanbieders van restwarmte zijn vooral kolencentrales, afvalverbrandingsinstallaties en andere grote industriële complexen in de mainport. Daarnaast kan de glastuinbouw lokaal restwarmte leveren. Die komt voort uit geothermiebronnen of uit bedrijven die nog via warmtekrachtkoppeling elektriciteit, warmte en CO2 opwekken. Uitwisseling van reststromen kan een grote bijdrage leveren aan de transitie naar een energie-efficiënte samenleving. Op dit moment wordt al warmte geleverd aan glastuinbouwbedrijven in Oostland en aan het stadsverwarmingsnet in Rotterdam. De netten in Leiden en Den Haag kunnen op termijn ook vervangen worden door rest- of aardwarmte. Realisatie van het warmtenetwerk houdt meer in dan het aanleggen van een warmteleiding. Er moet ook voorzien worden in een retourleiding voor de afvoer van het afgekoelde water.
Bovendien gaat de levering van rest- of aardwarmte aan de greenports bij voorkeur gepaard met de levering van CO2 voor de plantengroei, die eveneens uit de mainport kan komen. Ook daar is een leiding voor nodig. Verder wordt nagedacht over een netwerk van koudeleidingen. De provincie heeft de ruimte gereserveerd die nodig is voor het transporteren van restwarmte van de haven en geothermie naar de greenports en het stedelijk gebied. Hiermee geeft de provincie invulling aan het SER-akkoord, waarin is opgenomen dat er regionale warmteplannen dienen te worden opgesteld. Ruimtelijke afstemming van energie in de ondergrond
Operationeel doel
Een bijdrage leveren aan de transitie naar duurzame economie door het verbeteren van de ruimtelijke afstemming tussen vraag en aanbod van energie in de ondergrond
Realisatiemix
Afspraken in IPO verband met het rijk over gebruik van de ondergrond en het versterken van de provinciale positie bij vergunningprocedures voor mijnbouwactiviteiten. Het faciliteren van het maken van bodemenergieplannen door gemeenten en andere initiatiefnemers
Het gebruik van bodem en ondergrond kan een bijdrage leveren aan de energietransitie. Door de drukte in de ondergrond is een betere afstemming tussen vraag en aanbod van bodemenergie essentieel. De provincie neemt de regie om deze afstemming te operationaliseren. Wanneer het gaat om winning van warmte uit de diepe ondergrond (aardwarmte, tot enkele kilometers diep) is het Rijk vergunningverlener. Voor Zuid-Holland ligt hier een groot potentieel. De afstemming tussen vraag en aanbod voor aardwarmte, mede in relatie tot het totstandbrengen van de elders genoemde warmte- en koudenetwerken, is beter te realiseren wanneer de provinciale ruimtelijke aspecten een sterkere positie krijgen in de besluitvorming op vergunningaanvragen op grond van de Mijnbouwwet. Het toetsingskader van de Mijnbouwwet moet daartoe verbreed worden en de belangen van de decentrale overheden moeten beter in de procedure worden ingebed. De provincie zet dan ook in op een zware adviesrol, zo mogelijk bindend advies in de Mijnbouwwetprocedures, ook voor 84
vergunningverlening voor aardwarmtewinning. De provincie wil hierover - in IPO-verband - met het Rijk in overleg treden. De provincie zet in op een betere benutting van de potenties van de ondergrond voor bodemenergiesystemen (warmte-koudeopslag en aardwarmte), door deze op een planmatige manier te clusteren in een Bodemenergieplan. De provincie verkent de mogelijkheden om deze Bodemenergieplannen te verbreden naar geothermie. In de Greenports wordt daarbij de ondergrondse gietwateropslag in het eerst watervoerend pakket betrokken. Toename energie neutrale woningen en gebouwen
Operationeel doel
Toename energie neutrale woningen en gebouwen. Er wordt naar gestreefd alle nieuwe gebouwen in 2020 energieneutraal te laten zijn
Realisatiemix
EU-richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD)
Om aan de provinciale ambities voor duurzame energie te voldoen, is de inzet op warmte, wind en zon alleen niet voldoende. Meer en meer zal de provincie samen met de partners ook inzetten op energiebesparing in bestaand stedelijk gebied, zoals bij renovatie en nieuwbouw van woningen en herstructurering van bedrijventerreinen, kantorenlocaties en glastuinbouw. De Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD) schrijft voor dat alle nieuwe gebouwen in de EU per 31 december 2020 'bijna energieneutraal’ moeten zijn en de energie voor een zeer groot deel uit hernieuwbare bronnen moet komen. Voor nieuw te bouwen overheidsgebouwen geldt deze regel al vanaf 2018. In het SER-akkoord is de ambitie aangegeven om jaarlijks 300.000 bestaande woningen en andere gebouwen energieneutraal te maken. Dit is een landelijk cijfer. Voor de situatie in Zuid-Holland is een nadere analyse nodig. Middelen die hiervoor ingezet kunnen worden zijn: isoleren, aansluiten op een warmtenetwerk, cascaderen van lokale warmte, co-siting (bijeenbrengen en plannen van bedrijven met aansluitende warmtebehoeften) en efficiënter gebruik van energie. De provincie volgt het EU-beleid voor energie-efficiency bij nieuwbouw en het bestaand stedelijk gebied. De Energy Efficiency Directive (EED) wordt gehandhaafd door de omgevingsdiensten.
Het EU-beleid houdt in dat bedrijven verplicht zijn elke maatregel op het gebied van energie-efficiency door te voeren, mits deze een terugverdientijd heeft van vijf jaar of korter. Daarnaast geldt sinds 2012 de EMG (energieprestatienorm maatregelen op gebiedsniveau), waardoor maatregelen zoals aansluiting op een warmtenet ook meetellen. Nieuwbouwlocaties bieden de grootste kans om energie-efficiency te realiseren. Energiebesparing bij transformatie of herstructurering van het stedelijk gebied kan gerealiseerd worden door oude woningen te vervangen door woningen met een hoge energieprestatiecoëfficiënt (EPC).
85
5 Sturingsfilosofie 5.1 Naar een andere manier van samenwerken Ruimte geven aan initiatiefnemers
Operationeel doel
Ruimte geven aan initiatiefnemers voor ruimtelijke ontwikkelingen vanuit de samenleving door een andere manier van sturen
Realisatiemix
Samenwerking met initiatiefnemers en andere partijen Participeren bij initiatieven met inachtneming van de verantwoordelijkheid van de provincie als kadersteller op het gebied van de ruimtelijke ordening
De provincie kiest voor een nieuwe sturingsfilosofie, die ruimte biedt aan initiatieven vanuit de samenleving. De maatschappij kan en wil meer betrokken worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. De aanwezige creativiteit en innovatiekracht van burgers en bedrijven biedt kansen voor groei in Zuid-Holland. Een grotere betrokkenheid van de samenleving vraagt een aanpassing in het denken en doen van de provincie. Grootschalige ruimtelijke programma’s zijn verleden tijd. Dit komt onder meer door een daling van de bevolkingsgroei waardoor er minder woningen nodig zijn, door de groei van het thuiswerken waardoor er minder kantoorruimte nodig is en door de groei van het internetwinkelen waardoor de behoefte aan winkelvloeroppervlakte vermindert. Hierdoor zal er minder sprake zijn van grootschalige nieuwe verstedelijking, maar veel meer van kleinschalige transformatie. Deze veranderingen vragen een andere rol en houding van de overheid. De provincie zal veel minder vaak eigen ruimtelijke projecten alleen uitvoeren. Ze krijgt meer een rol als partij tussen de partijen. Dat betekent meewerken in netwerken, allianties zoeken, maar ook actief op zoek gaan naar nieuwe initiatieven en deze de ruimte geven. Dat neemt niet weg dat de provincie haar verantwoordelijkheid behoudt als kadersteller op het gebied van de ruimtelijke ordening, waar het gaat om belangen op bovenlokaal niveau.
De provincie heeft in haar nieuwe sturingsfilosofie gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds flexibiliteit en anderzijds het sturen op een goede ruimtelijke ontwikkeling. De provincie is van mening dat de strikte regelgeving in de verordening heeft plaats gemaakt voor meer ruimte voor andere overheden en maatschappelijke partijen. Dit gebeurt door aan ontwikkelingen in de verordening vaker doelbepalingen te koppelen in plaats van verbodsbepalingen. Daarnaast is in de Visie ruimte en mobilieit de regelgeving in de verordenig op een aantal punten verruimd. Voor de toepassing en uitvoering van de VRM zal de samenwerking nadrukkelijk worden gezocht 5.2 Werkprogramma strategische verkenningen
De provincie Zuid-Holland biedt de ruimte om de aanpak van maatschappelijke en strategische vraagstukken, waar mogelijk en zinvol, samen met partners uit de regio (medeoverheden, maatschappelijke initiatieven, kennisinstituten en bedrijfsleven) te verkennen. Een instrument om gezamenlijk tot gefundeerde (politieke) agendering te komen is het Werkprogramma van de strategische verkenningen. Een eerste invulling van het Werkprogramma gebeurt in 2014. De vier rode draden en strategische doelen vormen hiervoor het vertrekpunt.
86
5.3 Initiatieven vanuit de samenleving Initiatieven uit de samenleving
Operationeel doel
Omgaan met initiatieven uit de samenleving
Realisatiemix
Participeren bij initiatieven
Wanneer de provincie gevraagd wordt om mee te werken aan een ingebracht initiatief, besluit zij of en hoe ze hiermee omgaat. Wanneer het initiatief een provinciaal doel dient, kan de provincie voor een participerende rol kiezen en samen met de initiatiefnemer en andere betrokkenen onderzoeken hoe dit initiatief tot een goed resultaat gebracht kan worden. Wanneer het initiatief strijdig is met een provinciaal doel, zal de provincie niet meewerken. Wanneer het om een initiatief gaat dat geen provinciaal doel dient maar ook niet strijdig is met een provinciaal doel, zal de provincie een afweging maken. De rol van de provincie kan dan per initiatief verschillen. Wanneer het geen provinciaal doel dient maar de provincie toch meewerkt, zal het bijna altijd om een faciliterende rol gaan. 5.4 Samenwerking met andere overheden
De provincie kan het grootste deel van de operationele doelen die in dit programma genoemd worden, niet alleen bereiken. Ze heeft andere overheden en de samenleving hard nodig. De gemeenten blijven de belangrijkste (gespreks)partners voor de provincie. Veel initiatieven vanuit de energieke samenleving zullen eerder van lokale dan van provinciale aard zijn en via een gemeente de provincie bereiken. Bovendien wil de provincie samen met de gemeente optrekken in geval een initiatiefnemer als eerste de provincie benadert. Natuurlijk zijn er ook vraagstukken die de gemeentegrenzen overstijgen. De provincie zal dan de samenwerking zoeken die het best bij het vraagstuk past. Dat kan (een samenwerkingsverband van) een groep gemeenten zijn of een regio of bovenregionaal samenwerkingsverband (zoals het portefeuillehoudersoverleg Wonen en Verstedelijking voor de Zuidvleugel). Voor veel algemene ruimtelijke vraagstukken of onderwerpen die gemeentegrensoverschrijdend zijn, zal de regio of subregio de meest geschikte en logische partner zijn. In 2010 zijn de samenwerkingsafspraken tussen provincie, de gemeenten en regio’s vastgelegd in het Procesconvenant Ruimtelijke Ordening Zuid-Holland. Dit is in de eerste helft van 2013 geëvalueerd. Belangrijkste conclusie is dat de gemeenschappelijke doelstellingen van het convenant nog steeds gedeeld worden.
De provincie werkt samen met de partners aan een herijking van het convenant. Naast de samenwerkingsverbanden in gemeentelijk en (sub)regionaal verband werkt de provincie ook nauw samen met waterschappen en met de partners van de Zuidvleugel, het Groene Hart en de Zuidwestelijke Delta. Waterschappen Provinciale ambities in het domein water – die nauw gerelateerd zijn aan de ruimtelijke opgaven – wil de provincie verwezenlijken in overleg en samenwerking met de waterschappen, elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid. In het najaar van 2012 heeft de provincie met alle Zuid-Hollandse waterschappen een aantal afspraken over samenwerking vastgelegd in de Wateragenda Zuid-Holland 2012-2015. Zuidvleugel Om samenhang in de ruimtelijke ontwikkeling te bevorderen heeft het Rijk besloten samen met provincies en regio’s een adaptieve agenda voor de Zuidelijke Randstad op te stellen. De adaptieve agenda is een belangrijk hulpmiddel en kader voor het Rijk, de provincie en de regio’s bij het maken van afspraken over onderzoeken, programma’s en projecten in plansystematiek van het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). In de adaptieve agenda schetsen het Rijk, de provincie en de regio’s een gezamenlijk beeld van de 87
ruimtelijk-economische toekomst van de Zuidelijke Randstad. Bij de adaptieve agenda wordt ook een uitvoeringsstrategie opgesteld. De provincie heeft aangegeven voor een aantal thema’s de regie te willen nemen en de opgaven samen met de andere partijen uit te willen werken. Groene Hart Voor de ontwikkeling van het Groene Hart werkt de provincie samen met de provincies Utrecht en Noord-Holland aan het Uitvoeringsprogramma Groene Hart. De provincie zet in op versterking van de samenwerking, om invulling te geven aan de door het Rijk gevraagde regierol. Zuidwestelijke Delta Op het niveau van de Zuidwestelijke Delta werkt de provincie samen met het Rijk, de waterschappen en de provincies Zeeland en Noord-Brabant. Voor dit gebied is een uitvoeringsprogramma opgesteld, gericht op verbetering van de veiligheid, de waterhuishouding, de ecologie en het economische perspectief voor de hele (Vlaams-Nederlandse) Delta.
88
6 De Staat van Zuid-Holland monitor Visie ruimte & mobiliteit
tweejaarlij ks
|
|
monitor Programma ruimte
monitor Programma Mobiliteit
jaarlijks
De provincie monitort de voortgang van haar beleid. In de Monitor Visie ruimte en mobiliteit wordt de voortgang van strategische doelen op het gebied van ruimte en mobiliteit beschreven. Deze monitor wordt iedere twee jaar geactualiseerd en heeft als functie te signaleren, informeren en agenderen. De monitors van beide uitvoeringsprogramma’s worden jaarlijks uitgebracht en hebben als functie te agenderen, verantwoorden en bij te sturen. In het onderstaande schema zijn de functies van de verschillende monitors weergegeven. monitor Visie ruimte en mobiliteit
monitor Programma ruimte
monitor Programma mobiliteit
informeren
X
X
agenderen
X
X
verantwoorde X n
X
X
bijsturen
X
X
De monitors worden gepubliceerd in de Staat van Zuid-Holland. De nulmetingen van de monitors van de visie en uitvoeringsprogramma’s verschijnen in het najaar van 2014.
89