211119_Bijlage 4_Programmaruimte actualisering 2016_ANTW_TECH.VR_Pauw_PRO Sliedrecht_Sliedrecht Buiten.pdf
Tekst van het document
De provincie heeft op basis van de Huisvestingswet een wettelijke toezichthoudende taak op de huisvesting van vergunninghouders (veelal in de sociale woningbouw). Het Rijk stelt de taakstelling vast per gemeente. Vergunninghouders worden door het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) toegewezen aan gemeenten. De provincie ziet erop toe dat de gemeenten deze taak goed en adequaat uitvoeren. De taakstelling om vergunninghouders te huisvesten brengt een vraag naar goedkope woningen en woonruimten met zich mee. Deze maakt onderdeel uit van de woningbehoefte in een regio, waarover in regionaal verband afspraken worden gemaakt in het kader van de regionale woonvisie. De provincie faciliteert waar mogelijk bij knelpunten en voert overleg en maakt afspraken
24
met de betrokken partijen, waaronder de ministeries van Binnenlandse Zaken en Veiligheid en Justitie en het COA. Vrije vestiging in Zuid-Holland
Operationeel doel
Woningzoekenden kunnen zich vrij vestigen in ZuidHolland
Realisatiemix
Huisvestingsverordening Regionale woonvisies
De provincie heeft op basis van de Huisvestingswet een wettelijke toezichthoudende taak op de inhoud van lokale huisvestingsverordeningen. Het uitgangspunt van de provincie is vrije vestiging in Zuid-Holland. Dat betekent dat eventuele lokale vestigingsbeperkingen moeten worden afgebouwd, onder andere door het afbouwen van schaarste in de sociale woningvoorraad. Onderbouwing is nodig van de noodzaak om een huisvestingsverordening vast te stellen voor maximaal vier jaar. Regio’s of gemeenten die een Huisvestingsverordening toepassen, onderbouwen in de regionale woonvisie de noodzaak om regels te stellen ten aanzien van woonruimteverdeling en geven daarbij aan in welk segment van de woningmarkt sprake is van schaarste. Daarbij beschrijft de regio hoe en binnen welk tijdsbestek deze schaarste wordt afgebouwd. 2.2.4 Uitwerking van de verstedelijkingsstrategie voor bedrijventerreinen Voorzien in bedrijventerreinen
Operationeel doel
Voorzien in de kwantitatieve en kwalitatieve vraag voor bedrijventerreinen in 2030
Realisatiemix
Verordening ruimte Van kwantitatief programmeren naar kwalitatief programmeren. Komende periode wordt verkend hoe deze verandering te maken. Uitvoeringsstrategie Regionale Economie
De provincie streeft naar een concurrerend vestigingsklimaat. Daarvoor dienen bedrijven voldoende passende ruimte tot hun beschikking te hebben om te kunnen ondernemen. Door afnemende vraag naar ruimte is het aanbod van bedrijventerreinen tot 2030 over het algemeen voldoende. Tegelijkertijd voldoet het bestaande aanbod niet altijd aan de gewenste kwaliteit. Dat vraagt om een aanpak gericht op kwaliteit van het aanbod in plaats van kwantiteit en het beter benutten van het bestaande aanbod van bedrijventerreinen. De focus op kwaliteit vraagt tevens om een andere houding van de provincie. Elk gebied kent andere opgaven, andere spelers en andere coalities. De opgave wordt om ruimte te geven aan lokale en regionale initiatieven die bijdragen aan de gewenste kwaliteit. Daarbij passen maatwerk, flexibiliteit en een verbindende rol van de provincie. Dat heeft gevolgen voor de programmeringsopgaven en de ruimtelijke reserveringen voor bedrijventerreinen in de verschillende regio’s. De provincie wil ook meer flexibiliteit voor gemeenten mogelijk maken. Voor binnenstedelijk gelegen bedrijventerreinen met milieucategorie 1 en 2 schept de provincie de mogelijkheid om te transformeren, om beter te kunnen inspelen op de vraag. Voor binnenstedelijk gelegen bedrijventerreinen met milieucategorie 3 is functiemenging alleen mogelijk wanneer de belangen van bedrijven niet worden geschaad.
Bedrijventerreinen waar bedrijven gevestigd zijn van categorie 3 en hoger (HMC) en watergebonden bedrijven, mogen worden getransformeerd naar een andere functie. Het aantal hectare dat wordt getransformeerd, moet door de gemeente wel worden gecompenseerd, tenzij aangetoond kan worden dat er geen behoefte is. Deze behoefte moet zijn afgestemd in regionaal verband en aangegeven moet worden waar de eventuele compensatie zal plaatsvinden. Programmeren In de kolom T + IJV (transformatie en ijzeren voorraad) in de onderstaande tabel is onder andere de vervangingsvraag opgenomen. De vraag voor de vervanging en transformatie bedraagt voor de periode 25
2021 tot 2030 2% tot 2,5% van de totale voorraad. In de behoefteramingen wordt daarnaast een zogenaamde ‘ijzeren voorraad’ gehanteerd. Het gaat hier om de voorraad die direct uitgeefbaar is en daarom op voorhand beschikbaar moet zijn. De omvang hiervan is bepaald op de vraagbehoefte voor drie tot vijf jaar. Deze totale vraag per regio is overgenomen uit de beleidsvisie Regionale Economie en Energie 2012-2015, maar aangepast op basis van de nog resterende looptijd. Voor de subregio’s is de transformatievraag niet bekend. De kolom ‘hard aanbod’ omvat het aanbod waarvoor een bestemmingsplan van kracht is1; de kolom ‘zacht aanbod’ het aanbod waarvoor in het provinciaal beleid (Provinciale structuurvisie 2020) een aanduiding bedrijventerrein was vastgelegd, maar nog geen bestemmingsplan is vastgesteld.
De regionale behoefteramingen voor bedrijventerreinen laten over het algemeen een minder grote behoefte aan ruimte zien dan in het verleden. De huidige (in 2012 geactualiseerde) ramingen liggen voor 2030 op provinciaal niveau circa 30% lager dan de ramingen uit 2009. Onderstaande tabellen geven de confrontatie weer tussen de behoefteramingen op korte termijn (tot 2020) en het harde aanbod, alsmede tussen de behoefteramingen op lange termijn en het harde én zachte aanbod. Deze gegevens zijn relevant om te kunnen beoordelen welke bestemmingsplannen moeten worden doorgezet. Actualisatie vraag naar en aanbod van bedrijventerreinen tot 2020 naar regio's (netto ha) PR 20142 regio
vraag 2016-2020
transformati totaal vraag e en tot 2020 ijzerenvoorr aad
hard aanbod vraag - hard binnen en aanbod buiten bsd
Haaglanden
50
26,5
76,5
96
-20
Holland Rijnland
25
40
65
191
-126
Midden-Holland
13
14
27
101
-74
regio Rotterdam
197,5
99,5
297
407
-110
Zuid-Holland Zuid
55
36,5
91,5
217
-126
340,5
216,5
557
1013
-456
Zuid-Holland
Actualisatie vraag naar en aanbod van bedrijventerreinen tot 2030 naar regio's (netto ha) regio
vraag transform totaal 2016-2030 atie en vraag tot ijzerenvoo 2030 rraad
hard zacht aanbod aanbod binnen en buiten bsd
vraag hard aanbod
1 Er is een aantal, vaak verouderde, terreinen dat na herontwikkeling en herstructurering nieuwe ruimte biedt voor bedrijvigheid. Deze
terreinen liggen meestal binnen bsd en zijn daarom niet in één van bovenstaande tabellen opgenomen, maar bieden dus nog wel aanbod. Voor zover bekend in de digitale systemen zijn dergelijke bestaande bedrijventerreinen met hernieuwde uitgifte mogelijkheden opgenomen in de vraag-aanbodconfrontatie als beschikbaar aanbod op de korte termijn (in de kolom hard aanbod). Het kan zijn dat voor deze terreinen nieuwe bestemmingsplannen moeten worden opgesteld. Deze moeten dan voldoen aan het huidige vigerend provinciaal beleid en dus o.a. een motivatie voor de Ladder voor Duurzame Verstedelijking bevatten. Omdat de tweede trede van de Ladder juist bedoeld is om bestaande bedrijventerreinen beter te kunnen benutten, is het van belang dat dit soort terreinen eerder ontwikkeld kunnen worden dan geheel nieuwe terreinen, vandaar dat deze bij het aanbod hoort voor de korte termijn. In onderstaande tabellen is het Afsprakenkader Bedrijventerreinprogrammering Hoeksche Waard 2014-2030 2 nog niet verwerkt omdat dit op het moment van schrijven op onderdelen nog verder wordt geconcretiseerd. In het afsprakenkader zijn afspraken gemaakt over de fasering en het terugdringen van de overcapaciteit aan bedrijventerreinen in de Hoeksche Waard.
26
Haaglanden
143
101
243
96
35
112
Holland Rijnland
64
96
159
191
108
-140
Midden-Holland
31
37
68
101
138
-171
regio Rotterdam
589
329
917
407
183
327
Zuid-Holland Zuid
146
122
268
217
160
-109
Zuid-Holland
972
683
1655
1013
624
18
De behoefte voor de regio Rotterdam is door Ecorys bepaald binnen een bandbreedte. In onderstaande tabel is voor de regio Rotterdam de hoge behoefteraming opgenomen die gezien de economische ontwikkeling minder opportuun lijkt. Vraag tot 2030 regio 865 Rotterdam hoog
T+ IJV
totaal behoefte tot 2030
hard aanbod
zacht aanbod
Vraag – aanbod tot 2030
479
1344
441
291
612
Teko rt
Belangrijkste conclusie van bovenstaande tabellen is een stevig overaanbod aan bedrijventerreinen op de middellange termijn (tot 2020) en een balanssituatie op de lange termijn (tot 2030). Deze tabellen zijn gebaseerd op de vraagprognose zoals opgesteld in de Visie Ruimte en Mobiliteit 2014. Door de crisis en een structureel veranderde economie is echter de daadwerkelijke vraag naar bedrijventerreinen de afgelopen jaren fors minder geweest dan geprognosticeerd in de VRM. Over de afgelopen periode bedroeg de daadwerkelijk uitgifte gemiddeld ca. 40 ha per jaar over de afgelopen vijf jaar, ruim onder de gemiddelde ruimtebehoefte (111 ha) die berekend was voor de periode 2010-2020 (incl. de vraag voor transformatie en ijzeren voorraad). Naast dreigend kwantitatief overaanbod lijkt er ook een kwalitatieve mismatch te ontstaan; aangeboden kavels en terreinen voldoen niet altijd aan de vraag van de sectoren. Het type vraag, de kwalitatieve kant van de benodigde hectares, verandert komende jaren, onder invloed van maatschappelijke trends, waarschijnlijk nog verder. Actualisatie van de vraagprognoses is geboden en dit voornemen is ook besproken in de Statencommissie Ruimte&Leefomgeving (april 2016) in het kader van de bespreking van de notitie vraaggericht bedrijventerreinenbeleid. Op moment van schrijven zijn hiertoe al stappen gezet.
De nieuwe vraagprognose zal verwerkt worden in de actualisatie van het programma in 2017. Voor de regio Rotterdam zal dan blijken of het tekort aan bedrijventerreinen nog zo aanzienlijk is als bij de huidige behoefteramingen en wat de noodzaak ervan is om deze in de naburige regio’s op te vangen. De regio Hoeksche Waard heeft zijn programmering in 2015 naar beneden bijgesteld. In GoereeOverflakkee is herprogrammering momenteel aan de orde. De weidevogelcompensatie voor Veenderveld 2 moet nog in het op te stellen bestemmingsplan voor Veenderveld 2 geregeld worden. Kwaliteit Zoals eerder gememoreerd worden in 2016 de kwalitatieve en kwantitatieve behoefteramingen geactualiseerd. Herstructurering van bedrijventerreinen blijft een belangrijke opgave voor gemeenten en het is wenselijk dat prioriteit te geven boven nieuwe uitleg. Tegelijkertijd voldoet het aanbod niet aan de juiste kwaliteit. Er is sprake van een kwalitatieve mismatch. De zeer diverse economische structuur van Zuid-Holland vraagt om een gedifferentieerd en kwaliteitsrijk aanbod van bedrijventerreinen. Het Havenindustrieel Complex (HIC), de greenports en de kennisintensieve bedrijvigheid stellen specifieke eisen aan bedrijventerreinen. Om deze sectoren ook in de toekomst vestigingsmogelijkheden te kunnen bieden, is een voldoende groot areaal HMC-bedrijventerreinen en watergebonden bedrijventerreinen nodig. 27
Toch blijkt het niet goed mogelijk om met de huidige behoefteramingen op sector niveau de (kwalitatieve) behoefte inzichtelijk te krijgen. Bij de in de tabellen weergegeven vraagcijfers wordt nog uitgegaan van een kwantitatieve benadering van de vraag. De nieuwe behoefteramingen dienen ook antwoord te geven op de kwalitatieve behoeften. 2.2.5 Behouden en versterken van de leefkwaliteit in BSD Goed woon- en leefklimaat
Operationeel doel
Realiseren van een beter woon- en leefklimaat door te voldoen aan wettelijke normen
Realisatiemix
Wetgeving
De ambitie is om verdichting, herstructurering en transformatie in steden en dorpen samen te laten gaan met behoud en zo mogelijk versterking van de milieukwaliteit en het woon- en leefklimaat. Milieu De provincie zal aan de wettelijke milieueisen voor lucht, geluid en externe veiligheid moeten voldoen. Milieueisen worden steeds meer door de Europese Unie bepaald en worden eerder strenger en uitgebreider dan omgekeerd. Zo is sinds 1 januari 2014 voor personen- en vrachtauto’s de scherpere Euro V1 norm voor luchtkwaliteit van toepassing. Verder zal ter verbetering van de gezondheid en luchtkwaliteit in 2015 een Europese norm gaan gelden voor ultrafijn stof (Pm 2,5), die in 2020 zal worden aangescherpt. Naarmate het schoner, stiller en veiliger is, valt er beter te verdichten, intensiveren en herstructureren, zijn functies beter te mengen en transformeren en is het doorgaans aangenamer vertoeven. Hiermee draagt een hoge milieukwaliteit zowel bij aan de gebruikswaarde als de belevingswaarde van de ruimte. Primair zet de provincie in op bronbeleid. Voor het verbeteren van de luchtkwaliteit is de provincie partner in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, dat er op is gericht om tijdig de door de Europese Unie vastgelegde kwaliteiten te bereiken. De provincie wil in voorkomende gevallen meezoeken naar oplossingen en maatwerk.
Externe veiligheid De provincie zet zich in voor de bescherming van grote groepen burgers tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen en met luchtvaart. Rond Rotterdam The Hague Airport en de veel bevaren waterwegen wordt aanvullend ruimtelijk veiligheidsbeleid gevoerd. Voor alle transportassen geldt dat zij onderdeel uitmaken van het provinciedekkend basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Risicovolle activiteiten worden zoveel mogelijk geclusterd op geschikte terreinen en de daarvoor geschikte transportassen. Om op lange termijn de knelpunten rond het spoorvervoer op te lossen zet de provincie in op maximaal vervoer over de Betuweroute en de aanleg van een ‘dedicated’ goederenlijn tussen Rotterdam en Antwerpen (RoBel) om zo de problemen bij Zwijndrecht en Dordrecht op te lossen. Geluidruimteverdeling op bedrijventerreinen In de provincie wordt geluidruimteverdeling op steeds grotere schaal toegepast. Dit geldt bijvoorbeeld voor de gemeente Rotterdam, die een aantal geluidruimte-verdeelplannen in haar bestemmingsplannen heeft opgenomen. Met geluidruimteverdeling kan een efficiënt gebruik van de gronden van het industrieterrein tot stand worden gebracht. Ook kan daarmee worden voorkomen dat een industrieterrein ‘op slot raakt’. Verlening van een milieuvergunning voor een inrichting op een in fysieke zin nog niet vol industrieterrein is dan niet meer mogelijk.
Dit komt omdat de beschikbare geluidruimte geheel in beslag is genomen door de overige op het terrein gevestigde inrichtingen. Met geluidruimteverdeling wordt voorkomen dat een bedrijf vertrekt naar een ander industrieterrein. Geluidruimteverdeling is dus een instrument voor intensief ruimtegebruik. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor een deel van de op het industrieterrein gelegen inrichtingen, welke vaak ook zijn aangemerkt als de HMC. Geluidruimteverdeling dient in juridische zin goed te zijn vormgegeven. Indien een gemeente het voornemen heeft tot geluidruimteverdeling over te gaan, moet dit worden gekoppeld aan het bestemmingsplan. De provincie heeft een model voor geluidruimteverdeling in het kader van de ruimtelijke ordening laten ontwikkelen. Dit model kan als
28
handreiking door gemeenten worden gebruikt. De provincie wil verder onderzoek doen naar een goede, juridisch gedragen methodiek voor geluidruimteverdeling. Ruimtelijke kwaliteit in de groene ruimte
Operationeel doel
Realiseren en in stand houden van een stedelijke groenstructuur binnen het stedelijk gebied
Realisatiemix
Handreiking bodemafdekking Beleidsuitwerking stedelijke groen- en waterstructuur
In de stedelijke groen- en waterstructuur komen diverse doelen en opgaven bijeen, die een (boven)regionale component hebben en daarmee ook van provinciaal belang zijn. De primaire verantwoordelijkheid voor de stedelijke groen- en waterstructuur ligt in de meeste gevallen bij de gemeente en/of het waterschap. Om die reden zijn in de VRM wel de provinciale belangen met betrekking tot deze structuur benoemd en is de structuur zelf indicatief op kaart weergegeven. Daarbij is volstaan met de relatief grote groengebieden binnen het stedelijk gebied, omdat die het meest duidelijk een rol spelen in de bovenregionale groenblauwe structuur. De provincie wil graag in samenwerking met betrokken gemeenten, regio’s en waterschappen de stedelijke groen- en waterstructuur concreet benoemen, beschermen en versterken en daarbij de rol van de provincie bepalen. Tevens wil de provincie graag meedenken en zonodig participeren in initiatieven van gemeenten, regio’s en waterschappen. Eén van de invalshoeken daarbij is de uitwerking van het Delta(deel)programma Nieuwbouw en Herstructurering met betrekking tot klimaatbestendigheid en de Regionale Adaptatiestrategie Haaglanden. In dit licht worden nader te bepalen onderdelen van de stedelijke groen- en waterstructuur van provinciaal belang geacht.
Binnenstedelijke herstructurerings- en verdichtingsprojecten en projecten van waterschappen ter realisering van de binnenstedelijke wateropgave moeten de groenblauwe structuur respecteren en waar mogelijk bijdragen aan de verdere realisatie daarvan. Van belang is verder dat bij de planvorming rekening wordt gehouden met de geschiktheid van de bodem om water vast te houden en/of te bergen en daarnaast met het benutten van de ruimte voor waterberging. Operationeel doel
De ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied en aan de randen van steden en dorpen verbeteren
Realisatiemix
Visie ruimte en mobiliteit: kwaliteitskaart, Gebiedsprofielen Ruimtelijke Kwaliteit Toepassen Gebiedsprofielen Ruimtelijke Kwaliteit
De provincie wil meer sturen op ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil onder meer de ruimtelijke kwaliteit verbeteren in het buitengebied en aan de randen van steden en dorpen. De kwaliteitskaart in de Visie ruimte en mobiliteit is een eerste stap om meer te sturen op ruimtelijke kwaliteit. De kaart toont de gebiedskenmerken en kwaliteiten die de provincie belangrijk vindt en is afgestemd met decentrale overheden. De provincie vraagt bij nieuwe ontwikkelingen om rekening te houden met de bestaande kwaliteiten in een gebied zoals vastgelegd op de kwaliteitskaart. Een nadere handreiking vormen de Gebiedsprofielen Ruimtelijke Kwaliteit, als verdere uitwerking van de kwaliteitskaart. Deze bieden inspiratie in het werken met ruimtelijke kwaliteit. De gebiedsprofielen benoemen de unieke elementen in een gebied en de ambities die de provincies met de gebiedskwaliteiten heeft. Ze bieden initiatiefnemers handreikingen hoe nieuwe functies het beste in het buitengebied of aan de stads- en dorpsrand kunnen worden ingepast en hoe bestaande plannen geoptimaliseerd kunnen worden. De provincie heeft de gebiedsprofielen opgesteld samen met gemeenten en waterschappen.
29
2.3 Vergroten agglomeratiekracht 2.3.1 Ruimtelijk reserveren en het niet onmogelijk maken van nieuwe infrastructuur Infrastructuur
Operationeel doel
Niet onmogelijk maken van nieuwe infrastructuur door ruimtelijk reserveren
Realisatiemix
Visie ruimte en mobiliteit: kaart van de ruimtelijke hoofdstructuur Programma mobiliteit
De provincie vindt het belangrijk om de ontbrekende schakels en capaciteitsverruimingen in het infrastructuurnetwerk ruimtelijk te reserveren. Onderstaand overzicht geeft deze ruimtelijke reserveringen weer, hiermee is nut en noodzaak van ieder afzonderlijk project nog niet bewezen. Het zijn niet enkel provinciale reserveringen. Er staat ook een aantal reserveringen van rijksinfrastructuur en een enkel gemeentelijk tracé op de lijst. Op de kaart van de ruimtelijke hoofdstructuur van de Visie ruimte en mobiliteit zijn alleen de ontbrekende schakels opgenomen. Hoofdwegen 1. A4 Den Haag – Leiden (2x4 rijstroken) 2. A4 Passage en Poorten & Inprikkers Haaglanden 3. A4 Hoogvliet – Klaaswaal 4. A13/16 5. A15 Papendrecht – Gorinchem: capaciteitsuitbreiding 6. A20 Knooppunt Gouwe – Nieuwerkerk aan den IJssel (2x3 rijstroken) 7. Blankenburgverbinding 8. A27 Hooipolder – Lunetten (2x3 rijstroken), verbreding Merwedebrug Gorinchem (2x4 rijstroken) en tegelijkertijd het niet onmogelijk maken van de spoorlijn Breda-Utrecht 9. Oranjeverbinding Hoofdspoor 1. Spoorverdubbeling Den Haag – Rotterdam, viersporigheid incl. station Kethel 2. Capaciteit spoor Rotterdam – Gouda, viersporigheid incl. station Westergouwe 3. Capaciteit spoor Den Haag – Gouda, viersporigheid incl. station Bleizo 4. Capaciteit spoor Leiden – Alphen – Woerden, tweesporigheid incl.
stations Hazerswoude – Koudekerk en Zoeterwoude Meerburg 5. Spoorverdubbeling Merwede-Lingelijn Regionale wegen 1. Rijnlandroute 2. A4 Passage en Poorten & Inprikkers Haaglanden 1. N 14, ongelijkvloerse kruisingen 2. N211 capaciteitsvergroting 3. Prinses Beatrixlaan Rijswijk 3. Knelpuntenaanpak Noordwestelijke Hoofdroute – Lozerlaan – Zuidelijke Randweg 4. Rotterdamsebaan 5. De westelijke verbinding N11/A12 (incl. de Bodegravenboog) 6. N57 capaciteitsvergroting Hellevoetsluis – Brielle 7. Oost – west verbinding Duin- en Bollenstreek (N206 – N205) (= studie Duinpolderweg) 30
8. Noordelijke Randweg Rijnsburg, tevens onderdeel van de studie Duinpolderweg 9. N207 capaciteitsverruiming Alphen – Leimuiden 10. Westelijke Randweg Waddinxveen (Bentwoudlaan) en Vredenburglaan 11. Capaciteitsvergroting Brienenoord- en Algeracorridor 12. N213 capaciteitsvergroting 13. (on)gelijkvloerse kruising N214 – N216 14. N215 Melissant – Dirksland 15. N218 capaciteitsvergroting 16. N222 Veilingroute 2x2 17. N223 aanpassing hoofdrijbaa 18. N459 capaciteitsuitbreiding + aansluiting rondweg Reeuwijk 19. N470/N471: 2x2 rijstroken 20. N480-N216 21. Verbinding Zwijndrecht - Barendrecht 22. N488 Klaaswaal Aansluitingen hoofdwegennet en onderliggend wegennet 1. A4 Vijfsluizen 2. A4 Plaspoelpolder 3. N11 – Zoeterwoude 4. A12 – N470 5. A13 – N209 6. A13 – N470 7. A15 Reeweg 8. A15 – N3 9. A15 – N57 10. A15 – A16 Noord 11. A16 Kralingseplein 12. A16 Mijlweg 13. A16 – N3 14. A20 Schieplein 15. N59 – Goeree-Overflakkee Regionaal openbaar vervoer 1. Stedenbaan: infrastructuur ten behoeve frequentieverhoging op de Oude Lijn en de Goudse Lijnen 2. HOV Leiden – Katwijk – Noordwijk 3. HOV Leiden – Den Haag 4. HOV Zoetermeer – Leiden 5. HOV Alphen – Schiphol 6. Netwerk RandstadRail Haaglanden, opwaardering tramnet naar light rail kwaliteit; 1. Lijn 1 (Scheveningen Bad – Delft Tanthof) 2. Lijn 19 (Leidsenhage – Delft Technopolis)
31
7. Bustangent Kijkduin – Harnaschpolder – Den Haag Zuidwest – Delft – Pijnacker – Zoetermeer 8. HOV Den Haag – Westland 9. HOV station Rijswijk – station Ypenburg 10. Doortrekking RandstadRail (Zoetermeerlijn) naar station Bleizo 11. HOV Rotterdam – Alexander naar Lansingerland 12. HOV Rotterdam – Ridderkerk tot aan de Drechtstedenring 13. HOV Nesselande – Zuidplaspolder 14. Zuidtangent Rotterdam: Schiedam – Stadshavens – Zuidplein – Feyenoord – Kralingse Zoom 15. HOV Hoekselijn verlengen tot het strand 16. HOV buscorridor Rotterdam Zuidplein – Goeree-Overflakkee 17. HOV Drechtstedenring Vaarwegen 1. Aanlegplaatsen openbaar vervoer over water: Gorinchem – Dordrecht – Rotterdam – Hoek van Holland 2. Bochtafsnijding Delftse Schie – Rotterdam 3. Capaciteitsvergroting Gouwe 2.3.2 Sterke centra met passende voorzieningen Ruimtelijke ontwikkelingen bij Stedenbaanstations
Operationeel doel
Gemeenten en regio’s stimuleren om ruimtelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied zoveel mogelijk te realiseren binnen de invloedsgebieden van de stations en haltes van Stedenbaan
Realisatiemix
Afspraken met de partners over ruimtelijke ontwikkelingen rondom de Stedenbaanstations
De doelstelling van Stedenbaan is het verhogen van het aantal reizigers per openbaar vervoer door het verkorten, versnellen en veraangenamen van de reis, waardoor deze aantrekkelijker wordt. Dit draagt bij aan de agglomeratiekracht van de Zuidelijke Randstad. In het kader van Stedenbaan zijn in 2007 en 2011 ruimtelijke ambities vastgesteld door de Zuidvleugelpartners. Deze ruimtelijke ambities zijn geoperationaliseerd in aantallen woningen en omvang van kantoorruimte. Er is meer kennis van Transit Oriented Development (TOD) en een toenemende aandacht voor allianties. Ook vraagt de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving van de stations en haltes meer aandacht. De Stedenbaanpartners werken via alliantiegesprekken aan een gezamenlijke ontwikkelstrategie. Bovenregionale voorzieningen
Operationeel doel
(Boven)regionale voorzieningen realiseren bij multimodale HOVknooppunten
Realisatiemix
In regulier overleg met gemeenten en regio’s aandacht vragen voor locatiekeuze bovenregionale voorzieningen en bestemmingsplannen hierop beoordelen, eventueel inzet Wro-instrumentarium. Uitvoeringsstrategie Regionale Economie
Het provinciaal concentratiebeleid voor kantoren, detailhandel en voorzieningen draagt bij aan de vitaliteit en daarmee de kwaliteit van stedelijke agglomeraties en centra. De provincie vindt het wenselijk dat gemeenten bovenlokale voorzieningen zoveel mogelijk realiseren nabij of in de directe omgeving /invloedsfeer van een multimodaal HOV-knooppunt. Daarbij maakt de provincie op basis van aard en omvang onderscheid naar bovenlokale centrumvoorzieningen (bv musea, bioscopen, 32
theaters) en overige bovenlokale voorzieningen (bv onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, grootschalige sportvoorzieningen en megabioscopen). Bovenlokale centrumvoorzieningen worden zoveel mogelijk in stedelijke centra gerealiseerd. De provincie vraagt hiervoor aandacht in de reguliere overleggen met gemeenten en regio’s en zal zo nodig het Wro instrumentarium inzetten. De aard en omvang van een bovenlokale voorziening (niet zijnde detailhandelsvestigingen en kantoren) moet aansluiten bij de aard en omvang van de locatie. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang: a) De mate van bereikbaarheid van de locatie; b) De mate van stedelijkheid van de locatie; c) Het profiel van de locatie. Over a): Een bovenlokale voorziening heeft per definitie een groot verzorgings/bedieningsgebied/ bereik. Een goede, multimodale bereikbaarheid (OV, auto, fiets) is een primaire voorwaarde. Bovenlokale voorzieningen liggen daarom bij voorkeur / worden bij voorkeur gesitueerd nabij of in de invloedssfeer / omgeving van een multimodaal HOV knooppunt. Over b): Bovenlokale voorzieningen kunnen in belangrijke mate bijdragen aan de aantrekkelijkheid en vitaliteit van stedelijke centra. Dat geldt niet voor alle bovenlokale voorzieningen in gelijk mate. Aard en omvang van de voorziening kunnen hierin verschil maken.
Voorzieningen als musea, theaters, bioscopen dragen bij uitstek bij aan de kwaliteit en het functioneren van stedelijke centra.(bovenlokale centrumvoorzieningen). Dergelijke voorzieningen liggen daarom bij voorkeur /worden bij voorkeur gesitueerd op multimodaal bereikbare plekken in stedelijke centra. Echter, bovenlokale voorzieningen als onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en grootschalige sportvoorzieningen, dragen niet per definitie bij aan het functioneren van een stedelijk centrum; zijn vaak van een omvang die situering in een centrum lastig maakt en zijn vooral gebaat bij een goede, multimodale bereikbaarheid. Dergelijke voorzieningen liggen bij voorkeur / worden bij voorkeur gesitueerd nabij of in de invloedssfeer / omgeving van een multimodaal HOV knooppunt. Hierbij kan een afweging aan de orde zijn of voorzieningen niet teveel in elkaars verzorgings/bedieningsbereik ingrijpen. Over c): Profilering van een stad(scentrum) kan clustering van specifieke, op de positionering aansluitende voorzieningen extra legitimeren. Vervolgens blijven de benadering, geschetst onder a) en b) gelden. 2.3.3 Kantoren bundelen op centrale locaties met goed hoogwaardig openbaar vervoer (HOV)
In de provincie bevindt zich een grote voorraad bestaande kantoren. De leegstand van kantoren is nog steeds aanzienlijk. Van het beschikbare kantorenaanbod is maar een beperkt aandeel kansrijk in termen van verhuurmogelijkheden. De provincie streeft er vanuit haar taak naar om de leegstand te beperken door plancapaciteit te reduceren. Daarnaast willen we vanuit het principe van de uitgestoken hand een bijdrage leveren aan en door het herstructureren of transformeren van bestaande leegstaande kantoren. Kantoren op concentratielocaties
Concentreren van kantoren op HOV locaties Operationeel doel
Nieuwe plancapaciteit voor kantoren bundelen op concentratielocaties
Realisatiemix
Verordening ruimte Afspraken in REO verband Uitvoeringsstrategie Regionale Economie
Zuid-Holland zet in op een sterke, internationaal concurrerende economie en de daarbij behorende positie op de kantorenmarkt. Een gevarieerd aanbod van kwalitatief hoogwaardige kantoren is hiervoor noodzakelijk. De oplopende problematiek op de kantorenmarkt, zoals de structurele leegstand en een overmaat aan plancapaciteit, heeft veel kantorenlocaties tegelijkertijd onder druk gezet. Terughoudendheid in nieuwbouw is nodig. Dit bevordert een actief beheer en exploitatie van bestaande kantoren door duurzame renovatie en transformatie naar andere bestemmingen. 33
In het landelijk Convenant Leegstand Kantoren (2012) is afgesproken dat partijen zoveel mogelijk de monitor en de prognoses van het EIB zullen hanteren. Ten aanzien van nieuwbouwbehoefte in Zuid-Holland gaat de provincie uit van een maximale vraag van 1,1 miljoen m² bruto vloeroppervlak (bvo) voor de periode 2013-2020. Voor de periode 2020-2030 gaat de provincie voorlopig uit van een maximale vraag van 1,2 miljoen m² bvo. De ingangsdatum behoefteraming voor kantoren gaat uit van 1 januari 2013. In 2016 gaat de provincie starten met het, samen met de regio’s, opstellen van nieuwe behoefteramingen voor kantoren. Nieuwbouwvraagramingen kantoren 2013 - 2020 en 2020 - 2030, volgens het EIB, in m² bvo REO-gebied
2013-20 2020-20 20 30
Holland Rijnland
46.000
49.000
Haaglanden
567.000
752.000
Midden Holland
24.500
26.400
Regio Rotterdam
456.400
353.000
Zuid-Holland Zuid
59.700
64.300
Zuid-Holland
1.153.60 1.245.30 0 0
Gemiddeld/ jaar
165.000
124.500
De cijfers in de bovenstaande tabel zijn inclusief een vraag naar vernieuwbouw. Op basis van expertoordelen mag ervan worden uitgegaan dat vernieuwbouw kan voorzien in zo’n 10 tot 20% van de totale vraag in de periode 2013-2020 en 35 tot 45% in de periode 2020-2030. De nieuwbouwvraag voor Zuid-Holland daalt in deze twee perioden dan tot minimaal circa 920.000 respectievelijk 700.000 m² bvo. Deze bandbreedte hangt samen met lastig in te schatten markt(prijs)ontwikkelingen, ontwikkelingen binnen het overheidsbeleid, verduurzamingsontwikkelingen, etc. De percentages kunnen regionaal en lokaal verschillen. Het is derhalve van belang om de marktontwikkelingen goed te blijven monitoren. Groei op concentratielocaties Het aantal concentratielocaties wordt in vergelijking met de PSV 2011 verder beperkt. Dit is gebaseerd op meerdere ontwikkelingen. Aan de ene kant conjunctureel vanwege de crisis, aan de andere kant structureel door bijvoorbeeld het nieuwe werken en het telewerken, die leiden tot minder vierkante meter kantoorruimte per werknemer. Vanuit de markt is nadrukkelijk aangegeven dat het aantal locaties beperkt dient te worden om versnippering tegen te gaan. Dit is ook besproken met de grote kantorengemeenten. Deze beperking van het aantal locaties past binnen de provinciale inzet op het vergroten van de agglomeratiekracht.
Om dit te bereiken, is concentratie wenselijk van voorzieningen als kantoren, detailhandel en bovenlokale voorzieningen en zijn er goede verbindingen nodig tussen de verschillende centra. Hieruit volgt de keuze voor locaties die gelegen zijn bij belangrijke treinstations langs Stedenbaan. Het gaat om de volgende concentratielocaties: Leiden CS, Den Haag CS/NOI, Gouda CS, Rotterdam CS, Rotterdam Alexander, Delft CS, en Dordrecht CS. Kantoren kunnen ontwikkeld worden binnen de invloedsgebieden van deze stations. Daarnaast zijn de locaties Den Haag Internationale Zone en Rotterdam Kop van Zuid aangewezen als concentratielocatie voor kantoren. Deze locaties liggen centraal in het stedelijk gebied en zijn - hoewel niet direct gelegen bij een treinstation - goed ontsloten met het openbaar vervoer. Ten slotte zijn ook Leiderdorp Vierzicht en Zoeterwoude Meerburg 34
aangewezen als concentratielocatie omdat daar in het verleden overeenkomsten over zijn gesloten (W4 resp. HOV-net). Dordrecht-Amstelwijck geldt als uitwijklocatie, omdat de ontwikkelingsruimte bij Dordrecht CS vanwege de externe veiligheid zeer beperkt is. De begrenzing van de concentratielocaties zonder treinstation is vastgelegd in de verordening. Dit betekent niet dat harde plancapaciteit buiten de concentratiegebieden niet meer gerealiseerd kan worden. Bestemmingsplannen kunnen worden uitgevoerd. Aanpassing daarvan is pas aan de orde indien de locaties niet worden opgenomen in de te actuele kantorenvisies (zie onder). In aanvulling op deze concentratielocaties is er een aantal scienceparken waar nieuwe kantoren mogelijk zijn ten behoeve van verdere versterking van de Kennisas. Het gaat om Bioscience Park Leiden-Oegstgeest, TIC Delft, (TU/Technopolis, Biotech Park), Estec-Space in Noordwijk, Businesspark en Rotterdam EUR Hoboken en EUR Woudestein. De locaties vormen, samen met de kenniscentra een onderdeel van de Kennisas. De specifieke kantoren ten behoeve van de scienceparken worden niet meegerekend in de planvoorraad van de betreffende regio. De provincie wil de ontwikkeling van bedrijvigheid op de kenniscentra en scienceparken optimaal faciliteren om zo clustervorming te stimuleren en de economie te versterken.
Het gaat om specifieke segmenten van de vastgoedmarkt, zeker op de scienceparken, met een internationale dimensie. In vrijwel alle gevallen gaat het om een combinatie van laboratorium- of testfaciliteiten in combinatie met kantoren. Over de aard en toelaatbaarheid van bedrijven op deze kenniscentra bestaan afspraken of kunnen deze worden gemaakt. Overige uitzonderingen op de kantorenlocaties worden gemaakt voor onder meer kleinschalige, zelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak van maximaal 1.000 m² per vestiging, kantoren met een lokaal verzorgingsgebied zoals banken en gemeentehuizen en bedrijfsgebonden kantoren. Dit is aangegeven in de Verordening ruimte. Voorzien in behoefte kantoren
Reductie plancapaciteit Operationeel doel
Voorzien in de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan kantoren
Realisatiemix
Verordening ruimte Afspraken in REO verband Uitvoeringsstrategie Regionale Economie
Vraag naar nieuwbouw versus harde en zachte plancapaciteit 2013-2030 REO gebied
Nieuwbouwbehoef te
planaanbod
Saldo planaanbod minus nieuwbouw
Periode
2013-2020
2020-2030
2013-2030
2013-2030
Holland Rijnland
46.000
49.000
243.000
148.000
Haaglanden
567.000
752.000
922.000
-397.000
Midden Holland
25.000
26.000
57.000
6.000
Regio Rotterdam
456.000
353.000
1.388.000
579.000
Zuid-Holland Zuid
60.000
65.000
200.000
75.000
Totaal
1.153.200
1.245.000
2.810.000
411.000
Bron: EIB 2012, 2013 en PZH In overeenstemming met het landelijk convenant aanpak leegstand kantoren wordt in de VRM ingezet 35
op beperking van de plancapaciteit voor nieuwbouwkantoren, op basis van regionale vraag- en aanbod ramingen. De door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale kantorenvisies voor de periode 2015-2018 gaan in totaal uit van ca. 2,4 mln. m2 aan nieuwbouwplannen voor de periode 2016 tot 2030. Dit sluit aan bij de totale vraagraming zoals opgenomen in de VRM. Op basis van de regionale visies is voorgesteld om daarvan 625.100 m2 te schrappen. Dit gebeurt vooral op nietkantorenconcentratielocaties in Haaglanden. Van de resterende ca. 1,8 mln. m2 aan nieuwbouwplannen ligt 724.000 m2 op de kantorenconcentratielocaties en science parken die in de VRM zijn aangewezen. Daarnaast is er 295.000m2 aan kantoorplannen voor kantoortypen waarvoor in de Verordening Ruimte een uitzondering is gemaakt. Op de regionaal geprioriteerde locaties ligt nog 742.000 m2 aan nieuwbouwplannen. Twee gebieden hebben voor 2015 bijzondere aandacht gekregen: • Met de (voormalige) regio Haaglanden en Holland Rijnland is de afspraak gemaakt dat Holland Rijnland voorziet in 50.000 m2 kantoorruimte voor de behoefte van Haaglanden. De ramingen zijn met dit getal afgelaagd voor Haaglanden en opgehoogd voor Holland Rijnland. • Voor Bleizo is de afspraak gemaakt dat dit een concentratielocatie kan zijn voor de behoefte van Haaglanden, nadat het station in 2018 is gerealiseerd.
Het is in 2015 programmatisch overgeheveld van de regio Rotterdam naar Haaglanden. Deze veranderingen zijn overigens niet verwerkt in de betreffende tabellen. Er is een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de nieuwbouw, waarbij de provincie de concentratielocaties benoemt. De door de regio’s in 2015/2016 aangepaste regionale visies, .zijn door de provincie per regio beoordeeld. Daarbij is de provincie ervan uitgegaan dat de regio in haar visie: •
De door de provincie vastgestelde regionale randtotalen hanteert, afgeleid van de landelijke EIB prognoses
•
Ingaat op het (her)gebruik van het bestaande, beschikbare aanbod kantoren (Ladder voor duurzame verstedelijking; “geen nieuwbouw tenzij”) De basis voor een nieuwe regionale programmering is een kwantitatieve en kwalitatieve vraag-aanbod analyse. Door zuinig te zijn met toevoegen van nieuwbouw wordt voorkomen dat de bestaande voorraad verder leegloopt en wordt de kans vergroot dat delen van de bestaande voorraad worden verduurzaamd en weer geschikt gemaakt voor (her)gebruik.
•
De afstemming tussen de kantoorgemeenten borgt en de procesregie voert op de totstandkoming van transformatieprofielen van een aantal grote kantoorlocaties. Een indicatie van de omvang van de te realiseren onttrekkingen tot 2020 is gewenst.
•
Uitgaat van het benutten van de harde plancapaciteit op de kantorenconcentratielocaties. De provincie biedt ruimte om een resterend deel van de nieuwbouwbehoefte te realiseren door het omzetten van zachte naar harde plancapaciteit op de kantorenconcentratielocaties of door handhaving van (een deel van) de harde plancapaciteit op andere locaties waar die reeds bestemd is.
Kantoorbestemmingen die nog niet zijn gerealiseerd en die noch in de verordening passen, noch zijn opgenomen in de op deze wijze geactualiseerde regionale visie die de instemming heeft van GS, vallen onder de aanpassingstermijn voor bestemmingsplannen. In uitzonderingsgevallen kan nog wel gebruik worden gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid voor onbenutte bouw- en gebruiksrechten. 2.3.4 Detailhandel bundelen binnen de provinciale structuur detailhandel Versterken detailhandelsstructuur Voorzien in vraag reguliere detailhandel
Operationeel doel
Versterken van de provinciale detailhandelsstructuur en optimaliseren van de ruimtelijke kwaliteit door te voorzien in de kwantitatieve en kwalitatieve vraag voor reguliere detailhandel
36
Realisatiemix
Verordening ruimte Nota Detailhandel Uitvoeringsstrategie Regionale Economie
De kern van het provinciaal detailhandelsbeleid ligt in de concentratie en clustering van detailhandel in de centra van steden, dorpen en wijken. Verspreid liggend aanbod draagt niet bij aan het clusteren en concentreren van het detailhandelsaanbod en tast de detailhandelsstructuur in ruimtelijke zin (afname ruimtelijke kwaliteit, toename leegstand) aan. Het provinciale detailhandelsbeleid is erop gericht om de detailhandelsstructuur zoveel als mogelijk te versterken door deze vooral kwalitatief te verbeteren en de beschikbaarheid en bereikbaarheid van detailhandelsvoorzieningen te garanderen. De dynamiek in de detailhandel wordt bevorderd vanwege het grote economische belang van deze sector. Een optimaal functionerende detailhandelsstructuur draagt bij aan de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit in het stedelijk gebied. Voor alle winkelgebieden, zowel regulier als perifeer, geldt dat kwalitatieve verbetering leidend is ten opzichte van kwantitatieve versterking. Dit ter voorkoming van verdere leegstand en het disfunctioneren van de structuur. Ruimtelijke ontwikkelingen die met nieuwe detailhandel gepaard gaan, worden in de toelichting op het bestemmingsplan onderbouwd via de ladder voor duurzame verstedelijking.
Daarnaast moet inzicht gegeven worden in de eventuele toename van de leegstand en de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit in het verzorgingsgebied, alsmede mogelijkheden voor saldering. Indien een ontwikkeling bovengemeentelijke effecten met zich meebrengt, is regionale afstemming nodig. De provincie beoordeelt de toelichting op het bestemmingsplan waarin de uitkomsten van deze regionale afstemming zijn opgenomen. De provinciale detailhandelsstructuur bestaat uit drie categorieën: ‘te ontwikkelen centra’, ‘te optimaliseren centra’ en de ‘overige centra’. De eerste twee categorieën zijn centra met een bovenlokale functie. De overige centra vervullen een lokale functie. Te ontwikkelen centra Op basis van het ja mits principe, kan voor deze categorie sprake zijn van uitbreiding van het winkelareaal. Primair wordt voor deze categorie centra gestreefd naar een opwaardering van de detailhandelsfunctie in termen van kwaliteit (winkelbestand en openbare ruimte), parkeren en bereikbaarheid en imago/beleving. Het gaat om de volgende locaties: •
Internationale centra: Den Haag centrum en Rotterdam centrum;
•
Nieuwe centra: Zoetermeer Stadshart, Rijswijk in de Bogaard, Rotterdam Alexandrium I, Rotterdam Zuidplein en Leidschendam Leidsenhage;
•
Historische binnensteden: Leiden centrum, Delft binnenstad, Dordrecht binnenstad en Gouda binnenstad.
Te optimaliseren centra Ook de ‘te optimaliseren centra’ hebben een bovenlokale functie. Dit betekent dat vooral zal moeten worden gewerkt aan een kwalitatieve versterking van de centra. Bij voorkeur zonder netto toevoeging van winkelmeters. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen deze categorie dienen vooral gericht te zijn op de ruimtelijke structuurversterking van de centra. Te denken valt aan verbetering van de routing en opzet van het winkelgebied, verdwijnen van incourante leegstaande (kleine) units, mogelijk maken van schaalvergroting van bestaande winkels en het verbinden met andere voorzieningen zoals horeca en leisure. Toevoeging van nieuwe winkelmeters is mogelijk op basis van het nee-tenzij-principe waarbij eventuele nieuwe winkelmeters dienen bij te dragen aan de verbeterde ruimtelijke opzet van de centra. Een overzicht van de ‘te optimaliseren centra’ is opgenomen in de tabel met de provinciale structuur reguliere detailhandel, PDV-en GDV-locaties Overige centra De overige centra vervullen een lokale functie en hebben een meerwaarde voor de leefbaarheid van de kleine kernen, wijken en buurten. Het toekomstperspectief is divers: sommige centra functioneren goed, andere centra komen in aanmerking voor een facelift, herprofilering, (gedeeltelijke) transformatie of samenvoeging. Voor deze categorie centra kan eventuele beperkte groei van het 37
winkeloppervlak aan de orde zijn om de dynamiek in de dagelijkse sector te faciliteren. Beperkte groei van het aanbod in de overige centra is ook mogelijk indien dit aanbod geen gelijke tred houdt met een sterke bevolkingsgroei die recent heeft plaatsgevonden, of aanstaande is, bij achterstand in het voorzieningenniveau of bij feitelijke en planologische saldering van aanwezige detailhandel uit hetzelfde verzorgingsgebied. In de toelichting op het bestemmingsplan dient ingegaan te worden op eventuele toename van de leegstand en de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit van het verzorgingsgebied alsmede mogelijkheden voor saldering. Indien een ontwikkeling bovengemeentelijke effecten met zich meebrengt, is regionale afstemming nodig. De provincie beoordeelt de toelichting op het bestemmingsplan waarin de uitkomsten van deze regionale afstemming zijn opgenomen. Vanwege de bovenlokale ruimtelijke effecten van grootschalige detailhandelsontwikkelingen, vindt de provincie het van belang dat nieuwe grootschalige ontwikkelingen in regionaal verband worden afgestemd. In de Verordening ruimte is aangegeven dat nieuwe detailhandel binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie moet worden gerealiseerd.
Voor (ontwerp)bestemmingsplannen die nieuwe detailhandel groter dan 2000 m² bruto vloeroppervlak binnen de centra mogelijk maken, moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat en de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig wordt aangetast. Het gaat daarbij onder meer om het voorkomen van onaanvaardbare leegstand. Met het oog hierop is advies nodig van de Adviescommissie Detailhandel Zuid-Holland en wordt zo nodig een distributieplanologisch onderzoek (DPO) uitgevoerd. Een overig centrum kan op een andere centrale en goed bereikbare locatie binnen hetzelfde verzorgingsgebied geaccommodeerd worden indien bij de achterblijvende locatie zicht is op zowel feitelijke als planologische sanering van detailhandel. Hier zou sprake van kunnen zijn op het moment dat meerdere locaties worden samengevoegd op een nieuwe locatie of bij opheffing en verplaatsing van een slecht functionerende aankoopplaats. Indien er als gevolg van de verplaatsing bovengemeentelijke effecten optreden of per saldo sprake is van een toename van het winkelareaal gelden dezelfde toelichtingsvereisten voor het bestemmingsplan zoals hierboven geschetst. Kleinschalige en ondergeschikte detailhandel Buiten de centra zijn enkele uitzonderingen mogelijk voor de vestiging van kleinschalige detailhandel, zoals gemakswinkels.
Op locaties met veel passanten en bezoekers, zoals de grote treinstations, zijn meerdere vestigingen passend. Op andere locaties, zoals een benzinestation, zal het aantal vestigingen in het algemeen beperkt blijven tot één. Als vorm van kleinschalige detailhandel kan ook detailhandel worden toegelaten die ondergeschikt is aan een beroep aan huis of ondergeschikt aan een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf, bijvoorbeeld de verkoop van producten bij een kapper of een schoonheidssalon. Detailhandel in ter plaatse vervaardigde goederen bij productiebedrijven is mogelijk. Bij agrarische bedrijven is de verkoop van producten uit eigen teelt toegestaan. Internetdetailhandel De provincie beschouwt afhaalpunten voor de internetdetailhandel als een vorm van detailhandel, vanwege de hiermee gepaard gaande publieksfuncties. Ze horen daarom thuis in winkelconcentraties. De provincie staat op dit standpunt naar aanleiding van de resultaten van een integraal onderzoek naar de gevolgen van internetdetailhandel, voor de kwaliteit van de leefomgeving en de mobiliteit. Afhaalen brengpunten voor de internetdetailhandel van niet dagelijkse goederen zonder een etalage/ showroomfunctie kunnen ook gesitueerd worden buiten winkelconcentraties, zoals bedrijfsterreinen, kantoorlocaties en brandstofverkoopplaatsen.
Afhaalpunten voor dagelijkse artikelen buiten de winkelconcentraties zijn nooit mogelijk geweest. Deze lijn wordt gehandhaafd.
38
Voorzien in vraag perifere detailhandel
Operationeel doel
Versterken van de detailhandelsstructuur en optimaliseren van de ruimtelijke kwaliteit door te voorzien in de kwantitatieve en kwalitatieve vraag voor perifere detailhandel
Realisatiemix
Verordening ruimte Nota Detailhandel Uitvoeringsstrategie Regionale Economie
Vanuit ruimtelijke overwegingen en het beleid om bedrijventerreinen voor reguliere bedrijven te behouden, wordt uitbreiding van de perifere, solitaire en verspreide detailhandel zeer terughoudend benaderd. Buiten de centra van steden, dorpen en wijken wordt alleen ruimte geboden aan enkele specifieke branches die vanwege aard of omvang van de goederen niet goed inpasbaar zijn in centra. PDV-locaties Er zijn opvanglocaties aangewezen voor grootschalige detailhandel in meubelen (inclusief in ondergeschikte mate woninginrichting) met een minimumoppervlakte van 1000 m² bruto vloeroppervlak en voor detailhandel in keukens, badkamers, vloerbedekking, parket, zonwering en jacuzzi’s. Deze zogenaamde PDV-locaties (voor Perifere Detailhandels Vestigingen) zijn aangeduid in de Verordening ruimte. Bij (ontwerp)bestemmingsplannen die nieuwe detailhandel groter dan 1000 m² bruto vloeroppervlak (bvo) op een PDV-locatie mogelijk maken, moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat en de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig wordt aangetast. Het gaat daarbij onder andere om het voorkomen van onaanvaardbare leegstand. Hiervoor gelden vrijwel dezelfde voorwaarden voor onderzoek en advies als bij nieuwe detailhandel in centra. Tuincentra en bouwmarkten Tuincentra en bouwmarkten, met een minimum brutovloeroppervlakte van 1000 m² kunnen op bedrijventerreinen gehuisvest worden.
Hiervoor geldt dat moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat en de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig wordt aangetast. Het gaat daarbij onder andere om het voorkomen van onaanvaardbare leegstand. Hiervoor gelden vrijwel dezelfde voorwaarden voor onderzoek en advies als bij nieuwe detailhandel in centra. A-B-C-categorie Detailhandel in auto’s, boten, caravans, motoren, scooters, zwembaden, buitenspeel- en fitnessapparatuur, piano’s, surfplanken, tenten, grove bouwmaterialen, landbouwwerktuigen en branden explosiegevaarlijke vloeistoffen versterkt de detailhandelsstructuur niet en is moeilijk inpasbaar in centra. Vestiging van deze branches kan daarom vanuit ruimtelijke overwegingen zonder verdere voorwaarden buiten de reguliere detailhandelsstructuur plaatsvinden. GDV-locaties In Zuid-Holland bevinden zich twee locaties voor Grootschalige Detailhandels Vestigingen (GDV): Alexandrium II en een deel van Haaglanden Megastores. Een GDV-locatie heeft meerdere grootschalige vestigingen, waarbij de branchebeperkingen van het perifere detailhandelsbeleid niet gelden. De omvang van een vestiging is minimaal 1.500 m². De provincie gaat uit van behoud en versterking van de bestaande ruimtelijke detailhandelsstructuur en handhaaft het aantal GDV-locaties in Zuid-Holland tot de bestaande twee.
39
Terugbrengen plancapaciteit
Operationeel doel
Plancapaciteit en bestaand winkelareaal terugbrengen
Realisatiemix
Verordening ruimte Aanpak leegstand Nota Detailhandel Uitvoeringsstrategie Regionale Economie
Als programmatisch kader zijn onderstaande ontwikkelingsmogelijkheden voor de reguliere detailhandel van toepassing. Tabel Ontwikkelingsmogelijkheden, huidig oppervlakte en leegstand detailhandel in m² winkeloppervlak per REO-gebied
REO-gebied
Huidige oppervlak Ontwikkelingsmogelijkhed Leegstand te in en 2020 (r2013) gebruik
Ontwikkelingsmogelijkhed en 2030 (r2013)
regio Rotterdam 1.752.000 197.000
-68.000
-79.000
Haaglanden
1.349.000 168.000
274.000
342.000
Zuid-Holland Zuid
849.000
76.000
-156.000
-165.000
Holland Rijnland
807.000
76.000
-96.000
-99.000
Midden Holland 325.000
37.000
-38.000
-32.000
5.082.000 554.000
-83.000
-33.000
Zuid-Holland totaal
Bron: Notitie detailhandel Zuid-Holland, actualisatie VRM 2013
Bovenstaand overzicht laat zien dat het huidige winkelvloeroppervlak in omvang verminderd kan worden om de detailhandelsstructuur ruimtelijk optimaal te kunnen laten functioneren. De regio Haaglanden vormt hierop een uitzondering. Door vermindering van winkelvloeroppervlak en planvoorraad wordt verder disfunctioneren van de detailhandelsstructuur voorkomen en de ruimtelijke kwaliteit niet verder aangetast. Het overzicht van de winkelleegstand toont de noodzaak aan om detailhandelsontwikkelingen vooral te concentreren in de provinciale structuur voor reguliere detailhandel en op PDV-locaties en tegelijkertijd het (plan)aanbod te reduceren. Overcapaciteit Het is wenselijk om detailhandelsontwikkelingen in een breder regionaal kader te kunnen plaatsen met afspraken over nieuwe ontwikkelingen maar ook bijvoorbeeld over het saneren van overaanbod. De provincie stimuleert daarom het opstellen van regionale detailhandelsvisies met daaraan gekoppeld duidelijke afspraken over uitvoering en monitoring. Elementen die daar onderdeel van kunnen maken zijn: actuele cijfers over aanbod en leegstand, regionale programmering, inventarisatie van kansrijke en kansarme centra, profielen per gemeente, nieuwe ontwikkelingen, schrappen (plan)aanbod en transformatie.
Voor zover een bestemmingsplan mogelijkheden biedt voor nieuwe detailhandel buiten de aangewezen locaties en buiten de genoemde uitzonderingen, is dit niet in overeenstemming met de verordening. De aanpassingstermijn voor bestemmingsplannen is hierop in principe van toepassing. In
40
uitzonderingsgevallen kan nog wel gebruik gemaakt worden van de afwijkingsmogelijkheid voor onbenutte bouw- en gebruiksrechten. Tabel Overzicht provinciale structuur reguliere detailhandel, PDV-en GDV-locaties status
sinds
Den Haag Centrum
ontwikkelen
2007
Delft Binnenstad
ontwikkelen
2007
Zoetermeer Stadshart
ontwikkelen
2007
Rijswijk in de Boogaard
ontwikkelen
2012
Leidschendam Leidsenhage
ontwikkelen
2012
Naaldwijk Centrum
optimaliseren 2007
's-Gravenzande Centrum
optimaliseren 2007
Den Haag Frederik Hendriklaan
optimaliseren 2012
Den Haag Leijweg
optimaliseren 2012
Delft in de Hoven
optimaliseren 2012
Den Haag Megastores
GDV/PDV
2007
Delft Ikea
PDV
2007
Delft Leeuwestein
PDV
2007
Naaldwijk Industriestraat
PDV
2007
Zoetermeer Woonhart
PDV
2007
Rotterdam Centrum
ontwikkelen
2007
Rotterdam Alexandrium I
ontwikkelen
2007
Rotterdam Zuidplein
ontwikkelen
2007
Rotterdam Keizerswaard
optimaliseren 2012
Rotterdam Hoogvliet
optimaliseren 2012
Spijkenisse Centrum
optimaliseren 2007
Vlaardingen Centrum
optimaliseren 2007
Hellevoetsluis Struytse Hoeck
optimaliseren 2007
Schiedam Centrum
optimaliseren 2007
Krimpen a/d IJssel Centrum
optimaliseren 2007
Maassluis Koningshoek
optimaliseren 2014
Capelle a/d IJssel Koperwiek
optimaliseren 2007
Berkel en Rodenrijs Centrum
optimaliseren 2012
Haaglanden
regio Rotterdam
41
Barendrecht Centrum
optimaliseren 2012
Ridderkerk Centrum
optimaliseren 2012
Rotterdam Alexandrium II & III
GDV
2007
Capelle a/d IJssel - Hoofdweg (Capelle XL)
PDV
2007
Rotterdam Stadionweg
PDV
2007
Barendrecht Reijerwaard / Cornelisland
PDV
2007
Spijkenisse Kolkplein
PDV
2007
Hellevoetsluis Moerman
PDV
2007
Maassluis Electraweg
PDV
2007
Ridderkerk Donkersloot
PDV
2007
Rotterdam Marconiplein
PDV
2007
Vlaardingen Hoogstad
PDV
2007
Barendrecht Vaanpark
PDV
2007
Spijkenisse Schiekamp
PDV
2007
Dordrecht historische binnenstad
ontwikkelen
2007
Gorinchem Centrum
optimaliseren 2007
Oud-Beijerland Centrum
optimaliseren 2007
Zwijndrecht Walburg
optimaliseren 2007
Sliedrecht Centrum
optimaliseren 2007
Middelharnis Centrum
optimaliseren 2007
Hendrik-Ido-Ambacht De Schoof
optimaliseren 2012
Leerdam Centrum
optimaliseren 2007
Papendrecht Centrum
optimaliseren 2007
Sliedrecht Nijverwaard
PDV
2007
Oud-Beijerland De Bosschen
PDV
2007
Dordrecht Mijlweg
PDV
2007
Gorinchem Spijksedijk
PDV
2007
Leerdam Nieuw Schaijk
PDV
2007
Middelharnis
PDV
2007
Numansdorp
PDV
2007
Strijen Woonstrada
PDV
2007
Zuid-Holland Zuid
Holland Rijnland
42
Leiden historische binnenstad
ontwikkelen
2007
Leiden Luifelbaan
optimaliseren 2012
Leiderdorp Winkelhof
optimaliseren 2007
Katwijk Centrum
optimaliseren 2007
Alphen a/d Rijn Centrum
optimaliseren 2007
Lisse Centrum
optimaliseren 2007
Alphen a/d Rijn Euromarkt
PDV
2007
Leiden Lammenschansweg
PDV
2007
Leiderdorp Baanderij
PDV
2007
Leiderdorp Meubelplein
PDV
2007
Zoeterwoude / Hazerswoude Rijnekeboulevard
PDV
2007
Katwijk 't Heen
PDV
2007
Gouda historische binnenstad
ontwikkelen
2007
Gouda Bloemendaal
optimaliseren 2012
Bodegraven Centrum
optimaliseren 2007
Bergambacht Centrum
optimaliseren 2007
Schoonhoven Centrum
optimaliseren 2007
Nieuwerkerk a/d IJssel Reigerhof
optimaliseren 2007
Goudse Poort
PDV
Midden Holland
2.4 Agrologistieke en haven-industriële netwerk
43
2007
2.4.1 Havenindustrieel Complex (HIC) Samenwerken aan uitvoering Havenvisie 2030
Operationeel doel
Samenwerking met belangrijke stakeholders van de Haven Rotterdam om de Uitvoeringsagenda Havenvisie 2030 te realiseren. De provincie richt zich daarbij vanuit haar rol en verantwoordelijkheid op onderstaande thema’s: 1. bereikbaarheid en mobiliteitsmanagement 2. multimodale inlandterminals 3. slim vergunnen 4. ontwikkeling biobased economy 5. duurzame ruimtelijke ontwikkeling
Realisatiemix
Programma ruimte, Agenda ruimte: bestuurlijke afspraken over ruimtelijke reserveringen (bijvoorbeeld voor wind, warmte(net) en biobased economy (biomassa-overslag, bioraffinage, bioLNG terminals, etc.) Afspraken over ruimtelijke reserveringen en biobased economy Strategiekaart behorende bij de Visie ruimte en mobiliteit Programma mobiliteit: regionale infrastructuur Voor zover de bovengenoemde thema’s geen ruimtelijke of infrastructurele implicaties hebben, worden de betreffende acties opgenomen in de: •
Uitvoeringsstrategie Regionale Economie
•
Beleidsvisie Duurzaamheid en Milieu
•
Innovatiestimulering via EFRO (Beleidsvisie regionale economie en energie
De Havenvisie 2030 en het bijbehorende Uitvoeringsprogramma wijzen de weg naar een toekomstbestendige mainport. De Havenvisie is tot stand gekomen in gezamenlijkheid met alle stakeholders van de Haven Rotterdam. Realisatie van de ambities uit de Havenvisie is alleen mogelijk door een gezamenlijke inzet van publieke en private partijen. Hiervoor is tussen de belangrijkste stakeholders, waaronder de provincie, het ‘Convenant Uitvoering Havenvisie 2030‘ opgesteld. De provincie heeft zich gecommitteerd aan een aantal acties uit het convenant. Daarnaast zet de provincie, aansluitend op haar eigen rol en verantwoordelijkheid, ook andere instrumenten in, ter realisering van de verdere groei van de mainport binnen de milieugebruiksruimte.
Logistiek netwerk
Operationeel doel
Versterken van het (regionaal) logistiek netwerk
Realisatiemix
Uitvoeringsstrategie Regionale Economie Programma mobiliteit
In de Rijksstructuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is een (inter)nationaal kernnet logistiek gedefinieerd voor de modaliteiten weg, water en rail. Dit netwerk is door de provincie regionaal aangevuld en gecompleteerd. Beoogd is een logistiek systeem waarbij de keuze tussen de modaliteiten niet bij voorbaat vast hoeft te staan, maar op basis van de actuele omstandigheden kan worden gemaakt. Dit synchromodaal vervoer maakt een flexibele en duurzame inzet van alle modaliteiten mogelijk zodat de beschikbare capaciteit beter wordt benut. Dit is belangrijk voor de versterking van de concurrentiepositie van de economische topsectoren in Zuid-Holland en dan met name voor de greenports en de mainport Rotterdam. Het logistiek netwerk is opgebouwd uit twee onlosmakelijk met elkaar verbonden componenten. Enerzijds is er het gebruik van het netwerk voor de afwikkeling van goederen door het (logistieke) 44
bedrijfsleven. Anderzijds zijn er de daarvoor benodigde verbindingen (rail, water en weg) en knooppunten (distributie centra, containerterminals, laad en loswallen, railterminals, etc.). Een aantal provinciale wegen, vaarwegen en railverbindingen die veelvuldig worden gebruikt door het logistieke bedrijfsleven, is onderdeel van het netwerk. Ook is er een aantal knooppunten in ZuidHolland belangrijk voor het functioneren van het netwerk. In samenwerking met het bedrijfsleven en andere overheden probeert de provincie het netwerk zo optimaal mogelijk te krijgen. Voor het functioneren van het netwerk is het essentieel dat de knooppunten waar mogelijk ruimtelijk worden versterkt. Dat kan ook structurerend werken op de omgeving. Het gebruik van een containerterminal zal bijvoorbeeld toenemen bij intensivering of uitbreiding van de bedrijvigheid. Als er voldoende potentie is voor containerterminals in de omgeving van Delft en Gouda, zal de benodigde ruimte langs de vaarweg worden gereserveerd. Bedrijventerreinen aan het water worden dan zo veel mogelijk gebruikt door bedrijven die gebruik maken van vervoer over water. Zand- en grintoverslag blijft mogelijk langs de verschillende vaarwegen. Agrologistieke handels- en transportcentra (Coolport Waal- en Eemhaven, ABC-Westland) aan het kernnet worden waar mogelijk ruimtelijk versterkt.
Als er voldoende vraag is vanuit het bedrijfsleven, wordt ruimte gerealiseerd voor een railterminal in Bleiswijk in overleg met de gemeente Lansingerland. Naast locaties voor potentiële terminals, wordt ook gezocht naar potenties voor markt en logistieke concepten De provincie wil daarnaast de verbindingen tussen de mainport en de handelsgebieden binnen de greenports verbeteren. Deze handelsgebieden zijn Barendrecht, ABC-Westland in Poeldijk, Honderdland in Maasdijk, de veilingen van Naaldwijk, Bleiswijk, Rijnsburg en Aalsmeer en het Poten Containerteeltterrein in Boskoop. Watergebonden bedrijvigheid In het kader van Deltri werkt de provincie Zuid-Holland samen met de provincie Noord-Brabant, de regio’s (de Stadsregio Rotterdam, de Drechtsteden en West-Brabant), het Havenbedrijf en de gemeente Rotterdam aan de ontwikkeling van een logistieke en maritieme topregio. Binnen dit samenwerkingsverband is een strategie ontwikkeld om voor beide sectoren voldoende bedrijventerreinen aan te kunnen bieden, gekoppeld aan het Havenindustrieelcomplex. Zeker gezien de schaalvergroting, (de vergroting van de binnenvaartschepen en de benodigde kadelengte) zijn ruimtelijke reserveringen voor de maritieme en logistieke sector noodzakelijk. Efficiënt ruimtegebruik in de haven Rotterdam en omliggende regio