08.1 Bijlage bij Nota van zienswijzen
Tekst van het document
Vanwege het feit dat Chemelot lange tijd niet toegankelijk is geweest voor archeologisch onderzoek, is ons beeld voornamelijk gesto eld op deels oude onderzoeken van Beckers in de jaren ’20 van de vorige eeuw en deels op recentere AMZ -onderzoeken die beperkt zijn tot ontwikkelingen op specifieke plots. Het is daarom goed mogelijk dat toekomstig onderzoek het beeld gepresenteerd in dit hoofdstuk doet veranderen. Ondanks de beperkingen zijn er wel enkele grote lijnen te destilleren uit de bekende gegevens, zeker wanneer deze worden geplaatst in een breder kader.
4.2 Provinciaal aandachtsgebied Graetheide De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten op korte termijn haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden. In het Limburgse landschap van de Middenterrassen is de Graetheide aangewezen als aandachtsgebied. Deze toewijzing is geschied vanwege de hoge verwachting voor de aanwezigheid van nederzettingen en grafvelden van de Lineair Bandkeramische cultuur en andere archeologische perioden van midden neolithicum tot late middeleeuwen in dit relatief gave lössgebied tussen Sittard, Geleen, Stein en Born. Het aandachtsgebied Graetheide herbergt een groot aantal vindplaatsen uit voornamelijk het neolithicum, de ijzertijd en de Romeinse tijd. Het zijn voor het grootste deel lo caties bekend van oppervlaktevondsten die tijdens veldkarteringen, uitgevoerd door enthousiaste amateurarcheologen, aan het licht zijn gekomen.
Zo is volgens een onderzoek (Van Wijk, 2012) meer dan 50% van het totaal aantal (n=171) waarnemingen gedaan tijdens veldkarteringen door amateurarcheologen. Gezien de voornamelijk agrarische functie van de Graetheide is er weinig ruimtelijke druk waardoor het aantal uitgevoerde archeologische onderzoeken beperkt is gebleven. Desondanks is het algemene beeld dat de bewoning zich lijkt te clusteren langs de beek- en droogdalen en de terrasranden. Dit blijkt onder andere uit studies naar de verspreiding van Romeinse villa’s in de regio Heerlen -Voerendaal (Jeneson,
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[30]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
2012) en naar de verspreiding van bandkeramische nederz ettingen in de Graetheide-regio en het lössgebied tussen Aken en Keulen (Bakels, 1978; Van Wijk e.a., 2014). Een vergelijkbaar beeld komt ook naar voren voor de metaaltijden en bekende historische kernen (Van Hoof, 2000; Van Wijk, 2012: fig. 2.2). Voor de voorkeur van de pre- en protohistorische bewoners van de Graetheide zijn verschillende verklaringen te geven (Van Wijk, 2012: 17). In de eerste plaats was in de nabijheid van deze locaties altijd makkelijk toegankelijk water beschikbaar. Aan de randen van het plateau trad namelijk het water uit de helling, waardoor natuurlijke bronnen ontstonden die in het verleden o.a. de droogdalen hebben gevoed. Door de goede afwatering van de plateauranden, ontwikkelden zich daar bovendien radebrikgronden die uitermate geschikt waren voor akkerbouw. Een ander gunstig kenmerk van de randlocaties is dat zij grenzen aan verschillende ecologische zones. Hierdoor was het mogelijk om vanuit één verblijfplaats verschillende landschappelijke zones te exploiteren. Omdat het grootste gedeelte van de Graetheide als landbouwgrond pas enkele eeuwen in gebruik is, zal de erosie van het archeologisch bodemarchief in deze akkergebieden vaak niet zo erg groot zal zijn.
De enorme potentie om kennisvermeerdering te verkrijgen tezamen met ee n goede conserveringsgraad van de verwachte vindplaatsen maken van de Graetheide een schatkamer voor de Limburgse archeologie. De huidige ontwikkelingen in het Nederlandse archeologische bestel dreigen echter ten koste te gaan van de kwaliteit van het archeologisch onderzoek en onze beeldvorming van het verleden. Archeologie verwordt tot een gestandaardiseerd ‘opruimen’ van vindplaatsen, zonder regionale, thematische of culturele aansturing. Om een versplinterd beeld zoveel mogelijk te voorkomen, is een ond erzoekskader opgesteld voor het provinciaal archeologisch aandachtsgebied Graetheide (Van Wijk, 2009). Hoewel Chemelot gezien het industriële karakter geen onderdeel vormt van het provinciaal archeologisch aandachtsgebied, maakt het wel onderdeel uit van dezelfde landschappelijke eenheden. Een van de doelstellingen van dit hoofdstuk is dan ook om te inventariseren in hoeverre de archeologische gegevens op Chemelot vergelijkbaar zijn met het bredere beeld van de Graetheide en de middenterrassen in het algemeen. In aanvulling hierop is het van belang om te benadrukken dat op Chemelot in tegenstelling tot andere delen van de Graetheide de komende jaren nog grote ontwikkelingen worden verwacht.
In combinatie met de gegevens die reeds zijn verzameld, kan toekomst ig archeologisch onderzoek daarom een belangrijke bijdrage leveren aan het verfijnen van de archeologische kennis van het Graetheidegebied en het verkleinen van de bestaande kennislacunes. Hiervoor is het echter van groot belang om de huidige stand van zaken duidelijk te hebben. Voordat ingegaan wordt op de situatie op Chemelot zelf, zal hieronder eerst gekeken worden naar de Kennisstand Limburgse Archeologie.
4.3 Kennisstand Limburgse Archeologie in opdracht van de Provincie Limburg zijn voor de periode 1995-2006 en 2007-2017 een reeks onderzoeksrapporten opgesteld waarin de archeologische kennisstand, kennislacunes en kenniswinst voor verschillende landschappelijke eenheden (Stuwwal Mook en hoogterras, Rivierduinen en Niersdal, Peel(-restanten), Beekdalen Noord-Limburg, Beekdalen Midden-Limburg, Eiland van Weert, (midden-) terras, Roerdal, Maasdal, Heuvelland) samengebracht. Voor de periode 2007-2017 zijn vier rapporten gepubliceerd (Verhart, 2016; Meurkens & Tol, 2016; Tichelman, 2016; Schotten, 2016) die samen een actueel overzicht geven van de kennis per periode, per thema en per landschap. De syntheserapporten beslaan de vroege prehistorie, late prehistorie, Romeinse tijd en de periode middeleeuwen -nieuwe tijd. Chemelot ligt aan de zuidrand van de middenterassen. Omdat het van belang is om de situatie op
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[31]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Chemelot in een groter kader te kunnen plaatsen, zal in onderstaand overzicht regelmatig naar de resultaten van de onderzoeksrapporten worden verwezen.
4.4 De vroegste boeren (5100-2000 v. Chr.) Gedurende het neolithicum vond een belangrijke verandering plaats in de houding van de mens ten aanzien van de natuur. Beduidend meer dan voorheen bracht de mens aanpassingen aan in zijn leefomgeving, door landbouw te bedrijven en vee te houden. Het proces van ‘neolithiser ing’ was lang en complex, waarbij met name in het begin sprake was van het naast elkaar bestaan van gemeenschappen van jagers-verzamelaars en landbouwers. Dit proces vond niet overal tegelijkertijd en even snel plaats. In het Maasdal verliep deze overgang relatief snel, maar voor de zandgronden in Zuid-Nederland lijkt het waarschijnlijk dat de overschakeling van jagen/verzamelen naar landbouw pas in het laat neolithicum echt op gang kwam. In Limburg bestaat van het vroeg neolithicum A een goed beeld. Het gaat hierbij om de zogenaamde lineaire bandkeramiek cultuur (LBK cultuur), de allereerste boeren in Nederland (51004900 v. Chr; Lanting & Van der Plicht, 1999-2000). De LBK is de noordwestelijke uitloper van een groot complex, dat het oudste neolithicum in de gematigde zones van Europa omvat. Vindplaatsen van de LBK zijn vooral bekend van de vlakke lössplateaus van Sittard-Geleen, Stein en Beek. Van het vroeg neolithicum B, de zogenaamde Rössen cultuur (4900 - 4200 v. Chr.) en het midden en laat neolithicum, met de Michelsberg cultuur (4200 - 3400 v.
Chr.), de Stein groep (3400 – 2500 v. Chr.) en de Klokbeker cultuur (2500 – 2000 v. Chr.) is veel minder bekend. Uit deze perioden zijn in Limburg slechts enkele afzonderlijke vondsten, sporen of graven bekend (Verhart, 2016). Op de Graetheide is een grote verscheidenheid aan bandkeramische vindplaatsen bekend. In een recente studie van het bandkeramische grafveld Elsloo-Koolweg (Van Wijk & Amkreutz, 2022: 27) wordt opgemerkt dat bandkeramische vindplaatsen vooral bekend zijn op de westelijke en oostelijke randen van de Graetheide op korte afstand van de beekdalen van onder andere de Ur, de Geleenbeek en de Keutelbeek. Op de hoger gelegen delen van de Graetheide met daarop de kern van het Chemelot -terrein, is het vondstenspectrum vooral beperkt tot losse vondsten en sporen. Dit betekent niet dat vindplaatsen volledig afwezig zijn. Reeds in de jaren ’20 werden de eerste sporen aangetroffen in het huidige havengebied (Beckers & Beckers, 1940). In de jaren ’80 en ’90 kwamen hier binnen het huidige Chemelot-terrein nog de vindplaatsen Geleen-Urmonderbaan, Stein-Oude Postbaan, Urmond-Centraal Laboratorium en Stein-Heidekampweg bij (figuur 15). In de laatste jaren zijn mogelijk nog enkele losse sporen gedocumenteerd nabij de nieuwe Gate 1 (Vaessen, 2022) en bij de Kerenshofweg (Vaessen, 2023). Het is echter zeer lastig om het karakter van de versch illende vindplaatsen te duiden.
In veel gevallen gaat het namelijk om enkele losse sporen zonder context en met zeer weinig vondstmateriaal. Alleen in het geval van Stein-Heidekampweg en Geleen-Urmonderbaan zijn relatief dichte sporenclusters aanwezig. In het geval van Stein-Heidekampweg gaat het om duidelijke bewoningsclusters (Hendrix 1999; Van Wijk e.a., 2012), terwijl op Geleen-Urmonderbaan mogelijk sprake is van een ‘special activity’ vindplaats (Van Wijk e.a., 2014: 369).
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[32]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Figuur 15. Overzicht van LBK-vindplaatsen binnen en rondom Chemelot (op basis van Van Wijk e.a., 2014).
Duidelijk is dat de vindplaatsen op het Chemelot-terrein onderdeel uitmaken van het grotere bandkeramische landschap. Hoe dit landschap precies heeft vorm gekregen is nog niet volledig duidelijk,
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[33]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
maar het is zeker dat het Graetheide-gebied intensief bewoond was. De vroegste bewoningsactiviteiten lijken zich vooral te hebben ontwikkeld rondom enkele pioniersned erzettingen die vooral gelegen waren langs de grote beken (Geleenbeek, Ur, Keutelbeek en meer naar het zuiden de Watervalderbeek). In een aantal gevallen waar vindplaatsen verder weg gelegen zijn van natuurlijke waterbronnen wordt gesuggereerd dat droogdalen een potentiële rol hebben gespeeld bij de watervoorziening (Van Wijk 2016: 346-347; Van Wijk & Amkreutz, 2022: 29). Door de tijd heen werd met de groeiende bevolkingsdichtheid de behoefte aan land steeds groter, waardoor de afstand tussen nederzettingen geleidelijk kleiner werd. In dit kader is het opmerkelijk dat de vindplaatsen boven op de Graetheide over het algemeen tot een late fase lijken te behoren (zie Van Wijk e.a., 2014). Dit kan er op wijzen dat de vindplaatsen zonder duidelijke nederzettingskenmerken (i.e. vooral losse sporen zonder of weinig vondsten) op het Chemelot-terrein vooral een weerslag zijn van de noodzaak om steeds grotere delen van het landschap in gebruik te nemen voor allerlei doeleinden.
4.5 De brons- en ijzertijd (2000-20 v. Chr.) Waar het bandkeramische landschap nog relatief dicht bevolkt was en intensief werd gebruikt, zijn aanwijzingen voor menselijke activiteit in het midden-laat neolithicum en de vroege en midden bronstijd veel minder aanwezig. Vooralsnog lijken de midden neolithische vindplaatsen vooral te liggen op plateaus, min of meer vergelijkbaar met de zone waar ook de LBK -nederzettingen liggen (Verhart, 2016). Belangrijke informatie voor deze periode komt vooral van opgravingen te Hof van Limburg (Van Hoof e.a., 2013). Op het Chemelot-terrein zijn archeologische resten vooralsnog beperkt tot enkele losse vondsten gedaan tijdens het onderzoek op de Lanxess Campus (Ruijters & Verhoeven, 2015). Voor het laat neolithicum is vooralsnog vrijwel geen informatie aanwezig (Verhar t, 2016) en dit geldt ook voor de vroege en midden bronstijd (Meurkens & Tol, 2016). Dit verandert aan het einde van de bronstijd. Vanaf deze periode lijkt het bos grootschalig af te nemen, als gevolg van de uitbreiding van het areaal landbouwgrond. Bij voortdurend gebruik als akkerland raakten vruchtbare bodems op den duur uitgeput, waardoor boeren moesten uitwijken naar nieuwe vruchtbare gronden.
Vanaf de late bronstijd of de ijzertijd ontstond hierdoor een landbouwsysteem dat noodzakelijkerwijs gebruik m oest maken van een relatief groot landbouwareaal waarbij voortdurend nieuwe akkers werden aangelegd met achterlating van de uitgeputte gronden (Fokkens & Roymans, 1991; Schinkel, 1994, 1998; Roymans & Gerritsen, 2002). De boerderijen verhuisden mee naar het nieuwe akkerareaal, waardoor wordt gesproken van ‘zwervende erven’. 2 Deze zijn met name bekend van de Zuid-Nederlandse zandgronden; in Limburg en vooral het Zuid-Limburgse lössgebied zijn brons- en ijzertijdnederzettingen nog steeds weinig onderzocht. Uit de bronstijd waren lange tijd alleen enkele grafheuvels of bronzen vondsten als bijlen bekend en uit de ijzertijd slechts enkele locaties met één of enkele graven of enkele onsamenhangende bewoningsporen. Zeker voor de late bronstijd-vroege ijzertijd is daarom zeer weinig bekend over bijvoorbeeld de erfopbouw. De losse spreiding van sporen uit de vroege en midden -ijzertijd lijkt volgens Amkreutz en Tol (2016) echter overal voor systemen van zwervende erven te spreken. Dit geldt ook voor het Zuid-Limburgse lössgebied waar in het bijzonder onderzoek in de gemeente Sittard -Geleen enkele voorbeelden van delen van kortstondig bewoonde erven heeft opgeleverd (Sittard -Hoogveld, -Nusterweg, Geleen-Krawinkel, -Janskamperveld en -Hof van Limburg).
Ook voor de midden tot late ijzertijd is de
2
Schinkel introduceerde in zijn dissertatie van de prehistorische bewoning van Os -Ussen de term 'zwervende erven', een sindsdien veel gebruikte term (Schinkel, 1994; Schinkel, 1998). Het idee van zich steeds verplaatsende woonplaatsen was echter al ouder: zie ook Waterbolk, 1982; Kossack et. al.,1984; Roymans & Fokkens, 1991. Voor lössgronden, zie Simons, 1993; Joachim, 1997. Voor een kritische blik op dit nederzettingsmodel: Arnoldussen, 2008, 76 -85.
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[34]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
kennis vooralsnog beperkt. Een duidelijk nederzettingsterrein uit de late ijzertijd is onderzocht op het terrein van Chemelot bij de verbreding van de A2 ter hoogte van Geleen (Van Wijk e.a., 2012; zie hieronder). Een ander belangrijk onderzoek is het onderzoek te Maastricht-Aachen Airport (Tichelman, 2010). Een compleet grafveld uit de late ijzertijd is daarnaast onderzocht te Sittard -Hoogveld (Tol et al. 2000). Het grafveld bestaat uit tenminste 22 graven, bijgezet binnen een ou der urnenveld. Ten westen van Sittard, tot slot, is bij onderzoek in het tracé van een watertransportleiding eveneens een crematiegrafveld uit de late ijzertijd / vroeg Romeinse tijd aangesneden (Weiβ -König & Loonen 2012).
Figuur 16. Foto van een silokuil opgegraven tijdens het onderzoek op de plots KARMA en PE (bron: Tichelman & Roggen, 2022: fig. 31).
Gezien de vooralsnog beperkte onderzoeksgegevens voor de (late) brons - en ijzertijd, leveren enkele recente onderzoeken op het Chemelot-terrein belangrijke nieuwe informatie. Vindplaatsen uit de bronstijd zijn op uitzondering van een recent ontdekte silo uit de midden bronstijd (Vaessen, 2023; nr. 5 op KB2) en een uit de late bronstijd-vroege ijzertijd na, vooralsnog onbekend op het Chemelot-terrein. Wel zijn tijdens het onderzoek op de plots KARMA en PE twee houtskoolmeilers uit het laat neolithicum en de midden-late bronstijd opgegraven (Tichelman & Roggen, 2022; nr. 2 op KB2). Daarnaast zijn in de loop van de tijd verspreid over het terrein verschillende vindplaatsen aangetroffen uit de ijzertijd. De meest opzienbarende vindplaats betreft misschien nog wel de graven die H.L. Beckers heeft opgegraven nabij hoeve Kerenshof (Beckers & Beckers, 1940: 187; nr. 20 op KB2). Met name Graf 3 met zijn relatief rijke bijgiften in de vorm van een gouden staafje, vier bewerkte ivoorfragmenten en bronzen en ijzeren voorwerpen (onder andere een fibula) is opmerkelijk. Nederzettingsresten zijn meer recentelijk opgegraven door Archol in het kader van de verbreding van de A2 in 2011 (Van Wijk e.a., 2012; O-48 en O-53 op KB1; nr. 40 en 46 op KB2). Hierbij zijn minstens zes structuren (drie huizen en twee spiekers) en 27 kuilen gedocumenteerd.
Op basis van het aardewerk en twee 14 C analyses kan een deel van de
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[35]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
sporen gedateerd worden in de periode late bronstijd t/m vroege ijzertijd (Van Wijk e.a., 2012: 140-141). Het grootste deel van de sporen, waaronder de sporen van huis 1 (en wellicht huis 2) lijk t echter te dateren in de late ijzertijd (200 - 100 v. Chr.). In aanvulling op de vondsten langs de A2 zijn ook op het Lanxess-terrein aanwijzingen voor nederzettingsactiviteiten aangetroffen (Ruijters & Verhoeven, 2015). Het gaat om een tweetal grotere structuren (mogelijk huizen o f schuren), twee spiekers, een klokvormige silokuil en drie grotere leemwinningskuilen. Het algemene beeld tot nu toe is dat – vergelijkbaar met het grotere beeld – ijzertijd-bewoning op het Chemelot-terrein vooral bestond uit een zeer verspreid en kleinschalig bewoningspatroon, waarbij verspreid door het landschap boerderijen stonden. Tegelijkertijd is het zeer interessant dat recente onderzoeken op de plots KARME/PE (Tichelman & Roggen, 2022 ; nr. O-25 op KB1), de naastgelegen plots B.B.1 en B.B.2 (Donders & Vaessen, 2022; nr. O-27 op KB1) en de iets verder naar het noorden gelegen kanaalwaterleiding (Vaessen, 2023; nr. O-35 op KB1) een reeks sporen hebben opgeleverd bestaande uit silo’s, enkele spiekers, kuilen, en verspreide paalkuilen zonder duidelijke s tructuur (figuur 16).
De sporen dateren tussen de overgang van de vroege naar de midden ijzertijd tot de overgang van de late ijzertijd naar het begin van de Romeinse tijd. De verschillende onderzoeken vormen samen een grote vindplaats die geïnterpreteerd kan worden als een gebied dat gebruikt is als een locatie met noodreserves waarvan alleen in tijden van nood gebruikt werd gemaakt, of – meer waarschijnlijk – dat de silo’s en spiekers hebben gelegen op een akkergebied en gediend hebben voor de opslag van zaaigoed voor het jaar erna of de tijdelijke opslag van oogst. Vooralsnog is het onbekend waar een eventuele nederzetting heeft gelegen. Een mogelijkheid is rondom de door H.L. Beckers gevonden graven. Een andere mogelijkheid is dat het gebied is gebruikt door verspreid door het landschap liggende boerderijen. In dit geval kan zelfs gesuggereerd worden dat de erven zich weliswaar verp laatsten door de tijd heen, maar dat het akkerareaal een min of meer vaste plaats vormde in het landschap. Een derde optie is dat bewoning zich geconcentreerd heeft rondom enkele nederzettingskernen, zoals Hof van Limburg of de A2, van waaruit zowel natuurlijke waterbronnen als akkerarealen goed bereikbaar waren. Ongeacht waar de boerderijen precies stonden, moet wonen boven op de Graetheide een uitdaging zijn geweest.
De reden hiervoor is vooral dat permanente waterbronnen, zoals de Geleenbeek, de Keutelbeek, de Ur en de Maas over het algemeen op redelijk grote afstand liggen. Bovendien ligt het grondwaterpeil op de Graetheide op grote diepte. De precieze diepte varieert, maar over het algemeen staat het grondwater op 12-20 m diep. Naast het lopen naar een beek of het slaan van een waterput zijn er ook nog andere mogelijkheden om aan water te komen. Een mogelijkhei d is bijvoorbeeld om gebruik te maken van vennen in natuurlijke laagtes, waar tijdens bepaalde perioden in het jaar water een tijdlang in bleef staan. Vandaag de dag zijn dergelijke vennen vaak niet meer zichtbaar, maar deze zullen ongetwijfeld in het landschap aanwezig zijn geweest. Het is echter uiterst lastig om dit soort potentiële locaties op te sporen. Recentelijk is echter tijdens enkele verkennende boringen meteen ten noorden van de Mauritsberg een mogelijke laagte vastgesteld waar hemelwater vanuit de hoger gelegen delen naar toe stroomde en werd opgevangen. 3 Hierdoor kon zich hier een (tijdelijk) vennetje vormen dat zelfs vandaag de dag nog nat is en die ook in het verleden in potentie een rol kan hebben gespeeld in de watervoorziening van de omliggende vindplaatsen.
3
Het gaat hier niet om een formeel AMZ-onderzoek, maar om een adviesdocument (Vae ssen, 2020).
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[36]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
4.6 De Romeinse tijd (20 v. Chr. - 450 n. Chr.) De komst van de Romeinen had een grote impact met grote sociaal -economische ontwikkelingen als gevolg. De Romeinse samenleving was vooral een agrarische maatschappij, waarin het grootste gedeelte van de bevolking op het platteland woonde. In tegenstelling tot de prehistorie, ontstonden nu ook de eerste (sub)urbane nederzettingen. Naast legerkampen gaat het om civiele (kamp)nederzettingen (canabae) naast deze kampen en kleine nederzettingen (vici) langs de belangrijkste verkeersroutes en kruispunten. In Limburg zijn vici bekend in Maastricht, Heerlen, Rimburg, Venlo, Blerick, Heel en Melick. Het overgrote gedeelte van de bevolking leefde echter nog steeds in landelijke nederzettingen. Traditioneel worden voornamelijk twee nederzettingstypen onderscheiden: de villa (of beter gezegd villacomplex) en de inheems-Romeinse nederzetting. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat inmiddels wel duidelijk is dat meer differentiatie heeft bestaan. In sommige ne derzettingen ontstaan namelijk op een gegeven moment villa’s, in andere gevallen niet (Habermehl, 2011).
Hoe dan ook, e en villacomplex kan omschreven worden als een omheinde landelijke nederzetting met meerdere gebouwen die geordend langs de omheining en rondom een leeg binnenterrein liggen en waarbij minstens één gebouw op een gegeven moment verscheiden ruimtes heeft en ‘Romeinse’ architectonische kenmerken, zoals het gebruik van stenen funderingen en/of muren, vloerverwarming, vensterglas, muurschildering en en of mozaïek. In het overgrote deel van de rurale nederzettingen uit de Romeinse tijd zijn zulke ‘Romeinse’ kenmerken uiterst zeldzaam en komen alleen gebouwen voor die met behulp van houten palen en vakwerkbouw zijn gemaakt, conform traditionele bouwwijzen. Dergelijke nederzettingen worden daarom ‘inheemse’ of ‘inheems-Romeinse’ nederzettingen genoemd. Deze zijn niet zo streng geordend als de villa’s . Ze lijken eerder organisch gegroeid; een aaneenschakeling van verschillende erven, met een huis en enk ele bijgebouwtjes, spiekers en/of waterputten. Zuid-Nederland kent vele Romeinse vindplaatsen, maar alleen in het Zuid-Limburgse heuvelland, waarvan Sittard de noordelijke begrenzing vormt, zijn ook een groot aantal villa’s bekend (een villalandschap). Ook het Chemelot-terrein maakt onderdeel uit van dit landschap. Verder naar het noorden komen veel minder villa’s voor (non-villalandschap).
Voor het Chemelot-terrein wordt de aanwezigheid van een villa of mogelijk een Romeins ‘praetorium’ of gasthuis vermoed in het haventerrein op basis van opgravingen door H.L. Beckers (Holwerda e.a., 1928). Overige vindplaatsen zijn vooralsnog vrijwel onbekend. Wel is in de jaren ’20 van de 20e eeuw een Romeinse waterput gevonden nabij de huidige storthoop van de Staatsmijn Maurits (Beckers & Beckers, 1940: 286292). Ook is in de jaren ’30 een mogelijke Romeinse grafheuvel in hetzelfde gebied waargenomen. Opvallend is echter dat tot op heden geen nederzettingssporen zijn aange troffen in de directe omgeving. Deze situatie lijkt overeen te komen met het algemene beeld van de middenterrassen waar vooralsnog opvallend weinig Romeinse vindplaatsen zijn aangetroffen (Tichelman, 2016). Een verklaring voor deze absentie aan bewoningssporen op Chemelot kan mogelijk gevonden worden in het bestaan van een kennislacune op het Chemelot-terrein als gevolg van het feit dat het terrein lange tijd was afgesloten voor archeologisch onderzoek. In dit kader is het noemenswaardig dat een studie door Karen Jeneson (2012) heeft aangetoond dat Romeinse nederzettingen in Zuid-Limburg over het algemeen 500-2000 m van natuurlijke waterbronnen lagen. Daarnaast was er een voorkeur voor landgoederen die binnen 10 km van een grotere nederzetting/dorp en 5km van een doorgaande weg gesitueerd waren.
Met na me de voorkeur voor de nabijheid van natuurlijke waterbronnen kan een verklaring geven waarom (vooralsnog) weinig Romeinse nederzettingen bekend zijn boven op het Graetheideplateau. Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat dit probleem met de watervoorziening kan zijn opgelost met het graven van waterputten. Blijkens de minimale diepte van de waterput die door Beckers is opgegraven, moet dit echter wel een
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[37]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
tijdrovende en moeilijke klus zijn geweest. Wel is het noemenswaardig dat onderzoeken door Archol langs de A2 (Van Wijk e.a, 2012: 155; nr. O-48 op KB1) en RAAP op het Lanxess-terrein (Ruijters & Verhoeven, 2015; nr. O-10) en plots KARMA/PE op het Chemelot-terrein (Tichelman & Roggen, 2022; nr. O-25 op KB1) houtskoolmeilers hebben opgeleverd die in de late ijzertijd of vroeg/midden Romeinse tijd dateren. Houtskoolmeilers waren kuilen waarin vers hout gecontroleerd werd verbrand om houtskool te produceren. Dat deed men met behulp van een afdekking met takken, bladeren en zoden, zodat het hout alleen kon smeulen. Houtskool is een veel betere brandstof dan hout (indien een hogere temperatuur vereist is). In België en Nederland samen zijn recentelijk data van 354 meilers verzameld en geanalyseerd (Deforce e.a., 2021). Uit dit onderzoek blijkt dat de brandkuilen voorkomen tussen de late ijzertijd en de late middeleeuwen en vooral in de Romeinse tijd dateren, en waarschijnlijk in relatie staan met ijzerproductie. Vanaf de 14e eeuw komen ze niet meer voor: houtskool werd vanaf toen niet meer in gegraven kuilen geproduceerd, maar met behulp van veel grotere, bovengrondse stapelmeilers. De meiler aangetroffen tijdens het Archol-onderzoek heeft een rechthoekige vorm en is gedateerd tussen 37 v. Chr. – 125 n.
Chr., terwijl die op het Lanxess-terrein is gedateerd in de vroege tot midden Romeinse tijd (45 v. Chr. - 87 na Chr.). In het geval van het RAAP-onderzoek op de plots KARMA en PE zijn in totaal 15 houtskoolmeilers aangetroffen. Het gaat hier om ronde, ovale tot rechthoekige kuilen met veel houtskool, die (meestal) op de bodem of de wanden, sporen van verhitting (rood gekleurde leem) vertonen. Op basis van C14-analyses van zeven houtskoolmeilers kan een meiler gedateerd worden in het laat neolithicum, een in de midden-late bronstijd, een in de midden-late ijzertijd, twee in de late ijzertijd-Romeinse tijd, en twee in de Romeinse tijd. Hoewel directe aanwijzingen voor nederzettingsactiviteiten vooralsnog grotendeels ontbreken, duiden de Romeinse meilers op een zekere mate van menselijke activiteit. Opmerkelijk is dat de meilers uit het RAAP-onderzoek zijn gelegen in een reeds eerder besproken zone die in de ijzertijd een agrarische functie heeft gehad, waarschijnlijk in de directe nabijheid van akkers. Het is dan echter nog niet duidelijk wat de precieze relatie is tusse n het landgebruik uit de ijzertijd en de meilers uit de Romeinse tijd.
4.7 De middeleeuwen en nieuwe tijd (450-1900 n. Chr.) Na de val van het Romeinse Rijk trad een afname van de bevolkingsdichtheid op. Het landbouwareaal nam in oppervlakte af en de bossen (voornamelijk eiken- en beukenbos) konden zich herstellen (Vaags & Verhorst, 1987). In de middeleeuwen werden de grondslage n gelegd voor het huidige cultuurlandschap. In deze periode was de inrichting van het landschap sterk afhankelijk van de natuurlijke omstandigheden en de behoeften van de mens. De 11e-13e eeuw vormden in heel Europa een periode van economische expansie. Bevolkingsgroei en agrarische hoogconjunctuur leidden overal tot ontginningen. Vanuit de oudere nederzettingen aan de beekdalen werden de bossen op de plateaus gerooid waardoor de erosie snel toenam. De bossen die voortdurend in oppervlakte afnamen, waren ge zamenlijk eigendom (de ‘gemeijnte’) van deze oude dorpen. Vanuit deze dorpen vertrokken wegen (veelal veedriften genaamd) naar de bossen om ze exploiteren. Er werd hout gehaald voor huizenbouw, brandstof en ambachtelijke doeleinden en er werd strooisel gewonnen. Verder waren de bossen belangrijk voor het weiden van vee en de bijenteelt. Door de ontginningen raakten de oude dorpen echter steeds verder van de bossen verwijderd. Een deel van de boerderijen schoof met de grens van het bouwland mee en vormden la ngs de veedriften nieuwe gehuchten.
Het gehucht Krawinkel, ten zuidoosten van het plangebied is langs een dergelijk veedrift ontwikkeld (Renes, 1988).
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[38]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Figuur 17. Het Chemelot-terrein geprojecteerd op de Tranchotkaart. Tevens is het verloop van de oude landweer aangeduid.
Omstreeks 1300 was het cultuurlandschap in grote lijnen gevormd. Behalve gebieden die te nat, te onvruchtbaar of te steil waren, was vrijwel het hele lössgebied aan het einde van de middeleeuwen
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[39]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
bouwland. De belangrijkste uitzondering was het centrale deel van het lössplateau, direct ten noordwesten van het plangebied. Dit centrale lössgebied, beter bekend als de Graet is pas zeer laat ontgonnen. In 1250 was nog sprake van 'het woud dat in de volksmond de Grate wo rdt genoemd', een eeuw later (1351) sprak men al van 'de Graitbosch en heyde'. In 1775 werd de Graet 'een van hout ontbloote heide' genoemd (Renes, 1988). De oorzaken van de late ontginning van de Graet hangt hoogstwaarschijnlijk samen met de bestuurlijke organisatie die de ontginning tegenhield. Het Graetheidegebied is ongeveer 1000 jaar gemeenschappelijk bezit van de omliggende dorpen geweest (Born, Guttecoven, Limbricht, Sittard, Munstergeleen, Geleen, Beek, Elsloo, Stein, Urmond, Berg, Obbicht, Papenhoven, Buchten en Holtum). De bewoners mochten het gebied gebruiken voor hun vee en om hout te kappen, maar het was niet hun bezit. De gemeijnte mocht dan ook niet ontgonnen worden om er akkers of tuinen te maken. Tussen de akkers en de "gemeijnte" was een af scheiding met greppels en dichte heggen (een landweer). Dit moest voorkomen dat wild of vee op de akkers zou komen. De bekende groene wallen om Stein zijn de restanten van de landweer van Stein. In de loop der jaren werd het gemeenschappelijke gebied steeds kleiner doordat er aan de randen grond verkocht werd.
Hierdoor ontstond aan de randen van de Graetheide een systematisch en regelmatig verkavelingspatroon. Hierbij werden bestaande veedriften doorgetrokken en kwamen nieuwe veedriften tot stand. Op de Tranchotkaart uit 1804/1805 zijn deze veedriften en de landweer nog goed te zien (figuur 17). Eind 18e eeuw ontstond er ruzie over het gemeenschappelijk gebruik; in 1775 werd op een vergadering in Sittard gepraat over het verdelen van de Graetheide onder de omliggende dorpen en werd afgesproken dat bewoners delen in erfpacht konden krijgen. De verdeling leverde echter veel discussies op die zich tot 1812 zonder resultaat voortsleepten. In 1818 werd door de provincie een beslissing genomen, die door koning Willem 1 in 1819 werd bekrachtigd. Vooral de kleine boeren, die geen geld hadden om grond te kopen waren de dupe. Ze hadden veel profijt van de gemeensc happelijke grond en raakten dit allemaal kwijt. De bevolking kwam hiertegen in opstand. Veldwachters werden bedreigd met mestvorken en geweren. Discussies in gemeenteraden en procedures sleepten zich voort tot 1853. Vooral Urmond en Berg voelden zich benadeeld omdat ze veel minder gebied kregen dan wat ze tot dan toe in gebruik hadden. Het verzet leverde echter niets op. Als gevolg van de specifieke ontwikkelingsgeschiedenis bleef de Graetheide tot het begin van de 20e eeuw vrij leeg.
Wel werden er zeker na de herindelingen verspreid over het gebied een aantal boerderijen gebouwd, waaronder de Kerenshof in 1820, maar voor deze tijd werd het merendeel van de grond bewerkt vanuit de omringende dorpskernen. Tegen deze achtergrond is het niet heel verwonderlijk dat sporen uit de middeleeuwen en nieuwe tijd slechts zeer sporadisch opduiken in archeologische onderzoeken. Wanneer sporen uit deze periodes worden aangetroffen, gaat het veelal om greppels, houtskoolmeilers, losse kuilen en eventueel restanten van infrastructuur (wegen e.d.). Daarnaast kunnen hier en daar nog eventueel de greppels van de middeleeuwse landweer worden aangetroffen.
4.8 Staatsmijn Maurits (1926-1967) Op zoek naar ontginbare lagen steenkool verrichtte een Duitse firma al in 1901 boringen bij Lutterade . Bij Koninklijk Besluit van 12 maart 1915 werd bepaald, dat de zetel van de vierde Staatsmijn in Lutterade Geleen zou worden gevestigd. 4 Op 21 januari 1916 werd vervolgens bij Koninklijk Besluit vastgelegd dat de vierde Staatsmijn de naam ‘Staatsmijn Maurits’ zou worden, naar de tweede zoon van Willem van
4
Onderstaande informatie is afkomstig van www.demijnen.nl en https://www.demijnstreek.net/staatsmijn-maurits/.
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[40]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Oranje. Met de aanleg van de mijn werd in 1915 begonnen en een jaar later startte men met de bouw van de eerste twee schachten. In 1923 werd een begin gemaakt met de ontsluiting van de bovenste twee verdiepingen, waarbij de eerste 2.000 kilo steenkool werd bovengehaald. Op 1 januari 1926 ging de Staatsmijn Maurits officieel in bedrijf. Dit vormde de start van de ontwikkeling van een groot industriecomplex in het zuidelijk deel van de Graetheide. Zo werd in 1929 een stikstofbindingsbedrijf gevestigd op het terrein. Daarnaast werd in 1925 begonnen met de aanleg van een kanaal langs het slecht bevaarbare deel van de Maas tussen Maastricht en Maasbrac ht. Op 16 september 1935 opende prinses Juliana dit naar haar genoemde kanaal. Aan de oostzijde van het Julianakanaal werd in Buchten, gemeente Born, een haven ingericht voor de overslag van kolen uit treinen op schepen. Hiertoe werd ook het baanvak van een opgeheven tramlijn tussen Born en Sittard geschikt gemaakt voor kolenvervoer. Er rijden geen zware kolentreinen meer naar de haven aan het Julianakanaal, maar de spoorlijn is tot op de dag van vandaag in gebruik voor het transport van goederen.
Figuur 18. Luchtfoto van het Chemelot-terrein met daarop de (restanten) van de oude mijnstortberg van de Maurits.
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[41]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Figuur 19. Ingang van het Hoofdgebouw van de Staatsmijn Maurits in 1957 (https://www.demijnen.nl/collectie/foto/ingang-bij-het-hoofdgebouw-van-de-staatsmijn-maurits).
Figuur 20. Foto van de steenstort rond 1955 (foto: DSM).
Uiteindelijk groeide de Staatsmijn Maurits uit tot de grootste twee -schachtenmijn in Europa. Op haar hoogtepunt werden er jaarlijks ongeveer 2,5 miljoen ton kolen naar boven gebracht. De totale productie bedroeg meer dan 96 miljoen ton. Het zenuwcentrum van de activiteiten werd gevormd door het
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[42]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
hoofdgebouw (figuur 19). Hier waren niet alleen de bedrijfsleider, de hoofdingenieur, de opzichters en het bedrijfsbureau gevestigd, maar lag ook de loonhal en het inmiddels gesloopte gigantische badgebouw. Als gevolg van de gigantische productie had de Staatsmijn Maurits ook het grootste steenstort van alle Nederlandse steenkolenmijnen. De steenberg van de Staatsmijn Maurits te Geleen bevatte uiteindelijk 26.000.000 ton steen, was 110 meter hoog en besloeg een oppervlakte van meer dan 84 hectare (figuur 20). Vandaag de dag is de oude mijnberg weliswaar deels afgegraven, maar is toch nog steeds duidelijk zichtbaar in het landschap (figuur 18). De grote bedrijvigheid had tot gevolg dat het dunbevolkte landbouwgebied getransformeerd werd tot een dichtbevolkt industriegebied. Tegelijkertijd hadden de ontwikkelingen ook een verwoestende uitwerking op bestaande be bouwing. Onder andere Lutterade en Krawinkel, ten westen van de spoorlijn, verdwenen grotendeels van de kaart (vergelijk figuur 22 en figuur 23).
Figuur 21. Luchtfoto uit 1965 met centraal het gehucht Kerensheide. Meteen boven het gehucht is ook nog hoeve Kerenshof te zien (bron: M. Aarts).
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[43]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Figuur 22. De begrenzing van het huidige Chemelot-terrein geprojecteerd op de Bonnebladen uit 1925. De eerste ontwikkelingen op het terrein van de Staatsmijn Maurits (rode cirkel) zijn zichtbaar.
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[44]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Figuur 23. De begrenzing van het huidige Chemelot-terrein geprojecteerd op de Bonnebladen uit 1949. Inmiddels is een groot deel van het huidige terrein in gebruik en zijn de voormalige kernen Krawinkel en Lutterade grotendeels verdwenen.
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[45]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Figuur 24. De begrenzing van het huidige Chemelot-terrein geprojecteerd op de historisch kaart uit 1962. Grote delen van het huidige terrein zijn inmiddels in gebruik (bron: topotijdreis).
In de loop van de tijd raken grote delen van het huidige Chemelot -terrein bebouwd. Vlak voor de sluiting van de mijn in 1963 is het gebied rondom de mijnberg vrijwel helemaal volgebouwd (figuur 24). Alleen
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[46]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
ten zuiden van de berg (meteen ten zuiden van de huidige Kerenshofweg) zijn nog zones waar slechts in beperkte mate bebouwing heeft gestaan. Wel ligt hier het dorpje Kerensheide dat aan het begin van de 20e eeuw is aangelegd en diende als woonwijk voor personeel van de Staatsmijn (figuur 21. De wijk was gebouwd in kruisvorm en bestond uit de Kerenshoflaan, de Kerensstraat, de Gravin Odastraat, de Graetheidelaan en de Mgr. Seipellaan. In 1918 werd met de bouw begonnen van mijnwerkerswoningen aan de Gravin Odastraat. In de jaren ‘30 werden de meeste beambtenwoningen gerealiseerd. Als laatste werden de z.g. ingenieurswoningen gebouwd. De stijl van de woningen leek op die van de Limburgse architect Alphons Boosten, die ook het sterk lijkende Mauritspark tekende. Het wijkje werd in de loop van de tijd geleidelijk steeds verder omsloten door het fabrieksterrein. In de jaren ‘70 werd Kerensheide uiteindelijk geheel afgebroken voor de bouw van een nieuwe naftakraker voor DSM ("NAK 4", de huidige "Olefins 4" van SABIC). De laatste woning, die nog enige tijd in gebruik was als portiersloge van de naftakraker, werd gesloopt in 1979.
Figuur 25. SS-Mijnwerkers op weg naar het gevangenkamp in Graetheide (bron: http://www.pbase.com/peterfree/image/123758980 ).
Naast de mijngebouwen, fabrieken en woonwijken heeft op het Chemelot -terrein ook nog het ‘Mijnkamp Graetheide’ gelegen. De locatie hiervan is te zien op de historische kaart uit 1955 (figuur 26). Het kamp bestond uit 25 barakken van hout en steen. Dit kamp was oorspronkelijk in gebruik als interneringskamp voor NSB-ers en collaborateurs (figuur 25). Daarna woonden er Oost-Europese en Spaanse werknemers van de staatsmijnen. In maart 1951 kwamen 151 Molukse bewoners die hier tot 1963 zouden blijven wonen. 5 Na het sluiten van de mijn zijn de barakken afgebroken en is het gebied in eerste instantie in gebruik genomen als akkerland. Dit duurt echter maar kort, want vanaf het einde van de jaren ’70 wordt
5
Voor verdere informatie, zie https://www.youtube.com/watch?v=K0xFle6eJH4.
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[47]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
het plangebied bij het DSM-terrein getrokken en komen de eerste gebouwen op het voormalige kamp. Aan het einde van de jaren ’80 is de bebouwing weer afgebroken en sindsdien is het terrein onbebouwd gebleven.
Figuur 26. Locatie van het Mijnkamp (rode cirkel) op de historische kaart van 1955 (bron: www.topotijdreis.nl).
4.9 De groei van het Chemelot-terrein (vanaf 1967) Na de sluiting en sloop van de mijn in 1967 heeft DSM, dat al in 1929 de cokesfabriek Maurits en het stikstofbindingsbedrijf (SBB) op het mijnterrein had gevestigd, ook zijn nieuwe petrochemische tak op het terrein gevestigd. Dit is tegenwoordig het zuidelijke deel van bedrijventerrein Chemelot. Het noordelijke deel staat nog altijd in het teken van de anorganische chemie, net als ten tijde van de staatsmijn. In de afgelopen 50 jaar is het terrein geleidelijk steeds verder uitgebreid, waardoor het nu een oppervlak heeft
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[48]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
van circa 800 ha. Sinds 2008 bestaat het terrein niet alleen uit fabrieken, maar is er tevens een Research Campus aangelegd. Op de Brightlands Chemelot Campus doen wetenschappers van de Universiteit Maastricht, de Rheinisch-Westfälische Technische Hochschule uit Aken en de Technische Universiteit Eindhoven, in samenwerking met bedrijven als Arlanxeo, DSM en Sabic, onderzoek naar biomaterialen. Veel van de onderzoeken sinds 2005 hebben plaatsgevonden in het kader van de bouw van deze campus.
4.10 Archeologische verwachting Het Chemelot-terrein kent een lange geschiedenis. Toch zijn er op basis van het voorgaande onderzoek wel verschillen te identificeren tussen de verschillende perioden (zie ook tabel 5). Cruciaal hierbij zijn de fysieke eisen die de mens stelde aan de leef- en woonomgeving. In de steentijd (paleolithicum t/m mesolithicum) leefden de mensen voornamelijk van de jacht, visvangst en het verzamelen van eetbare planten en vruchten. Deze zogenaamde jager-verzamelaars trokken door het landschap en verbleven alleen tijdelijk op een plek. Uit een ruimtelijke analyse blijkt dat hun kampementen in vrijwel alle gevallen waren gesitueerd op de overgang van nat naar droog. Nabij dergelijke gradiëntzones waren namelijk de meeste voedselbronnen voorhanden en was (drink)water bereikbaar. Op het Chemelot-terrein ontbreken dergelijke gradiëntzones over het algemeen. Alleen rondom de haven zijn op de overgang naar het beekdal van de Ur potentiële gradiëntzones aanwezig. Als gevolg van de havenfaciliteiten en de grootschalige vergravingen en ophogingen zijn deze echter grotendeels afwezig. De kans dat intacte vuursteenvindplaatsen worden aangetroffen op Chemelot is daarom klein. Met de introductie van de landbouw (vanaf het neolithicum) werd de mate waarin gronden geschikt waren om te beakkeren een steeds belangrijker factor in de locatiekeuze van de mens en.
De eerste akkergronden werden aangelegd op de van nature vruchtbaarste gronden. Bovendien moesten de gronden goed ontwaterd zijn. Mede dankzij de vruchtbare löss en goede ontwatering vormt het Chemelot-terrein bij uitstek een geschikt gebied voor landbouw. Tegelijkertijd moet echter opgemerkt worden dat natuurlijke waterbronnen in de vorm van de Maas en beken zoals de Ur, de Geleenbeek en de Keutelbeek met uitzondering van het haventerrein op enige afstand liggen. Dit heeft ongetwijfeld permanente bewoning bemoeilijkt. Dit blijkt ook wel uit de verspr eidingspatronen van de vindplaatsen uit de verschillende perioden. Vroeg neolithicum (LBK) De vroegste vindplaatsen stammen uit het vroeg neolithicum (LBK). In deze periode vond bewoning over het algemeen plaats direct langs permanente waterstromen. Hier zijn in een periode van circa 200 jaar dan ook langgerekte bewoningsgordels ontstaan langs de Maas, de Ur en de Geleenbeek. Opmerkelijk is echter een reeks LBK-vindplaatsen op de noordflank van de Graetheide en de west - en noordrand van het Chemelot-terrein. Deze vindplaatsen liggen over het algemeen niet in de directe omgeving van een permanente waterloop.
Hoe de verschillende vindplaatsen precies dienen te worden geïnterpreteerd, is niet altijd goed te bepalen en de vraag is dan ook of sprake is van perma nente bewoning (zoals SteinHeidekampweg) of van bijvoorbeeld ‘special activity’ vindplaatsen (Geleen -Urmonderbaan) of ‘losse’ sporen op (vermoedelijk) akkerarealen of in bosgebieden. Met betrekking tot de archeologische verwachting is het vooral van belang dat de vindplaatsen zich vooral lijken te concentreren langs de west- en noordrand van het Chemelot-terrein. Op de overige delen van het terrein zijn LBK-vindplaatsen vooralsnog grotendeels onbekend.
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[49]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Midden neolithicum-midden bronstijd Voor de periode midden neolithicum tot en met de midden bronstijd ontbreken vindplaatsen vrijwel volledig. Uitzondering hierop vormen twee houtskoolmeilers uit het laat neolithicum en midden -late bronstijd die recentelijk zijn gedocumenteerd tijdens de opgravingen op de pl ots KARMA en PE (Tichelman & Roggen, 2022; nr. 2 op KB2) en een recent ontdekte silo uit de midden bronstijd (Vaessen, 2023; nr. 5 op KB2). Mogelijk heeft het gebrek aan vindplaatsen te maken met het ontbreken van permanente waterbronnen. Een andere factor die mee kan spelen is dat boerderijen bestonden uit relatief lichte constructies die leiden tot een beperkte archeologische weerslag in de bodem. Indien sprake is geweest van permanente of tijdelijke bewoning op de Graetheide tussen het midden neolithicum en de laatste fases van de bronstijd zal het voornamelijk gaan om kleinschalige bewoningskernen (losse erven) met een zeer lage vondst - en sporendichtheid. Late bronstijd-ijzertijd Naast de LBK dateert het gros van de bekende vindplaatsen in de ijzertijd. Het algemene beeld is dat sprake is van een zeer verspreid bewoningspatroon, waarbij verspreid door het landschap een boerderij stond met daaromheen een akkerareaal.
Interessant is vooral de zone ten noorden en ten zuiden van de Kerenshofweg waar reeds in de jaren ’20 van de vorige eeuw door Beckers een groep graven is opgegraven en waar recentelijk sporen van een groot akkerareaal (ca. 30 ha) met verspreid silokuilen, kuilen, en enkele spiekertjes zijn gedocumenteerd (Tichelman & Roggen , 2022; Donders & Vaessen, 2022; nrs. 2, 3 en 33 op KB2). In hoeverre de vindplaatsen in directe relatie tot elkaar staan, kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Opmerkelijk is wel dat direct ten noorden van de steenberg van de staatsmijn Maurits een natuurlijke laagte is vastgesteld die in potentie als ven kan hebben gediend in het verleden. 6 Gezien de omvang van het terrein kan niet worden uitgesloten dat het akkerareaal een min of meer vaste plaats vormde in het landschap waarvan door de tijd heen verschillende kleine boerderijen gebruik hebben gemaakt. Een andere mogelijkheid is dat de hoger gelegen gronden op het Graetheideplateau werden beakkerd vanuit nederzettingskernen op de randen van het plateau van waaruit zowel waterbronnen als akkerarealen beter bereikbaar wa ren. Beide opties passen ook in het bredere beeld in Zuid-Limburg van kleinschalige en vaak kortstondige bewoningskernen en ‘zwervende erven’.
Van belang is echter wel dat vooral de recente onderzoeken op en rondom de plots KARMA en PE voor het eerst significante informatie hebben opgeleverd over het gebruik en de inrichting van het landschap buiten de nederzettingskernen/boerderijen. Romeinse tijd Ondanks het feit dat de Romeinse tijd wordt gekenmerkt door een grootschalige inrichting van het landschap zijn vindplaatsen uit deze periode vooralsnog erg schaars binnen het Chemelot -terrein. Nabij de Kerenshofweg is weliswaar in de jaren ’20 een waterput opgegraven en is enkele honderden meters verderop een mogelijke gevlakte Romeinse grafheuvel waargenomen, ma ar het is vooralsnog onduidelijk of deze locaties gerelateerd kunnen worden aan een bewoningsterrein. De meeste Romeinse vondsten zijn in de jaren ’20 van de vorige eeuw opgegraven in het havengebied, waar door Beckers een villaterrein of mogelijk zelfs een praetorium (gasthuis) is aangetroffen. Tijdens recente onderzoeken langs de A2 (Van Wijk e.a, 2012: 155), op het Lanxess -terrein (Ruijters & Verhoeven, 2015) en op de plots KARMA en PE op het Chemelot-terrein (Tichelman & Roggen, 2022) houtskoolmeilers opgegraven die in de late ijzertijd of vroeg/midden Romeinse tijd dateren. De vraag is nu of de absentie van
6
Het gaat hier om een onderzoek dat buiten het kader van de AMZ heeft plaatsgevonden: Vaessen, 2020.
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[50]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
duidelijke nederzettingssporen op de hoger gelegen delen van het Chemelot-terrein het gevolg zijn van een kennislacune of dat sprake is van een historisch relevant patroon. Er kan weinig twijfel bestaan over het feit dat het gebied onderdeel vormt van het grote villa -landschap in Zuid-Limburg. Tegelijkertijd suggereren studies dat de nabijheid van natuurlijke waterbronnen (binnen 500 -2000 m), grotere nederzettingen (binnen 10 km) en hoofdwegen (binnen 5 km) belangrijke factoren hebben gevormd bij de locatiekeuze (Jeneson, 2012). Vooral de afwezigheid van natuurlijke waterbronnen kan een reden zijn geweest voor de zeer lage dichtheid aan bewoningsresten. Dit betekent natuurlijk niet dat het gebied niet in gebruik was. Onder andere de houtskoolmeilers tonen aan dat er wel degelijk sprake was van economische activiteiten. Gezien de vruchtbaarheid van de löss is het bovendien goed mogelijk dat het gebied vooral in gebruik was als akkerland, waarvan de archeologische weerslag vooral bestaat uit kleine vondst- en sporenconcentraties. Toekomstige onderzoeken kunnen dit beeld laten kantelen. Middeleeuwen en nieuwe tijd Gedurende de middeleeuwen en het merendeel van de nieuwe tijd is de Graetheide – en dus grote delen van het Chemelot-terrein – gezamenlijk eigendom (de ‘gemeinte’) van de omliggende dorpen.
De bewoners mochten het gebied gebruiken voor hun vee en om hout te kappen, maar h et was niet hun bezit. De gemeinte mocht dan ook niet ontgonnen worden om er akkers of tuinen te maken. Dat betekent dat tot het begin van de 20e eeuw de Graetheide grotendeels leeg bleef. Wel werden er zeker na de herindelingen verspreid over het gebied een aantal boerderijen gebouwd, waaronder de Kerenshof in 1820, maar voor deze tijd werd het merendeel van de grond bewerkt vanuit de omringende dorpskernen . Tegen deze achtergrond is het niet heel verwonderlijk dat sporen uit de middeleeuwen en nieuwe tijd slechts zeer sporadisch opduiken in archeologische onderzoeken. Wanneer sporen uit deze periodes worden aangetroffen, gaat het veelal om greppels, houtskoolmeilers, losse kuilen en eventueel restanten van infrastructuur (wegen, landweer, e.d.). De Staatsmijn Maurits In de tijd van de Staatsmijn Maurits stonden op het Chemelot-terrein vooral mijngebouwen en fabrieken. Ook zijn in deze periode het Julianakanaal gegraven en de haven gebouwd. Tevens zijn de spoorlijnen aangelegd. Enkele gebouwen, zoals het voormalige hoofdgebouw, staan vandaag de dag nog overeind. Het oude hoofdgebouw heeft een monumentstatus. Het merendeel van de oorspronkelijke mijngebouwen is echter afgebroken.
Vanuit archeologisch perspectief kunnen vooral nog restanten van het gehucht Kerensheide en het Mijnkamp worden aangetroffen.
4.11 Conclusie De geschiedenis van het Chemelot-terrein is ingebed in de bredere ontwikkelingsgeschiedenis van het Graetheidegebied en Zuid-Limburg in het algemeen. Een van de belangrijkste fasen in deze geschiedenis is de komst van de eerste boeren in het vroeg neolithicum. Bandkeramische vindplaatsen zijn vooral bekend op de westelijke en oostelijke randen van de Graetheide op korte afstand van de beekdalen van onder andere de Ur, de Geleenbeek en de Keutelbeek. Dit is ook terug te zien op het Chemelot-terrein, waar nederzettingssporen uit de Bandkeramiek vooral geconcentreerd zijn langs de westrand (bij de A2) en (in mindere mate) de noordrand. Op de hoger gelegen delen van de Gr aetheide met daarop de kern van het Chemelot-terrein, is het vondstenspectrum vooralsnog vooral beperkt tot losse vondsten en sporen. Hoe dit precies te verklaren is, is onduidelijk. Mogelijk hebben bewoningsarealen voornamelijk gelegen langs de beken, maar zijn in de loop van de tijd door een toenemende druk op het beschikbare landareaal steeds grotere delen van het landschap in gebruik
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[51]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
genomen voor allerlei doeleinden. Mogelijk moeten de aangetroffen sporen op het Chemelot -terrein vooral in dit kader worden gezien. Zodoende heeft toekomstig onderzoek de potentie om meer inzicht te creëren in de (veranderingen) in landinrichting en –gebruik in de loop van de bandkeramische periode. Voor de periode van midden neolithicum tot en met de midden bronstijd bestaa t op dit moment een grote kennislacune. Dit geldt voor zowel het Chemelot-terrein als ook voor het grotere Graetheidegebied. Vooralsnog zijn op Chemelot zelf slechts een handvol vondsten uit het midden neolithicum en enkele losse sporen uit de midden bronstijd bekend. Belangrijke informatie voor het midden neolithicum komt vooral van opgravingen te Hof van Limburg dat net ten noordoosten van Chemelot is gelegen (Van Hoof e.a., 2013). Het kan dan ook niet uitgesloten worden dat het landschap (deels) in gebru ik bleef. Dit blijkt ook uit de vondst van twee houtskoolmeilers uit het laat neolithicum en de midden -late bronstijd op de plots KARMA en PE (Tichelman & Roggen, 2022; nr. O-25 op KB1) alsmede een silo uit de midden bronstijd in de sleuf van een kanaalwaterleiding meteen ten noorden van KARME en PE (Vaessen, i2023; nr. O-35 op KB1 en nr. 5 op KB2).
Hoewel het gezien het algemeen gebrek aan nederzettingsresten uit het midden neolithicum-midden bronstijd op de Graetheide de kans om vindplaatsen aan te treffen mogelijk gering is, kan toekomstig onderzoek wel belangrijke puzzelstukjes leveren aan een lange-termijn beeld van de landschapsinrichting en –gebruik tussen het vroeg neolithicum en de ijzertijd. Voor de periode late bronstijd-ijzertijd wordt het beeld geleidelijk iets duidelijker, hoewel ook voor deze periode onderzoek van grotere nederzettingsterreinen nog steeds relatief beperkt is. Over het algemeen wordt het ‘zwervende erven’-principe als basis gezien van de bewoningsdynamiek. Waar echter op de zandgronden regelmatig grootschalige akkerarealen (Celtic fields) worden herkend, zijn dergelijke gebruikszones in het Limburgse lössgebied vrijwel onbekend. Met de onderzoeken op en direct rondom de plots KARME en PE is hier echter verandering in gekomen. De vondst van een reeks kuilen, silo’s en spiekers suggereert dat dit gebied gebruikt is als een locatie met reserves waarvan alleen in tijden van nood gebruikt werd gemaakt, of – meer waarschijnlijk – dat de silo’s en spiekers hebben gelegen op een akkergebied en gediend hebben voor de opslag van zaaigoed voor het jaar erna of de tijdelijke opslag van oogst. Vooralsnog is het onbekend waar een eventuele nederzetting heeft gelegen.
Het is ook mogelijk dat de akkers werden bewerkt vanuit verspreid door het land schap liggende boerderijen of vanuit enkele nederzettingskernen gelegen aan de randen van de Graetheide. Het is vooral deze dynamiek die een interessant onderzoeksthema kan vormen voor toekomstig onderzoek. Met de komst van de Romeinen wordt het hele landschap volledig op z’n kop gezet. Al snel ontwikkelt zich een systeem van villa’s, rurale nederzettingen en grotere centrale vici die met elkaar verbonden zijn door een netwerk aan wegen. Opvallend is echter dat binnen het Chemelot -terrein eigenlijk alleen in het havengebied grotere Romeinse vindplaatsen bekend zijn. Op de overige delen van het terrein zijn Romeinse vindplaatsen – op een mogelijke grafheuvel en een waterput na – vrijwel onbekend. Het is niet duidelijk of deze situatie het gevolg is van een kennislacune of van een historisch relevant patroon. Voor de laatste optie zou kunnen spreken dat zowel villa’s als rurale nederzettingen over het algemeen gelegen zijn binnen 500-2000 m van een natuurlijke waterbron. Omdat dergelijke bronnen afwezig zijn voor grote delen van het Chemelot-terrein, kan gesuggereerd worden dat het gebied minder interessant was voor bewoning. Dit betekent niet dat het gebied verlaten was. Houtskoolmeilers uit deze periode tonen dat wel degelijk activiteiten plaatsvonden.
Aan de andere kant, kan opgemerkt worden dat het probleem van waterbronnen kan zijn opgevangen door waterputten. Om deze reden kan niet uitgesloten worden dat toch sprake is van een kennislacune. Een belangrijk onderzoeksthema voor toekomstig onderzoek is hoe het Chemelot-terrein past in het bredere Romeinse cultuurlandschap.
RAAP-rapport 5914 / versie 07-06-2023
[52]
Archeologische inventarisatie Chemelot te Geleen en Stein, gemeente Sittard -Geleen en Stein; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Na de val van het Romeinse rijk werden in de middeleeuwen de grondslagen gelegd voor het huidige cultuurlandschap. Omstreeks 1300 was het cultuurlandschap in grote lijnen gevormd. Behalve geb ieden die te nat, te onvruchtbaar of te steil waren, was vrijwel het hele lössgebied aan het einde van de middeleeuwen bouwland. De belangrijkste uitzondering was de Graetheide. Dit gebied is pas zeer laat ontgonnen. In 1250 was nog sprake van 'het woud dat in de volksmond de Grate wordt genoemd'. Een eeuw later werd sprak men reeds van 'de Graitbosch en heyde', maar pas In 1775 werd de Graet 'een van hout ontbloote heide' genoemd (Renes, 1988). De oorzaken van de late ontginning van de Graet hangt hoogstwaarschijnlijk samen met de bestuurlijke organisatie die de ontginning tegenhield. Deze situatie heeft echter tot gevolg gehad dat er weinig tot geen activiteiten hebben plaatsgevonden die kunnen hebben geleid tot een archeologische weerslag in de bodem. De kans op het aantreffen van archeologische resten uit de middeleeuwen en grote delen van de nieuwe tijd is dan ook uiterst beperkt. Met de komst van de Staatsmijn Maurits in 1926 transformeert het oorspronkelijke dunbevolkte landbouwgebied tot een dichtbevolkt industriegebied. Niet alleen worden mijngebouwen en fabrieken gebouwd, maar ook wordt het Julianakanaal gegraven en worden spoorverbindingen aangelegd.