CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Toelichting

Raad 5 oktober 2023, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Bestemmingsplan Middengebied Noord en beeldkwaliteitplan (Geilen) (58)23.349 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Iedere partij in de afvalwaterketen – ook de burger – heeft een gedeelde verantwoordelijkheid in de goede zorg voor de afvalwaterketen.” In de visie staat dat er een duurzame afvalwaterketen komt. Afvalwater wordt ingezet om in schone grondstoffen, energie en schoon water te voorzien. Terugwinnen en sluiten van de keten staan centraal. Hemelwater wordt zoveel mogelijk zichtbaar en bovengronds verwerkt. Zo wordt gezien dat het water schoon is en wordt hemelwater mede door gebruik van de openbare ruimte beheersbaar gemaakt. Grondwater wordt op een natuurlijke manier behandeld, waar mogelijk wordt gekozen voor een niet-technische oplossing. Waar het nodig en haalbaar is helpt de gemeente door daden, of door advies te geven over de aanpak van grondwaterproblemen.

Hoofdstuk 3

29

Om dit perspectief te bereiken zijn voor de drie afvalwatersoorten (stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater) en de beoogde inzet op meer samenwerking, onderstaande doelen en strategieën geformuleerd: Samenwerking Doel Kosten besparen, kwaliteit verhogen, kwetsbaarheid verlagen. Strategie Belang van (afval) waterketen staat voorop. Al het handelen dient in het belang te zijn van de gehele afvalwaterketen. Doelmatige aansturing van de afvalwaterketen wordt gezamenlijk gedaan. Stedelijk afvalwater Doel Adequaat en efficiënt beheren van ons stelsel. Strategie Beheer en onderhoud als ware het één gezamenlijk areaal. Samen zoeken naar doelmatige en duurzame verbeteringen. Hemelwater Doel Doelmatige en duurzame omgang met hemelwater. Strategie Samen met inwoners inspelen op klimaatverandering. Meer acceptatie van waterhinder. Bij nieuwbouw hemelwater verwerken op eigen terrein. Grondwater Doel Een doelmatige en duurzame omgang met grondwater. Strategie Meer aandacht voor mogelijke grondwateroverlast bij nieuwbouw. Regisseursrol nemen op locaties waar overlast wordt ervaren. Samen met inwoners zoeken naar oplossingen. Voor meer informatie over de wijze waarop binnen het plangebied met water wordt omgegaan, wordt verwezen naar paragraaf 4.10 ‘Water’.

3.4.7 Beleid externe veiligheid Sittard-Geleen Het beleid van de gemeente Sittard-Geleen op het gebied van externe veiligheid is beschreven in de volgende vastgestelde beleidsdocumenten:  Beleidsvisie externe veiligheid Chemelot site / Westelijke Mijnstreek (eindrapport van 31 maart 2010, vastgesteld door de gemeenteraad op 6 juli 2011), Ruimte voor nieuwe generaties met behoud van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau;  Veiligheidsvisie Spoorzone Sittard-Geleen (13 september 2012), Veiligheid als element van stedelijke planning;

Hoofdstuk 3

30

 

Beleidsregels planologisch afwijkend gebruik fitnesscentra (vastgesteld 3 september 2013) met regels over externe veiligheid; Beleidsregels kleine binnenspeeltuinen (vastgesteld 12 november 2013) met regels over externe veiligheid.

Het beleid is in twee zelfstandige beleidsdocumenten uitgewerkt voor twee deelgebieden binnen de gemeente, namelijk de omgeving van Chemelot en de spoorwegen (de spoorzone). Het beleid heeft de volgende doelen: De gewenste ruimtelijke ontwikkelingen (Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016; Transformatievisie Wonen Westelijke Mijnstreek, 2020; Ruim baan voor goede woningbouwplannen Sittard-Geleen, 2021), moeten mogelijk zijn met behoud van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau voor de leefomgeving. De verantwoording van het groepsrisico in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen staat daarbij centraal. Onder dit ‘hoofddoel’ vallen de volgende doelen:  De risicobenadering: mensen die in Sittard-Geleen werken, wonen of anderszins verblijven, mogen zo weinig mogelijk risico lopen en dit risico moet maatschappelijk verantwoord zijn.  Een goede balans tussen ruimtelijke/economische ontwikkelingen en externe veiligheid.  Het voorkomen dat rampen en ongevallen plaatsvinden.  De gevolgen van een eventuele calamiteit beheersbaar maken om de volksgezondheid en het milieu zoveel mogelijk te beschermen in het geval onverhoopt een ramp of ongeval plaatsvindt.  Een verantwoorde ruimtelijke en economische ontwikkeling in de spoorzone, met een veilige en robuuste spoorinfrastructuur waarbij Sittard-Geleen optimaal bereikbaar blijft via het spoor.

Het afwegings-/uitvoeringskader dat de gemeente bij het beleid externe veiligheid hanteert, bestaat uit afwegingskaders voor:  Brongericht beleid op basis van Beste Beschikbare Technieken (BBT)  Omgevingsgericht beleid, overdrachtsmaatregelen en effectmaatregelen  Rampenbestrijding  De wettelijke grenswaarde van het plaatsgebonden risico (basisbeschermingsniveau);  Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi, onder meer artikel 12 en 13 en omgevingsvergunningen milieu (bijvoorbeeld emplacementen) waarbij de gemeente het bevoegde gezag is);  De Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico (VROM, november 2007);  Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt, onder meer Basisnet spoor);  Het Toetsingskader Externe Veiligheid Spoorzone Dordrecht / Zwijndrecht, TNO (R2004/105) voor bron- en effectmaatregelen (gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, bestrijdbaarheid);  De rapportage van Oranjewoud/Save van 24 maart 2005 (in opdracht van Gemeenschappelijk Brandweerbureau Westelijke Mijnstreek). Voor de spoorzone zijn de volgende maatgevende scenario’s beschreven voor het benoemen van effectmaatregelen: o Warme (en koude) Bleve van LPG o Toxische wolk Voor Chemelot en haar omgeving hanteert de gemeente de volgende gebiedsgerichte instrumenten en procedures.

Om het groepsrisico te beheersen, zijn op basis van een risicomatrix drie typen gebieden (a, b, c) te onderscheiden binnen het invloedgebied van Chemelot vanaf de terreingrens naar buiten: a) Stand-still voor ruimtelijke ontwikkelingen. Wel vervangende nieuwbouw mogelijk; geen overall toename van personendichtheden.

Hoofdstuk 3

31

b) Ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk onder voorwaarde van een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico. c) Geen belemmeringen voor ruimtelijke ontwikkeling. Verantwoording groepsrisico blijft wettelijk vereist, maar veiligheid is afdoende te waarborgen op basis van een checklist met algemene aandachtspunten. Opmerking: a en b worden in de beleidsvisie aangeduid als het groepsrisico-relevante gebied van Chemelot. Hier geldt dat de beleidsruimte bij het verantwoorden van het groepsrisico wordt ingevuld, met als randvoorwaarde dat de bestaande beperkte overschrijding van de oriëntatiewaarde niet toeneemt. Dit betekent een stand-still bijdrage van de wijken Lindenheuvel en Krawinkel aan het groepsrisico (geen toename van het aantal personen, bedrijven of woningen saneren, verplaatsen of uitplaatsen wanneer mogelijk). Samen met stakeholders wordt het instellen van een veiligheidscontour (op grond van artikel 14 uit het Bevi) onderzocht en overwogen. De gemeente Sittard-Geleen heeft een adviesrol bij omgevingsvergunning milieu Chemelot site B.V. Het uitgangspunt bij Chemelot site is inwaartse zonering (ontwikkelingen met de hoogste veiligheidsrisico’s centraal op de site en ontwikkelingen met de laagste veiligheidsrisico’s aan de rand).

Voor de Spoorzone hanteert de gemeente de volgende instrumenten en procedures:  Een indeling van het spoor in de volgende risicobronnen: o Emplacementen:  Emplacement Sittard (Sittard-Geleen streeft naar onderschrijding van de oriëntatiewaarde)  Emplacement Born  Bedrijfsemplacement Chemelot (valt binnen de Veiligheidsvisie Chemelot) o Baanvakken  Een zone-indeling van de omgeving van het spoor ten behoeve van een gebiedsgerichte benadering: o De PR-contour (plaatsgebonden risico 10-6/jaar) voor zover aanwezig langs de lijn Eindhoven – Maastricht: wettelijke beperkingen voor de omgeving en voorkomen van latente saneringssituaties o De 50 meter zone (50 meter gemeten vanuit het hart van het buitenste spoor): Buiten de PR-contour én binnen de 50 meter zone wordt gestreefd naar een bebouwingsvrije ruimte bij nieuwe ontwikkelingen (waaronder ook herstructureringsplannen worden verstaan) o De 200 meter zone (200 meter gemeten vanuit het hart van het buitenste spoor): Buiten de 50 meter zone én binnen de 200 meter zone gelden de volgende regels:  Binnen deze zone wordt gestreefd naar minder grote aantallen mensen  Nieuwe kwetsbare bestemmingen voor groepen van mensen met geen dan wel een beperkte mate van zelfredzaamheid worden voorkomen  De gemeente streeft op basis van vrijwilligheid naar een verplaatsing tot buiten de 200 meter van kwetsbare bestemmingen met mensen die

niet of beperkt zelfredzaam zijn  Overige nieuwe kwetsbare bestemmingen worden zover als mogelijk van het spoor geprojecteerd en dienen te worden voorzien van adequate bouwkundige, effect beperkende maatregelen  Bij nieuwe beperkt kwetsbare bestemmingen worden bouwkundige, effect beperkende voorzieningen geïmplementeerd o Het invloedgebied (omvat alle voorgaande zones en strekt zich uit tot 1% letaliteit):

Hoofdstuk 3

32

 

Generiek basisvoorzieningenniveau dat in samenspraak met de brandweer is bepaald:  Plangebied tweezijdig ontsloten  Geen doodlopende straten langer dan 40 meter  Doodlopende straten tot 40 meter voorzien van een keerlus  Eisen over primaire bluswatervoorziening  De gemeente houdt bij nieuwe ontwikkelingen rekening met infrastructurele maatregelen in de openbare ruimte (waaronder vluchtwegen, opstelplaatsen, blusvoorzieningen)  De gemeente draagt zorg voor een goede voorlichting op het gebied van rampbestrijding De gemeente Sittard-Geleen heeft een proces (inzake interne communicatie, beoordeling, registratie, externe communicatie) ingericht voor het behandelen van nieuwe initiatieven met effect op de veiligheid in de spoorzone. De gemeente Sittard-Geleen in de rol van vergunningverlener bij de omgevingsvergunningen milieu van de emplacementen Sittard en Born (directe invloed op bronmaatregelen). Basisnet spoor: toepassen van risicoplafonds, voorschriften veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden.

De toetsing van het aspect externe veiligheid, inclusief een toets aan het gemeentelijke beleid, is opgenomen in paragraaf 4.7 Externe veiligheid.

Hoofdstuk 3

33

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Verkeer De verkeersgeneratie is berekend op basis van de CROW publicatie 381. Het exacte woonprogramma staat momenteel nog niet vast. Derhalve is uitgegaan van de gemiddelde norm binnen de categorieën rest bebouwde kom in een sterk stedelijk gebied. Hierbij zijn de normen voor kamerverhuur en aanleunwoning/serviceflat buiten beschouwing gelaten. De gemiddelde norm is 5,8. De beoogde 235 woningen leveren derhalve een verkeersgeneratie op van 1.363 (235 x 5,8) motorvoertuigbewegingen per etmaal. De 50 zorgwoningen (type ‘aanleunwoning/serviceflat’) leveren een verkeersgeneratie op van 140 (50 x 2,8) motorvoertuigbewegingen pet etmaal. Totaal levert het initiatief een verkeersgeneratie op van 1503 (1363 + 140) motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het uitgangspunt voor de ontsluitingsstructuur is dat deze exclusief is gedimensioneerd op de eigen behoefte van het plangebied. De verkeersstructuur van het plan is gericht op een overzichtelijke en veilige afwikkeling van het autoverkeer. Het plan krijgt één aansluiting op het omliggende wegennet. Op die manier wordt geen wijkvreemd verkeer aangetrokken. De entree van het nieuwe dorp wordt ter hoogte van het Zuyderland Medisch Centrum op de Rijksweg Noord aangesloten.

In het geval van calamiteiten bieden een tweede aansluiting ietwat noordelijker op de Rijksweg Noord en via de Lintjesweg de mogelijkheid het plangebied te verlaten. Alle wegen in het plangebied krijgen het karakter van erftoegangswegen, met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Het accent ligt hier op de verblijfskwaliteit.

Hoofdstuk 4

34

Figuur 4.1: Voorstel ontwerp ontsluiting

4.1.2 Parkeren Op basis van de ‘Nota Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek’ geldt voor een reguliere woning op deze locatie een parkeernorm van 1,7. Voor de zorgwoningen geldt een parkeernorm van 0,3. Hiermee komt de parkeerbehoefte op 406. In figuur 4.2 zijn de parkeerkoffers aangegeven. Een parkeerkoffer is een cluster parkeerplaatsen bestaande uit een inrit met aan één of aan beide zijden parkeerplaatsen. Deze parkeerkoffers, samen met de parkeerplaatsen op eigen terrein en in de openbare ruimte, bieden voldoende parkeergelegenheid voor onderhavige ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

35

Figuur 4.2: Voorstel locaties parkeerkoffers

4.1.3 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.2 Geluid 4.2.1 Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat alle spoorwegen en wegen een geluidzone hebben, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen

Hoofdstuk 4

36

een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Een woning is volgens de Wet geluidhinder een geluidgevoelig object. 4.2.2 Onderzoek Door K+ Adviesgroep is een akoestisch onderzoek verricht naar de verwachten optredende gevelbelastingen vanwege weg- en railverkeerslawaai.3 Ten behoeve van dit geluidonderzoek is gebruik gemaakt van de Wet geluidhinder, zoals deze geldt op dit moment. De geluidbelastingen vanwege wegverkeer zijn berekend conform Standaard Rekenmethode 2 van het ‘Rekenen meetvoorschrift geluid 2012’. De berekende geluidbelastingen zijn getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder (Wgh) voor wat betreft wegverkeerslawaai en het Besluit geluidhinder (Bgh) voor wat betreft railverkeerslawaai. Het akoestisch onderzoek is toegevoegd als separate bijlage bij onderhavige toelichting. Ten gevolge van wegverkeer op de Middenweg, de Rijksweg Noord en van railverkeer van de spoorlijn Sittard-Heerlen zijn plaatselijk overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (wegverkeer) c.q. 55 dB (railverkeer) vastgesteld. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB (wegverkeer) c.q. 68 dB (railverkeer) wordt niet overschreden. Daar waar de gevelbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, doch lager dan de maximale ontheffingswaarde wordt verzoek gedaan voor het vaststellen van een hogere grenswaarde.

Omdat verschillende geluidreducerende maatregelen aan de bron, in het overdrachtsgebied en aan het gebouw bezwaren met zich meebrengen, is het realistisch om hogere waarden aan te vragen voor de geluidbelastingen ten gevolge van wegverkeerslawaai afkomstig van de Middenweg, de Rijksweg Noord en spoorweglawaai afkomstig van de spoorlijn Sittard-Heerlen:  Middenweg: 59 dB;  Rijksweg Noord: 55 dB;  Spoorlijn Sittard-Heerlen: 65 dB. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel. Hier wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai en/of 55 dB voor railverkeerslawaai niet overschreden. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen worden gevelmaatregelen getroffen. 4.2.3 Conclusie Het aspect ‘Geluid’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

3

K+ Adviesgroep, Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Middengebied Geleen (P01650), rapportnr. Rm210080aaA0, d.d.26 september 2022.

Hoofdstuk 4

37

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1500

Minimaal 2 ontsluitingsweg 3%-norm 3000

Bij de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van de realisatie van 235 reguliere en 50 zorgwoningen. Hiermee wordt binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit.

Hoofdstuk 4

38

Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Ingevolge de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 μg/m³ en voor PM10 40 μg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM lag de concentratie PM2,5 in 2020 ter plaatse tussen de 12 en 14 μg/m³, de concentratie PM10 lager dan 18 μg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 15 en 20 μg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Verder is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek worden besproken in paragraaf 4.8. 4.3.2 Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16, lid 1 onder a van de Wet milieubeheer. De kwaliteit van de lucht ter plaatsen van het plangebied is dan ook goed genoeg voor de realisatie van de beoogde woningen.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Hoofdstuk 4

39

Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 4. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Conclusie Aan de westzijde van de Rijksweg Noord is het Zuyderland Medisch Centrum Sittard-Geleen gelegen. De afstand tussen de beoogde locatie van de zorgwoningen en het ziekenhuis is circa 80 meter. Hiermee wordt ruim voldaan aan de richtafstand van 30 meter. In de verdere directe omgeving zijn geen bedrijven gelegen. Indien in de woningen in onderhavig initiatief een beroep of bedrijf aan huis starten, zal voldaan moeten worden aan de richtafstanden. Vanuit het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ bestaan geen belemmeringen ten aanzien van de onderhavige ontwikkeling.

4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke

4

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

40

normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. De gemeente Sittard-Geleen heeft geen dergelijk beleid opgesteld. Bovendien bevinden zich geen veehouderijen in de omgeving van het plangebied. 4.5.2 Conclusie Het aspect geur vormt hierdoor geen belemmering voor het plangebied.

4.6 Leidingen en infrastructuur Leidingen Binnen het plangebied zijn geen kabels en leidingen gelegen. Op een afstand van circa 36 tot 90 meter van de zuidwestelijke plangrens liggen vijf hogedrukgastransportleidingen en een waterleiding. De aardgastransportleidingen van de Gasunie zijn:  A-520  A-521  A-578  A-630  A-665 De laatst aangelegde aardgastransportleiding is A-665 Hommelhof-Schinnen en heeft een beschermingszone van 5 meter uit het hart van de leiding. De waterleiding betreft een hoofdwatertransportleiding van WML. Door Gasunie is een kwantitatieve risicotoetsing voor het tracé Odiliapeel-Schinnen uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat het groepsrisico als gevolg van de aanleg van de leiding ruim onder de oriëntatiewaarde blijft. De plaatsgebonden risicocontour ligt op de leiding, dus op dat vlak wordt voldaan aan de regelgeving zoals vastgelegd in het Bevb. De toetsing van de overige leidingen aan het externe veiligheidsbeleid vindt plaats in paragraaf 4.7. Aanvliegroute MAA Binnen de juridische regeling van onderhavig bestemmingsplan zijn geen zodanige bebouwingshoogtes toegestaan dat hierdoor beperkingen voor de luchtvaart kunnen ontstaan. In dit kader is derhalve geen afzonderlijke regeling in de planregels opgenomen.

Veiligheidszone spoor In de artikelen 19 t/m 23 van de Spoorwegenwet is bepaald dat binnen een bepaalde afstand van de spoorlijn niet mag worden gebouwd of andere werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd die in strijd zijn met de Spoorwegenwet. In het onderhavig gebied (spoorlijn op maaiveldniveau) betreft het een afstand van 11 meter gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor, zijnde een denkbeeldige lijn in de lengterichting van het spoor midden tussen beide spoorstaven. Deze zone is als zodanig opgenomen in de planregels (gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone-spoor’).

Hoofdstuk 4

41

Veiligheidszone weg De Middenweg is een weg in provinciaal beheer. Voor provinciale wegen geldt de Omgevingsverordening Limburg. Hieruit blijkt dat langs de Middenweg een reserveringsstrook ligt. De breedte van een reserveringszone wordt gemeten vanaf de buitenste kantstreep en bedraagt 15 meter aan weerszijden. Woningen worden in onderhavig plan ruim buiten de 15 meter zone van de weg gerealiseerd.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Hoofdstuk 4

42

4.7.2 Quickscan externe veiligheid Voor de vaststelling van het vigerend bestemmingsplan ‘Middengebied – Noord’ is door Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs BV een quickscan externe veiligheid 5 uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies uit het rapport. Transport gevaarlijke stoffen De dichtstbijzijnde weg waarover transport gevaarlijke stoffen plaatsvindt betreft de A2. De afstand tot aan deze weg is voor het plangebied dusdanig groot dat er geen sprake zal zijn van een relevante bijdrage aan het groepsrisico. De afstand tot spoortraject Maastricht-Eindhoven is ca. 600 meter. Voor dit traject geldt dat ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico, ten noorden is hier wel sprake van. Gezien de afstand van het plangebied tot aan dit traject zal de bijdrage aan dit groepsrisico echter zeer beperkt zijn. De hoogte van het groepsrisico zal bovendien niet toenemen, aangezien het vigerende bestemmingsplan reeds is meegenomen bij de berekeningen uitgevoerd voor het Basisnet. Daarnaast brengt onderhavig bestemmingsplan de planvoorraad terug tot maximaal 235 reguliere woningen en 50 zorgwoningen. Het plangebied grenst aan het spoortraject Heerlen-Sittard. Voor dit traject geldt verder dat het groepsrisico minder is dan 0,3 maal de oriëntatiewaarde.

Gezien de korte afstand tot de spoorlijn, alsmede het aantal woningen binnen het plan, kan een relevante bijdrage aan het groepsrisico niet worden uitgesloten. De hoogte van het groepsrisico neemt echter niet toe. Het vigerend bestemmingsplan ‘Middengebied – Noord’ is reeds meegenomen bij de berekeningen uitgevoerd voor het Basisnet. Het groepsrisico neemt zelfs af. Onderhavig bestemmingsplan staat namelijk minder woningen toe dan het bestemmingsplan ‘Middengebied – Noord’. In dit kader wordt het uitvoeren van risicoberekeningen niet noodzakelijk geacht. Wel dient nadere invulling gegeven te worden aan de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. In het kader van de verantwoording wordt opgemerkt dat op grond van de Veiligheidsvisie Spoorzone Sittard-Geleen in beginsel een bebouwingsvrije zone van 50 meter geldt, ook voor herstructureringsplannen. Voor de woningen binnen de zone dient afgewogen te worden of verschuiving mogelijk is. Indien dit niet wenselijk is of haalbaar is, dient het bevoegd gezag dit in een verantwoording nader te onderbouwen, ondanks dat er sprake is van een vigerend bestemmingsplan op grond waarvan de woningen mogelijk zijn. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen Het plangebied gelegen in de buurt van diverse hogedrukgasleidingen. Er dient rekening gehouden te worden met een belemmeringenstrook van 5 meter.

Aangezien er geen sprake is van een PR 10 -6contour, levert het plaatsgebonden risico geen belemmeringen op. Uit de uitgevoerde risicoberekeningen blijkt dat het groepsrisico van alle leidingen ruim onder de orientatiewaarde is gelegen. Alleen voor leiding A-665 en A-578 geldt dat het groepsrisico groter is dan 10% van de oriëntatiewaarde (0,19 en 0,13 maal de oriëntatiewaarde). Uit de berekeningen blijkt verder dat het plangebied een duidelijke invloed heeft op het groepsrisico van leiding A-665. De invloed is bij de overige leidingen beperkt. Gezien de eerdergenoemde resultaten dient het bevoegd gezag invulling te geven aan de verantwoording van het groepsrisico.

5

Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs BV, Middengebied te Sittard-Geleen Externe veiligheid, referentie 20122311-03, d.d. 22 mei 2013

Hoofdstuk 4

43

Door het Ministerie van I&M (tegenwoordig Ministerie van I&W) is de Structuurvisie buisleidingen vastgesteld, waarin is aangegeven langs welke verbindingen ruimte vrijgehouden dient te worden voor nieuwe buisleidingen van nationaal belang voor gevaarlijke stoffen (buisleidingstroken). Hoewel de juridische doorwerking niet in een bestemmingsplan verankerd is, wordt in onderhavig bestemmingsplan wel reeds voldoende rekening gehouden met de buisleidingenstrook. De Structuurvisie levert derhalve geen belemmeringen voor het voorliggende bestemmingsplan. Hoogspanningslijnen Op een afstand van circa 1,5 kilometer van het plangebied zijn hoogspanningslijnen aanwezig. Gezien de afstand tot het plangebied levert dit echter geen beperkingen op voor het aspect externe veiligheid. Risicovolle bedrijven Bedrijventerrein Chemelot Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied (1%-letaliteitsgrens), maar ruim buiten het de 10-8 plaatsgebonden risicocontour van het bedrijventerrein. De bijdrage van het plangebied van het groepsrisico zal derhalve marginaal zijn, zoals ook aangegeven in de Beleidsvisie externe veiligheid Chemelot Site/Westelijke Mijnstreek. Spoorwegemplacement Sittard Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied maar buiten de 10-8 plaatsgebonden risicocontour van deze inrichting. Ten gevolge van de inrichting is sprake van een overschrijding van het groepsrisico.

Het plangebied zal echter geen relevante bijdrage leveren aan het groepsrisico van deze inrichting. 4.7.3 Conclusie Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van diverse risicobronnen, waarbij voor de spoorlijn Sittard-Heerlen en hogedrukgasleiding A-665 geldt dat sprake is van een relevante bijdrage aan het groepsrisico. Op basis hiervan blijkt dat de gemeente invulling dient te geven aan de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. In dit kader dient advies ingewonnen te worden bij de Veiligheidsregio en dient rekening gehouden te worden met de maatregelen, zoals opgenomen in de Veiligheidsvisie Spoorzone Sittard-Geleen. Vanwege het vigerend bestemmingsplan ‘Middengebied – Noord’, waarin circa 700 woningen werden toegestaan, is advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio 6. Deze is opgenomen bij de verantwoordingsnotitie 7. Volgens deze verantwoordingsnotitie zijn woningen binnen 50 meter van het buitenste spoor niet toegestaan. De veiligheidsregio heeft in het kader van het vooroverleg nog een reactie gegeven. Ten opzichte van het vigerend bestemmingsplan neemt het aantal woningen binnen de 50 meter zone af en wordt daarmee het groepsrisico omlaag gebracht. Er zijn dus nog steeds woningen geprojecteerd in de 50 meter zone en daarmee wordt afgeweken van het gemeentelijk beleid.

Het risico wordt echter teruggebracht doordat er maatregelen worden getroffen zoals een calamiteitenweg, opstelplaatsen en hydranten langs het spoor. Daarnaast wordt er bij de luchtsystemen in de woningen rekening gehouden met externe veiligheid door een schakelaar te plaatsen waarmee het ventilatiesysteem in een woning kan worden uitgezet.

6 7

Brandweeradvies Brandweer Zuid –Limburg van 13 juni 2013 DPA Cauberg-Huygen B.V., Notitie Middengebied te Sittard-Geleen Verantwoording groepsrisico, projectnummer 20122311-04, d.d. 29 november 2013

Hoofdstuk 4

44

4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,

Hoofdstuk 4

45

genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Geleenbeekdal”, bevindt zich op circa 3,3 kilometer afstand ten zuiden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het programma AERIUS calculator. De AERIUS calculator maakt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebied inzichtelijk. Met de uitspraak van de Raad van State (d.d.

29 mei 2019) is beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet zondermeer als toestemmingsbasis mag gelden voor nieuwe activiteiten. In lijn met de uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat binnen onderhavig planvoornemen een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar als aanvaardbaar wordt geacht. Voor het planvoornemen is een analyse en een berekening 8 uitgevoerd naar de stikstofemissie en mogelijke stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Hieruit blijkt dat door het plan sprake is van een maximale emissie van 169,7 kg/J NOx in de aanlegfase en 34,9 kg/J NOx in de gebruiksfase. Uit de berekening blijkt dat er sprake is van depositie. Het planvoornemen kan niet gereali-

8

Equipe Adviseurs, ‘Rapportage stikstofdepositie deelgebied C te Geleen’, projectnummer 224787, versie 2, d.d. 16 februari 2023.

Hoofdstuk 4

46

seerd worden zonder dat er sprake is van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Voor het planvoornemen is dan ook het uitvoeren van een voortoets noodzakelijk in het kader van de Wet natuurbescherming. Er is een nadere ecologische beoordeling (voortoets) voor de locatie Deelgebied C te Geleen op te opgesteld.9 Uit de voortoets blijkt dat de berekende stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000gebieden Geleenbeekdal geen significant negatieve effecten veroorzaakt. Derhalve is het opstellen van een passende beoordeling niet aan de orde. Het plangebied niet gelegen binnen natuurnetwerk of de groenblauwe mantel. Wel grenst het plangebied in het zuiden en in het oosten aan de groenblauwe mantel. Binnen de groenblauwe mantel, ten oosten van het plangebied, zijn enkele gedeelten van het natuurnetwerk. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities van de groenblauwe mantel redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de groenblauwe mantel niet worden aangetast. Tussen het plangebied en de groenblauwe mantel en natuurnetwerk ten oosten van het plangebied ligt het spoortraject Sittard – Geleen-oost. Dit zorgt voor een duidelijke en niet-natuurlijke scheiding tussen beide, waardoor er geen verhoogde mate van verstoring, doormiddel van licht of geluid wordt verwacht.

Vervolgonderzoek in het kader van natuurnetwerk of de groenblauwe mantel wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming In januari 2021 is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. 10 Deze onderzoeksrapportage is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Vogels Er zijn binnen het plangebied geen nestlocaties voor vogels aangetroffen. Wel kunnen binnen de bosschages mogelijk “algemene” soorten tot broeden komen. Om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen dient opgaand groen buiten het broedseizoen te worden verwijderd of er dient een controle plaats te vinden om de aanwezigheid van een broedgeval uit te kunnen uitsluiten; Vleermuizen Uit de quickscan volgt dat het plangebied onderdeel uit kan maken van vliegroutes en/of foerageergebied van vleermuizen. Om overtredingen of verstoringen met betrekking tot foerageergebied of vliegroutes te voorkomen dient licht gericht of uitstralend op de bosschages in het noorden en oosten van het plangebied te worden voorkomen, zowel tijdens de werkzaamheden als binnen de toekomstige situatie. Er zijn verder geen geschikte doorgangen naar potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen op het plangebied aanwezig. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen.

Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als egel en huisspitsmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling.

9 10

Equipe Adviseurs, ‘Voortoets stikstof deelgebied C te Geleen’, projectnr.: 224787, versie 2, d.d. 23 februari 2023. BRO, ‘Quickscan flora en fauna Middengebied-Noord te Sittard’, projectnr.: P01650, d.d. 25 februari 2021.

Hoofdstuk 4

47

Wel zijn er binnen het plangebied verblijfplaatsen en foerageergebied van de das aangetroffen. Deze zijn gelegen in de bosschage in het noordwesten van het plangebied. Deze bosschage wordt niet gekapt. Hierdoor blijven de foerageergebied en verblijfplaatsen van de das ongeschonden. Reptielen, amfibieën, vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten Ten aanzien van reptielen, amfibieën, vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten zijn negatieve effecten en overtredingen op voorhand uitgesloten. Tijdens de werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht altijd. Dassenplan Door BRO is een dassenplan opgesteld.11 Onderstaand worden de conclusies en aanbevelingen uit het plan beschreven. Het volledige dassenplan is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Maatregelen Door het nemen van maatregelen kunnen optredende negatieve effecten met betrekking tot de das gemitigeerd worden. De maatregelen in het dassenplan bestaan enerzijds uit maatregelen die noodzakelijk zijn om de functionaliteit van het leefgebied in zijn geheel te borgen, anderzijds uit maatregelen die daar bovenop nog kunnen leiden tot een extra kwaliteitswinst.

Inrichtingsmaatregelen om de functionaliteit van het leefgebied van de das te waarborgen.

Naar aanleiding van het dassenplan zijn in het inrichtingsplan maatregelen opgenomen. Zoals in bovenstaande tabel is beschreven, is het bouwvlak en het fietspad verschoven, zodat de dassenburcht in het bosje bespaard blijft, wordt de inrichting van het plangebied op zo’n manier ingericht dat de dassen veilig tussen de verschillende delen van hun leefgebied kunnen migreren en worden mantelzoombeplanting, struweelhagen en fruitgaarden aangeplant om schuilplaatsen te creëren voor de das. Ecologisch werkprotocol Maatregelen die genomen dienen te worden tijdens de werkzaamheden (zoals fasering in tijd en ruimte en het voorkomen van de verstoring van de dassenpijpen) zijn opgenomen in een ecologisch werkprotocol12. Houtopstand Binnen het plangebied zijn een 4-tal monumentale bomen aanwezig. Het betreft 3 zomereiken en 1 boswilg, alle gelegen aan de Janskamperweg. Het kappen van deze bomen is alleen mogelijk als de 11 12

BRO, ‘Dassenplan, Middengebied Sittard-Geleen’, P01650, d.d. 18 mei 2022. BRO, ‘Ecologisch werkprotocol Middengebied Sittard-Geleen’, projectnr.: P01650, d.d. 3 februari 2023.

Hoofdstuk 4

48

veiligheid in geding is of bij zwaarwegende omstandigheden. Binnen de voorgenomen plannen zullen deze bomen echter behouden blijven. Gezien het plangebied binnen de bebouwde kom ligt, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. 4.8.3 Conclusie Vanuit ‘ecologie’ bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van de onderdelen ‘gebiedsbescherming’, ‘soortenbescherming’ en ‘houtopstand’.

4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Op 17 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders de ‘Nota Bodembeheer 2021 gemeente Sittard-Geleen’ vastgesteld. Samen met de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassenkaart geeft het Bodembeheerplan het toetsingskader voor het omgaan met diffuus verontreinigde grond binnen Sittard-Geleen. 4.9.2 Onderzoek Door Aeres Milieu is een actualiserend vooronderzoek conform de NEN 5725 uitgevoerd 13. Voorgaand historisch bodemonderzoek is opgesteld door Aeres Milieu; AM12406 en dateert van 15 april 2013.

Het doel van het vooronderzoek is om de onderzoeksgegevens vanaf begin 2013 tot heden te actualiseren en om vast te stellen of er sprake is van een mogelijke verontreiniging van de bodem met stoffen die een belemmering kunnen vormen met het oog op de voorgenomen ontwikkelingen. Uit de verzamelde (historische) informatie en het uitgevoerde locatiebezoek is gebleken dat ter plaatse van de onderzoekslocatie in de periode 2013 – heden geen potentieel bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Het plangebied is nog steeds voornamelijk agrarisch in gebruik met enkele braakliggende percelen. Wel zijn in tussentijd twee bodemonderzoeken binnen het plangebied uitgevoerd door MAH. De in 2013 van asbest verdachte percelen zijn hierdoor als onverdacht te beschouwen op het voorkomen van asbest in de bodem. In de bovengrond ter plaatse van de Lintjesweg zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en PCB’s aangetoond. In de bovengrond ter plaatse van de akker is

13

Aeres Milieu, Vooronderzoek NEN 5725 Middengebied Noord, Sittard-Geleen, projectnummer AM21058, d.d. 2 maart 2021.

Hoofdstuk 4

49

een licht verhoogd gehalte aan cadmium aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Op de momenteel braakliggend en met struiken/bomen begroeide percelen (kadastrale percelen met nummers 8023, 8024, 10441 en 11618 gedeeltelijk) is nog geen nieuw verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In het verleden zijn op de voormalige woonpercelen plaatselijk licht verhoogde waardes aan zink en PAK in de bovengrond vastgesteld. Op het noordelijker gelegen perceel (kadastraal perceel nummer 11579 gedeeltelijk) is een tijdelijk parkeerterrein aanwezig geweest. Voor deze percelen wordt geadviseerd de bodemkwaliteit na sloop alsnog vast te stellen door middel van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 (strategie “onverdacht“). Op de westelijk gelegen Janskampersweg (westelijke landbouwweg/grindverharde fietspad) is in mei 2002 een sterke bodemverontreiniging met voornamelijk zink vastgesteld in de aanwezige wegfunderingslaag. De funderingslaag is circa 1,5 meter dik. In en rondom de funderingslaag komen matig tot sterke verontreinigingen voor met zink, (plaatselijk) koper en Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK 10 VROM). Door het voorkomen van veel puntverontreinigingen kan de gehele funderingslaag en de direct aangrenzende bodemlaag worden beschouwd als sterk verontreinigd met voornamelijk zink.

De aard en concentraties van de verontreiniging zijn heterogeen. Op basis van het onderzochte gebied (250mx5mx1,5m) is circa 1.875 m3 materiaal matig en sterk verontreinigd. Derhalve is deze verontreiniging als een geval van ernstige bodemverontreiniging (niet urgent) beschouwd. Voor zover bekend is ter plaatse geen bodemsanering uitgevoerd. Gezien de ouderdom wordt geadviseerd om de indertijd vastgestelde verontreinigingscontour te actualiseren voorafgaand aan eventuele herontwikkeling of grondwerkzaamheden. Het overige deel van de onderzoekslocatie is gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek als “onverdacht” beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. De verwachte bodemkwaliteit (landbouw/natuur conform de bodemkwaliteitskaart) vormt geen belemmering voor het beoogde gebruik (wonen). Als de bodem van de locatie op basis van de verkregen informatie uit het vooronderzoek “onverdacht” lijkt, dan kan in principe een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 achterwege blijven. In plaats van een bodemonderzoek uit te (moeten) voeren, kan dan gebruik gemaakt worden van de gegevens zoals vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart van de gemeente. Het is nadrukkelijk de keuze van de initiatiefnemer of hij gebruik maakt van de bodemkwaliteitskaart of dat hij toch een bodemonderzoek laat uitvoeren.

Voordat hij deze keuze maakt zal hij zich moeten vergewissen van de voor- en nadelen en de eventuele risico’s. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is de bodemkwaliteitskaart en/of het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. De verontreiniging is aanwezig in het noorden van het plangebied. In dit gedeelte van het terrein is een bosje gelegen dat in de toekomstige situatie behouden blijft. De groenstrook ten noorden van dit bosje blijft groen. Binnen dit groen wordt enkel een fietspad en een calamiteitenweg aangelegd. Middels onderhavig bestemmingsplan verdwijnt op deze locatie de bestemming ‘Woongebied’ en komt hier een groenbestemming voor terug. Gelet op deze toekomstige functie kan worden gesteld dat er in de geen sprake zal zijn van een gevoelige functie. Een verkennend bodemonderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

Hoofdstuk 4

50

4.10 Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Beschrijving waterrelevant beleid In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een robuust en toekomstbestendig watersysteem. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Op provinciaal niveau kent de provincie Limburg als uitgangspunten (in het POL2014) dat verdroging zo veel mogelijk tegengegaan dient te worden en dat waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is.

Tevens sluit de provincie aan bij het streven naar de bevordering van infiltratie van water in de bodem om zodoende water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. Door Aeres Milieu B.V. is een beknopte waterparagraaf opgesteld 14. De volledige waterparagraaf is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder volgt een samenvatting. Het planvoornemen voor een duurzaam dorp in het buitengebied van Sittard-Geleen heeft mogelijk een impact op het waterhuishoudkundig systeem. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met enkele randvoorwaarden om hydrologisch neutraal te kunnen ontwikkelen.

Binnen het plangebied komen diepe grondwaterstanden voor, waardoor het grondwater niet voor overlast zal zorgen en er reeds voldaan wordt aan de minimale drooglegging voor de bouw van huizen en wegen (1,0 meter). Grondwater Op gegevens uit een zuidelijker van het plangebied aanwezige peilbuis afkomstig van het “Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO-loket)” is een grondwaterfluctuatie te zien tussen

14

Aeres Milieu, Waterparagraaf Middengebied Noord Sittard-Geleen, projectnummer AM21058, d.d. 2 maart 2021

Hoofdstuk 4

51

47,2–48,55 m +NAP. Volgens gegevens uit metingen bij eerder uitgevoerde bodemonderzoeken bevindt het freatisch grondwaterpeil zich binnen het plangebied op een diepte van circa 10 – 15 meter beneden maaiveld. Het peilbeheer zal in de toekomst, waar mogelijk, worden afgestemd op het behoud van natuurlijke waterhuishouding (Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR)). De onderzoekslocatie ligt niet binnen een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Voor zover bekend vinden op en in de directe omgeving van het plangebied geen grootschalige grondwater onttrekkingen plaats. De milieuhygiënische conditie van het grondwater vormt, voor zover bekend, op dit moment geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen plan (wonen). Binnen het plangebied zullen geen milieubelastende activiteiten worden ontplooid. De dreiging van een toekomstige grondwaterverontreiniging zal daarom minimaal zijn. Oppervlaktewater Er is geen oppervlaktewater op en in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde oppervlaktewater bevindt zich op circa 500 meter aan de oostzijde van het plangebied (de Geleenbeek). Hierdoor kan er niet aangesloten worden op het oppervlaktewater en is er derhalve ook geen direct nadelig effect te verwachten.

Hemel- en afvalwater Aan de westzijde van het plangebied is in de Rijksweg-Noord een gemengd rioolstelsel met een rioolgemaal aanwezig. Tussen de putten 003761 en 003765 liggen ei-buizen 300/450 die in bodemhoogte aflopen van 57,32 m+ NAP naar 55,07 m+ NAP. Aan de noordzijde van het plangebied ligt in de Provinciale weg (Middenweg) een regenwaterriool, dat tussen de putten 33028 en 33037 afloopt van 49,58 m+ NAP naar 49,51 m+ NAP. Circa 700 m in oostelijke richting mondt dit regenwaterriool uit in een vijver, waarna het overloopt op de Geleenbeek. Beide rioolstelsels zijn in beheer bij de gemeente Sittard-Geleen. Ter plaatse is geen bebouwing aanwezig en wordt het hemelwater ter plaatse in de bodem verwerkt. Huidig is er binnen en de directe omgeving van het plangebied geen wateroverlast bekend. Bij veranderingen aan het waterhuishoudkundig systeem dient getoetst te worden of het huidige voldoende gedimensioneerd is om wateroverlast binnen het plangebied en in de omgeving te voorkomen. Bij herontwikkeling wordt gestreefd naar hydrologisch neutraal bouwen. Econsultancy heeft in 2012 een veldonderzoek uitgevoerd om de bodemgesteldheid en de doorlatendheid in beeld te brengen. Er zijn boringen in het plangebied verricht, peilbuizen geplaatst en doorlatendheidsmetingen uitgevoerd.

De resultaten zijn verwerkt in de rapportage ‘Doorlatendheidsonderzoek Lintjesweg (ong) te Geleen, Gemeente Sittard-Geleen’ (rapportnummer 11120935, d.d. 11 april 2012). Hieruit blijkt dat de deklaag bestaat uit zwak tot sterk zandig leem. De bovenlaag van 0,4 m dik is zwak humeus. De diepere ondergrond vanaf 9 m beneden maaiveld bevat matig siltig, zeer grof zand en is zwak grindig. Er worden voor de deklaag (tussen 0,4 en 2,0 m-mv) k-waarden tussen 0,3 en 1,1 m/dag gerapporteerd. Hieruit blijkt dat er overwegend sprake is van een k-waarde van 0,4 m/dag. In de landbouw worden deze waarden als matig tot goed doorlatend beschouwd (volgens cultuurtechnisch vademecum), echter voor stedelijk waterbeheer worden deze waarden als matig doorlatend aangemerkt. Binnen het plangebied bevinden zich momenteel geen (aangelegde) bergings- of infiltratievoorzieningen. Aan de milieuhygiënische voorwaarden kan bij de planontwikkeling worden voldaan, waardoor de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=b2df11f0-6c71-4d61-a2ac-7a3d6381f320