CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Toelichting

Raad 5 oktober 2023, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Bestemmingsplan Middengebied Noord en beeldkwaliteitplan (Geilen) (58)23.349 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Herziening Middengebied Noord Gemeente Sittard-Geleen Ontwerp

Bestemmingsplan Herziening Middengebied Noord Gemeente Sittard-Geleen Ontwerp

Rapportnummer:

P01650

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.1883.BPMiddengebiedNrd-ON01

Datum:

juni 2023

Contactpersoon opdrachtgever:

Gemeente Sittard-Geleen

Projectteam BRO:

SSh (projectleider), IMo

Concept:

februari 2021

Voorontwerp:

maart 2021

Ontwerp:

juni 2023

Vaststelling: Bron foto kaft:

BRO

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

Inhoudsopgave 1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en grens van het plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

4 4 5 5 7

2.PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie 2.3 Stedenbouwkundige uitgangspunten

8 8 8 10

3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

14 14

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

14 16 17 17 18

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie 3.2.2 Provinciale omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 3.3 Regionaal beleid

18 19 20 21

3.3.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg 3.3.2 Transformatievisie Wonen Westelijke Mijnstreek 3.4 Gemeentelijk beleid

21 23 25

3.4.1 Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016 3.4.2 Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020 3.4.3 Nota ruimtelijke kwaliteit 3.4.4 Parkeerbeleid Sittard-Geleen 3.4.5 Nota Bodembeheer 2021 gemeente Sittard-Geleen 3.4.6 Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015 3.4.7 Beleid externe veiligheid Sittard-Geleen

25 26 26 28 29 29 30

4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren

34 34

4.1.1 Verkeer 4.1.2 Parkeren 4.1.3 Conclusie 4.2 Geluid

34 35 36 36

4.2.1 Algemeen

36

Inhoudsopgave

1

4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit

37 37 38

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering

38 39 39

4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Conclusie 4.5 Geur agrarisch

39 40 40

4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Conclusie 4.6 Leidingen en infrastructuur 4.7 Externe veiligheid

40 41 41 42

4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Quickscan externe veiligheid 4.7.3 Conclusie 4.8 Ecologie

42 43 44 45

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Bodem

45 46 49 49

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.10 Water 4.11 Archeologie en cultuurhistorie

49 49 51 55

4.11.1 Archeologie 4.11.2 Cultuurhistorie 4.11.3 Conclusie 4.11 Trillingen 4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

55 58 58 58 59

5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen 5.4 Gebiedsaanduidingen

63 63 63 65 66

6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

67 67 67

6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Inspraak 6.2.3 Vaststellingsprocedure

68 68 68

Inhoudsopgave

2

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: AERIUS-berekening Middengebied Noord + voortoets Bijlage 2: Waterparagraaf Middengebied Noord Bijlage 3: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 4: Dassenplan Bijlage 5: Ecologisch Werkprotocol Bijlage 6: Akoestisch onderzoek Middengebied Noord Bijlage 7: Vooronderzoek NEN 5725 Middengebied Noord Bijlage 8: Trillingsonderzoek Bijlage 9: Nota van wijzigingen

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Het inwoneraantal in de gemeente Sittard-Geleen neemt af. Op termijn is daardoor minder behoefte aan woningen. Tegelijkertijd is er een veranderende woonvraag door onder andere vergrijzing, waardoor juist behoefte is aan nieuwe woningen die voorzien in deze veranderende woonvraag. Het voornemen bestaat om op de percelen gelegen tussen de Middenweg (N276) en Rijksweg Noord in Geleen circa 235 reguliere woningen met verschillende typologieën en 50 zorgwoningen te realiseren. Binnen het bestemmingsplan ‘Middengebied – Noord’, zoals vastgesteld op 25 februari 2014 is het mogelijk circa 700 woningen te realiseren binnen onderhavig plangebied. Gelet op onder andere de planvoorraad, de ligging in het Middengebied en de vergrijzing werd dit aantal door de gemeente Sittard-Geleen te groot geacht. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt het aantal woningen dat gerealiseerd mag worden binnen het plangebied teruggebracht naar circa 235 reguliere woningen en maximaal 72 zorgwoningen.

Figuur: 1.1: Uitsnede topografische kaart met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd)

Hoofdstuk 1

4

1.2 Ligging en grens van het plangebied Het ‘Middengebied’ is, zoals de naam suggereert, gelegen te midden van de kernen Geleen en Sittard. De planlocatie is gelegen aan de Middenweg (N276) en Rijksweg Noord in Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen.

Figuur 1.2: Uitsnede luchtfoto met ligging plangebied (rode marker)

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Middengebied – Noord’ zoals vastgesteld op 25 februari 2014 door de gemeenteraad van Sittard-Geleen. Het plangebied is grotendeels bestemd als ‘Woongebied’. Over deze gehele bestemming is tevens een bouwvlak aanwezig waarbinnen 700 woningen zijn toegestaan. De overige bestemmingen die zijn gelegen binnen dit bestemmingsplan zijn: ‘Wonen’, ‘Natuur’, en ‘Groen’. Binnen de bestemming ‘Wonen’ ligt tevens een bouwvlak. Daarnaast

Hoofdstuk 1

5

geldt voor het grootste gedeelte van het bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waard – Archeologie’. Op een gedeelte van de planlocatie ligt de gebiedsaanduiding ‘wetgevingzone – hogere grenswaarde’. Ter plaatse van de Middenweg ligt de functie aanduiding ‘geluidwal’ en de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – weg’. Tot slot ligt in het westen van het plangebied de functieaanduiding ‘pad’.

Figuur 1.3: Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Middengebied – Noord’ met ligging plangebied (rood omlijnd)

Hoofdstuk 1

6

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 1

7

2.

PLANBESCHRIJVING Het voorliggende bestemmingsplan betreft een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan, waarmee de bouw van 235 reguliere woningen en maximaal 72 zorgwoningen mogelijk wordt gemaakt.

2.1 Huidige situatie In de huidige situatie bestaat het plangebied voornamelijk uit agrarische velden en bosschages. Ten zuidwesten van het plangebied, aan de Rijksweg Noord 239, is een woning gelegen. Deze woning valt buiten onderhavig bestemmingsplan.

Figuur 2.1: Luchtfoto plangebied en omgeving.

2.2 Toekomstige situatie Binnen het plangebied wordt middels onderhavig bestemmingsplan de realisatie van 235 reguliere woningen en 50 zorgwoningen mogelijk gemaakt. De 235 reguliere woningen hebben verschillende typologieën. Daarnaast zal aan de oostzijde van het plangebied 50 zorgwoningen worden gerealiseerd. Onder bepaalde voorwaarden wordt het binnen het bestemmingsplan mogelijk gemaakt het aantal zorgwoningen te verhogen tot 72. De schaal en maat van de bouwvelden is zo gekozen dat zij in bepaalde mate flexibel invulbaar zijn en verschillende woningtypen kunnen worden ingepast. Daarmee kan in de loop van de ontwikkeling beter op de veranderende behoefte uit de markt worden ingespeeld.

Hoofdstuk 2

8

Ingegeven door de lay-out van het plan zijn twee onderscheidende woonmilieus gedefinieerd, ‘Wonen aan het lint’ en ‘Wonen achter het lint’. Het ‘Wonen aan het lint’ kan worden gekarakteriseerd als een organisch gegroeide, ‘stenige’ dorpsstraat met een aaneenschakeling van individueel herkenbare panden hier en daar afgewisseld met een representant van een poort- of hofboerderij, die binnen het woonmilieu als een onderscheidend milieu wordt gedefinieerd. Om dit woonmilieu overtuigend neer te zetten is een concentratie van geschakelde woningen langs het lint onontkoombaar. Het ‘Wonen achter het lint’ kan worden gekarakteriseerd als een naoorlogse uitbreidingswijk met een divers bebouwingsbeeld en een grote samenhang tussen de openbare ruimte, het groen van de tuinen en de bebouwing. Een aantal specifieke en geografische aspecten van de lay-out van het plan zijn aanleiding om binnen dit woonmilieu aanvullend een tweetal onderscheidende milieus te definieren, te weten: ‘Wonen aan de Graft’ en ‘Wonen aan het Park’. Deze zijn opgenomen in het beeldkwaliteitsplan en een uitsnede hiervan is opgenomen in figuur 2.2. Het plan omvat maximaal 235 woningen, de zorgwoningen niet meegerekend.

Qua type onderverdeeld in: rijwoningen, 2/1-kapwoningen, geschakelde woningen en vrijstaande woningen, waarvan een nog nader te bepalen gedeelte projectmatig zal worden ontwikkeld en het resterende deel als bouwkavel zal worden vrijgegeven aan de individuele vrije sector. Alle vrijstaande woningen, 2/1-kapwoningen en hoekwoningen kunnen levensloopbestendig - dat wil zeggen met het volledige programma op de begane grond - uitgevoerd worden. Voor de tussenwoningen, ook smallere beukmaten, geldt dat deze voldoen aan de eisen die gesteld worden aan semi-levensloopbestendig. Om de belevingswaarde van het nieuwe dorp nog verder te differentiëren zijn verschillende plekken aangemerkt waar bijzondere aandacht wordt gevraagd voor de uitwerking van de architectuur van de gebouwen. Deze plekken zijn een onderdeel van het totale ensemble en benadrukken de hiërarchie in het dorp. De betreffende gebouwen staan in een zichtlijn of op markante hoeken van straten en zijn daarmee bepalend voor de beleving van de openbare ruimte. Om die reden moet deze bouwsels nadrukkelijk worden uitgewerkt, als blikvanger, markering of accent, bijvoorbeeld door aan de bebouwing bijzondere architectonische elementen toegevoegd. Te denken valt aan een markante kapvorm, afwijkend materiaalgebruik, overhoekse elementen als een erker of een bijzonder opvallende schoorsteen.

Er is een geleidelijke overgang van het dorp met het omliggend landschap gecreëerd. Voor de differentiatie van het programma brengt dit met zich mee dat de relatief kleinere woningtypen (rijwoningen) zijn geconcentreerd in het hart van het dorp en relatief grotere woningen (twee-onder-een kap, en vrijstaande woningen) in de randen van het dorp. In de zone parallel aan de Rijksweg Noord voorziet het vigerend bestemmingsplan in de ontwikkeling van 50 zorgwoningen. Omdat de programmatische invulling hiervan in dit stadium van de planvorming nog niet is vastgelegd, worden over de uitwerking hiervan in het kader van de stedenbouwkundige opzet op hoofdlijnen geen uitspraken gedaan.

Hoofdstuk 2

9

Figuur 2.2: Stedenbouwkundige opzet op hoofdlijnen

Het uitgangspunt voor de ontsluitingsstructuur is dat deze exclusief wordt aangepast aan de eigen behoefte van het plan.

2.3 Stedenbouwkundige uitgangspunten De stedenbouwkundige opzet ontleent zijn ruimtelijke structuur aan het gebiedseigen heuvellandschap. De ruimtelijke dragers voor de lay-out van het nieuwe dorp zijn ‘de Graften’, ‘het lint’ en ‘de Dries’. Deze elementen verankeren het dorp met het onderliggende landschap en de omgeving. Daarnaast zijn ze cruciaal voor de oriëntatie en plaatsbepaling in het plan. De insteek is om gebiedseigen kwaliteiten in te zetten om te komen tot een onderscheidende identiteit voor het nieuwe woongebied. De juiste ingrediënten hiervoor kunnen worden ontleend aan de patronen en de occupatie van het onderliggende Limburgse landschap en de architectuur van de daarbij horende karakteristieke dorpen

Hoofdstuk 2

10

met hun aaneengesloten lintbebouwing. Er is gekeken naar zowel landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken als architectonische kernmerken. Daarnaast is het plangebied gelegen bezijden een ecologische verbindingszone, het landschapspark de Graven. Het plangebied bevindt zich in de uitlopers van het Limburgse heuvellandschap. Dit heuvellandschap is in feite een plateau, doorsneden door rivier en beekdalen. Het plateau heeft een licht golvend oppervlak met hier en daar aanmerkelijke hoogteverschillen. Erop ligt een afwisselend landschap met dorpen, hoeven en vakwerkboerderijen, akkers, tuinbouwgrond, weilanden en bosjes. Kenmerkende landschapselementen zijn de holle wegen en graften, de hoogstamboomgaarden en meidoornhagen. De graften lopen evenwijdig aan de hoogtelijnen van het gebied. In de Graften wordt een deel van het hoogteverloop van de locatie opgevangen, waardoor de aanpalende bouwvelden min of meer terrasvormig en met een zo gesloten mogelijke grondbalans kunnen worden afgewerkt. De Dries is gesitueerd in het hart van het plan, waar de lintbebouwing wijkt en de dorpsstraat in twee richtingen zijn vervolg groenstructuur krijgt. De Dries heeft een betekenis als centrale ontmoetingsplek van het dorp en heeft daarom een meer gecultiveerd karakter dan de overige componenten van de groenstructuur.

Hier is sprake van een plantsoenachtige inrichtingen met een van de dorpspomp afgeleid object als focal point. Met de lay-out van het stedenbouwkundig plan is ingespeeld op de aanmerkelijke hoogteverschillen door het licht golvend maaiveldverloop, waardoor het hoogteverloop afleesbaar blijft. Daar waar mogelijk worden hoogteverschillen geaccentueerd met gebruik van bijvoorbeeld stapelmuren of schanskorven als grondkering. De hoofdroute door het dorp sluit aan op Rijksweg Noord ter hoogte van het Zuyderland Medisch Centrum. De hoofdroute verbindt vervolgens de twee graften en de Dries met elkaar. Op hun beurt verzorgen de graften die evenwijdig lopen aan de hoogtelijnen in het gebied, de verkeersafwikkeling van de bouwvelden gelegen aan de randen van het dorp. Samen met een fijnmazig netwerk van paden en wegen verweven ze het dorp met het landschap en het omliggend stedelijk gebied. Naast deze fysieke verbindingen zijn er op een aantal plekken aan de randen van het plan ook visuele verbindingen met het omliggende landschap. Zo heb je bijvoorbeeld vanaf de Dries vrij uitzicht op de toren van de Pancratiuskerk in Munstergeleen. Verder zijn twee onderscheidende woonmilieus gedefinieerd, ‘Wonen aan het lint’ en ‘Wonen achter het lint’.

Het lint, dat als een organisch gegroeide dorpsstraat is vormgegeven, bepaalt met zijn stenige karakter voor een groot deel de identiteit van het nieuwe dorp. Het karakter van het ‘Wonen achter het lint’ wordt grotendeels door de graften bepaald, waardoor dit milieu juist groen is en ruim van opzet. Het beloop van het lint en de Graften maakt samen met de grenzen van het plangebied, dat het woonprogramma op een natuurlijke wijze wordt opgedeeld in verschillende overzichtelijke bouwvelden, die zo nodig, onafhankelijk van elkaar kunnen worden ontwikkeld.

Hoofdstuk 2

11

Figuur 2.3: Stedenbouwkundige opzet op hoofdlijnen

In onderstaande afbeelding is de hoofdgroenstructuur weergegeven. Langs de Rijksweg Noord worden beeldbepalende bomen geplaatst. De bosschage in het noorden van het plangebied blijft in stand. In het zuidoosten van het plangebied, gelegen langs agrarische velden, komen fruitbomen te staan. De strook grenzend aan het spoor wordt opgevuld met hoge heesters en boomvormers.

Hoofdstuk 2

12

Figuur 2.4: Hoofdgroenstructuur

Hoofdstuk 2

13

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

Hoofdstuk 3

14

De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16.

Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Conclusie Een van de doelen van de NOVI is zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Om in kaart te brengen wat de woningbehoefte is in Nederland is er een analyse gemaakt van de woningopgave.1 Volgens deze analyse neemt de woningbehoefte vanaf 2020 in Zuid-Limburg af. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt de planvoorraad teruggebracht van circa 700 woningen naar maximaal 235 reguliere woningen en 50 zorgwoningen. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de kwalitatieve woonbehoefte. Een deel van het initiatief bestaat uit zorgwoningen. Ook blijft de overige invulling van de reguliere woningen open, zodat in de loop van de ontwikkeling beter op de veranderende behoefte uit de markt kan worden ingespeeld. Hierdoor wordt aangesloten op die woningbehoefte. Dit initiatief voldoet aan de uitgangspunten uit het NOVI.

1

ABF research, Primos prognose, Delft 2020.

Hoofdstuk 3

15

Figuur 3.1: Uitsnede Primos Prognose 2020 - Trend

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Conclusie Het plangebied heeft geen overlap of invloed op de in het Barro beschermde nationale belangen. Het plan is niet in strijd met het Barro.

Hoofdstuk 3

16

3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Conclusie Onderhavige planlocatie is niet gelegen binnen een radarverstoringsgebied. Het Rarro vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief. 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.

Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.2 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Conclusie Onder het vigerend bestemmingsplan ‘Middengebied-Noord’ is het toegestaan 700 woningen te realiseren. Onder onderhavig bestemmingsplan neemt het aantal woningen af. In onderhavig plan kunnen maximaal 235 reguliere woningen en 50 zorgwoningen worden gerealiseerd.

Gelet op het feit dat er sprake is van een afname van het planvoorraad is er geen toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking noodzakelijk. Ten aanzien van de zorgwoningen geldt dat dit een subcategorie is van woningen, waardoor ook hiervoor in feite geldt dat middels onderhavig bestemmingsplan de woningbouwaantallen afnemen t.o.v. het huidig juridisch-planologisch kader.

2

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

17

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: 'de Provinciale omgevingsvisie Limburg.' Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg is op 1 oktober 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en vervangt het 'Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).' De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. Daarnaast is reeds een omgevingsverordening vastgesteld op 17 december 2021 om het beleid juridisch te verankeren. Deze wordt verder behandeld onder paragraaf 3.3.3. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied;  Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);  Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:  Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema's;  Een gebiedsgericht deel waarin de thema's op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio's Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Het thema dat in het kader van onderhavig geval hoofdzakelijk van toepassing is betreft het aspect 'Wonen en leefomgeving'. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend.

Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere

Hoofdstuk 3

18

aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma's, agenda's en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomst geschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de Ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil.

Leefomgeving Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Afweging De provinciale Omgevingsvisie is het richtinggevende kader op hoofdlijnen omtrent wonen. Omdat de woonbehoeften snel veranderen, en omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven wat betreft wonen en leefomgeving, zijn er meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s en instrumenten (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 3.3). Onderhavig plan voorziet in de realisatie van circa 235 reguliere woningen en 50 zorgwoningen. Met dit plan wordt de planvoorraad teruggebracht. Daarnaast wordt bijgedragen aan de kwalitatieve transformatie van de woningvoorraad door het realiseren van de zorgwoningen.

Ook 235 reguliere woningen dragen daaraan bij. De invulling van deze woningen is flexibel. Zo kan goed worden ingespeeld op de veranderende behoefte op de markt. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in de ‘Provinciale omgevingsvisie. 3.2.2 Provinciale omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven.

Hoofdstuk 3

19

Beschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het besluitgebied niet is gelegen binnen een beschermingsgebied. Wonen In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Voor de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.1.4. In de verordening zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van woningbouw. Volgens artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening voorziet een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio ZuidLimburg niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen, alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeente raden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (voor de doorwerking van de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg in relatie tot onderhavige ontwikkeling zie paragraaf 3.3.1).

Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen, alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande. De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording te bevatten van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. Aangezien de planvoorraad woningen wordt teruggebracht is dit niet op onderhavig plan van toepassing. Conclusie Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 17 december 2021 heeft Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze Omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen. De inwerkingtreding is voorzien op 1 januari 2023 wanneer naar verwachting ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden.

Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Volgens de kaart 'Wonen, werken en recreëren' ligt het plangebied binnen het Stedelijk gebied en meer specifiek binnen de thema's detailhandel, kantoren, toerisme, werklocaties, verstedelijking en wonen.

Hoofdstuk 3

20

Conform artikel 12.1 van de omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen het volgende beschrijven: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio's bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Afweging In onderhavige toelichting is in voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 12 van de ontwerp omgevingsverordening opgenomen instructieregels. Dit plan voorziet in een afname van het aantal woningen en voldoet derhalve aan het provinciaal en regionaal woonbehoeftebeleid.

Doordat er wordt afgeschaald in kwantiteit, is er ruimte voor het opschalen in kwaliteit. Zo kan het type woning dat uiteindelijk wordt gerealiseerd binnen het plangebied nog worden afgestemd op de behoefte en kan het plan ruim en groen worden ingericht. Daarnaast blijkt uit paragraaf 3.2.1 dat deze ontwikkeling past binnen de POVI Limburg. Tot slot wordt het plan opgenomen op de Plancapaciteitsmonitor Limburg.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL), vastgesteld op 9 november 2016, is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal, vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente directe invloed hebben op andere gemeenten. Het doel van de structuurvisie is het creëren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Een excellent woon- en vestigingsklimaat is een belangrijke voorwaarde voor de economische ontwikkeling van Zuid-Limburg en benutting van de geografische posities van Zuid-Limburg in het hart van de Euregio Maas-Rijn. In de structuurvisie worden drie woonsferen onderscheiden: stedelijk (Heerlen, Maastricht, Sittard-Geleen), suburbaan (delen van de stedelijke gebieden en grotere kernen) en landelijk (buitengebied en kleine kernen). Het plangebied maakt deel uit van de woonsfeer ‘suburbaan’.

Om een aantrekkelijke woonregio te zijn én te blijven is er een omslag nodig naar meer evenwicht tussen vraag en aanbod, méér kwaliteit en méér vraaggerichtheid. Toevoegen van woningen kan daarom alleen als het niet ‘meer van hetzelfde’ is en als het past binnen de kwantitatieve kaders.

Hoofdstuk 3

21

Zuid-Limburgse gemeenten hebben een driedelige opgave:  Verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot;  Terugdringen van (ongewenste) planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave;  Toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de visie. Om invulling te geven aan deze opgave hebben de 18 Zuid-Limburgse gemeenten en diverse beleidsafspraken gemaakt. Voor de suburbane woonsfeer is de verdunning de grootste opgave. De plancapaciteit wordt met onderhavig plan teruggebracht. Daarnaast is de invulling van de reguliere woningen flexibel. Zo kan worden aangesloten op de behoefte op de markt. Beleidsafspraak VI Om invulling te geven aan de opgaven is een aantal beleidsafspraken gemaakt, waaronder beleidsafspraak VI uit de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Hieruit blijkt dat om kwalitatief goede initiatieven toe te voegen aan de programmering er compensatie dient plaats te vinden door middel van direct gekoppelde sloop of onttrekking. Als dit aantoonbaar niet mogelijk is, gelden in achtereenvolgende volgorde de hieronder vermelde punten: 1.

Elke nieuw toe te voegen woning (per locatie 5 of minder woningen) wordt financieel gecompenseerd door middel van een op Zuid-Limburgs niveau uitgewerkte uniforme financiële compensatieregeling, waarvan de middelen in een subregionaal op te zetten sloopfonds vloeien; 2. De gemeente neemt de sloopverplichting over en voert deze binnen de raadstermijn uit, waarin dit besluit is genomen; 3. Door middel van het schrappen van reeds bestaande harde plancapaciteit in de subregionale woningmarktprogrammering. Deze moet minimaal in de verhouding van 1:4 (toe te voegen woning : te schrappen harde plannen) ingezet worden als compensatie voor het nieuwe woningbouwinitiatief. Woningbouwinitiatieven, die leiden tot functieverandering van leegstaand detailhandels-, kantoor-, horeca- of ander bedrijfsvastgoed in aangewezen straten in stads(deel)centra of centra van kernen, kunnen worden gecompenseerd met minimaal 2 woningen uit de harde plancapaciteit. Recentelijke ontwikkelingen Door Provinciale Staten is bij besluit van 5 oktober 2020 de Omgevingsverordening Limburg 2014 gewijzigd vastgesteld, waarmee artikel 2.4.2, lid 6 is komen te vervallen. Door het vervallen verklaren van dit artikellid is er voor de Limburgse gemeenten geen plicht meer om compenserende maatregelen nader te motiveren in het ruimtelijke besluit dat betrekking heeft op woningbouwplannen die leiden tot een woningtoename.

In opdracht van de Zuid-Limburgse gemeente is de SVWZL in juni 2020 geëvalueerd in het rapport ‘Evaluatie Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg’ dat opgesteld door Stec Groep. Op basis van deze evaluatie hebben de Zuid-Limburgse gemeenten besloten om de beleidsafspraken van de huidige SVWZL te actualiseren. In navolging van het provinciale beleid hieromtrent hebben diverse Zuid-Limburgse gemeenteraden inmiddels besloten om geen compensatie als voornoemd meer toe te passen op woningbouwplannen, in afwachting op een nieuwe structuurvisie wonen Zuid-Limburg. Vanwege het te doorlopen proces hieromtrent, zullen de Zuid-Limburgse gemeenteraden niet eerder dan het 1e kwartaal 2021 een besluit over een gezamenlijke geactualiseerde structuurvisie wonen kunnen nemen. Ruim baan voor goede woningbouwplannen Sittard-Geleen Op 28 januari 2021 is de beleidsregel ‘Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021’ in werking getreden. Ten aanzien van de derde opgave uit de SVWZL – het toevoegen van woonproducten waar

Hoofdstuk 3

22

een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de SVWZL – is op 21 maart 2019 de beleidsregel ‘Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen ZuidLimburg’ vastgesteld om die opgave te vereenvoudigen. Deze tijdelijke versoepeling trad in werking voor maximaal twee jaar in afwachting van de evaluatie van de (dertien beleidsafspraken uit de) SVWZL. Inmiddels is deze evaluatie, inclusief de evaluatie van de tijdelijke versoepeling, afgerond. Een van de aanbevelingen is om een aantal beleidsafspraken te herzien op basis van actuele inzichten, en de werking adaptiever te maken. De beleidsregel ‘Ruim baan voor goede plannen Sittard-Geleen’ vervangt de beleidsregel ‘Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg’, om zo op korte termijn invulling te geven aan de gedane aanbevelingen uit de evaluatie, in lijn met de notitie ‘Bouwen naar behoefte’ van de drie subregiovoorzitters over nieuwe plannen. Om op basis van de beleidsregel in aanmerking te komen voor vrijstelling van compensatie, moet er sprake zijn van een kwalitatief goed plan. Er is sprake van een kwalitatief goed plan indien wordt voldaan de volgende criteria: 1. Een woningbouwinitiatief moet maatschappelijke meerwaarde hebben; a. Uitgangspunt hierbij is dat inbreiding voor uitbreiding gaat. b.

Bovendien moeten de plannen bijdragen aan de verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen, door middel van herstructurering en vervangingsbouw, hergebruik van winkels en ander waardevol vastgoed met passende woningbouw of wel een bijdrage leveren aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. 2. Het plan is voor de gemeente planologisch aanvaardbaar en moet op grond hiervan voldoen aan de systematiek van de ‘Ladder van duurzame verstedelijking’, zoals vastgelegd in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Voor elk nieuwbouwplan geldt dat de behoefte aan die ontwikkeling zowel kwalitatief als kwantitatief moet worden onderbouwd. 3. Tot slot moeten de nieuwe woningbouwinitiatieven sub-regionaal worden afgestemd en worden toegevoegd aan de regionale woningmarktprogrammering. Conclusie Binnen voorliggend bestemmingsplan is sprake van de mogelijkheid om 235 reguliere woningen te realiseren en 50 zorgwoningen. Op grond van het vigerende bestemmingsplan “Middengebied Noord” vastgesteld door de gemeenteraad van Sittard-Geleen in 2014 kunnen maximaal 700 woningen in dit gebied worden gebouwd.

Vanwege de bevolkingskrimp, de afgenomen behoefte aan nieuwe woningen en gewijzigde marktinzichten bij de ontwikkelaar voorziet dit voorontwerp van het bestemmingsplan, in overleg met de ontwikkelaar, in de bouw van 235 grondgebonden woningen en 50 zorgwoningen. In de ronde en raadsvergadering van mei 2019 werd de gemeenteraad over deze ontwikkelrichting geïnformeerd. Door het terugdringen van de planvoorraad is ook de Ladder voor Duurzame verstedelijking niet van toepassing, zo is gebleken uit paragraaf 3.1.4. De woningen die met onderhavig plan zijn beoogd zijn kwalitatief hoogwaardig, en tevens zijn er verschillende typen woningen toegestaan, zoals vrijstaande woningen, twee-aaneen gebouwde woningen, aaneen gebouwde woningen en geschakelde woningen. Hierdoor kan worden aangesloten bij marktbehoefte. 3.3.2 Transformatievisie Wonen Westelijke Mijnstreek In 2020 is de Transformatievisie Wonen Westelijke Mijnstreek vastgesteld. In opdracht van Beek, Beekdaelen, Sittard-Geleen en Stein heeft het onderzoeksbureau Atelier Romain deze Transformatievisie ontwikkeld. Al snel werd duidelijk dat de behoefte aan bepaalde woningen in de toekomst anders

Hoofdstuk 3

23

is dan het aanbod van vandaag de dag. Zo zijn er bijvoorbeeld te veel eengezinswoningen en te weinig appartementen. Daarnaast gaat de transformatievisie in op de opgave om woningen uit de markt te halen waar op termijn geen vraag meer naar is. De demografische ontwikkelingen die hierboven werden besproken, zorgen er voor dat de woningmarkt van de Westelijke Mijnstreek voor een tweeledige uitdaging komt te staan. Demografische krimp zorgt niet alleen voor een kwantitatieve uitdaging op de woningmarkt. Tegelijkertijd zorgt de krimp en de erbij horende veranderende huishoudenssamenstelling voor een nog veel grotere kwalitatieve uitdaging: het afstemmen van het woonaanbod aan de veranderende woonnoden en -wensen. Naast een drastische afname van het aantal gevraagde units, bestaat er een typologische mismatch: er zijn tegen teveel eengezinswoningen en te weinig compacte meergezinswoningen of appartementen. De huishoudens die een voorkeur vertonen voor een grondgebonden of ééngezinswoning zullen in veel grotere mate afnemen dan de huishoudens die een appartement of nultredenwoning verkiezen. Dit voornamelijk door de enorme toename van het aantal huishoudens binnen de categorie “Alleenstaanden en stellen 75plus”. In het eigenaarschap bestaat tevens een mismatch: er is nood aan meer particuliere huurwoningen, dan aan sociale huurwoningen, en al helemaal niet aan koopwoningen.

Figuur 3.4: Geraamde bijkomende woningbehoefte 2018-2040 E’til Progneff 2018, CBS)

Conclusie Onderhavig planvoornemen ziet op de realisatie van maximaal 235 reguliere woningen en 50 zorgwoningen. Gedurende de ontwikkeling kan beter worden ingespeeld op de behoefte op de markt. Daarnaast neemt de plancapaciteit flink af. Hiermee voldoet dit initiatief aan de ‘Transformatievisie Wonen Westelijke Mijnstreek’.

Hoofdstuk 3

24

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016 Op 15 december 2016 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen de ‘Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016’ vastgesteld. De omgevingsvisie is de opvolger van de Structuurvisie Sittard-Geleen 2010. In de omgevingsvisie komen alle aspecten aan bod die te maken hebben met de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van en binnen de gemeente. Van wonen en werken tot recreatie en mobiliteit. Van economische en technologische ontwikkelingen tot natuur en milieu. Het geheel wordt verduidelijkt aan de hand van kaarten die een goed beeld geven van de toekomst van Sittard-Geleen en de opgaven waaraan de gemeente werkt om dat beeld te realiseren. In de uitwerking is nadrukkelijk gekozen voor de lijn ‘ruimte waar mogelijk, sturing waar nodig’, een uitnodiging aan alle partners om samen met de gemeente doorlopend te ontwikkelen naar een gemeente waar het goed wonen, leven en werken is. In de omgevingsvisie is aangegeven dat de woningmarkt in Sittard-Geleen in regionale context bezien dient te worden, meer specifiek de regio Zuid-Limburg. Er dient te worden gekomen tot een evenwichtige woningbouwprogrammering die de aantrekkelijkheid van de regio versterkt.

De opgave is drieledig:  Het verdunnen van de bestaande woningvoorraad, waar sprake is van een overschot;  Het terugdringen van de (ongewenste) planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave;  Het toevoegen van woonproducten waar een tekort van is en die passen binnen de uitgangspunten van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (2016). Het streven naar een gezonde woningmarkt betekent echter dat sloop, nieuwbouw en het terugdringen van de (ongewenste) planvoorraad niet altijd één op één in de tijd gelijk kunnen lopen. Dit is nader toegelicht aan de hand van een aantal woningmarktvraagstukken die de opgaven voor Zuid-Limburg en dus ook Sittard-Geleen voor de komende jaren vormen:  De particuliere woningvoorraad;  De planvoorraad;  De verhouding tussen koop-en huurwoningen;  Wonen en zorg;  Doelgroepen en nichemarkten. Ten aanzien van het thema ‘wonen’ wordt in de omgevingsvisie aangegeven dat in Sittard-Geleen sprake is van een aantal woningbouwplannen (harde plancapaciteit) die passen binnen de bestaande bestemmingsplannen, of waar al een omgevingsvergunning is, maar die al langere tijd niet tot uitvoering komen, omdat ze niet voldoen aan de vraag van de markt. Voor deze plannen laat de gemeente een heroriëntatie plaatsvinden. Discussie vindt hierbij plaats over de vorm van het plan c.q. überhaupt.

Conclusie Binnen het plangebied was het toegestaan circa 700 woningen te realiseren op grond van het huidige bestemmingsplan. Door voortschrijdend inzicht is gebleken dat dit aantal te groot is voor het plangebied. Voorliggend plan dringt de planvoorraad terug tot maximaal 235 reguliere woningen en 50 zorgwoningen. Dit is in lijn met de Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016. Daarnaast kan door de invulling van de reguliere woningen flexibel te laten beter worden ingespeeld op de veranderende woonbehoefte uit de markt. Voorliggend plan voldoet hierdoor aan de ‘Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016’.

Hoofdstuk 3

25

3.4.2 Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020 De ‘Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020, Goed wonen in Sittard-Geleen’ beschrijft de ambities en prioriteiten van het woonbeleid voor de komende jaren. Deze zijn gebaseerd op de ontwikkelingen op de woningmarkt en de uitgangspunten uit het coalitieakkoord en bovenliggende beleidskaders (met name Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg). Voor het besluitgebied zijn met name de volgende prioriteiten en ambities van belang:  Zorgen voor voldoende woningen passend bij de (toekomstige) omvang van de bevolking en doelgroepen. Dit dient onder meer te worden bereikt door het terugdringen van de ongewenste planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave door het maximaal reduceren van de plancapaciteit.  Versterking van de kwaliteit van het woningaanbod: comfort, duurzaamheid, levensloopbestendig en deels aangepast aan de zorgvraag, met daarbij een sterke focus op de verduurzaming van de woningvoorraad. De klimaatverandering en de eisen om te voldoen aan een gezonde leefomgeving hebben consequenties voor het wonen. De ambitie is om dit te doen door ruimtelijke adaptatie (het aanpassen van de ruimtelijke inrichting van de bebouwde omgeving aan de gevolgen van het veranderende klimaat) en maatregelen voor het realiseren van comfortabele, energiezuinige, veilige en toegankelijke woningen met een gezond woon/leefklimaat.

 Het in stand houden van kwalitatief hoogwaardige landelijke woonmilieus met behoud van de eigen identiteit en landschappelijke kwaliteit Conclusie Onderhavig bestemmingsplan staat de realisatie van 235 reguliere woningen en 50 zorgwoningen toe. De bestemde planvoorraad wordt door dit bestemmingsplan verminderd. Dit is gelet op onder andere de vergrijzing noodzakelijk. Daarnaast zorgen de 50 zorgwoningen voor de versterking van de kwaliteit van het woningaanbod. Het flexibel laten van de invulling van de reguliere woningen zorgt ook voor deze versterking. Er kan zo worden ingespeeld op de veranderende behoefte op de woningmarkt. Het plan voldoet hiermee aan de ‘Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020’. 3.4.3 Nota ruimtelijke kwaliteit Op 25 februari 2021 heeft de gemeenteraad de ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit’ gewijzigd vastgesteld. De nota beschrijft de kwaliteitscriteria waaraan elk ruimtelijk initiatief in de gemeente Sittard-Geleen moet voldoen. Opdat alle investeringen in de gebouwen en de openbare ruimte helpen om de kwaliteit en diversiteit van de gemeente te behouden én te versterken. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit vervangt de Welstandsnota 2004, maar richt zich op meer dan alleen welstand. Ruimtelijke kwaliteit gaat niet alleen over gebouwen.

Daarom is in de Nota uitgebreid aandacht besteed aan het landschap, groen en erfgoed en is ook het (tijdelijke) reclame-, terrassen- en uitstallingenbeleid als bijlage aan de Nota gekoppeld. Initiatieven worden door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK) getoetst aan enkele vaste criteria die altijd gelden. Vaste criteria Ruimtelijke inpassing  Een initiatief respecteert de stedenbouwkundige en/of landschappelijke structuur.  Een initiatief sluit qua maat en schaal aan bij de omliggende bebouwing en bij de klein- of grootschaligheid van het dorp, de stad of het landschap als geheel. ‘Contrasteren met’ vraagt daarbij om een uitgebreidere argumentatie dan ‘zich voegen naar’. Voor het landschap geldt dat beplantingen moeten passen bij het bestaande beplantingsbeeld van het betreffende gebied.

Hoofdstuk 3

26

Een initiatief levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van het omgevingsbeeld in de stad, de dorpen of het landschap. Hoe groter de openbare betekenis van een gebouw of plek (dus hoe meer het door mensen wordt gebruikt en/of gezien) hoe hoger de eisen op dit gebied. Een initiatief houdt rekening met de samenhang tussen de inrichting van de straat en de gebouwen (gevels), aangezien dit wordt ervaren als één geheel.

Verschijningsvorm Hoofdvorm  Nieuwbouw heeft een bij de omliggende bebouwing passende hoofdvorm.  Uitgangspunt is de samenhang binnen een ontwerp. Ruimtes, volumes en vlakken zijn in evenwichtige maatverhoudingen ontworpen.  Bijgebouwen en opbouwen zijn herkenbaar als op zichzelf staande volumes en zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Gevelopbouw  Het gevelontwerp is consequent, goed van verhouding en qua indeling, dieptewerking en plasticiteit afgestemd op de omliggende bebouwing.  Ingrepen aan de gevel, waaronder nieuwe balkons en luifels of winkelpuien, passen binnen de structuur, maat en schaal van het hoofdgebouw en refereren bij monumenten aan de oorspronkelijke, historische situatie.  Technische installaties moeten geïntegreerd zijn in de architectuur en aansluiten bij de vormgeving van een gebouw en zijn omgeving. Zij mogen geen afbreuk doen aan de architectonische uitstraling van een gebouw. Bij nieuwbouw dan wel verbouwingsplannen moeten installaties integraal worden opgenomen in het ontwerp. Overgangen privé-openbaar  Entreegebieden van gebouwen, inclusief luifels en reclame-uitingen, zijn uitnodigend en kwalitatief hoogwaardig vormgegeven.  Begane grondgevels aan de openbare ruimte hebben een bij de situatie passende openheid. In woon-, winkel-, en werkgebieden zijn dichte gevels (bergingen) aan de straat ongewenst.

 Integrale toegankelijkheid Openbare gebouwen moeten toegankelijk zijn voor alle bezoekers, waaronder ook mensen met een beperking en/of hulpmiddel. In het bouwbesluit en de NEN 1814 (bouwvoorschriften) wordt de integrale toegankelijkheid van gebouwen geregeld. De toegankelijkheid van het gebouw ‘via’ de openbare ruimte of het omliggend gebouwterrein maakt onderdeel uit van de planvorming. Bij een ontwerp van een (semi)-openbaar gebouw wordt een terreininrichtingsplan gevraagd waaruit moet blijken dat het gebouw via de openbare ruimte integraal toegankelijk is voor alle bezoekers, ook voor mensen met een beperking en/of hulpmiddel. De eisen van de toegankelijkheid moeten voldoen aan het Handboek Toegankelijkheid (voorheen Geboden Toegang). Materiaal, kleur en detaillering  Kleuren zijn terughoudend en afgestemd op de omliggende bebouwing. Er wordt aangesloten bij het regionaal gebruik van kleuren en materialen.  Materiaal, kleur en detaillering ondersteunen de verschijningsvorm op samenhangende wijze.  Materialen en detaillering worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk.  Materialen zijn zo duurzaam mogelijk, bijvoorbeeld door het toepassen van hergebruikte materialen.

Hoofdstuk 3

27

Daarnaast zijn er voor een aantal gebieden gebiedseigen karakteristieken beschreven, waarmee bij een initiatief in het betreffend gebied, rekening dient te worden gehouden. Het plangebied ligt volgens de nota nog in het landschap. Door het bestemmingsplan ‘Middengebied 2000’ en vigerend bestemmingsplan ‘Middengebied Noord’ 2014 is het gebied echter juridisch-planologisch reeds bestemd tot een woongebied. Een initiatief in een woongebied houdt rekening met de volgende zaken. Ruimtelijke inpassing  een hechte samenhang tussen openbare ruimte, groen en bebouwing, die met name in de naoorlogse wijken zichtbaar is. Specifiek voor de dorpen geldt:  het samenhangend ensemble van dorp en landschap, waarbij entrees en dorpsranden niet zijn vormgegeven;  de kleinschalige, informele uitstraling van de openbare ruimte in de historische kern, met overhoeken (vaak beplant), terugspringende rooilijnen en kleine hoogteverschillen;  het vrije zicht op het landschap vanuit veel straten tussen of langs de huizen door. Verschijningsvorm  de pandsgewijze opbouw, de individuele uitstraling, de zorgvuldige architectuur en traditionele materialisering van gebouwen aan de historische routes in de steden en dorpen. De panden zijn goed te onderscheiden. De oudste bebouwing was wit met een donkere plint, opgebouwd uit mergel, Naamse hardsteen en later baksteen.

Ondanks het individuele karakter kent het bebouwingsbeeld een zeer sterke samenhang;  langs de historische bebouwingslinten het behoud en versterken van het traditionele beeld van boerderijgebouwen met hun toegangspoorten. Met de introductie van nieuwe poorten zal terughoudend moeten worden omgegaan;  de meer eenvoudige, projectmatige architectuur in de vroege naoorlogse uitbreidingswijken (jaren vijftig en zestig), in karakter dorps door het gebruik van baksteen en pannendaken. Doordat deze woningen in serie werden gebouwd kent de straatwand een grote mate van repetitie, maar door de bescheiden schaal en maat van de gebouwen doen ze nog ‘dorps’ aan, zelfs in de steden. Conclusie Bij de uitwerking van het voorliggende plan is, voor zover mogelijk, rekening gehouden met de bovengenoemde uitgangspunten. De verdere uitgangspunten worden beschreven in hoofdstuk 2. Het stedenbouwkundig plan en het beeldkwaliteitsplan zijn voorgelegd aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK) en op 11 mei 2021 akkoord bevonden. 3.4.4 Parkeerbeleid Sittard-Geleen Aangezien behoefte is aan een eenduidige en eenvoudige systematiek voor parkeervoorzieningen bij ruimtelijke ontwikkelingen en bouwplannen, heeft de gemeente Sittard-Geleen haar parkeerbeleid in 2012 geactualiseerd in de ‘Beleidsregels nota parkeernormen’ en de ‘Nota Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek’.

Het doel van de nota luidt als volgt: “Het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en (herstructurerings)projecten in Sittard-Geleen om in de toekomst de parkeerbehoefte te kunnen faciliteren en de bereikbaarheid en leefbaarheid van Sittard-Geleen te waarborgen.”

Hoofdstuk 3

28

In de nota wordt overeenkomstig de CROW-publicatie “Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering”, onderscheid gemaakt naar een drietal stedelijke zones, te weten ‘centrum’, ‘schil / overloopgebied’ en ‘rest bebouwde kom’. Daarnaast wordt voor wat betreft de toe te passen parkeernormering rekening gehouden met de stedelijkheidsgraad van een gebied. Het plangebied is voor zowel de stedelijke zone als de stedelijkheidsgraad gelegen in de zone ‘rest bebouwde kom’. In paragraaf ‘Verkeer en parkeren’ in het volgende hoofdstuk wordt nader ingegaan op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de eisen ten aanzien van parkeervoorzieningen. 3.4.5 Nota Bodembeheer 2021 gemeente Sittard-Geleen Op 17 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders de ‘Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart gemeente Sittard-Geleen 2021-2025’ met bijbehorende ‘Nota Bodembeheer 2021 gemeente Sittard-Geleen’ vastgesteld. De Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart met bijbehorende Nota bodembeheer is een uitvloeisel van het landelijke Besluit bodemkwaliteit dat in 2008 in werking is getreden.

De Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart met bijbehorende Nota bodembeheer geven aan hoe het binnen het gebied van Sittard-Geleen gesteld is met de diffuse bodemkwaliteit en hoe de gemeente, voor zover het haar bevoegdheden betreft, invulling geeft aan de toetsing van bodemaspecten op beleidsterreinen waar dat aspect een rol speelt. Deze werkvelden zijn: grondverzet/hergebruik, bodemsanering, bouwen en ruimtelijke ontwikkeling. Bij al deze werkvelden worden dezelfde eisen gesteld aan de bodemkwaliteit. Deze benadering staat bekend onder de benaming meersporenbeleid en ligt aan de basis van een duurzame en efficiënte aanpak van de in de gemeente aanwezige diffuse bodemverontreiniging. De nieuwe kaarten en nota zijn een voortzetting van het huidige bodembeleid dat binnen de gemeente wordt gevoerd. In paragraaf 4.9 wordt nader ingegaan op bodemaspecten in relatie tot de beoogde ontwikkeling. 3.4.6 Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015 Op 12 november 2014 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen het ‘Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015’ vastgesteld. In dit beleidsplan is de volgende missie geformuleerd: “De zorg voor de afvalwaterketen wordt zo uitgevoerd dat de volksgezondheid wordt beschermd, een goede leefomgeving wordt bevorderd en schade aan het milieu wordt voorkomen. De kosten worden zo laag mogelijk gehouden en er wordt samengewerkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=b2df11f0-6c71-4d61-a2ac-7a3d6381f320