CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Toelichting

Raad 5 oktober 2023, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Bestemmingsplan Middengebied Noord en beeldkwaliteitplan (Geilen) (58)23.349 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Hoofdstuk 4

52

aanvoer van het afgekoppelde neerslag niet zal leiden tot verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende (grond)water. Uitgangspunt is dat schoon- en vuilwaterstromen gescheiden blijven bij de herontwikkeling. Afstromend hemelwater dient op eigen perceel verwerkt / gecompenseerd te worden. Bij de nieuwbouw zal een gescheiden rioolstelsel aangelegd worden. Het niet aankoppelen en infiltreren van neerslag levert een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieuhygiënische maatregelen worden getroffen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient hemelwater, afkomstig van ‘schoon’ afvoerend oppervlak, waar mogelijk, ter plaatse geïnfiltreerd te worden. Voor het afvalwater wordt een separaat stelsel aangelegd dat aansluit op het gemeentelijk rioolstelsel. De aanleg van het nieuwe stelsel wordt overlegd met de gemeente zodat deze aan de geldende eisen voldoen. Ingenieursbureau Kragten heeft hiervoor in het verleden een waterhuishoudkundig onderzoek uitgevoerd dat geactualiseerd in op 5 december 2019. Hierin zijn de toekomstige watersystemen voor het planvoornemen verder onderbouwd. In dit onderzoek is mede gelet op het bestaande hoogteverloop van het plangebied, een cruciale bouwsteen voor het ruimtelijk planontwerp.

Niet alleen omdat er strenge eisen worden gesteld om afdoende waterberging te realiseren, maar ook omdat water in de woonomgeving bijdraagt aan de belevingskwaliteit van de wijk. Uit duurzaamheidsoverwegingen is ervoor gekozen het overtollig regenwater daar waar mogelijk zo lang mogelijk vast te houden nabij de bebouwing en vertraagd af te voeren. Daarnaast is het belangrijk dat de afvoer van overtollig regenwater zichtbaar en beleefbaar wordt gemaakt voor de bewoners. De toekomstige hoofdwaterstructuur loopt vanaf de Dries (het hoogste punt in de wijk) naar de lager gelegen randen van het plangebied. Vanuit de bouwvelden wordt het hemelwater middels greppels en de groene doorsteken vertraagd afgevoerd naar de boezem alwaar het overtollig regenwater in een aaneengesloten stelsel van wadi’s langzaam kan infiltreren naar de ondergrond. Het hemelwaterstructuurplan is weergegeven in figuur 4.4.

Hoofdstuk 4

53

Figuur 4.4: hemelwaterstructuurplan

Om wateroverlast bij de woningen te vermijden, worden er noodoverlaten in elk van de systemen opgenomen. Deze worden aangebracht om extreme neerslag af te kunnen voeren naar lager gelegen terrein. Conform de eisen van het waterschap Limburg dient voor het plangebied rekening gehouden te worden met retentiehoeveelheid voor een bui van 80 mm. Deze bui mag niet voor overlast zorgen en dient verwerkt te worden binnen het plangebied. Hiervoor is binnen het planontwerp met een groene invulling afdoende ruimte aanwezig. Waar mogelijk dient men het toekomstig dicht oppervlak te minimaliseren en hemelwater op een natuurlijke wijze te verwerken. Daarnaast wordt een groene tuin gestimuleerd en wordt tevens bekeken of plaatselijk groendaken aangelegd worden voor een verdere vertraging van het hemelwater. Particuliere initiatieven worden gewaardeerd. Door het aanhouden van een bouwpeil van 20 cm boven het bestaand maaiveld is ter plaatse van de woningen geen instroom te verwachten. Door maaiveldprofilering dient hemelwater zoveel mogelijk oppervlakkig opgevangen te worden naar de greppels en uiteindelijk de grote wadi’s waar het hemelwater kan infiltreren.

Door de aanleg van een gescheiden stelsel, de groene planinvulling, voldoende bouwhoogte en de verwerking van het hemelwater op en nabij de percelen en in de wadi om de benodigde waterberging te creëren, is door het planvoornemen geen wateroverlast te verwachten en wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. De detaillering van de voorzieningen wordt in het nog op te stellen inrichtingsplan opgenomen waarna dit ook voorgelegd wordt aan het bevoegd gezag.

Hoofdstuk 4

54

Eventueel benodigde vergunningen worden niet middels deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing/infiltratie of werkzaamheden in (de buurt van) een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen aangevraagd worden bij het Waterschap middels het Omgevingsloket.

4.11 Archeologie en cultuurhistorie 4.11.1 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Toetsing De gemeente Sittard-Geleen heeft een archeologische verwachtings- en beleidskaart op gesteld. Het doel van het opstellen van deze kaart is om ten behoeve van toekomstige planvorming en planuitvoering inzicht te verschaffen in de aanwezigheid en karakter van de archeologische en historische resten in de gemeente.

Hoofdstuk 4

55

Figuur 4.5: Uitsnede Archeologische beleidskaart

Uit de archeologische verwachtingskaart blijkt dat binnen het plangebied deels sprake is van een middelhoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde (categorie 4), met een daarbij behorend AMK (Archeologisch Monumentenkaart)-terrein (in dit geval een zone om een reeds bekend archeologische vindplaats in categorie 2). Bij een te verstoren oppervlak groter dan 500 m 2 en een verstoringsdiepte groter dan 30 cm (categorie 4) en een te verstoren oppervlak groter dan 50 m 2 en een verstoringsdiepte groter dan 30 cm (categorie 2) is het noodzakelijk een archeologisch onderzoek uit te voeren. Het overige deel van het plangebied kent een lage archeologische verwachtingswaarde. Voor het vigerend bestemmingsplan ‘Middengebied – Noord’ is reeds een bureauonderzoek uitgevoerd15. Uit de samenvatting van dit onderzoek blijkt het volgende: Het plangebied is gelegen op een daluitspoelingsterrasrestrug met aan de noord- en zuidzijde lösswanden. Waarschijnlijk bevinden zich in het plangebied radebrikgronden welke onder invloed van erosie plaatselijk zullen zijn veranderd in bergbrikgronden. Op basis van de bekende gegevens omtrent archeologische waarden in het gebied en geografische ligging moet worden geconcludeerd dat voor het plangebied een (zeer) hoge verwachting geldt voor

15

Aeres Milieu, Archeologisch bureauonderzoek, Middengebied C te Sittard-Geleen, projectnummer AM12406, d.d. 24 juli 2013

Hoofdstuk 4

56

vondsten uit het neolithicum. De ligging op het plateau van Graetheide en ruimtelijk gesitueerd tussen reeds bekende lineaire bandkeramiek-nederzettingen (LBK, ca. 5400 – 4900 v. Chr.), is aanleiding binnen de grenzen van het plangebied een vergelijkbare nederzetting te verwachten. Dit beeld wordt ondersteund door de diverse vondsten van de heer Vromen binnen de grenzen van het plangebied. De verwachte nederzetting is ook opgenomen op de verwachtingskaart voor droge gebieden van de gemeente Sittard-Geleen. De metaaltijden zijn in de directe omgeving ook aangetroffen. Echter zullen, op basis van het onderzoek van de ARC uit 2012, de sporen uit de bronstijd dichter bij de Geleenbeek gezocht moeten worden. Dergelijke sporen vallen binnen het plangebied echter niet uit te sluiten waardoor er voor de bronstijd een middelhoge verwachting geldt. De ijzertijd is direct ten westen aangetroffen, maar ook in de wijdere omgeving. In het verleden is echter meer aandacht uitgegaan naar de LBK-periode waardoor er een vertekend beeld ontstaat in de beschikbare gegevens. Gezien de archeologische resten die zijn aangetroffen tijdens de opgravingen aan het Janskamperveld bestaat er een grote kans dat deze archeologische resten zich uitstrekken tot in het plangebied. Onder de waarnemingen van de archeoloog zijn er diverse in de ijzertijd te dateren, hetgeen dit beeld onderbouwt.

Derhalve geldt voor de ijzertijd een hoge verwachting. Naast deze verwachting geldt voor de metaaltijden een aandachtspunt vanuit het gemeentelijk beleid. Er wordt in de toelichting van de beleidskaart aangegeven dat deze perioden relatief minder bekend zijn dan de LBKperiode. Dit onderscheid moet gezocht worden in de minder diepe ligging van de sporen en de daaruit voortvloeiende gevoeligheid voor erosie (Verhoeven/Ellenkamp 2010). Nederzettingsterreinen uit deze perioden kunnen gezien worden als van belang voor het invullen van een kennishiaat. De Romeinse periode is in de directe omgeving goed vertegenwoordigd met een grafveld en twee vermoede villacomplexen. Dergelijke complexen kunnen arealen van ettelijke hectaren beslaan, waaronder het plangebied. Daarnaast is er nog geen concrete koppeling van het grafveld op het Janskamperveld met een nederzetting welke in de omgeving verwacht kan worden. Het plangebied komt in aanmerking voor het herbergen van een dergelijke nederzetting, echter heeft de veldkartering van de heer Vromen tot op heden geen Romeins materiaal opgeleverd, waardoor de verwachting voor de Romeinse periode wordt gesteld op middelhoog tot laag. De overgang naar de vroege middeleeuwen luidt voor de omgeving van het Maasdal een depopulatie in. Dit beeld geldt ook voor de omgeving van Sittard-Geleen (Verhoeven/Ellenkamp 2010).

Het plangebied lijkt geografisch minder aantrekkelijk dan andere gebieden in de omgeving. Hierdoor geldt voor de middeleeuwen een lage verwachting. Deze verwachting wordt doorgetrokken naar de nieuwe tijd. Naar verwachting zal het gebied tijdens de ontwikkeling van Sittard en Geleen hoofdzakelijk dienst hebben gedaan als agrarische zone voor de zich in deze periode ontwikkelende kernen. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek bestaat de verwachting dat binnen het plangebied zich minimaal een LBK-vindplaats bevind. Deze zal zich vermoedelijk bevinden ter plaatse van de vondstconcentratie aangetroffen tijdens de veldkartering van de heer Vromen. De kwaliteit van deze vindplaats en eventueel andere vindplaatsen zijn sterk onderhevig aan de intensiteit van de erosie ter plaatse. Het verdient daarom de aanbeveling om te zijner tijd een booronderzoek uit te voeren met primair het doel de dikte van het colluvium ter plaatse te bepalen en in de zones van de daluitspoelingsterrasrestrug de mate van erosie. Dergelijk onderzoek kan het best worden uitgevoerd in enkele raaien waarbij bij voorkeur minimaal één raai haaks op (noordwestzuidoost) en één parallel (zuidwest-

Hoofdstuk 4

57

noordoost) aan de daluitspoelingsterrasrestrug. Het overige terrein dient indicatief gecontroleerd te worden door een boorgrid met een verspringend patroon om verstoringen ter plaatse op te sporen. Aan de hand van dit bureauonderzoek is de dubbelbestemming, die op grond van bestemmingsplan ‘Middengebied – Noord’ ook gold, overgenomen in onderhavig plangebied. Deze dubbelbestemming schrijft voor in welke gevallen bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen het noodzakelijk is vervolgonderzoek naar archeologische waarden in de bodem uit te voeren. 4.11.2 Cultuurhistorie Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn in het plangebied enkele waardevolle lijnelementen aanwezig in de vorm van ‘wegen ouder dan of gelijktijdig met middeleeuwese verkaveling’. Dit betreft de Janskamperweg en de Lintjensweg. De structuren van deze wegen worden doorgetrokken in het verkavelingsplan. Voor het overige is in het plangebied geen sprake van waardevolle en/of te beschermen cultuurhistorische elementen. 4.11.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.11 Trillingen In het kader van de beoogde woningbouwontwikkeling is door Cauberg Huygen een trillingsonderzoek uitgevoerd.16 Het project ligt op relatief korte afstand van de spoorlijn Sittard – Heerlen. De eerstelijns bebouwing ligt op circa 26 tot 50 meter afstand van het spoor. Trillingen van het treinverkeer kunnen daarom tot hinder leiden voor toekomstige bewoners. Onderstaand worden de conclusies uit het trillingsonderzoek weergegeven. Het volledig rapport is als separate bijlage bij onderhavige toelichting opgenomen. De locatie van het bouwplan is zodanig dat hinder door trillingen als gevolg van treinverkeer mogelijk is. Uitgaande van een ongunstige eigenfrequentie van de vloer (20 Hz), bedraagt V max 0,50 (meetpunt 3 op 26 meter van het spoor). Dit leidt tot een overschrijding van de streefwaarde A2 (0,2) uit SBR richtlijn B. Bij een gunstige eigenfrequentie van de vloer (8 Hz), bedraagt V max 0,41 (meetpunt 3). Deze situatie bedraagt een overschrijding van de streefwaarde voor de nacht in de nieuwe situatie, iets meer dan een factor 2. De gemiddelde trillingsterkte Vper voldoet ook zonder trillingsreducerende maatregelen aan de streefwaarde A3 (0,05) uit SBR richtlijn B. Om voor woningen van de eerstelijns bebouwing te voldoen aan de streefwaarden voor de nieuwe situatie (0,2), zijn trillingsreducerende maatregelen nodig.

Bij het bouwkundig en constructief ontwerp van de eerstelijns bebouwing binnen een afstand van 80 meter tot het spoor, kan rekening worden gehouden met het integreren van trillingsreducerende maatregelen in het ontwerp. De verwachting is dat met deze maatregelen een reductie met een factor 2 haalbaar is zodat voldaan kan worden aan de streefwaarden voor de nieuwe situatie.

16

Cauberg Huygen, ‘Trillingsonderzoek woningbouwplan Middengebied Noord Sittard-Geleen’, ref.: 07996-55088-02, d.d. 2 juni 2022.

Hoofdstuk 4

58

Omdat de functie wonen al is toegestaan in het vigerende bestemmingsplan en in het voorontwerp van de herziening van het bestemmingsplan geen planregels over trillingen zijn opgenomen, bestaat er geen wettelijke grond om bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen trillingsreducerende maatregelen af te dwingen. De projectontwikkelaar kan en mag wel rekening houden met trillingsreducerende maatregelen, maar dit is niet verplicht. Gevolg is dat het mogelijk is dat de toekomstige bewoners de trillingen van sommige treinpassages kunnen voelen en eventueel hinder door trillingen kunnen ervaren. Het advies is dan ook om de toekomstige bewoners in te lichten over de mogelijke trillingen.

4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Algemeen Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de Dlijst valt. Toets m.e.r.-plicht In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In de voorgenomen ontwikkeling worden 235 reguliere woningen en 50 zorgwoningen gerealiseerd. De bouw van de woningen komt in het besluit m.e.r. niet voor in de bijlage C. Er is dus geen sprake van een verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.

In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten, maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’. De realisatie van de woningen dient te worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Een plan voor een dergelijke ontwikkeling is mer-beoordelingsplichtig indien de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Met de bouw van 235 reguliere woningen en 50 zorgwoningen wordt ruimschoots onder de drempelwaarde gebleven. Sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 7 juli 2017, is een m.e.r.-beoordeling echter ook vereist indien de drempelwaarden niet worden overschreden.

Hoofdstuk 4

59

Conclusie 1. De ontwikkeling van de wooneenheden komt niet voor in onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Er hoeft dan ook geen MER te worden opgesteld.; 2. De activiteiten vallen wel onder categorie D 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De in kolom 2 bij categorie D 11.2 genoemde ‘drempelwaarde’ worden niet overschreden; 3. Omdat de activiteit wordt genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., maar de drempelwaarde niet worden overschreden, moet voor dit plan wel een beperkte m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd; M.e.r.-beoordeling Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondenemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm.

Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project 

Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten

Gebruik van natuurlijke grondstoffen

Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder

Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën

Plaats van het project 

Bestaand grondgebruik

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied

Hoofdstuk 4

60

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Kenmerken van het potentiële effect 

Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)

Grensoverschrijdende karakter van het effect

Waarschijnlijkheid van het effect

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria

Toets

Omvang van het project

Het project richt zich op de realisatie van 235 reguliere woningen en 50 zorgwoningen. Deze ontwikkeling vindt plaats op een agrarische percelen.

Cumulatie met andere projecten

Nee.

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen

Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.

Productie van afvalstoffen

Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.

Verontreiniging en hinder

De ontwikkeling vindt plaats tussen Sittard en Geleen in, aan de rand van het stedelijk gebied. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.

Geluid wegverkeer (zie ook paragraaf 4.2): Gezien de ligging van het plangebied is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai nodig. Uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is gebleken dat ten gevolge van het verkeer op de Middenweg en de Rijksweg Noord de grenswaarde niet wordt overschreden. Ten gevolge van de spoorlijn zijn plaatselijke overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde vastgesteld. De maximale ontheffingswaarde wordt ten gevolge van wegverkeerswalaai en het railverkeerslawaai nergens overschreden. Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.3): Met voorliggend plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geur: (zie ook paragraaf 4.5): In de omgeving zijn geen veehouderijen gelegen. Het aspect geur vormt hierdoor geen belemmering voor het plangebied. Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 4.1.1): Het uitgangspunt voor de ontsluitingsstructuur is dat deze exclusief is gedimensioneerd op de eigen behoefte van het plangebied. Het plan krijgt één aansluiting op het omliggende wegennet. Op die manier wordt geen wijkvreemd verkeer aangetrokken.

In het geval van calamiteiten bieden een tweede aansluiting ietwat noordelijker op de Rijksweg Noord en een aansluiting op de Geleenbeeklaan ten zuiden van de ontwikkeling de mogelijkheid het plangebied te verlaten.

Hoofdstuk 4

61

Kenmerken van het project Criteria

Toets

Risico van ongevallen

Er is sprake van de ontwikkeling van woningen. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron. Voor de vaststelling van het vigerend bestemmingsplan ‘Middengebied-Noord’ is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd en advies bij de Veiligheidsregio. Ten opzichte van het vigerend bestemmingsplan zijn er minder woningen binnen de 50 meter zone geprojecteerd. Daarnaast worden er extra maatregelen genomen om het risico terug te brengen.

Plaats van het object Criteria

Toets

Bestaand grondgebruik

Het plangebied bestaat op dit moment uit agrarische velden. Binnen het vigerend bestemmingsplan is het plangebied ten behoeve van ‘woongebied’ en is het mogelijk circa 700 woningen te realiseren.

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het

N.v.t.

regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: 

gevoelige gebieden (wetlands,

Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming

kustgebieden, berg- en bosgebie-

beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 4.8 ‘Ecologie’.

den, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) 

gebieden waarin bij communau-

N.v.t.

taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden 

gebieden met een hoge bevol-

N.v.t.

kingsdichtheid 

landschappen van historisch, cul-

Archeologie (zie ook paragraaf 4.11.1): Voor vigerend bestemmingsplan ‘Middenge-

tureel of archeologisch belang

bied-Noord’ heeft een bureauonderzoek plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan is binnen het plangebied is de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ van het vigerend bestemmingsplan overgenomen. Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 4.11.2): binnen het plangebied liggen waardevolle lijnelementen. Dit betreft de Janskamperweg en de Lintjensweg. De structuren van deze wegen worden doorgetrokken in het verkavelingsplan. Voor het overige is in het plangebied geen sprake van waardevolle en/of te beschermen cultuurhistorische elementen.

Hoofdstuk 4

62

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast afgestemd op het onderliggende bestemmingsplan ‘Lindenheuvel’. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente Sittard-Geleen nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 5

63

Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan.

Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels.

Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan.  algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.

Hoofdstuk 5

64

algemene aanduidingsregels: hier zijn regels opgenomen, die van toepassing zijn ter plaatse van enkele in het plan opgenomen gebiedsaanduidingen. Deze aanduidingen zijn bestemmingsoverschrijdend en kunnen dus van toepassing zijn binnen meerdere bestemmingen. Het gaat om de volgende aanduidingen: geluidzone. In een volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen gebiedsaanduidingen per aanduiding nader beschreven. algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. In dit artikel zit ook een specifieke wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Groen’ en ‘Maatschappelijk’ met inachtneming van de voorwaarden uit dit artikel te wijzigen naar ‘Bedrijventerrein’.

algemene procedureregels: in de algemene procedureregels is opgenomen aan welke regels de gemeente zich dient te houden wanneer het gebruik maakt van de bevoegdheid het plan te wijzigen of nadere regels te stellen. overige regels: hierin zijn de regels met betrekking tot de parkeernormen opgenomen, middels een dynamische verwijzing naar het gemeentelijke parkeerbeleid.

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen.    

‘Groen’ ‘Verkeer’ ‘Woongebied’ ‘Waarde – Archeologie’

Groen De tot ‘Groen’ bestemde gronden zijn bedoeld voor groenvoorzieningen, verkeersdoeleinden in de vorm van fiets- en voetpaden en parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, infiltratievoorzieningen, speelvoorzieningen en water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. Binnen deze gronden mogen enkel voorzieningen van openbaarnut worden gebouwd welke binnen de bestemming een ondergeschikte plaats innemen wat betreft situering en omvang en een maximale hoogte hebben van 8 meter. Verkeer De tot ‘Verkeer’ bestemde gronden zijn bedoeld voor verkeersdoeleinden en parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, kunstuitingen, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, overige bijbehorende voorzieningen. Op en in deze gronden mogen

Hoofdstuk 5

65

uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwen die wat betreft aard en afmetingen bij de bestemming passen. Er zijn maximale bouwhoogten opgenomen voor verschillende bouwwerken. Woongebied De tot ‘Woongebied’ bestemde gronden zijn bedoel voor wonen met daaraan ondergeschikt erven, aan huis gebonden beroepen, parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, groenvoorzieningen, waaronder langzaam verkeersroutes en speelvoorzieningen, boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen, ontsluitingswegen (ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – ontsluiting’ en ontsluiting ten behoeve van een calamiteitenweg (ter plaatse van de aanduiding ‘veiligheidszone– calamiteitenweg’. Er zijn verschillende woningtypen toegestaan, maar zorgwoningen zijn enkel toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘zorgwoningen’. Verder zijn er eisen opgenomen voor de diepte van het hoofdgebouw, de goot- en bouwhoogte, de afstand tot de zijdelingse perceelgrens. Deze regels zijn ook opgenomen ten aanzien van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Waarde – Archeologie De tot ‘Waarde – Archeologie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor doeleinden ter bescherming van de archeologische waarden.

Voorwerkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd tot meer dan 30 cm onder maaiveld en dit over een oppervlakte is van meer dan 500 m 2, dan moet hiervoor een vergunning voor zijn afgegeven.

5.4 Gebiedsaanduidingen In het voorliggend bestemmingsplan zijn de volgende gebiedsaanduidingen opgenomen.    

‘overige zone – hoofdgroenstructuur’ ‘overige zone – ontsluiting’ ‘veiligheidszone – calamiteitenweg’ ‘overige zone – leefgebied voor de das’

Hoofdstuk 5

66

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. In het voorliggende geval is sprake van een bouwplan als bedoeld in het Bro. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer zijn in het verleden al diverse overeenkomsten vastgesteld voor het totaalplan Middengebied:  Primaire besluitvorming in de gemeenteraad in 1998 door het vaststellen van de Samenwerkingsovereenkomst Middengebied en in de gemeenteraad.

 Vaststellen van de Realisatieovereenkomst deelplan A in 2000.  Vaststellen van een Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst/Realisatieovereenkomst Deelplan A Middengebied in 2006. Op basis hiervan is het kostenverhaal verzekerd en is het vaststellen van een exploitatieplan bij dit bestemmingsplan niet aan de orde.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Inspraak;

Hoofdstuk 6

67

Vaststellingsprocedure.

6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan worden geïnformeerd. Te zijner tijd zullen de uitkomsten van het vooroverleg en de consequenties voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf. Bij voorbereiding van dit bestemmingsplan heeft op basis van artikel 3.1.1 Bro overleg plaatsgevonden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van de belangen welke in het plan in het geding zijn. De reacties uit dit vooroverleg zijn in de ‘naam nota’ (zie bijlage X) samengevat en voorzien van commentaar. Voorliggend bestemmingsplan is, waar nodig, aangepast naar aanleiding van de vooroverlegreacties. 6.2.2 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak.

Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Het voorontwerp bestemmingsplan ‘Middengebied Noord heeft van XX tot en met XX ter inzage gelegen. Een ieder werd in de gelegenheid gesteld om op het voorontwerp te reageren. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als Met de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan is de formele procedure voor de vaststelling van start gegaan. Als onderdeel van deze procedure heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegen voor het inbrengen van zienswijzen. Gelijktijdig met de plaatsing van de kennisgeving is het ontwerpbestemmingsplan langs elektronische weg toegezonden aan de reeds betrokken gemeenten, provincie, waterschappen en uitvoeringsdiensten van het Rijk. In deze periode zijn zienswijzen kenbaar gemaakt. Voor de inhoudelijke beantwoording van de zienswijzen wordt verwezen naar de Nota van zienswijzen.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Wel zijn er een aantal ambtshalve wijzigingen verwerkt in het bestemmingsplan. Deze wijzigingen zijn benoemd in de Nota van wijzigingen, welke als bijlage bij onderhavige toelichting is opgenomen.

Hoofdstuk 6

68

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=b2df11f0-6c71-4d61-a2ac-7a3d6381f320