04 Motivering wijzigingsplan
Tekst van het document
Als het gaat om het stimuleren van menselijk talent waarmee een impuls wordt gegeven
26
aan de stedelijke en regionale economie, hebben aantrekkelijke steden de beste papieren. De aantrekkelijkste binnensteden in Zuid-Limburg, waaronder Sittard, hebben een interessante mix aan kennis, cultuur en voorzieningen. In het centrumstedelijk woonmilieu zijn voorzieningen een essentieel onderdeel van de kwaliteit van het gebied. Substantieel verlies van (detailhandels)voorzieningen in dit woonmilieu kan de aantrekkingskracht van dit gebied onder druk zetten. In de stedelijke woonsfeer zijn voorzieningen doorgaans redelijk aanwezig, dan wel direct nabij. Voor de stedelijke woonsfeer bestaat een (kwalitatieve) concentratieopgave. Kwalitatief gezien is intensivering van deze woonsfeer gewenst, vooral in combinatie met functiemenging. Ten aanzien van deze behoefte is voor Sittard de stedelijke woonsfeer een kansrijke locatie. De SVWZL bevat een driedelige opgave voor gemeenten, namelijk: • het verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot; • het terugdringen van de ongewenste planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave; • het toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de SVWZL. Deze ontwikkeling sluit aan bij de regionale opgaven en ambities ten aanzien van het creëren van een aantrekkelijk woonmilieu in het centrum van Sittard.
Enerzijds worden kwalitatieve woningen toegevoegd, wat een positief effect heeft op de levendigheid in het centrum. Het grote leegstaande voormalige V&D-pand krijgt een nieuwe invulling en uitstraling welke passend is in het centrum. Anderzijds zorgt het toevoegen van andere functies dan wonen ervoor dat het voorzieningenniveau toeneemt waardoor men meer naar het centrum trekt. Geconcludeerd wordt dat onderhavige ontwikkeling past binnen de gestelde ambities uit de regionale structuurvisie voor wonen.
4.3.4
Beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' Het actuele woningbouwbeleid is vastgelegd in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL), aangevuld met de op 11 februari 2021 door de gemeenteraad van SittardGeleen vastgestelde- en op 26 februari 2021 in werking getreden – beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021'. Op grond van deze beleidsregel hoeven 'goede woningbouwplannen' niet meer te worden gecompenseerd. Of sprake is van een goed woningbouwplan wordt bepaald aan de hand van drie criteria: Criterium 1: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde Een woningbouwplan heeft maatschappelijke meerwaarde wanneer bijvoorbeeld sprake is van één van de volgende situaties: • Aantoonbare verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen; • Herstructurering/vervangingsbouw van woningen; • Hergebruik van winkels of (ander) bestaand waardevol vastgoed met passende woningbouw; • Aantoonbare bijdrage aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. 27
Daarbij wordt aangesloten op het ruimtelijke uitgangspunt dat inbreiding boven uitbreiding gaat Criterium 2: Het plan is planologisch aanvaardbaar Een plan is (ruimtelijk) planologisch aanvaardbaar als het voldoet aan de Ladder van Duurzame verstedelijking (Besluit ruimtelijke ordening; artikel 3.1.6. lid 2) voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat een beschrijving van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte nodig is: • Criterium 2a: Het plan sluit aan bij de kwantitatieve behoefte • Criterium 2b: Het plan sluit aan bij de kwalitatieve behoefte Criterium 3: Het plan is (sub)regionaal afgestemd Het derde criterium betreft subregionale afstemming, zodat gezamenlijke oordeelsvorming plaatsvindt en het gemeenschappelijk belang voorop blijft staan (geen onderlinge concurrentie en overschotten op subregionaal niveau). De subregio bepaalt of het plan aan de subregionale woningmarktprogrammering wordt toegevoegd. Ad 1. Maatschappelijke meerwaarde Het voornemen van initiatiefnemer is het herontwikkelen van reeds bestaande gebouwen met opstallen. Er worden voornamelijk nultredenwoningen gerealiseerd. Deze woningen sluiten aan op de behoefte. Ad 2. Planologische aanvaardbaarheid Conform de huidige planologische situatie mag het aantal woningen niet toenemen. In het plan ‘Huis aan de Markt Sittard’ zijn maximaal 30 woningen toegestaan.
Met de beoogde 28 wooneenheden wordt dit maximum niet overschreden. Daarnaast wordt met de wooneenheden voldaan aan de huidige behoefte omdat het plan voorziet in de toevoeging van voornamelijk nultredenwoningen. Ad 3. (Sub)regionale afstemming Het plan is door de gemeente afgestemd met de regio en de regio heeft ingestemd met de ontwikkeling. Gelet op het voorgaande is de ontwikkeling in lijn met de Beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021'.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Omgevingsvisie gemeente Sittard-Geleen De gemeente Sittard-Geleen wil een prettige omgeving zijn om in te wonen, werken, leren en ontspannen. Nu en in de toekomst. Daarvoor is de samenleving veerkrachtig en speelt ze constant in op nieuwe ontwikkelingen. Om aan te geven hoe de gemeente hieraan wil bijdragen in de fysieke leefomgeving, is een omgevingsvisie opgesteld welke op 27 maart 2025 is vastgesteld. De omgevingsvisie is de langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving van Sittard-Geleen. In de ontwerp-Omgevingsvisie zijn ambities voor 2040 opgenomen voor het centrum van Sittard. Het centrum in Sittard is in 2040 als bovenregionaal centrum een echte stedelijke kern die gevonden wordt door recreanten en toeristen van ver buiten de eigen
28
regio. Het is een levendige ontmoetingsplek, met een mix van winkels, woningen, werken en recreatieve functies. Hier begint naast de historische binnenstad een bruisend stationskwartier te ontstaan. De gemeente werkt mee aan het verruimen van het aanbod aan recreatief winkelen en maken ruimte voor ontmoeten, beleven en verblijven. De leegstand wordt aangepakt door onder meer het centrum compact en aantrekkelijk te maken. Aan het kernwinkelgebied grenst het aanloopgebied, waar naast winkels ook andere functies een plek kunnen hebben. Het gaat dan om dienstverlening, wonen, cultuur en werkfuncties. De aantrekkelijkheid van deze zone is de afwisseling van functies. Omdat de gemeente streeft naar een compacter winkelgebied zonder leegstand, is het nodig detailhandel buiten het kernwinkelgebied en aanloopgebied te ontmoedigen. Onderhavige ontwikkeling past binnen de ambities zoals opgenomen in de ontwerpOmgevingsvisie. De ontwikkeling sluit aan bij het creëren van een levendig centrum met een menging van functies, waarbij leegstand in het winkelcentrum wordt. Het verplaatsen van de detailhandel naar het kernwinkelgebied, waarbij er tevens woningen en andere functies worden toegevoegd, sluit aan bij de ambitie om een aantrekkelijke afwisseling van functies te creëren.
4.4.2
Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020 De gemeente kent een duidelijke identiteit voor het stedelijk wonen in de kernen van Sittard en Geleen. Het stedelijk wonen in het compacte historische centrum van Sittard is dynamisch met hybride woonvormen. Naast shoppen is het centrum gericht op beleving, cultuur, evenementen, eten en drinken. Het monumentale vastgoed neemt een prominente plek in het stadse leven in. Er wordt ingezet op de kansen voor transformatie van bestaand vastgoed. Met deze kansen kan worden ingespeeld op de behoefte aan wonen in het stedelijk centrum in de nabijheid van voorzieningen. Daarnaast biedt de transformatie en functiewijziging van bestaand leegstaand vastgoed extra kansen voor de realisatie van woonvormen in waardevolle gebouwen zoals monumenten. Door de herontwikkeling van leegstaande panden ontstaat tevens een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en beleving in het centrum. Ook biedt transformatie kansen voor de realisatie van een aantrekkelijk woningaanbod voor studenten en starters maar ook voor ouderen. Het centrum stedelijk wonen is namelijk vooral aantrekkelijk voor jongeren, alleenstaanden, samenwonenden zonder kinderen en ouderen. In het centrum liggen dan ook voldoende kansen om in te spelen op de behoefte naar passende woningen voor deze verschillende doelgroepen.
Toekomstvisie 2030 In maart 2021 heeft de samenleving de Toekomstvisie 2030 van Sittard-Geleen gelanceerd. Het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, jongeren en de gemeente schetsen in deze visie de gewenste toekomst voor Sittard-Geleen. Dit vertelt op welke manier er samen wordt gewerkt aan een Sittard-Geleen waar de komende jaren wordt ingezet op prettig wonen, leren, werken en ontspannen. De Toekomstvisie 2030 gaat voor een bestendig en veilig Sittard Centrum waar toerisme, ontmoeting, cultuur(historie) en groen nauw met elkaar verbonden worden. De belangrijkste opgave is het behouden en versterken van een vitaal en krachtig
29
centrum met haar historisch hart. Een centrum dat meer is dan een aantrekkelijk winkelgebied. Het ontwikkelt zich verder als bruisend cultuurhistorisch belevingscentrum met een mix van functies op het gebied van retail, horeca, stedelijk wonen, cultuur, onderwijs en werken. Een centrum met een kwalitatief hoogwaardige ruimte, uitstekend bereikbaar voor iedereen en met goede parkeervoorzieningen. Het centrum is een ontmoetingsplek voor jong en oud. De herontwikkeling van het voormalige V&D-pand aan de Markt maakte deel uit van het ontwikkelpad voor het centrum van Sittard. Het doel was om een representatieve ontmoetingsplek te creëren met functies zoals raadzaal en vergaderruimten. Deze ontwikkeling en doel worden nu voortgezet om ervoor te zorgen dat de ontmoetingsplek zal worden gerealiseerd en daarnaast tevens in te zetten op een menging van functies door het toevoegen van woningen en detailhandel. Derhalve is de ontwikkeling in lijn met het gemeentelijk woonbeleid.
4.4.3
Horecavisie Gemeente Sittard-Geleen De gemeente Sittard-Geleen brengt met deze horecavisie de visie op de horecaontwikkeling in Sittard-Geleen in beeld. Het advies maakt duidelijk welke horecaontwikkelingen in welk deel van de stad wenselijk zijn en welke niet. De focus ligt op de centra van Sittard en Geleen, aangezien hier de meeste horeca is gevestigd. Het leegstaande V&D-pand wordt ten aanzien van de belangrijkste kenmerken aan de Markt als aandachtspunt/kans gezien. Daarnaast kent de Markt een onduidelijke signatuur met fastservice dag- en avondzaken, restaurant- en drankensector, avonden nachthoreca. Derhalve is gezocht waar in dit gebied behoefte naar is en waar kansen kunnen worden benut. De gemeente hanteert voor de verschillende sectoren binnen de horeca (restaurant, café, etc.) per concentratiegebied, waaronder de Markt, een ontwikkelstrategie welke kan bestaan uit terugdringen, consolideren of ontwikkelen. Voor ontwikkelingen binnen het concentratiegebied ‘Markt’ wordt ten aanzien van de restaurantsector de ontwikkelstrategie ‘ontwikkelen’ gehanteerd. Een van de actielijnen voor het concentratiegebied waarbinnen Huis aan de Markt ligt, heeft betrekking op het inzetten op horeca welke zowel overdag als in de avond geopend is.
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het realiseren van een restaurant op de locatie Huis aan de Markt passend is binnen de horecavisie.
30
HOOFDSTUK 5.1
5 Fysieke leefomgeving
Erfgoed Op 1 januari 2024 is het beleidskader Cultureel Erfgoed onder de Omgevingswet in werking getreden. Dit beleidskader vervangt de Erfgoedwet 2016 en is opgesteld voor alle aspecten van de fysieke leefomgeving als instrument om uitvoering te geven aan het archeologiebeleid of voor het aanwijzen en beschermen van gemeentelijke monumenten en provinciale monumenten. Uitgaande van de wettelijke begripsbepaling kan cultureel erfgoed in het stelsel van de Omgevingswet worden gezien als een soort ‘schijf van vijf’ die bestaat uit de volgende elementen: 1. Monumenten (gebouwd en aangelegd (groen) cultureel erfgoed); 2. Archeologische monumenten; 3. Stads- en dorpsgezichten; 4. Cultuurlandschappen; 5. Roerend en immaterieel erfgoed, voor zover in het omgevingsplan aan een locatie te verbinden. Voor de ontwikkeling dient te worden aangetoond dat er geen negatieve effecten zijn ten aanzien van cultureel erfgoed. Wanneer een van de bovenstaande elementen voorkomt in het ontwikkelingsgebied zal een analyse worden uitgevoerd voor de mogelijkheid tot bescherming van het cultureel erfgoed. Cultuurhistorie Naast het aspect archeologie is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het projectgebied. Wel ligt het Huis aan de Markt in rijksbeschermd stadsgezicht. Het behoud, herstel en/of versterken van de aanwezige waarden is daarom van belang. Doorwerking projectgebied In 1961 werd het stadhuis, dat was gelegen aan de zuidoostzijde van de Markt, samen met enkele belendende woningen afgebroken om plaats te maken voor de nieuwe V&D (1968). Hoewel de vestiging van dit winkelbedrijf destijds grensverleggend was, doorbrak het gebouw de kleinschalige stedelijke structuur van de karakteristieke Sittardse bebouwing en de verticaal gerichte gevelwand aan de Markt. Het voormalige V&D-pand kent geen monumentale status en, gezien de verstoring van de kleinschalige stedelijke structuur, betreft het tevens geen beeldbepalend pand. Met de ontwikkeling is juist gezocht naar een wijze waarop de historie van deze locatie aan de Markt kan worden teruggebracht. Daarom is beoogde om met deze herontwikkeling 31
de historische gevel Huis aan de Markt op een innovatieve manier terug te brengen (zie figuur 9 en paragraaf 3.1).
Figuur 9 Historische gevel Huis aan de Markt
Archeologie Op grond van artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 van het Bkl kan een gemeente lokale regels opstellen over archeologisch onderzoek. Deze regels worden dan opgesteld om archeologische waarden in de bodem te beschermen of om deze deskundig te laten opgraven. Voor projecten kleiner dan 100 m2 moet een gemeente in beginsel vrijstelling verlenen van de archeologische onderzoeksplicht (art 5.130 lid 4 Bkl). Echter kan de gemeente er voor kiezen een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vast te leggen in het omgevingsplan. Dit kan gelden voor bijvoorbeeld historische binnensteden. De gemeenteraad van Sittard-Geleen heeft in 2012 de beleidsnota 'archeologie en monumenten' vastgesteld. Daarin is beschreven hoe archeologische waarden in omgevingsplannen moet worden verankerd. Voor het projectgebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Voor ontwikkelingen binnen deze bestemming geldt dat de bouw van een gebouw of een uitbreiding van een bestaand gebouw van ten hoogste 50 m² en graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm niet rechtstreeks zijn toegestaan. Doorwerking projectgebied De locatie aan de Markt ligt in een gebied dat archeologisch gezien belangrijk is. Als gevolg van de realisatie van het voormalige V&D gebouw is er in het verleden echter reeds veel op het gebied van archeologie verloren gegaan. Deze locatie is in de huidige situatie tevens onderkelderd.
Met de bouw van deze bestaande kelderbak heeft dan ook reeds bodemverstoring plaatsgevonden. De kelderbak wordt niet (verder en niet dieper) afgegraven, maar er zullen wel palen in de grond worden geboord. Deze palen worden geboord ten behoeve van de verschuiving van de gevel van het pand. 32
De noodzaak voor een archeologisch onderzoek is afhankelijk van de omvang van de palen welke nodig zijn voor de verschuiving van de gevels, het aantal palen en de diepte waarop die geplaatst worden. In het kader van het TAM-Omgevingsplan wordt, op basis hiervan, geen archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht. Op basis van een concreet bouwplan wordt vervolgens getoetst of nader onderzoek aan de orde is. Gelet op het voorgaande is de bescherming van archeologische waarden in de planregels van onderhavig TAM-Omgevingsplan geborgd, zodat in een later stadium (en ten tijde van de concrete planuitwerking) wordt bepaald of (en in welke mate) een nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
5.2
Beschermen van de gezondheid Conform artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Hierbij spelen onder andere aspecten zoals geur, bodem, spuitzones, en de ligging ten opzichte van veehouderijen en externe veiligheid een belangrijke rol. Om een gezonde leefomgeving te garanderen is de ontwikkeling in dit hoofdstuk getoetst aan verschillende aspecten welke betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Uit de toetsing aan deze fysieke leefomgevingsaspecten blijkt dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de gezondheid van mensen. Doorwerking projectgebied In en rondom het projectgebied bevinden zich geen functies welke van invloed zijn op (het beschermen van) de gezondheid. Dit blijkt uit de verschillende paragrafen in onderhavig hoofdstuk. De ontwikkeling vormt derhalve geen belemmering met betrekking tot het aspect ‘beschermen van de gezondheid’.
5.3
Bodem In het kader van de Omgevingswet dient te worden aangegeven of de bodemkwaliteit geschikt is om een nieuwe functie te realiseren in de fysieke leefomgeving en hoe eventueel bodemverontreiniging kan worden voorkomen. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijziging. Beoordeling van dit aspect kan achterwege blijven bij het wijzigen van het gebruik van een bebouwd perceel, waarbij de nieuwe gebruiksvormen een voor de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit minder kritisch gebruik kennen. Om te bepalen of de huidige bodemkwaliteit geschikt is voor de gewenste ontwikkeling en beoogde situatie, is binnen het projectgebied een bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder worden de bevindingen en conclusies weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportages wordt verwezen naar de bijlagen. Doorwerking projectgebied Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie als ‘verdacht’ beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is een geval van ernstige bodemverontreiniging bekend door een sterke grondwaterverontreiniging met tetrachlooretheen.
33
Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling wordt (na uitvoering van de sloopwerkzaamheden) een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd. De bovengrond is verdacht op het voorkomen van zware metalen, PAK en minerale olie. Het grondwater is verdacht op aanwezigheid van VOCl’s. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht. Naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek wordt geadviseerd een verkennend bodemonderzoek te doen nadat de sloopwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Op grond van artikel 22.29 lid 1 onder c.1 mag de omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit alleen worden verleend als de toelaatbare waarde niet wordt overschreden. Daartoe is tevens in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
5.4
Water(systemen) In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij onderhavige ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen. Deze paragraaf bestaat uit subparagrafen waarin achtereenvolgens het wettelijk toetsingskader, de waterkundige situatie ter plaatse, eventuele te treffen maatregelen en de conclusie worden besproken.
5.4.1
Wettelijk toetsingskader Besluit kwaliteit leefomgeving Op grond van artikel 5.37 van het Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening gehouden worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken. Er zijn diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer. De relevante beleidsdocumenten zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), het Nationaal Waterplan (NW), het Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet. Onder de Omgevingswet is het beleid van de waterschappen dat de kwaliteit en veiligheid van watersystemen borgt opgenomen in de waterschapsverordeningen. Binnen de ruimtelijke planvorming vormt water, in toenemende mate, een belangrijk aspect. De toename van verhard oppervlak zorgt voor hitte, verdroging en vergroot de kans op wateroverlast. Bij alle ruimtelijke plannen moeten de waterhuishoudkundige doelstellingen binnen het projectgebied op een evenwichtige wijze beschouwd worden. Deze zogenaamde Watertoets is ook onder de Omgevingswet verplicht. In paragraaf 5.1.3 van het Bkl zijn aanvullende eisen gesteld ten aanzien van relevante waterhuiskundige elementen.
Aangezien onderhavige ontwikkeling niet in de nabijheid ligt van een van deze waterhuishoudkundige elementen is een nadere toetsing niet aan de orde. Beleid Waterschap Limburg Het beleid van het waterschap Limburg is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. De speerpunten in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn: • Hoogwaterbescherming van de Maasvallei;
34
• • •
Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren en vasthouden; Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en natuurlijk ingericht; Zuiveren van de waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.
Het waterschap Limburg stimuleert om nieuwe projecten waterneutraal te maken door voldoende ruimte te reserveren voor berging en afvoer van regenwater. Regenwater van daken en verharding wordt zo veel mogelijk opgevangen op eigen terrein. Uitgangspunt hierbij is hergebruik of infiltreren in de bodem. Alleen als dit echt niet mogelijk is kan, gedoseerd, worden afgevoerd op oppervlaktewater. De gemeente Sittard-Geleen valt onder subregio Westelijke Mijnstreek. Door de gemeenten binnen de Westelijke Mijnstreek wordt het beleidsplan ‘Water en klimaatadaptatie voor de periode 2022-2027 gehanteerd. Met het vaststellen van het beleidsplan worden maatregelen ingezet om (water)overlast en hittestress tot een minimum te beperken en het riool tevens zo min mogelijk te belasten. Het beleidsplan is onderdeel van de beleidsdocumenten voor de rioleringszorg in de Westelijke Mijnstreek.
5.4.2
Waterkundige situatie projectgebied De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het projectgebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater Het projectgebied ligt binnen de attentiezone Roerdalslenk met betrekking tot grondwater. Echter zal onderhavige ontwikkeling niet van invloed zijn op de grondwaterstand en worden er geen onttrekkingen voorzien. Dit vormt derhalve geen belemmering Oppervlaktewater Binnen het projectgebied en in de directe omgeving van het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig en zal in de nieuwe situatie geen oppervlaktewater worden gecreëerd. Afvalwater Het huidige afvalwater wordt middels het gemeentelijke rioleringsstelsel afgevoerd. In de beoogde situatie zal het afvalwater eveneens worden afgevoerd via het gemeentelijke rioleringsstelsel. In het kader van de vergunningaanvraag op basis van een concreet bouwplan wordt nader ingegaan op de afvoer van afvalwater. Naar verwachting beschikt het bestaande rioleringsstelsel over voldoende capaciteit om de voorziene hoeveelheid aan afvalwater te verwerken. Hemelwater Conform de watertoets dient hemelwater op eigen terrein te worden verwerkt.
Voor het bergen van hemelwater geldt een norm van 80 mm/2 uur per m2 aan toename van het verhard oppervlak.
35
De locatie aan de Markt is momenteel grotendeels volledig verhard. Het oppervlak aan verharding neemt in de beoogde situatie niet toe. Derhalve geldt formeel dan ook geen waterbergingsopgave.
5.5
Ecologie De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden.
5.5.1
Natura 2000 In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Zo is het conform artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet verboden om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000activiteit te verrichten. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt: 1. niet voor een Natura 2000-activiteit in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening. 2. in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de omgevingsverordening bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Middels het rekeninstrument AERIUS Calculator is berekend of er eventueel een negatief effect is op een Natura 2000-gebied. Voor onderhavige ontwikkeling is een berekening met de AERIUS Calculator uitgevoerd. Onderstaand is de conclusie opgenomen, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen.
In de berekening is onderscheid gemaakt in twee fasen: de aanlegfase en de gebruiksfase. De aanlegfase heeft betrekking op sloop- en (ver)bouwwerkzaamheden en de vervoersbewegingen die benodigd zijn om van en naar de locatie te gaan. De gebruiksfase heeft betrekking op de vervoers- en transportbewegingen van en naar de locaties. Het uitvoeren van stikstofdepositieberekeningen voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk. De AERIUS-berekeningen en bijbehorende motivering zijn bijgevoegd als separate bijlagen. Uit de resultaten van de AERIUS-berekeningen volgt dat er, als gevolg van de ontwikkeling, geen toename <0,00 mol/ha/jaar stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.5.2
Flora en fauna In de Omgevingswet wordt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen geregeld. Daarnaast dienen alle in het wild 36
levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In dit geval is de definitie van een flora- en fauna-activiteiten een 'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In artikel 11.27 van het Bal is opgenomen dat degene die een flora- en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen (bedoeld in artikel 11.23 Bal) is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Bebouwing en groenelementen zoals bomen en struiken kunnen als (vaste) verblijfsplaats of foerageergebied dienen voor dieren. Indien een ontwikkeling gepaard gaat met de sloop van bebouwing en/of bomenkap, dient te worden gekeken of dit geen negatieve gevolgen heeft voor (beschermde) diersoorten. Ten aanzien van onderhavige ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies van de quickscan opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Quickscan flora en fauna Het voornemen en de daarbij behorende werkzaamheden kunnen effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat op voorhand niet uitgesloten kan worden of de open stootvoegen in de gevels die grenzen aan de tuinen van de panden aan de Putstraat en Plakstraat gebruikt worden door gebouw bewonende vleermuizen. Vanuit de quickscan is geadviseerd om voor aanvang van de werkzaamheden een aanvullend onderzoek uit te voeren ten aanzien van gebouw minnende vleermuizen. Uit nader onderzoek zal blijken of een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten nodig is. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten.
Om te voorkomen dat er potentiële vliegroutes van in de omgeving wonende vleermuizen worden verstoord, wordt geadviseerd om de bouwplaats niet volledig te verlichten tijdens de werkzaamheden. Indien in het kader van veiligheid en inbraakpreventie tocht veel verlichting aanwezig moet zijn, gebruik dan groene of rode verlichting. 37
Bevindingen en advies nader vleermuisonderzoek Op 16 oktober 2024 is een eerste aanzet van het aanvullend onderzoek uitgevoerd in, waarbij geconstateerd is dat er meerdere dwergvleermuizen in het deels te slopen pand aanwezig waren. Echter, zoals ook blijkt uit de daartoe opgestelde notities zoals bijgevoegd in de bijlagen, is er geen sprake van een aantasting van de verblijfplaatsen van vleermuizen, omdat de betreffende gevel niet wordt gesloopt. De bestaande metselwerk gevel, waarin verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn, zal namelijk intact blijven. Van het opzettelijk verstoren van de vleermuizen is daarom geen sprake, waarmee het uitvoeren van een aanvullend vleermuisonderzoek niet nodig is. Voor de volledige rapportages wordt verwezen naar de bijlagen. Een voorwaardelijke verplichting in de planregels kan hiertoe achterwege blijven.
5.6
Geluid In de Omgevingswet is vastgesteld dat, indien binnen het projectgebied geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de geluidaandachtsgebieden van omliggende (spoor)wegen en/of industrieterreinen, een akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd bij vaststelling, herziening of afwijking van het tijdelijke omgevingsplan. Ten aanzien van de ontwikkeling is een akoestisch onderzoek naar werkverkeer- en omgevingslawaai uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Het volledige onderzoeksrapport is bijgevoegd in de bijlagen. Wegverkeerslawaai De hoogste geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe wooneenheden bedraagt 53 Lden op de zuidwestelijke gevels van de woningen op de begane grond (maisonnettes). Er zijn nergens binnen het onderzoeksgebied overschrijdingen van de standaardwaarde van 53 Lden. Er worden daarom, in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geen aanvullende eisen gesteld. Er wordt geconcludeerd dat de geluidbelasting aanvaardbaar is. Omgevingsgeluid t.g.v. bevoorrading winkel Ten gevolge van de bevoorrading van de winkel bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van de nieuwe woningen maximaal 49 dB(A) in de relevante dagperiode.
Ter plaatse van de reeds geprojecteerde woningen aan de Plakstraat 24-76 (nieuwbouwproject Agnetenpark) tegenover de loslocatie bedragen de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de dagperiode 48 dB(A). De optredende gemiddelde geluidniveaus (langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus) voldoen aan de normering in de Bruidsschat van 50 dB(A). Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. De hoogste maximale geluidniveaus ten gevolge van de bevoorrading van de winkel bedragen in de relevante dagperiode 74 dB(A), ter plaatse van de nieuwe woningen. Voor de reeds geprojecteerde woningen Plakstraat 24-76 bedragen de maximale geluidniveaus in de dagperiode 74 dB(A). De berekende optredende maximale geluidniveaus zijn hoger dan 70 dB(A), maar conform de geluidregels in artikel 22.63 lid 4 van het omgevingsplan worden piekgeluiden ten gevolge van laden en lossen in de dagperiode niet meegenomen in de beoordeling. Er wordt dus ten aanzien van zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als het maximale geluidniveau voldaan aan de gestelde normering conform artikel 22.63 ‘Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen’ uit het omgevingsplan (bruidsschatregels).
38
De indirecte hinder door de verkeersaantrekkende werking van de parkeerkelder en bevoorrading van de nieuwe winkel is berekend. Uit de resultaten blijkt dat op de maatgevende geprojecteerde woningen Plakstraat 24-76 en diverse woningen aan de Plakstraat maximaal een etmaalwaarde van 51 à 52 dB(A) optreedt. Bij een ‘normale’ gevelopbouw van een woning kan uitgegaan worden van een gevelwering van 17 à 20 dB(A). Het optredende binnenniveau bedraagt dan 32 à 35 dB(A). Dit betekent dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen de betreffende woningen. Omgevingsgeluid overig Uit de beoordeling blijkt, dat de afstand tussen het meest nabij gelegen horecabedrijf en terras en de toekomstige woningen tussen de 0 meter en 10 meter bedraagt. Dit betekent, dat ervan kan worden uitgegaan dat er bij de nieuwe woningen sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van geluid. Afhankelijk van het beoogde gebruik/ gewenste bestemming van de multifunctionele ruimten binnen het projectgebied zijn er aanvullende geluidwerende maatregelen bij deze ruimten noodzakelijk.
Op basis van advies is er in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat het gebruik van gebouwen, bouwwerken en gronden ten behoeve van de geluidgevoelige functies uitsluitend is toegestaan indien, blijkens een uitgevoerd akoestisch onderzoek, ter plaatse van de woningen/wooneenheden voldaan wordt aan de van toepassing zijnde voorwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het gemeentelijk geluidbeleid, alsmede de daartoe eventueel noodzakelijk te realiseren geluidwerende voorzieningen. Voor de scheidingswanden tussen de maisonnettes op de 1e verdieping en de winkel/ magazijn van het warenhuis van Berden dient, indien technisch mogelijk, bij voorkeur uitgegaan te worden van de nieuwbouweisen ten aanzien van lucht- en contactgeluidisolatie conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Door het plafond van de parkeerkelder voor minimaal 80% te voorzien van voldoende geluidabsorptie neemt de galm zover af dat er geen overlast meer te verwachten is binnenin de parkeergarage en voor de omgeving. Indien voldoende aandacht is voor bovenstaande punten, is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en efficiënt ruimtegebruik ten aanzien van het aspect geluid.
5.7
Kwaliteit van de buitenlucht Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) maatgevend voor de luchtkwaliteit bij het toestaan van ruimtelijke ontwikkelingen. Hierin staan de hoofdlijnen rondom luchtkwaliteitseisen beschreven. Artikel 2.1 en 2.1a stellen samen met artikel 2.3 t/m 2.8 de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In artikel 5.51-5.53 is de toepassing hiervan uiteengezet. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.
39
NIBM De ontwikkeling van woningen is NIBM als de omvang onder een vastgelegde grens ligt. Of een ontwikkeling NIBM is hangt af van het aantal woningen en het aantal ontsluitingswegen. Bij twee ontsluitingswegen zijn meer woningen mogelijk dan bij één ontsluitingsweg. Want twee ontsluitingswegen zorgen voor een betere spreiding van de uitstoot, als het verkeer zich (gelijkmatig) verdeelt over de wegen. Bij één ontsluitingsweg ligt de grens op 1.500 woningen en bij twee of meer ontsluitingswegen ligt de NIBM-grens op 3.000 woningen. Voor de berekening van het aantal woningen kan worden uitgegaan van de netto toename. Doorwerking projectgebied Met de ontwikkeling worden de grenzen ten aanzien van NIBM niet overschreden aangezien er significant minder dan 1.500 woningen worden gerealiseerd. Daarom kan worden geconcludeerd dat onderhavige ontwikkeling kan worden gezien als NIBM en niet bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering. In paragraaf 5.5.1 is nader ingegaan op het aspect stikstof.
5.8
Geur Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vormt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 het toetsingskader voor omgevingsvergunningen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Aangezien het projectgebied in het bebouwde centrum van Sittard ligt, zijn er geen veehouderijen in de omgeving aanwezig welke een belemmering kunnen vormen. Doorwerking projectgebied Daarnaast kan geur vrijkomen door bak- en kookactiviteiten ten behoeve van horeca. Conform paragraaf 5.10 is er sprake van voldoende afstand tussen de appartementen en de functies in de omgeving. De beoogde wooneenheden aan de Markt, worden op gepaste afstand van de horeca-activiteiten gerealiseerd. Tussen de appartementen en de meest nabijgelegen horecafunctie bevinden zich de maatschappelijke functie binnen ‘Huis aan de Markt’ en het kantoor/magazijn van het warenhuis van Berden. Derhalve kan worden geconcludeerd dat dit aspect geen belemmering vormt.
5.9
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in een wettelijk kader. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ▪ Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. 40
▪ ▪ ▪
Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee aspecten centraal: het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten.
Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: • • •
brandaandachtsgebied explosieaandachtsgebied gifwolkaandachtsgebied
Toetsing Aan de hand van de Signaleringskaart EV (figuur 10) is getoetst of het projectgebied binnen een aandachtsgebied ten aanzien van de externe veiligheid ligt.
41
Figuur 10 EV-Signaleringskaart met projectlocatie aan de Markt blauw omcirkeld
Ten eerste dient te worden gekeken of er binnen het projectgebied sprake is van zeer kwetsbare objecten. Zeer kwetsbare objecten betreffen onder andere woonfuncties voor 24-uurszorg, basisscholen, gezondheidszorg (ziekenhuizen) en kinderopvang. Reguliere woonfuncties worden gezien als kwetsbare objecten. De bewoners van de beoogde wooneenheden zijn in principe zelfredzaam. Hierdoor betreffen de woningen geen zeer kwetsbare objecten, maar wel kwetsbare objecten. Conform de EV-signaleringskaart (figuur 12) ligt locatie aan de Markt niet in of in de nabijheid van een risicocontour of aandachtsgebied van transport van gevaarlijke stoffen, buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd of risicivolle inrichtingen. Daarnaast zijn er vanaf de locatie in verschillende richtingen vluchtroutes aanwezig. Gelet op het voorgaande, vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.10
Milieubelastende activiteiten Tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies zoals woningen, dient voldoende afstand te worden aangehouden. Om dit te bepalen wordt gebruik gemaakt van de VNG-handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ (2024). In deze handreiking is een indicatieve lijst opgenomen waarin bedrijven zijn ingedeeld in milieucategorieën (bijlage A5 bij de handreiking). Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn. De aan te houden richtafstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-handreiking worden aangehouden om te bepalen of er voldoende ruimte aanwezig is tussen een bedrijf/functie en gevoelige objecten. In dit geval ligt het projectgebied in het stedelijk centrum van Sittard, waar verschillende functies naast elkaar of in de nabije omgeving aanwezig zijn. Derhalve kan worden gesproken van een gemengd gebied en kunnen de richtafstanden van de VNG met een stap worden verkleind.
42
Er dient te worden gekeken naar de afstand tussen bestaande functies in de omgeving en de beoogde functies binnen het projectgebied. Enerzijds dient er voldoende afstand te worden aangehouden tot woningen ten aanzien van het woon- en leefklimaat en anderzijds mogen functies elkaar niet belemmeringen in de mogelijkheden. Doorwerking projectgebied In de directe omgeving en aangrenzend aan de grenzen van het projectgebied zijn diverse functies aanwezig, zoals detailhandel, dienstverlening en wonen. Deze functies kennen een milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand geldt van 10 meter. Gezien het projectgebied binnen een gemengd gebied met verschillende functies ligt, mag deze afstand met 1 stap worden verkleind. Derhalve geldt een richtafstand van 0 meter, waaraan dus kan worden voldaan. Horecafuncties, zoals een restaurant, kennen een milieucategorie 2. De locatie en veel van de omliggende percelen hebben een centrumfunctie en zijn in algemeenheid bestemd voor centrumfunctie op de begane grond en de mogelijkheid voor wonen op de verdiepingen. Horeca-activiteiten (SBI 561 en 563) zijn opgenomen in bijlage A5 van de VNG-Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ en kennen voor geur en geluid de positie ‘FM’ hetgeen inhoudt dat functiemenging hier acceptabel is.
Gezien de ligging binnen het stadscentrum en de aanwezige functiemenging wordt gesteld dat omliggende bedrijven door de plannen niet in hun bedrijfsvoering worden geschaad en dat op de onderzoekslocatie een goed woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende activiteiten niet in het geding is. Er blijft daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Nader onderzoek met betrekking tot omliggende activiteiten is dan ook niet nodig. Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.11
Niet-gesprongen explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen, blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Ter plaatse van bestaande bebouwing is sprake van een verlaagde trefkans. Op locaties die onbebouwd zijn, is sprake van een verhoogde trefkans. Doorwerking projectgebied In dit geval is de locatie vrijwel volledig bebouwd dan wel verhard. Op de locatie heeft, conform historische kaarten, al sinds 1850 altijd bebouwing gestaan. Derhalve is de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven vrijwel uit te sluiten. Aangezien de werkzaamheden plaatsvinden ter plaatse van de bestaande bebouwing, is de kans op het aantreffen van niet-gesprongen explosieven minimaal. Een nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Indien er dieper dan 50 centimeter op onbebouwde gebieden of dieper dan bestaande gebouwen op reeds bebouwde gebieden wordt gegraven, wordt door de gemeente Sittard-Geleen een NGE-onderzoek geadviseerd.
43
5.12
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het projectgebied kabels, leidingen en/of hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden dient te worden. Kabels en leidingen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse leidingen kunnen een risico zijn voor de omgeving. In het Omgevingsplan staan (gebruiks)regels voor ondergrondse kabels en leidingen. De regels richten zich op de ligging, het type leiding en de gebruikskenmerken. In dit geval is het belangrijk om te bezien of er in de omgeving kabels en/of leidingen al dan niet met veiligheidszone aanwezig zijn. Aangezien er in de omgeving van het projectgebied geen kabels en/of leidingen met een veiligheidszone aanwezig zijn, vormt dit aspect in het kader van het TAMOmgevingsplan geen belemmering. In het kader van de vergunningaanvraag zal er ten aanzien van dit aspect een nadere toetsing plaatsvinden ten aanzien van de concrete bouwplannen. Hoogspanningslijnen Hoogspanningsverbindingen zijn essentieel voor het energienetwerk, maar hebben ook effect op de (ontwikkelingen in de) omgeving. Zo is vanwege de magneetvelden rondom een hoogspanningsverbinding afstand nodig tot gevoelige functies zoals woningen.
Doorwerking projectgebied In de omgeving van de locaties binnen het projectgebied, bevinden zich geen hoogspanningslijnen. Dit vormt voor de ontwikkeling dan ook geen belemmering.
5.13
Mobiliteit Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen en het aantal benodigde parkeerplaatsen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.13.1
Verkeersgeneratie Gelet op de functiewijziging op beide locaties, dient te worden gekeken of er al dan niet aanpassingen benodigd worden geacht als gevolg van een wijziging in het aantal verkeersbewegingen. Ten aanzien van de functies op deze locatie vinden er met name verkeersbewegingen plaats ten behoeve van de woningen en het warenhuis. Laden en lossen vindt in de beoogde situatie op dezelfde plek van het pand plaats, dan waar dit voorheen ten behoeve van de V&D gebeurde. De toelevering van de winkel van Berden zal in hoofdzaak met bakwagens plaatsvinden. Dit betreffen kleinere lichte vrachtwagens met een cabine en vaste laadbak op één chassis en ligt qua grootte tussen een bestelbus en een vrachtwagen. Gezien deze locatie de voormalige V&D-locatie betreft, was er voorheen al sprake van aan- en afvoer van producten en laad- en losactiviteiten. Er kan dan ook worden gesteld
44
dat de bestaande infrastructuur reeds is ingericht om verkeersbewegingen door vrachtverkeer zonder problemen te kunnen verwerken. Er is voldoende ruimte voor draaimogelijkheden van zowel auto’s als laad- en losverkeer (figuur 11). Er zijn dan ook geen infrastructurele aanpassingen nodig. Aan deze zijde zijn tevens de openbare fietsenstalling en de ingang voor de parkeerkelder voor auto’s te vinden. De Plakstraat is een eenrichtingsstraat van westelijke naar oostelijke richting, hierdoor zullen er geen belemmeringen ontstaan met betrekking tot passeren.
Figuur 11 Verkeerssituatie ter plaatse van parkeergrage en laad- en loslocatie
Gelet op het voorgaande worden er geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
5.13.2
Parkeren Bij herontwikkeling is het van belang dat er in de toekomstige situatie geen parkeeroverlast ontstaat. Derhalve is getoetst of er kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hiervoor zijn de normen gehanteerd zoals opgenomen in de nota ‘Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek’. Conform de parkeernormen zoals opgenomen in de nota ‘Parkeernormen SittardGeleen – Parkeernormensystematiek’, wordt voor woningen en appartementen in het centrumgebied uitgegaan van 1,3 benodigde parkeerplaatsen per woning. Voor de (maximaal) 28 woningen wordt dus uitgegaan van (28*1,3=) afgerond 37 benodigde parkeerplaatsen voor bewoners. In de parkeerkelder zullen in totaal 61 parkeerplekken worden gerealiseerd. Gezien er voor bewoners 37 parkeerplaatsen nodig zijn, blijven er nog 24 parkeerplaatsen over. Deze parkeerplaatsen worden ingezet ten behoeve van het personeel en
45
klantenkaarthouders van Berden. Berden ontwikkelt daartoe een reserveringsapp voor klantkaarthouders. Echter is dit aantal parkeerplaatsen niet voldoende voor het ‘overige’ winkelend publiek Op het eigen terrein kan niet worden voorzien in extra parkeerplaatsen voor de overige functies welke binnen het projectgebied op deze locatie plaatsvinden. In de nota Parkeernormen is opgenomen dat er (indien er geen parkeren op eigen terrein kan worden gerealiseerd), in een aantal gevallen ontheffing kan worden verleend. Er bestaat de mogelijkheid om een specifieke ontheffing te verlenen van de bestaande parkeereis. Deze mogelijkheid kan worden ingezet voor situaties waarbij voorzieningen gerealiseerd worden waaraan grote waarde wordt gehecht voor het algemeen belang van Sittard-Geleen. In dit geval is er sprake van een ontwikkeling welke van algemeen belang is voor de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van het centrum van Sittard. Er wordt een raadszaal gerealiseerd en het winkelgebied wordt door de verplaatsen van het warenhuis van Berden levendig gehouden. Daarnaast is het ruimtelijk gezien niet mogelijk dan wel wenselijk (centrum biedt ruimte om te ontmoeten) om meer parkeercapaciteit binnen 150 meter te realiseren. Het centrumgebied moet namelijk ruimte bieden om elkaar te ontmoeten en het realiseren van parkeergelegenheid draagt hier niet aan bij.
Ten slotte is er in de omgeving vanaf 250 meter meer dan voldoende parkeercapaciteit aanwezig (zie onderstaande). Capaciteit parkeren Sittard Centrum Ten behoeve van de plannen voor het Tempelplein (vergroenen en reduceren van het aantal parkeerplaatsen) is in 2024 een parkeeronderzoek uitgevoerd. Hierbij is de totale (rest)capaciteit van parkeerplaatsen rondom het Tempelplein (zuidzijde centrum Sittard) in beeld gebracht. De conclusies (uitgaande van de parkeercapaciteit voor “betaald parkeren” (bezoekers aan de binnenstad)) (zie tevens figuur 11): • Totale parkeercapaciteit centrum is 764 parkeerplaatsen (hierin is een reductie van 50 parkeerplaatsen op het Tempelplein meegenomen) • De bezettingsgraad van het hele onderzoeksgebied komt op geen enkel meetmoment boven de grenswaarde 85% uit (kritisch punt uit onze Nota Parkeernormen. Bij bezetting hoger dan 85% wordt gesproken van “geen restcapaciteit”). • Op het drukste moment (zaterdagmiddag tussen 14 en 16 uur) is de bezetting gemiddeld 64%. • Gemiddelde bezetting in de week komt uit op 37%
46
Figuur 12 Gemiddelde bezetting van secties betaald parkeren per meetmoment exclusief parkeercapaciteit Tempelplein (maart/april '24) na reductie Tempelplein
•
Als naar de parkeergarages in de nabijheid van Huis aan de Markt kijken wordt gekeken (Hub Dassenplein en ABC parkeergarage), is dit de bezetting: ABC Parking
Dag
Capaciteit
Dinsdagochtend 9-10u
254
Hub Dassenplein garage Gemiddelde
Capaciteit
bezetting 27%
Gemiddelde bezetting
286
28%
Dinsdagmiddag 14-16u
42%
26%
Dinsdagavond 19-21u
10%
13%
Dinsdagnacht 23-01u
0%
2%
Donderdagochtend 9-11u
35%
27%
Donderdagmiddag 14-16u
53%
31%
Donderdagavond 19-21u
26%
20%
Donderdagnacht 23-01u
0%
3%
Zaterdagmiddag 14-16u
56%
37%
Zaterdagavond 19-21u
17%
24%
Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er in de nabijheid van het Huis aan de Markt meer dan voldoende capaciteit beschikbaar is voor de beoogde situatie aan Huis aan de Markt. Ten slotte zijn er, met betrekking tot het parkeren, in de ontwikkelovereenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente afspraken gemaakt. Zo is in de overeenkomst opgenomen dat de parkeerplaatsen in de parkeergarage ten behoeve van bewoners en klantenkaarthouders zijn. De gemeente zal aan klantenkaarthouders van Berden uitrijkaarten beschikbaar stellen. Deze uitrijkaarten zijn geldig voor maximaal 2 uur en maximaal 25.000 stuks per jaar. Gelet op het voorgaande kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte in de beoogde situatie. Dit vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.
5.14
Duurzaamheid en klimaatadaptatie De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is in 2016 opgesteld. In 2022 is de NAS in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geëvalueerd. Om de NAS te versnellen is in 2023 het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUPKA) verschenen. Het NUPKA laat zien welke aanpak al in gang is gezet voor de 47
komende jaren én welke extra maatregelen er nodig zijn. Het document laat daarmee zien hoe de uitvoering van de NAS wordt aangepakt en wat nodig is om te versnellen. Er staat bijvoorbeeld dat we vanaf nu bij elke ontwikkeling in Nederland standaard rekening moeten houden met zeespiegelstijging, toenemende hitte, langere periodes van droogte en meer extreme neerslag. Verder moet het beleid om Nederland op tijd klimaatbestendig te maken slimmer, intensiever en inclusiever. Naast de NAS geldt voor alle nieuwbouw sinds 1 januari 2021 dat vergunningen moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: 1. de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr) 2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr) 3. het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%) Doorwerking projectgebied Onderhavige ontwikkeling gaat gepaard met de renovatie/verbouwing van bestaande bebouwing. Ten opzichte van de huidige situatie wordt er meer groen toegepast door het realiseren van een daktuin, wat een positieve werking kan hebben in het kader van duurzaamheid door het verminderen van hittestress.
Daarnaast zal er worden verbouwd met inachtneming van de geldende regels met betrekking tot energieprestatie. Daarnaast is water een belangrijk aspect binnen de klimaatadaptatie. Dit omdat extreem weer de laatste jaren steeds vaker voorkomt. Er dient zoveel mogelijk met deze ontwikkelingen rekening te worden gehouden. Op de locatie neemt het oppervlakte aan verharding en bebouwing in de beoogde situatie niet toe. Derhalve hebben de ontwikkelingen ten aanzien van het klimaat geen grotere effecten tot gevolg dan de huidige situatie. Daarnaast wordt er op de locatie voorzien in groen ter plaatse van de daktuin wat een bijdrage levert aan het tegengaan van hittestress.
5.15
Trilling Activiteiten In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Deze instructieregels gelden voor: 1. Het op een locatie toelaten van een activiteit en het aanpassen daarvan 2. Het op een locatie toelaten van een trillinggevoelig gebouw en het aanpassen daarvan 3. Een combinatie van beide. In artikel 5.87 en 5.87a van het Bkl staan de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen. De gemeente hanteert deze standaardwaarden bij het opnemen van waarden voor trillingen door activiteiten voor een bepaald gebied in het omgevingsplan. Niet op alle locaties leiden de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. Een gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere waarden. Uit het oogmerk van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan de gemeente bijvoorbeeld een lagere waarde vaststellen voor een activiteit 48
op een bedrijventerrein om hiermee een woonwijk te beschermen. In de gemeente Sittard-Geleen is geen sprake van afwijkend beleid. Doorwerking projectgebied Met onderhavige ontwikkeling worden trilgevoelige ruimten toegevoegd in de vorm van wooneenheden. In de directe omgeving van het projectgebied zijn in de huidige situatie reeds trilgevoelige objecten zoals woningen aanwezig. In de nabijheid van deze woningen worden geen trillingveroorzakende activiteiten verricht. Daarnaast zullen binnen het projectgebied niet meer dan wel andere trillingveroorzakende activiteiten uitgevoerd worden dan ten tijde van de voormalige V&D-locatie het geval was. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.16
Lichthinder In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen gelden rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het Bkl bevat geen richtlijnen voor lichthinder. Aangezien er binnen het projectgebied geen kunstmatige verlichting wordt toegevoegd welke voor onevenredige hinder zorgt voor de omgeving zoals kunstlicht bij kassen, vormt het aspect lichthinder geen belemmering voor de ontwikkeling. Er zal geen sprake zijn van felle buitenverlichting welke onrechtmatige hinder kan veroorzaken, waardoor het woongenot in de omgeving niet wordt aangetast.
5.17
Bezonning Bezonning is een van de afwegingsaspecten voor de ruimtelijke kwaliteit. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk. Een toename van schaduw – door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen – kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De gemeente kan voorkomen dat er te veel schaduw ontstaat. En juist zorgen voor voldoende schaduw. Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Omgevingswet). Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Binnen de gemeente Sittard-Geleen is geen beleid opgesteld ten aanzien van het aspect bezonning. Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO heeft een norm voor bezonning: De bezonningsliniaal – Een nieuw eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting.