CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Bijlagen bij toelichting

Raad 19 september 2024, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Bestemmingsplan Bergbezinkbassins (Geilen) (86)32.667 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

adviesgebied vervolgadvies A vrijgave B opgraving, variant archeologische begeleiding C opgraving, variant archeologische begeleiding bij lijnelementen, proefsleuven bij vlakdekkende ingrepen D proefsleuven E inpassing Tabel 3. Overzicht van de adviesgebieden (zie ook Figuur 22).

5.5

Vervolgonderzoek

5.5.1 Advieskaart (Figuur 22) en vervolgonderzoek Na een archeologisch bureauonderzoek zijn doorgaans verschillende procestappen ingebouwd, die worden gekenmerkt door toenemende onderzoeksintensiteit, waarbij de laatste stap een archeologische opgraving is. Als gevolg van de landschappelijke diversiteit en de lange gebruiksduur van het gebied is het archeologische verwachtingsmodel behoorlijk ingewikkeld. Verschillende van de in het model uiteengezette verwachtingszones en/of vindplaatstypen worden echter op vergelijkbare wijze onderzocht. In termen van advies over de toekomstige omgang, kan dit daarom worden vertaald naar vijf verschillende adviezen, waarbij behoud in situ en/of inpassing van archeologische waarden te allen tijde de voorkeur heeft. Bij deze vijf adviezen worden twee types www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 50 van 58 onderzoek geadviseerd, namelijk de archeologische opgraving, variant archeologische begeleiding 64 en archeologisch proefsleuvenonderzoek. Deze twee varianten worden kort besproken.

5.5.2 Archeologische opgraving, variant archeologische begeleiding In het geval van het onderhavige plangebied (en beekdalen in algemene zin) is het niet altijd productief om al deze stappen uit te voeren. Dit hangt nauw samen met de aard van de te verwachten archeologische resten, afgezet tegen (een deel van) de voorgenomen ingrepen. Daarbij valt te denken aan puntlocaties zoals rituele deposities, visweren en andere, in ruimtelijke zin kleine fenomenen, waarbij ingrepen voor een deel bestaan uit het aanleggen of herinrichten van lijnelementen. In dergelijke gevallen kan het beste worden gekozen voor het uitvoeren van de werkzaamheden onder archeologische supervisie, in de vorm van een opgraving, variant archeologische begeleiding. Hoewel archeologische begeleidingen over het algemeen een matig geschikt instrument zijn voor archeologisch onderzoek, wordt het instrument hier voornamelijk ingezet voor het opsporen en documenteren van watergerelateerde fenomenen in het beekdal, die zich slecht laten vinden met behulp van de meer gebruikelijke AMZ-instrumenten. Archeologische opgravingen, variant archeologische begeleiding worden uitgevoerd tijdens de civieltechnische werkzaamheden. Bij deze variant archeologische begeleidingen is de aanwezige archeoloog leidend.

De graafwerkzaamheden dienen op aanwijzing van de archeoloog dusdanig te worden uitgevoerd dat archeologische waarnemingen en de documentatie daarvan ongehinderd kunnen plaatsvinden. Een nadeel van archeologische begeleidingen is dat er weinig speling in tijd en ruimte is als gevolg van de inbedding in de civieltechnische werken. Voorafgaande aan het uitvoeren van een opgraving, variant archeologische begeleiding, dient een programma van Eisen te worden opgesteld, en te worden getoetst en goedgekeurd door (de adviseur namens) het bevoegd gezag.

5.5.3 Archeologisch proefsleuvenonderzoek Voor verschillende zones van het plangebied bestaat een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor de aanwezigheid van nederzettingsterreinen. Wat niet (voldoende) kan worden vastgesteld is de begrenzing en of de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats (conserveringstoestand, datering, aard) voldoende aanleiding geeft om van een behoudenswaardige vindplaats te spreken. Voor het opsporen en documenteren van nederzettingsterreinen zijn proefsleuven een veel geschikter middel dan archeologische begeleiding. Op grond daarvan is voor verschillende delen van het plangebied een proefsleuvenonderzoek voorzien. 65 Indien bij deze proefsleuvenonderzoeken behoudenswaardige resten worden aangetroffen, zal in overleg met het bevoegd gezag en de opdrachtgever moeten worden vastgesteld hoe deze verder dienen te worden bescherm tegen verstoring: behoud in situ, dan wel ex situ. In het geval van lijnelementen zal een dergelijk proefsleuvenonderzoek waarschijnlijk snel het karakter van een archeologische opgraving hebben, waarbij een doorstart naar een opgraving betrekkelijk eenvoudig kan worden gerealiseerd. Bij vlakdekkende verstoringen zoals waterbuffers kan het opportuun zijn om planaanpassing te overwegen.

Voorafgaande aan het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek dient een programma van Eisen te worden opgesteld, en te worden getoetst en goedgekeurd door (de adviseur namens) het bevoegd gezag.

64 65

CCvD, 2018: protocol 4004. CCvD 2018: protocol 4003.

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 51 van 58

Figuur 22. Advieskaart voor het plangebied, met de verschillende adviesgebieden.

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 52 van 58

5.6

Adviesgebieden

5.6.1 Adviesgebied A: geen vervolgonderzoek Gebied A behelst alle delen van het plangebied waar bekende verstoringen zijn gekarteerd. Eventueel aanwezige archeologische resten zullen hier ter plaatse vrijwel zeker volledig verstoord zijn. De informatiewaarde van onderzoek in dergelijke gebieden is naar verwachting zo laag dat dit niet opweegt tegen de inspanningen van het onderzoek. Voor gebied A adviseren wij daarom vrijstelling van de verplichting tot het uitvoeren van vervolgonderzoek.

5.6.2 Adviesgebied B: archeologische opgraving, variant archeologische begeleiding Gebied B behelst zones van het plangebied die dienen te worden onderzocht door middel van een archeologische opgraving, variant archeologische begeleiding. Adviesgebied B geldt voornamelijk voor de gebieden met een hoge archeologische verwachting voor watergerelateerde resten. De zones met een middelhoge archeologische verwachting voor archeologische resten op de hellingen van het Plateau van Doenrade zijn eveneens bij dit adviesgebied gevoegd, in de verwachting dat deze bij de voorgenomen ingrepen door hun hoge ligging waarschijnlijk niet bedreigd worden.

5.6.3 Adviesgebied C: archeologische opgraving, variant archeologische begeleiding of proefsleuven Adviesgebied C ligt in dezelfde landschappelijke eenheid als gebied B. Ook voor adviesgebied C geldt het advies om de aanleg van lijnelementen onder archeologisch toezicht te doen uitvoeren door middel van een opgraving, variant archeologische begeleiding. Er is voor gekozen om voor gebied C de optie in te bouwen om, naast archeologische begeleiding, ook proefsleuvenonderzoek uit te voeren in die delen van het gebied waar vlakdekkende verstoringen worden uitgevoerd, waarbij met name gedacht moet worden aan waterbuffers en opvangbekkens. Reden hiervoor is de kans op de aanwezigheid van nederzettingsterreinen uit de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen in de beekdalbodem, gebaseerd op de bekende vindplaatsen in het noorden.

5.6.4 Adviesgebied D: proefsleuvenonderzoek De westelijke rand van het Plateau van Graetheide en het noordelijke deel van het plangebied staan gekarteerd als gebieden met bekende archeologische vindplaatsen in de vorm van nederzettingsterreinen uit het VroegNeolithicum, de Romeinse tijd en (waarschijnlijk) de Vroege Middeleeuwen. De meeste van deze vindplaatsen zijn slecht of niet begrensd, waardoor de kans groot is dat zij binnen het plangebied doorlopen. Vanwege deze hoge kans op het aantreffen van nederzettingssporen is archeologische begeleiding als onderzoeksmiddel niet geschikt. Op grond daarvan wordt voor gebied D geadviseerd om, voorafgaande aan de civieltechnische ingrepen, proefsleuvenonderzoek te doen uitvoeren naar de aanwezigheid van archeologische resten.

5.6.5 Adviesgebied E: inpassing Gebied E betreft de overlaat van de Danikermolen. Deze overlaat is in het landschap nog deels herkenbaar en is het enige zichtbare cultuurhistorische relict van deze watermolen. Geadviseerd wordt om dit landschappelijke element te ontzien of in te passen in de civieltechnische plannen.

5.7

Conclusie

Het bureauonderzoek heeft duidelijk gemaakt dat er een kans is op zeer diverse archeologische waarden in een geschakeerd landschap. De archeologische verwachting loopt van artefactvindplaatsen vanaf het JongPaleolithicum via Romeinse nederzettingsterreinen tot aan resten van een watermolen die in de 20e eeuw door de brandweer is aangestoken voor een oefening. Met name in het westelijke deel van het plangebied is er een hoge verwachting voor het aantreffen van sporen en vondsten van de Lineaire Bandkeramiek, terwijl met name in het noorden sporen uit de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen. Uitgangspunt is dat deze www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 53 van 58 archeologische resten zich allemaal binnen een meter onder het huidige maaiveld bevinden, maar bij gebrek aan aardkundige waarnemingen in het plangebied kand dit niet met zekerheid worden gesteld. In het centrale deel van het plangebied zijn vrijwel geen waarnemingen bekend, maar aangezien het plangebied op historisch kaartmateriaal nauwelijks verandert, is het heel goed mogelijk dat dit het gevolg is van gebrek aan waarnemingen en niet van afwezigheid van vindplaatsen. Omdeze reden is die lage vondstdichtheid niet als argument gebruikt om aan dit deel van het plangebied een lagere verwachtingswaarde toe te kennen. Het bureauonderzoek heeft geresulteerd in een redelijk complex, gelaagd verwachtingsmodel met 16 verschillende eenheden (zie Tabel 2, Figuur 20 en Figuur 21), maar deze zijn in de advieskaart vertaald in een overzichtelijke reeks van vijf adviesgebieden, inclusief delen waarvoor vrijgave wordt geadviseerd (zie Tabel 3 en Figuur 22).

5.8

Selectieadvies

Het advies van Bodac is om, zodra de exacte aard van de voorgenomen ingrepen bekend is, relevante delen van het plangebied (adviesgebied B en C) voorafgaande aan de civieltechnische werken te onderzoeken door middel van een proefsleuvenonderzoek, en de overige delen tijdens de civieltechnische werken, door middel van een archeologische opgraving, variant archeologische begeleiding (adviesgebied A en B). Voor deze tweedeling is gekozen op basis van de uiteenlopende archeologische verwachtingen in verschillende delen van het plangebied in combinatie met de aard van de op te sporen vindplaatstypen. Archeologisch begeleiding is vooral nuttig bij het onderzoeken van die vindplaatsypen die lastig te vangen zijn in het kader van reguliere AMZ-onderzoeken. Gezien de vrij hoge kans op het aantreffen van nederzettingsterreinen is er echter voor gekozen om ook proefsleuvenonderzoek in te zetten, aangezien dat meer mogelijkheden biedt om: − de aan- of afwezigheid, aard, begrenzing en (inhoudelijke) kwaliteit van deze vindplaatsen vast te stellen, en; − voldoende tijd en ruimte te reserveren om op basis van de resultaten in overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag eventueel tot planaan- of inpassing over te gaan, dan wel een plan te kunnen opstellen (in de vorm van een PvE) om de vindplaats(en) adequaat te kunnen onderzoeken.

De mogelijkheid tot een snelle doorstart naar een opgraving kan worden opgenomen in het PvE voor het proefsleuvenonderzoek. Voor die delen van het plangebied waar bekende verstoringen zijn gekarteerd (adviesgebied D) wordt vrijgave geadviseerd, en met betrekking tot de (sporen van) de overlaat van de Danikermolen (adviesgebied E) adviseren wij inpassing van dit cultuurhistorische element in de voorgenomen ingrepen. Het rapport en bovenstaand selectieadvies dienen beoordeeld te worden door (de adviseur archeologie van) de gemeente Sittard-Geleen. Op basis van de inhoudelijke onderbouwing van het selectieadvies beslist deze of dit wordt omgezet in een selectiebesluit.

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 54 van 58

Literatuurlijst Arts, N. & J. Deeben, 1983: Archeologisch onderzoek in een Late Magdalénien-nederzetting te Sweikhuizen, gemeente Schinnen, in: Archeologie in Limburg 16; 2-5. Bakker, H. de & J. Schelling, 1966: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus, Wageningen (Staring Centrum). Berendsen, H.J.A., 2004: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie, Assen. Berendsen, H.J.A., E. Stouthamer, K.M. Cohen & W.Z. Hoek: Landschap in delen, de fysisch-geografische regio’s, Utrecht. Bickle, P. & A. Whittle, 2013: LBK lifeways: a search for difference, in: P. Bickle & A. Whittle (red.): The First Farmers of Central Europe: Diversity in LBK Lifeways, Oxford; 1-29. Bosch, P.W., 1992: De herkomstgebieden van de Maasgesteenten, in: Grondboor & Hamer 46-3, 57-64. Brounen, F. & W. Hupperetz, 2000: Vindplaatsen van de Lineaire bandkeramiek en de Nederrijnse Grafheuvelcultuur in het Maasdal bij Itteren-Sterkenburg (I), in: Archeologie in Limburg 85; 41-46. Centraal College van Deskundigen (CCvD), 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Landbodems, versie 4.1, Gouda (SIKB). Deeben, J. & E. Rensink, 2005: Het Laat-Paleolithicum in Zuid-Nederland, in: J. Deeben, E. Drenth, M.-F. van Oorsouw & L. Verhart (red.): De steentijd van Nederland (Archeologie 11/12); 174-178. Felder, W. & P.

Bosch, 1989: Geologische kaart van Zuid-Limburg en omgeving. Afzettingen van de Maas, Haarlem. Gemeente Sittard-Geleen, afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling, 2012: Beleidsnota archeologie en monumenten, Sittard. Geraeds, J., 2007: Archeologisch onderzoek Geleenbeekdal Biesenhof-Keldenaer, gemeente Sittard Geleen, De Bilt (GAR nr. 439). Gullentops, F., 1954: Contribution à la chronologie du Pléistocène et des formes du relief en Belgique, Mémoires de l’Institut géologique de l’Université Catholique de Louvain 18, 125-252. Haesaerts, P., J. Juvigné, O. Kuyl, H. Mücher & W. Roebroeks, 1981: Compte rendu de l’excursion du 13 juin 1981, en Hesbaye et au Limbourg Néerlandais, consacrée al la chronostratigraphie des loess du Pleistocène Supérieur, Annales de la Société Géologique de Belgique 104, 223-240. Koevering, Y. van, 2020: Scherven brengen geluk, Sittard. Kleber, A., 2006: “Kolluvium” does not equal “colluvium”, in: Zeitschrift für Geomorphologie 50, 541–542. Kolen, J., H. van de Laarschot & G. Box, 2004: Beekdalen en hun cultuurgeschiedenis: Peelland, in: Gerritsen, F. & E. Rensink (red.): Beekdallandschappen in archeologisch perspectief. Een kwestie van onderzoek en monumentenzorg, Amersfoort (Nederlandse Archeologische 28); 35-84. Kuyl, O., 1980: Toelichting bij de Geologische kaart van Nederland 1: 50.000, blad Heerlen (62W oostelijke helft, 620 westelijke helft), Haarlem.

Maas, G. J., W.M. van der Meij, S. P. J. van Delft & A. H. Heidema, 2019: Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000, Wageningen. Paulussen R., 2013: Colluvium als archeologisch archief, in: De Maasgouw 132, 105-112. Putten, M.J. van, M.A. Tolboom, H.M.M. Geerts, 2010: Gemeente Schinnen. Een archeologische inventarisatie, verwachtings- en beleidsadvieskaart, ’s Hertogenbosch (BAAC rapport V-09.0053).

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 55 van 58 Raczynski-Henk, Y., 2020: De ontdekking van Neanderthalers in Limburg, in: M. Verhoeven, Y. Raczynski-Henk & R. Paulussen: Expeditie Vuistbijl, Weesp, Heerlen; 36-45. Raczynski-Henk, Y, R. Paulussen, R. Machiels & B. Weekers-Hendrikxs (red), 2018: Wie sjoeën oos Limburg waor. Een openluchtvindplaats uit het Midden-Paleolithicum in het tracé van de Buitenring Parkstad Limburg. Proefsleuvenonderzoek en opgraving, Amersfoort (ADC-rapport 4482). Renes, H., 2004: Beekdalen, bewoning en wegenpatronen, in: Gerritsen, F. & E. Rensink (red.): Beekdallandschappen in archeologisch perspectief. Een kwestie van onderzoek en monumentenzorg, Amersfoort (Nederlandse Archeologische 28); 133-146. Rensink, E., 2008: KNA Leidraad Beekdalen in Pleistoceen Nederland. Deel I: Leidraad Archeologisch Onderzoek van Beekdalen in Pleistoceen Nederland. Deel II: Leidraad Archeologische Verwachtingskaarten van Beekdalen in Pleistoceen Nederland, Gouda (SIKB). Rondags, E.J.N., 2016: IJzertijdbewoning langs de Limbrichterbeek in Sittard; aardgas-transportleidingtracé Hommelhof-Schinnen (A-665), catalogusnummers 28 (Sittard-Allee) en 29 (Sittard-Hasseltsebaan); gemeente Sittard-Geleen; archeologisch onderzoek: opgraving, Weesp (RAAP-rapport 2374). Ruijters, M.H.P.M., G.R. Ellenkamp & G. Tichelman, 2015: De beek die geeft en de beek die neemt. Plangebied Ligne, gemeente Sittard-Geleen.

Archeologisch onderzoek: een archeologische begeleiding protocol opgraving, Weesp (RAAP-rapport 2989). Schrijnemakers, M.J.H.A. &. J.J.G. Ramaekers, 1998: Geschiedenis van Geleen. Deel I: Van het begin van de Prehistorie tot het einde van de Franse Periode (1814), Geleen. Sprengers, N.H.A., 2016: Beekdalen Geleen, deel 1, gemeente Sittard-Geleen; archeologisch onderzoek: een archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden, Weesp (RAAP-notitie 5296). Steur, G.G.L. & W. Heiijink, 1991: Bodemkaart van Nederland Schaal 1:50000. Algemene begrippen en indelingen, 4e uitgave, Wageningen (Staring Centrum). TNO-GDN, 2022: Formatie van Beegden, in: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, Utrecht (TNO – Geologische Dienst Nederland). TNO-GDN, 2022: Formatie van Boxtel, in: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, Utrecht (TNO – Geologische Dienst Nederland). Schokker, J., F. De Lang, H. Weerts & C. Den Otter, 2003: Formatie van Boxtel, Tysmans, D., P. Haesaerts, F. Bogemans, P. Claeys, R. Finsey & M. Van Molle, 2009: Heterogeneity in homogenous Brabantian loess during the Late Pleniglacial, Quaternary International 198: 1-2, 195-203.

Vaessen, R.A., 2021: Bandkeramische en middeleeuwse landbouwers langs de Geleenbeek en de Keutelbeek: plangebied riool- en wegwerkzaamheden Oranjelaan e.o., gemeente Sittard-Geleen; een archeologische opgraving – variant archeologische begeleiding, Weesp (RAAP-rapport 4645). Vandenberghe, J., B. Huizer, H. Mucher en W. Laan, 1998: Short climatic oscillations in a western European loess sequence (Kesselt, Belgium), in: Journal of Quarternary Science 13-5, 471–485. Verhoeven, M., 2020: Een verwachtingskaart voor Neanderthalers in Limburg, in: M. Verhoeven, Y. RaczynskiHenk & R. Paulussen: Expeditie Vuistbijl, Weesp, Heerlen; 46-50. Verhoeven, M. & G.R. Ellenkamp, 2010: Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Sittard-Geleen, Weesp (RAAP-rapport 2144). Verhoeven, M., Y. Raczynski-Henk & R. Paulussen, 2020: Expeditie Vuistbijl, Weesp, Heerlen. Verhoeven, M. & I. van Wijk, 2021: Vindplaatsen, sites & landschappen: een archeologische inventarisatiekaart voor de gemeente Sittard-Geleen, Weesp (RAAP-rapport 4553). Vleeshouwer J. & J. Damoiseaux, 1990: Toelichting bij de Bodemkaart van Nederland, 1:50.000 (Blad 61-62, West en Oost Maastricht-Heerlen), Haarlem.

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 56 van 58 Voormolen, B., 2008: Ancient hunters, modern butchers : Schöningen 13II - 4, a kill-butchery site dating from the northwest European Lower Palaeolithic, Leiden. Wijk, I. van, L. Amkreutz & P. van de Velde, 2014: ‘Vergeten’ Bandkeramiek. Een Odyssee naar de oudste neolithische bewoning in Nederland, Leiden. Zepp, H., 2004: Geomorphologie. Eine Einführung, Paderborn, München, Wien, Zürich.

http://archis.cultureelerfgoed.nl/ http://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/ https://viforis.nl/projects/Corio Glana/ https://www.dinoloket.nl/ https://www.molendatabase.org/ https://www.klicmelding.nl/ https://www.opentopo.nl/

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 57 van 58

Lijst van figuren en tabellen Figuur 1: Het onderzoeks- en plangebied op de topografische kaart (bron: OpenTopo). ...................................... 10 Figuur 2. Het onderzoeks- en plangebied op de gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten van SittardGeleen en de voormalige gemeente Schinnen (bron: Verhoeven & Ellenkamp 2010, Van Putten, Tolboom & Geerts 2010). ................................................................................................................................................................ 13 Figuur 3. Een overzichtskaart van de diverse 'highlights' uit het Corio Glana project. Het onderhavige bureauonderzoek betreft de gebieden 16 en 17 (bron: Viforis.nl). ....................................................................... 14 Figuur 4. Het plateaulandschap van Zuid-Limburg, de loop van de Oostmaas en de Westmaas worden schematisch aangegeven met respectievelijk een rode en een blauwe pijl (bron: Wikipedia)......................... 16 Figuur 5. Het onderzoeks- en plangebied op de geomorfologische kaart van Nederland (bron: Dinoloket). .... 19 Figuur 6. Onderzoeks- en plangebied op de bodemkaart van Nederland (bron: Dinoloket). ................................ 21 Figuur 7. De samenloop van de Geleenbeek en de Keutelbeek. ................................................................................. 22 Figuur 8.

Het onderzoeks- en plangebied op de hillshade-projectie van het AHN (bron: Arcgisonline). ............ 23 Figuur 9. Verspreidingskaart van middenpaleolithische vondsten in Zuid-Limburg (bron: Verhoeven, Raczynski-Henk & Paulussen 2020). ........................................................................................................................... 24 Figuur 10. Het Magdalénien kamp van Sweikhuizen-Groene Paal. De locatie van de tent is door midden van arcering aangegeven (bron: Arts & Deeben 1987).................................................................................................... 25 Figuur 11. LBK waarnemingen in Limburg, met het plangebied in de rode ellips. De ‘lege’ plek in het midden van het Graetheide Plateau is het Chemelot terrein (bron: Van Wijk, Amkreutz & van de Velde 2014; 78). ............................................................................................................................................................................................. 27 Figuur 12. Een overzicht van bandkeramische nederzettingen langs de westrand van het Geleenbeekdal (bron: Van Wijk, Amkreutz & van de Velde 2014; 324). ..................................................................................................... 28 Figuur 13. Zicht op het (gereconstrueerde) dal van de Geleenbeek ten noorden van het plangebied.

Op de voorgrond is de rand van het Graetheide Plateau te zien waar de nederzettingsterreinen uit de IJzertijd verwacht worden, links de glooiende helling naar de beek en op de achtergrond nog met de hellingbossen van het Plateau van Doenrade. ..................................................................................................................................... 29 Figuur 14. De fiche met de IJzertijdvondstmelding (bron: Heemkundevereniging Geleen).. ................................ 30 Figuur 15. Onderzoeks- en plangebied met op Archis onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen (bron: RCE). ............................................................................................................................................................................................. 31 Figuur 16. Het onderzoeks- en plangebied op de kadastrale minuutplannen (bron: beeldbank RCE). ................ 34 Figuur 17. Het onderzoeks- en plangebied op verschillende historische kaarten (bron: Topotijdreis)................ 36 Figuur 18. De Peschstraat, met links de Keutelbeek, op een foto uit 1923, genomen vanuit het westen, richting het huidige plangebied (bron: de heer Ad Hoogenboom, Heemkundige Vereniging Geleen). ......... 37 Figuur 19.

Het plangebied geprojecteerd op de KLIC-melding; de blauwe en paarse lijnen zijn water- en rioolleidingen, de grens van het plangebied is aangegeven in rood (bron: KLIC). .............................................. 38 Figuur 20. Gespecificeerde verwachtingskaart voor de prehistorie en natte contexten........................................ 45 Figuur 21. Gespecificeerde verwachtingskaart voor de Romeinse tijd tot en met de Middeleeuwen. ............... 48 Figuur 22. Advieskaart voor het plangebied, met de verschillende adviesgebieden. .............................................. 51 Tabel 1. Aardkundige en landschappelijke gegevens met betrekking tot het plangebied. ..................................... 18 Tabel 2. Overzicht van de verwachtingszones (zie Figuur 20 en Figuur 21). ............................................................ 46 Tabel 3. Overzicht van de adviesgebieden (zie ook Figuur 22). ................................................................................... 49

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Your safety is our concern

© 2018 Den Ouden Groep B.V.

Bijlage 2 Archeologische toets bergbezinkbassin Sint Jorisstraat

Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 62 van 531

Archeologisch advies nr. Plangebied Kadasternr Intern nummer gemeente Op verzoek van Betreft Huidig gebruik Geplande bodemingreep

Omvang plangebied

MP17a17 Geleen, St. Jorisstraat – Beekstraat (BBB)

Jos Jeukens, gemeente Sittard-Geleen Archeologische toets t.b.v. aanleg bergbezinkbassin (gemeentelijk project) -

Aanleg van een bergbezinkbassin (max. diepte 2,5 meter –Mv) Aanleg nieuw riool, inclusief wegdekvervanging Bergbezinkbassin: ca. 2000 m² (68 m x 39 m) Nieuw riool, wegdek: circa 600 m² (150 m x 4 m)

Inleiding/Project Ter hoogte van de St. Jorisstraat / Beekstraat in Geleen wil de gemeente op korte termijn een aantal maatregelen nemen. In de bocht van de St. Jorisstraat, direct aansluitend op de Geleenbeek, heeft de gemeente het voornemen om een bergbezinkbassin (BBB) te realiseren. De omvang van dit bassin is circa 2000 m². De werkzaamheden gaan tot een diepte van circa 2,5 meter –Mv. Daarnaast wordt vanaf het BBB tot aan de Beekstraat nieuwe riolering aangelegd en wordt het wegdek vervangen. Het tracé waarin deze werkzaamheden plaatsvinden heeft een lengte van circa 150 meter. De ingrepen die hiermee gepaard gaan, gaan tot een diepte van circa 3,5 meter –Mv. De breedte van het tracé is minstens 4 meter (zwaar riool). Dit betekent dat ten behoeve van dit nieuwe riool een oppervlakte van circa 600 m² verstoord wordt (figuur 1). De totale verstoring komt daarmee op circa 2600 m². De bodemingrepen gaan dermate diep, dat eventueel aanwezige archeologische resten worden bedreigd. Vandaar dat de gemeente reeds in een vroeg stadium de afweging maakt om al dan niet archeologisch onderzoek uit te laten voeren.

Figuur 1. Ligging van het plangebied. Rechter grijze blok = bergbezinkbassin. Tussen de twee grijze blokken in (St. Jorisstraat, parallel aan de Geleenbeek) wordt nieuwe riolering gelegd en het wegdek vervangen.

Vraagstelling Is in het plangebied archeologisch onderzoek noodzakelijk? Beleid Volgens het beleid van de gemeente Sittard-Geleen is de locatie van de nieuwe BBB ingedeeld in beleidscategorie 41 De locatie van de nieuwe rioolsleuf ligt nog net in de historische kern van Oud Geleen en is daarom ingedeeld in beleidscategorie 3. Voor deze beleidscategorieën geldt, dat bodemverstoringen die groter zijn dan respectievelijk 500 (cat. 4) en 100 m² (cat. 3) én dieper gaan dan 30 cm –Mv onderzoeksplichtig zijn. Archeologische verwachting plangebied Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het herinrichtingsgebied van het beekdal van de Geleenbeek ‘Corio Glana deelplan 18’. Ten behoeve van de herinrichting van de Geleenbeek is door RAAP in 2014 een uitgebreid bureauonderzoek (cultuurhistorische bureaustudie) uitgevoerd, waarin ook het plangebied was opgenomen2.Uit dit bureauonderzoek blijkt dat het plangebied in een archeologisch zeer rijk gebied ligt (zie figuur 2 en 3). Het westelijk deel van het plangebied, waar nieuwe riolering wordt gelegd en het wegdek wordt vervangen, ligt volgens de beleidskaart nog net binnen de historische kern van Oud Geleen. De historische kernen hebben een monumentstatus vanwege hun hoge archeologische waarde. Dit omdat binnen deze kernen de wortels van de huidige dorpen wordt verwacht.

De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19e eeuwse en vroeg 20e eeuwse kaarten. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning worden aangetroffen. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. In het plangebied zelf zijn geen archeologische vindplaatsen bekend. In de directe omgeving van het plangebied (straal circa 250 meter) wel (zie figuur 2). Het betreft archeologische resten uit vrijwel alle perioden van de landbouwers (Neolithicum [o.a. LBK], IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen). Recentelijk nog werden tijdens een archeologische begeleiding in het kader van het Corio Glana project op circa 250 meter ten noordoosten van het plangebied nederzettingsresten aangetroffen uit de Vroege-Midden IJzertijd. Ook bij de begeleiding van rioolwerkzaamheden in Munstergeleen werden resten aangetroffen uit deze periode. De resultaten van beide begeleidingen worden momenteel door RAAP verder uitgewerkt. Op basis van landschappelijke en historische gegevens, in combinatie met de bekende archeologische vindplaatsen in de directe omgeving, geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting (zie figuur 3; extrapolatie).

In het plangebied vooral rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van nederzettingsterreinen met bijbehorende grafvelden uit alle perioden van de landbouwers (‘droge archeologie’). Gezien de ligging direct naast de Geleenbeek, moet bovendien rekening worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische resten gerelateerd aan ‘natte archeologie’ (afvaldumps, rituele deposities, e.d.). Nabij de beekstraat is er mogelijk sprake van oude beekovergangen, zoals voorden en bruggen.

1

Gemeente Sittard-Geleen, 2012. Beleidsnota Archeologie en Monumenten, gemeente Sittard-Geleen. Bijlage 4B (archeologische beleidskaart). 2 Sprengers, N.H., 2014. Corio Glana: herinrichting van de Geleenbeek; archeologisch vooronderzoek: een cultuurhistorisch bureauonderzoek. RAAP-rapport 2777. Weesp.

Figuur 2. Cultuurhistorische waardenkaart (Sprengers, 2014). De globale ligging van het plangebied staat aangegeven met een rode cirkel. Extra toegevoegd: Locatie 1. Vindplaats met resten uit diverse perioden (Meso-Neolithicum, vroeg Neolithicum, IJzertijd – Romeinse tijd, Romeinse tijd, Middeleeuwen (RAAP-rapport 2381)). Locatie 2. Vindplaats waar enkele silokuilen uit het Vroeg Neolithicum zijn aangetroffen (LBK; RAAP-rapport 2380).

Figuur 3. Archeologische verwachtingskaart (Sprengers, 2014). De globale ligging van het plangebied staat aangegeven met een rode cirkel. Inzet: uitsnede nabij plangebied.

Bodemkundige situatie Het plangebied ligt in het dal van de Geleenbeek. In het plangebied komen volgens de bodemkaart poldervaaggronden (beekafzettingen) voor (code Rn15C-VI)3.. Dit betekent dat archeologische resten reeds direct onder maaiveld kunnen voorkomen. De diepteligging is daarbij afhankelijk van al dan niet natuurlijke opvullings-/afzettingsfasen van de Geleenbeek. Verstoringen Locatie bergbezinkbassin: Op recente topografische kaarten is te zien dat ter hoogte van de nieuwe bergbezinkbassin bebouwing staat (of heeft gestaan). De verwachting is dan ook dat hierdoor een deel van het gebied reeds verstoord is. Locatie St. Jorisweg (nieuw riool): de St. Jorisweg betreft een historische weg. Door het langdurige gebruik als weg, zal de bodem al in enige mate verstoord zijn. Dit is mogelijk versterkt door kabels en leidingen die vaak onder de huidige wegen liggen. Conclusies en advies Het plangebied is ingedeeld in beleidscategorie 3 (St. Jorisweg) en 4 (bergbezinkbassin). Concreet betekent dit dat bodemingrepen die groter zijn dan respectievelijk 100 m² (cat. 3) en 500 m² (cat. 4) en dieper gaan dan 30 cm –Mv onderzoeksplichtig zijn.

Figuur 4. Advieskaart (Sprengers, 2014). De beoogde ingrepen hebben een totale omvang van circa 2600 m². De beoogde ingrepen gaan bovendien dieper dan 30 cm –M. De gehanteerde ondergrenzen worden dus ruimschoots overschreden. Dit betekent dat nut en noodzaak van archeologisch onderzoek dient te worden afgewogen. Hierbij kan worden aangesloten bij de reeds gegeven adviezen voor dit gebied in het kader van het Corio Glana project (Sprengers, 2014, figuur 4). Het lijkt niet realistisch om de plannen aan te passen. Het verstoringsoppervlak kan niet worden beperkt tot maximaal 100 m² en ook de diepte van de graafwerkzaamheden kan niet worden aangepast, gezien de aard van de werken. Daarom wordt geadviseerd om archeologisch onderzoek uit te laten voeren. bergbezinkbassin zijn er naar verwachting 3

DLO-Staring Centrum, 1993. Bodemkaart van Nederland 1:50.000. Herziene uitgave blad 59-60 W/O. 68 West Sittard. 68 Oost Sittard. DLO-Staring Centrum, Wageningen.

Vanwege de aard van de werkzaamheden zal een intensieve archeologische begeleiding (protocol opgraven) het meest effectief zijn. Hierbij zijn naar verwachting goede waarnemingsmogelijkheden, aangezien tijdens de werkzaamheden relatief grote aaneengesloten vlakken worden blootgelegd (zowel bij de aanleg van de bergbezinkbassin, als bij de aanleg van het riool; het betreft een relatief zwaar riool, waarvoor een brede en diepe bodemverstoring noodzakelijk is). Een archeologische begeleiding houdt in dat er waarnemingen worden gedaan tijdens de aanleg van de bergbezinkbassin en de graafwerkzaamheden ten behoeve van het nieuwe riool. Een en ander moet daarbij goed op elkaar afgestemd worden. Het is namelijk waarschijnlijk niet nodig dat de werkzaamheden permanent begeleid worden. Een archeologische begeleiding wordt uitgevoerd op basis van Programma van Eisen (PvE) dat dient te zijn goedgekeurd door de gemeentelijk archeoloog (mw. M. Aarts). N.B. Dit advies geldt voor het plan dat nu is ingediend (d.d. 6-4-2017). Indien het plan in de toekomst wordt aangepast, dient dit plan opnieuw archeologisch getoetst te worden. 6-4-2015 Mijke Peeters, RAAP Zuid-Nederland Akkoord gemeentelijk archeoloog, gemeente Sittard-Geleen (Marion Aarts) 05-09-2017 Marion Aarts Gemeentelijk Archeoloog Gemeente Sittard-Geleen Marion.Aarts@sittard-geleen.nl 046-4777456 Aanwezig ma-di

Bijlage 1: Meldingsplicht Bij een verstoringsdiepte groter dan 30 cm geldt altijd een meldingsplicht voor de aanvang van de werkzaamheden. De aanvang dient twee weken voor de werkstart aan de gemeentelijk archeoloog te worden gemeld per email (marion.aarts@sittard-geleen.nl). De volgende teksten dienen in de bestekken van de uitvoerder te worden opgenomen: 1. De aanvang van het bouwrijp maken van het perceel dient twee weken voor de werkstart aan de gemeentelijk archeoloog te worden gemeld per email (marion.aarts@sittard-geleen.nl) 2. De mogelijkheid dat er in het plangebied archeologische vondsten worden gedaan, wordt – gezien de hoge archeologische verwachting – niet uitgesloten. Wij wijzen u nadrukkelijk op uw wettelijke verplichting (Monumentenwet van 1988, artikel 53 & 54) om archeologische vondsten te melden. Bij het doen van vondsten waarvan u vermoedt dat het om archeologische vondsten of sporen gaat ben u verplicht deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente. U kunt uw vondsten melden bij de gemeentelijk archeoloog Mw. M. Aarts (046-4777456) en aan de gemeentelijk projectleider of de gemeentelijk contactpersoon van uw project.

Bijlage 3 Ecologisch onderzoek bergbezinkbassins & waterbuffers Sittard-Geleen

Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 70 van 531

Verkennend natuuronderzoek waterbuffers SittardGeleen Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur

Inhoudsopgave

Samenvattende tabellen .......................................................................................................... 4 1

Inleiding ......................................................................................................................... 6 1.1 Aanleiding............................................................................................................ 6 1.2 Kader van het onderzoek .................................................................................... 6 1.3 Ligging en beschrijving plangebied ..................................................................... 6 1.4 Voorgenomen activiteiten.................................................................................... 7 1.5 Biodiversiteit ...................................................................................................... 11 1.6 Leeswijzer ......................................................................................................... 11

2

Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden ........................................................ 12 2.1 Toetsingskader .................................................................................................. 12 2.2 Resultaten ......................................................................................................... 12 2.3 Analyse en toetsing van mogelijke effecten ...................................................... 13 2.4 Conclusie Natura 2000 ...................................................................................... 14

3

Wet natuurbescherming: soortenbescherming ........................................................... 15 3.1 Toetsingskader .................................................................................................. 15 3.2 Methode ............................................................................................................ 15 3.3 Resultaten ......................................................................................................... 15 3.3.1 Vogels .................................................................................................. 15 3.3.2 Planten ................................................................................................. 19 3.3.3 Vleermuizen ......................................................................................... 20 3.3.4 Overige zoogdieren ............................................................................. 22 3.3.5 Amfibieën en reptielen ......................................................................... 23 3.3.6 Vissen .................................................................................................. 24 3.3.7 Ongewervelden .................................................................................... 25

4

Provinciaal natuurbeleid .............................................................................................. 26 4.1 Toetsingskader .................................................................................................. 26 4.2 Inventarisatie en effectanalyse.......................................................................... 26 4.3 Conclusie ........................................................................................................... 31

5

Conclusies en aanbevelingen ..................................................................................... 32 5.1 Natura 2000....................................................................................................... 32 5.2 Soortenbescherming ......................................................................................... 32 5.3 Provinciaal natuurbeleid .................................................................................... 32

6

Biodiversiteit ................................................................................................................ 33

Referenties ............................................................................................................................ 34 Bijlage 1 Toetsingskaders wetgeving en beleid .................................................................... 35

3/43

Samenvattende tabellen In onderstaande tabellen is een samenvatting weergegeven van conclusies, voortkomend uit het verkennend natuuronderzoek. Wet natuurbescherming: gebiedsbescherming

Effecten

Nader veld- en/of effectenonderzoek

Natura 2000-gebieden

Mogelijke toename (of afname) aan stikstofdepositie in de aanlegfase

AERIUS-berekening

Mitigerende maatregelen*

Nadere procedure

Afhankelijk van de resultaten van de AERIUS-berekening moet een voortoets of passende beoordeling worden geschreven en/of een Wnb-vergunning worden verkregen.

* specifieke maatregelen om effecten te voorkomen.

Wet natuurbescherming: soortbescherming

Effecten

Nader veld- en/of effectenonderzoek

Mitigerende maatregelen*

Nadere procedure

Planten

Ja, mogelijk verlies standplaats grote leeuwenklauw (overtreding Wnb artikel 3.10, lid 1c)

Ja, aanvullend onderzoek is nodig, indien geschikte standplaats wordt aangetast

N.v.t.

Wanneer grote leeuwenklauw aanwezig is, is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk.

Vleermuizen

Mogelijk verstoring foerageergebied door verlichting

Indien de verstoring niet voldoende kan worden gemitigeerd, is aanvullend onderzoek nodig

(Bouw)verlichting niet richten op omliggende groenstructuren tussen één uur voor zonsondergang en één uur na zonsopkomst.

Grondgebonden zoogdieren

Geen

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

Vogels

Ja, mogelijk aantasting van jaarrond beschermd nest door verstoring (overtreding Wnb artikel 3.1, lid 4)

Ja, aanvullend onderzoek naar broedgeval boomvalk, torenvalk en ransuil, indien in broedseizoen gewerkt gaat worden.

Buiten het broedseizoen van de boomvalk, torenvalk en ransuil (maart tot en met juli) werken, dan is aanvullend onderzoek niet nodig.

Wanneer broedgeval aanwezig is van vogel met jaarrond beschermd nest zijn mogelijk vervolgstappen noodzakelijk.

Amfibieën

Ja, mogelijke aantasting van vaste rusten verblijfplaatsen van Alpenwatersalamander (overtreding Wnb artikel 3.10, lid 2)

Ja, aanvullend onderzoek naar voorkomen Alpenwatersalamander, indien sloot nabij deelgebied Holtum wordt aangetast

N.v.t.

Wanneer Alpenwatersalamander aanwezig is, is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 4/31

Wet natuurbescherming: soortbescherming

Effecten

Nader veld- en/of effectenonderzoek

Mitigerende maatregelen*

Nadere procedure

Reptielen

Geen

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

Vissen

Geen

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

Ongewervelden

Geen

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

* specifieke maatregelen om effecten te voorkomen. Opgemerkt wordt dat voor alle soorten planten en dieren de zorgplicht geldt. Dit houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Provinciaal beleid

Effecten

Nader veld- en/of effectenonderzoek

Mitigerende maatregelen*

Nadere procedure

Goudgroene natuurzone/natuurnetwerk

Geen

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

Zilvergroene natuurzone en bronsgroene natuurzone/groenblauwe mantel

Geen

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

Nationaal landschap ZuidLimburg

Geen

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

* mogelijke maatregelen om effecten te voorkomen

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 5/31

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

Gemeente Sittard-Geleen is voornemens drie (deels ondergrondse) waterbuffers te realiseren op drie verschillende locaties binnen de gemeente. Op dit moment laten de vigerende bestemmingsplannen op deze locaties geen waterbuffers toe in het plangebied. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, is het noodzakelijk een nieuw bestemmingsplan op te stellen. In dat kader dient inzichtelijk gemaakt te worden of het plan uitvoerbaar is op grond van de wet- en regelgeving voor natuur. De voorgenomen werkzaamheden kunnen immers negatieve effecten hebben op beschermde plant- of diersoorten of beschermde gebieden. Daarom dient het plan te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. Dit wordt gedaan middels dit verkennend natuuronderzoek. Het onderzoek heeft inzicht in de mogelijk aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten hierop is voorliggend verkennend natuuronderzoek uitgevoerd door Sweco Nederland B.V. Na het opstellen van de conceptversie van voorliggend verkennend natuuronderzoek, is de begrenzing van deelgebied Geleen uitgebreid. Hiervoor heeft op 21 maart 2024 een extra veldbezoek plaatsgevonden en is de rapportage geactualiseerd.

1.2

Kader van het onderzoek

Het plan is getoetst aan de volgende wet- en regelgeving voor natuur1: • Wet natuurbescherming: • Natura 2000-gebieden (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn); • Soortenbescherming. • Natuurnetwerk Nederland (NNN). • Eventueel andere provinciaal beschermde gebieden buiten het NNN. Het verkennend onderzoek is erop gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten van het plan op de beschermde natuurwaarden in en om het plangebied. Toetsing heeft plaatsgevonden op de beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders. In het rapport worden de mogelijke vervolgstappen besproken die eventueel moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures.

1.3

Ligging en beschrijving plangebied

De deelgebieden zijn gelegen in Born (Holtum), Geleen en Munstergeleen, in provincie Limburg, Figuur 1.1., Figuur 1.2, Figuur 1.3 en Figuur 1.4. De deelgebieden bestaan allen uit landbouwgrond en/of weiland. Het deelgebied in Holtum grenst aan de snelweg A2 en Nieuwe Weideweg. Er is een klein bosje aanwezig ten zuidwesten van het deelgebied en verderop is een grote parkeerplaats gelegen die behoort tot het industrie/havengebied. Ten tijde van het veldbezoek bestond het deelgebied uit grasland, met Engels raaigras, grote brandnetel, zuring spec., en aan de randen es, gewone esdoorn en zomereik. Een rij wilgen en een greppel is gelegen tussen het deelgebied en de snelweg. Deelgebied Geleen en deelgebied Munstergeleen zijn beide gelegen aan het spoor en nabij de Geleenbeek. Deelgebied Geleen is gelegen nabij de straat Daniken en betreft een akker met een 1

Houdbaarheid rapportage Per 1 januari 2024 treedt de nieuwe Omgevingswet in werking. De Wet natuurbescherming komt hierdoor te vervallen. Het juridisch kader waarin in deze rapportage is getoetst, is dan niet meer geldig. Wanneer de werkzaamheden plaatsvinden na 1 januari 2024, dient voorliggende rapportage te worden geactualiseerd.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 6/31

gewas, mogelijk gele mosterd, ten tijde van het veldbezoek op 10 oktober 2023. Ook is een weiland onderdeel van het deelgebied Geleen. Hier staan wat bomen langs de randen en is met hout omheind. Hier zijn planten aangetroffen zoals ridderzuring, grote brandnetel, kruipende boterbloem en Engels raaigras. Langs de akker is onder andere liggende leeuwenbek, akkerwinde en paardenbloem aangetroffen. De bosschages rondom het deelgebied bestaan uit onder andere linde spec., wilgen spec., zomereik, beuk, hazelaar, canadese kornoelje en es. Deelgebied Munstergeleen is gelegen aan Sint Jorisstraat. Aan de rand van het gebied is veel Japanse duizendknoop aanwezig, een invasieve exoot. Het akkerland zelf is omgeploegd en er zijn verder in de randen rode klaver, paardenbloem, brede en smalle weegbree, grote brandnetel, dauwbraam en gewone berenklauw aanwezig. Een bosschage ten noorden van het deelgebied bestaat met name uit hazelaar, meidoorn, rode kornoelje en varens In het oosten gelegen bosschage is gewone esdoorn, hazelaar, beuk en meidoorn aanwezig.

1.4

Voorgenomen activiteiten

De voorgenomen werkzaamheden betreft het aanleggen van waterbuffers. Hiervoor wordt gegraven met graafmachines, is een bemalingspomp nodig en andere werktuigen zoals hijskraan, verreiker en vrachtwagen. Mogelijk worden enkele bomen gekapt.

Figuur 1.1

Ligging van de deelgebieden in de omgeving (rood omcirkeld).

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 7/31

Figuur 1.2

Ligging van deelgebied Born (rood gearceerd) in de omgeving.

Figuur 1.3

Ligging van deelgebied Geleen (rood gearceerd) in de omgeving.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 8/31

Figuur 1.4

Ligging van deelgebied Munstergeleen (rood gearceerd) in de omgeving.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 9/31

1

2

3

4

5

6

Figuur 1.5

Impressie van het plangebied. Van linksboven naar rechtsonder genummerd 1 en 2 deelgebied Holtum, 3 en 4 deelgebied Geleen, 5 en 6 deelgebied Munstergeleen.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 10/31

1.5

Biodiversiteit

Biodiversiteit is een onlosmakelijk onderdeel van een duurzame gebiedsontwikkeling. Het is essentieel voor een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling zijn er mogelijkheden om natuurinclusief te ontwerpen, bouwen en handelen om zo de biodiversiteit te stimuleren. In hoofdstuk 5 zijn de conclusies over de wet- en regelgeving opgenomen. In hoofdstuk 6 volgen enkele bovenwettelijke maatregelen die genomen kunnen worden om biodiversiteit te optimaliseren en veiligheid voor dieren te verbeteren op het terrein.

1.6

Leeswijzer

In volgende hoofdstukken worden de bevindingen weergeven van het verkennend natuuronderzoek voor de hoofdaspecten Natura 2000 (hoofdstuk 2), soortenbescherming (hoofdstuk 3), en provinciaal beleid (hoofdstuk 4), soortenbescherming en provinciaal beleid. De toetsingskaders bij het beleid worden gegeven in Bijlage 1.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 11/31

2

Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden

2.1

Toetsingskader

De Natura 2000-gebieden zijn de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitattypen binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd vanuit een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In het aanwijzingsbesluit van LNV is aangegeven welke natuurwaarden kwalificerend zijn op grond van de Habitatrichtlijn en/of Vogelrichtlijn. Hierin zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitattypen en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitattypen en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- en/of verbeterdoelstellingen voor habitattypen en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. In dit verkennend natuuronderzoek wordt getoetst of plannen negatieve gevolgen kunnen hebben voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten of habitattypen voor de het betreffende Natura 2000-gebieden. Wanneer effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten kunnen de volgende vervolgstappen aan de orde zijn, zijnde een voortoets, passende beoordeling of ADC-toets. In Bijlage 1 wordt het toetsingskader in meer detail beschreven.

Bij de toetsing is gekeken naar de Natura 2000-gebieden tot op 10 km afstand van het plangebied. Dit is ruim voldoende om effecten door eventuele externe werking mee te nemen. Enkel effecten door stikstofdepositie kunnen verder reiken.

2.2

Resultaten

De ligging van Natura 2000-gebied is in beeld gebracht middels de Natura 2000-gebiedenkaart van PDOK, beschikbaar via het Nationaal Georegister. Hieruit blijkt dat het Natura 2000-gebied het Geleenbeekdal het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is. Het bevindt zich op een afstand van circa 1,7 kilometer van het plangebied (Figuur 2.1). Binnen een straal van 10 km liggen ook de Natura-2000 gebieden; Bunder- en Elsloërbos (5,9 km) en Geuldal (8,1 km). De nabijgelegen Natura 2000-gebieden Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop (circa 6,8 km) en Grensmaas (circa 1,9 km) kennen geen stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden. Alle nabijgelegen natura 2000-gebieden hebben alleen bescherming onder de habitatrichtlijn. Alle Natura 2000-gebieden binnen een afstand van 10 km van het plangebied zijn weergegeven in Tabel 2.1. Tabel 2.1

Afstand van nabijgelegen Natura 2000-gebied(en) tot plangebied.

Natura 2000-gebied

Afstand (km)

Bescherming

Geleenbeekdal

1,7

HR

Grensmaas

1,9

HR

Bunder- en Elsloërbos

5,9

HR

Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop

6,8

HR

Geuldal

8,1

HR

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 12/31

Figuur 2.1

Ligging van plangebied, de drie deelgebieden, ten opzichte van Natura 2000-gebieden. De pijlen geven de kortste afstand aan van het plangebied naar de Natura-2000 gebieden.

Van de Natura-2000 gebieden binnen een straal van 10 kilometer worden de beschermingsregimes met hun voornaamste instandhoudingsdoelen beschreven. Het dichtstbij gelegen gebied is het Geleenbeekdal en wordt beschermd onder de Habitatrichtlijn. De doelstellingen van het Geleenbeekdal zijn het behouden of uitbreiden van omvang (populatiegrootte, oppervlakte van habitattypes of het leefgebied van soorten) en het behouden of uitbreiden van de kwaliteit van het habitattype of het leefgebied van soorten. Het Geleenbeekdal bevat een aantal habitattypen die gevoelig zijn voor stikstof (onder andere H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen), H9120 Beuken-eikenbossen met hulst en H7230 kalkmoerassen). Ook het leefgebied van een van de aangewezen soorten, de zeggekorfslak, is gevoelig voor stikstof.

2.3

Analyse en toetsing van mogelijke effecten

De Natura 2000-gebieden het Geleenbeekdal en de Grensmaas liggen op respectievelijk 1,7 km en 1,9 km afstand van het plangebied. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Natura 2000gebieden en maakt geen deel uit van het leefgebied voor kwalificerende habitatrichtlijnsoorten van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De Habitatrichtlijnsoorten waarvoor de nabijgelegen gebieden zijn aangewezen, hebben tevens geen ecologische relatie met het plangebied. Van een (indirect) oppervlakteverlies van leefgebied van kwalificerende soorten in of buiten Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Effecten ten gevolge van de werkzaamheden, zoals verdroging, vernatting, optische-, licht- en geluidsverstoring, reiken maximaal tot enkele honderden meters ver. De voorgenomen activiteiten zoals het kappen van bomen en grondverzet zijn vrij intensieve maar tijdelijke werkzaamheden.

Gelet op de kleinschaligheid van het areaal, de bossen om het plangebied (deelgebieden Geleen en Munstergeleen) heen en industrie (Holtum), wat zowel een bufferende werking heeft op geluid als licht, en de afstand (1,7 km) tot het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal en de Grensmaas (1,9 km), zijn blijvende negatieve effecten (verdroging, vernatting, optische-, licht- en geluidsverstoring) als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op voorhand uit te sluiten Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 13/31

Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal gebruik worden gemaakt van een nog nader te bepalen inzet van mobiele werktuigen, hetgeen gepaard gaat met stikstofemissie. Er is derhalve mogelijk sprake van een (tijdelijke) toename in stikstofdepositie tijdens de realisatie, met verzuring en vermesting in de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden of nog verder gelegen gebieden als gevolg. De stikstofdepositie als gevolg van de inzet van werktuigen is naar verwachting minimaal, gezien de kleinschalige en tijdelijke aard van de werkzaamheden. Er is echter wel sprake van stikstofgevoelige habitattypen binnen 25 km afstand van het projectgebied. Effecten als verzuring en vermesting als gevolg van een toename in stikstofdepositie, kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten. De toekomstige situatie binnen het plangebied zal overeenkomen met de huidige. Er zal daarom in de gebruiksfase geen sprake zijn van een (toename in) stikstofdepositie.

2.4

Conclusie Natura 2000

Directe effecten, zoals verdroging, vernatting, optische-, licht- en geluidsverstoring zijn, gelet op de ligging van het projectgebied ten opzichte van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden en de aard van de werkzaamheden, op voorhand uitgesloten. Hierdoor is er geen noodzaak tot een nadere beschouwing op deze effectindicatoren. Mogelijk treden effecten op als gevolg van een toename in stikstofdepositie. Gezien de relatief korte afstand tussen stikstofgevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden en het projectgebied is er mogelijk sprake van een toename in stikstofdepositie met effecten in de vorm van verzuring en vermesting als gevolg. Daar negatieve gevolgen niet op voorhand zijn uitgesloten dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd om de eventuele toename in stikstofdepositie inzichtelijk te maken. Op basis van de resultaten dient te worden bepaald of er aanvullend onderzoek naar de effecten van stikstofdepositie in de vorm van een ecologische of passende beoordeling benodigd is, of dat het project zonder aanvullend onderzoek doorgang kan vinden.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 14/31

3

Wet natuurbescherming: soortenbescherming

3.1

Toetsingskader

Soortenbescherming is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De beschermde soorten in Nederland zijn in te delen in drie categorieën: soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1, Wnb), soorten van de Habitatrichtlijn (artikel 3.5, Wnb) en Andere beschermde soorten (Artikel 3.10, Wnb). Het is verboden soorten van de eerste twee categorieën te vangen, doden, verstoren of hun (vaste) rust- en verblijfplaatsen aan te tasten. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op soorten uit de derde categorie. Soorten uit de laatste categorie kunnen door het bevoegd gezag onder voorwaarden vrijgesteld worden van de verbodsbepalingen. Het toetsingskader voor soortenbescherming wordt nader beschreven in Bijlage 1.

3.2

Methode

Het actueel en potentieel voorkomen van beschermde soorten in het plangebied is onderzocht middels een bronnenonderzoek en een oriënterend veldbezoek. Op basis hiervan is een habitatgeschiktheidsbeoordeling gedaan. Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in de plangebieden en omgeving. Hiervoor zijn onder andere landelijke (digitale) verspreidingsatlassen (waaronder de NDFF-Verspreidingsatlas2), regionale verspreidingsatlassen en, wanneer beschikbaar, voorgaande onderzoeken geraadpleegd. Ook is data direct uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) gebruikt van de afgelopen 5 jaar. Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van beschikbare gegevens en een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in de plangebieden (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2023 door Femke Bles en op 21 maart 2024 door Anne Paulusse, beiden deskundige ecologen van Sweco.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=250020d4-c899-42c8-9d59-c1213dd77ad4