CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Bijlagen bij toelichting

Raad 19 september 2024, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Bestemmingsplan Bergbezinkbassins (Geilen) (86)32.667 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 28 van 58

Figuur 12. Een overzicht van bandkeramische nederzettingen langs de westrand van het Geleenbeekdal (bron: Van Wijk, Amkreutz & van de Velde 2014; 324).

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 29 van 58 Uit de collectie van de Heemkundevereniging Geleen is één vondstmelding uit de jaren ‘50 bekend van IJzertijdaardewerk bij ‘het ziekenhuis’ (Figuur 14). Dat is het voormalige Sint Barbaraziekenhuis aan de Barbarastraat, net ten westen van het zuidelijke deel van het plangebied. 40 De relatieve zeldzaamheid van vindplaatsen uit de metaaltijden kan verschillende oorzaken hebben. Na het einde van het Neolithicum begint de lössbodem te verschralen, zodat het systeem van landbouw dient te worden aangepast naar een meer ‘mobiel’ systeem. Daarbij worden erven vaker verplaatst tijdens het verkassen naar nieuwe akkergronden. Nederzettingen blijven daardoor relatief klein en dus archeologisch moeilijker zichtbaar. Een andere oorzaak kan het minder diep ingraven van palen voor huisplattegronden zijn, zodat deze als gevolg van erosie niet, of slechts beperkt bewaard blijven. De kwetsbaarheid van met name aardewerk uit de Bronstijd is eveneens een factor die de herkenning van vindplaatsen hindert. 41

Figuur 13. Zicht op het (gereconstrueerde) dal van de Geleenbeek ten noorden van het plangebied. Op de voorgrond is de rand van het Graetheide Plateau te zien waar de nederzettingsterreinen uit de IJzertijd verwacht worden, links de glooiende helling naar de beek en op de achtergrond nog met de hellingbossen van het Plateau van Doenrade.

4.2.4 Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen In de gemeente Sittard-Geleen zijn veel Romeinse vindplaatsen bekend, onder andere langs de Geleenbeek. Opmerkelijk is daarbij een afvaldump, bestaande uit een enorme hoeveelheid scherven die bij het archeologisch onderzoek in het kader van een ander Corio Glana project is gevonden ten noorden van het huidige plangebied. 42 In en net buiten het plangebied liggen een aantal monumentale carré-boerderijen. Net buiten de zuidrand van het plangebied ligt de Biesenhof, en in het midden de huidige manege Ten Eijsden. Over de geschiedenis van Hoeve ten Eijsden is weinig bekend, maar de eerste vermelding van de Biesenhof dateert uit de 13e eeuw. Volgens informatie van de Heemkundevereniging Geleen zijn in de omgeving van beide complexen Romeinse vondsten verzameld. 43

40

Met dank aan de heer en mevrouw Buchem, Heemkundevereniging Geleen. Verhoeven & van Wijk 2021. 42 Van Koeveringe 2020. 43 Mondelinge mededeling door de heer en mevrouw Buchem (Heemkundevereniging Geleen), 07-05-2022. 41

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 30 van 58 In het noorden van het plangebied en net daarbuiten bevinden zich een aantal Romeinse vindplaatsen die bestaan uit twee nederzettingsterreinen en een villaterrein. Deze vindplaatsen worden in §4.3 uitvoeriger besproken.

4.2.5 Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd Deze periodes worden uitgebreid behandeld bij de bespreking van de bekende archeologische waarden en het historisch kaartmateriaal (zie §4.3 en 4.4).

4.2.6 Het Geleenbeekdal als archeologisch fenomeen Hoewel de loop van de beek nu verregaand gekanaliseerd is, heeft zij in het verleden door deze smalle vlakte gemeanderd (Figuur 16). De dalvlakte is voor bewoning in bepaalde perioden mogelijk minder geschikt geweest, maar zij is in het verleden ongetwijfeld intensief gebruikt, met name in de omgeving van oversteekplaatsen in de vorm van voorden en/of (al dan niet op een later tijdstip) bruggen. Oversteekplaatsen hebben de neiging om eeuwenlang plaatsvast te zijn. 44 Het plangebied wordt zowel in het noorden (de Beekstraat) als in het zuiden (de Biesenweg) begrensd door een weg die waarschijnlijk van aanzienlijke ouderdom is, en de beek kruist. Ter hoogte van hoeve Ten Eijsden ligt eveneens een brug die ook op de Kadastrale Minuut staat afgebeeld, en een dergelijke, oude plaatsvaste oversteekplaats zou kunnen vertegenwoordigen. Dat gebruik heeft een praktische dimensie, maar oversteekplaatsen spelen een belangrijke rol in het rituele landschap van de mensen in de Prehistorie en de Romeinse tijd, mogelijk tot in de Vroege Middeleeuwen, zeker daar waar verschillende waterlopen samenvloeien, zoals de plek waar de keutelbeek in de Geleenbeek stroomt. Het zijn favoriete locaties voor rituele deposities.

Deze kunnen bestaan uit stenen of metalen voorwerpen en waarschijnlijk ook giften van organisch materiaal, maar dit zal niet geconserveerd zijn. Het deponeren van rituele voorwerpen in natte context begint in het Neolithicum en loopt (minstens) door tot in de RoFiguur 14. De fiche met de IJzertijdvondstmelding (bron: Heemkundevereniging Geleen).. meinse tijd. 45 Verder kunnen in het beekdal, hetzij in de buurt van de huidige loop, hetzij in of langs de randen van fossiele of gedempte meanders, archeologische resten of sporen worden verwacht die in verband kunnen worden gebracht met voorden, (houten) bruggen, stuwen en visserij (visfuiken of visweren). Aanwijzingen voor het eten van vis door de mensen van de Lineaire Bandkeramiek zijn zeer zeldzaam, 46 maar in de buurt van hoeve Ten Eijsden kunnen op basis van een waarneming door H. Vromen resten van een neolithische visweer aanwezig zijn. 47

44

Renes 2004. Kolen e.a. 2004, Rensink 2008. 46 Bickle & Whittle 2013. 47 Mondelinge mededeling door de heer van Wijk (Archol), 17-05-2022. 45

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 31 van 58

Figuur 15. Onderzoeks- en plangebied met op Archis onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen (bron: RCE).

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 32 van 58

4.3

Bekende archeologische waarden

4.3.1 Eerder onderzoek De archeologische verwachting voor de verschillende delen van het plangebied zijn uiteengezet in §1.2. Deze is gebaseerd op de bekende archeologische vindplaatsen en vondstmeldingen in de omgeving. In Archis zijn twee onderzoeksmeldingen vermeld, die (al dan niet gedeeltelijk) binnen het huidige onderzoeksgebied liggen (Figuur 15). Een van deze meldingen betreft een bureauonderzoek uit 2007, uitgevoerd door Grontmij (nu SWECO), ten behoeve van plannen voor het herinrichten van het dal van de Geleenbeek tussen de Biesenhof en de Keldenaar (in het verlengde van de Beekstraat). 48 Hoewel de noordelijke en zuidelijke begrenzing exact overeenkomen met het onderhavige plangebied, is het in westelijke en oostelijke zin veel smaller, en beperkt het zich tot een strook aan weerszijden van de huidige ligging van de beek. Dit onderzoek resulteerde in een rapport, dat echter ten tijde van dit bureauonderzoek niet beschikbaar was. 49 Het selectieadvies als gevolg van het boekenonderzoek, zoals vermeld in Archis, is een archeologische begeleiding van de voorgenomen, maar nooit uitgevoerde werkzaamheden. De tweede onderzoekmelding 50 betreft een inventarisatie door RAAP uit 2021, van de archeologische vindplaatsen in de gemeente Sittard-Geleen.

Het gebied dat deze inventarisatie bestrijkt is uiteraard veel groter, zodat het resulterende rapport geen directe betrekking heeft op het onderhavige plangebied. Ten behoeve van de algemene archeologische en historische geschiedenis van dit deel van Geleen bevat het relevante informatie waaruit voor in deze paragraaf geput is, zeker gezien de recente verschijningsdatum. 51

4.3.2 Vindplaatsen en vondstmeldingen Binnen het onderzoeksgebied zijn meerdere meldingen van archeologische vindplaatsen en losse vondstmelddingen bekend in Archis (Figuur 15). Het is opvallend dat deze meldingen clusteren in de twee uiteinden van het gebied en in een klein groepje aan de rand van het plateau ten oosten van het beekdal. Het centrale deel is geheel leeg in termen van meldingen, hetgeen uiteraard niet hoeft te betekenen dat er geen vondsten of vindplaatsen kunnen liggen. Het betreft daarbij voornamelijk meldingen die betrekking hebben op vondsten en vindplaatsen uit het Vroeg-Neolithicum, meer specifiek de Cultuur van de Lineaire Bandkeramiek, en de Romeinse tijd. Ook vallen twee AMK-terreinen binnen de grenzen van het onderzoeksgebied, al zijn deze, waarschijnlijk opzettelijk, buiten de grenzen van het plangebied gehouden. De meldingen worden per cluster kort besproken, waarna zij in een groter verband worden geplaatst.

4.3.2.1

AMK-terreinen

− 16348: In het zuiden snijdt de grens van het onderzoeksgebied net door de westelijke helft van een terrein van hoge archeologische waarde. Het gaat om de historische kern van Sweikhuizen, die als volgt wordt omschreven: ‘Terrein met bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Het gaat om de oude dorpskern van Sweikhuizen. De naam Sweikhuizen is waarschijnlijk afkomstig van het woord Zweihuizen oftewel twee huizen. Het is de aanduiding van een bebouwing welke is gelegen tussen twee huizen. Algemeen wordt aangenomen dat de Stammenhof het boven- en de Biesenhof (gelegen op Geleens grondgebied) het benedenhuis was. deze beide hoeven en hun landerijen besloegen een gebied dat uitgestrekter was dan het huidige kerkdorp. Het was eigendom van de Heren van Schinnen. De eerste bewoners aan de verbindingsweg tussen de twee genoemde hoeven waren pachters, knechten en ander personeel. Later kwamen daar nog voornamelijk handwerkslieden bij. Naast de boerenwoningen zijn op en tegen het plateau nog enkele kleinere boerderijtjes van belang. Overgebleven zijn enkele vak-werkwoningen, deels versteend. De kerk van Sweikhuizen was oorspronkelijk een kapel.’ − 16614: In het centrale deel van het gebied snijdt de grens van het onderzoeksgebied door een terrein van hoge archeologische waarde.

Het betreft een terrein met bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd, de oude bebouwing van Daniken.

48

Archis zaakidentificatienummer 2151062100. Geraeds 2007. 50 Archis zaakidentificatienummer 4867715100. 51 Verhoeven & van Wijk 2021. 49

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 33 van 58

4.3.2.2

Het zuidwestelijke cluster

− 2847891100: Bij het uitvoeren van niet-archeologisch graafwerk is in 1974 aardewerk aangetroffen dat in het Vroeg-Neolithicum A wordt gedateerd, de periode van de Lineaire Bandkeramiek. − 2692516100: Bij het uitvoeren van niet-archeologisch graafwerk is in 1974 aardewerk aangetroffen dat in het Vroeg-Neolithicum A wordt gedateerd. − 3144990100: Bij het aanleggen van de sleuf voor een persriool is in 1985 een kuil aangesneden die op basis van het aangetroffen aardewerk en vuursteen gedateerd is in de periode van de Lineaire Bandkeramiek. Het spoor is afgedekt door een jonger kleidek met een dikte van ongeveer 50 centimeter (en een recente ophogingslaag van 130 centimeter), waarin Romeins aardewerk is aangetroffen. Bij deze vondstmelding wordt opgemerkt dat bij de aanleg van de visvijver ten oosten ook sporen en vondsten van de Lineaire bandkeramiek zijn gevonden. − 2884049100: Bij het graven van een rioolsleuf is in 1956 een kuil aangesneden die op basis van het aangetroffen aardewerk gedateerd is in de periode van de Lineaire Bandkeramiek. − 3259605100: De registratie van een vondsmelding van een ‘grondspoor’ uit het Vroeg-neolithicum A. De datum van de waarneming is onbekend. − 4706338100: Bij de aanleg van een waterbassin zijn in 2001 vondsten aangetroffen die dateren in de periode van de Lineaire Bandkeramiek.

Na overleg is door de Heemkundevereniging Geleen en de Werkgroep Archeologie Sittard een noodopgraving uitgevoerd. Het onderzoek is in het kader van het Odysseeonderzoek ‘Terug naar de Bandkeramiek’ uitgewerkt en beschreven. 52 De vindplaats behoort tot de bandkeramische nederzetting Geleen-de Kluis.

Het zuidwestelijke cluster van meldingen wordt gedomineerd door waarnemingen uit de periode van de Lineaire Bandkeramiek. De laatste melding spreekt van de bandkeramische nederzetting Geleen-de Kluis. Gezien de clustering van deze waarnemingen ligt het voor de hand dat alle meldingen geassocieerd zijn met deze nederzetting. Op de verwachtingskaart van de gemeente Sittard-Geleen is dit gebied dan ook als zodanig gemarkeerd (Figuur 2) De enkele vondst van Romeins aardewerk in een kleiafzetting dat de LBK-sporen afdekt ter plaatse van zaakidentificatienummer 3144990100 is niet direct aanleiding om een nederzetting uit de Romeinse tijd te vermoeden, maar toont wel aan dat het gebied in deze periode gebruikt en bewoond wordt. Deze locatie is de enige van het zuidwestelijke cluster die net binnen de grenzen van het plangebied valt. Gezien de ‘spreekwoordelijke’ relatie tussen de bandkeramische nederzettingen en de löss is het opmerkelijk dat bij deze vondstmelding verwezen wordt naar het aantreffen van nederzettingssporen uit deze periode tijdens de aanleg van d visvijver in het laaggelegen beekdal ten oosten van de nederzetting De Kluis, die zelf net buiten het plangebied op het plateau ligt.

Traditioneel werden de (spaarzame) waarnemingen van bandkeramische nederzettingssporen in natte gebieden verklaard als product van overbevolking in de latere fasen van het Vroeg-Neolithicum, maar Brounen en Hupperetz postuleren al in 2000 dat ook in de vroege fasen van de cultuur van de Lineaire Bandkeramiek gebruik zal zijn gemaakt van de lage gebieden, en dat die spreekwoordelijke correlatie misschien dient te worden herzien. 53 Onderzoek aan de Geleenbeek bij Sittard-Ligne heeft aangetoond dat het beekdal en de beek zelf in het Vroeg-Neolithicum intensief zijn gebruikt. 54

52

Van Wijk, Amkreutz & van de Velde 2014. Brounen & Hupperetz 2000. 54 Ruiters, Ellenkamp & Tichelman 2015. 53

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 34 van 58

Figuur 16. Het onderzoeks- en plangebied op de kadastrale minuutplannen (bron: beeldbank RCE).

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 35 van 58

4.3.2.3

Het oostelijke cluster

− 2781998100: De melding van een losse oppervlaktevondst uit 1983, in de vorm van een vuurstenen maretak spits uit het Mesolithicum. − 2853828100: De melding van een detectorvondst uit 1991 in de vorm van een lanspunt uit de Romeinse tijd. − 3045570100: De melding uit 1963 van een doorboorde en versierde stenen ‘hanger’ die uit het JongPaleolithicum zou dateren. Op de Loeb-fiche bij de vondstmelding staat dat aan de echtheid van dit sieraad moet worden getwijfeld.

In tegenstelling tot het zuidwestelijke cluster is er bij het oostelijke cluster geen sprake van interne correlatie. Het betreffen twee losse vondsten uit ver uiteen liggende perioden en het waarschijnlijke product van de verbeeldingskracht van een Sweikhuizenaar, die bij toeval in de buurt van elkaar zijn aangetroffen. De vondstlocatie van de vuurstenen spits is wel typisch voor vindplaatsen van mobiele jager-verzamelaars uit de vroege steentijd.

4.3.2.4

Het noordelijke cluster

− 3153016100: De melding uit 1969 van verschillende vondsten uit de Romeinse tijd. Het gaat om scherven van gebruiksaardewerk (gladwandig, geverfd en ruwwandig aardewerk) en fragmenten van Romeinse dakpannen. De verwervingswijze is onbekend. Op basis van deze vondsten wordt ter plaatse een villaterrein uit de Romeinse tijd vermoed, hetgeen op de gemeentelijke verwachtingskaart gereflecteerd wordt. − 2848936100: Tijdens een veldkartering door onbekende personen in 1970 zijn aardewerkscherven en fragmenten van bouwkeramiek gevonden die wijzen op de aanwezigheid van een nederzetting uit de Romeinse tijd, die doorloopt tot in de Vroege Middeleeuwen.1023821; Deze vindplaats staat geregistreerd als een melding op basis van ‘Oud Archief’. Het gaat om een opgraving uit 1933 door Frans Bursch van de ROB die naar zijn zeggen is uitgevoerd in een met fruitbomen beplante tuin die ‘diep omgewoeld’ was. Andere bronnen spreken van een weiland. Bursch omschrijft zijn opgraving als een ‘na-onderzoek’, waarbij hij ‘slechts de onderste gedeelten van twee hutkommen’ kan onderzoeken. Deze hutkommen dateren uit het Vroeg-Neolithicum A en bevatten bandkeramisch aardewerk en vuurstenen werktuigen.

Het is op basis van de opmerking over ‘na-onderzoek’ mogelijk dat het bij deze hutkommen om dezelfde sporen, of in ieder geval dezelfde nederzetting, gaat als ‘2 hutkommen […] ‘op het terrein van den heer Smeets-Janssen te Geleen’ van welke het vondstmateriaal in 1933 door het Bonnefantenmuseum in Maastricht zijn verworven. Tijdens het onderzoek van Bursch en dat op ‘het terrein van den heer Smeets-Janssen’ is eveneens aardewerk uit de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen (Karolingisch) gevonden.Een ‘Frankisch bronzen voorwerp’ dat in 1922 in de Maasgouw wordt gepubliceerd komt mogelijk ook van deze vindplaats. De vindplaats toont gebruiks- en bewoningssporen uit de periode van de Lineaire Bandkeramiek en uit de Romeinse tijd tot en met de Karolingische periode. Op de verwachtingskaart van de gemeente SittardGeleen ligt bij deze locatie de nadruk op het Neolithicum. − 4609892100: Net op de oostelijke grens van het onderzoeksgebied is door RAAP in 2019 een archeologische begeleiding uitgevoerd bij graafwerkzaamheden voor de aanleg van riolering en wegwerkzaamheden. In het hieruit resulterende rapport worden nederzettingssporen uit het Vroeg-Neolithicum, de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd vermeld. 55 Opgemerkt wordt dat het zeer waarschijnlijk is dat de bandkeramische sporen buiten het plangebied doorlopen in zuidelijke, oostelijke en westelijke richting.

In het noorden wordt de vindplaats begrensd door het (voormalige) beekdal van de Keutelbeek die ter plaatse van de Peschstraat stroomt (tegenwoordig overkluisd).

55

Vaessen 2021.

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 36 van 58 Het noordelijke cluster valt uiteen in twee delen. Ten westen van de Geleenbeek waarnemingen van nederzettingsterreinen van de Lineaire Bandkeramiek, en ten oosten een sterk signaal uit de Romeinse tijd in de vorm van een villaterrein en een nederzettingsterrein. Wat beide delen met elkaar gemeen hebben, is dat er sporen van bewoning uit de Vroege en (aan de westkant) Late Middeleeuwen worden aangetroffen. De locatie van deze Romeinse nederzettingssporen met doorloop naar de Vroege en Late Middeleeuwen suggereert continuïteit van bewoning in dit deel van Geleen vanaf de Romeinse tijd, waarbij het centrum van de bewoning geleidelijk in westelijke richting opschuift. De historische kern van Geleen, Oud Geleen, ligt onmiddellijk ten westen van het onderzoeksgebied, aan de andere kant van de spoorlijn. Opvallend is ook dat de Romeinse en middeleeuwse bewoningssporen ook worden aangetroffen in het beekdal zelf, terwijl de neolithische resten niet voorbij de rand van het beekdal worden aangetroffen.

Figuur 17. Het onderzoeks- en plangebied op verschillende historische kaarten (bron: Topotijdreis).

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 37 van 58

4.4

Historische ontwikkeling en bebouwing

4.4.1 Algemene geschiedenis van Geleen De huidige stad Geleen is een samensmelting van de kernen Oud-Geleen, Lutterade, Krawinkel, Spaans Neerbeek en Daniken. Voor het onderhavige plangebied zijn met name Oud-Geleen (westelijk van de beek) en Daniken (in het oosten) van belang. Geleen wordt in 1148 voor het eerst genoemd in schriftelijke bronnen als Glene, behorende tot het Land van Valkenburg. Hierbij wordt waarschijnlijk specifiek naar Oud-Geleen verwezen. 56 Voor die tijd is er, zoals in de vorige paragraaf aangestipt, bewoning bekend uit de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen. Schriftelijk vermeldingen uit deze periode zijn niet overgeleverd, maar het is opvallend dat de Romeinse en Middeleeuwse bewoning zich concentreert rondom de plek waar de huidige Beekstraat de Geleenbeek kruist, tussen OudGeleen en Daniken in. Oud-Geleen is in of voor de 12e eeuw ontstaan, en op basis van de sporen van Middeleeuwse bewoning in het terrein van hoge archeologische waarde ten oosten van het huidige plangebied dateert Daniken uit dezelfde periode. Het is goed voorstelbaar dat beide kernen zijn ontstaan vanuit een Romeinse en/of Vroegmiddeleeuwse voorganger die zich in en rond het noordelijke uiteinde van het onderhavige plangebied heeft bevonden.

Figuur 18. De Peschstraat, met links de Keutelbeek, op een foto uit 1923, genomen vanuit het westen, richting het huidige plangebied (bron: de heer Ad Hoogenboom, Heemkundige Vereniging Geleen).

Geleen blijft tot in de 20e eeuw een dorp, maar dit verandert in de loop van de 20e eeuw ingrijpend. In 1915 wordt bij Lutterade de Staatsmijn Maurits opgestart, waarna Geleen in enkele decennia van een slaperig dorp tot een industriestad met tienduizenden inwoners uitgroeit. 57 Uit de Late Middeleeuwen zijn in het plangebied nauwelijks aanwijzingen voor vindplaatsen, met uitzondering van de Biesenhof, Daniken en Oud-Geleen, allen net buiten het plangebied. Resten en sporen van secundaire structuren en land gebruik geassocieerd met deze locaties kunnen in de omgeving verwacht worden. Bij Daniken heeft een watermolen gelegen, de Danikermolen.

56 57

Schrijnemakers & Ramaekers 1998. Verhoeven & van Wijk 2021.

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 38 van 58

Figuur 19. Het plangebied geprojecteerd op de KLIC-melding; de blauwe en paarse lijnen zijn water- en rioolleidingen, de grens van het plangebied is aangegeven in rood (bron: KLIC).

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 39 van 58 Deze is voor het eerste genoemd in 1479, en bestaat uit zowel een graan- als een oliemolen, die tegenover elkaar aan de beek staan. 58 Ten behoeve van deze molen is een wateroverlaat gegraven aan westkant van de beek (Figuur 16). De gebouwen zijn is verdwenen, maar van de wateroverlaat zijn in het landschap nog restanten zichtbaar. 59 Rijksmonument de Biesenhof 60 is een gesloten carréboerderij die voor het eerst genoemd wordt in 1259. De huidige bebouwing dateert uit de 17e en 18e eeuw. 61

4.4.2 Beschrijving van het plangebied op basis van oude kaarten en andere bronnen De oudste kaart die gedetailleerde informatie oplevert over het plangebied is de kadastrale kaart uit 18111832. Door de grote mate van nauwkeurigheid is de kaart bovendien te georefereren 62, waardoor de locatie van de planontwikkeling op deze kaart is te projecteren. Op deze kaartprojectie is zichtbaar dat het plangebied grotendeels in gebruik is als gras- en akkergrond aan weerszijden van de dan nog meanderende Geleenbeek. Aan de zuidkant van de (huidige) Biesenweg ligt de Biesenhof en in het midden van het gebied ligt ten westen van de beek de boerderij Ten Eijsden, schuin tegenover de bebouwing van Daniken aan de overkant van de beek (Figuur 16). In het noorden liggen enkele boomgaarden. De loop van de Keutelbeek en de plek waar deze, vlak bij de huidige Beekstraat, samenvloeit met de Geleenbeek is afgebeeld als een open waterweg. De situatie in het gebied verandert vrijwel niet tot omstreeks 1910, wanneer de spoorlijn wordt aangelegd die nu de westelijke grens van het plangebied vormt (Figuur 17). De kwaliteit van de kaart uit 1910 is te laag om een uitspraak te kunnen doen over de staat van de Keutelbeek, maar in 1923 ligt zij nog open als een smalle goot aan de noordkant van de Peschstraat (Figuur 18). Op de kaart uit 1925 ziet het er naar uit dat zij al is overkluisd.

De eerste nieuwe bebouwing ten oosten van die spoorlijn verschijnt pas rond 1925, langs de Beekstraat in het noorden. Die bebouwing breidt zich in de loop van de 20e eeuw geleidelijk op bescheiden schaal uit, zowel langs de Beekstraat, alsook langs het spoor. Op een kaart uit 1962 is voor het eerst de nieuwe, gekanaliseerde loop van de beek afgebeeld, maar de visvijvers in het zuiden verschijnen pas rond 1970.

4.5

Mogelijke verstoringen

Het agrarische gebruik van het plangebied in de laatste eeuwen suggereert dat er weinig diepgravende verstoringen zullen zijn veroorzaakt, tot in de 20e eeuw. De aanleg van de spoorlijn zal voor een zekere mate van verstoring hebben geleid langs de westelijke rand van het plangebied en de visvijvers in het zuiden vertegenwoordigen overduidelijk een diepe verstoring die weinig archeologie heel zal hebben gelaten. In het plangebied liggen tevens riool- en waterleidingen en een pompstation (Figuur 19). De meeste schade in het plangebied is echter aangericht door het kanaliseren van de Geleenbeek zelf. Ter plaatse van de huidige beekloop waar deze niet overlapt met de oorspronkelijke ligging, zijn archeologische resten uit alle perioden vlakdekkend en tot grote diepte verstoord. De samenloop van de Geleenbeek en de Keutelbeek ter hoogte van de Beekstraat is in potentie waar een hoge kans op het aantreffen van rituele deposities geldt, maar de kanalisering van de Geleenbeek en de overkluizing van de Keutelbeek zijn dermate rigoureus uitgevoerd, dat de kans groot is dat deze locatie ingrijpend verstoord is (Figuur 7). Waar de oorspronkelijke beekloop gedempt is, hangt de mate van verstoring af van de wijze waarop, en het materiaal waarmee dit is gedaan.

Hoe dan ook kunnen eventueel aanwezige structuren in of aan de oevers van de oorspronkelijke beek nog al dan niet deels intact aanwezig zijn.

4.6

Synthese archeologisch en historisch kader

4.6.1 Algemeen Het plangebied bestaat grotendeels uit het beekdal van de Geleenbeek, met aan beide zijden de (voet van) de hellingen en plateau’s. aan de westzijde is dat de relatief vlakke hoogte van het Graetheide Plateau, ten oosten 58

https://www.molendatabase.org. Persoonlijke mededeling van de heer Ad Hoogenboom, Heemkundevereniging Geleen. 60 Rijksmonumentnummer 16047. 61 Uittreksel Monumentenregister. 62 Waarbij de huidige topografische situatie op de kaart van 1811-1832 wordt geprojecteerd, aan de hand van minimaal drie vaste punten die door de eeuwen heen hetzelfde zijn gebleven. 59

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 40 van 58 de steilere hellingen van het Plateau van Doenrade. Van de oostelijke hellingen van het plateau zijn geen vindplaatsen bekend, maar op de rand ervan liggen vindplaatsen uit het Jong-Paleolithicum en het Mesolithicum. De westelijke rand en het plateau worden gedomineerd voor vele waarnemingen van vondsten en nederzettingsterreinen van de Lineaire Bandkeramiek. Verschillende nederzettingen liggen naast elkaar op de rand van het beekdal en (in ieder geval bij de Kluis) deels op de helling. Uit de Barbarastraat ten westen van het plangebied stamt de enige waarneming uit de IJzertijd in de directe omgeving van plangebied. In het noorden van het plangebied zijn in het dal nederzettingsterreinen bekend uit de Romeinse tijd, met doorloop naar de Vroege Middeleeuwen. Uit de late Middeleeuwen zijn in dit deel van het plangebied geen meldingen bekend, maar het ligt precies tussen de kernen Daniken en Oud-Geleen, die beide uit de Late Middeleeuwen dateren. In het beekdal zelf liggen hoeve Ten Eijsden en de voormalige Danikermolen, beide uit de Late Middeleeuwen. Ten Eijsden en de net buiten het plangebied gelegen Biesenhof hebben mogelijk Romeinse voorlopers.

4.6.2 Landschappelijk beeld De boeren uit het Neolithicum en de Brons- en IJzertijd zijn vooral geïnteresseerd in de vlakke delen van het plateau aan de westzijde van de beek. Uit het beekdal zelf zijn geen resten uit deze periode bekend, maar het is duidelijk dat het beekdal intensief gebruikt zal zijn in deze periode. In de Romeinse tijd verschuift het zwaartepunt van de bewoning naar de lagere delen van het beekdal zelf, zoals aangegeven door de twee nederzettingsterreinen in het noorden en de waarnemingen van de Heemkundevereniging Geleen rondom ten Eijsden en de Biesenhof. Op een laag en relatief vlak deel van de oosthelling ligt in het noorden een villaterrein, iets verder van de beek af. Deze nederzettingsterreinen lopen door tot in de Karolingische periode, maar dan worden zij verlaten. Rond dezelfde tijd komen de kernen van Oud-Geleen en Daniken op. Het lijkt er op dat de bewoning zich in deze periode dus van de lagere delen naar wat hogere gebieden verplaatst. Uitzondering hierop zijn de boerderijen in het dal, die mogelijk voorlopers vanaf de Romeinse tijd kennen, maar daarvoor is geen direct bewijs. Bij Daniken wordt een molen gebouwd aan weerskanten van de beek, maar deze wordt in de 20e eeuw gesloopt. Een wateroverlaat die in dezelfde tijd gegraven wordt is in het landschap nog gedeeltelijk zichtbaar.

Met uitzondering van de boerderijen vindt er in het plangebied in historische tijd nauwelijks menselijke activiteit te zien met uitzondering van landbouw. Het ontbreken van Archis-waarnemingen in het centrale en zuidelijke deel van het plangebied kan mogelijk meer een reflectie zijn van dit gebrek aan bodemingrepen, dan van afwezigheid van archeologische resten.

4.6.3 De beek De beek zelf is vanaf het Paleolithicum een belangrijk element in het landschap en zal intensief bezocht zijn. Voor jager-verzamelaars uit het Paleolithicum en Mesolithicum zal de beek voornamelijk als waterbron en als locatie voor het verschalken van (drinkende) prooidieren hebben gediend. Water wordt sinds de vroegste perioden als ‘hinderlaag’ gebruikt om de mobiliteit van prooidieren te hinderen, zodat ze makkelijker te vangen zijn. 63 Vanaf het Neolithicum blijft de beek als bron van drinkwater van belang, maar mogelijk ook voor visvangst en andere activiteiten. De beek is te ondiep om te bevaren. In het plangebied kruisen verschillende wegen de beek. De Beekstraat in het noorden en de Biesenweg net buiten het plangebied zijn de meest duidelijke, maar ook tegenover Daniken en hoeve Ten Eijsden kruisen wegen of paden de beek op de kadastrale minuut uit de 19e eeuw. Bovendien valt de plek waar de Keutelbeek en de Geleenbeek samenstromen precies gelijk met de noordelijke grens van het plangebied. Deze plaatsen zijn, in ieder geval vanaf het Mesolithicum tot in de Romeinse tijd en misschien de Vroege Middeleeuwen, mogelijk locaties voor rituele deposities geweest.

4.6.4 Verstoringen. In de 20e eeuw wordt de spoorlijn aangelegd, de visvijver gegraven en in het noordwestelijke deel van het plangebied komt wat bebouwing op. Ten oosten van de beek ligt in de flank van de Danikerberg een voormalige groeve. Het kanaliseren van de beek en de aanwezigheid van riool- en waterleidingen en een pompstation zijn de meest recente aanwijzingen voor verstoringen in het plangebied. 63

Zie bijvoorbeeld Voormolen 2008.

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 41 van 58

5 Conclusies en aanbevelingen 5.1

Beantwoording van de onderzoeksvragen

Op basis van de resultaten is het nu mogelijk om een antwoord te formuleren op de voor het bureauonderzoek geformuleerde onderzoeksvragen. Daarbij wordt de nadruk voornamelijk, zij het niet uitsluitend, nadruk gelegd op het deel van het plangebied ten westen van de beek gelegd, aangezien de ingrepen vrijwel uitsluitend daar zullen plaatsvinden : − Zijn er uit het her in te richten beekdal (het plangebied) en de aangrenzende randzones van het beekdal archeologische vindplaatsen bekend? Zo ja, wat is de specifieke archeologische verwachting (locatie, aard, datering, conserveringstoestand, omvang, etc.) ervan? Op de rand van het Plateau van Doenrade, in het zuidoosten, net buiten het onderzoeksgebied, zijn drie Magdalénien vindplaatsen uit het Jong-Paleolithicum bekend, alsmede een vondstmelding van een mesolithische spits. Het gaat daarbij om tijdelijke kampementen met, in ieder geval bij één van de vindplaatsen, aanwijzingen voor een tent. Deze vindplaatsen liggen buiten het plangebied, maar de jager-verzamelaars hebben zeker gebruik gemaakt van de beek. Vindplaatsen zullen bestaan uit kleine clusters artefacten met een lage vondstdichtheid. De kans dat ze geconserveerd zijn in een dynamisch milieu als een beekdal is echter klein bij afwezigheid van (herkenbare) hogere locaties zoals kronkelwaarden of stroomruggen.

In het westen van het plangebied valt de rand van het Graetheide Plateau deels binnen de grens van het plangebied. Langs de gehele westrand van het gebied liggen nederzettingsterreinen uit het Vroeg-Neolithicum, behorende tot de cultuur van de Lineaire Bandkeramiek. Het is zeer aannemelijk dat deze hier ter plaatse ook binnen het plangebied voorkomen. Het gaat daarbij om nederzettingsterreinen met grondsporen en een vondstniveau, alsmede randstructuren van dergelijke terreinen. De conservering zal redelijk tot goed zijn, afhankelijk van de mate van erosie. Dit kan op basis van het bureauonderzoek niet worden ingeschat. In het noorden van het plangebied, waar het beekdal breder wordt door het terugwijken van de rand van het Plateau van Doenrade, zijn verschillende vindplaatsen bekend van nederzettingsterreinen en een villa uit de Romeinse tijd. Deze vindplaatsen hebben een doorlooptijd tot in de Vroege Middeleeuwen. Blijkbaar zijn juist de lagere delen van het gebied in deze periode aantrekkelijk voor bewoning. Vanaf de Late Middeleeuwen worden deze vindplaatsen verlaten voor wat hogere plekken op het terras aan weerszijden van de beek; Oud-Geleen en Daniken. Hetzelfde geldt (mogelijk) voor de locaties van de laatmiddeleeuwse boerderijen Biesenhof en Ten Eijsden.

Rondom deze nederzettingen is Romeins vondstmateriaal gevonden, hetgeen zou passen in het gebruik van het lage beekdal in deze periode. Behalve deze vondsten is er echter geen bewijs voor continuïteit van bewoning. Het gaat daarbij om nederzettingsterreinen met grondsporen en een vondstniveau, alsmede randstructuren van dergelijke terreinen. De conservering zal redelijk tot goed zijn, afhankelijk van de mate van erosie. Dit kan op basis van het bureauonderzoek niet worden ingeschat. Ten westen van Daniken heeft vanaf de 15e eeuw de Danikermolen aan weerszijden van de Geleenbeek gestaan. Funderingen van deze gebouwen zullen in de bodem bewaard zijn gebleven. Uit de Nieuwe tijd is enkel de uitbreiding van bewoning in de noordwestelijke hoek van het plangebied bekend, op de westelijke flank van het beekdal, alsmede de aanleg van de spoorlijn, de visvijvers, een pompstation en riool- en waterleidingen. Deze leidingen liggen voornamelijk langs de spoorlijn. − Worden deze archeologische resten bedreigd door de voorgenomen ingrepen? De exacte aard en ligging van de ingrepen zijn ten tijde van het opstellen van dit bureauonderzoek niet bekend, maar gezien de verwachte geringe diepteligging, vanaf het maaiveld, zullen vrijwel alle ingrepen tot schade aan de archeologische resten leiden.

− Zijn er binnen het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig? Zo ja, worden deze waarden door de voorgenomen ingrepen bedreigd? www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 42 van 58 De voormalige wateroverlaat van de Danikermolen is een element van cultuurhistorische waarde. Delen hiervan hebben de kanalisering van de beek overleefd, en dienen bij het herinrichten van het plangebied te worden ontzien. Gezien de relatie met de Geleenbeek, verdient het aanbeveling om de wateroverlaat te integreren in de ingrepen. − Wat is er bekend over de ontginning, de indeling, de inrichting en het gebruik van het beekdal door de tijd heen? Op basis van kaartmateriaal kan worden gesteld dat het plangebied in historische tijden min of meer uitsluitend als landbouwgrond in gebruik geweest. In de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen zal het gebied als landbouwgrond in gebruik zijn geweest, maar aanwijzingen over verkavelingen uit deze periode ontbreken. De huidige verkaveling zal in aanleg uit de Late Middeleeuwen dateren. Aanwijzingen voor grootschalige verkavelingen zoals deze in de 20e eeuw veel zijn uitgevoerd ontbreken, waarschijnlijk mede door de ligging en vorm van het plangebied. De beek is te ondiep om te bevaren, maar zal vanaf het Neolithicum zijn geëxploiteerd voor drinkwater, visvangst en andere activiteiten. In de Late Middeleeuwen is een molen langs de beek gebouwd ter hoogte van Daniken. Na de kanalisering van de beek in de jaren 60 van de 20e eeuw zullen percelen al dan niet gedeeltelijk op kleinschalig niveau herkaveld zijn.

− Wat is de bodemopbouw van het beekdal en wat kan worden gezegd over de positie en ouderdom van beeklopen en -meanders in vroegere tijd? Waar is sprake van locaties of zones van (mogelijk) grote archeologische waarde, bijvoorbeeld zandkoppen of -ruggen in de beekdalbodem, historische bebouwing en infrastructuur en waar is sprake van een hoge trefkans op bijvoorbeeld een voorde, brug of watermolen? De kans op het aantreffen van archeologische resten of sporen op de hellingen van het Plateau van Doenrade in het zuidoosten van het plangebied is laag. De randen van dit plateau, waar een hoge kans op het aantreffen van paleolithische en mesolithische vindplaatsen geldt, vallen buiten het plangebied. De jager-verzamelaars uit deze perioden zullen echter intensief gebruik gemaakt hebben van de beek in het dal. De beekdalbodem bestaat uit zavelige polder- en ooivaaggronden. Deze afzettingen zullen deels fluviatiel, deels colluviaal zijn. Op grond van de beschikbare gegevens kan voor het plangebied een onderscheid daartussen niet worden gemaakt, maar het kan gaan om fluviatiele afzettingen, afgedekt door colluvium, of door een geschakelde opeenvolging van beide. In het zuidoosten van het plangebied loopt de grens van het plangebied langs de voet van het hellingen van het terras van Doenrade, waar de kans op colluvium het grootst is.

Vindplaatsen uit de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen concentreren zich juist in dit deel van het plangebied, in ieder geval in het noorden. Vindplaatsen uit deze perioden in andere delen van het beekdal kunnen op grond daarvan niet worden uitgesloten. De melding van vondsten uit de Romeinse tijd rondom Ten Eijsden en de Biesenhof kunnen hierop wijzen. Rondom deze boerderijen kunnen ook resten vanaf de Late Middeleeuwen worden verwacht. De laatste generatie meanders van de Geleenbeek is vastgelegd op de kadastrale minuutplannen en jongere kaarten. Op AHN-beelden zijn eventueel aanwezige oudere, afgesneden meanders niet waar te nemen en de resolutie van beschikbare aardkundige kaarten is niet van dien aard dat ze daarop zijn gekarteerd. Met de aanwezigheid ervan dient echter rekening te worden gehouden. In het noorden valt de samenloop van de Keutelbeek met de Geleenbeek net op de rand van het plangebied. De rand van het beekdal in het westen is uitermate geschikt voort bewoning in het Neolithicum, zoals aangetoond door de bandkeramische nederzettingen in en net buiten het plangebied. De rand van dit lössplateau valt deels binnen de grenzen van het plangebied.

Binnen het plangebied zijn geen vondsten uit deze perioden bekend, maar ten noorden en zuiden van het plangebied zijn vindplaatsen uit de Brons- en IJzertijd aangetroffen op de randen van het dal en de hogere delen van de hellingen naar de beek toe. Op de kaart voor natte landschappen van de Gemeente Sittard-Geleen hebben zij geen aparte status gekregen, maar binnen en net buiten het plangebied vallen verschillende oversteekplaatsen van de beek die tenminste teruggaan tot in het begin van de 19e eeuw. Op basis van de plaatsvastheid van dergelijke landschappelijke eenheden zijn dit locaties waar restanten van voorden en/of bruggen kunnen worden verwacht. Het gaat om de kruising van de beek met de Biesenweg, met het pad Ten Eijsden, met de weg www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 43 van 58 Daniken en met de Beekstraat in het noorden. Deze locaties hebben bovendien een verhoogde aantrekkelijkheid vanaf het Neolithicum tot in de Romeinse tijd voor rituele deposities. De kruising van de Beekstraat met de Geleenbeek valt samen met de samenloop met de Keutelbeek. Deze locatie is zeer aantrekkelijk voor deposities. − Welke informatie is er beschikbaar over verstoringen van de bodem als gevolg van ontgrondingen, bodemsaneringen, egalisaties, diepploegen en landinrichting? Op basis van beschikbare gegevens lijkt het er op dat er, met uitzondering van graafwerkzaamheden ten behoeve van de visvijvers en de leidingen, en van het kanaliseren van de beek, vrijwel geen verstorende activiteiten hebben plaatsgevonden. Het ontbreken van Archis-meldingen in een groot deel van het plangebied kan het resultaat zijn van gebrek aan waarnemingen door het ontbreken van graafwerkzaamheden. − Welke archeologische verwachting kan aan het her in te richten beekdal worden toegekend voor de bovenste 1 meter van de bodem? In hoeverre is het mogelijk om deze verwachting te specificeren naar aard (type), datering en omvang van de vindplaats(en)? Er is weinig informatie beschikbaar over de opbouw van het bodemprofiel op een detailniveau dat geschikt is om deze vraag exact te beantwoorden.

In de beekdalbodem is op basis van kaartmateriaal sprake van bodemtypen die worden geassocieerd met (vaak kleiachtige), fluviatiele sedimenten. De spaarzame, in het plangebied gezette boringen spreken eerder van leem. Aan de andere kant dient, mogelijk in het oosten meer dan in het westen vanwege de verschillen in hellingklassen, gerekend te worden met de aanwezigheid van leemachtig colluviaal materiaal op, of ingeschakeld in deze fluviatiele afzettingen. De ouderdom van deze colluviale pakketten kan variëren van vroeg-holoceen tot 20e-eeuws. In het plangebied zijn geen boor- of andere bodemroerende onderzoeken uitgevoerd. De enige stratigrafische informatie in archeologische zin komt uit Archis vondstmelding 3144990100, waarin gesproken wordt over bandkeramische sporen in leem, die is afgedekt door een fluviatiele kleilaag van 50 centimeter dik en een recente ophogingslaag van 130 centimeter. Deze melding komt van de westelijke rand van het plangebied, en de genoemde ophoging is waarschijnlijk gerelateerd aan de spoordijk zelf. Op basis daarvan ligt, in ieder geval op de westhelling, een potentieel neolithisch niveau op een diepte van circa 50 centimeter onder maaiveld.

Dit kan sterk variëren in verschillende delen van het plangebied, maar op basis daarvan wordt, ten behoeve van dit bureauonderzoek, als uitgangspunt genomen dat alle relevante archeologische niveaus zich binnen een meter onder maaiveld bevinden. Van boven naar beneden ziet dat er in algemene zin als volgt uit: 1. In en direct onder de bouwvoor kunnen archeologische resten en sporen worden verwacht vanaf de Romeins tijd tot aan de Late Middeleeuwen, ontstaan in een dek van fluviatiele en/of colluviale afzettingen; 2. Onder deze afzettingen bevindt zich een niveau waarin archeologische resten vanaf het Vroeg-Neolithicum tot in de IJzertijd kunnen worden verwacht; 3. Op diepere niveaus bestaat de kans dat archeologische resten en sporen uit het Mesolithicum en Neolithicum kunnen worden aangetroffen. Het is niet uitgesloten dat dit niveau (plaatselijk) direct onder de bouwvoor gelegen is; 4. Ter plaatse van de beekdalbodem zal de fluviatiele activiteit van de Geleenbeek doorheen het Holoceen veel, mogelijk aanwezige oudere resten, hebben opgeruimd als gevolg van het meanderende karakter van de beek. De vondst van neolithische sporen bij het aanleggen van de visvijvers toont echter aan dat oudere sporen niet kunnen worden uitgesloten; 5. De beekdalbodem is in algehele zin een zone waar een middelhoge kans bestaat op watergerelateerde resten vanaf het maaiveld.

Resten in oudere, fossiele meanders kunnen ook op grotere diepte worden aangetroffen. − Wat kan worden gezegd over de aanwezigheid van archeologische resten in dieper gelegen sedimenten, d.w.z. sedimenten die door veen of een laag van beeksedimenten worden afgedekt? www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 44 van 58 Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van veenafzettingen in de ondergrond van het beekdal. Gezien de pleistocene ouderdom van het beekdal en het feit dat het gebied van Zuid-Limburg zich, ver voor de terrassenkruising, in een tektonisch opheffingsgebied bevinden, zal de beek zich in de loop der tijd eerder hebben ingesneden dan dat er (in verticale zin) sedimentatie heeft plaatsgevonden. Oudere afzettingen zullen zich derhalve, indien aanwezig, in termen van hoogte ten opzicht van NAP, eerder boven de huidige beekdalbodem bevinden, waar in de hellingen mogelijk restanten van oudere meanders bewaard kunnen zijn gebleven. Het beekdal is juist ter hoogte van het plangebied echter zeer smal, omdat de beek zich een weg om de kaap in het oosten heen moet zoeken, waardoor de kans heel groot is dat eventuele oudere sedimenten hoe dan ook als gevolg van laterale migratie van het meanderende systeem van de beek grotendeels zijn opgeruimd. − Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke methoden en technieken van archeologisch vervolgonderzoek zijn er nodig om de gespecificeerde archeologische verwachting uit het bureauonderzoek te toetsen en aan te vullen? Het plangebied is niet voldoende onderzocht. Er bestaat een grote kans dan archeologische resten en sporen uit verschillende archeologische perioden in het plangebied bewaard zijn gebleven.

De voor het veiligstellen van deze mogelijke vindplaatsen geschikt geachte onderzoeksmethoden worden in §5.2 uiteengezet, ondersteund door kaartmateriaal.

5.2

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Het plangebied beslaat een aantal verschillende landschappelijke eenheden die elk een of meerder verschillende archeologische verwachtingspatronen kunnen hebben uit verschillende periodes. Om dit inzichtelijk te maken zijn twee verwachtingskaarten (met daarop de verschillende verwachtingszones, voorzien van nummers 1 t/m 16) en een advieskaart (waarop deze verwachtingszones zijn vertaald naar adviesgebieden, aangeduid met letters A t/m E) opgesteld op basis van de resultaten van het bureauonderzoek: Figuur 20. Gespecificeerde verwachtingskaart voor de prehistorie en natte contexten; Figuur 21. Gespecificeerde verwachtingskaart voor de Romeinse tijd tot en met de Middeleeuwen; Figuur 22. Advieskaart voor het plangebied. De verschillende, genummerde verwachtingszones waarnaar on de onderstaande tekst wordt verwezen, corresponderen met de cartografische eenheden in Figuur 20 en Figuur 21. De op Figuur 20 opgenomen kaarteenheid ‘natte context’ geldt voor alle perioden vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Uitzondering is de kans op het aantreffen van rituele deposities, aangezien dit gebruik zich grotendeels beperkt van het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd. Het is mogelijk dat verschillende eenheden in beide kaarten een afzonderlijk nummer hebben, indien zij een trefkans voor meerdere archeologische perioden en/of vindplaatstypen hebben.

Op de advieskaart wordt dit verwachtingsmodel vertaald in een (minder gecompliceerd) advies voor vervolgonderzoek. De verwachting wordt per periode besproken, zodat de nummering in de tekst niet in volgorde aan de orde komt. Een genummerd overzicht van het verwachtingsmodel is opgenomen in Tabel 2. De adviesgebieden staan weergegeven in Tabel 3. Op alle kaarten zijn de zones met bekende verstoringen aangegeven met een rode arcering. Voor deze gebieden geldt een lage archeologische verwachting voor alle perioden. Op de advieskaart is ook de zone met een lage archeologische verwachting voor de hellingen van het Plateau van Doenrade in deze kaarteenheid opgenomen. Vervolgonderzoek is voor deze zones niet voorzien. Kabels en leidingen hebben eveneens voor verstoringen gezorgd, maar aangezien hun mate van verstoring niet bekend is, zijn zij niet in deze eenheid opgenomen. Met name in horizontale zin dan de verstoring van de leidingsleuf mogelijk beperkt zijn. De exacte mate van verstoring van deze ingrepen dient op een later tijdstip, zodra deze bekend zijn, tegen de voorgenomen ingrepen te worden gehouden om hun invloed adequaat te kunnen inschatten. Hetzelfde geldt voor de exacte mate van verstoring van de samenloop van de Keutelbeek en de Geleenbeek. Verstoringen als gevolg van de overkluizing en andere ingrepen kunnen nu onvoldoende worden ingeschat.

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 45 van 58

Figuur 20. Gespecificeerde verwachtingskaart voor de prehistorie en natte contexten.

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 46 van 58

5.3

Verwachtingskaart voor de Prehistorie en natte context (Figuur 20)

Voor de Prehistorie wordt een verschil gemaakt tussen het Paleolithicum en het Mesolithicum (gekenmerkt door hoogmobiele jager- verzamelaars), tegenover het Neolithicum, meer specifiek de boeren van de Lineaire bandkeramiek, en de Metaaltijden, wanneer mensen het gebied als sedentaire landbouwers exploiteren.

5.3.1 Mobiele jager-verzamelaars De kans op het aantreffen van intacte archeologische resten uit deze periode in het beekdal zelf (verwachtingszone 7) is laag. Het beekdal en de beek zelf zullen in het Paleo- en Mesolithicum ongetwijfeld intensief zijn gebruikt, maar daaropvolgende activiteiten van de beek zelf zullen eventuele vindplaatsen uit deze periode hebben verstoord. Op de vlakkere delen van de terrasrand van het Plateau van Doenrade in het zuidoosten van het plangebied (verwachtingszone 4) geldt een middelhoge archeologische verwachting voor jager-verzamelaarsvindplaatsen, op de steilere delen geldt (verwachtingszone 5) geldt voor deze vindplaatscategorie een lage verwachting. Op de vlakkere delen van de oostelijke dalrand (verwachtingszone 2) en op de rand van het Plateau van Graetheide ten westen (verwachtingszone 1) geldt een middelhoge verwachting. Dergelijke randzones zijn voor jager-verzamelaars favoriete locaties, maar de kans op verstoring als gevolg van latere natuurlijke en antropogene activiteiten is wel groot.

verwachtingszone 1

periode

vindplaatstype

4

20 20 20 20 20 20 20

verwachting middelhoog hoog middelhoog hoog hoog hoog middelhoog

Paleolithicum t/m Mesolithicum Neolithicum t/m IJzertijd Paleolithicum t/m Mesolithicum Bronstijd t/m IJzertijd alle perioden Neolithicum t/m Romeinse tijd Paleolithicum t/m de IJzertijd

artefactvindplaatsen nederzettingsterreinen, landgebruik artefactvindplaatsen nederzettingsterreinen, landgebruik watergerelateerde resten rituele deposities artefactvindplaatsen, special activity sites

5

20

laag

Paleolithicum t/m de IJzertijd

artefactvindplaatsen, special activity sites

6

20

hoog

watergerelateerde resten

7

20

middelhoog

voornamelijk vanaf de Late Middeleeuwen alle perioden

8

21

hoog

nederzettingsterreinen, landgebruik

9

21

hoog

10

21

hoog

Romeinse tijd t/m Vroege Middeleeuwen Romeinse tijd t/m Late Middeleeuwen Romeinse tijd

11

21

hoog

Romeinse tijd

bekend villaterrein

12

21

hoog

2 3

figuur

Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd 13 21 middelhoog Romeinse tijd t/m Vroege Middeleeuwen 14 21 middelhoog Romeinse tijd t/m Late Middeleeuwen 15 21 laag Romeinse tijd t/m Late Middeleeuwen 16 21 hoog Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd Tabel 2. Overzicht van de verwachtingszones (zie Figuur 20 en Figuur 21).

watergerelateerde resten

bekende boerderij, mogelijke oudere voorgangers bekend nederzettingsterrein

resten van de Danikermolen huisplaatsen, nederzettingsterreinen, landgebruik nederzettingsterreinen, landgebruik special activity sites cultuurhistorisch element: overlaat Danikermolen

5.3.2 Neolithicum tot en met de IJzertijd De westelijke rand van het onderzoeksgebied wordt bijna volledig in beslag genomen door nederzettingsterreinen van de Lineaire Bandkeramiek. Met name de nederzetting De Kluis reikt hier echter ook tot binnen de grenzen van het plangebied. Bovendien zijn bij de aanleg van de visvijver ook sporen van de cultuur van de www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 47 van 58 Lineaire Bandkeramiek gevonden. Op basis daarvan geldt voor de gehele oostelijke rand van het plangebied, waar de overgang van het plateau naar de helling van het beekdal loopt (verwachtingszone 1), een hoge kans op het aantreffen van sporen van nederzettingsterreinen uit het Vroeg-Neolithicum. Op grond van bekende gegevens uit de omgeving lijkt het er op dat het landschapsgebruik en de bijbehorende nederzettingspatronen in de Bronstijd en de IJzertijd grotendeels overeenkomen met die uit het Neolithicum. Het probleem bij vindplaatsen uit deze perioden is dat ze moeilijker zichtbaar zijn. Mogelijk komt dit doordat paalkuilen en andere structuren minder diep werden ingegraven, zodat vindplaatsen eerder als gevolg van erosie verstoord raken en moeilijke waar te nemen zijn. Voor verwachtingszone 1 geldt daarom een hoge verwachting voor nederzettingsterreinen uit de metaaltijden. In het noordoosten van het plangebied, aan de oostkant van de beek geldt voor verwachtingszone 2 eveneens een hoge verwachting voor vindplaatsen uit deze perioden. De Bandkeramiek wordt hier niet genoemd, vanwege hun (schijnbare) voorkeur voor het gebied ten westen van de Geleenbeek. Op de hellingen van het Plateau van Doenrade geldt voor verwachtingszone 4 en 5 een middelhoge en een lage verwachting voor vindplaatsen uit de metaaltijden.

Wegens gebrek aan relevante gegevens zijn hier de richtlijnen van de gemeentelijke verwachtingskaart gevolgd.

5.3.3 Natte context De gehele beekdalbodem is gekarteerd als een zone met een middelhoge kans op het aantreffen van archeologische resten die zijn gerelateerd aan water (verwachtingszone 7). Daarbij zijn grotendeels de gemeentelijke kaarten gevolgd. Bij dergelijke resten dient te worden gedacht aan beschoeiingen, bruggen, voorden, visweren en andere structuren uit alle perioden. De kans dat de Geleenbeek in de loop van het Holoceen ooit bevaarbaar is geweest is vrijwel nihil. Op basis daarvan geldt er geen verwachting voor (boomstam)kano’s, boten of andere voertuigen. De verwachting voor deze zone is middelhoog, aangezien met name voor oudere resten geldt dat de activiteiten van de beek zelf voor veel verstoring zullen hebben gezorgd. Wel geldt voor verwachtingszone 7 het aanvullende advies om bij veldwerkzaamheden extra alert te zijn voor sporen en vondsten van de Lineaire Bandkeramiek, in het bijzonder in het zuidelijke deel van het plangebied. Voor de meanders en beekdelen die de kanalisering hebben overleefd (verwachtingszone 6) geldt een hoge kans op het aantreffen van watergerelateerde resten. De datering van deze resten zal naar verwachting niet ouder zijn dan de Late Middeleeuwen, maar oudere vondsten kunnen niet worden uitgesloten.

Verwachtingszone 3 is gekarteerd als een gebied met een hoge kans op het aantreffen van archeologische resten die gerelateerd zijn aan oversteekplaatsen en aan de samenvloeiing van de Geleenbeek en de keutelbeek. Niet alleen zijn op deze locaties resten van oversteekplaatsen te verwachten, de kans op het aantreffen van rituele deposities in deze gebieden is bovendien zeer hoog.

5.4

Verwachtingskaart voor de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd (Figuur 21)

Op basis van het bureauonderzoek lijkt er een breuk te bestaan tussen de locatiekeuze in de IJzertijd en in de Romeinse tijd, in ieder geval met betrekking tot nederzettingen. Nederzettingen liggen nu niet meer in de hogere delen van het gebied, maar juist in de beekdalbodem, vlak naast de oevers van de Geleenbeek. In de overgang naar de Vroege Middeleeuwen lijkt er wel een correlatie te bestaan met de locatiekeuze in de Romeinse tijd: bij de bekende Romeinse vindplaatsen in het noorden worden ook vroegmiddeleeuwse vondsten gedaan. In de Late Middeleeuwen verplaatst de bewoning zich weer terug naar de hogere gebieden, met uitzondering van enkele boerderijen en (begrijpelijkerwijs) de watermolen. Deze verplaatsingen worden gereflecteerd in de verwachtingskaart voor deze perioden.

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 48 van 58

Figuur 21. Gespecificeerde verwachtingskaart voor de Romeinse tijd tot en met de Middeleeuwen.

www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen

Pagina 49 van 58 5.4.1 De Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen Het gehele noordelijke deel van het plangebied is gekarteerd als verwachtingszone 8, een gebied met een hoge verwachting voor nederzettingsterreinen uit de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen. Deze verwachtingszone is gebaseerd op de aanwezigheid van enkele bekende nederzettingsterreinen in het beekdal en een villaterrein op het laagste deel van de helling van het Plateau van Doenrade. Deze twee vindplaatsen zijn als verwachtingszone 11 en 12 opgenomen in de kaart. Aangezien bij al deze locaties eveneens vondstmateriaal uit de Vroege Middeleeuwen is aangetroffen, is deze hoge verwachting doorgetrokken naar deze periode. Op basis van vondstmeldingen uit de Romeinse tijd van de Heemkundevereniging Geleen rondom hoeve Ten Eijsden en de Biesenhof, is het uitgangspunt voor verwachtingszone 9 dat deze Middeleeuwse boerderijen mogelijk op dezelfde locatie staan als oudere voorgangers. Het vlakke terrein ten zuiden van het buurtschap Daniken is bij deze verwachtingszone gevoegd. Hoewel hiervoor geen directe aanwijzingen bestaan is op basis van het Romeinse vondstmateriaal een buffer rondom deze locaties getrokken, waarvoor een hoge verwachting geldt voor vindplaatsen van een ruraal karakter uit de Romeinse tijd tot en met de Late Middeleeuwen.

De nederzettingsterreinen in het noorden van het plangebied tonen een voorkeur voor de beekdalbodem. Op basis daarvan heeft de gehele beekdalbodem (advieszone 13) een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen. Voor de hellingen van het Plateau van Doenrade geldt een middelhoge tot lage kans op het aantreffen van archeologische resten uit deze perioden, maar verwachtingszone 14 en 15 zullen vrijwel zeker buiten de voorgenomen herinrichtingsplannen vallen. De plateaurand in het westen van het plangebied is eveneens bij verwachtingszone 14 gevoegd, met een middelhoge kans op het aantreffen van resten uit de Romeinse tijd.

5.4.2 De Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd Verwachtingszone 9 is al genoemd, maar in deze kaarteenheid bestaat ook een hoge kans op het aantreffen van archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd, in de vorm van nederzettingssporen, voorgangers van de huidige boerderijen en sporen van landinrichting. Voor de plateaurand in het westen geldt een middelhoge kans op het aantreffen van vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. De locatie waar de Danikermolen en de geassocieerde waterlopen hebben gelegen zijn als een aparte verwachtingszone opgenomen, waarbij een hoge kans op het aantreffen van resten uit de Late Middeleeuwen tot de Nieuwe tijd geldt. Verwachtingszone 16 betreft de wateroverlaat van de Danikermolen, waarvan sporen nog in het landschap aanwezig zijn. Deze overlaat heeft, als laatste zichtbare overblijfsel van de molen niet zozeer een archeologische verwachting als wel een hoger cultuurhistorische waarde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=250020d4-c899-42c8-9d59-c1213dd77ad4