CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Bijlagen bij toelichting

Raad 19 september 2024, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Bestemmingsplan Bergbezinkbassins (Geilen) (86)32.667 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed wordt door de voorgenomen activiteit. Hieruit wordt duidelijk voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wnb aan de orde is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wnb beschermde planten- en diersoorten. Nietbeschermde Rode Lijst-soorten die in de plangebieden (kunnen) voorkomen, zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten, worden niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wnb. Zij kunnen echter wel worden benoemd ten behoeve van bovenwettelijke maatregelen.

3.3

Resultaten

3.3.1

Vogels

Actueel en potentieel voorkomende soorten Vogels met jaarrond beschermde nesten zijn in provincie Limburg ingedeeld in 4 categorieën, waarbij de nesten van soorten van categorie 1 tot en met 3 in principe altijd jaarrond beschermd zijn. Categorie 4-soorten hebben enkel een jaarrond beschermd nest wanneer er een zwaarwegend 2

www.verspreidingsatlas.nl

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 15/31

ecologisch belang is om het nest wel jaarrond te beschermen. Het zijn vogels die jaarlijks terugkeren naar een specifiek nest, maar voldoende flexibel zijn om elders een nieuw nest te bouwen. Echter, dusdanig kwetsbaar dat functionaliteit van leefgebied niet in het geding mag komen. Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 - 3) Uit bestaande gegevens (zoals NDFF) blijken diverse waarnemingen van vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 – 3) van boomvalk, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, raaf (1x overvliegend), ransuil, roek, slechtvalk, steenuil, wespendief, boerenzwaluw, bosuil, zwarte wouw (1x overvliegend), torenvalk en huiszwaluw en/of om het plangebied. Tijdens het oriënterend veldbezoek zijn er geen nesten aangetroffen in de deelgebieden. Er zijn wat uitzonderingen in de omgeving van de deelgebieden, namelijk een nest van zwarte kraai nabij het deelgebied in Holtum en enkele kleine nesten van merel en duif (deelgebied Munstergeleen). Vogelsoorten zoals de havik en wespendief broeden in naald- en/of gemengde bossen en foerageren in bossen en/of (half)open landschappen. Door de aanwezige gemengde bosjes in directe omgeving van de drie deelgebieden, kan het plangebied onderdeel zijn van het leefgebied van deze vogelsoorten.

Er zijn tijdens het veldbezoek echter geen nesten aangetroffen die wijzen op mogelijk broedende havik of wespendief. Ook zijn er geen braakballen of uitwerpselen aangetroffen. De wespendief wordt hier niet broedend verwacht, aangezien deze soort zeer schuw is en broedt in oudere grote bossen. Ook de zwarte wouw wordt niet broedend verwacht binnen en in de omgeving van het plangebied, aangezien deze soort nog maar zeer beperkt broedt in Nederland, en met name in de buurt van water. Soorten zoals de zwarte kraai, torenvalk, boomvalk en ransuil zouden gebruik kunnen maken van het aangetroffen kraaiennest in Holtum. Nesten van zwarte kraai zijn niet jaarrond beschermd, maar er zijn enkele soorten (torenvalk, boomvalk en ransuil) die van deze nesten gebruik maken en zelf geen nest bouwen. De torenvalk broedt in nestkasten, solitaire bomen en aan de rand bos en bosjes. Hij kan gebruik maken van oude zwarte kraai nesten. Ook de boomvalk maakt gebruik van oude nesten van zwarte kraai, en jaagt in open en halfopen land, zoals parklandschap en boerenland, dat aanwezig in het deelgebied Holtum. Ransuilen roesten vaak in sparren, die in niet in de deelgebieden aanwezig zijn. Er zijn geen sporen die wijzen op een roestplek, zoals braakballen en uitwerpselen. De ransuil bouwt geen eigen nest, maar gebruikt nesten van zwarte kraai.

Het nest aanwezig nabij deelgebied Holtum, kan daarmee wel in gebruik zijn door de ransuil. De aanwezigheid van een jaarrond beschermd nest van deze soort of torenvalk of boomvalk kan dus op voorhand niet worden uitgesloten.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 16/31

Figuur 3.1

Het zwarte kraaien nest in de buurt van deelgebied Holtum.

In het plangebied (de drie deelgebieden) is geen bebouwing aanwezig. Gierzwaluw en huismus maken uitsluitend gebruik van gebouwen als broedbiotoop. Ook de boeren- en huiszwaluw maken nesten in of aan gebouwen. Derhalve kan de aanwezigheid van deze jaarrond beschermde nesten uitgesloten worden. De gierzwaluw foerageert over grotere oppervlaktes en op grotere hoogte, waardoor het plangebied geen essentieel onderdeel van het foerageergebied zal betreffen. In de directe omgeving zijn voldoende vergelijkbare terreinen aanwezig. De grote gele kwikstaart leeft vaak in (natte) weilanden of langs stromend water. Een dergelijk biotoop is aanwezig in het deelgebied in Geleen, Daniken. Grenzend aan het deelgebied is een weiland aanwezig en de Geleenbeek stroomt ten oosten daarvan. In de andere twee deelgebieden is door afwezigheid van (natte) weilanden of de afwezigheid van stromend water het voorkomen van de grote gele kwikstaart op voorhand uitgesloten. De soort broedt graag vlak bij stromend water, in een nis in een muur, onder een brug of in een nestkast. Ook bij boomwortels in de oever kan een nest worden gebouwd. Nabij het deelgebied is de Geleenbeek aanwezig, waar de vogel kan nestelen onder een brug of onder boomwortels. De Geleenbeek zelf en de oevers daarvan zijn geen onderdeel van het deelgebied Geleen.

Ooievaars foerageren voornamelijk in natte weilanden en broeden op allerhande hoge nestgelegenheden (nestpalen, hoogspanningsmasten) of maken zelf een nest in de boom. In het plangebied is geen nestpaal of hoogspanningsmast aanwezig. Er zijn in de omgeving wel weilanden te vinden. Deze zijn echter in de omgeving in meerdere mate aanwezig. Steenuilen nestelen in holtes van (oude) bomen, vaak knotwilgen. Ze maken ook gebruik van rustige hoekjes in bebouwing, en tegenwoordig ook veel in nestkasten. De steenuil jaagt in open terreinen met lage vegetatie. Ook de kerkuil broedt veelal in nestkasten en leeft in halfopen tot open cultuurlandschappen. In het plangebied zijn geen oude bomen met holtes of (oude) bebouwing aanwezig. De aanwezigheid van nestgelegenheid van steenuil en kerkuil kan dus op voorhand worden uitgesloten. Wel zijn de deelgebieden gedeeltelijk geschikt als foerageergebied, in Holtum en Geleen door de aanwezigheid van weiland en bomenrijen en andere landschapselementen zoals het hekwerk en oppervlaktewater in Geleen. In de omgeving is echter voldoende vergelijkbaar landschap aanwezig, waardoor aanwezigheid van essentieel foerageergebied kan worden uitgesloten. Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 17/31

De bosuil nest in boomholtes, nestkasten of oude gebouwen. Hij leeft onder andere in gemengd bos en door flexibele prooikeuze kan de bosuil in relatief veel landschapstypen gedijen. In de deelgebieden zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig. Ook zijn er geen nestkasten of oude gebouwen aanwezig. Voor de bosuil is in de deelgebieden geen broedgelegenheid aanwezig. In de directe omgeving van deelgebied Holtum zijn wel enkele boomholten aangetroffen. Deze bomen staan in het bosje ten westen van het deelgebied. Daarmee vallen ze buiten de scope van de werkzaamheden en ze staan tevens ver genoeg van het deelgebied vandaan (circa 90 meter), waardoor verstoring van een mogelijk nest niet aan de orde is. De roek is volgens NDFF vaker bij het tankstation ten noorden van het deelgebied Holtum aangetroffen. Deze soort broedt in kolonies. Het is mogelijk dat een roekenkolonie aanwezig is bij dit tankstation. Op beelden via Street Smart zijn ook meerdere nesten aanwezig in de bomen ten westen van het tankstation. Het plangebied bevat geen geschikte nesten, maar kan wel onderdeel zijn van het foerageergebied. Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 4) In NDFF zijn waarnemingen geregistreerd van categorie 4 vogels zoals de buizerd, sperwer en draaihals. Er worden op basis van hun verspreiding en aanwezig biotoop geen andere soorten verwacht in het plangebied.

De sperwer broedt in bossen, soms tuinen en parken, meestal in een dicht, jong bos met naaldbomen (fijnspar, lariks), het liefst in halfopen landschappen. Het grotere nest dat is aangetroffen in een es, nabij het deelgebied in Holtum, is minder geschikt als sperwer nest. Ook een broedende draaihals en buizerd worden hier niet verwacht. Effectanalyse Er zijn geen (potentiële) jaarrond beschermde nesten aangetroffen binnen de drie deelgebieden. Fysieke aantasting van een jaarrond beschermd nest (cat. 1-4) is derhalve uitgesloten. Wel is een groter nest aanwezig in een boom in de directe omgeving van deelgebied in Holtum. Deze kan in gebruik zijn door een torenvalk, boomvalk of ransuil. Het nest zal niet direct worden aangetast door de voorgenomen plannen. De kans dat verstoring optreedt door de werkzaamheden is wel aanwezig. Aanvullend onderzoek naar het gebruik van het aanwezige nest is noodzakelijk, indien niet kan worden voorkomen dat de werkzaamheden voor de aanleg van de waterbuffer in deelgebied Holtum, buiten het broedseizoen zullen plaatsvinden. Er dient dan onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van torenvalk, boomvalk en ransuil in deelgebied Holtum. Het broedseizoen van deze vogels valt binnen de periode half maart tot en met juli.

In de omgeving van de Geleenbeek, waar het deelgebied Geleen nabij is gelegen, is geschikt leefgebied voor de grote gele kwikstaart aanwezig, waar deze vogel kan nestelen in de oever van de beek. Binnen het deelgebied zal de grote gele kwikstaart niet broeden, dit betreft akkerland. Aanvullend onderzoek naar het gebruik van een nest van de grote gele kwikstaart is niet noodzakelijk, aangezien de werkzaamheden niet gaan plaatsvinden in de buurt van de oever. Er is tevens nog een bosje tussen het deelgebied en de Geleenbeek aanwezig die het zicht onttrekt. Verstoring van een mogelijk nest is niet aan de orde. Voor categorie 4 vogels geldt dat er in de omgeving van het plangebied voldoende geschikt leefgebied is en er dus geen zwaarwegende feiten zijn of ecologische urgentie is. Een aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Overige broedvogels Men dient tijdens het broedseizoen wel rekening te houden met de aanwezigheid van algemeen voorkomende broedvogels, denk aan merels, duiven, roodborstjes en vinken. Alle in Nederland broedende vogels zijn tijdens het broeden beschermd. Voorafgaand aan de verstorende Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 18/31

werkzaamheden binnen het broedseizoen (circa half maart tot half juli), is het uitvoeren van een broedvogelcontrole noodzakelijk. De Wnb erkent officieel geen broedseizoen. Er zijn soorten die al (ver) voor half maart kunnen en/of beginnen met broeden, zoals houtduif (december/januari) en blauwe reiger (februari/maart). In de Wnb is aangegeven dat van belang is of een broedende vogel aanwezig is. Werkzaamheden buiten de broedperiode kunnen zonder aanvullende broedvogelcontroles plaatsvinden. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol.

3.3.2

Planten

Actueel en potentieel voorkomende soorten De NDFF toont waarnemingen van wilde ridderspoor (nabij Holtum) en grote leeuwenklauw (ten zuiden van deelgebied Geleen), in de omgeving van het plangebied. Beschermde soorten komen voornamelijk voor in stabiele (voedselarme) habitattypen, zoals duinen, heiden en venen. Er worden op basis van hun verspreiding en het aangetroffen biotoop geen andere beschermde soorten verwacht. Wilde ridderspoor is zeer zeldzaam in Limburg en te vinden op matig voedselrijke kalkhoudende zandige klei in wintergraanakkers en op ruderale omgewerkte terreinen op kalkgrond (zavel en lichte klei). Het deelgebied in Holtum, dat dicht bij de waarneming van NDFF is gelegen, bestaat uit grasland en bevat geen ruderaal akkerland of omgewerkte zanderige klei. Het gebied is te dicht begroeid om te kunnen dienen als geschikte standplaats. De andere twee deelgebieden betreffen akkerlanden en omgewerkte gronden, maar bevatten geen zeer kalkhoudende bodem (kalkloze poldervaaggronden met lichte zavel, en rivierklei met siltige leem), waardoor deze gebieden niet geschikt zijn als standplaats voor deze soort. De grote leeuwenklauw komt voor op zonnige, open vochtige tot vrij droge voedselrijke plaatsen met kalkhoudende grond (lemig zand, löss, leem, zavel en klei).

Standplaatsen zijn bermen langs onverharde wegen (in de strook vlak langs de rijweg), akkers (graanakkers), waterkanten (rivieroeverwallen en sloothellingen), braakliggende grond, bij veevoerkuilen, dijken, tuinen en langs spoorwegen. De deelgebieden in Geleen en Munstergeleen betreffen akkers, waar geen graan op wordt verbouwd en zijn omgeploegd. Ze zijn geheel omgewerkt, en zijn daardoor minder geschikt als standplaats voor de grote leeuwenklauw. Ook het weiland in deelgebied Geleen is de dichtbegroeid om te dienen als geschikte standplaats. Grenzend aan deelgebied Geleen is wel een onverhard pad aanwezig. Ook ligt dit pad aan het spoor. Dit kan een geschikte standplaats zijn voor de grote leeuwenklauw. Effectanalyse De voorgenomen werkzaamheden kunnen mogelijk het groeigebied van een beschermde plant, te weten de grote leeuwenklauw, aantasten. Afhankelijk van de precieze locatie van de werkzaamheden is aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van deze beschermde plant nodig in deelgebied Geleen, Daniken. Indien het onverharde pad en berm naast het deelgebied niet worden aangetast, zal geen aanvullend onderzoek nodig zijn. Aanvullend onderzoek zal dan plaatsvinden in de bloeitijd van deze plant om de aan- of afwezigheid met zekerheid vast te stellen. De bloeitijd van grote leeuwenklauw loopt van mei t/m augustus.

Mocht uit het aanvullend onderzoek komen dat de soort aanwezig is in het werkgebied en de groeiplaats wordt aangetast, is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot beschermde planten nodig.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 19/31

3.3.3

Vleermuizen

Actueel en potentieel voorkomende soorten De NDFF toont waarnemingen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, franjestaart, de gewone en grijze grootoorvleermuis en de laatvlieger in de omgeving van het plangebied. Er wordt op basis van het aanwezige biotoop ook de rosse vleermuis verwacht. Vaste rust- en voorplantingsplaatsen Vaste rust- en voorplantingsplaatsen van vleermuizen zijn op basis van de keuze in verblijfplaatsen globaal in twee soorten te verdelen: (typisch) gebouwbewonende soorten en (typisch) boombewonende vleermuizen. Gebouwbewonende vleermuizen Gebouwbewonende soorten, zoals de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, grijze grootoorvleermuis, baardvleermuis, franjestaart (zeldzaam) en gewone grootoorvleermuis, hebben verblijfplaatsen in allerlei kleine holtes in gebouwen, zoals in een spouwmuur onder dakpannen en/of achter gevelbetimmering, mits deze over geschikt microklimaat beschikken. De volgens NDFF waargenomen gewone dwergvleermuis in de buurt van het plangebied (de drie deelgebieden). In het plangebied (de drie deelgebieden) zijn echter geen gebouwen aanwezig, waardoor in het onderzoeksgebied vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zijn uitgesloten.

In de directe omgeving van de deelgebieden is wel bebouwing aanwezig, in de vorm van een stalletje en gebouw van de schuttersweide in Geleen, het Royal Dog Resort in Munstergeleen en industriepanden in Holtum. Deze staan allen buiten de scope van de voorgenomen werkzaamheden in de deelgebieden. Boombewonende vleermuizen Boombewonende vleermuizen, zoals de rosse vleermuis, hebben verblijfplaatsen doorgaans in holtes, zoals oude spechtengaten en achter loszittende bast in bomen. De gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis verblijven in zowel gebouwen als boomholtes. In het plangebied (de drie deelgebieden) zijn geen holtes of scheuren in bomen aangetroffen die geschikt zouden zijn als rust- en voortplantingsplaats voor vleermuizen. Wel zijn er enkele bomen met holtes aanwezig in de omgeving van deelgebied Holtum. Mogelijk zijn de holtes geschikt als vaste voortplantings- en of rustplaats. De bomen met holtes staan verder in het bosje ten westen van het deelgebied. Deze bomen staan buiten de scope van de voorgenomen werkzaamheden, waardoor aantasting van deze mogelijke verblijfplaatsen niet aan de orde is. Foerageergebied en vliegroutes Vliegroutes zijn nodig voor vleermuizen om zich te kunnen verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebied en andersom.

Verschillende soorten vleermuizen (zoals de ruige en gewone dwergvleermuis, watervleermuis en meervleermuis) maken gebruik van lijnvormige elementen, zoals bomenrijen, watergangen en houtwallen, om te navigeren en ter beschutting tegen wind. Omdat deze deel uit maken van het essentiële functionele leefgebied en essentieel kunnen zijn voor het functioneren van een lokale populatie, zijn deze vliegroutes, maar ook foerageergebieden, beschermd. In alle deelgebieden zijn er bosjes of bomenrijen aanwezig in de directe omgeving, maar niet binnen de deelgebieden zelf. Deze bomen kunnen een vliegroute vormen. De bomen in de directe omgeving van de deelgebieden zijn echter niet de enige vliegroute mogelijkheden in de directe omgeving. Ook de Geleenbeek en de bomen aan de andere zijde van de Geleenbeek zijn geschikt als vliegroute. In Munstergeleen zijn met name de aangrenzende terreinen, ten noorden en oosten (langs de Duuster Steegsken) van het deelgebied geschikt als vliegroute, door aanwezige hogere begroeiing. Het deelgebied zelf bevat geen lijnvormige structuren, maar de bomen en struweel vormen wel een lijn op de grens met de akker. Binnen het deelgebied Geleen zijn maar enkele Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 20/31

solitaire bomen of struweel aanwezig die geen lijnvormige structuur vormt. Met name de Geleenbeek en de bomen die daarlangs staan zijn geschikt als vliegroute (buiten de scope van de werkzaamheden). De bomen nabij deelgebied Holtum, aan de Nieuwe Weideweg en Grote Dries, kunnen een vliegroute vormen. Deze bomen staan ook buiten de scope van de werkzaamheden in het deelgebied. Er zijn door alle aanwezige bomen(rijen), struwelen en bosjes in de directe omgeving van de drie deelgebieden dus voldoende alternatieve vliegroutes aanwezig die mogelijke verblijfplaatsen in bebouwing in omliggende gebieden met foerageergebieden verbindt. Deze lopen door het landschap van noord naar zuid en van oost naar west en sluiten aan op bomenrijen, bossen en de beek in de omgeving. Mochten de bosranden en struwelen grenzend aan de deelgebieden een functie hebben als vliegroute, is deze niet essentieel voor het behoud van functionaliteit van verblijfplaatsen buiten het plangebied. Er zijn immers voldoende gelijkwaardige alternatieve routes. Het is aannemelijk dat vleermuizen foerageren in en rondom de groenstructuren in (de omgeving van) het plangebied. In de deelgebieden is geen sprake van bos, het zijn met name akkerlanden en graslanden. De omgeving is wel deels bosrijk en ruiger.

Deze open plekken, met soms grazige vegetatie (Holtum en Geleen) zijn geschikt als foerageergebied voor de in de omgeving voorkomende soorten, zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, en ruige dwergvleermuis. Dergelijke open plekken met vergelijkbare structuur en vegetatie zijn in de directe omgeving meer aanwezig, zoals de tuinen en weilanden en akkerlanden in de omgeving. Het plangebied (de drie deelgebieden) wordt als niet essentieel foerageergebied beoordeeld. Effectanalyse Door de afwezigheid van geschikte bebouwing en bomen met geschikte holtes binnen het plangebied, kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen op voorhand worden uitgesloten. De bomen met holtes staan buiten de scope van de geplande werkzaamheden waardoor aantasting van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van vleermuizen is uitgesloten. Ook worden eventueel aanwezig verblijfplaatsen in gebouwen niet negatief beïnvloed door de ingreep omdat deze buiten de deelgebieden zijn gelegen. Het is aannemelijk dat vleermuizen foerageren in (de omgeving van) het plangebied. De open plekken tussen de bomen, zoals in deelgebied Holtum geschikt foerageergebied. Ook de weide in Geleen is geschikt als foerageergebied, en in beperkte mate het omgeroerde deelgebied in Munstergeleen.

Voor vliegroutes zijn vooral bomen en struweel in de directe omgeving geschikt als vliegroute. Er zijn tevens dermate veel geschikte alternatieven aanwezig waardoor de drie deelgebieden niet worden aangewezen als essentieel foerageergebied en essentiële vliegroute. Op de te behouden bomenrijen (buiten de deelgebieden) kan mogelijk verstoring optreden tijdens de geplande werkzaamheden in de vorm van lichtverstoring (door de inzet van lampen) of geluidsverstoring (door de inzet van zwaar materieel). Door de werkzaamheden overdag uit te voeren (tussen zonsopkomst en zonsondergang), in de periode maart tot en met oktober, worden negatieve effecten op migrerende en foeragerende vleermuizen voorkomen. Ook dient er rekening gehouden te worden met eventueel gebruik van lichtbronnen. Maatregelen die dan getroffen kunnen worden is het uitzetten van het licht voor zonsondergang, het gebruik van een batlamp of het licht van de belangrijke landschapselementen (bomenrij en waterlichaam), af te richten. Indien de bovenstaande voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen, is aanvullend onderzoek naar de functie van het plangebied als leefgebied voor vleermuizen niet nodig.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 21/31

3.3.4

Overige zoogdieren

Actueel en potentieel voorkomende soorten De NDFF toont waarnemingen van onder andere marterachtingen (steenmarter, hermelijn en das), eekhoorn, bever, egel, haas, konijn, ree en vos. Ook algemenere soorten zoals enkele muizensoorten, zoals bosmuis, veldmuis, rosse woelmuis en huisspitsmuis zijn hier waargenomen volgens de bestaande gegevens. Op basis van hun verspreiding en het aanwezige habitat kunnen ook andere kleine marterachtigen, zoals de wezel en bunzing en de algemenere soorten bruine rat en mol gebruik maken van het plangebied. Marterachtigen Steenmarters gebruiken ruigtes en struwelen als schuilplaatsen en foerageerplek. De steenmarter heeft ook een veelzijdig menu, waardoor hij zich ook goed aan kan passen aan de omgeving. Wezels leven in bossen en maken veel gebruik van houtstapels en ruigtes. Ze eten voornamelijk woelmuizen. De bunzing leeft in gebied met voldoende schuilmogelijkheden, zoals de meeste marters, en in de buurt van water. De hermelijn heeft ook een voorkeur voor een waterrijke omgeving, bossen worden gemeden door deze soort. De das leeft in kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Er moet voldoende dekking en rust zijn, en een bodem die geschikt is om een burcht in te graven. Tijdens het veldbezoek is in het noordelijke deel van deelgebied Holtum, een woelmuis spec. aangetroffen.

Ook is hier een mogelijke wissel aanwezig van ree. Verder zijn er op de grens met dit deelgebied, in de bosrand, meerdere takkenhopen aanwezig. Er staat een afdakje in de rand van het bos en er liggen enkele losse dakplaten op de grond waaronder marters, zoals de steenmarter en hermelijn, maar ook wezel en bunzing een verblijfplaats kunnen hebben. Van de das zijn geen sporen aangetroffen. In het grasland binnen het deelgebied Holtum is het te open om als geschikte verblijfplaats te dienen voor marterachtigen. Het kan wel onderdeel zijn van het foerageergebied. In deelgebied Munstergeleen is het te open en is de grond te veel bewerkt om als geschikte verblijfplaats te kunnen dienen voor beschermde zoogdieren. Wel kunnen er marters, zoals de das, wezel, hermelijn en bunzing gebruik maken van de struwelen en bosjes en de omgeving van de Geleenbeek. In de direct aangrenzende percelen van het deelgebied zijn geen sporen van das aangetroffen. Wel zijn enkele kleine holen aangetroffen, mogelijk van muizen. Ook in deelgebied Geleen is het deelgebied zelf te open om te kunnen dienen als verblijfplaats. Wel is het mogelijk geschikt als tijdelijk foerageergebied net als de weide ten oosten van het deelgebied en de omgeving rondom de Geleenbeek.

De omgeving is geschikt leefgebied voor marterachtigen, door het aanwezige kleinschalige landschap met dekking, de Geleenbeek en afwisselende landschapsstructuren (bosjes, ruigte, weilanden). Er zijn ook hier echter geen sporen van das aangetroffen in de directe omgeving van het deelgebied. Eekhoorn De omgeving van het deelgebied Holtum bevat geschikt biotoop dat als (onderdeel van) het leefgebied van de eekhoorn kan dienen. De eekhoorn komt voor in bossen, parken en tuinen in de buurt van bos. De bomen in de omgeving van het deelgebied zijn geschikt voor de eekhoorn om een nest in te bouwen. Er zijn tijdens het veldbezoek echter geen eekhoornnesten aangetroffen. In het bosje nabij deelgebied Holtum zijn wel enkele bomen met holtes aanwezig waar de eekhoorn een nest in kan maken. Mogelijk zijn deze holtes geschikt als verblijfplaats. Deze bomen zijn echter buiten de scope van de werkzaamheden gelegen. De deelgebieden in Geleen en Munstergeleen hebben een vergelijkbaar resultaat. Ook zijn deze gebieden zelf ongeschikt als verblijfplaats en essentieel leefgebied voor de eekhoorn. De omgeving van deze deelgebieden is ruiger en er staan bomen waar de eekhoorn gebruik van kan maken voor de bouw van een nest en kunnen dienen als foerageergebied. In Munstergeleen is in de directe Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 22/31

omgeving meer struweel aanwezig, met hazelaar, meidoorn, rode kornoelje (ten noorden) en hazelaar, beuk en gewone esdoorn (ten oosten). Nabij deelgebied Geleen staan de bomen wat verder van het deelgebied, en het is bosrijker aan de oostkant van de Geleenbeek. Bever De bever kan voorkomen in de Geleenbeek, nabij deelgebied in Geleen en Munstergeleen. Hier is stromend water aanwezig, met oeverbossen waar de bever gebruik van kan maken om een burcht of dam te bouwen. De deelgebieden zelf zullen geen essentieel onderdeel zijn van het leefgebied van de bever. Er zijn nabij de deelgebieden ook geen sporen van de bever aangetroffen. Mogelijk kan het deelgebied dienen als tijdelijk foerageergebied, maar zal niet essentieel zijn aangezien er meer akkers en weilanden in de omgeving aanwezig zijn. In deelgebied Holtum is een sloot aanwezig op de grens van het gebied ten oosten en noorden ervan. Deze is ongeschikt als leefgebied van de bever. De sloot is zeer ondiep en heeft geen steile oever om oeverholen in te graven. Er zijn ook geen sporen van de bever aangetroffen, zoals knaagsporen en graafsporen. Van ree en algemenere muizensoorten zijn sporen aangetroffen of zijn gezien in het plangebied. Echter geldt in Limburg bij ruimtelijke projecten voor deze soorten een vrijstelling voor het overtreden van Artikel 3.10, eerste lid, a en b, het aantasten van voortplantings- en rustplaatsen.

Dit geldt ook voor haas, konijn, egel en vos. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Effectanalyse Uit de habitatsgeschiktheidsbeoordeling blijkt dat de deelgebieden ongeschikt zijn als verblijfplaats voor marterachtigen (das, steenmarter, wezel, hermelijn en bunzing), eekhoorn en bever. De directe omgeving is geschikter voor deze soorten, maar zal niet worden aangetast door de voorgenomen plannen. Aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van deze beschermde zoogdieren is niet nodig. Mogelijk maken marterachtigen, eekhoorn en bever wel gebruik van de omgeving als leefgebied, omdat de deelgebieden mogelijk onderdeel zijn van het foerageergebied. Er blijft in de directe omgeving echter voldoende foerageergebied beschikbaar in de vorm van bos, akkerland, weiland en tuinen van omliggende woningen. Aangezien er voldoende vergelijkbare terreinen aanwezig zijn in de directe omgeving, zal er geen essentieel foerageergebied verloren gaan. Mogelijke effecten op (het leefgebied van) egels, reeën, konijnen, hazen, mollen, muizen, spitsmuizen of vossen kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Deze soorten zijn in Limburg echter vrijgesteld van ontheffingsplicht bij ruimtelijke ingrepen. Hiervoor hoeft dus geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel moeten er mitigerende maatregelen genomen worden.

Er kan invulling gegeven worden aan de zorgplicht door rekening te houden met de kwetsbare perioden van deze soorten en eventuele verblijfplaatsen zorgvuldig te verwijderen, zodat de dieren de kans hebben om te vluchten. Geadviseerd wordt dit uit te werken in een ecologisch werkprotocol.

3.3.5

Amfibieën en reptielen

Actueel en potentieel voorkomende soorten De NDFF toont waarnemingen van levendbarende hagedis, Alpenwatersalamander, rugstreeppad, en groene kikker (onbekend) in de omgeving van het plangebied (de drie deelgebieden). Ook de algemene soorten zoals de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander zijn waargenomen in de omgeving volgens NDFF. Er worden op basis van hun verspreiding en aanwezig biotoop geen andere soorten verwacht in het plangebied. De Alpenwatersalamander leeft in bosgebieden en keert in het voorjaar naar geschikt oppervlaktewater om zich voort te planten. De deelgebieden zijn ongeschikt als leefgebied van deze soort. De gebieden bestaan uit open grasland of akkerland. De omgeving van deze deelgebieden is Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 23/31

wel geschikt voor de Alpenwatersalamander door de aanwezigheid van bossen. De Geleenbeek is nabij de deelgebieden niet geschikt als voortplantingswater door de stroming. De sloot grenzend aan deelgebied Holtum kan wel dienen als voortplantingswater voor de Alpenwatersalamander. Andere geschikte poelen lijken bij de deelgebieden niet aanwezig in de omgeving (400 meter vanaf de deelgebieden). De rugstreeppad is volgens NDFF waargenomen bij poelen ten noorden van deelgebied Munstergeleen. De deelgebieden van Munstergeleen en Geleen zijn ongeschikt als leefgebied, hier zijn geen ondiepe oppervlaktewateren in de buurt aanwezig waar de rugstreeppad zich kan voortplanten. Ook worden deze gronden bewerkt en is vestiging niet mogelijk. In Holtum is de sloot met oppervlaktewater minder geschikt voor de rugstreeppad omdat deze zeer begroeid is en met name in de schaduw is gelegen. Ook de omgeving is ongeschikt voor de rugstreeppad door de vele begroeiing, waardoor geen geschikte vergraafbare grond aanwezig is om in te overwinteren. De levendbarende hagedis komt voor in met name heide en hoogveen en in open bossen en ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de genoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen. De deelgebieden zijn ongeschikt als leefgebied voor de levendbarende hagedis.

De akkers in Munstergeleen en Geleen bevatten niet het juiste habitat. Ook het deelgebied in Holtum is ongeschikt door het vele Engels raaigras (agrarisch) en de akkerlanden in de omgeving. De twee beschermde (niet vrijgestelde) groene kikkers zijn de heikikker en poelkikker. Deze soorten komen voor in hoog- en laagvenen, moerassen, heidegebieden en overstromingsgebieden (uiterwaarden) en hebben een voorkeur voor relatief voedselarm, schoon water. In de deelgebieden en directe omgeving is geen geschikt oppervlaktewater aanwezig. Ook de sloot in deelgebied Holtum is ongeschikt door de beperkte hoeveelheid water en de niet schone en redelijk voedselrijke water. De kleine watersalamander, bruine kikker en gewone pad zijn in provincie Limburg vrijgesteld van ontheffingsplicht bij ruimtelijke ingrepen. De bastaardkikker, wordt niet beschermd onder artikel 3.5 of 3.10 van de Wet natuurbescherming, en worden verder dus niet behandeld in het onderzoek. Effectanalyse De deelgebieden zijn ongeschikt als leefgebied voor de Alpenwatersalamander, rugstreeppad, heikikker en poelkikker. Ook voor de levendbarende hagedis zijn de drie deelgebieden ongeschikt als leefgebied. De sloot grenzend aan het deelgebied Holtum, is wel geschikt voor de Alpenwatersalamander en andere amfibieën (algemenere soorten).

Indien deze sloot wordt aangetast door de voorgenomen plannen, is aanvullend onderzoek naar de Alpenwatersalamander noodzakelijk. Voor het aantasten van verblijfplaatsen en/of leefgebied van beschermde soorten is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot amfibieën nodig.

3.3.6

Vissen

Actueel en potentieel voorkomende soorten De NDFF toont geen waarnemingen van vissen in het plangebied. Er worden op basis van het aanwezige habitat geen vissen verwacht. Er is geen geschikt oppervlaktewater in de deelgebieden aanwezig voor vissen. In de sloot grenzend aan deelgebied Holtum is maar beperkte hoeveelheid water aanwezig en is tevens ongeschikt voor beschermde vissoorten. De aanwezigheid van (beschermde) vissen kan dus op voorhand worden uitgesloten. Effectanalyse Het plangebied bevat geen geschikt oppervlaktewater voor beschermde vissoorten. Aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van beschermde vissen is niet nodig. Ook is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot vissen is niet nodig. Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 24/31

3.3.7

Ongewervelden

Actueel en potentieel voorkomende soorten De NDFF toont waarnemingen van grote vos, kleine ijsvogelvlinder, iepenpage, teunisbloempijlstaart en vliegend hert, in de directe omgeving van het plangebied. Van beschermde libellen en kevers zijn geen waarnemingen bekend. Er worden op basis van hun verspreiding en het aanwezige habitat geen andere soorten verwacht. De kleine ijsvogelvlinder leeft onder andere in gemengde bossen. De vlinder leeft vooral in de hogere delen van bomen, en komt in de ochtend naar beneden om te foerageren. Ook maakt hij gebruik van open plekken, bredere bospaden en bosranden, als deze in de halfschaduw liggen. De waardplant die ze prefereren is wilde kamperfoelie. Wilde kamperfoelie is wijdverspreid en groeit in bossen, op onder andere zonnige tot beschaduwde plaatsen. De drie deelgebieden betreffen open akkerland en grasland. Enkel in de directe omgeving is geschikt leefgebied voor deze soort aanwezig, in de vorm van bos maar dezen liggen buiten de scope van de werkzaamheden. De grote vos en iepenpage zijn soorten die vooral de iep als waardplant prefereren en voorkomen in bossen en bosranden. De grote vos kan ook gebruik maken van zoete kers, populier en sommige wilgensoorten. Binnen de deelgebieden zijn geen van deze boomsoorten aanwezig. De teunisbloempijlstaart gebruikt wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart als waardplant.

Binnen de deelgebieden zijn deze plantensoorten niet aanwezig. Wel is mogelijk dat in de directe omgeving, zoals in de berm langs het spoor in Munstergeleen en Geleen deze plantensoorten voorkomen. Er is tevens een waarneming in NDFF van de teunisbloempijlstaart die aan de andere kant van de akker in Munstergeleen is aangetroffen. Deze berm zal niet worden aangetast door de voorgenomen plannen. Ook het vliegend hert komt voor in de regio waar de deelgebieden zijn gelegen. Deze soort heeft rottend hout nodig voor de larven om zich te kunnen voortplanten. In de deelgebieden zijn weinig tot geen bomen aanwezig. De paar bomen die binnen het deelgebied in Holtum staan, zijn niet aan het rotten. Effectanalyse De deelgebieden bieden geen voortplantingsfunctie voor de kleine ijsvogelvlinder, grote vos, iepenpage, teunisbloempijlstaart en vliegend hert. Er zijn geen geschikte waardplanten aanwezig of bomen met rottend hout. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Ook is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot ongewervelden is niet nodig.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 25/31

4

Provinciaal natuurbeleid

4.1

Toetsingskader

Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd bestaat uit: • Provinciaal beleid: • Natuurnetwerk Nederland (NNN); • Provinciaal omgevingsplan Limburg (POL); • Nationaal Landschap Zuid-Limburg (NLZL). Het Natuurnetwerk Nederland is op provinciaal niveau uitgewerkt tot het provinciale natuurnetwerk met kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden, beheergebieden en robuuste ecologische verbindingszones. De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het POL (provinciaal omgevingsplan Limburg) is provinciaal vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. In het provinciaal natuurbeleid (POL 2014) zijn twee groene natuurzones te onderscheiden, de goudgroene en zilvergroene natuurzones. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland. Daarnaast draagt het landschap van Zuid-Limburg sinds 2005 de status van Nationaal Landschap. Het toetsingskader voor het provinciaal beleid wordt nader beschreven in Bijlage 1. De Omgevingsverordening Limburg 2014 komt in zijn geheel te vervallen op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. Op dat moment zal deze worden vervangen door de Omgevingsverordening Limburg 2021. Het Rijk heeft de inwerkingtreding van de Omgevingswet al een paar maal uitgesteld, maar inmiddels staat definitief vast dat de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking treedt.

Daarmee wordt de inwerkingtredingsdatum van de Omgevingsverordening Limburg 2021 ook 1 januari 2024. Tot die tijd blijft de Omgevingsverordening Limburg 2014 gelden. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van de goudgroene natuurzones, zilvergroene natuurzones en de bronsgroene landschapszones in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. In provincie Limburg zijn effecten vanuit externe werking niet van toepassing. Ook wordt een doorkijkje gegeven naar de nieuwe situatie als de omgevingswet en dus de Omgevingsverordening Limburg 2021 ingaat.

4.2

Inventarisatie en effectanalyse

Voor de inventarisatie van beschermde gebieden op provinciaal niveau is gebruik gemaakt van Atlas Limburg3. Uit Atlas Limburg blijkt dat de deelgebieden geen onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland, in Limburg de goudgroene natuurzone (Figuur 4.1, Figuur 4.2 en Figuur 4.3). Wel is deelgebied Geleen en Munstergeleen gelegen in bronsgroene landschapszone en in de nieuwe omgevingsverordening Limburg 2021 gelegen in de groenblauwe mantel. Natuurnetwerk Nederland (NNN), goudgroene natuurzone De deelgebieden zijn niet in NNN of goudgroene natuurzone gelegen. Ook in de nieuwe omgevingsverordening Limburg 2021 zijn deze gebieden buiten het natuurnetwerk gelegen. Hierdoor is ruimtebeslag op deze gebieden op voorhand uitgesloten.

3

https://portal.prvlimburg.nl/viewer/app/default

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 26/31

Figuur 4.1

Boven: ligging van deelgebied Holtum ten opzichte van de goudgroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone (Omgevingsverordening 2014). Beneden: ligging van deelgebied Holtum ten opzichte van de NNN en groenblauwe mantel (Omgevingsverordening 2021). Het deelgebied is rood omkaderd in beide figuren.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 27/31

Figuur 4.2

Boven: ligging van deelgebied Geleen ten opzichte van de goudgroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone (Omgevingsverordening 2014). Beneden: ligging van deelgebied Holtum ten opzichte van de NNN en groenblauwe mantel (Omgevingsverordening 2021). Het deelgebied is rood omkaderd in beide figuren.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 28/31

Figuur 4.3

Boven: ligging van deelgebied Munstergeleen ten opzichte van de goudgroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone (Omgevingsverordening 2014). Beneden: ligging van deelgebied Holtum ten opzichte van de NNN en groenblauwe mantel (Omgevingsverordening 2021). Het deelgebied is rood omkaderd in beide figuren.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 29/31

Bronsgroene landschapszone, zilvergroene natuurzone, Groenblauwe mantel Deelgebied Holtum is buiten de bronsgroene landschapszone of zilvergroene natuurzone gelegen. Ook binnen de nieuwe omgevingsverordening is dit deelgebied buiten de groenblauwe mantel gelegen. Hierdoor is ruimtebeslag op deze gebieden op voorhand uitgesloten. Deelgebied Munstergeleen ligt binnen de zilvergroene natuurzone. Deelgebied Geleen is binnen de bronsgroene landschapszone gelegen. In de nieuwe omgevingsverordening worden de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone samen de groenblauwe mantel. Zowel deelgebied Munstergeleen als Geleen zijn dan gelegen in groenblauwe mantel. De bronsgroene landschapszone en de zilvergroene landschapszone hebben kernkwaliteiten (het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf). Deze mogen niet zomaar worden aangetast. De twee deelgebieden vallen tevens in Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Ook voor dit gebied komen deze kenmerken aan bod. Dit is in de volgende alinea verder uitgewerkt. Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg De deelgebieden Geleen en Munstergeleen zijn gelegen binnen beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg, in een beekdal. De landschapstypen die voorkomen in beide deelgebieden zijn ‘dalbodem’ en ‘helling <4 graden’.

Kernkwaliteiten van beekdalen zijn het volgende: Natuurlijk Dit landschapstype wordt gevormd door de doorgaande natte structuur, waardoor de beekdalen voor veel organismen functioneren als ecologische verbindingszone. Cultuur(historie) De delen waar weide, oude hooi- en graslanden en geriefhout (hout voor gebruik als brandstof of bouwmateriaal) voorkomen zijn zeer waardevol. Op dit moment komt relatief veel grasland voor. De randen van de beekdalen op de hogere gronden zijn cultuurhistorisch en archeologische zeer waardevol. Deze randen waren de eerste bewoningsplaatsen in het gebied. In het verleden werden de gronden door gecontroleerde bevloeiing vruchtbaar gemaakt. Deze oude bevloeiingssystemen zijn cultuurhistorisch zeer waardevol. De beekdalen spelen vandaag de dag nog steeds een belangrijke rol bij de waterhuishouding van het gebied. Dit zijn dan ook de uitgelezen plekken om de verdrogingsproblematiek (deels) aan te pakken door hier water vast te houden en vertraagd af te voeren. Visueel-ruimtelijk Een typisch beekdal wordt gekenmerkt door een overwegend halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. In het beekdal bevindt zich meestal weinig tot geen bebouwing. Daar waar de karakteristieke kleinschaligheid bewaard is gebleven, is het landschap visueel-ruimtelijk nog aantrekkelijk en waardevol.

De werkzaamheden in de deelgebieden hebben betrekking op het ondergronds bufferen van water. De tijdelijke werkzaamheden zoals het vergraven van grond zullen geen permanente negatieve effecten hebben op de bronsgroene landschapszone, zilvergroene natuurzone en later de groenblauwe mantel. Ook de buffer zelf zal geen negatieve effecten opleveren op het behoud van natuur, watersysteem en landschap in de directe aangrenzende omgeving, ook niet door externe werking. Het past juist goed bij het gebruik van het huidige landschap, de beekdalen zijn uitgelezen plekken om water vast te houden.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek waterbuffers Sittard-Geleen Projectnummer 51018069 Datum 02-04-2024

Versie D1

Document referentie NL24-648800269-77117 30/31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=250020d4-c899-42c8-9d59-c1213dd77ad4