04 Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
Bergbezinkbassins Sittard-Geleen
Inhoudsopgave
Bijlagen bij toelichting
3
Bijlage 1
Archeologisch bureauonderzoek Bodac - herinrichting Geleenbeek
4
Bijlage 2
Archeologische toets bergbezinkbassin Sint Jorisstraat
62
Bijlage 3 Ecologisch onderzoek bergbezinkbassins & waterbuffers Sittard-Geleen
70
Bijlage 4
Notitie stikstofdepositie bergbezinkbassins Sittard-Geleen
114
Bijlage 5
Verkennend bodem- en asbestonderzoek Daniken
135
Bijlage 6
Milieuhygiënisch onderzoek Sint Jorisstraat
280
Bijlage 7
Actualiserend vooronderzoek Sint Jorisstraat
465
Bijlage 8
Ecologische voortoets
491
Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 2 van 531
Bijlagen bij toelichting
Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 3 van 531
Bijlage 1 Archeologisch bureauonderzoek Bodac herinrichting Geleenbeek
Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 4 van 531
Your safety is our concern
Bureauonderzoek Archeologie Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen Kennis- en adviescentrum
Detectie
Vliegtuigberging
Historisch vooronderzoek
Benaderen en veiligstellen
Archeologie
Risicoanalyse
Offshore
Sanering
© 2018 Den Ouden Groep B.V.
Pagina 3 van 58
rapportnummer
A22012
titel
Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
versienummer
1.0
status
concept
datum
20 mei 2022
vestiging
Hermalen 7 5481 XX Schijndel 073-5431010 info@bodac.nl / y.raczynski-henk@bodac.nl
auteur
Y. Raczynski-Henk
interne controle
N.J.H. Sommers (KNA-archeoloog)
paraaf
autorisatie
Y. Raczynski-Henk (senior KNA archeoloog)
paraaf
© Bodac bv, Schijndel Foto’s en tekeningen: Bodac bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Bodac bv aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2452-2074 (Analoog rapport) ISSN: 2452-2066 (Digitaal rapport E-depot) Kwaliteitszorg Bodac bv beschikt over alle kwaliteitscertificaten voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek, afgegeven door de SIKB. Het certificaat geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de RCE stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving.
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 4 van 58
Inhoudsopgave Administratieve gegevens
6
Samenvatting
7
1
11
Inleiding 1.1 Aanleiding voor het onderzoek 1.2 Juridisch en methodologisch kader 1.2.1 Inleiding 1.2.2 Sittard-Geleen: archeologische verwachting 1.2.3 Sittard-Geleen: beleidsmaatregelen 1.2.4 Beekdaelen (Schinnen): archeologische verwachting 1.2.5 Beekdaelen (Schinnen): beleidsmaatregelen 1.3 Overzicht van de geplande ingrepen
2
Het Bureauonderzoek 2.1 2.2
3
4
Doel- en vraagstelling Huidige situatie onderzoeksgebied
15 15 15
Landschappelijke situatie
17
3.1.1 Algemene aardkundige situatie 3.1.2 Geomorfologie 3.1.3 Bodemkunde 3.1.4 AHN-analyse 3.2 Synthese aardkundig kader
17 22 22 24 24
Archeologisch en historisch kader 4.1 Inleiding 4.2 Archeologische geschiedenis van de omgeving van het plangebied 4.2.1 Paleolithicum en Mesolithicum 4.2.2 Lineaire Bandkeramiek 4.2.3 Metaaltijden 4.2.4 Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen 4.2.5 Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd 4.2.6 Het Geleenbeekdal als archeologisch fenomeen 4.3 Bekende archeologische waarden 4.3.1 Eerder onderzoek 4.3.2 Vindplaatsen en vondstmeldingen 4.4 Historische ontwikkeling en bebouwing 4.4.1 Algemene geschiedenis van Geleen 4.4.2 Beschrijving van het plangebied op basis van oude kaarten en andere bronnen 4.5 Mogelijke verstoringen 4.6 Synthese archeologisch en historisch kader 4.6.1 Algemeen 4.6.2 Landschappelijk beeld 4.6.3 De beek 4.6.4 Verstoringen.
5
11 11 11 11 12 12 12 14
Conclusies en aanbevelingen 5.1 Beantwoording van de onderzoeksvragen 5.2 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel 5.3 Verwachtingskaart voor de Prehistorie en natte context (Figuur 20) 5.3.1 Mobiele jager-verzamelaars 5.3.2 Neolithicum tot en met de IJzertijd 5.3.3 Natte context 5.4 Verwachtingskaart voor de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd (Figuur 21)
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
26 26 26 26 27 27 29 30 30 32 32 32 37 37 39 39 39 39 40 40 40
41 41 44 46 46 46 47 47
Pagina 5 van 58 5.4.1 De Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen 5.4.2 De Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd 5.5 Vervolgonderzoek 5.5.1 Advieskaart (Figuur 22) en vervolgonderzoek 5.5.2 Archeologische opgraving, variant archeologische begeleiding 5.5.3 Archeologisch proefsleuvenonderzoek 5.6 Adviesgebieden 5.6.1 Adviesgebied A: geen vervolgonderzoek 5.6.2 Adviesgebied B: archeologische opgraving, variant archeologische begeleiding 5.6.3 Adviesgebied C: archeologische opgraving, variant archeologische begeleiding of proefsleuven 5.6.4 Adviesgebied D: proefsleuvenonderzoek 5.6.5 Adviesgebied E: inpassing 5.7 Conclusie 5.8 Selectieadvies
49 49 49 49 50 50 52 52 52 52 52 52 52 53
Literatuurlijst
54
Lijst van figuren en tabellen
57
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 6 van 58
Administratieve gegevens projectcode toponiem adres/locatie plaats gemeente provincie omvang plangebied omvang onderzoeksgebied coördinaten projectgebied kadastrale gegevens
(RO) kader onderzoek opdrachtgever
bevoegde overheid
adviseur archeologie namens bevoegde overheid
ARCHIS3 zaakidentificatienummer archeoregio NOaA beheer en plaats documentatie uitvoerder uitvoeringsperiode medewerkers
A22012 Geleenbeek Daniken Geleen Sittard – Geleen Limburg 71,72 127,4 hectare NW: 187.155 / 331.100 NO: 187.585 / 330.965 ZW: 186.545 / 329.360 ZO: 186.915 / 329.365 Geleen, sectie E: 1404, 1601, 1650, 1849, 1850, 1911, 1919, 1981 Geleen, sectie F: 3680-3686, 3689-3691, 3693, 3701, 3703-3706, 3708, 3722, 3729, 3730, 3736, 3741, 3743-3746, 3765-3768, 3793-3796, 3798, 3829, 3985-3989, 4081-4084, 4086, 4088, 4098, 41394142, 4187, 4188, 4191, 4197, 4226, 4238, 4258, 4263, 4322, 4332, 4441, 4443, 4478, 4487-4490, 4522, 4524, 4526, 4543, 4545, 4546, 4557, 4559, 4560, 4566, 4568, 4569, 4583, 4584, 4597 Schinnen, sectie A: 514, 524, 1528, 1529-1533, 1815, 1961, 2689-2692, 3157, 3158, 3496, 3529, 3696, 4068, 4069, 4733-4735, 4737, 4980, 5086, 5105 herinrichting Geleenbeek Corio Glana, highlight 16 en 17 Waterschap Limburg dhr. J. Tholen Postbus 2207 6040 CC Roermond 06-53323929 j.tholen@waterschaplimburg.nl Gemeente Sittard – Geleen Postbus 18 6130 AA Sittard 14 046 Gemeente Sittard – Geleen mevr. drs. M.E.N. Aarts Postbus 18 6130 AA Sittard Team Ruimtelijk Beleid 046-4777456 marion.aarts@sittard-geleen.nl 5235373100 Limburgs lössgebied Bodac bv, Schijndel / Provinciaal Archeologisch Depot Limburg/ e-depot Bodac bv uitwerking en rapportage: april-mei 2022 dhr. drs. Y. Raczynski-Henk senior KNA archeoloog 33415029 mevr. A. Sanders BSc KNA archeoloog 70290013 dhr. N.J.H.
Sommers MSc KNA-archeoloog 33078871
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 7 van 58
Samenvatting In het kader van de voorgenomen herinrichting van ‘highlight’ 16 en 17 van het Geleenbeekdal, onderdeel van het Corio Glana project, heeft Bodac B.V. een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor een plangebied in Geleen, tussen de Biesenweg in het zuiden en de Beekstraat in het noorden. De onderzoeksvragen, ontleend aan de Leidraad Beekdalonderzoek, kunnen worden samengevat in drie vraagstellingen: − Wat is de landschappelijke situatie in het plangebied? − Wat is de aard, ouderdom en (stratigrafische) ligging van eventueel aanwezige archeologische resten? − Op welke wijze dient met deze resten te worden omgegaan in het licht van verstoring als gevolg van de voorgenomen ingrepen?
Wat is de landschappelijke situatie in het plangebied? De Geleenbeek vormt ter hoogte van het plangebied de noordwestelijke grens tussen het Plateau van Doenrade in het oosten en het Graetheide Plateau in het westen. De rand van het Plateau van Doenrade in het zuidoostelijke deel van het plangebied, en de minder uitgesproken rand van het Plateau van Graetheide hebben als brongebied gediend voor colluviumafzettingen van verschillende dikte die met name in het zuidelijke deel van het plangebied voorkomen. De Geleenbeek heeft hierin een beekdal uitgesleten, dat in het noorden ‘opengaat’ als gevolg van het naar het oosten afbuigen van de rand van het Plateau van Doenrade. De lagere delen van het plangebied worden in het zuiden gekenmerkt door zwak ontwikkelde vaaggronden, gevormd in fluviatiele en colluviale afzettingen. Het noordoostelijke deel wordt gekenmerkt door brikgronden die in lössafzettingen zijn gevormd. In het uiterste noorden betreft dat een kleine zone met (redelijk intacte) radebrikgronden, op de hellingen in het zuidwesten gaat het om afgetopte bergbrikgronden. De voorgenomen ingrepen zijn, hoewel niet in detail bekend, vrijwel uitsluitend gepland ten westen van de huidige beek.
Dat betekent dat de polder- en ooivaaggronden in het beekdal en aan de voet van de hellingen van het Graetheide Plateau voornamelijk relevant zijn met betrekking tot eventueel vervolgonderzoek. Het plangebied bestaat grotendeels uit het beekdal van de Geleenbeek, met aan beide zijden de (voet van) de hellingen en plateaus. Aan de westzijde is dat de relatief vlakke hoogte van het Graetheide Plateau, ten oosten zijn juist de steilere hellingen van het Plateau van Doenrade aanwezig. Van de oostelijke hellingen van het plateau zijn geen vindplaatsen bekend, maar op de rand ervan liggen vindplaatsen uit het Jong-Paleolithicum en het Mesolithicum. De westelijke rand en het plateau worden gedomineerd voor vele waarnemingen van vondsten en nederzettingsterreinen van de cultuur van de Lineaire Bandkeramiek. Verschillende nederzettingen liggen naast elkaar op de rand van het beekdal en (in ieder geval bij de Kluis) deels op de helling. Uit de Barbarastraat ten westen van het plangebied, stamt de enige waarneming uit de IJzertijd in de directe omgeving van plangebied. In het noorden van het plangebied zijn in het dal nederzettingsterreinen bekend uit de Romeinse tijd, met doorloop naar de Vroege Middeleeuwen.
Uit de Late Middeleeuwen zijn in dit deel van het plangebied geen meldingen bekend, maar het ligt precies tussen de kernen Daniken en Oud-Geleen, die beide uit de Late Middeleeuwen dateren. In het beekdal zelf liggen hoeve Ten Eijsden en de voormalige Danikermolen, beide uit de Late Middeleeuwen. Ten Eijsden en de net buiten het plangebied gelegen Biesenhof hebben mogelijk Romeinse voorlopers.
Wat is de aard, ouderdom en (stratigrafische) ligging van eventueel aanwezige archeologische resten? De boeren uit het Neolithicum en de Brons- en IJzertijd zijn vooral geïnteresseerd in de vlakke delen van het plateau aan de westzijde van de beek. Uit het beekdal zelf zijn geen resten uit deze periode bekend, maar het is duidelijk dat het beekdal intensief gebruikt zal zijn in deze periode. In de Romeinse tijd verschuift het zwaartepunt van de bewoning naar de lagere delen van het beekdal zelf, zoals aangegeven door de twee nederzettingsterreinen in het noorden en de waarnemingen van de Heemkundevereniging Geleen rondom ten Eijsden www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 8 van 58 en de Biesenhof. Op een laag en relatief vlak deel van de oosthelling ligt in het noorden een villaterrein, iets verder van de beek af. Deze nederzettingsterreinen lopen door tot in de Karolingische periode, maar dan worden zij verlaten. Vanaf de 11e eeuw komen de kernen van Oud-Geleen en Daniken op. Het lijkt er op dat de bewoning zich in deze periode dus van de lagere delen naar wat hogere gebieden verplaatst. Uitzondering hierop zijn de boerderijen in het dal, die mogelijk voorlopers vanaf de Romeinse tijd kennen, maar daarvoor is geen direct bewijs. Bij Daniken wordt in de Late Middeleeuwen een molen gebouwd aan weerskanten van de beek, deze wordt in de 20e eeuw gesloopt. Een wateroverlaat die in dezelfde tijd gegraven wordt is in het landschap nog gedeeltelijk zichtbaar. Met uitzondering van de boerderijen vindt er in het plangebied in historische tijd nauwelijks menselijke activiteit te zien, behalve het landschapsgebruik voor landbouw. Het ontbreken van Archis-waarnemingen in het centrale en zuidelijke deel van het plangebied kan mogelijk meer een reflectie zijn van dit gebrek aan bodemingrepen, dan van afwezigheid van archeologische resten. Het beekdal, en dan specifiek de beekloop, is vanaf het Paleolithicum een belangrijk element in het landschap en zal intensief bezocht zijn.
Voor jager-verzamelaars uit het Paleolithicum en Mesolithicum zal de beek voornamelijk als waterbron en als locatie voor het verschalken van (drinkende) prooidieren hebben gediend. Water wordt sinds de vroegste perioden als ‘hinderlaag’ gebruikt om de mobiliteit van prooidieren te hinderen, zodat ze makkelijker te vangen zijn. Vanaf het Neolithicum blijft de beek als bron van drinkwater van belang, maar mogelijk ook voor visvangst en andere activiteiten. De beek is te ondiep om te bevaren. In het plangebied kruisen verschillende wegen de beek. De Beekstraat in het noorden en de Biesenweg net buiten het plangebied zijn de meest duidelijke, maar ook tegenover Daniken en hoeve Ten Eijsden kruisen wegen of paden de beek op de kadastrale minuut uit de 19e eeuw. Bovendien valt de plek waar de Keutelbeek en de Geleenbeek samenstromen precies gelijk met de noordelijke grens van het plangebied en de kruising van de Beekstraat met de Geleenbeek. Deze plaatsen zijn, in ieder geval vanaf het Mesolithicum tot in de Romeinse tijd en misschien de Vroege Middeleeuwen, mogelijk locaties voor rituele deposities geweest. In de 20e eeuw wordt de spoorlijn aangelegd, de visvijver gegraven en in het noordwestelijke deel van het plangebied komt wat bebouwing op. Ten oosten van de beek ligt in de flank van de Danikerberg een voormalige groeve.
Het kanaliseren van de beek en de aanwezigheid van riool- en waterleidingen en een pompstation zijn de meest recente aanwijzingen voor verstoringen in het plangebied. Het bureauonderzoek heeft duidelijk gemaakt dat er een kans is op zeer diverse archeologische waarden in een geschakeerd landschap. De archeologische verwachting loopt van artefactvindplaatsen vanaf het JongPaleolithicum via Romeinse nederzettingsterreinen tot aan resten van een laatmiddeleeuwse watermolen die in de 20e eeuw door de brandweer is aangestoken voor een oefening. Met name in het westelijke deel van het plangebied is er een hoge verwachting voor het aantreffen van sporen en vondsten van de Cultuur van de Lineaire Bandkeramiek, terwijl met name in het noorden sporen uit de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen. Uitgangspunt is dat deze archeologische resten zich allemaal binnen een meter onder het huidige maaiveld bevinden, maar bij gebrek aan aardkundige waarnemingen in het plangebied kan dit niet met zekerheid worden gesteld. In het centrale deel van het plangebied zijn vrijwel geen waarnemingen bekend, maar aangezien het plangebied op historisch kaartmateriaal nauwelijks verandert, is het heel goed mogelijk dat dit het gevolg is van gebrek aan waarnemingen en niet van afwezigheid van vindplaatsen.
Omdeze reden is die lage vondstdichtheid niet als argument gebruikt om aan dit deel van het plangebied een lagere verwachtingswaarde toe te kennen. Het bureauonderzoek heeft geresulteerd in een redelijk complex, gelaagd verwachtingsmodel met 16 verschillende eenheden (zie Tabel 2, Figuur 20 en Figuur 21), maar deze zijn in de advieskaart vertaald in een overzichtelijke reeks van vijf adviesgebieden, inclusief delen waarvoor vrijgave wordt geadviseerd (zie Tabel 3 en Figuur 22).
Op welke wijze dient met deze resten te worden omgegaan in het licht van verstoring als gevolg van de voorgenomen ingrepen? Het advies van Bodac is om, zodra de exacte aard van de voorgenomen ingrepen bekend is, relevante delen van het plangebied (adviesgebied C en D) voorafgaand aan de civieltechnische werken te onderzoeken door middel www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 9 van 58 van een proefsleuvenonderzoek, en de overige delen tijdens de civieltechnische werken, door middel van een archeologische opgraving, variant archeologische begeleiding (adviesgebied B en C). Voor deze tweedeling is gekozen op basis van de uiteenlopende archeologische verwachtingen in verschillende delen van het plangebied in combinatie met de aard van de op te sporen vindplaatstypen. Archeologisch begeleiding is vooral nuttig bij het onderzoeken van die vindplaatsypen die lastig te vangen zijn in het kader van reguliere AMZ-onderzoeken. Gezien de vrij hoge kans op het aantreffen van nederzettingsterreinen is er echter voor gekozen om ook proefsleuvenonderzoek in te zetten, aangezien dat meer mogelijkheden biedt om: − de aan- of afwezigheid, aard, begrenzing en (inhoudelijke) kwaliteit van deze vindplaatsen vast te stellen, en; − voldoende tijd en ruimte te reserveren om op basis van de resultaten in overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag eventueel tot planaan- of inpassing over te gaan, dan wel een plan te kunnen opstellen (in de vorm van een PvE) om de vindplaats(en) adequaat te kunnen onderzoeken. De mogelijkheid tot een snelle doorstart naar een opgraving kan worden opgenomen in het PvE voor het proefsleuvenonderzoek.
Voor die delen van het plangebied waar bekende verstoringen zijn gekarteerd (adviesgebied A) wordt vrijgave geadviseerd, en met betrekking tot de (sporen van) de overlaat van de Danikermolen (adviesgebied E) adviseren wij inpassing van dit cultuurhistorische element in de voorgenomen ingrepen. Het rapport en bovenstaand selectieadvies dienen beoordeeld te worden door (de adviseur archeologie van) de gemeente Sittard-Geleen. Op basis van de inhoudelijke onderbouwing van het selectieadvies beslist deze of dit wordt omgezet in een selectiebesluit.
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 10 van 58
Figuur 1: Het onderzoeks- en plangebied op de topografische kaart (bron: OpenTopo).
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 11 van 58
1 Inleiding 1.1
Aanleiding voor het onderzoek
In opdracht van het Waterschap Limburg is door Bodac B.V. een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herinrichting van de zogenaamde Highlights 16 en 17 van de Geleenbeek in Geleen, tussen de Biesenhof aan de Biesenweg / Bergweg in het zuiden en de Beekstraat in het noorden. De oostelijke oever van de beek vormt voor ongeveer twee derde van het tracé de grens met de gemeente Beekdaelen (Figuur 1). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om een indruk te krijgen van de huidige situatie, de toekomstige situatie, de landschappelijke situatie, de bekende archeologische gegevens uit de omgeving en de historische situatie van het projectgebied, afgezet tegen de uit het project resulterende verstoringen. Op basis daarvan wordt een verwachtingsmodel opgesteld, waaruit een advies voorkomt over de noodzaak voor het al dan niet uitvoeren van vervolgonderzoek.
1.2
Juridisch en methodologisch kader
1.2.1 Inleiding Sinds 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De archeologische potentie en de daaraan verbonden consequenties met betrekking tot het in Geleen geleden deel van het onderzoeksgebied zijn vastgelegd in de Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart van de gemeente Sittard-Geleen 1 en de daar op gebaseerde Archeologische Beleidsadvieskaart. 2 De verwachtingskaart van de gemeente Sittard-Geleen omvat drie verwachtingskaarten: 1. Kaartbijlage II-3: Archeologische verwachtingskaart voor droge landschappen; 2. Kaartbijlage II-4: Archeologische verwachtingskaart voor natte landschappen; 3. Kaartbijlage II-5: Archeologische verwachtingskaart alle landschappen en perioden. Voor het in Beekdaelen gelegen deel van het onderzoeksgebied is de Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart van de voormalige gemeente Schinnen, nu Beekdaelen, van kracht. 3 De verwachtingskaart voor droge landschappen van Sittard-Geleen en de verwachtings- en beleidsadvieskaart van de voormalige gemeente Schinnen zijn samengevoegd in Figuur 2.
De verwachtingsmodellen van het plangebied worden per gemeente beschreven.
1.2.2 Sittard-Geleen: archeologische verwachting Op de kaart voor droge landschappen (kaartbijlage II-3) is de beekdalbodem gekarteerd als een zone met een lage archeologische verwachting, met uitzondering van twee locaties in het noorden van het plangebied, waar een hoge archeologische verwachting voor nederzettingsresten uit de Romeinse tijd geldt. De rand van het Graetheide Plateau, die in het westen deels binnen het plangebied valt is gekarteerd als een zone met een hoge archeologische verwachting. Deze hoge verwachting is grotendeels gebaseerd op de aanwezigheid van meerdere nederzettingen van de Lineaire Bandkeramiek, en in het noorden tevens vindplaatsen uit de Romeinse tijd, de Vroege Middeleeuwen en de Late Middeleeuwen. In het uiterste zuiden en in het noordoosten zijn een paar kleine gebieden gekarteerd waar een onbekende archeologische verwachting geldt en de visvijvers zijn gekarteerd als ‘water’ (geen waarde). De kaart voor natte landschappen (kaartbijlage II-4, niet afgebeeld) vormt als het ware bijna een spiegel van de kaart voor droge landschappen. De beekdalbodem is gekarteerd als een zone met een middelhoge verwachting voor afvaldumps en rituele deposities. De hogere delen aan weerszijden van de beekdalbodem zijn gekarteerd 1
Verhoeven & Ellenkamp 2010. Gemeente Sittard-Geleen 2012. 3 Van Putten, Tolboom & Geerts 2010. 2
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 12 van 58 als een zone met een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit een natte context. Opvallend is dat deze kaart aparte lagen heeft voor zones met een hoge verwachting voor rituele deposities en afvaldumps, en voor watermolens. Ondanks het feit dat in en net buiten het plangebied verschillende oversteekplaatsen van waarschijnlijk hoge ouderdom liggen, en in het noorden de locatie van de Danikermolen bekend is (zie hoofdstuk 4), zijn deze elementen niet apart aangegeven.
1.2.3 Sittard-Geleen: beleidsmaatregelen Als beide kaartbeelden worden gecombineerd, geldt voor het gehele plangebied een hoge tot middelhoge kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen. Voor zones met een hoge archeologische verwachting voor droge landschappen en een middelhoge verwachting voor natte landschappen geldt een onderzoeksplicht indien de voorgenomen ingrepen een verstoring inhouden die groter is dan 500 vierkante meter en een diepte van meer dan 30 centimeter onder maaiveld. De zones met een onbekende archeologische verwachting worden niet apart genoemd, maar aangezien het om zeer kleine gebieden gaat, wordt voor deze zones de archeologische verwachting en bijbehorende maatregelen van de omliggende gebieden gehanteerd. Op basis daarvan geldt voor deze zones eenzelfde onderzoeksplicht als hierboven aangegeven. Voor de visvijvers geldt vrijstelling van onderzoeksplicht, aangezien het gebied verstoord is.
1.2.4 Beekdaelen (Schinnen): archeologische verwachting De beleidskaart van de gemeente Schinnen maakt ook onderscheid tussen droge en natte landschappen, maar heeft deze gecombineerd in één kaart. Op de kaart wordt voor het verwachtingsmodel geen onderscheid gemaakt per archeologische periode. De zone voor natte landschappen, hier omschreven als een gebied met een ‘lage verwachting maar met kans op een bijzondere dataset’ ligt aan de oostkant van de Geleenbeek in het zuidelijke deel van het plangebied. Ten noorden daarvan snijdt de beek een uitstekende kaap van het Plateau van Doenrade aan. Voor dit deel van het plangebied geldt een lage tot middelhoge archeologische verwachting. In het noordelijke deel van het plangebied op het grondgebied van de gemeente Beekdaelen ligt een gebied met een hoge archeologische verwachting. Ter hoogte van de Biesenhof en bij de oversteekplaats bij hoeve Ten Eijsden zijn twee zones aangegeven als zone met een hoge verwachting voor historische elementen. Aan de overzijde van de Geleenbeek ter hoogte van hoeve Ten Eijsden ligt een groeve zonder archeologische verwachting.
1.2.5 Beekdaelen (Schinnen): beleidsmaatregelen Voor gebieden met een hoge archeologische verwachting geldt in de gemeente Beekdaelen een onderzoeksplicht indien bodemverstorende ingrepen (inclusief sloopwerkzaamheden) een gebied van 500 vierkante meter en een diepte van 30 centimeter onder maaiveld overschrijdt. Voor gebieden met een middelhoge verwachting gaat het om ondergrenzen van 1.000 vierkante meter in horizontale zin en 40 centimeter onder maaiveld. Het vergroten van de verticale ondergrens is gefundeerd op de aanname dat veel zones met een middelhoge archeologische verwachting in gebieden liggen waar de kans op colluvium groter is. Gebieden met een lage verwachting met kans op bijzondere datasets zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek bij ingrepen van minder dan 1.000 vierkante meter en 40 centimeter onder maaiveld. Voor overige zones met een lage archeologische verwachting geldt een ondergrens van 2,5 hectare. De groeve is vrijgesteld van onderzoeksplicht. De gemeente Schinnen maakt echter een uitzondering op de bovenstaande indeling: Als binnen een plangebied meerdere verwachtingszones voorkomen, dient te allen tijd archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd, hetgeen op het onderhavige plangebied van toepassing is. Dit beleid is overgenomen door de nieuwe gemeente Beekdaelen.
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 13 van 58
Figuur 2. Het onderzoeks- en plangebied op de gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten van Sittard-Geleen en de voormalige gemeente Schinnen (bron: Verhoeven & Ellenkamp 2010, Van Putten, Tolboom & Geerts 2010).
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 14 van 58
1.3
Overzicht van de geplande ingrepen
Het onderzoek is nodig vanwege de voorgenomen herinrichting van de Geleenbeek. In de jaren 50 van de 20e eeuw is de loop gekanaliseerd, en deze ingreep wordt nu tussen Heerlen en Sittard in fasen weer ongedaan gemaakt in het kader van het Corio Glana project (Figuur 3). 4 De exacte aard en locatie van de ingrepen is ten tijde van dit onderzoek niet bekend. De ingrepen zullen (vrijwel) geheel aan de westzijde van de huidige beek plaatsvinden. Op basis van de huidige stand van zaken worden de volgende ingrepen (voorlopig) voorzien: herinrichting van de aansluiting van de Keutelbeek op de Geleenbeek; aanleg van een mogelijke meander ter plaatse van de visvijver; aanleg van een zijgeul om het kassencomplex bij Daniken heen; verwijdering van een strotplaats bij het woonwagenkamp in het zuiden en mogelijk de aanleg van bufferbekkens; − aanleg van een bezinkbassin (circa 1 hectare). − − − −
Ondanks dat de plannen weinig concreet zijn, mag aangenomen worden dat de consequentie van de voorgenomen ingrepen is dat eventuele in de ondergrond aanwezige archeologische resten worden aangetast. Op basis daarvan dient de aan- of afwezigheid van archeologische resten of sporen te worden vastgesteld.
Figuur 3. Een overzichtskaart van de diverse 'highlights' uit het Corio Glana project. Het onderhavige bureauonderzoek betreft de gebieden 16 en 17 (bron: Viforis.nl).
4
https://viforis.nl/projects/Corio Glana/
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 15 van 58
2 Het Bureauonderzoek 2.1
Doel- en vraagstelling
Dit bureauonderzoek is uitgevoerd volgens de algemene richtlijnen voor een bureauonderzoek uit de KNA 5 en specifieke richtlijnen uit de KNA Leidraad Beekdalen in Pleistoceen Nederland. 6 Een bureauonderzoek vormt de eerste fase van een archeologisch onderzoek in een gebied. Tijdens een bureauonderzoek worden de huidige situatie, de toekomstige situatie, de landschappelijke situatie, de bekende archeologische gegevens uit de omgeving en de historische situatie van het projectgebied onderzocht aan de hand van geschreven bronnen en kaartmateriaal. Door middel van een synthese van de onderzochte gegevens wordt een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Als er eenmaal een gespecificeerde verwachting is opgesteld wordt er onderzocht of de verwachte archeologische waarden door de voorgenomen ingreep bedreigd worden en zo ja, op welke wijze en of een verstoring van de potentiële archeologische waarden voorkomen kan worden. Als het niet mogelijk is om een verstoring van de verwachte archeologische waarden te voorkomen, wordt een advies opgesteld voor archeologisch vervolgonderzoek.
Voor het bureauonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: 7 − Zijn er uit het her in te richten beekdal (het plangebied) en de aangrenzende randzones van het beekdal archeologische vindplaatsen bekend? Zo ja, wat is de specifieke archeologische verwachting (locatie, aard, datering, conserveringstoestand, omvang, etc.) ervan? − Worden deze archeologische resten bedreigd door de voorgenomen ingrepen? − Zijn er binnen het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig? Zo ja, worden deze waarden door de voorgenomen ingrepen bedreigd? − Wat is er bekend over de ontginning, de indeling, de inrichting en het gebruik van het beekdal door de tijd heen? − Wat is de bodemopbouw van het beekdal en wat kan worden gezegd over de positie en ouderdom van beeklopen en -meanders in vroegere tijd? Waar is sprake van locaties of zones van (mogelijk) grote archeologische waarde, bijvoorbeeld zandkoppen of -ruggen in de beekdalbodem, historische bebouwing en infrastructuur en waar is sprake van een hoge trefkans op bijvoorbeeld een voorde, brug of watermolen? − Welke informatie is er beschikbaar over verstoringen van de bodem als gevolg van ontgrondingen, bodemsaneringen, egalisaties, diepploegen en landinrichting? − Welke archeologische verwachting kan aan het her in te richten beekdal worden toegekend voor de bovenste 1 meter van de bodem? In hoeverre is het mogelijk om deze
verwachting te specificeren naar aard (type), datering en omvang van de vindplaats(en)? − Wat kan worden gezegd over de aanwezigheid van archeologische resten in dieper gelegen sedimenten, d.w.z. sedimenten die door veen of een laag van beeksedimenten worden afgedekt? − Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke methoden en technieken van archeologisch vervolgonderzoek zijn er nodig om de gespecificeerde archeologische verwachting uit het bureauonderzoek te toetsen en aan te vullen?
2.2
Huidige situatie onderzoeksgebied
De kern van het plangebied wordt gevormd door de huidige loop van de Geleenbeek aan de oostkant van de bebouwde kom van Geleen. Het gebied heeft een oppervlak van ongeveer 70 hectare (Figuur 1). Het grootste deel van het gebied valt in het beekdal van de Geleenbeek en de aangrenzende gebieden. In het zuiden wordt het plangebied begrensd door de Biesenweg en de Bergweg, terwijl in het westen de spoorlijn van Heerlen naar Sittard de grens vormt. De noordelijke grens wordt gevormd door (de bebouwing aan) de Beekstraat. De oostelijke grens van het plangebied vormt een onregelmatige lijn die grotendeels de countour van de rand van het ten oosten van de beek gelegen Plateau van Doenrade vormt (zie §3). 5
CCvD 2018: Protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1. Rensink 2008. 7 Naar Rensink 2008. 6
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 16 van 58 De Geleenbeek stroomt ter plaatse van het plangebied langs de terrasrand van het plateau. Deze helling zal vrijwel zeker buiten de huidige ingrepen vallen. Het terras is grotendeels met hellingbos bedekt, met lokaal open percelen die als weiland in gebruik zijn. Aan de westkant van de beek loopt het maaiveld geleidelijk omhoog en vormt de aanzienlijk lagere, westelijke dalwand van het beekdal. Deze gebieden zijn grotendeels in gebruik als akker- en weidegrond. In de zuidoosthoek van het plangebied ligt een klein woonwagenkamp met ten noorden daarvan een visvijvercomplext met de naam Driepoel. In het midden van het plangebied ligt manege Ten Eysden en in het noorden ligt er wat bebouwing tussen de beek en de spoorbaan. De Geleenbeek is in de jaren 50 van de 20e eeuw vanaf de bron tot aan de monding gekanaliseerd, waarbij het Figuur 4. Het plateaulandschap van Zuid-Limburg, de loop van de Oostmaas en de Westwater (deels) door een rechte, betonnen maas worden schematisch aangegeven met respectievelijk een rode en een blauwe pijl (bron: Wikipedia). goot werd geleid. De huidige plannen maken deel uit van een meerjarig project waarin dit ongedaan gemaakt wordt. In het plangebied is de rechtgetrokken loop dus nog aanwezig.
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 17 van 58
3 Landschappelijke situatie Tijdens het onderzoek naar de landschappelijke ligging van het plangebied binnen het onderzoeksgebied zijn de volgende (hoofd)bronnen gebruikt: − geomorfologische kaart van Nederland; 8 − bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000; 9 − actueel hoogtebestand Nederland; 10 − DINOloket; 11 − relevante literatuur.
3.1.1 Algemene aardkundige situatie Het plangebied bevindt zich in het noorden van het Limburgse lössgebied. Het dal van de Geleenbeek vormt de grens tussen het middenterras en het laagterras van de Maas, respectievelijk het Plateau van Doenrade en het Graetheide Plateau. Het Plateau van Doenrade vormt een erosieterras in het dal van de middenpleistocene West-Maas (Figuur 4). Het plateau grenst in het noordoosten aan het erosiebekken van de Rode Beek. Deze grens wordt behalve geomorfologisch ook geotektonisch gemarkeerd door de Feldbissbreuk. Het gebied ten noorden hiervan behoort tot het dalingsgebied van de Centrale Slenk; het gebied ten zuiden van de Feldbissbreuk is een opheffingsgebied, aangeduid als het Zuid-Limburg Blok. Het Graetheide Plateau is een golvend, laaggelegen terras dat de meeste noordelijke uitloper van het lössgebied vormt. In het westen wordt het terras begrensd door de Maas, in het oosten door de Geleenbeek en het Plateau van Doenrade. In het noordelijke deel van het plangebied, ter hoogte van het buurtschap Daniken, kruist de Heerlerheidebreuk het plangebied. Tijdens de laatste fase van het Tertiair (het Plioceen, circa 5,3-2,6 miljoen jaar BP) vindt er onder invloed van tektonische opheffing van het Eifel-Ardennen massief een mariene regressie plaats.
De zee verdwijnt en in de plaats daarvan komen vooral afzetting door rivieren (voorlopers van de huidige Rijn en Maas) in Zuid-Limburg voor. De Maas heeft in het Laat-Plioceen en Vroeg-Pleistoceen een uitgebreid grinddek afgezet met gesteentemateriaal afkomstig uit de Ardennen en Vogezen. De Maas stroomt eerst meer oostelijk richting de Rijn (Figuur 4: Oost-Maas). Nadat de vroeg-pleistocene Oostmaas onder invloed van tektonische opheffing van het Zuid-Limburg Blok zijn loop naar de westzijde van het Massief van Ubachsberg verlegt (Westmaas), worden rond 1 miljoen jaar geleden, ter plaatse van het plangebied grove, fluviatiele beddinggrinden en -zanden afgezet. Deze pleistocene Maasafzettingen liggen erosief op de tertiaire, mariene zanden en behoren lithostratigrafisch tot de Formatie van Beegden (Laagpakket van St. Geertruid). 12 Op grond van hun stratigrafische positie en lithologische samenstelling is elk terras afzonderlijk als laagpakket ondergebracht in deze formatie. Hierbij is de indeling van Felder & Bosch gevolgd. Het laagpakket bestaat uit zeer grof tot uiterst grof zand met veel grof grind, stenen en blokken. Klei- en grove zandlenzen komen voor. Lokaal liggen aan de top van het laagpakket meer fijne klastische afzettingen zoals leem en/of klei uit een warmere afzettingsfase. De dikte van de afzettingen varieert van minder dan 1 tot circa 40 meter.
13 Lokaal kunnen beekafzettingen voorkomen, ontstaan zodra de actieve Maasloop uit het gebied was verdwenen. Deze lokale fluviatiele afzettingen kunnen uit secundair verplaatste tertiaire zanden, Maassedimenten en eolische lössleem bestaan. Deze afzettingen kunnen uit zowel glaciale als interglaciale fasen dateren en behoren lithostratigrafisch tot de formatie van Boxtel. Het reliëf van het landschap wordt vooral bepaald door de restanten van de hooggelegen Maasterrassen, de later gevormde lösshellingen, en de vele beek- en droogdalen. Het ontstaan van de rivierterrassen is een gevolg van een verandering in het longitudinale profiel van de rivier, die veroorzaakt worden door tektonische beweging in combinatie met klimatologische veranderingen en zeespiegelwijzigingen. Op hoofdlijnen beschouwd zet 8
https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen, toelichting op geomorfologische waarden via Maas e.a. 2019. https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 10 http://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/. 11 www.dinoloket.nl. 12 Bosch 1992; Felder & Bosch 1989. 13 TNO-GDN, 2022a.. 9
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 18 van 58 de rivier tijdens koude (glaciale perioden) voornamelijk grove zanden en grinden af binnen een verwilderd stroomsysteem. Tijdens warme (interglaciale) perioden tendeert de rivier naar een meanderend systeem met de afzetting van meer fijne, klastische sedimenten en organogene afzettingen. Door insnijding, in combinatie met laterale migratie van de enkelvoudige bedding, worden oudere afzettingen gedeeltelijk opgeruimd en blijven restanten in de vorm van hoger gelegen terrassen achter. 14 bron geologische kaart
geomorfologische kaart
lithostratigrafie
bodemkaart
boringen DINO-loket
informatie beekafzettingen löss: kustafzettingen en ondiep-mariene glauconiet-houdende afzettingen zeer diepe dalen / beekdalbodem: reliëf met flauwe korte hellingen / lösswand: A51 reliëf met steile matig korte hellingen / afbraakwand matig diepe dalen / droogdal: vrij vlak, laaggelegen reliëf / dalwandterras vrij vlak, laaggelegen reliëf / lössglooiing Formatie van Boxtel, Laagpakket van Schimmert Formatie van Boxtel, Laagpakket van Singraven Formatie van Breda kalkloze poldervaaggronden; lichte zavel ooivaaggronden met roest beginnend dieper dan 0.8 m; siltige leem; colluvium in dal löss-,tertiair- en terrashellinggronden radebrikgronden bergbrikgronden; siltige leem B60C3044 (187.240 / 331.315) 00,00 - 0,60 leem 00,60 - 03,50 leem 03,50 - 04,80 zand, fijne categorie, siltig 04,80 – 05,35 zand, fine categorie 05,35 – 05,50 grind B60C2742 (187.060 / 331.000) 0,00 – 4,50 leem B60C3688 (186.799 / 330.163) 00,00 – 00,60 leem, matig humeus, sterk zandig 00,60 – 01,00 leem, zwak zandig 01,00 – 02,.50 leem, zwak zandig 02,50 – 03,50 leem, sterk zandig 03,50 – 06,00 leem, sterk zandig
B60C0356 (186.590 – 329.380) 00,00 – 07,60 leem 07,60 – 09,10 zand, grindig 09,10 – 11,90 zand, grindig 11,90 – 14,20 zand, grindig 14,20 – 20,00 zand Tabel 1. Aardkundige en landschappelijke gegevens met betrekking tot het plangebied.
14
Felder & Bosch 1989; Kuyl 1980.
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
code BX2 BX5 BR LR42 / R42 A51 A41yl / A41 R21ydl / R21 E43l / E43 H33
Rn15C Ldd6 AHz BLd6 BLb6
Pagina 19 van 58
Figuur 5. Het onderzoeks- en plangebied op de geomorfologische kaart van Nederland (bron: Dinoloket).
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 20 van 58 De terrasresten worden vervolgens verder versneden onder invloed van riviertjes zoals de Geleenbeek, de Rode Beek en kleinere beeklopen. Een deel van deze waterlopen op de terrassen is niet (meer) permanent watervoerend. Tijdens de ijstijden is dit hele landschap afgedekt door löss in een complexe cyclus van depositie en erosie. Löss is in oorsprong een eolisch sediment dat is afgezet tijdens periglaciale condities. 15 Het is een vaak homogeen sediment, waarin vaak geen of weinig gelaagdheid te zien is, in ieder geval in primaire sedimentologische context. 16 Hoewel tijdens eerdere ijstijden ook depositie van löss (en dekzand) zal hebben plaatsgevonden, zijn deze afzettingen waarschijnlijk grotendeels verdwenen als gevolg van erosie. Lokaal kunnen echter in sedimentvallen ‘pockets’ van deze oudere sedimenten bewaard zijn gebleven. De vondsten van mogelijk 500.000 jaar oude artefacten uit Kesselt worden verondersteld om in dergelijke, oudere afzettingen te zijn aangetroffen. Het overgrote deel van de löss in Zuid-Limburg dateert van de laatste twee ijstijden, Saale en Weichsel. In de huidige indeling worden alle lössafzettingen gerekend tot de Formatie van Boxtel, het Laagpakket van Schimmert. 17 Gedurende het Laat-Holoceen is de oorzaak van erosie voornamelijk van antropogene aard. In het Holoceen raakt het gebied bedekt met dichte loofbossen.
Om het gebied in cultuur te brengen worden deze bossen op de plateaus gekapt om ruimte te maken voor nederzettingen en voort slash and burn landbouw. De dalen in het heuvelland zijn vaak te smal voor de exploitatiesystemen van deze vroege landbouwers. Dit veroorzaakt in de dalen een cyclus van erosie van sediment, afgewisseld met sedimentatie onder invloed van periodieke ontbossing ten behoeve van akkerbouw en de daarmee gepaard gaande versnelde bodemerosie. Uit archeologisch vondstmateriaal blijkt dat de vorming van colluvium in late fasen van het Holoceen in hoge mate gerelateerd is aan ontginningsfasen van vruchtbare lössplateaus. Deze ontginningen dateren uit de Late IJzertijd, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. 18 Het op deze wijze in de dalen afgezette sediment, bestaande uit secundair afgezette löss met lokaal bijmenging van zand en grind, wordt colluvium genoemd. De term colluvium is niet eenduidig gedefinieerd, 19 maar in de context van dit rapport wordt uitgegaan van de omschrijving, ‘hellingafzettingen die het gevolg zijn van antropogeen handelen’. 20 Vanaf de 20e eeuw worden de plateaus en terrassen steeds intensiever gebruikt voor de landbouw, met veeteelt op de hellingen en akkers gelegen op minder steile hellingen en op plateaus.
Ruilverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw zorgen voor een exponentiële toename van erosie, doordat graften, meidoornhagen en andere landschappelijke elementen worden opgeofferd aan schaalvergroting. Door overmatig ploegen en het berijden met zware machines is de erosie van löss in de afgelopen decennia enorm toegenomen. 21 In de traditionele, lithogenetische indeling van lösssedimenten in Nederland worden in de Limburgse lössafzettingen drie verschillende pakketten onderscheiden: de Onderste Löss, de Middelste Löss en de Bovenste Löss. De onderste van deze drie lagen wordt toegewezen aan de Saale ijstijd, de andere twee worden gerekend tot afzettingen uit de Weichsel ijstijd. 22 De Onderste Löss is afgezet tijdens het Saale (circa 238.000 – 126.000 BP) en vertoont in de top kenmerken van bodemontwikkeling die wordt gedateerd in het Eem (circa 126.000 – 116.000 BP), de interglaciaal tussen het Saale en het Weichsel. 23 De Middelste Löss dateert in het Onder- en Midden-Pleniglaciaal (circa 73.000 – 20.000 BP) van het Weichsel, een periode waarin temperaturen en neerslaghoeveelheden steeds verder dalen totdat de climax van het Laat-Glaciaal Maximum bereikt wordt. Deze door lokale verspoeling veelal gelaagde afzettingen zijn door de combinatie van bodemvocht en periodieke bevriezing vaak sterk door cryoturbatie aangetast.
In dat geval wordt de basis van de Middelste Löss gekenmerkt door gelige löss, vaak liggend op een (complex van) zand- en grindlagen. Dit hele pakket is sterk beïnvloed door periglaciale processen en vertoont veel cryoturbate verschijnselen.
15
Berendsen 2004. Vleeshouwer & Damoiseaux 1990. 17 TNO-GDN 2022b. 18 Paulussen 2013. 19 Kleber 2006. 20 Zepp 2004. 21 Berendsen e.a. 2019; 164. 22 Berendsen 2004. 23 Gullentops 1954. 16
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 21 van 58
Figuur 6. Onderzoeks- en plangebied op de bodemkaart van Nederland (bron: Dinoloket).
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 22 van 58 De Bovenste Löss dateert uit het Boven-Pleniglaciaal, de climax van het Laat-Glaciaal Maximum en de daaropvolgende temperatuurstijging. De overgang van de Middelste naar de Bovenste Löss wordt gekenmerkt door een goed herkenbare, sterk gedeformeerde, grijze laag, met veel Fe-vlekken, de Getongde Horizont van Nagelbeek. 24 In de top van deze afzettingen heeft zich in het Holoceen een dikke bodem gevormd. De oorspronkelijke Ahorizont en de E-horizont van deze zogenaamde luvisol of leembrikgrond is als gevolg van erosie en landbewerking vaak verdwenen, maar de Bt-horizont is doorgaans nog aanwezig. De huidige bouwvoor (ABp-horizont) ligt dan met een scherpe overgang direct op deze laag. Dergelijke geërodeerde bodems worden aangeduid als bergbrikgronden. 25
3.1.2 Geomorfologie 26 De geomorfologische kaart (Figuur 5) geeft aan dat het grootste deel van het plangebied bestaat uit een beekdalbodem (code LR42). Deze zone begrenst de oorspronkelijke ruimtelijke spreiding van het stroomdal van de Geleenbeek. Ten westen daarvan wordt deze zone begrensd door een lösswand (code A51), die de zacht glooiende dalwand vormt van de insnijding in de terrasafzettingen van het Graetheide Plateau. In het noordelijke deel van het gebied wordt deze geomorfologische eenheid ook aan de oostkant van het beekdal aangetroffen, waar het dal van de Geleenbeek zich opent en de rand van het Plateau van Doenrade terugwijkt. Het Figuur 7. De samenloop van de Geleenbeek en de Keutelbeek. zuidelijke deel van de oostkant van het plangebied bestaat uit een afbraakwand (code A41) doorsneden door enkele droogdalen (code R21). Dit deel van het gebied wordt gevormd door de helling van de rand van het Plateau van Doenrade en is aanzienlijk steiler dan de westelijke dalrand. De geomorfologische kaart laat de bebouwde kom van Oud-Geleen ongekarteerd. Op basis van onder andere het AHN-beeld (Figuur 8), de kadastrale minuutplannen (Figuur 16) en recent onderzoek 27 blijkt echter dat het dal van de Geleenbeek in het noordwestelijke deel van het plangebied samenkomt met het veel minder diep ingesneden dal van de Keutelbeek.
Deze vloeit (tegenwoordig overkluisd) ter hoogte van de kruising met de Beekstraat in de Geleenbeek.
3.1.3 Bodemkunde De bodemkundige eenheden op de Bodemkaart van Nederland correleren sterk met de verschillende geomorfologische eenheden (Figuur 6). De beekdalbodem wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van kalkloze poldervaaggronden, lichte zavel (code Rn15C). Dit zijn relatief jonge bodems zonder een goed ontwikkeld profiel, gevormd in fluviatiele afzettingen. Ze bestaan doorgaans uit een Ap-C-profiel, waarbij de A-horizont door antropogeen ingrijpen sterke gemodificeerd is. De bodemkaart vermeldt profielverloop 5, hetgeen betekent dat er sprake is van weinig tot geen profielverloop binnen de bovenste 80 centimeter. Er is weinig variatie in korrelgrootte en/of het lutumgehalte van het sediment. 28 De grondwaterspiegel is in dit deel van het plangebied voor de hand liggend relatief hoog.
24
Tysmans et al. 2009; Vandenberghe et al. 1998; Haesaerts et al. 1981. De Bakker & Schelling 1989. 26 Maas e.a. 2019. 27 Vaessen 2021. 28 Steur & Heijink 1991. 25
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 23 van 58
Figuur 8. Het onderzoeks- en plangebied op de hillshade-projectie van het AHN (bron: Arcgisonline).
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 24 van 58 Niet alleen zorgt de aanwezigheid van de Geleenbeek zelf voor relatief hoge grondwaterstanden, het plangebied wordt ook beïnvloed door hemel- en grondwater. De bodem is in dit deel van het plangebied daarom (vrijwel) volledig gereduceerd. Aan de voet van de helling ten westen en ten oosten van de poldervaaggronden ligt een zone die is gekarteerd als ooivaaggronden, siltige leem, colluvium in dal (code Ldd6). Ook dit zijn relatief jonge bodems met een Ap-C-profiel, maar ze ontstaan in iets hogere gebieden dan de poldervaaggronden. Als gevolg daarvan worden zij gekenmerkt door de aanwezigheid van roestverschijnselen. De grondwaterspiegel is bij ooivaagggronden lager dan bij poldervaaggronden, waardoor ijzerdeeltjes die aan de sedimentpartikels hechten in Figuur 9. Verspreidingskaart van middenpaleolithische vondsten in Zuid-Limburg (bron: Verhet bovenste deel van het bodemprofiel hoeven, Raczynski-Henk & Paulussen 2020). de kans krijgen om de oxideren. Zoals de omschrijving al aangeeft zijn deze bodems gevormd in colluvium. In het noorden van het plangebied bestaat de bodem aan de oostkant van de beekdalbodem voor een klein deel uit radebrikgronden (code BLd6). Dit zijn goed ontwikkelde bodems met een Ap-E-Bt-C-profiel die ontstaan in löss.
Het zijn oude, diep ontwikkelde bodems met een B-horizont die wordt gekenmerkt door de inspoeling van lutum en klei uit de bovenliggende E-horizont. 29 In het zuidoostelijke deel van het plangebied, in de zone die correspondeert met de afbraakwand, worden bergbrikgronden gekarteerd. Hun genese is vergelijkbaar met die van radebrikgronden, maar aangezien zijn op steilere hellingen ontstaan, is de top van het bodemprofiel als gevolg van erosie (zowel door natuurlijke als antropogene factoren) doorgaans verdwenen. De Bt-horizont blijft vaak bewaard, aangezien die als gevolg van inspoeling compacter en harder is, waardoor hij beter bestand is tegen erosie. Bergbrikgronden hebben vaak een Ap-Bt-C-profiel.
3.1.4 AHN-analyse Als gevolg van de ligging aan de rand van het Heuvelland varieert de maaiveldhoogte in het plangebied sterk (Figuur 8). Het verhang van de Geleenbeek binnen het plangebied bedraagt meer dan een meter en verloopt van zuid naar noord van circa 54,60 naar 92,90 meter boven NAP. De NAP-hoogte van de westelijke rand van het plangebied ligt rond de 55,00 meter boven zeeniveau. Het hoogste deel van het plangebied in het oosten ligt op de helling van het Plateau van Doenrade en bedraagt net geen 75,00 meter boven NAP. Zoals hierboven aangestipt, is het dal van de Keutelbeek en de samenvloeiing met de Geleenbeek op het AHN goed zichtbaar.
3.2
Synthese aardkundig kader
De Geleenbeek vormt ter hoogte van het plangebied de noordwestelijke grens tussen het Plateau van Doenrade in het oosten en het Graetheide Plateau in het westen. De rand van het Plateau van Doenrade in het zuidoostelijke deel van het plangebied, en de minder uitgesproken rand van het Plateau van Graetheide hebben als brongebied gediend voor colluviumafzettingen van verschillende dikte die met name in het zuidelijke deel
29
De Bakker & Schelling 1966.
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 25 van 58 van het plangebied voorkomen. De Geleenbeek heeft hierin een beekdal uitgesleten, dat in het noorden ‘opengaat’ als gevolg van het naar het oosten afbuigen van de rand van het Plateau van Doenrade. De lagere delen van het plangebied worden in het zuiden gekenmerkt door zwak ontwikkelde vaaggronden, gevormd in fluviatiele en colluviale afzettingen. Het noordoostelijke deel wordt gekenmerkt door brikgronden die in lössafzettingen zijn gevormd. In het uiterste noorden betreft dat een kleine zone met (redelijk intacte radebrikgronden, op de hellingen in het zuidwesten gaat het om afgetopte bergbrikgronden. De voorgenomen ingrepen zijn, hoewel niet in detail bekend, vrijwel uitsluitend gepland ten westen van de huidige beek. Dat betekent dat de polder- en ooivaaggronden in het beekdal en aan de voet Figuur 10. Het Magdalénien kamp van Sweikhuizen-Groene Paal. De locatie van de tent is door midden van arcering aangegeven (bron: Arts & Deeben 1987). van de hellingen van het Graetheide Plateau voornamelijk relevant zijn met betrekking tot eventueel vervolgonderzoek.
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 26 van 58
4 Archeologisch en historisch kader 4.1
Inleiding
Tijdens het onderzoek naar de bekende archeologische gegevens binnen het onderzoeksgebied zijn de volgende (hoofd)bronnen gebruikt: − archeologisch informatiesysteem (Archis 3.0); 30 − relevante archeologische onderzoeksrapporten via https://easy.dans.knaw.nl; − gemeentelijke archeologische waarden- en beleidskaarten; 31 − relevante literatuur; − de heemkundevereniging Geleen, met hartelijke dank aan de heer en mevrouw Buchem en de heer Hoogenboom.
4.2
Archeologische geschiedenis van de omgeving van het plangebied
4.2.1 Paleolithicum en Mesolithicum In het Heuvelland van Zuid-Limburg zijn een groot aantal vindplaatsen uit het Midden-Paleolithicum, de periode van de Neanderthalers, bekend. Veel van die vindplaatsen zijn gesitueerd op de randen van plateaus, waar de jager-verzamelaars een goed uitzicht hadden over het gebied, liefst in de buurt van water, uiteraard voor drinkwater, maar ook omdat wild eveneens afhankelijk is van water. Wanneer wild aan het drinken is, is het makkelijker te vangen, zeker wanneer het water zelf als hinderlaag wordt gebruikt. 32 Uit (de onmiddellijke omgeving van) het plangebied zijn geen vondsten uit deze periode bekend, maar uit het gebied rondom het plangebied zijn vele tientallen middenpaleolithische vondstmeldingen bekend (Figuur 9). 33 In 2014 is, op een afstand van ongeveer 8 kilometer, in het tracé van de N300 een Neanderthalervindplaats opgegraven, waaruit blijkt dat deze mensen hun onmiddellijke omgeving intensief exploiteerden. 34 Hoewel deze vindplaats buiten de grenzen van het onderzoeksgebied ligt, is de Magdalénien-vindplaats van Sweikhuizen-Groene Paal de moeite waard om genoemd te worden. Het is de eerste Jong-Paleolithische vindplaats die in Nederland is opgegraven, en ze ligt op het plateau, aan het begin van een droogdal uitkijkend over het Geleenbeekdal.
35 Op deze vindplaats zijn aanwijzingen voor een tent gevonden in de vorm van een ring van relatief grote stenen die waarschijnlijk zijn gebruikt om het ‘tentdoek’, dat waarschijnlijk van huiden gemaakt was, te verzwaren (Figuur 10). 36 Later zijn langs dezelfde plateaurand, op maar een paar honderd meter afstand van Groene Paal twee andere Magdalénien-vindplaatsen ontdekt, en het opvallende is dat er refits gemaakt kunnen worden tussen artefacten van verschillende van deze vindplaatsen, hetgeen suggereert dat ze in verband met elkaar staan. 37 Naast artefacten van vuursteen gebruiken deze jager-verzamelaars veel kwartsiet, dat ze lokaal uit de terrasafzettingen aan de voet van hun kampement hebben gehaald. De ligging op de rand van het dal bood hun uitzicht over het Graetheide Plateau, zodat ze hun prooidieren (paarden en rendieren) vroeg konden spotten, en de nabijheid van de Geleenbeek zorgde voor een constante bron van water. Uit het dal van de Geleenbeek ter hoogte van het plangebied zijn geen artefacten uit het Paleolithicum of Mesolithicum bekend. Juist deze locatie, aan de voet van de terrassen van het Plateau van Doenrade, is echter bij uitstek het soort terrein waar de jager-verzamelaars uit het Pleistoceen en de eerste helft van het Holoceen zich heel graag ophielden.
De aanwezigheid van Magdalénien-vindplaatsen, maar zeker in combinatie met de mesolithische spits die eveneens van de plateaurand afkomstig is, zijn wel duidelijke aanwijzingen dat het beekdal en zijn omgeving door prehistorische jager-verzamelaars tenminste vanaf het Jong-Paleolithicum intensief gebruikt is geweest.
30
http://archis.cultureelerfgoed.nl. Verhoeven & Ellenkamp 2010, Van Putten, Tolboom & Geerts 2010. 32 Zie bijvoorbeeld Voormolen 2008. 33 Raczynski-Henk 2020, Verhoeven 2020. 34 Raczynski-Henk e.a. 2018. 35 Deeben & Rensink 2005. 36 Arts & Deeben 1987. 37 Sweikhuizen-Oude Stort zo’n 400 meter ten westen, en Sweikhuizen-Koolweg op 200 meter ten oosten van Groene Paal. 31
www.bodac.nl Bureauonderzoek Archeologie - Herinrichting Geleenbeek Corio-Glana, highlight 16 en 17, Geleen, gemeente Sittard - Geleen
Pagina 27 van 58
4.2.2 Lineaire Bandkeramiek Geleen staat van oudsher bekend vanwege de vele vindplaatsen van de Lineaire Bandkeramiek. De stad speelt dan ook een belangrijke rol in het al aangehaalde synthesewerk ‘Vergeten Bandkeramiek’. 38 Het Graetheide Plateau, waarop Geleen gelegen is, zit helemaal vol met nederzettingen van de Lineaire Bandkeramiek en het is opvallend dat de Geleenbeek een duidelijk grens is geweest voor de bandkeramische boeren. Ten oosten ervan zijn vrijwel geen vondsten uit deze periode bekend (Figuur 11). Het is in het Vroeg-Neolithicum druk geweest op het Graetheide Plateau. Alhoewel ze niet allemaal gelijktijdig zijn, moeten bandkeramische gemeenschappen soms op slechts een paar honderd meter van elkaar af gewoond hebben. Langs de westelijke rand van het Geleenbeekdal ligt, ter hoogte van het onderzoeksgebied, dan ook een bijna continue strook met bandkeramische nederzettingen, in het noordwesten geflankeerd door een nieuwe reeks dorpjes (Figuur 12). Dit past in een patroon van ontwikkeling in de loop der tijd, waarbij de oudste nederzettingen, gesticht door de eerste kolonisators van het gebied, zich vestigen op de rand van een plateau, dicht bij een beek en georiënteerd op het zuid(west)en. Later trekken de boeren dan verder het plateau op, om daar nieuwe dorpjes te stichten.
4.2.3 Metaaltijden Vindplaatsen uit de Bronstijd zijn schaars in (de omgeving van) het plangebied. Enkele grafvelden en sporen Figuur 11. LBK waarnemingen in Limburg, met het plangebied in de rode ellips. De ‘lege’ van nederzettingsterreinen in Sittard, plek in het midden van het Graetheide Plateau is het Chemelot terrein (bron: Van Wijk, maar dat is relatief ver van het plange- Amkreutz & van de Velde 2014; 78). bied verwijderd. In recente jaren zijn met name langs de Geleenbeek verschillende nederzettingen uit de Vroege en Midden-IJzertijd ontdekt en onderzocht, deels in de context van andere fasen van de herinrichting van de Geleenbeek. 39 De bewoning vond plaats op de nog relatief droge oeverafzettingen in het beekdal, en daarbuiten, op de lösswand (Figuur 13).
38 39
Van Wijk, Amkreutz & van de Velde 2014. Zie bijvoorbeeld Rondags 2020, Sprengers 2016.