03-2 Unilocatie Grevenbicht-Obbicht_Toelichting - Bijlagen 1-10
Tekst van het document
Met name vanuit de aspecten draagvlak vanuit beide dorpen, de nadelige effecten op de leefbaarheid in Grevenbicht, de levensvatbaarheid van de voorzieningen op lange termijn (als gevolg van de afnemende leefbaarheid in Grevenbicht), de ontsluiting en de verkeersveiligheid is deze locatie geen reëel alternatief. Bovendien is deze locatie (net als de locatie in het middengebied) buiten het bestaand stedelijk gebied gelegen. Er is sprake van een behoefte aan een integraal concept voor onderwijs, ontwikkeling, sport/beweging en opvang voor kinderen van 0 tot 12 jaar, waarin binnen het bestaand stedelijk gebied niet kan worden voorzien. Dit concept vraagt namelijk om een clustering van onderwijs-, opvang- en sportfaciliteiten op één locatie,
ADVIES/ Onderbouwing unilocatie onderwijs en sport Grevenbicht-Obbicht
19
Stap
Toetsing
Toelichting hetgeen nergens binnen het bestaand stedelijk gebied van Grevenbicht of Obbicht gerealiseerd kan worden.
ADVIES/ Onderbouwing unilocatie onderwijs en sport Grevenbicht-Obbicht
20
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Bijlage 3 Archeologisch vooronderzoek
99
RAAP-RAPPORT 4072
Proefsleuvenonderzoek in plangebied Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht Gemeente Sittard-Geleen Archeologisch vooronderzoek
Colofon
Titel: Proefsleuvenonderzoek in plangebied Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, een archeologisch vooronderzoek Versie: 15-10-2019 Auteur: drs. G. Tichelman Projectcode: GECOS3 Bestandsnaam: RAAPrap_4072_GECOS3_20191015 Autorisatie: dr. M.P.F. Verhoeven
ISSN: 0925-6229
RAAP Leeuwenveldseweg 5b
Telefoon: 0294-491 500
1382 LV Weesp
E-mail: raap@raap.nl
Postbus 5069
Website: www.raap.nl
1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2019 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Samenvatting In opdracht van de gemeente Sittard-Geleen heeft RAAP van 11 tot en met 20 maart een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het kader van het project ‘Unilocatie COS-terrein GrevenbichtObbicht’ in de gemeente Sittard-Geleen. Het doel van het proefsleuvenonderzoek was het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein. Hiertoe was het noodzakelijk inzicht te krijgen in de precieze aard en omvang van de te verwachte/of bekende vindplaatsen. In het verlengde daarvan wordt uiteengezet wat de consequenties zijn van de onderzoeksresultaten voor de verdere planvorming in het plangebied. Aan de hand van een bureau- en verkennend booronderzoek uit 2019 was reeds bekend dat direct rondom het plangebied volgens ARCHIS drie archeologisch waardevolle terreinen liggen en 46 archeologische meldingen, terwijl ook nog eens diverse vondsten door amateurs bekend zijn die nog niet in ARCHIS waren opgenomen. Het booronderzoek maakte tevens duidelijk dat de bodems in het gebied intact waren. Het gaat om een gebied met een pakket kleiige oeverafzettingen op zand en grind van het Maasterras. Het grind en zand is afgezet gedurende het Pleistoceen, terwijl de kleien tijdens het Holoceen zijn afgezet. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn verspreid over het plangebied 41 proefsleuven aangelegd met 2
een totaal oppervlak van 4100 m . Dit komt neer op een dekkingsgraad van 10% van het totale plangebied. Verspreid over de proefsleuven zijn verschillende archeologische resten van drie vindplaatsen aangetroffen. Vindplaats 1 bestaat uit de resten van een veldbrandoven uit de nieuwe tijd en kuilen met baksteenpuin uit de veldbrandoven(s). De vindplaats ligt in het uiterste noorden van het plangebied en heeft binnen 2
het plangebied een omvang van circa 75 x 17 m (1.275 m ). De sporen bevinden zich min of meer direct onder het huidige maaiveld. De vindplaats is zowel in horizontale als verticale zin niet meer gaaf aanwezig. De conservering is middelmatig. De vindplaats is niet zeldzaam, heeft een lage informatiewaarde en een gemiddelde ensemblewaarde. Vindplaats 2 bestaat uit nederzettingsresten uit de Romeinse tijd en of de vroege middeleeuwen, hoogstwaarschijnlijk uit de laat-Romeinse tijd en of de Merovingische periode. Vindplaats 2 neemt de gehele zuidelijke helft van het plangebied in: binnen het plangebied een gebied van circa 150 x 120 m (1,8 ha). De sporen zijn direct onder de bouwvoor herkenbaar. Met uitzondering van de direct ten westen liggende Kempenweg is de vindplaats gaaf aanwezig. De conservering van grondsporen varieert van slecht tot goed, de conservering van het vondstmateriaal van redelijk tot goed. De vindplaats is zeldzaam, heeft een middelmatige informatiewaarde en een hoge ensemblewaarde. Mogelijk bevindt zich ter hoogte van vindplaats 2 een oudere bewoningsfase, die vindplaats 3 wordt genoemd. Het gaat om drie sporen die iets dieper onder de bouwvoor herkenbaar waren (circa 60-70 cm onder het huidige maaiveld), maar ook gewoon tot vindplaats 2 kunnen behoren.
De omvang van de vindplaats is onbekend, omdat het vlak binnen vindplaats 2 niet verder werd verdiept als sporen (direct onder de bouwvoor) werden vastgesteld. Op basis van de waardering van de aangetroffen archeologische resten, waarbij is gekeken naar zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats, wordt geconcludeerd dat vindplaats 1 niet-
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[3]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
behoudenswaardig is maar vindplaats 2 wel. Vindplaats 3 kan niet gewaardeerd worden, omdat de vindplaats nauwelijks is onderzocht en de aard, omvang en datering van de vindplaats onzeker blijven. Indien hier inderdaad een oudere vindplaats aanwezig is, dan is deze vindplaats hoogstwaarschijnlijk ook behoudenswaardig. Het selectieadvies luidt: -
ter hoogte van vindplaats 1 en zones waar geen vindplaats is aangetroffen (geel en wit in figuur 27) geldt dat bij ontwikkeling geen verdere onderzoeksplicht bestaat (vrijgave voor ontwikkeling). Indien bij ontwikkeling vondsten worden aangetroffen, is de ontwikkelaar wel deze aan te melden bij het bevoegd gezag.
-
ter hoogte van vindplaats 2 (en 3; oranje in figuur 27) geldt in principe dat de vindplaats in situ behouden moet worden (planaanpassing). Een vindplaats in situ behouden kan ook door het gebied voldoende op te hogen, voorafgaand aan de ontwikkeling. Deze ophoging moet dan zodanig zijn, dat bij ontwikkeling niet tot in de bouwvoor gegraven wordt. Indien in situ geen optie is, is een nader onderzoek (opgraving) nodig, voorafgaand aan de ontwikkeling.
.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[4]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 5 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 6 1.1 Administratieve gegevens ..................................................................................................................... 9 1.2 Voorgaand onderzoek .......................................................................................................................... 9 1.3 Doelstellingen en onderzoeksvragen ....................................................................................................14
2 Methoden ....................................................................................................................................... 15 2.1 Algemeen ...........................................................................................................................................15 2.2 Werkputten en werkwijze .....................................................................................................................15 2.3 Documentatie en registratie .................................................................................................................16 2.4 Behandeling van sporen ......................................................................................................................17 2.5 Behandeling van vondsten ...................................................................................................................17 2.6 Behandeling van profielen ...................................................................................................................17 2.7 Bemonstering .....................................................................................................................................18 2.8 Uitwerking ..........................................................................................................................................18 2.9 Afwijking en aanpassing van de
onderzoeksstrategie ............................................................................18
3 Resultaten ...................................................................................................................................... 19 3.1 Landschap en stratigrafie ....................................................................................................................19 3.2 Sporen en structuren ...........................................................................................................................24 3.3 Vondsten ............................................................................................................................................35 3.4 Monsters ............................................................................................................................................42 3.5 Interpretatie ........................................................................................................................................43 3.6 Waardestelling ....................................................................................................................................45 3.7 Beantwoording van de onderzoeksvragen ............................................................................................48
4 Conclusie ....................................................................................................................................... 54 5 Selectieadvies ................................................................................................................................ 56 Literatuur .......................................................................................................................................... 57 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ..................................................................... 59
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[5]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
1 Inleiding In opdracht van de gemeente Sittard-Geleen heeft RAAP van 11 tot en met 20 maart 2019 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het kader van het project ‘Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht’ in de gemeente Sittard-Geleen (figuur 1). Het plangebied heeft een grootte van 2
40.500 m . Het onderzoek was noodzakelijk in verband met de voorgenomen werkzaamheden die een bedreiging kunnen vormen voor eventueel in de ondergrond aanwezige archeologische resten.
Figuur 1. De ligging van het plangebied. Inzet: ligging in Nederland (ster).
Aanleiding voor dit onderzoek vormt het voornemen van de gemeente Sittard-Geleen om in het plangebied een school en sportcentrum te bouwen (Osinga e.a., 2015). Details zijn in deze vroege fase van de planvorming nog niet bekend. Voor een globaal inrichtingsplan, zie figuur 2. Het mag
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[6]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
aangenomen worden dat gebouwen voor zover deze niet onderkelderd worden, minimaal tot een diepte van 80 cm worden gefundeerd (vereist voor vorstvrije fundering). Om sportvelden te kunnen aanleggen moet het terrein vlak zijn, wat gezien de hoogteligging nu nog niet het geval is. Dat kan door het terrein te egaliseren door de hoogste delen af te graven en de laagste delen op te hogen, of door de laagste delen alleen op te hogen met grond van elders. Waarschijnlijk is ook een drainage ten behoeve van de sportvelden noodzakelijk. Een waterberging in de zuidwestelijke hoek van het plangebied zal vermoedelijk eveneens met graafwerk gepaard gaan (niet op figuur 2). Omdat deze ontwikkeling een bedreiging vormt voor eventueel in de bodem aanwezige archeologische resten, is het noodzakelijk om voorafgaand aan de ontwikkeling inzicht te krijgen in de archeologische waarde van het terrein. Hiertoe is een waarderend proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL4000, conform artikel 5.4 van de erfgoedwet. Onderzoeksdocumentatie en vondstmateriaal zullen worden overgedragen aan het depot van de provincie Limburg. Voorafgaand aan het onderzoek is, conform de KNA een programma van Eisen 1
(PvE) opgesteld (Rondags 2019). Dit PvE diende als uitgangspunt voor het onderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep. De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), geldt in de praktijk als norm. RAAP is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, 4004 Opgraven (landbodems) en 4006 Specialistisch onderzoek. Zie bijlage 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden.
1
Rondags & Tichelman 2019
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[7]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 2. Het plangebied met voorlopige inrichting op topografische achtergrond (bron: Osinga e.a., 2015).
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[8]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
1.1 Administratieve gegevens Plangebied
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht
Opdrachtgever
gemeente Sittard-Geleen
Contactpersoon opdrachtgever
Bert Pex
Bevoegde overheid
Gemeente Sittard-Geleen
Contactpersoon bevoegde overheid
Marion Aarts
Plaats
Grevenbicht
Gemeente
Sittard-Geleen
Provincie
Limburg
Coördinaten
182560/338360
Toponiem
Frankenstraat/Kempenweg
Periode veldwerk
11 – 20 maart 2019
Projectleider
Drs. G. Tichelman
Projectmedewerkers
R. Vaessen, M.A.E. Veldman & K. Lommertzen
Onderzoeksmeldingsnummer
4674116100
Bewaarplaats vondsten
RAAP Zuid
Bewaarplaats documentatie
RAAP Zuid
Tabel 1. Administratieve gegevens.
1.2 Voorgaand onderzoek Soort onderzoek
Uitvoerder
Uitvoeringsperiode
Rapportage
Bureau- en inventariserend veldonderzoek(verkennende boringen en oppervlaktekartering)
RAAP
juli 2018
Ruijters, 2019.
Tabel 2. Overzicht van voorgaande voor het plangebied relevante onderzoeken.
De volgende samenvatting is gebaseerd op het rapport van Ruijters. Het plangebied ligt op het Jonge Dryasterras, circa 800 m ten oosten van de Maas. De basis van de afzettingen bestaat uit grind en zand uit de Jonge Dryas. Dit grindterras wordt afgedekt met kleiige oeverafzettingen uit het Vroeg Holoceen, die aan het maaiveld liggen. Het booronderzoek bevestigde dat de basis van het profiel uit grind bestaat, dat waarschijnlijk door de vlechtende Maas is afgezet in de Jonge Dryas. Hier bovenop bevond zich een kleipakket, soms met ertussen nog een laag kleiig zand. Binnen het kleipakket zelf werden soms ook grindjes bemerkt. De zanden en kleien worden als oeverafzettingen van de holocene Maas geïnterpreteerd. Nadat de Maas zich aan het begin van het Holoceen insneed in het grindterras ten westen van het plangebied, werd op de hoge oevers (het Jonge Dryasterras) in eerste instantie wat grof zand afgezet en daarna vooral kleien. De klei wijst op vrij geringe stroomsnelheden op de oevers. Het hier en daar vastgestelde grind in de klei wijst er echter op dat periodiek ook hevigere stroomsnelheden voorkwamen. Hoe lang de oeverafzettingen al aan het oppervlak liggen is moeilijk te bepalen. In de boringen zijn in ieder geval geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een jong kleidek.
Aangezien uit het gebied vele oppervlaktevondsten uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen komen, is aan te nemen dat het gebied sindsdien nauwelijks overstroomd kan zijn geweest.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[9]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Binnen het plangebied was voorafgaand aan het onderzoek slechts één vindplaats uit ARCHIS3 bekend (zie figuur 3, zaakidnr. 3128369100). Het betreft een inspectie van voormalig provinciaal archeoloog Bloemers op een vroegmiddeleeuws grafveld. Waarschijnlijk gaat het daarbij echter om het grafveld dat 350 m ten oosten van het plangebied is gelegen, zie onder. De melding is vermoedelijk dan ook verkeerd in ARCHIS geplaatst. In de directe omgeving van het plangebied liggen veel archeologische vindplaatsen en drie AMKterreinen (figuur 3, tabel 3 en bijlage 2). Bij twee AMK-terreinen ten zuiden van het plangebied gaat het om een villa-terrein uit de Romeinse tijd en een mogelijke Romeinse weg (AMK-nummers 273 en 8391). Het AMK-terrein ten westen van het plangebied bevat waarschijnlijk sporen van bewoning uit de periode Romeinse tijd tot en met de vroege middeleeuwen (AMK-nummer 8390). Ten oosten van het plangebied, op de hoek van de Frankenstraat en Beelaertstraat, is in de jaren 1930 een Merovingisch grafveld opgegraven, waarbij 64 graven zijn 2
onderzocht. AMK-terrein 273 is in het kader van de AMR (Actualisatie Monumentenregister) onderzocht middels een proefsleuvenonderzoek, maar de resultaten hiervan zijn niet gepubliceerd.
3
Monument
Ligging
Complex
Datering
Materiaal
Diepte
Waarde
273
zuidoostelijk
villa, weg
Romeinse tijd
keramiek, grondsporen, bouwmateriaal
40 cm mv
zeer hoge waarde, beschermd
8391
zuidelijk
villa, weg
Romeinse tijd
onbekend
onbekend
zeer hoge waarde
8390
westelijk
bewoning
Romeinse tijd en vroege middeleeuwen
metaalvondsten
onbekend
zeer hoge waarde
Tabel 3. Overzicht van de bekende archeologische monumenten rond het plangebied.
Uit de directe omgeving (straal 300 m) zijn 46 vondstmeldingen bekend, die soms dezelfde coördinaten bezitten, zodat in ARCHIS3 uiteindelijk 26 vondstlocaties staan geregistreerd (zie figuur 3 en bijlage 2). Een groot deel van deze vindplaatsen heeft betrekking op de AMK-terreinen, maar 14 er van liggen niet binnen één van de AMK-terreinen. Opvallend is dat nagenoeg alle vindplaatsen uit de Romeinse tijd of de vroege middeleeuwen dateren; op slechts één locatie was plek sprake van aardewerk uit de periode late middeleeuwen of nieuwe tijd en één koperen knoop uit de nieuwe tijd.
2 3
Kars, Theuws & De Haas 2016: grafveld Obbicht-Oude Molen. Zaakidentificatie 2144453100, archis-waarneming (archis 2): 20920.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[10]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 3. Overzicht archeologische vindplaatsen volgens ARCHIS3.
Ruijters informeerde zich ook bij de heren Harrie Claessen en Piet Geelen van de heemkundevereniging “Bicht”, hetgeen heel wat extra informatie opleverde. De heer Geelen zoekt de
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[11]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
omgeving van het plangebied al sinds de jaren 1980 af met een metaaldetector. Tot eind jaren 1980 zijn de vondsten telkens via de provinciaal archeoloog bij de Rijksdienst voor Oudheidkundig bodemonderzoek aangemeld en uiteindelijk in ARCHIS3 terecht gekomen, maar daarna niet meer.
4
Aangezien er sinds eind jaren 1980 nog wel het een en ander is gevonden, zijn de gegevens uit ARCHIS3 nog niet volledig. De heer Geelen zelf heeft de belangrijkste vondsten, met name die uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen, bijgehouden op een verspreidingskaart (figuur 4).
Figuur 4. Verspreidingskaart van de vondsten van de heer Geelen in en rondom het plangebied, bijgewerkt (door de heer Geelen) tot eind 2018 (gefotografeerd door M. Ruijters). Het gaat met name om vondsten uit de Romeinse tijd en vroege middeleeuwen. De figuur is ongeveer noordgericht (teksten op de kop).
4
Zijn vondsten waren ook aanleiding om terreinen als AMK-terrein aan te merken. Onlangs zijn de vondsten ook beschreven en gefotografeerd in het kader van het PAN-project (https://www.portable-antiquities.nl/pan/#/public).
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[12]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Het plangebied valt in zijn “zone E”. Op de vondsten in zones A, B, C en D wordt binnen het kader van deze rapportage niet verder ingegaan, maar duidelijk is wel dat zij tot de monumentenstatus van deze gebieden hebben bijgedragen. Een aantal vondsten van Geelen ligt binnen de grenzen van het plangebied (het westelijk deel van zijn “zone E”). De vondsten zijn weergegeven in figuur 5 en tabel 4. De meeste vindplaatsen liggen ten zuiden van het plangebied. Volgens het AHN en de geomorfologische kaart betreft dit een hoger deel van het Jonge Dryasterras, circa 80 cm hoger dan het plangebied. Het villaterrein ligt onder andere op dit iets hoger gelegen deel, dat waarschijnlijk minder gevaar liep om te overstromen. De verspreiding maakt duidelijk dat ook in het plangebied (Romeinse) vondsten gedaan zijn, en dat er langs de oostrand en net ten oosten van het plangebied sprake is van een Romeinse vindplaats.
Figuur 5. Verspreidingskaart van de vondsten van de heer Geelen in zijn “zone E” (waarin ook het plangebied ligt), geclassificeerd op basis van datering. De nummers op de kaart corresponderen met de nummers in tabel 4.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[13]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
nummer
materiaal
vondsten
datering
13
lood
loden kegelvormig gewicht met gat
Romeinse tijd
14
koperlegering
munt Aes III
laat-Romeinse tijd (4e eeuw)
16
koperlegering
ronde schijf
Romeinse tijd tot nieuwe tijd
17
koperlegering
fibula
Romeinse tijd
19
koperlegering
medaillon Septimus Severus
Romeinse tijd
24
koperlegering
plaatje met gat en scharnierpunten
Romeinse tijd tot nieuwe tijd
25
koperlegering
fibula
Romeinse tijd
26
koperlegering
fibula
Romeinse tijd
28
koperlegering
fragment sleutel?
Romeinse tijd tot nieuwe tijd
Tabel 4. Overzicht van de vondsten die de heer Geelen in het plangebied heeft aangetroffen. De nummers in de tabel corresponderen met de nummers op figuur 5.
Minstens sinds het begin van de 19e eeuw is het gebied grotendeels als akkerland in gebruik, terwijl sommige percelen in de 20e eeuw ook als weiland of boomgaard in gebruik waren. De wegen rondom het plangebied bestaan eveneens al vanaf het begin van de 19e eeuw, maar zijn vermoedelijk nog ouder. In de zuidoostelijke hoek loopt een veldweg door het plangebied, die vermoedelijk tijdens de ruilverkaveling is verdwenen. Bebouwing is op historische kaarten niet terug te vinden. Ruijters concludeerde dat voor het gebied een hoge verwachting voor archeologische vindplaatsen uit diverse perioden bestaat. Vanwege de ligging langs een restgeul kunnen kampementen uit het mesolithicum (vuursteenverspreidingen) worden verwacht. De kans is echter groot dat het mesolithische loopvlak in de bouwvoor is opgenomen en eventuele mesolithische vindplaatsen dus niet, of slecht bewaard zijn. Vanwege de hoge vruchtbaarheid en goede ontwatering worden ook nederzettingen of grafvelden uit de perioden neolithicum tot en met vroege middeleeuwen verwacht. Voor de zuidoostelijke hoek geldt met name een hoge archeologische verwachting voor bebouwing uit de Romeinse tijd, aangezien hier tijdens een beperkte oppervlaktekartering Romeins dakpanmateriaal werd gevonden. Vindplaatsen uit het paleolithicum, de volle- en late middeleeuwen en de nieuwe tijd zijn volgens Ruijters niet te verwachten.
1.3 Doelstellingen en onderzoeksvragen Omdat de precieze aard van de vindplaats binnen het plangebied niet duidelijk is geworden uit het vooronderzoek is aanbevolen om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Het doel van dit proefsleuvenonderzoek is inzicht te krijgen in de precieze aard, omvang, diepteligging en datering van de vindplaatsen, en te bepalen of het gaat om behoudenswaardige vindplaatsen. In het Programma van Eisen (PvE, Rondags & Tichelman 2019) zijn hiervoor onderzoeksvragen geformuleerd (zie § 3.7). Bovendien dient duidelijk gemaakt te worden wat de consequenties zijn van de onderzoeksresultaten voor de verdere planvorming in het plangebied.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[14]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
2 Methoden 2.1 Algemeen Zoals uit het vooronderzoek is gebleken, is de kans groot dat binnen het plangebied archeologische resten aanwezig zijn. Omdat met behulp van booronderzoek geen inzicht kan worden verkregen in de precieze aard en herkomst van de vondsten is verder booronderzoek weinig zinvol. Om inzicht te krijgen in de aard van de vindplaats en om vast te stellen of er daadwerkelijk archeologische sporen binnen het plangebied aanwezig zijn en wat de conservering daarvan is, is een proefsleuvenonderzoek een meer geschikte methode.
2.2 Werkputten en werkwijze De werkputten zijn conform het PvE aangelegd. De werkputten zijn volgens een doorlopende reeks genummerd en worden aangeduid met de afkorting WP (bijv. WP 3). In totaal zijn 41 putten aangelegd met een totale oppervlakte van 4.100 m² (zie figuur 6). Tijdens de aanleg vond een uitgebreid metaaldetectoronderzoek plaats: eerst ter hoogte van het maaiveld (na het uitzetten van de putten), vervolgens direct onder de bouwvoor (na verwijdering van de bouwvoor) en in het archeologische vlak (na de aanleg van het vlak). Na het metaaldetectoronderzoek onder de bouwvoor werd per proefsleuf begonnen met een zogenaamd kijkgatprofiel, waarin de lokale stratigrafie bestudeerd kon worden en de diepte van het vlak werd bepaald (zie figuur 6). Vervolgens werd langzaam verdiepend één vlak aangelegd. In het algemeen lag dit vlak tussen 40 en 75 cm onder het huidige maaiveld. Zo lang geen sporen werden vastgesteld, werd het vlak vanwege de verbruining (zie § 3.1.2) iets dieper aangelegd om eventuele twijfel over het missen van grondsporen te voorkomen. Hiervan is men pas zeker als tot op het grindterras zelf wordt verdiept. Dit gebeurde (ten dele) in putten 1, 2, 4 en 22, omdat het Maasterras daar relatief ondiep (45-90 cm) onder het maaiveld lag.
In de andere proefsleuven lag een diepte van het Maasterras meestal tussen 90 en 130 cm onder het huidige maaiveld en in een aantal sleuven zelfs nog dieper: in sleuven 14 en 17 op 145-150 en in sleuven 3, 27 en 35 op 157-170 cm. In deze sleuven werd (zo lang geen sporen werden aangetroffen) het vlak dieper aangelegd, tot circa 40- 60 cm onder de onderkant van de bouwvoor (ca.80-100 cm – mv). Dit gebeurde aan de hand van de textuur (zie § 3.1.2): als de klei erg zandig werd of alleen nog kleiig zand werd aangetroffen, werd gestopt. Aangezien zandige afzettingen in relatief snel stromende milieus worden afgezet en klei in relatief rustigere perioden, kan namelijk gesteld worden dat vanaf een gegeven diepte (sterker zandige lagen) niet meer met bewoning ter plaatse rekening moet worden gehouden. Bij het aantreffen van deze sterker zandige pakketten werd daarom niet langer verdiept. Gezien de aanwezigheid van diverse vindplaatsen uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen direct rondom het onderzoeksgebied en de aanwezigheid van sporen en vondsten uit (minstens) de Romeinse tijd, was al snel duidelijk dat op basis van een zeer hoge ensemblewaarde een behoudenswaardige vindplaats aanwezig was. Na de vlakdocumentatie zijn sporen daarom niet allemaal (conform het PvE) maar selectief gecoupeerd; de sporen kunnen immers beter binnen het kader van een opgraving worden onderzocht.
Aangezien tijdens het veldwerk opviel dat weinig
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[15]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
dateerbare vondsten aanwezig waren (het ging in de meeste gevallen om keramisch bouwmateriaal), is bij het couperen ook steeds houtskool uit de sporen verzameld.
Figuur 6. Overzicht van de proefsleuven en de locatie van de gedocumenteerde profielen.
2.3 Documentatie en registratie In alle werkputten is één vlak aangelegd.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[16]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
De sporen zijn digitaal ingemeten met een RTK-GPS met een maximale afwijking van 1 x 1 x 1 cm. Ook de hoogte van de aangelegde vlakken ten opzichte van NAP is bepaald met een GPS. De ruwe GPSbestanden zijn dagelijks uitgelezen, gecontroleerd en gecorrigeerd. De sporen zijn in een doorlopende reeks over de hele opgraving genummerd en worden aangeduid met een S (bijv. S12). Spoor- en vondstgegevens zijn in het veld ingevoerd in de Odile database. In het algemeen geldt dat sporen en vondsten zijn gedocumenteerd conform specificaties OS04 en OS05 van de BRL4000.
2.4 Behandeling van sporen Om sporen te traceren en sporenclusters zo goed mogelijk te kunnen begrenzen, is het vlak waar nodig tijdens de aanleg handmatig opgeschaafd. Met het oog op het doel van het onderzoek (zoveel mogelijk gegevens verzamelen, maar zo min mogelijk archeologische resten beschadigen), zijn sporen spaarzaam gecoupeerd. Bij het couperen is ervoor gekozen om die sporen te onderzoeken waarbij twijfel bestond over de aard en of de datering van het spoor. Indien mogelijk viel de coupelijn hierbij samen met de profielwand, zodat de stratigrafische positie van het spoor kon worden vastgelegd. De gecoupeerde sporen zijn gefotografeerd en getekend (coupetekening met schaal 1:20). De sporen zijn in een doorlopende reeks genummerd en worden in dit rapport aangeduid met een één- tot viercijferig nummer, voorafgegaan door een S (bijv. S2).
2.5 Behandeling van vondsten Bij de vlakaanleg en bij het couperen van sporen zijn vondsten per spoorvulling verzameld of als puntvondst ingemeten. Bijzondere vondsten, zoals metaalvondsten zijn als puntvondst ingemeten. Voor het verzamelen van metaalvondsten is voor, tijdens en na het aanleggen van de vlakken intensief gebruik gemaakt van een metaaldetector (zier ook § 2.2). De vondsten zijn in een doorlopende reeks genummerd; ze worden in dit rapport aangeduid met een V (bijv. V14).
2.6 Behandeling van profielen De natuurlijke gelaagdheid en de verschillende archeologische niveaus zijn in kaart gebracht door middel van profielkolommen (verspreid over het onderzoeksgebied), die zijn opgeschaafd, gefotografeerd, getekend en beschreven vanaf het maaiveld (figuur 6). Per sleuf zijn twee profielkolommen gedocumenteerd, waarbij er één tot op het Maasterras werd verdiept. Om de landschappelijke ontwikkeling en de bodemopbouw goed te begrijpen, is er naar gestreefd om tijdens het veldwerk de stratigrafische eenheden (lagen) in de verschillende putten direct aan elkaar te koppelen. Ten behoeve hiervan werden diverse spoornummers gereserveerd (tabel 5).
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[17]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
spoor
interpretatie
kleur
textuur
mediaan
6000
grindterras
bruingrijs
siltig grind
zeer grof
6500
oudste oeverafzettingen
bruin
kleiig zand
matig grof
7000
kleiige oeverafzettingen
bruin
zwak zandige klei
-
7005
grindlens
grijs
grind
matig grof
7777
natuurlijke verkleuring
divers
divers
-
8000
jongste kleiige oeverafzettingen
bruin
zwak zandig klei
-
9000
bouwvoor
donkerbruingrijs
sterk zandige klei
-
9999
recente verstoring
divers
divers
-
Tabel 5. Gereserveerde spoornummers tijdens proefsleuvenonderzoek.
2.7 Bemonstering Kansrijke sporen (sporen met zichtbaar verkoold materiaal of sporen met een humeuze vulling) zijn tijdens het onderzoek bemonsterd ten behoeve van bio-archeologisch onderzoek en of 14C-analyse. Monsternummers worden in dit rapport aangeduid met een cijfer voorafgegaan door een M (bijv. M4).
2.8 Uitwerking Documentatie van het onderzoek is na afloop van het onderzoek gecontroleerd. Na afloop van het veldwerk is een laatste controle uitgevoerd en zijn de analoge profiel- en coupetekeningen gedigitaliseerd en de vondsten gewassen en gesplitst per materiaalcategorie. Aan de hand van deze gegevens en het PvE is een evaluatie- en selectierapport opgesteld dat is voorgelegd aan de bevoegde overheid, de depothouder en de opdrachtgever. Hierin is voorgesteld hoe het onderzoek moest worden uitgewerkt. Tevens een voorstel gedaan voor de conservering van kwetsbare vondsten. Na de goedkeuring van het evaluatierapport is dit eindrapport opgesteld. Gedetailleerde spoor- en vondstinformatie is te raadplegen in bijlagen 3 en 4 en het e-depot.
2.9 Afwijking en aanpassing van de onderzoeksstrategie Tijdens het veldonderzoek is op de onderstaande punten afgeweken van de onderzoeksstrategie zoals die in het PvE is omschreven. In het PvE werd geëist dat alle sporen gecoupeerd en afgewerkt worden. Dit is niet gebeurd, omdat snel duidelijk werd dat sprake was van een behoudenswaardige vindplaats en diverse niet goed reconstrueerbare structuren. Deze kunnen beter onderzocht worden binnen een opgraving. Daarom is selectief gecoupeerd: om regelmatig en verspreid over het plangebied meer informatie met betrekking tot de datering en diepte van sporen te kunnen ervaren.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[18]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
3 Resultaten 3.1 Landschap en stratigrafie Een vindplaats kan niet los worden gezien van het landschap waarin hij is gelegen. Voor een correcte interpretatie is het dan ook van belang om de landschappelijke context inzichtelijk te maken. In het onderstaande wordt kort ingegaan op de geologische, geomorfologische en bodemkundige aspecten van het plangebied en directe omgeving.
3.1.1
Geologie en geomorfologie
Het plangebied ligt in een zone met een pakket rivierklei op zand en grind. Het gaat om 5
Maasafzettingen die tot de Formatie van Beegden worden gerekend. Het grind en zand is afgezet gedurende het Pleistoceen, terwijl de kleien tijdens het Holoceen zijn afgezet. Volgens de 6
Maasterrassenkaart ligt het plangebied op het Maasterras van Geistingen. Dit terras is aan het einde van de laatste ijstijd ontstaan, toen de Maas zich iets verder naar het westen insneed in de grindige en zandige afzettingen uit de Jonge Dryas. Vanaf deze tijd werden in het plangebied alleen nog oeverafzettingen afgezet, eerst in de vorm van (matig grof) zand en later in de vorm van klei. In geomorfologisch opzicht ligt het plangebied grotendeels op een dalvlakteterras uit de Jonge Dryas. In het uiterste zuiden bevindt zich een restgeul (zie figuur 7). Het betreft een geul van een meanderend afwateringssysteem, die vermoedelijk is gevormd aan het einde van de laatste ijstijd, toen de Maas zich in haar eigen afzettingen insneed. Geulvullingen zijn tijdens het booronderzoek echter niet aangetroffen. Een dagzomende geulvulling werd wel vastgesteld tijdens het proefsleuvenonderzoek, in sleuf 29. Het gaat hierbij om S23, met grijsbruine matig zandige klei, met insluitsels van houtskool en keramiek.
5 6
Weerts e.a., 2006. Staring Centrum/RGD, 1989b.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[19]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 7. Plangebied op de Geomorfogenetische Kaart van het Maasdal (bron: Isarin e.a., 2015).
3.1.2
Bodemopbouw binnen het plangebied
Om de bodem nader te bestuderen, zijn 82 kolomprofielen gedocumenteerd, waarvan 39 tot in het 7
grindterras zijn gezet (zie ook bijlage 8). De profielen getuigen van een eenvormig beeld: het terras van (zandig) grind werd soms eerst door een dun kleiig zanddek (maximaal 15 cm) afgedekt, en daarna of direct, door een kleipakket. De klei heeft een fining upwards sequentie: de pakketten zijn onderin zandiger en worden naar boven toe steeds kleiiger. Binnen dit pakket zijn nergens stilstandsfases in de vorm van een (oude) ontwikkelde bodem vastgesteld.
7
Alleen in putten 10 en 41 niet. Conform het PvE moest het in minstens 25% van de sleuven gebeuren.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[20]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 8. Kolomprofielen in (van links naar rechts) put 3, put26 en 31. Bv=bouwvoor, Kz1=lichtzandige klei, Kz2=matigzandige klei (g1=zwak grindig), Zkx= kleiig zand, Zs4= sterk siltig zand, G= grind(terras).
Binnen deze algemene stratigrafie zijn er plaatselijke enige verschillen die op enige dynamiek in het gebied wijzen. In de eerste plaats, varieert de diepte van het onderliggende Maasterras redelijk sterk, waarbij soms ook bij twee dichtbij elkaar gelegen putten grote verschillen in diepte (circa 30-70 cm) bestaan. De dikte van de oeverafzettingen (die het landschap in feite egaliseerden) varieert dienovereenkomstig. Opmerkelijk waren verder het soms voorkomen van grind of zelfs lenzen van zand en of grind binnen de kleiige oeverafzettingen, die in enkele profielen werden vastgesteld. Ze wijzen op korte, heftigere overstromingen in een verder relatief rustig milieu, waarbij waarschijnlijk hogere kopjes van zand en grind lokaal verspoeld werden. Dergelijke lenzen, meestal in het bovenste deel van het kleipakket, zijn aangetroffen in kolomprofielen van putten 5, 8, 12, 19, 27, 28, 33 en 35. In bijvoorbeeld put 28 was er een complexe stratigrafie: binnen dezelfde put werd een spoor aangetroffen die door een grindlens (dikte 20 cm) was afgedekt (paalspoor S15) als ook een spoor dat een (andere) grindlens van ongeveer dezelfde dikte doorsneed (S17, zie figuur 16).
Aangezien verder geen doorlopende gelaagdheid kon worden vastgesteld, blijven de chronologie en de dimensies van de diverse afzettingen onduidelijk: het blijft onbekend hoe één of verscheidene overstromingen zich chronologisch ten opzichte van sporen uit één of diverse perioden verhouden.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[21]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 9. Profielkolommen in (van links naar rechts) put 21, 37 en 33. Bv=bouwvoor, Ks4=sterk siltige klei, Kz1=zwak zandige klei, Kz2=matig zandige klei (g1=zwak grindig), Kz3=sterk zandige klei (g2=matig grindig), Zkx=kleiig zand, Zs2=matig siltig zand (g2=matig grindig), Gk1=zwak kleiig grind, G=grind(terras).
Samenvattend, kan gesteld worden dat vanaf het Holoceen in het plangebied kleiige oeverafzettingen werden afgezet, met soms meer of minder insluitsels van zand en of grind. Tot wanneer dit precies gebeurde en of zich hierbij diverse archeologische niveaus hebben gevormd, is onbekend. Aangezien uit het gebied diverse oppervlaktevondsten uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen bekend zijn, lijkt het gebied sindsdien niet meer (of weinig) overstroomd. Dit wordt bevestigd door de diepte waarop sporen zijn vastgesteld: de meeste grondsporen van vindplaats 2 bevinden zich tussen 35 en 50 cm onder het maaiveld. In een vergelijkbare terrasvlakte direct ten westen van de Maas (tegenover Grevenbicht, ter hoogte van Booien-Veurzen in de gemeente Dilsen-Stokkem (BE)), werden vergelijkbare kleipakketten met zand en 8
grindlenzen vastgesteld. Daar werden binnen de kleiafzettingen regelmatig resten van steenkool vastgesteld, die op een relatief jonge datering wijzen in de volle of late middeleeuwen of de nieuwe tijd. Steenkool werd in Nederlands Zuid-Limburg weliswaar reeds gewonnen vanaf de volle middeleeuwen,
8
Ellenkamp 2018.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[22]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
maar steenkoolwinning op een dermate grote schaal dat het rijkelijk in het Maassediment terecht kon e
komen (mijnindustrie), vond pas plaats sinds de 19 eeuw.
9
Steenkool is in het huidige plangebied niet vastgesteld, zodat een pre-industriële datering van de kleiafzettingen zeker is. Een nadere datering van afzettingen kan voorlopig alleen afgeleid worden uit dateerbare archeologische vondsten. Tijdens het onderzoek zijn enkele scherven (n=4) uit de prehistorie (neolithicum-ijzertijd, ofwel 3000 – 20 v.Chr.) gevonden. Verreweg het meeste vondstmateriaal (43 scheven en 68 fragmenten keramisch bouwmateriaal) is Romeins en kan niet nader binnen de Romeinse tijd gedateerd worden (20 v. Chr. - 450 n. Chr.). Enkele scherven kennen e
een laat-Romeinse datering (270-450 n. Chr.) en enkele een mogelijk vroegmiddeleeuwse (5 -7
e
eeuw). Tenslotte, zijn ook nog enkele scherven (n=2) uit de nieuwe tijd (1550-heden) gevonden. Uit de aangetroffen sporen met gerelateerd vondstmateriaal blijkt dat de meeste sporen een datering tussen de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen hebben en dat deze sporen in bijna alle gevallen direct onder het maaiveld liggen (35-50 cm –mv). In slechts enkele gevallen waren sporen niet direct zichtbaar onder de bouwvoor maar afgedekt door een laag klei, of een grindlens. Zo werd in sleuf 28 paalspoor S15 onder een 20 cm dikke grindlens gevonden (60 cm –mv) en (paal?)kuilen S5 en S6 in put 24 onder een circa 30 cm dik kleipakket (70 cm –mv). Verbrande leem uit S15 kan niet nader gedateerd worden, terwijl een prehistorische scherf uit S6 mogelijk uit de vroege of midden bronstijd dateert. Het kleipakket dat spoor S6 afdekt, dateert dus op zijn minst van ná de bronstijd. De drie overige prehistorische scherven komen uit S94 en S95 en uit het vlak van put 30. Uit S94 en S95 komen ook Romeinse scherven (en mogelijk vroegmiddeleeuwse), dus het is duidelijk dat het daar om opgespit ouder vondstmateriaal gaat. S6500 betreft een zandige lens binnen het pakket oeverafzettingen, die dus ter hoogte van put 30 op een overstroming wijst die op zijn vroegst gedurende het neolithicum plaats vond.
Het jongere materiaal uit de nieuwe tijd komt uit het vlak van S77 en uit het vlak van put 40, beide dus relatief ondiep onder het (sub) recente maaiveld. Zij hebben niets met de sedimentatie in het gebied van doen, maar weerspiegelen ‘vervuiling’ van het gebied als gevolg van akkerbewerking en -bemesting.
9
Ellenkamp 2018 (o.a. www.citg.tudelft.nl/fileadmin/Faculteit/CiTG/Over_de_faculteit/Afdelingen/Afdeling_Geotechnologie/ secties/ Sectie_Applied_Geology/Steenkolenwinning/Aankondigingen/doc/Koolwinning.pdf)
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[23]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
3.2 Sporen en structuren 3.2.1
Inleiding
Tijdens het onderzoek zijn in de opgravingsvlakken en profielen 107 sporen gedocumenteerd (tabel 6 en appendix). Hieronder bevonden zich ook twee recente verstoringen, zeven natuurlijke lagen (waarvan twee dagzomende lagen in een laagte) en drie natuurlijke verkleuringen, terwijl één spoornummer is komen te vervallen. De overgebleven 93 archeologische grondsporen bestaan voor het allergrootste gedeelte uit paalsporen (n=66), maar daarnaast zijn nog 18 kuilen, drie hutkommen, vier greppels, een veldbrandoven en een oven of haard gevonden. De sporencatalogus is opgenomen in bijlage 3; de allesporenkaart in appendix 1. De sporen worden hieronder per spoorcategorie beschreven. Vanwege de sporenverspreiding in het plangebied wordt eerst het noordelijk deel van het plangebied besproken en daarna het zuidelijk deel.
aard spoor
aantal
greppel
4
hutkom
3
kuil
18
veldbrandoven
1
oven/haard
1
paalspoor
66
dagzomende laag
2
natuurlijke laag
6
natuurlijke verkleuring
3
recente verstoring
2
vervallen
1
totaal
107
Tabel 6. Aantal sporen per spoorcategorie.
3.2.2
Noordelijk deel van het plangebied
In het noordelijke deel van het plangebied zijn nauwelijks sporen aangetroffen (zie figuur 10). In het uiterste noorden, in putten 6 en 11, bevonden zich enkele grondsporen uit de nieuwe tijd. In put 11 gaat het om de resten van een veldbrandoven, die nagenoeg geheel was opgenomen in de bouwvoor. Direct onder de bouwvoor waren alleen nog enkele baksteenfragmenten en de hard gebrande onderkant van de oven bewaard gebleven (S99, zie figuur 11).
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[24]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 10. Overzicht van sporen in het noordelijk deel van het plangebied.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[25]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 11. De hard verbrande bodem van veldbrandoven S99 in het vlak van put 11. Op de achtergrond de Frankenstraat.
Het spoor nam de gehele breedte van de put in (4 meter) en bezat noord-zuid een lengte van circa 6 meter. Het spoor zet zich buiten de put voort naar het westen, noorden en oosten. In de circa 40 m ten westen gelegen put 6 werd een mogelijk gerelateerd spoor aangetroffen, in de vorm van een grote kuil met weinig maar overeenkomstig baksteenpuin (S2) met daarbinnen een puinconcentratie (S3). Alleen in S99 konden ook enkele maten van bakstenen worden achterhaald: bakstenen met een breedte van circa 10,5 cm en een dikte van circa 6 cm. De lengtes van de bakstenen konden niet worden vastgesteld. Het gebied tussen putten 6 en 11 kon helaas niet middels proefsleuven onderzocht worden, omdat geen toestemming voor betreding van dit terrein was verleend. De sporen uit putten 6 en 11 worden tot dezelfde vindplaats geïnterpreteerd: een locatie met ambachtelijke activiteiten, namelijk het bakken van bakstenen. Op basis van de baksteenresten en vergelijkbare vondsten in de gemeente Sittard-Geleen wordt de vindplaats in de nieuwe tijd gedateerd.
10
10
Ruijters et al., 2015.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[26]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 12. Overzicht van sporen in het zuidelijk deel van het plangebied.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[27]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
3.2.3
Zuidelijk deel van het plangebied
Het meest noordelijke grondspoor in de zuidelijke helft van het plangebied betreft een paalspoor (S1) in het zuiden van put 3. Dit paalspoor is gecoupeerd (slechts 5 cm diep bewaard) maar bezat geen vondsten. Vanaf dit punt tot aan de zuidelijke en oostelijke begrenzingen van het plangebied zijn relatief regelmatig verspreid verscheidene grondsporen vastgesteld; slechts in een klein aantal putten (23, 25, 27, 31, 34, 35 en 39) werden geen sporen vastgesteld (figuur 12). Ondanks dat mogelijk meerdere perioden aanwezig zijn, is één vindplaats gedefinieerd (vindplaats 2) die dus de gehele zuidelijke helft van het plangebied omvat.
Paalsporen en structuren Het grootste gedeelte van de sporen bestaat uit paalsporen. Het gaat daarbij vooral om relatief kleine ronde verkleuringen, met diameters tussen 20 en 40 cm. Een groot aantal, bijvoorbeeld in putten 33, 40 en 41, waren opvallend klein (voor Romeinse paalsporen) met diameters tussen 20 en 30 cm. Minstens in sleuven 33, 37, 40 en 41 getuigen concentraties van paalsporen van gebouwde structuren, alhoewel structuren ook verwacht kunnen worden ter hoogte van sleuven 26 en 28. De configuraties van de palen wijzen in de meeste gevallen niet op eenvoudige spiekers; de sporen kunnen daarom tot woonhuizen maar anderzijds ook tot divers (meerdere fasen?) hekwerk hebben behoord. Alleen in put 37 kan een structuur herkend worden. Het gaat hoogstwaarschijnlijk om de wand van een houten gebouw, in de vorm van een noord-zuid verlopende zeven meter lange lijn met acht paalsporen (S47, 49, 50, 51, 52, 53 en 54), die alle circa 1 meter uit elkaar liggen.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[28]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 13. Put 37, met een rij paalsporen , hoogstwaarschijnlijk van een voormalige wand van een gebouw.
Mogelijk behoort ook S46 nog tot deze rij en was een tussenliggend paalspoor niet meer bewaard. S47, 50, 51 en 52 werden gecoupeerd en bleken ondiep bewaard: S50 was nog 20 cm diep, de overige tussen de 5 en 8 cm (zie figuur 14). De kleine dimensies van de palen wijzen op een wand van een klein huis of bijgebouw, waarbij de dakdragende functie over vele palen werd verdeeld óf de juist zwaardere dakstijlen (ten oosten?) buiten de proefsleuf liggen.
11
De gecoupeerde sporen hebben naast
houtskool slechts één scherf opgeleverd (S51): een ruwwandige scherf die niet nader binnen de Romeinse tijd dateerbaar is. Hiermee dateert de structuur uit de Romeinse tijd of daarna.
11
Voor een overzicht van Merovingische huisplattegronden, zie Theuws, 2014.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[29]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 14. Coupes door paalsporen S51 (links) en S52 (rechts).
Van de overige paalsporen zijn er negen gecoupeerd. De bewaarde dieptes van deze sporen varieerde tussen 0 en 38 cm, maar de meeste waren slechts tussen 5 en 15 cm diep. Slechts uit één van deze sporen kwam vondstmateriaal: een handgevormde scherf uit de vroege tot midden-bronstijd (S6, put 24). Uit de overige komen alleen niet dateerbare vondsten van verbrande leem of natuursteen en houtskool.
Figuur 15. Coupes door paalsporen S15, put 28 (links), S83, put 41 (midden) en S92, put 41 (rechts).
Kuilen Er zijn 14 kuilen gedocumenteerd, waarvan er twee (S14, put 30 en S17, put 28) gecoupeerd zijn. De ovale kuil S14 bezat in het vlak afmetingen van 1,65 x 1,10 m, zodat ervoor gekozen is een kruiscoupe aan te leggen, waarbij één kwart is uitgenomen. Het spoor bleek uit één vulling te bestaan en nog 74 cm diep (ca. 124 cm –mv). Ondanks het redelijke volume van deze coupe, is alleen wat (dierlijk) bot aangetroffen. S17 werd tegen de profielwand van put 28 gecoupeerd en was nog zo’n 40 cm diep. Uit deze kuil werden enkele Romeinse dakpanfragmenten verzameld. Deze resten wijzen op een datering in de Romeinse tijd óf in een periode daarna dat dit materiaal werd hergebruikt.
Figuur 16. Coupes door kuilen S14 (links) en S17 (rechts).
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[30]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Hutkommen? Opvallend zijn drie grote kuilen die voorlopig als hutkom geïnterpreteerd worden: S10 (put 26), S96 (put 22) en S76 (put 39). S10 vormde in het vlak een regelmatige ovale verkleuring met een lengte van drie meter en een breedte van minstens twee meter. Het spoor was niet goed bewaard. Bij het schoontrekken van het vlak (op circa 60 cm onder maaiveld) bleek de bodem van de kuil nagenoeg bereikt en schemerden op de kopse uiteinden van het spoor twee paalkuilen (S11 en 12) door de verkleuring (zie figuur 17). Paalspoor S11 is gecoupeerd en bleek nog 26 cm diep. De aanwezigheid van deze paalkuilen binnen een grotere kuil wijzen op een hutkom, waarbij de twee paalkuilen een dakdragende functie hadden. Het dak van de hutkom werd dus door twee palen gedragen. In sporen 10, 11 en 12 is alleen keramisch gruis aangetroffen, dat niet nader gedateerd kan worden.
Figuur 17. Hutkom S10, met paalsporen S11 en S12 in het vlak van put 26.
S76 in put 39 heeft een iets onregelmatige ovaalvorm met afmetingen van circa 4,5 x 3 meter. Het spoor is niet gecoupeerd, maar middels boringen is op drie locaties wel een diepte bepaald. Uit de boringen blijkt dat het spoor tot een diepte van circa 60 cm bewaard is gebleven. De kuil leverde meerdere grote slakken op (n= 13, ca. 1,8 kilo) en daarnaast één ruwwandig scherf van gedraaid aardewerk. Deze scherf heeft vermoedelijk een Merovingische datering (circa 525-725 n. Chr.), maar zou ook uit de Romeinse tijd kunnen dateren. Op basis van de vorm, omvang en diepte van het spoor
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[31]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
wordt vermoed dat het om een hutkom gaat, maar het kan niet uitgesloten worden dat het om een leemwinningskuil gaat. Een waterput zal dieper zijn geweest. S96 in put 22 had in het vlak een langgerekte ovaalvorm met afmetingen van 4,8 x 2,5 m (zie figuur 18). Ook dit spoor is niet gecoupeerd, maar wel door middel van twee boringen onderzocht. Beide boringen stuiten op ondoordringbaar puin of steen, de ene op een diepte van 25 cm, de ander op een diepte van 60 cm onder het vlak. Het spoor lijkt dus tot op een diepte van minstens 60 cm onder het vlak (circa 110 120 cm onder het maaiveld) bewaard. Uit het spoor komt niet dateerbaar verbrande leem en twee stukjes pijpaarde uit de Romeinse tijd. Net als bij S76 volgt een voorlopige interpretatie als hutkom alleen op basis van de vorm, de omvang en diepte van het spoor. Paalkuilen voor een dak zijn niet aangetroffen. Anderzijds is dit de typisch verschijningsvorm voor hutkommen in het eerste opgravingsvlak: de paalsporen worden pas herkend als de kuil verder wordt verdiept, omdat de palen zich meestal binnen de hutkom bevinden.
12
Figuur 18. Vermoedelijke hutkom S96 in het vlak van put 22.
Haardplaats of oven Een mogelijke haardplaats of oven is aangetroffen in put 41 (S93). Het gaat om een ovale verkleuring van roodverbrande leem, die op een verhitting ter plaatse wijst. Het spoor heeft afmetingen van 65 x 45 cm. Het spoor is niet gecoupeerd en er werden geen vondsten in aangetroffen.
Greppels
12
Zie ook De Koning, 2005 en Heidinga & Offenberg, 1992.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[32]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Tijdens het onderzoek zijn vier greppels gevonden, in putten 29, 33, 38 en 40. De greppels uit putten 33 (S45) en 38 (S57) vormen één greppelstructuur. De greppel is ONO-WZW georiënteerd, heeft een breedte van circa 40-80 cm en een bewaarde diepte van circa 25 cm. Uit sporen 45 en 57 komt geen vondstmateriaal. Greppel S95 (put 40) loopt iets noordelijker, maar behoort mogelijk tot dezelfde greppelstructuur. Uit S95 komt een handgevormde scherf die niet nader tussen het neolithicum en de midden-ijzertijd gedateerd kan worden. Een tweede (of derde) greppel ligt in het uiterste zuidwesten van het onderzoeksgebied: S22 in put 29., Deze greppel heeft een OZO-WNW oriëntatie, is circa 50 tot 100 cm breed en nog circa 25 cm diep bewaard. Uit het spoor komen alleen fragmenten verbrande leem, die nader gedateerd kunnen worden.
Dagzomende lagen of drenkkuilen In twee gevallen zijn grote verkleuringen vastgesteld, waarvan de aard onduidelijk blijft: S23 in put 29 en S94 in put 41. Het kan gaan om dagzomende lagen van een geul- of depressie of om drenkkuilen voor vee. Op basis van het huidige reliëf en de geomorfologische kaart past een interpretatie als dagzomende laag goed in het geval van put 29 (S23), maar niet bij put 41 (S94). Mogelijk betreft deze laatste dan ook eerder een grote (drenk)kuil. Beide sporen zijn niet gecoupeerd, maar middels boringen onderzocht. In S23 (zie figuur 19) zijn twee boringen gezet, beide tot op ondoordringbaar grind: de meest noordelijke 20 cm diep, de zuidelijke 25 cm diep. Uit het spoor zijn diverse dakpanfragmenten uit de Romeinse tijd verzameld en daarnaast ook ruwwandig aardewerk uit de Romeinse tijd. In S94 (zie figuur 20) in put 41 zijn twee boringen gezet. In beide boringen, in het zuiden en in het noorden, was het spoor circa 40 cm diep. Uit het spoor zijn naast dierlijk botmateriaal verscheidene fragmenten Romeinse dakpan geborgen, alsmede pijpaarde en ruwwandig aardewerk met deze datering. Daarnaast komen uit dit spoor ook nog een handgevormde scherf met een vermoedelijk laatRomeinse datering en een fragment ruwwandig aardewerk met een vermoedelijk Merovingische datering.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[33]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 19. Vermoedelijke dagzomende geulvulling S23 in put 29.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[34]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 20. Mogelijke depressie of drenkkuil S94 in put 41.
3.3 Vondsten 3.3.1
Inleiding
Het archeologisch onderzoek heeft 239 vondsten (15.894 gram) opgeleverd, exclusief het verzamelde houtskool (niet geteld en gewogen).
13
Een overzicht van de verschillende vondstcategorieën wordt
weergegeven in tabel 2. Het vondstmateriaal is vooral afkomstig uit het zuidelijk deel van het plangebied. Uit het noordelijke deel komen alleen enkele baksteenfragmenten uit de nieuwe tijd.
13
In totaal is uit 10 sporen houtskool verzameld: S5, 6, 11, 15, 50, 51, 52, 76, 92 en 96.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[35]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
materiaal
aantal
gewicht
aardewerk
45
1558
keramisch bouw materiaal
94
10470
metaal
18
243
slak
12
1770
munt
2
26
bot
60
303
natuursteen
6
1524
totaal
237
15894
Tabel 7. Aantal vondsten per materiaalcategorie.
De complete vondstencatalogus is opgenomen in de velddocumentatie (de pakbon) die te vinden is bij het depot/e-depot. In het onderstaande wordt per vondstcategorie ingegaan op de algemene kenmerken, eventuele noemenswaardige vondsten, de datering en de mate van conservering. Het vondstmateriaal komt met uitzondering van de metaaldetectorvondsten (n= 20) nagenoeg alleen uit grondsporen en dateert – indien dateerbaar - voornamelijk in de Romeinse tijd (aardewerk en dakpanfragmenten). Een iets jongere laat-Romeins of vroegmiddeleeuws datering voor deze sporen is echter ook mogelijk. Daarnaast zijn ook nog vier prehistorische scherven gevonden en twee scherven en enkele baksteenfragmenten uit de nieuwe tijd.
3.3.2
Aardewerk
Het aardewerk en keramisch bouwmateriaal is gedetermineerd en gedateerd door Kristin Bosma (RAAP) en voorts bekeken door Jacob Schotten (gemeente Venlo) voor wat betreft de vroege middeleeuwen en Erik Drenth (BAAC) ten behoeve van de prehistorie. Zie bijlage 5 voor de resultaten. Het oudste aardewerk bestaat uit vier handgevormde scherven. Twee hiervan (V20 en V58) betreffen zeer kleine stukjes, zodat geen nadere datering mogelijk is. Twee scherven (V28 en V60) hebben een magering waarin ook kwarts zichtbaar is. In het geval van V28 gaat het om grote en scherpe kwarts brokjes, hetgeen vermoedelijk wijst op een datering in de vroege of midden-bronstijd. Het aardewerk bestaat verder voor het grootste gedeelte (n=43) uit Romeins aardewerk (zie tabel 8). Het gaat vooral om ruwwandig en gladwandig aardewerk, dat meestal niet nader binnen de Romeinse tijd dateerbaar is. Slechts in twee gevallen kan een vorm gedetermineerd worden: een ruwwandige e
14
kookpot van het type Trier II, 91e, die in de 4 eeuw wordt gedateerd (zie figuur 21) , en een kom van e
e
het type Stuart 210, die tussen de 1 en de 3 eeuw dateert.
15
Bij twee ruwwandige scherven (V50 en
V87) bestaat het vermoeden dat het om Merovingisch aardewerk gaat (zie figuur 22 en figuur 23 ).