03-2 Unilocatie Grevenbicht-Obbicht_Toelichting - Bijlagen 1-10
Tekst van het document
14 15
Hussong 1972, 35-61. Stuart 1963.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[36]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 21. V54, een randfragment van een pot uit de vierde eeuw (TRIER II, 91e).
Figuur 22. V50. Bodemfragment van een ruwwandige schaal, Romeins of Merovingisch.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[37]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 23. V87, bodemfragment met vermoedelijke Merovingische datering.
De terra sigillata betreft een kom van het type Dragendorff 37 of 18 en is dateerbaar tussen het einde e
e
van de 1 eeuw en de 3 eeuw.
16
De drie geverfde scherven behoren tot één beker, waarvan het type
niet bepaald kan worden. De beker is geverfd in techniek b en heeft een kleibestrooing en dateert in de e
e
2 of 3 eeuw.
16
Dragendorff 1895.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[38]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
baksel
aantal
terra sigillata
1
ruwwandig
23
gladwandig
13
geverfd
3
dikwandig
3
Eindtotaal
43
Tabel 8. Romeins aardewerk naar baksel.
Naast de Romeinse scherven zijn nog twee scherven uit de nieuwe tijd gevonden. He gaat daarbij om een witbakkend fragment van misschien een bord (V53) en een stukje industrieel wit (V59).
3.3.3
Keramisch bouwmateriaal
Het keramische bouwmateriaal vormde de grootste vondstgroep, met in totaal zijn 94 fragmenten (ruim 10 kilo), zie ook bijlage 5. Zes fragmenten van baksteen zijn gerelateerd aan de in het uiterste noorden aangetroffen veldbrandoven uit de nieuwe tijd. Het gaat om een oranje- of roodbruine baksel met een matrix met weinig insluitsels van mangaan, zand en grindjes met wat meer grof zand aan het oppervlak (om de baksteen gemakkelijk uit de pasvorm te krijgen). Één exemplaar was bruin van kleur en nog niet goed gebakken. De opgemeten breedte van de bakstenen bedraagt 10,5 cm, de dikte 6 cm. Een lengte was nergens bewaard. Al het overige materiaal betreft typisch Romeins bouwmateriaal en is afkomstig uit sporen in het zuidelijke deel van het plangebied. Het gaat om diverse baksels van bleker tot donkerbruin oranje, met in meer of mindere mate insluitsels van potgruis en zand en/of kleine grindjes. Sommige stukken zijn duidelijk zachter en zepiger (met weinig insluitsels) en voelen bijna aan als verbrande leem. Het meeste materiaal is niet goed determineerbaar omdat het te klein of gefragmenteerd is. In de gevallen dat wel een vorm of type herkend kan worden, gaat het alleen om dakpanmateriaal (n=20), met name tegulae (n= 17) maar ook drie imbrix-fragmenten.
3.3.4
Metaal
Het metaal is gedetermineerd en beschreven door Gudrun Hensen (RAAP).Zie bijlage 6 voor de resultaten. In totaal zijn bij het proefsleuvenonderzoek 18 vondstnummers uitgedeeld aan 20 metaalvondsten. Het gaat om 13 objecten uit een koperlegering en zeven objecten uit lood. Het merendeel van de metalen zijn afkomstig uit de bouwvoor, waardoor een datering op basis van de context niet gegeven kan worden. In enkele gevallen zijn specifieke vormkenmerken aanwezig die een scherpere datering wel mogelijk maken (bijlage 6). Uit de Romeinse periode dateren een munt (V83), een lunulahanger voor paardentuig (V21) en een applique (V26). Vondst 34 betreft waarschijnlijk ook een munt maar vanwege de sterke corrosie is verdere determinatie niet mogelijk. De munt V83 betreft een sestertius van keizer Hadrianus. Op de
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[39]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
munt staat de keizer naar rechts afgebeeld met een lauwerkrans. Het omschrift luidt HADRIANUS e
AUG(ustus) COS III (3 consulambt) PP (Pater Patriae). Op de achterzijde staat een vrouwelijk figuur naar links met de letters SC (scenatus). De achterzijde is afgesleten zodat de attributen van de vrouw en het omschrift niet duidelijk zijn. Mogelijk heeft de vrouw in haar linkerhand een staf. Keizer Hadrianus regeerde van 117 tot 138 na Chr.
Figuur 24. Munt van Hadirianus (V83).
De applique heeft de vorm van een buste. Door beschadiging is het niet duidelijk of het hier om een mannelijke dan wel vrouwelijke buste gaat. Aan de achterzijde is nog de aanzet van de pin bewaard gebleven waarmee de applique bevestigd is geweest op een ander object. In de meeste gevallen zijn appliques gebruikt om meubilair (bijvoorbeeld op kasten of kisten) te versieren.
Figuur 25. Applique V26.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[40]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
De hanger voor paardentuig betreft een lunula dat versierd is geweest met email. Vanwege het licht uitstekende middendeel zou het ook om de peltavorm kunnen gaan. Het exemplaar kan gedateerd e
e
worden in de 2 tot 3 eeuw na Chr. Een gelijkaardig exemplaar, maar dan gebruikt als fibula, is gevonden op het Forum Hadriani.
17
Figuur 26. Lunula V21.
De overige objecten kunnen niet in een bepaalde periode gedateerd worden en hebben mogelijk ook geen relatie met de vindplaats uit de Romeinse tijd of vroege middeleeuwen. In het laatste geval gaat het om sierbeslag en een gesp voor paardentuig uit de Nieuwe tijd. Bij de objecten met onbekende datering gaat het voornamelijk om loden bolvormige gewichten en een loden, opgerold plaatje dat als netverzwaarder bij het vissen gebruikt is geweest. Het aangetroffen slakmateriaal bestaat uit diverse smeedslakken, die wijzen op metaalbewerking.
3.3.5
Dierlijk bot
Het bot is gedetermineerd en beschreven door Johan van Gent (RAAP). Zie bijlage 7 voor de resultaten. Tijdens het veldwerk zijn in totaal 60 botfragmenten verzameld, afkomstig uit drie verschillende sporen. Al het botmateriaal is matig geconserveerd en in alle gevallen sterk tot zeer sterk gefragmenteerd. Uit S14 (V24) zijn vier fragmenten van een molaar uit de bovenkaak van een rund verzameld. Ook S86 (V68) bevatte splinters van een runderkies: 15 fragmenten van wederom een molaar uit de bovenkaak. Uit S94 (V52) zijn 41 pijpbeenfragmenten van grote zoogdieren verzameld. Een fragment van een opperarmbeen en een fragment van een dijbeen zijn afkomstig van jongvolwassen of volwassen runderen. Ook de andere fragmenten zijn zeer waarschijnlijk afkomstig van uit elkaar gevallen runderbotten, maar de resten zijn te sterk gefragmenteerd voor een zekere determinatie. Geen van de botten toont sporen van slacht of bewerking.
17
Hendriksen, 2009: 284-285.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[41]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
3.4 Monsters 3.4.1
Methode
Tijdens het onderzoek zijn vijf monsters genomen ten behoeve van natuurwetenschappelijke dateringen en macrobotanisch onderzoek (tabel 9). Daarnaast is uit een tiental grondsporen houtskool verzameld dat eventueel ingezet kan worden ten behoeve van
14
C-analyses (tabel 10). Voorts zouden ook nog
botvondsten (uit drie vondstnummers: V24, V52 en V68) aan
14
C-analyses onderworpen kunnen
worden. Zoals vastgelegd in het evaluatierapport worden de diverse monsters en houtskoolvondsten in dit stadium van het vooronderzoek (nog) niet verder onderzocht, omdat de behoudenswaardigheid van de vindplaats duidelijk is. Indien op een later tijdstip een opgraving plaatsvindt, ontstaat een beter inzicht in de vindplaats(en) met betere mogelijkheden voor de selectie van nader uit te werken monsters of laboratoriumdateringen. Ten aanzien van de potentie van analyses van de diverse monsters kan het volgende worden gezegd. De vindplaats is lithografisch ingebed in een licht zandige klei, waarin organische resten redelijk goed geconserveerd blijven. Dit kan ook afgeleid worden uit diverse vondsten van bot. Daarnaast moet echter rekening worden gehouden met mogelijke palimpsest. Het is dus mogelijk dat verzamelde vondsten en monsters uit één spoor resten uit diverse perioden vertegenwoordigen.
monster
put spoor
interpretatie
volume
textuur
aandeel houtskool
1
24
5
paalspoor
emmer (5 L)
licht zandige klei
laag
2
30
14
kuil
emmer (5 L)
licht zandige klei
laag
3
28
17
kuil
emmer (5 L)
licht zandige klei
middelmatig
4
41
94
dagzomende laag
emmer (5 L)
licht zandige klei
laag
5
37
50
paalspoor
emmer (5 L)
licht zandige klei
middelmatig
Tabel 9. Monsters genomen tijdens het proefsleuvenonderzoek.
vondst
spoor
put verzamelwijze
materiaal
29
6
24
coupe
houtskool
31
5
24
coupe
houtskool
32
15
28
coupe
houtskool
63
50
37
coupe
houtskool
65
96
22
vlak
houtskool
72
76
40
boring (-30 cm)
houtskool
77
51
37
coupe
houtskool
79
52
37
coupe
houtskool
82
92
41
coupe
houtskool
84
11
26
coupe
houtskool
Tabel 10. Houtskool verzameld tijdens het proefsleuvenonderzoek.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[42]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
3.5 Interpretatie 3.5.1
Aard van de vindplaatsen
Op basis van de aard, datering en verspreiding van sporen en vondsten worden minstens twee vindplaatsen onderscheiden: vindplaats 1 in het noorden en vindplaats 2 in het zuiden van het plangebied. Aangezien op vindplaats 2 mogelijk ook oudere sporen aanwezig zijn, wordt (daar) ook een vindplaats 3 onderscheiden.
Vindplaats 1 In het uiterste noorden bevinden zich enkele gerelateerde sporen in putten 6 en 11, die als vindplaats 1 worden beschouwd. Vindplaats 1 is te interpreteren als een locatie met een ambachtelijke activiteit, namelijk het bakken van bakstenen. De vindplaats dateert in de nieuwe tijd. In put 11 gaat het om de hard verbrande onderkant van een veldbrandoven (S99) en in put 6 om een grote kuil (S2) met overeenkomstig baksteenpuin (S2) en een puinconcentratie (S3).
Omvang, diepteligging, gaafheid en conservering Vindplaats 1 lijkt in het westen, zuiden en oosten begrensd, maar zet zich verder voort ten noorden van 2
het plangebied. De vindplaats heeft binnen het plangebied een grootte van circa 75 x 17 m (1.275 m ). De sporen bevinden zich direct onder het huidige maaiveld, waarbij de sporen in sleuf 6 vanaf circa 70 cm en in sleuf 11 vanaf circa 40 cm onder het huidige maaiveld zichtbaar waren.
Vindplaats 2 In de zuidelijk helft van het onderzoeksgebied liggen verspreid over diverse proefsleuven paalsporen, kuilen, greppels, hutkommen en een oven/haard. De vindplaats kan geïnterpreteerd worden als een nederzetting. De sporen lijken niet te wijzen op een voortzetting van het Romeinse villacomplex ten zuiden van de geul: typische zware Romeinse paalkuilen en omheiningen ontbreken. Het kan echter niet worden uitgesloten dat het terrein tijdens de bewoning van de villa wel in gebruik was, bijvoorbeeld voor het weiden van vee of het uitvoeren van ambachtelijke activiteiten. Slakvondsten uit S76 wijzen op bijvoorbeeld op smidsactiviteiten. Het spoor kan echter niet nader binnen de Romeinse tijd tot vroege middeleeuwen gedateerd worden. Het vondstmateriaal uit de grondsporen van vindplaats 2 is meestal niet nader binnen de Romeinse tijd dateerbaar, maar enkele vondsten wijzen op een datering in de laat-Romeinse tijd en de Merovingische periode. Waarschijnlijk hebben verscheidene bewoningsfasen bestaan, maar het is ook mogelijk dat het alleen om de laat-Romeinse tijd en/of de Merovingische periode gaat. Direct ten zuidoosten van de vindplaats ligt namelijk een Romeinse villa (monument 273), terwijl van de laat-Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen bekend is dat materiaal uit de (midden-)Romeinse tijd vaak werd hergebruikt.
Een laat-Romeinse datering sluit ook aan bij de gevonden sporen. Ondanks een grote hoeveelheid aan paalsporen, ontbreken namelijk de typische zware (dakdragende) middenstijlen van (midden-)Romeinse
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[43]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
huizen, terwijl voorts enkele hutkommen zijn aangetroffen. Hutkommen dateren over het algemeen vanaf de laat-Romeinse tijd.
18
Omvang en diepteligging Vindplaats 2 is alleen in het noorden begrensd en zet zich verder voort buiten het plangebied naar het westen, oosten en zuiden. Binnen het plangebied gaat het om een gebied van circa 150 x 120 m (1,8 ha). De sporen zijn direct onder de bouwvoor herkenbaar en reiken op basis van de tot nu toe vastgestelde sporen tot op circa 100 cm onder het maaiveld. Het vondstmateriaal dat tot de vindplaats behoord, is ook in de bouwvoor aanwezig.
Vindplaats 3 Mogelijk zijn ook sporen uit de prehistorie aanwezig, mogelijk zelfs uit verscheidene prehistorische perioden. Alhoewel nu over één vindplaats (vindplaats 3) wordt gesproken, kan het in feite om meerdere perioden (vindplaatsen) gaan. In totaal zijn vier handgevormde scherven gevonden, waarvan er slechts één nader dateerbaar is: in de vroege- of midden bronstijd. Deze scherf is afkomstig uit S6 (put 24), een kleine kuil of paalspoor dat net zoals het ernaast gelegen S5 nog door een kleipakket van circa 30 cm was afgedekt. Iets vergelijkbaars maar anders is vastgesteld in put 28, waar S15 door een grindlaag of –lens met een dikte van 20 cm was afgedekt. Aangezien de overige sporen van vindplaats 2 direct onder de bouwvoor herkenbaar waren (vanaf 30-50 cm –mv), kan het bij deze afgedekte sporen dus om één of verscheidene oudere fasen gaan. Nauwkeurige dateringen blijven echter onbekend. Drie opmerkingen zijn hier nog van belang. In de eerste plaats kan gesteld worden dat in de dieper aangelegde kolomprofielen die in nagenoeg alle putten zijn aangelegd, geen diepere archeologische niveaus zijn vastgesteld. In de tweede plaats moet opgemerkt worden dat de NAP-waarden van de sporen 5, 6 en 15 niet lager zijn dan die van de overige sporen van vindplaats 2.
Dit kan betekenen dat de sporen wel tot vindplaats 2 behoren (en in geval van S6 ouder opgespit materiaal bevatten) en tijdens of na het uit gebruik raken van vindplaats 2 alleen hier, plaatselijk dus, extra overstroming heeft plaats gevonden. Het is echter ook mogelijk dat deze delen van het plangebied altijd al iets hoger hebben gelegen, zich hier een oudere vindplaats bevond en voorafgaand aan het in gebruik nemen van vindplaats 2 overstromingen (in het gehele gebied?) plaats vonden. Een derde opmerking geldt de voor het Maasdal typische verbruining die een herkenning van grondsporen veelal bemoeilijkt of zelfs onmogelijk maakt.
19
Dit verschijnsel maakt dat het ook hier niet kan worden uitgesloten dat sporen als
gevolg hiervan niet herkend zijn. De sporen 5, 6 en 15 waren echter goed herkenbaar.
Omvang en diepteligging
18
e
Enkele mogelijke uitzonderingen betreffen enkele hutkommen te Venlo-Heierhoeve (mogelijk 2 eeuw) en Horst-Hoogveld (mogelijk eind 2 e eeuw –begin 4 e eeuw), zie Tichelman, 2016, paragraaf 2.6. In beide gevallen zou het ook om palimpsest kunnen gaan. 19 Zie ook Ball, et al.2018, 76-79.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[44]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
De omvang van vindplaats 3 is onbekend. De op een dieper niveau herkende sporen zijn alleen vastgesteld in putten 24 en 28, maar kunnen ook elders (binnen vindplaats 2) verwacht worden. Daar waar binnen vindplaats 2 sporen direct onder de bouwvoor werden vastgesteld, is het vlak namelijk niet verder verdiept. In de dieper aangelegde profielkolommen zijn echter nergens aanwijzingen voor diepere archeologische niveaus gevonden. De sporen van vindplaats 3 zijn pas op enige diepte onder de bouwvoor herkend (circa 60-70 cm –mv), afgesneden/afgedekt door klei of grind. In het geval van S5 en 6 in put 24 gaat het om een pakket klei van circa 30 cm en in het geval van S15 onder een grindpakket van circa 20 cm. Sporen 5, 6 en 15 waren nog tussen 35 en 38 cm diep bewaard.
3.5.2
Relatie tot het vooronderzoek
Het vooronderzoek maakte duidelijk dat voor het gebied een hoge archeologische verwachting met betrekking tot de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen bestaat en dit werd tijdens het proefsleuvenonderzoek bevestigd. Op basis van de Romeinse vondsten en de vindplaatsen direct rondom het plangebied (zie PvE) kan een zeer hoge ensemblewaarde aan vindplaats 2 worden toegekend. Dit neemt alleen maar toe als de aanwijzingen voor dateringen in de laat-Romeinse tijd en /of de Merovingische periode bevestigd zouden worden. De vindplaats wordt dus als behoudenswaardig beoordeeld (zie 3.6.3).
3.6 Waardestelling
3.6.1
Algemene waarderingssystematiek
Voor de waardering is de KNA-systematiek ‘Waarderen van vindplaatsen’ gevolgd (KNA versie 4.0, specificatie VS06; www.sikb.nl). Daarbij worden numerieke waarden toegekend aan de verschillende waarderingsaspecten. Afhankelijk van de score is een vindplaats wel of niet behoudenswaardig (tabel 11). De vindplaatsen worden eerst op hun fysieke kwaliteit beoordeeld. Ze worden op basis van hun fysieke kwaliteit als behoudenswaardig (opgraven of beschermen) aangemerkt indien de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (5 of 6 punten) scoren. Bij een middelmatige tot lage score (4 punten of minder) wordt naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of het terrein toch behoudenswaardig is. Indien te verwachten is dat op een van de inhoudelijke criteria ‘hoog’ wordt gescoord, wordt de vindplaats in principe ook behoudenswaardig geacht. Dit ‘vangnet’ heeft tot doel er voor te zorgen dat terreinen die van beperkte fysieke kwaliteit zijn, maar desondanks inhoudelijk van groot belang, buiten de beoordeling vallen. Vindplaatsen die op grond van hun fysieke kwaliteit als in principe behoudenswaardig zijn aangemerkt, worden eveneens gewaardeerd op hun inhoudelijke kwaliteit. Een afweging vindt plaats op de eerste drie inhoudelijke kwaliteitscriteria: zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde.
Belevingswaarde (schoonheid en herinneringswaarde) is slechts van belang voor zichtbare archeologische monumenten en is derhalve voor onderhavig onderzoek niet
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[45]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
relevant. Bij een bovengemiddelde score van 7 punten of meer voor de eerste drie criteria, wordt de vindplaats als behoudenswaardig aangemerkt.
3.6.2
Vindplaats 1
Fysieke kwaliteit De fysieke kwaliteit bestaat uit de deelaspecten gaafheid en conservering. In het horizontale vlak is vindplaats 1 niet meer gaaf aanwezig, aangezien de vindplaats zich naar het noorden voorzet en zich daar de Frankenstraat bevindt. De grondsporen zelf zijn (in verticale zin) redelijk tot slecht bewaard: van de oven rest alleen nog de hard gebakken onderkant en enkele baksteenresten. Kuilen voor kleiwinning met afvalresten zullen echter tot dieper in de ondergrond reiken en daarmee iets beter bewaard zijn gebleven. Het vondstmateriaal bestaat alleen uit bakstenen die redelijk tot goed bewaard zijn. Complete bakstenen zijn niet gevonden.
Inhoudelijke kwaliteit De inhoudelijke kwaliteit bestaat uit de deelaspecten zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Veldbrandovens ut de nieuwe tijd zijn niet zeldzaam; ze worden regelmatig vastgesteld in het Maasdal. De informatiewaarde van vindplaats 1 is laag. De veldbrandoven is namelijk grotendeels verdwenen: alleen de hard gebakken onderkant van de ovenvloer is bewaard gebleven. De ensemblewaarde wordt als middelmatig beoordeeld. Alhoewel nu onbekend is waar de stenen zijn gebruikt, is het wel waarschijnlijk dat het om een boerderij of huis in de nadere omgeving zal gaan. Op basis van de totaalscore in tabel 11 is niet sprake van een behoudenswaardige vindplaats.
waarde
criteria
scores hoog
beleving
fysieke kwaliteit
inhoudelijke kwaliteit
midden
schoonheid
wordt niet gescoord
herinneringswaarde
wordt niet gescoord
gaafheid
2
conservering
2
laag
zeldzaamheid
1
informatiewaarde
1
ensemblewaarde representativiteit
2 n.v.t.
Tabel 11. Scoretabel waardestelling van de vindplaats 1 (tabel 5 uit de KNA).
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[46]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
3.6.3
Vindplaats 2
Fysieke kwaliteit De fysieke kwaliteit bestaat uit de deelaspecten gaafheid en conservering. Met uitzondering van de direct ten westen liggende Kempenweg is de vindplaats redelijk gaaf aanwezig. De conservering van grondsporen varieert van slecht of redelijk (hutkom put 26, kleine paalsporen put 37) tot goed (paalspoor S15 in put 29 of hutkommen in put 22 en 39). De conservering van het vondstmateriaal is redelijk tot goed, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de goed bewaarde resten van metaal en de aanwezigheid van dierlijk bot. Met betrekking tot de botanische macroresten en pollen bestaat hierover nog geen zekerheid, maar gezien de kleiige ondergrond moet ook hier van een redelijk tot goede conservering worden uitgegaan.
Inhoudelijke kwaliteit De inhoudelijke kwaliteit bestaat uit de deelaspecten zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Archeologische resten uit de Romeinse tijd zijn niet zeldzaam, maar resten uit de laat-Romeinse tijd of Merovingische periode wel. De informatiewaarde van vindplaats 2 is hoog. Er zijn verschillende spoorsoorten aanwezig die op diverse structuren (gebouwen) en elementen (verschillende kuilen, hutkommen, omheiningen) uit een nederzetting of periferie van een nederzetting wijzen. Samen met het vondstmateriaal, zal een goede reconstructie van het gebruik van het terrein mogelijk zijn. Te denken valt hierbij aan de ligging van huizen, bijgebouwen en omheiningen en de locaties van bepaalde activiteiten (voedselbereiding, ambachten). De ensemblewaarde is eveneens hoog, zoals een blik op figuur 3 duidelijk maakt. Direct ten zuiden van de vindplaats, op circa 50 tot 100 m, ligt een Romeins villaterrein. Daarnaast, mogelijk nog tot de villa behorend, zijn ook ten westen van de Kempenweg nog resten van Romeinse bewoning gevonden, alsmede een laat-Romeinse muntschat. Op circa 200 m ten oosten van vindplaats 2 bevond zich een grafveld uit de Merovingische periode. Tenslotte zijn ook direct ten westen van vindplaats 2 diverse metaalvondsten uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen bekend.
Op basis van de totaalscore in tabel 12 is sprake van een behoudenswaardige vindplaats.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[47]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
waarde
criteria
scores hoog
beleving
fysieke kwaliteit
inhoudelijke kwaliteit
midden
schoonheid
wordt niet gescoord
herinneringswaarde
wordt niet gescoord
gaafheid
2
conservering
2
zeldzaamheid
laag
3
informatiewaarde
2
ensemblewaarde
3
representativiteit
n.v.t.
Tabel 12. Scoretabel waardestelling van de vindplaats 2 (tabel 5 uit de KNA).
3.6.4
Vindplaats 3
Vindplaats 3 betreft een mogelijk oudere vindplaats op de locatie van vindplaats 2, maar dat is niet zeker (zie 3.5.1). De vindplaats is onvoldoende onderzocht en kan daarmee ook niet gewaardeerd worden. Aangezien vindplaats 2 behoudenswaardig is, kan vindplaats 3 eventueel nader onderzocht worden, als op vindplaats 2 een vervolgonderzoek plaatsvindt. Opgemerkt werd (zie 3.5.1) dat in het gehele gebied geen diepere archeologische niveaus zijn vastgesteld, de NAP-waarden van de sporen van vindplaats 3 niet lager zijn dan die van de overige sporen van vindplaats 2 (en dus tot vindplaats 2 kunnen behoren) én dat de sporen die nu aan vindplaats 3 zijn toegekend niet als gevolg van verbruining slecht herkenbaar waren. Indien een oudere vindplaats op deze locatie aanwezig is (vindplaats 3), dan is deze vindplaats hoogstwaarschijnlijk ook behoudenswaardig. Indien het gaat om een vindplaats uit de ijzertijd ontstaat een hoge diachrone ensemblewaarde, terwijl voor oudere dateringen een hoge zeldzaamheidswaarde geldt.
3.7 Beantwoording van de onderzoeksvragen Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek kunnen de onderzoeksvragen uit het PvE als volgt beantwoord worden:
Bodemopbouw en genese 1.
Hoe ziet de bodemopbouw eruit in het onderzoeksgebied?
Het plangebied ligt in een zone met een pakket rivierklei op zand en grind van het Maasterras. Het grind en zand is afgezet gedurende het Pleistoceen, terwijl de kleien tijdens het Holoceen zijn afgezet. Het terras is aan het einde van de laatste ijstijd ontstaan, toen de Maas zich iets verder naar het westen insneed in de grindige en zandige afzettingen uit de Jonge Dryas. Vanaf deze tijd werden in het
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[48]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
plangebied alleen nog oeverafzettingen afgezet, eerst in de vorm van (matig grof) zand en later in de vorm van klei.
2.
Is in (alle delen van) het gebied sprake van een intact bodemprofiel? In welke delen van het plangebied is sprake van een recentelijk verstoord bodemprofiel?
De bodemprofielen in het gebied zijn nagenoeg intact; maar als gevolg van ploegen wel iets getopt. Dit blijkt onder andere uit enkele paalsporen die ondiep bewaard zijn gebleven. Recente verstoringen zijn nagenoeg niet vastgesteld.
3.
Is de bodemkundige situatie overeenkomstig de verwachting op basis van het vooronderzoek?
Ja, alhoewel natuurlijk een meer gedifferentieerd beeld is ontstaan. Zo werd tijdens het booronderzoek op grind gestoten, zodat niet verder kon worden geboord. Aangenomen werd dan dat het grindterras bereikt was. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is duidelijk geworden dat binnen het pakket oeverafzettingen zich ook grindlenzen bevinden en het daadwerkelijke grindterras zich wat dieper bevindt. Uit de vondst van paalspoor S15 onder een grindlens blijkt dat men alert moet zijn op afgedekte sporen (vindplaats 3).
4.
Welke post-depositionele processen hebben plaatsgevonden (vb. verbruining)? In hoeverre is er sprake van aantasting of verstoring van archeologische resten door dit soort processen?
Het gebied is niet alleen vroeger in het holoceen maar ook nadat het gebied reeds bewoond werd af en toe overstroomd. Sommige sporen zijn dan ook getopt en of afgedekt. De kleiige oeverafzettingen zijn weliswaar verbruind als gevolg van micromorfologische processen maar sporen zijn hierin relatief goed herkenbaar.
Sporen, structuren en vondsten 5.
Zijn in het onderzoeksgebied archeologische vondsten, sporen en/of structuren aanwezig? Zo ja:
a.
Wat is de exacte aard, omvang, datering, gaafheid, conservering, het karakter en de inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten?
Vindplaats 1 bestaat uit de resten van een veldbrandoven uit de nieuwe tijd en kuilen met baksteenpuin uit de veldbrandoven(s). De vindplaats heeft binnen het plangebied een omvang van circa 75 x 17 m (1.275 m2). De sporen bevinden zich min of meer direct onder het huidige maaiveld. De vindplaats is zowel in horizontale als verticale zin niet meer gaaf aanwezig. De conservering is middelmatig. De vindplaats is niet zeldzaam, heeft een lage informatiewaarde en een gemiddelde ensemblewaarde. Vindplaats 2 bestaat uit nederzettingsresten uit de Romeinse tijd en of de vroege middeleeuwen, hoogstwaarschijnlijk uit de laat-Romeinse tijd en of de Merovingische periode. Binnen het plangebied gaat het om een gebied van circa 150 x 120 m (1,8 ha). De sporen zijn direct onder de bouwvoor herkenbaar. Met uitzondering van de direct ten westen liggende Kempenweg is de vindplaats gaaf
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[49]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
aanwezig. De conservering van grondsporen varieert van slecht tot goed. De conservering van het vondstmateriaal is redelijk tot goed. De vindplaats is zeldzaam, heeft een middelmatige informatiewaarde en een hoge ensemblewaarde. Vindplaats 3 is onzeker, het gaat om mogelijk een of verscheidene oudere bewoningsfasen ter hoogte van vindplaats 2. De sporen van deze vindplaats zijn pas op enige diepte onder de bouwvoor herkenbaar (circa 60 - 70 cm –mv), maar zouden op basis van de NAP-waarden (en het uiterlijk van de sporen) nog gewoon tot vindplaats 2 kunnen behoren. In feite zijn slechts drie sporen op een iets dieper niveau gevonden, in putten 24 en 28. De omvang van de vindplaats is onbekend, omdat daar waar binnen vindplaats 2 sporen direct onder de bouwvoor werden vastgesteld, het vlak niet verder werd verdiept. b.
Is er sprake van een behoudenswaardige vindplaats?
Vindplaats 1: nee. Vindplaats 2: ja. Vindplaats 3: onbekend, maar waarschijnlijk wel (zie paragraaf 3.6.4).
c.
Wat is de functionele interpretatie van de aangetroffen vondsten, sporen en structuren?
Vindplaats 1: veldbrandoven; Vindplaats 2: nederzetting; Vindplaats 3: nederzetting.
d.
Zijn er vondsten, sporen of structuren aanwezig uit verschillende perioden? Zo ja, is een relatie te leggen tussen deze verschillende fasen (continuïteit)?
Tussen vindplaats 1 (nieuwe tijd) en 2 (Romeinse tijd - vroege middeleeuwen) bestaat geen continuïteit. Binnen vindplaats 2 kunnen meerdere bewoningsfasen aanwezig zijn, tussen de midden Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Vindplaats 3 gaat daar mogelijk nog aan vooraf. Dit kan zowel wat verder vooraf (zonder continuïteit) zijn en of direct er aan voorafgaand (wel continuïteit).
6.
Wat is de ruimtelijke spreiding van de archeologische resten, zowel in het horizontale als verticale vlak? Op welke hoogte ten opzichte van NAP en diepte onder huidig maaiveld komen archeologische sporen en vondsten (per periode) voor? In welke lithogenetische eenheden dan wel lagen bevinden zich de archeologische resten en wat is de ouderdom van deze eenheden of lagen?
Alledrie de vindplaatsen bevinden zich in de kleiige oeverafzettingen uit het holoceen. Hoe oud precies is niet duidelijk. Gezien de resten van vindplaats 3 vonden overstromingen nog minstens tot in de Bronstijd plaats. Gezien de vele bekende oppervlaktevondsten metaal die gerelateerd zijn aan vindplaats 2, lijkt het gebied vanaf de Romeinse tijd niet meer vaak te zijn overstroomd.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[50]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Vindplaats 1: De vindplaats heeft binnen het plangebied een omvang van circa 75 x 17 m (1.275 m2). De sporen bevinden zich min of meer direct onder het huidige maaiveld, vanaf 31,70-31,90 m +NAP. Vondsten bevinden zich ook in de bouwvoor. Vindplaats 2: De vindplaats heeft binnen het plangebied een omvang van circa 150 x 120 m (1,8 ha). De sporen zijn direct onder de bouwvoor herkenbaar, vanaf 31,40 m+NAP in het zuidwesten, 31,80 m +NAP in het noordwesten, 32,30 m+NAP in het westen en (zuid)oosten. Vondstmateriaal bevindt zich ook in de bouwvoor. Vindplaats 3: Omvang en verspreiding is onduidelijk; resten zijn tot nu toe alleen in putten 24 en 28 aangetroffen. De sporen van deze vindplaats zijn pas op enige diepte onder de bouwvoor herkenbaar (circa 60-70 cm –mv), vanaf circa 32,25 m +NAP in put 24 en 32,40 m +NAP in put 28. 7.
Is er sprake van concentraties aardewerk en/of (vuur)stenen artefacten? Zo ja, beschrijf de horizontale en verticale spreiding van de vondsten en de mogelijke relatie met grondsporen.
Eigenlijk zijn geen opvallende vondstconcentraties vastgesteld; nagenoeg alle vondsten komen uit grondsporen. Op te merken is wel dat met S23 mogelijk een dagzomende laag (met vondstmateriaal) in een depressie of restgeul is vastgesteld. S93 (met vondstmateriaal) kan een dagzomende laag uit een depressie zijn maar het is waarschijnlijker dat het hier om een drenkkuil gaat.
8.
Kunnen (clusters van) sporen worden toegewezen aan één of meerdere struct(u)ur(en)? Zo ja, om wat voor type struct(u)ur(en) gaat het en wat is de oriëntatie, (max.) afmeting, constructie (dak, wanden, vloer), datering, conservering en (functionele) indeling van deze struct(u)ur(en)?
Ja. Op vindplaats 2 wijzen clusters van paalsporen op structuren met houten palen. Alleen in sleuf 37 is (een deel van) een structuur herkenbaar. Het gaat om een gebouw dat noord-zuid gericht was en minstens een lengte van 7 tot 10 meter moet hebben gehad. Het gaat alleen om ‘kleine’ palen, geen ‘zware’ (Romeinse) dakdragende stijlen. Het lijkt daarom te gaan om lichter gefundeerde wandpalen, die rondom een kernconstructie met zwaardere stijlen hebben gestaan. De paalkuilen waren niet diep behouden gebleven, slechts tussen 10 en 20 cm diep onder het vlak.
9.
In welke mate hebben agrarisch gebruik, waterbeheersingsmaatregelen of andere antropogene ingrepen geleid tot aantasting of verstoring van de vindplaats?
Het agrarisch gebruik van het gebied heeft tot aftopping van de vindplaats geleid: het loophorizont en de bovenkant van de sporen zijn opgenomen in de huidige bouwvoor.
10. Hoe verhouden de resultaten (landschapsgenese en archeologisch) van nabijgelegen onderzoek tot hetgeen bij onderhavig onderzoek is aangetroffen? Hoe kunnen eventuele verschillen worden verklaard?
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[51]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Er is een opgraving in de jaren ’30 geweest (het Merovingisch grafveld) en een proefsleuvenonderzoek op het villaterrein in de jaren ’90, zie ook paragraaf 1.2. De resultaten van de opgraving van het Merovingische grafveld zijn onlangs gepubliceerd.
20
De landschappelijke genese van het gebied komt
daarin echter nauwelijks ter sprake. De inhoud en chronologie van de graven destemeer: de graven dateren tussen circa 510 en 680 n. Chr. Deze begraafplaats kan dus (ten dele) gelijktijdig met de nederzetting van vindplaats 2 in gebruik zijn geweest. Of hier dan ook bewoners van nederzetting vindplaats 2 zijn begraven, blijft onduidelijk, omdat het afleiden van een sociale status aan de hand van de graven niet goed mogelijk is.
21
Het proefsleuvenonderzoek ter hoogte van de villa is nooit
gepubliceerd.
11. Zijn er locaties in het onderzoeksgebied die voor paleo-ecologisch onderzoek geschikt zijn en zo ja, welke onderzoeksvragen kunnen zij, indien analysewaardig, beantwoorden? Ja, vanwege de kleiige oeverafzettingen bestaat een redelijk goede conservering, zoals ook al bleek uit de vondsten van bot. Botanische analyses van pollen en macroresten zouden iets meer kunnen vertellen over de voedseleconomie en het gebruik van het landschap in diverse fases. Dit laatste is met name interessant ten aanzien van het ‘einde’ van de Romeinse tijd en het mogelijk verlaten van akkers en de ontwikkeling van andere landbouwstrategieën daarna.
12. Wat is de relatie tussen de archeologische sporen en vondsten en het (paleo-) reliëf/lithogenetische eenheden? Met andere woorden, waar komt welke archeologie voor en welke landschapsdynamische verklaring is daarvoor? De vindplaatsen liggen alle in de top van de kleiige oeverafzettingen. Men is waarschijnlijk pas in het gebied komen wonen toen overstromingen niet meer, of nauwelijks plaatsvonden. Het maaiveld loopt ter hoogte van vindplaats 2 omlaag in zuidelijke richting, maar dit heeft blijkbaar geen belemmering gevormd. Het gebied ten zuiden van de restgeul ligt wat hoger: blijkbaar was in de (vroege of midden-) Romeinse tijd deze hogere landschappelijke ligging wel belangrijk.
13. Is er een verwachting dat buiten het nu onderzochte gebied (x, y,z) nog resten van deze vindplaats aanwezig zijn en wat is de verwachting omtrent de fysieke en inhoudelijke kwaliteit daarvan? Ja. Resten van vindplaats 1 liggen minstens nog onder de Frankenstraat, en mogelijk ook ten noorden daarvan. De resten onder de Frankenstraat zullen zeker zijn aangetast en de eventuele resten ten noorden daarvan ook: daar ligt bebouwing en een parkeerplaats. De resten van vindplaats 2 zetten zich voort ten westen (ook verder ten westen van de Kempenweg), ten oosten en ten zuiden van het plangebied. Over het algemeen zullen deze resten redelijk bewaard zijn gebleven. Ze zijn gezien de
20
Kars, Theuws & de Haas, 2016. Kars, Theuws & de Haas, 2016, 286-87. De begraafplaats Obbicht-Oude Molen heeft verscheidene (houten) kamergraven en ook graven met wapens opgeleverd, waaruit enkele jaren geleden afgeleid zou worden dat de overledenen waarschijnlijk een hogere sociale status genoten. Volgens Kars, Theuws en de Haas is dat echter de vraag; zij vragen zich af of niet (ook) andere redenen voor de verschillen tussen graven en grafvelden bestaan. 21
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[52]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
hoeveelheid aan bekende vondsten wel aangeploegd. De zone onder de huidige Kemperweg zullen minder goed bewaard zijn gebleven, als gevolg van afgravingen en egaliseringen bij de aanleg van de weg.
14. Is het mogelijk op basis hiervan een beleidsaanbeveling te doen voor het plangebied en/of het omliggende gebied (t.a.v. beleid, inrichting en beheer)? Ja. Vindplaats 2 is behoudenswaardig en zal bij verdere ontwikkeling nader onderzocht dienen te worden. De gebieden buiten het plangebied ten oosten, ten zuiden en ten westen van de Kemperweg zouden middels een status als (gemeentelijk?) monument verdere bescherming kunnen krijgen. Deze status bestaat reeds voor gebieden in het zuiden en westen, maar nog niet voor het gebied in het oosten.
15. Kan op basis van onderhavig onderzoek de huidige kennistand) (https://www.limburg.nl/onderwerpen/cultuur/erfgoed/archeologie-0/archeologie/) aangevuld/aangepast worden? Indien ja: Formuleer daarvoor concrete tekstvoorstellen (met paragraaf aanduiding) ter vervanging van de bestaande tekst. Indien nee: verklaar waarom het onderzoek niet tot kenniswinst heeft geleid. Nee, op basis van het huidige onderzoek niet. Aangezien het bij vindplaats 2 om een zeldzame vindplaats gaat, zijn aanvullingen na een opgraving mogelijk wel nodig.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[53]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
4 Conclusie Het onderzoek heeft aangetoond dat in het plangebied twee vindplaatsen aanwezig zijn, vindplaatsen 1 en 2. Ter hoogte van vindplaats 2 is mogelijk nog een derde vindplaats aanwezig (vindplaats 3) op een (iets) dieper niveau. Zie ook figuur 27. Vindplaats 1 bestaat uit de resten van een veldbrandoven uit de nieuwe tijd en kuilen met baksteenpuin uit de veldbrandoven(s). De vindplaats heeft binnen het plangebied een omvang van circa 75 x 17 m 2
(1.275 m ). De sporen bevinden zich min of meer direct onder het huidige maaiveld. De vindplaats is zowel in horizontale als verticale zin niet meer gaaf aanwezig. De conservering is middelmatig. De vindplaats is niet zeldzaam, heeft een lage informatiewaarde en een gemiddelde ensemblewaarde. De vindplaats is niet behoudenswaardig. Vindplaats 2 bestaat uit nederzettingsresten uit de Romeinse tijd en of de vroege middeleeuwen, hoogstwaarschijnlijk uit de laat-Romeinse tijd en of de Merovingische periode. De vindplaats heeft binnen het plangebied een omvang van circa 150 x 120 m (1,8 ha). De sporen zijn direct onder de bouwvoor herkenbaar. Met uitzondering van de direct ten westen liggende Kempenweg is de vindplaats gaaf aanwezig. De conservering van grondsporen varieert van slecht tot goed. De conservering van het vondstmateriaal is redelijk tot goed. De vindplaats is zeldzaam, heeft een middelmatige informatiewaarde en een hoge ensemblewaarde. De vindplaats is behoudenswaardig. Vindplaats 3 is onzeker, het betreft een mogelijke oudere bewoningsfase ter hoogte van vindplaats 2. Het gaat om enkele sporen die iets dieper onder het maaiveld werden vastgesteld (circa 60-70 cm – mv), maar op basis van de NAP-waarden nog wel tot vindplaats 2 kunnen behoren.
De omvang van de vindplaats is onbekend, omdat het vlak binnen vindplaats 2 niet verder werd verdiept als sporen (direct onder de bouwvoor) werden vastgesteld. Indien een oudere vindplaats aanwezig is, dan is deze vindplaats hoogstwaarschijnlijk ook behoudenswaardig. Indien het gaat om een vindplaats uit de ijzertijd ontstaat een hoge diachrone ensemblewaarde, terwijl voor oudere dateringen een hoge zeldzaamheidswaarde geldt.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[54]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 27. Ligging van vindplaatsen binnen het onderzoeksgebied met waardestelling.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[55]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
5 Selectieadvies Op basis van het onderzoek en de waardestelling wordt het volgende selectieadvies gegeven. Het gebied kan ter hoogte van vindplaats 2 (en 3) niet direct voor ontwikkeling worden vrijgegeven. Geadviseerd wordt deze vindplaats in situ te behouden (oranje in figuur 27). Behoud betekent dat in deze zone geen graafwerkzaamheden mogen plaatsvinden, omdat direct onder de bouwvoor sporen aanwezig zijn en in de bouwvoor gerelateerd vondstmateriaal aanwezig is. Een vindplaats in situ behouden kan ook door het gebied voldoende op te hogen, voorafgaand aan de ontwikkeling. Deze ophoging moet dan zodanig zijn, dat bij ontwikkeling niet tot in de (huidige) bouwvoor gegraven wordt. Te denken valt hierbij ook aan graafwerk ten behoeve van drainages en kabels en leidingen. Indien gekozen wordt voor een behoud in situ en geen nader veldonderzoek plaats vindt, is nog wel een aanvullend onderzoek nodig van monsters uit het vooronderzoek. De uitwerking van enkele monsters is nodig om alsnog een betere positionering (datering en landschappelijk gebruik) van de vindplaats(en) mogelijk te maken. In dat geval zal in een aanvullend schrijven een selectie van uit te werken monsters moeten worden voorgesteld. Indien een behoud in situ niet mogelijk of gewenst is, zal het gebied nader onderzocht moeten worden middels een archeologische opgraving.
Voorafgaand hieraan moet een Programma van Eisen (PvE) worden opgesteld, waarin de strategie en de eisen aan dit onderzoek worden omschreven. Ter hoogte van vindplaats 1 bevindt zich een niet-behoudenswaardige vindplaats (geel in figuur 27). Deze zone is bij nadere ontwikkeling van het gebied niet onderzoeksplichtig. Ook de rest van het gebied (wit in figuur 27) kan direct vrijgegeven worden voor ontwikkeling. Hier zijn geen archeologische resten aangetroffen, ook niet op een dieper niveau. Indien bij ontwikkeling vondsten worden aangetroffen, is de ontwikkelaar wel verplicht deze aan te melden bij het bevoegd gezag.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[56]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Literatuur Ball, E.A.G., I.J. Cleijne (BAAC), A.M.J.H. Huijbers (BAAC), C.F. Jeneson, P.P.J. Kimenai (BAAC), C.M. van der Linde (BAAC), J.R. Mooren (BAAC), L.A. Tebbens (BAAC), L.B.M. Verhart (Stone Age), J.F. van der Weerden (BAAC), J.M.J. Willems (BAAC). , 2018. Nederlandse Archeologische Rapporten 60: Het Maasdal tussen Eijsden en Mook. Nederlandse archeologische rapporten (NAR) 60. Amersfoort. DLO-Staring Centrum, 1993. Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 68 West Sittard en 68 Oost Sittard. DLO-Staring Centrum, Wageningen. Dressel, H. (ed.), 1891-1899. Corpus Inscriptorum Latinarum 15. Inscriptiones urbis Romae Latinae. Instrumentum domesticum. Berlijn. Dragendorff, H., 1895. Terra sigillata. Ein Beitrag zur Geschichte der griechischen und römischen Keramik. Bonner Jahrbücher 96: 18-155. Ellenkamp, G.R., 2018. Booien-Veurzen, Molenveld-Groeskens en Meeswijk. Weerdverlaging Grensmaas te Dilsen-Stokkem. Verkennend booronderzoek met profielputten. RAAP-notitie 6318. Weesp. Heidinga, H. Anthonie, Gertrudis A.M. Offenberg, 1992. Op zoek naar de vijfde eeuw: de Franken tussen Rijn en Maas. Amsterdam. Hendriksen, M., 2009. Metaal, in: Bink, M. & P.F.J. Franzen (eds.) Forum Hadriani Voorburg. Definitief Archeologisch Onderzoek, BAAC rapport A-05.0125, ‘s Hertogenbosch-Deventer. Hussong, L.., 1972. Keramik der Kaiserthermen II. Die Keramik der Kellergänge. In: L.
Hussong & H. Cüppers, Die Trierer Kaiserthermen. Die spätrömische und frühmittelalterliche Keramik. Mainz am Rhein (Trierer Grabungen und Forschungen Band 1, 2), 35-61. Isarin, R.B.F., G.R. Ellenkamp, E. Heunks, J. de Kramer, R. Paulussen, L. Tebbens & F. Zuidhoff, 2015. Geomorfogenetische Kaart Maasdal (GKM) tussen Mook en Eijsden. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. Kadaster, 1811-1832. Gemeente Obbicht en Papenhoven, sectie B genaamd Obbicht, blad 1. Kars, M, F. Theuws & M. de Haas, 2016. The Merovingian cemeteries of Sittard-Kemperkoul, ObbichtOude Molen and Stein-Groote Bongerd. Merovingian Archaeology in the Low Countries 3. Bonn. Koning, J. de, 2005. Alphen in de vijfde eeuw: definitieve opgraving van een vroeg-middeleeuws nederzettingscomplex op de Kerkakkers te Alphen (Alphen-Chaam). ADC-rapport 518. Amersfoort. Landesvermessungsamt Nordrhein-Westfalen, 1970. Kartenaufnahme der Rheinlande durch Tranchot und v. Müffling 1803-1820. Blatt 63 Eisden/64 Sittard. Landesvermessungsamt NordrheinWestfalen, Bonn. Lange, A.C., Theunissen, E.M., Deeben, J.H.C., Doesburg, J. van, Bouwmeester, J & T. de Groot, 2014. Huisplattegronden in Nederland. Archeologische sporen van het huis. Amersfoort. Nederlands Normalisatie-instituut, 1989. Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[57]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Osinga, R., N. Paree, M. Oosting & R. Tak, 2015. Ruimtelijk haalbaarheidsonderzoek voorkeurslocatie Grevenbicht-Obbicht, Gemeente Sittard-Geleen (concept). BRO, Tegelen. Rondags, E.J.N. & G. Tichelman, 2019. Programma van Eisen PvE 2029 Plangebied COS-terrein te Obbicht Gemeente Sittard-Geleen Archeologisch proefsleuvenonderzoek. RAAP-programma van eisen 2029. Weesp. Ruijters, M.H.P.M., 2018. Plangebied COS-terrein te Obbicht, gemeente Sittard-Geleen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek). RAAP-rapport 3462. Weesp. Ruijters, M.H.P.M. & G.R. Ellenkamp & G. Tichelman , 2015. De beek die geeft en de beek die neemt plangebied Ligne, gemeente Sittard-Geleen; archeologisch onderzoek: een archeologische begeleiding protocol opgraving. RAAP-rapport 2989. Weesp. SIKB, 2016. Beoordelingsrichtlijn Archeologie. BRL SIKB 4000. SIKB, Gouda. Staring Centrum / RGD, 1989a. Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 59 Peer, 60 Sittard, 61 Maastricht en 62 Heerlen. Staring Centrum / RGD, Wageningen / Haarlem. Staring Centrum / RGD, 1989b. Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000. Maasterrassen en hellingklassen, blad 59 Peer, 60 Sittard, 61 Maastricht en 62 Heerlen. Staring Centrum / RGD, Wageningen / Haarlem. Stuart, P., 1963.
Gewoon aardewerk uit de Romeinse legerplaats en de bijbehorende grafvelden te Nijmegen. Leiden (Beschrijving van de verzamelingen in het Rijksmuseum G.M. Kam te Nijmegen VI). Tichelman, G., 2016. Romeinse tijd in Limburg. Een actuele kennisstand van de Romeinse tijd in Limburg aan de hand van archeologisch onderzoek tussen 2007 en 2013. Theuws, F., 2014. Vroegmiddeleeuwse huisplattegronden uit Zuid-Nederland en hun weergave. In: Lange et al.; Huisplattegronden in Nederland. Archeologische sporen van het huis.Amersfoort, 313-339. Weerts, H., J. Schokker, K. Rijsdijk & C. Laban, 2006. Geologische overzichtskaart van Nederland. TNO Bouw en Ondergrond, Utrecht.
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[58]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices Figuren: Figuur 1. De ligging van het plangebied. Inzet: ligging in Nederland (ster).
6
Figuur 2. Het plangebied met voorlopige inrichting op topografische achtergrond (bron: Osinga e.a., 2015).
8
Figuur 3. Overzicht archeologische vindplaatsen volgens ARCHIS3.
11
Figuur 4. Verspreidingskaart van de vondsten van de heer Geelen in en rondom het plangebied, bijgewerkt (door de heer Geelen) tot eind 2018 (gefotografeerd door M. Ruijters). Het gaat met name om vondsten uit de Romeinse tijd en vroege middeleeuwen. De figuur is ongeveer noordgericht (teksten op de kop).
12
Figuur 5. Verspreidingskaart van de vondsten van de heer Geelen in zijn “zone E” (waarin ook het plangebied ligt), geclassificeerd op basis van datering. De nummers op de kaart corresponderen met de nummers in tabel 4.
13
Figuur 6. Overzicht van de proefsleuven en de locatie van de gedocumenteerde profielen.
16
Figuur 7. Plangebied op de Geomorfogenetische Kaart van het Maasdal (bron: Isarin e.a., 2015).
20
Figuur 8. Kolomprofielen in (van links naar rechts) put 3, put26 en 31. Bv=bouwvoor, Kz1=lichtzandige klei, Kz2=matigzandige klei (g1=zwak grindig), Zkx= kleiig zand, Zs4= sterk siltig zand, G= grind.
21
Figuur 9. Voorbeeld bijschrift figuur.
22
Figuur 10. Overzicht van sporen in het noordelijk deel van het plangebied.
25
Figuur 11. De hard verbrande bodem van veldbrandoven S99 in het vlak van put 11. Op de achtergrond de Frankenstraat.
26
Figuur 12. Overzicht van sporen in het zuidelijk deel van het plangebied.
27
Figuur 13. Put 37, met een rij paalsporen , hoogstwaarschijnlijk van een voormalige wand van een gebouw.
29
Figuur 14. Coupes door paalsporen S51 (links) en S52 (rechts).
30
Figuur 15. Coupes door paalsporen S15, put 28 (links), S83, put 41 (midden) en S92, put 41 (rechts). 30 Figuur 16. Coupes door kuilen S14 (links) en S17 (rechts).
30
Figuur 17. Hutkom S10, met paalsporen S11 en S12 in het vlak van put 26.
31
Figuur 18. Vermoedelijke hutkom S96 in het vlak van put 22.
32
Figuur 19. Vermoedelijke dagzomende geulvulling S23 in put 29.
34
Figuur 20. Mogelijke depressie of drenkkuil S94 in put 41.
35
Figuur 21. V54, een randfragment van een pot uit de vierde eeuw (TRIER II, 91e).
37
Figuur 22. V50. Bodemfragment van een ruwwandige schaal, Romeins of Merovingisch.
37
Figuur 23. V87, bodemfragment met vermoedelijke Merovingische datering.
38
Figuur 24. Munt van Hadirianus (V83).
40
Figuur 25. Applique V26.
40
Figuur 26. Lunula V21.
41
Figuur 27. Ligging van vindplaatsen binnen het onderzoeksgebied met waardestelling.
55
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[59]
Unilocatie COS-terrein Grevenbicht-Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Tabellen: Tabel 1. Administratieve gegevens.
9
Tabel 2. Overzicht van voorgaande voor het plangebied relevante onderzoeken.
9
Tabel 3. Overzicht van de bekende archeologische monumenten rond het plangebied.
10
Tabel 4. Overzicht van de vondsten die de heer Geelen in het plangebied heeft aangetroffen. De nummers in de tabel corresponderen met de nummers op figuur 5.
14
Tabel 5. Gereserveerde spoornummers tijdens proefsleuvenonderzoek.
18
Tabel 6. Aantal sporen per spoorcategorie.
24
Tabel 7. Aantal vondsten per materiaalcategorie.
36
Tabel 8. Romeins aardewerk naar baksel.
39
Tabel 9. Monsters genomen tijdens het proefsleuvenonderzoek.
42
Tabel 10. Houtskool verzameld tijdens het proefsleuvenonderzoek.
42
Tabel 11. Scoretabel waardestelling van de vindplaats 1 (tabel 5 uit de KNA).
46
Tabel 12. Scoretabel waardestelling van de vindplaats 2 (tabel 5 uit de KNA).
48
Bijlagen: Bijlage 1. Tijdschaal Bijlage 2. Archismeldingen rondom plangebied Bijlage 3. Spoorlijst Bijlage 4. Vondstlijst Bijlage 5. Aardewerk en keramisch bouwmateriaal Bijlage 6. Metaalvondsten Bijlage 7. Botvondsten Bijlage 8. Kolomprofielen
Appendices: Appendix 1 Allesporenkaart
RAAP-rapport 4072 / versie 15-10-2019
[60]
Bijlage 1. Tijdschaal Archeologische perioden Datering
Tijdperk
Recente tijd
- 1945
C
Nieuwe tijd
- 1850
B
- 1650
A
- 1500
Laat B Laat A
Vroeg
Middeleeuwen
D: Ottoonse tijd C: Karolingische tijd B: Merovingische tijd
A: Volksverhuizingstijd Laat
Romeinse tijd
Midden Vroeg Laat
IJzertijd
Midden Vroeg Laat
Bronstijd
Midden
Prehistorie
Vroeg Laat
Neolithicum (N ieuw e Steentijd)
Mesolithicum (M idden Steentijd)
Midden
- 725 - 525 - 450 - 270 - 70 na Chr. - 15 voor Chr. - 250 - 500 - 800 - 1100 - 1800 - 2000 - 2850 - 4200 - 4900/5300 - 6450
Midden
- 8640
Jong B Jong A Midden Oud
tabel1_standaard_Archeologisch_RAAP_2014
- 900
Laat
Laat (O ude Steentijd)
- 1050
Vroeg
Vroeg
Paleolithicum
- 1250
- 9700 - 12.500 - 16.000 - 35.000 - 250.000
Bijlage 2 Overzicht van de bekende archeologische vondstlocaties in en rond het plangebied (conform Ruijters, 2019)
Zaakidnr.
vondsten
Complex
Datering
Verzamelwijze
2714320100
dakpan
villa
Romeins
archeologisch
2723222100
aardewerk, dakpan
villa
Romeins
niet-archeologisch
2777972100
aardewerk, dakpan
bewoning
Romeins
graafwerk
2780588100
fibula
onbekend
vroege middeleeuwen B-C
niet-archeologisch
2782491100
metaal divers
bewoning
Romeins
niet-archeologisch
2783358100
gewicht metaal
onbekend
Romeins
niet-archeologisch
2784087100
munt
villa
Romeins
niet-archeologisch
2790923100
munt
bewoning
Romeins
niet-archeologisch
2848928100
knoop
onbekend
nieuwe tijd
veldkartering
2855594100
fibula
onbekend
vroege middeleeuwen A
metaaldetectie
2855804100
metaal divers
onbekend
Romeins
metaaldetectie
2859028100
zuilfragment, metaal, glas
villa
Romeins
metaaldetectie
2891363100
munt
depot
Romeins
onbekend
2891793100
munt
onbekend
Romeins
graafwerk
2891922100
fundering
bewoning
Romeins
graafwerk
2892384100
gebouw
villa
Romeins
literatuur
2898102100
graven
grafveld
Romeins tot vroege middeleeuwen
graafwerk
2979865100
geen vondsten
bewoning
Romeins
inspectie
3060855100
aardewerk, slijpsteen
villa
Romeins
niet-archeologisch
3067651100
munt
depot
Romeins
niet-archeologisch
3091805100
aardewerk, steen, glas
villa
Romeins
niet-archeologisch
3092267100
munt
villa
Romeins
niet-archeologisch
3092397100
aardewerk, metaal, glas
villa
Romeins
niet-archeologisch
3092397100
aardewerk
bewoning
vroege middeleeuwen
niet-archeologisch
3092623100
metaal
onbekend
Romeins
niet-archeologisch
3115749100
metaal
villa
Romeins
metaaldetector
3125817100
munt
depot
Romeins
onbekend
3125825100
munt
depot
Romeins
onbekend
3125833100
munt
depot
Romeins
onbekend
3125841100
munt
depot
Romeins
onbekend
3126002100
dakpan, aardewerk
bewoning
Romeins
niet-archeologisch
3126084100
stenen bouwmateriaal
bewoning
Romeins
graafwerk
3128369100
graven
grafveld
vroege middeleeuwen
inspectie
3128433100
bot, metaal, glas, aardewerk
grafveld
vroege middeleeuwen
opgraving
3128490100
graven
grafveld
vroege middeleeuwen
proefsleuven
3154450100
geen vondsten
grafveld
vroege middeleeuwen
inspectie
3180119100
gebouw
villa
Romeins
opgraving
3191265100
sleutel
onbekend
Romeins
metaaldetectie
3209506100
pincet
onbekend
Romeins
metaaldetectie
3226938100
sleutel
onbekend
Romeins
niet-archeologisch
Zaakidnr.
vondsten
Complex
Datering
Verzamelwijze
3226946100
vingerring
onbekend
Romeins tot vroege middeleeuwen
niet-archeologisch
3226954100
fibula
onbekend
vroege middeleeuwen A
metaaldetectie
3239306100
ring
onbekend
vroege middeleeuwen
veldkartering
3239322100
sleutel
onbekend
Romeins
niet-archeologisch
3239330100
fibula
onbekend
vroege middeleeuwen
metaaldetectie
3283881100
munt
onbekend
Romeins
metaaldetectie
Bijlage 3 Spoorlijst spoor
put 9 1 5 6 7 8 10 11 12 13 14 15 16 17 19 20 21 21 24 25 26 27 28 29 30 32 33 35 37 38 39 40 41 43 44 45 46 47 48 49 50 50 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 61 62 63 64 65 67 70 72 73 74 75
vlak 26 3 24 24 26 26 26 26 26 30 30 28 28 28 28 29 29 29 32 33 33 33 33 33 33 33 33 33 33 33 33 33 33 33 33 33 37 37 37 37 37 37 37 37 37 37 37 37 37 38 38 38 38 38 38 38 38 38 38 40 40 40 40 40 40
gecoupeerd 1 False 1 True 1 True 1 True 1 True 1 True 1 True 1 True 1 False 1 False 1 True 1 True 1 False 1 True 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 True 1 False 1 False 1 True 1 True 1 True 1 True 1 True 1 False 1 False 1 False 1 False 1 True 1 True 1 False 1 False 1 True 1 True 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 False 1 True
diepte
interpretatie 0 kuil 5 paalspoor 35 paalspoor 38 paalspoor 6 paalspoor 6 paalspoor 45 hutkom 26 paalspoor 0 paalspoor 0 kuil 74 kuil 36 paalspoor 0 paalspoor 40 kuil 0 kuil 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 greppel 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 20 paalspoor 20 paalspoor 20 paalspoor 8 paalspoor 8 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 kuil 0 kuil 24 greppel 0 natuurlijke verstoring 0 kuil 0 paalspoor 15 recente verstoring 15 recente verstoring 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 paalspoor 0 natuurlijke verstoring
begindatum Romeinse tijd niet ingevoerd Bronstijd Bronstijd Romeinse tijd Romeinse tijd Romeinse tijd Romeinse tijd Romeinse tijd niet ingevoerd niet ingevoerd onbekend onbekend Romeinse tijd Romeinse tijd onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend niet ingevoerd onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend Romeinse tijd onbekend onbekend onbekend niet ingevoerd niet ingevoerd niet ingevoerd onbekend niet ingevoerd onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend
einddatum Middeleeuwen vroeg A niet ingevoerd Bronstijd Bronstijd Middeleeuwen vroeg A Middeleeuwen vroeg A Middeleeuwen vroeg A Middeleeuwen vroeg A Middeleeuwen vroeg A niet ingevoerd niet ingevoerd onbekend onbekend Middeleeuwen vroeg A Middeleeuwen vroeg A onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend niet ingevoerd onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend Middeleeuwen vroeg A onbekend onbekend onbekend niet ingevoerd niet ingevoerd niet ingevoerd onbekend niet ingevoerd onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend onbekend
vulling
textuur 0 klei matig zandig 0 klei zwak siltig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 1 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 2 klei zwak zandig 1 klei zwak zandig 0 klei matig zandig 0 klei zwak zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 1 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig 0 klei matig zandig
kleur bruingrijs grijsbruin bruingrijs bruingrijs bruingrijs bruingrijs bruingrijs grijs bruingrijs donkerbruingrijs donkerbruingrijs bruingrijs bruingrijs donkergrijs grijsbruin lichtbruingrijs lichtbruin lichtbruingrijs bruingrijs bruingrijs bruingrijs bruingrijs bruingrijs lichtbruingrijs bruingrijs bruingrijs bruingrijs bruingrijs bruingrijs bruingrijs bruingrijs bruingrijs bruingrijs bruingrijs bruingrijs lichtbruingrijs lichtbruingrijs lichtbruingrijs lichtbruingrijs lichtbruingrijs donkergrijs lichtbruingeel lichtbruingrijs donkergrijsbruin donkergrijsbruin lichtbruingrijs lichtbruingrijs lichtbruingrijs lichtbruingrijs lichtbruingrijs grijsbruin grijsbruin bruingrijs bruingrijs donkerbruingrijs bruingrijs bruingrijs bruingrijs bruingrijs grijs grijs grijs grijs grijs grijs