CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

03-1 Unilocatie Grevenbicht-Obbicht_Toelichting

Raad 24 juni 2021, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Bestemmingsplan en Exploitatieplan unilocatie Grevenbicht-Obbicht (Meekels) (57)21.751 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Zelfs in de situatie 1:1250 blijkt dat het gebied niet zal overstromen. Op basis van de berekeningen kan geconcludeerd worden dat het gebied niet meer zal overstromen. Ondanks dat het plangebied Unilocatie in het bergend regime is gesitueerd, hoeft het bergend vermogen niet gecompenseerd te worden. Hiermee leidt het aspect rivierkunde niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Verkeerstoets De entree van het Integraal Kindcentrum en het sportcomplex ligt buiten de bebouwde kom. De functie van de weg sluit nu niet aan op de vormgeving. Door de maximumsnelheid te verlagen naar 60 km/uur, en de weg in te richten als erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met kantstroken die de rijloper optisch versmallen, zullen de snelheden verlagen. Daarnaast leidt de aangepaste inrichting tot een soepele en verkeersveilige verkeersafwikkeling van het verkeer in het plangebied Unilocatie. Het Integraal Kindcentrum en het sportcomplex zorgen voor circa 615 ritten per etmaal. Aangenomen wordt dat de ritten gelijk verdeeld zijn over Grevenbicht en Obbicht. Dit betekent dat er circa 300 mvt/etmaal over de Kempenweg naar het noorden bijkomen en circa 300 ritten naar het zuiden. De verkeersintensiteit op de Kempenweg groeit dus van 2.600 mvt/etmaal (autonome ontwikkeling) door het plan naar bijna 2.900 mvt/etmaal in 2030.

Deze verkeersintensiteit kan op de Kempenweg goed worden afgewikkeld en leidt niet tot problemen in de verkeersdoorstroming. Het verkeer op de

29

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

Frankenstraat zal naar verwachting licht toenemen door bezoekers uit het buitengebied. Ook dit levert geen problemen op in de verkeersdoorstroming. Bij de Unilocatie zijn minimaal 26 parkeerplaatsen nodig, en nog eens 25 Kiss & Ride parkeerplaatsen. In totaal zijn er dus 51 parkeerplaatsen nodig. In het plan is rekening gehouden met 78 parkeerplaatsen. In de stedenbouwkundige schets is vanuit het beleid “veilige school-thuisrroute” rekening gehouden met een plateau ter hoogte van de entree van de unilocatie, waar voetgangers en fietsers over kunnen steken. Dit plateau werkt snelheidsremmend en attentie verhogend voor automobilisten. Ter hoogte van de entree van de unilocatie wordt over een lengte van 50 m een vrijliggend fietspad gerealiseerd aan de westzijde van de weg. Met deze voorzieningen is geborgd dat voetgangers en fietsers op een veilige manier de weg kunnen oversteken. Tussen dit plateau en de verkeerssluis nabij de Dukkelaarsweg wordt het wegprofiel van de Kempenweg aangepast door de aanleg van een trottoir en fietssuggestiestroken. In het kader van een veilige school-thuisroute vindt tevens een herprofilering van de Frankenstraat plaats inclusief het aanleggen van een trottoir, mede bedoeld voor de bereikbaarheid van de huisartsenpost, vanaf de kruising met de Kempenweg.

Op de kruising Kempenweg-Frankenstraat wordt eveneens een verkeersplateau gerealiseerd met oversteekplaats. Het aspect verkeer leidt niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (zie tevens Bijlage 9). Lichthinder Voor het plangebied Unilocatie wordt uitgegaan van de zogenaamde E-zone "buitenstedelijk/landelijk woongebied (E2). Hiervoor gelden de volgende grenswaarden: De maximale verticale verlichtingssterkte bedraagt 5 lux. (van 7.00 tot 23.00 uur) De maximale toelaatbare lichtsterke bedraagt 7.500 cd. (van 7.00 tot 23.00 uur). Om zeker te zijn dat lichthinder naar de omgeving wordt voorkomen, dient de tilt-hoek van de armaturen 0 graden te zijn. De onderkant van het glazen afdekscherm is dan horizontaal gepositioneerd. Hiermee wordt voorkomen dat er floodlighttechnieken worden toegepast. Op het moment dat bekend is welke armaturen er gebruikt gaan worden, dient een lichtberekening te worden uitgevoerd. Daarvoor is van belang dat de lichtberekening conform de eisen van de diverse sportbonden gemaakt moet zijn, en dat er een terreintekening van het gebied wordt gemaakt met daarin de positie van eventueel gehinderden. In de bestemmingsplanregels is een bepaling opgenomen ten aanzien van lichthinder.

Het aspect lichthinder leidt niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu mits voldaan wordt aan bovenstaande grenswaarden, die tevens zijn vastgelegd in de planregels (zie tevens paragraaf 4.9). Bodem Voor het plangebied Unilocatie blijkt uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek dat zowel de bovengrond als de ondergrond, op basis van de analyseresultaten, licht verontreinigd is met verschillende zware metalen in gehalten boven de achtergrondwaarde en in het geval van nikkel boven de index 0,5. Op basis van de afzonderlijk geanalyseerde grondmonsters komen er geen gehalten aan nikkel boven de interventiewaarde voor in de ondergrond. Verder zijn andere zware metalen licht verhoogd aangetroffen. In het nader onderzoek naar de aanwezigheid van asbest ter plaatse van de (voormalige moestuin) zijn er geen asbestverdachte of asbesthoudende materialen aangetoond. Het overige deel van de onderzoekslocatie is niet verdacht op het voorkomen van asbest. De gevonden gehalten in de bovengrond vormen in milieuhygiënische zin geen belemmeringen voor het huidige en toekomstige gebruik van het terrein. Vanwege de indicatieve bodemkwaliteitsklasse ‘Industrie’ in het geval van hergebruik in de ondergrond (vanaf 0,75 m -mv.) verdient het aanbeveling om de daarboven gelegen laag grond te behouden en/of te voorzien van duurzame afdekking/isolatie.

Uit de resultaten van het vooronderzoek blijkt niet dat op de locatie Steenweg in Grevenbicht, die momenteel in gebruik is als sportveld/sportterrein, bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Wel bestaat de kans dat er asbest is gebruikt in de bebouwing, gezien de ouderdom ervan.

30

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

Ook voor de locatie Kasteelweg, Obbicht, die momenteel in gebruik is als sportveld/sportterrein blijkt uit het vooronderzoek niet dat er bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Wel bestaat de kans dat er asbest is gebruikt in de bebouwing, gezien de ouderdom ervan. Er zijn, voor zover bekend, recent geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Hiermee leidt het aspect bodem niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (zie Bijlage 11 en Bijlage 12). Geluid In het weekend wordt voldaan aan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Voor een doordeweekse dag worden de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit in de nachtperiode overschreden voor de woningen aan de Frankenstraat 17/17a en Frankenstraat 20. Het maximale geluidniveau bedraagt respectievelijk 61 dB(A) en 62 dB(A). Het maximale geluidniveau op de gevel van het schoolgebouw vanwege de tennisvelden bedraagt 74 dB(A). Hiermee worden de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit overschreden. Met een geluidscherm tot 5 meter hoog is het mogelijk het maximale geluidniveau voor de Frankenstraat 17/17a terug te brengen tot onder de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Voor de woning aan de Frankenstraat 20 wordt deze grenswaarde al behaald met een 4 meter hoog geluidscherm.

Voor het schoolgebouw is een 3 meter hoog geluidscherm afdoende om het maximale geluidniveau terug te brengen onder de voorschriften uit het Activiteitenbesluit. In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om de minimaal benodigde hoogte van het geluidscherm te waarborgen. Hiermee leidt het aspect geluid niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (zie Bijlage 13). Luchtkwaliteit Er is een met behulp van de NIBM tool een berekening uitgevoerd naar de invloed van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit. Uit de berekening volgt dat het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen. Het aspect luchtkwaliteit leidt niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (zie tevens paragraaf 4.10.3). Externe veiligheid Er is een inventarisatie uitgevoerd naar de risico's voor de externe veiligheid in de directe omgeving van de kernen Grevenbicht en Obbicht. Uit deze beschouwing zijn twee “risicobronnen” ten opzichte van de externe veiligheid geïdentificeerd. Dit zijn de binnenvaartroute Maascorridor en een buisleiding: Pijpleiding Rotterdam - Beek (PRB). Gelet op de ligging van de risicobronnen ten opzichte van het plangebied Unilocatie, ligt het plangebied Unilocatie buiten de PR10-6 contouren van deze risicobronnen.

Tevens neemt het groepsrisico niet toe, als gevolg van deze ontwikkeling door de grote afstand. Bovendien gaat het om een verplaatsing van twee bestaande scholen binnen hetzelfde invloedsgebied naar onderhavige nieuwe locatie aan de Kempenweg. Hiermee leidt het aspect externe veiligheid niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (zie tevens paragraaf 4.10.4). Conventionele explosieven De aanleiding tot het uitvoeren van een vooronderzoek naar mogelijk aanwezige Conventionele Explosieven (CE) voor het project Unilocatie Grevenbicht-Obbicht vloeit voort uit het voornemen tot het uitvoeren van werkzaamheden in het plangebied Unilocatie en het vermoeden van de mogelijke aanwezigheid van CE in de bodem. Het doel van een vooronderzoek is beoordelen of er indicaties zijn dat binnen het projectgebied CE aanwezig zijn, en zo ja, om het op CE verdachte gebied in horizontale en verticale dimensies af te bakenen.

31

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

Uit het bronnenonderzoek komt naar voren dat er in de periode 1971-heden twee munitieruimingen hebben plaatsgevonden binnen het onderzoeksgebied. Echter is deze munitievondst geen aanleiding tot de afbakening van een op CE verdacht gebied. Er zijn tijdens het onderzoek geen verdere indicaties achterhaald voor de aanwezigheid van CE in het plangebied Unilocatie. Omdat er geen indicaties voor de aanwezigheid van CE in het plangebied Unilocatie zijn, is er geen onderzoek naar contra-indicaties gedaan. Het plangebied Unilocatie wordt op basis van het geanalyseerde feitenmateriaal als 'onverdacht' gekwalificeerd op de aanwezigheid van CE. De voorgenomen werkzaamheden kunnen regulier worden uitgevoerd zonder aanvullend onderzoek naar CE. Hiermee leidt het aspect conventionele explosieven niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (zie tevens Bijlage 14). Conclusie Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Een nadere m.e.r.(beoordeling) is dan ook niet noodzakelijk.

4.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen dienen op basis van deze ladder te worden gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ruimtevraag, de beschikbare ruimte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De 'ladder voor duurzame verstedelijking' heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en overprogrammering op regionaal niveau te voorkomen. De ladder voor duurzame verstedelijking beoogt dat in regionaal verband de gezamenlijke ontwikkelingsbehoefte wordt bepaald. De duurzaamheidsladder is van toepassing op alle ruimtelijke plannen die vanaf 1 oktober 2012 worden vastgesteld en geldt bij stedelijke ontwikkelingen zoals bedrijventerreinen, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur, indoorsport en leisure. De ladder voor duurzame verstedelijking is in principe kaderstellend voor alle juridisch bindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden. Hieronder valt onder meer een bestemmingsplan dat een locatie voor stedelijke ontwikkeling aanwijst. Ook voor voorliggend plan moet de ladder voor duurzame verstedelijking worden doorlopen.

In artikel 3.1.6., tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening wordt aangegeven dat de toelichting van een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt ook een beschrijving moet bevatten van de behoefte aan de ontwikkeling. Wanneer de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, dient tevens te worden gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Op deze aspecten wordt hieronder nader ingegaan. Binnen het onderwijs is meer nadruk gekomen op Passend Onderwijs en de individuele ontwikkelingsbehoeften van kinderen. Vanuit de samenleving bestaat er een groeiende behoefte aan goede voorzieningen voor basisonderwijs, voor- en naschoolse opvang en peuteraanbod, in een vorm waarbij niet naast elkaar wordt gewerkt, maar met elkaar via een integraal aanbod. Om te kunnen voldoen aan deze behoefte is een Integraal Kindcentrum nodig, waarbinnen voorzieningen voor basisonderwijs, voor- en naschoolse opvang en peuteraanbod aanwezig zijn onder één dak. Daarnaast is er sprake van meerwaarde als er een verdere clustering van het kindcentrum met buitensportfaciliteiten kan worden aangeboden (zie onderbouwing in Bijlage 1). De locatie van de huidige school in Grevenbicht is qua oppervlakte groot genoeg voor de nieuwe school.

De gemeente, sportverenigingen en het schoolbestuur zijn echter van mening dat voor een duurzame verandering van onderwijs- en sportvoorzieningen ten behoeve van de beide kernen de realisatie van een integraal onderwijs sportconcept noodzakelijk is. Voor deze ontwikkeling ontbreekt het aan geschikte locaties binnen het stedelijk gebied van de kernen Grevenbicht en Obbicht waar voldoende ruimte is om de clustering van het kindcentrum met

32

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

buitensportmogelijkheden mogelijk te maken (zie onderbouwing in Bijlage 2). Juist deze clustering op één locatie is een belangrijke meerwaarde van deze ontwikkeling. De meest geschikte locatie hiervoor is de locatie tussen de beide kernen. Hier zullen de sportvoorzieningen worden geconcentreerd. De vrijkomende nu bestaande sportvoorzieningen worden ontmanteld. Deze gebieden krijgen een groene, landschappelijke invulling. Op deze manier blijft de ingreep op het landschap ten gevolge van de school en sportvoorzieningen beperkt en worden de vrijkomende locaties teruggegeven aan het landschap. Geconcludeerd wordt dat er binnen het verzorgingsgebied geen geschikte alternatieve locaties zijn waar deze ontwikkeling gerealiseerd zou kunnen worden. Aangezien sprake is van een behoefte, waarin nergens binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, voldoet de ontwikkeling van het Integrale Kindcentrum met buitensportmogelijkheden in het middengebied hiermee aan de uitgangspunten van de Ladder voor Duurzame verstedelijking. Verder wordt verwezen naar de Nota van zienswijzen opgenomen in Bijlage 22.

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1

Archeologie

Aan de hand van een bureau- en verkennend booronderzoek uit 2019 was reeds bekend dat direct rondom het plangebied volgens ARCHIS drie archeologisch waardevolle terreinen liggen en 46 archeologische meldingen, terwijl ook nog eens diverse vondsten door amateurs bekend zijn die nog niet in ARCHIS waren opgenomen. Het booronderzoek maakte tevens duidelijk dat de bodems in het gebied intact waren. In maart 2019 is er in opdracht van de gemeente Sittard-Geleen een aanvullend proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het plangebied Unilocatie. Het doel van het proefsleuvenonderzoek is om inzicht te krijgen in de precieze aard, omvang, diepteligging en datering van de vindplaatsen en te bepalen of het gaat om één of meerdere behoudenswaardige vindplaatsen. Het volledige archeologische proefsleuvenonderzoek is opgenomen als Bijlage 3. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn verspreid over het plangebied 41 proefsleuven aangelegd met een totaal oppervlak van 4100 m2. Dit komt neer op een dekkingsgraad van 10% van het totale plangebied. Verspreid over de proefsleuven zijn verschillende archeologische resten van drie vindplaatsen aangetroffen. Landschap en stratigrafie Geologisch gezien ligt het plangebied Unilocatie in een zone met een pakket rivierklei, bovenop riviergrinden en -zanden.

Het gaat in beide gevallen om Maasafzettingen die respectievelijk gedurende het Pleistoceen (zanden en grinden) en het Holoceen (kleien) zijn afgezet en gerekend worden tot de Formatie van Beegden. Het plangebied Unilocatie ligt volgens de Maasterrassenkaart op het Maasterras van Geistingen, dat aan het einde van de laatste ijstijd is ontstaan als gevolg van insnijding van de Maas in de grindige en zandige afzettingen uit de Jonge Dryas. De huidige Maas ligt iets verder naar het westen en als het ware nog één trede lager in het landschap. Aangezien uit het gebied diverse oppervlaktevondsten bekend zijn, werd aangenomen dat archeologische grondsporen zich ondiep onder het huidige maaiveld bevinden. Gezien de nabijheid aan de huidige Maas is er echter ook met overstromingen in het verleden rekening gehouden, omdat sporen zich op meerdere niveau's kunnen bevinden. Proefsleuvenonderzoek Gezien de aanwezigheid van diverse vindplaatsen uit de Romeinse tijd en vroege middeleeuwen direct rondom het onderzoeksgebied en de aanwezigheid van sporen en vondsten uit de Romeinse tijd, kan geconcludeerd worden dat op basis van de ensemblewaarde een behoudenswaardige vindplaats aanwezig is. Tijdens het veldwerk waren er weinig dateerbare vondsten aanwezig, daarom is bij het couperen ook steeds houtskool uit de sporen verzameld.

33

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

Het archeologisch onderzoek heeft 239 vondsten opgeleverd, exclusief het verzamelde houtskool. Per vondstcategorie is de waardering van de vondsten en de potentie van het materiaal beoordeeld.

Overzicht van sporen in het noordelijk deel van het plangebied Unilocatie

34

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

Overzicht van sporen in het zuidelijk deel van het plangebied Unilocatie

Het onderzoek heeft aangetoond dat in het plangebied Unilocatie twee vindplaatsen aanwezig zijn, vindplaatsen 1 en 2. Ter hoogte van vindplaats 2 is mogelijk nog een derde vindplaats aanwezig (vindplaats 3) op een (iets) dieper niveau. In het plangebied Unilocatie zijn vindplaatsen 1 en 2 onderzocht. Vindplaats 1 Vindplaats 1 bestaat uit de resten van een veldbrandoven uit de nieuwe tijd en kuilen met baksteenpuin uit de veldbrandoven(s). De vindplaats heeft binnen het plangebied een omvang van circa 75 x 17 m (1.275 m2). De sporen bevinden zich min of meer direct onder het huidige maaiveld. De vindplaats is zowel in horizontale als verticale zin niet meer gaaf aanwezig. De conservering is middelmatig. De vindplaats is niet zeldzaam, heeft een lage informatiewaarde en een gemiddelde ensemblewaarde. De vindplaats is niet behoudenswaardig.

35

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

Vindplaats 2 Vindplaats 2 bestaat uit nederzettingsresten uit de Romeinse tijd en of de vroege middeleeuwen, hoogstwaarschijnlijk uit de laat-Romeinse tijd en of de Merovingische periode. De vindplaats heeft binnen het plangebied een omvang van circa 150 x 120 m (1,8 ha). De sporen zijn direct onder de bouwvoor herkenbaar. Met uitzondering van de direct ten westen liggende Kempenweg is de vindplaats gaaf aanwezig. De conservering van grondsporen varieert van slecht tot goed. De conservering van het vondstmateriaal is redelijk tot goed. De vindplaats is zeldzaam, heeft een middelmatige informatiewaarde en een hoge ensemblewaarde. De vindplaats is behoudenswaardig. Vindplaats 3 Vindplaats 3 is onzeker, het betreft een mogelijke oudere bewoningsfase ter hoogte van vindplaats 2. Het gaat om enkele sporen die iets dieper onder het maaiveld werden vastgesteld (circa 60-70 cm – mv), maar op basis van de NAP-waarden nog wel tot vindplaats 2 kunnen behoren. De omvang van de vindplaats is onbekend, omdat het vlak binnen vindplaats 2 niet verder werd verdiept als sporen (direct onder de bouwvoor) werden vastgesteld. Indien een oudere vindplaats aanwezig is, dan is deze vindplaats hoogstwaarschijnlijk ook behoudenswaardig. Indien het gaat om een vindplaats uit de ijzertijd ontstaat een hoge diachrone ensemblewaarde, terwijl voor oudere dateringen een hoge zeldzaamheidswaarde geldt.

Conclusie Op basis van de waardering van de aangetroffen archeologische resten, waarbij is gekeken naar zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats, wordt geconcludeerd dat vindplaats 1 niet-behoudenswaardig is maar vindplaats 2 wel. Vindplaats 3 kan niet gewaardeerd worden, omdat de vindplaats nauwelijks is onderzocht en de aard, omvang en datering van de vindplaats onzeker blijven. Indien hier inderdaad een oudere vindplaats aanwezig is, dan is deze vindplaats hoogstwaarschijnlijk ook behoudenswaardig.

36

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

Ligging van vindplaatsen binnen het onderzoeksgebied met waardestelling

Voor vindplaats 1 en zones waar geen vindplaats is aangetroffen, geldt dat bij ontwikkeling geen verdere onderzoeksplicht bestaat. Ter hoogte van vindplaats 2 (en 3) geldt in principe dat de vindplaatsen in situ behouden moeten worden, door bijvoorbeeld het gebied voldoende op te hogen voorafgaand aan de ontwikkeling. Indien in situ geen optie is, is nader onderzoek nodig, voorafgaand aan de ontwikkeling. Voor deze gronden is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" opgenomen. Daarnaast is aan een deel van de gronden binnen het plangebied waarvoor geen nader onderzoek heeft plaatsgevonden de bestemming "Waarde - Archeologie 2" toegekend. De reden hiervoor is dat deze gronden als zodanig zijn opgenomen op de Archeologische beleidskaart (2012) van de gemeente.

37

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

38

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

4.3.2

Cultuurhistorie

Door de tijd heen is het plangebieddeel tussen Grevenbicht en Obbicht vrijwel primair in gebruik geweest als akkerland met een enigszins geometrisch aandoend wegenpatroon. De Kempenweg, Dukkelaarsweg en Frankenstraat zijn oude structuren. Pas na de Tweede Wereldoorlog heeft de bebouwing van Grevenbicht en Obbicht zich langzaamaan langs de Kempenweg naar elkaar toe ontwikkeld, dit ten koste van het open landschap. De bewoningsgeschiedenis in dit gebied gaat terug tot de Romeinse tijd; bekend is dat er hier enkele villa’s en woningen hebben gelegen. Door de relatief laaggelegen ligging en de nabijheid van de Kingbeek is het plangebieddeel sportlocatie Grevenbicht gedurende de tijd vrijwel altijd in gebruik geweest als weiland en heeft daardoor haar open karakter goed weten te behouden. De oudste bebouwing concentreerde zich oorspronkelijk op de hogere delen van het gebied, op de flanken van de ondiepe laagte en langs de Maasdijk. De drie historische clusters Grevenbicht, Papenhoven en Opstaai zijn tegenwoordig vrijwel aaneengegroeid tot een sterk verdichte kern met duidelijk herkenbare randen rondom de ondiepe laagte. De sportlocatie (Sportpark Den Dreesj) is sedert de jaren vijftig van de vorige eeuw op deze plek gevestigd. Historisch gezien behoorde het plangebieddeel sportlocatie Obbicht tot het eigendom van Kasteel Obbicht.

Tegenwoordig is het terrein niet meer in eigendom van Kasteel Obbicht. Deze wat drassige randzone tussen kasteel en kernrand is door de tijd heen voornamelijk in gebruik geweest als hooiland en bouwland maar kende ook een korte periode een invulling met boomgaarden. Ook hier ligt de historische bebouwing alsook het kasteel op de hogere gelegen delen in het Maasdal. Ten oosten van het gebied, waar de steilrand en de Kingbeek elkaar ontmoeten heeft een papiermolen gelegen, tegenwoordig geheel verdwenen. De sportlocatie (Sporrtpark De Baendj) is sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw op deze plek gevestigd. Conclusie Bij de herinrichting van het gebied middengebied zullen gebiedseigen bomen en struiken worden gebruikt en blijft de openheid van het gebied tussen de beide kernen zoveel mogelijk behouden. Bovendien zullen op de beide vrijkomende sportlocaties natuur- en landschapswaarden worden hersteld en versterkt.

4.4

Ecologie

4.4.1

Quickscan natuurwetgeving

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met natuurwetgeving. Derhalve is het belang om na te gaan of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een negatief effect heeft op de beschermde natuurwaarden. Door de voorgenomen ingreep op de Unilocatie Grevenbicht-Obbicht is mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten of kwalificerende waarden van Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) of effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg (NNL, voorheen EHS). In de in juni 2018 uitgevoerde quickscan natuurwetgeving zijn de eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wnb in beeld gebracht (zie Bijlage 4). Plangebied Het plangebied Unilocatie ligt tussen de dorpskernen van Grevenbicht en Obbicht. Het bestaat uit voornamelijk akkerland met maïsteelt. Een klein gedeelte van het plangebied Unilocatie bestaat uit een hoogstamboomgaard met een enkele schuur. Het plangebied Unilocatie grenst aan de noordzijde aan het dorp Grevenbicht. Aan de zuidzijde grenst het plangebied Unilocatie aan het dorp Obbicht. In de

39

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

directe omgeving bevinden zich enkele woningen van de dorpskernen met aangelegen tuinen en akkers en hoogstamboomgaarden ten westen en oosten van het plangebied Unilocatie. Gebiedsbescherming Het plangebied Unilocatie is niet gelegen in het Natura 2000-gebied de Grensmaas, en grenst ook niet aan dit Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied de Grensmaas ligt op 1 km afstand van het plangebied Unilocatie. De werkzaamheden in het plangebied Unilocatie zijn lokaal van aard; effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied de Grensmaas zijn op voorhand uit te sluiten. Nader toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied Unilocatie is niet gelegen in de NNN (Natuurnetwerk Nederland), maar wel binnen de Bronsgroene landschapszone. Deze Bronsgroene landschapszone omvat de landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden met de daarin aanwezige (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinere landschapselementen, waterlopen e.d. Omdat het plangebied Unilocatie niet binnen het beschermingsgebied van het Handvat voor Zuid-Limburg valt, zijn er geen vaste omschrijvingen van de kernkwaliteiten. Door Heuschen Copier is onderzoek verricht naar de kernkwaliteiten en omgevingskwaliteiten (zie paragraaf 4.5 en Bijlage 7).

Geconcludeerd kan worden dat er geen vervolgstappen noodzakelijk zijn vanuit de NNN. Soortenbescherming Door de voorgenomen ingreep is mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming. Er zijn ten aanzien van de soortenbescherming een bureauonderzoek en een veldbezoek (25 april 2018) uitgevoerd. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen vijf jaar. Mitigerende maatregelen Met de volgende maatregelen wordt overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming voorkomen ten aanzien van algemene broedvogels, steenuil en torenvalk: Verwijderen van aanwezige vegetatie en bebouwing (schuur) buiten het broedseizoen; het broedseizoen loopt doorgaans tussen 15 maart en 1 juli, echter kunnen soorten ook buiten deze periode starten met broeden. Actieve nesten zijn dan nog steeds beschermd. Indien werkzaamheden uitgevoerd moeten worden in het broedseizoen dient een ecoloog te controleren of er geen vogels broeden in het plangebied Unilocatie. Bij uitsluiten van nesten kunnen de werkzaamheden alsnog plaatsvinden. Bij het aantreffen van nesten kunnen de werkzaamheden op de betreffende plek en een zone van 10m eromheen niet plaatsvinden. Zorgplicht De Wnb kent een algemene zorgplicht.

Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: Maai voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie buiten broedseizoen in het werkgebied kort. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens aanleg. Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting van de weg af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet de weg opgejaagd. Gebruik van materiaal door daartoe deskundig personeel om schade en overlast aan dieren en planten zoveel als mogelijk te beperken. Werken in één richting zodat eventueel aanwezige dieren weg van de werkzaamheden kunnen vluchten naar in de omgeving beschikbare natuurlijke schuilplaatsen.

40

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

Conclusie In het plangebied Unilocatie komen mogelijk beschermde soorten voor. Het betreft de volgende soorten: Flora als: akkerboterbloem, brave hendrik, dreps, getande veldsla en grote leeuwenklauw; Algemene broedvogels: leefgebied en broedlocatie merel, lijster, mezen etc.; Broedvogels met jaarrond beschermd nest: leefgebied steenuil en torenvalk; Algemene grondgebonden zoogdieren: konijn, haas, egel etc.; Algemene amfibieën: landbiotoop bruine kikker en gewone pad. Doordat enkele van deze soorten vrijgesteld zijn in het kader van ruimtelijke ingrepen is een toetsing van de Wnb verricht op enkele soorten flora, algemene broedvogels en broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Ten gevolge van de voorgenomen ingreep treden er mogelijk negatieve effecten op voor deze soorten door de voorgenomen ingreep. Hierdoor kunnen verbodsbepalingen van de Wnb mogelijk worden overtreden. Middels mitigerende maatregelen zijn negatieve effecten op algemene broedvogels (broedplaats en leefgebied) en jaarrond beschermde nesten (enkel foerageergebied) te voorkomen. Betreffende mogelijk voorkomende flora is door de aard en tijdstip van het verrichte onderzoek niet duidelijk of de soorten daadwerkelijk voorkomen.

Aanvullend onderzoek is nodig om uit te wijzen of beschermde soorten in het gebied groeien en welke mitigerende maatregelen te treffen zijn ter voorkoming van de verbodsbepalingen van de Wnb. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of het plan vergunbaar is. Op basis hiervan kunnen mitigerende maatregelen worden opgesteld die de negatieve effecten moeten voorkomen. Voor de planfase is de verwachting dat het mogelijk is om binnen het plan invulling te geven aan de mitigerende maatregelen zoals deze zijn voorgesteld. Bij het niet volledig voorkomen van negatieve effecten is een ontheffing Wnb noodzakelijk. Voor het aanvullende onderzoek flora wordt verwezen naar paragraaf 4.4.2.

4.4.2

Aanvullend onderzoek flora

Uit de uitgevoerde quickscan blijkt dat in het plangebied Unilocatie mogelijk beschermde planten (akkerboterbloem, brave hendrik, dreps, getande veldsla en grote leeuwenklauw) voorkomen. Voor meer informatie over de inventarisatie van eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden als gevolg van de voorgenomen ingrepen verwijzen we naar de quickscan (zie paragraaf 4.4.1). Omdat de voorgenomen activiteiten mogelijk effect hebben op de standplaats van beschermde (akker)flora, is aanvullend ecologisch onderzoek gedaan om te zien of beschermde planten aanwezig zijn in het plangebied Unilocatie (zie Bijlage 5). Conclusie Tijdens de inventarisaties zijn geen beschermde plantensoorten waargenomen zoals beschermd onder de Wet natuurbescherming. Gezien het aanwezige landgebruik is de kans klein dat deze soorten hier voorkomen. Er zijn enkel algemeen voorkomende plantensoorten aangetroffen. Met de laatste inventarisatie in 2019 is in de optimale periode voor planten geïnventariseerd. Hierbij is de aanwezigheid van beschermde planten niet vastgesteld en daarmee is het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied Unilocatie uitgesloten. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van soortenbescherming doorgang kan vinden

4.4.3

AERIUS-berekening

In Bijlage 6 zijn de rekenresultaten opgenomen van de AERIUS-Calculator voor zowel de gebruiks- als realisatiefase. Berekend zijn de hoogste stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. De berekeningen hebben geen depositieresultaten opgeleverd boven de 0,00 mol/ha/jr. Vanuit het aspect stikstof bestaan dan ook geen bezwaren tegen de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.

41

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

4.5

Landschap

Heuschen Copier heeft voor de Unilocatie en de 2 vrijkomende sportlocaties een onderzoek verricht naar de kernkwaliteiten en omgevingskwaliteiten (zie Bijlage 7). Zuid-Limburg wordt gewaardeerd om haar grote variatie in omgevingskwaliteiten en landschapstypen. Deze verscheidenheid is een belangrijk en sterk kenmerk van het Zuid-Limburgse landschap en wordt samengevat in vier landschappelijke kernkwaliteiten: het reliëf, het groene karakter, het contrast tussen openheid en beslotenheid en de cultuurhistorische waarden. Het inzichtelijk maken van de landschappelijke kernkwaliteiten vormt, samen met een analyse van de omgevingskwaliteit, de basis voor een gedegen planvorming. Omgevingskwaliteit bestaat uit drie waarden: de functionele waarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde. Unilocatie De open ruimte tussen de kernen Grevenbicht en Obbicht draagt bij aan de herkenbaarheid van beide kernen. Het zacht glooiende open landschap met daarin de herkenbare geomorfologie van het prehistorische Maasdal en de vergezichten als gevolg van het coulissen-achtige landschap zijn veruit de belangrijkste kwaliteiten in dit gebied.

De landbouwkundige invulling houdt de zo kenmerkende open ruimte tussen de kernen Grevenbicht en Obbicht in stand en draagt daarmee in grote mate bij aan het kenmerkende ritme van open en besloten in het Maasdallandschap én aan de woonbeleving en kwaliteit van de aangrenzende woonmilieus. In minder mate gaat het om de wisselwerking tussen de ruimte en haar randen en om het contrast tussen laagdynamische functies (landbouw) in de open ruimte en de relatief hogere dynamiek van de dorpse voorzieningen in de kernrand. Het contrast in beleving en gebruik (functie) zijn bepalend voor de woonen omgevingskwaliteit van het gebied tussen de twee kernen. Wanneer er nieuwe functies in de open ruimte worden toegevoegd (lees: een sport- en schoollocatie) moet goed worden nagedacht over hoe de huidige balans in beleving en functie kan worden behouden en verbeterd. Aangezien de algemene omgevingskwaliteit zwaar rust op de open ruimte zal het toevoegen van toekomstwaarde moeten worden gezocht in een kwaliteitsverbetering van de randen. De voorgestelde positionering van de voetbalvelden in de open ruimte is goed te onderbouwen. De beleving van de openheid van het resterende (agrarische) gebied tussen de kernen blijft hiermee behouden.

Op basis hiervan is het aan te raden geen hoge opgaande beplanting (zoals windsingels of boomgaarden) toe te passen als landschappelijk inpassing rondom de voetbalvelden. Lage(re) elementen zoals (landschappelijke) hagen en brede zones grasland passen daarentegen beter bij het open karakter en houden bestaande doorzichten in stand. Veldgerelateerde inrichtingselementen zoals verlichting, ballenvangers en veldafrastering zouden beperkt moeten blijven tot het noordelijk gelegen wedstrijdveld. Om de herkenbaarheid van de kernentree van Grevenbicht te handhaven wordt geadviseerd de toegang van het parkeerterrein aan de Kempenweg zo noordelijk mogelijk (lees: zo dicht mogelijk bij de kernrand) te positioneren. Tevens wordt een vergroening voorgesteld van het parkeerterrein. De positie van de infiltratiezones is vanuit de landschappelijke logica van het gebied goed te beargumenteren. Maak gebruik van het aanwezige reliëf van de lagergelegen voormalige Maasgeul om waterberging op een landschappelijke wijze(lees: niet-technische wijze) in te passen. Gebruikmakend van het aanwezige reliëf en verwijzend naar de landschapsvormen die de (prehistorische) Maas in het gebied heeft achtergelaten kan het waardevol zijn om het zuidelijke veld lager te leggen dan het noordelijke. Sportlocatie Obbicht De kernkwaliteiten van de sportlocatie Obbicht schuilen met name in het omringende landschap.

De nabijheid van het domein van Kasteel Obbicht nodigt uit tot een fysieke verbinding. Verder bieden het beboste Kingbeekdal, de steilrand van het Graetheideplateau maar ook het relatief onzichtbare Maasdal bieden genoeg potentie om het gebied nadrukkelijker aan te haken op haar omgeving.

42

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

De omgevingskwaliteit van het gebied vindt men niet zo zeer op de sportlocatie zelf maar moet worden gezocht in de functionele invulling van de context. Groene, cultuurhistorisch en ecologisch waardevolle randen zoals Kasteel Obbicht, het Kingbeekdal, de steilrand en het Maasdal bepalen vanwege de besloten opgezette sportlocatie de voornaamste (visuele) beleving van het gebied. De interne, naar binnengekeerde functie van de sportlocatie bepaalt hierin de (beperkte) beleving van buitenaf. De toekomstwaarde en de voornaamste impuls voor de algemene omgevingskwaliteit van het gebied zit dus met name in een afstemming van de nieuwe functionele invulling van de (voormalige) sportlocatie met de omgeving. Deze functionele afstemming zal gepaard moeten gaan met een verbeterde fysieke en visuele aanhaking, zodat het terrein, anders dan nu, een meer openbaar (en daarmee breder beleefbaar) karakter krijgt. Het creëren van een functionele eenheid zal tevens van meerwaarde zijn voor de woonen recreatieve beleving van de randen. Sportlocatie Grevenbicht De sportlocatie Grevenbicht neemt een voorname en herkenbare positie binnen de bebouwingsstructuur van Grevenbicht in.

Het groene open midden, al dan niet beleefbaar en bereikbaar, in combinatie met de historische bebouwing op de flanken en de relatie met de Kingbeek zijn kernkwaliteiten waarmee in de toekomst kan worden voortgebouwd en waarin de meeste potentie schuilt. Overeenkomstig met de sportlocatie in Obbicht is de huidige omgevingskwaliteit met name te vinden in de randen en de nabije omgeving van de sportlocatie: de naar binnen gekeerde sportlocatie zoekt nauwelijks contact met haar omgeving. De belevingswaarde van binnen naar buiten en omgekeerd is zeer beperkt. De woonmilieus ontlenen in de huidge situatie hun woonbeleving voornamelijk aan hun situering aan een van de historische linten; aan de zuidrand kan de Kingbeek hier nog aan worden toegevoegd. De oorspronkelijke functionele relatie tussen de groene open ruimte (dorpsweide/gaard) tussen de twee lintstructuren is met de komst van de besloten sportlocatie sterk aangetast. De grootste winst in de algemene omgevingskwaliteit een woonbeleving valt te behalen in het herstellen van deze oorspronkelijke relatie. De toekomstwaarde zit met name in een herwaardering van de ruimte tussen de bebouwingsclusters door een verbetering van de visuele en fysieke verbondenheid en eenheid in het gebied. Wel moet er rekening worden gehouden met eventuele beperkingen door de aanwezige vervuilde grond.

Conclusie De adviezen uit de rapportage zijn voor het overgrote deel overgenomen. Ten aanzien van het verplaatsen van de ingang naar het parkeerterrein heeft de gemeente het belang van de verrkeersveiligheid voor de schoolkinderen boven het belang van de omgevingskwaliteit gesteld. De inrit blijft dus op de voorgestelde locatie; 50 meter ten zuiden van de ingang van het entreelaantje. Ook het verdiept aanleggen van het zuidelijk voetbalveld is niet gewenst vanwege de aanwezige archeologische verwachtingswaarde. Verder wordt conform het advies voor het plangebied Unilocatie ten zuiden van de voetbalvelden een vergunningstelsel opgenomen om te voorkomen dat dit gebied zonder vergunning wordt opgehoogd. Ten aanzien van de vrijkomende sportlocaties is: a. bij de vrijkomende sportlocatie Grevenbicht voorzien in de bestemming 'Groen', waarin een herinrichting in de vorm van een plukbos en/of verhoogde moestuin mogelijk is; b. bij de vrijkomende sportlocatie Obbicht voorzien in de bestemmingen 'Groen' en 'Natuur', waarbij binnen de bestemming 'Groen' een herinrichting in de vorm van een plukbos mogelijk is. Door de raad is bij besluit van 8 juli 2020 besloten dat de kosten van onder meer de herontwikkeling van de vrijkomende sportlocaties wordt gefinancierd uit de vrijvallende kapitaallasten, grondexploitatie en subsidies.

De totale kosten van de herontwikkeling van de vrijkomende onderwijs- en sportlocaties zijn begroot op € 1.800.000. De kosten voor de herontwikkeling van de vrijkomende sportlocatie Obbicht zijn daarbij begroot op € 800.000. De kosten voor de herontwikkeling van de vrijkomende sportlocatie Grevenbicht zijn daarbij begroot op € 600.000 (zie raadsvoorstel ten behoeve van de raadsvergadering

43

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

van 8 juli 2020, reg.nr. 258170).

4.6

Waterparagraaf

Om het Integraal Kindcentrum met een centrale sportvoorziening te realiseren in het gebied tussen de kernen Grevenbicht en Obbicht, is een waterparagraaf nodig. In deze waterparagraaf wordt ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten van het betreffende plangebied Unilocatie. De waterparagraaf is opgenomen in Bijlage 8. Hierin zijn het waterbeleid en de huidige situatie beschreven. Door de realisatie van het Integraal Kindcentrum met een centrale sportvoorziening zal er een toename zijn in dakverharding en bestrating. Onder de tennisvelden wordt drainage aangelegd die, samen met de daken en bestrating, kan afwateren op een infiltratievoorziening aan de noord- en/of zuidzijde van de tennisvelden. De infiltratievoorziening wordt voorzien van een noodoverlaat op het gemengde stelsel in de Frankenstraat. Bergingsopgaveen inpassing Voor het bepalen van de bergingseis en de inpassing ervan, zijn vanuit de Keur van Waterschap Limburg de bergingsopgave en de drooglegging relevant. Bergingsopgave: T=100: 80 mm in 2 uur Drooglegging: T=100: 0,25 m eis, 0,50 m geadviseerd. De tennisvelden bestaan niet uit verharding, maar zijn gelegen op de slecht doorlatende bovenste bodemlaag en voorzien van drainage. De verwachting is dat de velden minimaal infiltreren en het merendeel van het hemelwater versneld op de infiltratievoorziening zal worden geloosd (en overloop op het gemengde stelsel).

Om deze reden is dit oppervlak meegenomen in de bergingsopgave in onderstaande tabel. De totale bergingseis bedraagt 870 m3.

Opgave verharding Opgave tennisvelden Totaal

Toename verharding (m2) Bergingseis T=100 (m3) 8.393 672 2.476 199 10.869 870

In het huidige stedenbouwkundig plan is er voldoende ruimte beschikbaar om aan de bergingsopgave te voldoen. In het stedenbouwkundig plan zijn twee zones gereserveerd voor de opvang en infiltratie van hemelwater, waarbij de volledige opgave past in de beschikbare ruimte aan de noordzijde en is de zuidelijke voorziening in principe niet nodig. Voor de noordelijke infiltratiezone is circa 2.000 m² beschikbaar. Indien de voorziening in de vorm van een wadi uitgevoerd wordt, met een afmeting van 36 x 36 m, een talud van 1:1.5, een drooglegging van 0,25 meter en een maximale waterdiepte van 0,75 meter is de beschikbare berging circa 900 m³. In het huidige stedenbouwkundig plan is daarmee voldoende ruimte beschikbaar om aan de bergingsopgave te voldoen. Er is een gemeentelijk rioolstelsel aanwezig waar de noodoverlaat op aangesloten kan worden. Werking van de voorziening De verharding in het plangebied Unilocatie kan zowel bovengrondse afvoer als ondergronds met een hemelwaterriool aangesloten worden op de wadi. De sportvelden voeren middels drainage af. Om wateroverlast bij neerslag groter dan T=100 te voorkomen, wordt een noodoverlaat op het gemeentelijk stelsel gerealiseerd. Om te voldoen aan de eisen van de Keur ligt deze drempel op minimaal 0,25 m onder maaiveld.

Gezien de grote infiltratiecapaciteit op twee meter diepte ((>30 m/d) is de verwachting dat de overloop zelden functioneert wanneer in deze laag wordt geïnfiltreerd. Om er voor te zorgen dat de voorziening zich binnen 2 uur kan ledigen, dient de wadi zorgvuldig opgebouwd te worden zodat voldoende infiltratiecapaciteit gerealiseerd wordt.

44

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

Waterkwaliteit Rond de parkeerplaatsen kan afstroming van hemelwater tot mogelijke verontreiniging leiden. Door het infiltreren van het afstromende hemelwater worden mogelijke verontreinigingen in de voorziening afgevangen en vastgelegd. De verontreinigingsgraad van deze laag moet op termijn gemonitord worden. Gezien de gebruiksfuncties zal de verontreiniging gering zijn waardoor de wadi relatief lang kan blijven functioneren. Droog weer afvoer (DWA) Van zowel het clubhuis, de gymzaal en het schoolgebouw zal vuil water op het gemeentelijk stelsel aangesloten worden. De ontsluiting van DWA belasting kan via de noordzijde op de persleiding van de Frankenstraat aangesloten worden, of via de westzijde op het vrij verval stelsel van de Kempenweg. Wateradvies Het vooradvies van Waterschap Limburg is ontvangen op 25 september 2019. Het waterschap heeft de waterparagraaf beoordeeld en ziet geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Waterschap Limburg spreekt haar waardering uit dat klimaatadaptieve initiatieven worden toegepast.

4.7

Rivierkunde

In samenspraak met Rijkswaterstaat (RWS) zijn berekeningen met vigerende vergunningsmodellen uitgevoerd, waaruit blijkt dat het plangebied Unilocatie bij Grevenbicht droog blijft bij een maatgevende afvoer. Zelfs in de situatie 1:1250 blijkt dat het gebied niet zal overstromen.

45

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

Inundatiepatronen

Rijkswaterstaat heeft geconcludeerd dat het gebied volgens de huidige berekeningen niet meer zal overstromen. Ondanks dat het plangebied Unilocatie in het bergend regime is gesitueerd, hoeft het bergend vermogen niet gecompenseerd te worden. Er is echter wel een Waterwetvergunning nodig.

46

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

4.8

Verkeerstoets

In de verkeerstoets worden de effecten onderzocht van de realisatie van het Integraal Kindcentrum en het sportcomplex aan de Kempenweg tussen de kernen Grevenbicht en Obbicht. De verkeerstoets is toegevoegd als Bijlage 9. Verkeersstructuur Het plangebied Unilocatie ligt aan de Kempenweg, tussen de Frankenstraat en de Dukkelaarsweg. De kruisingen Frankenstraat/Kempenweg en Dukkelaarsweg/Kempenweg liggen binnen de bebouwde kom van Grevenbicht respectievelijk Obbicht (zone 30 km/uur), maar daartussen is een stuk buitengebied. De Kempenweg ligt daar buiten de bebouwde kom. De maximumsnelheid is 60 km/uur. Uit verkeerstellingen op de Kempenweg (buiten de bebouwde kom) blijkt dat er langzamer gereden wordt dan toegestaan. Dit komt doordat beide kernen op zichtafstand van elkaar liggen, met zicht op de bebouwde kom. De weg is voorzien van een voetpad aan de oostzijde en versmalde, onderbroken kantmarkering. Er zijn geen fietsvoorzieningen aanwezig. De functie van de Kempenweg is een erftoegangsweg, deels binnen en deels buiten de bebouwde kom. De geplande entree van het kindcentrum en sportvelden ligt buiten de bebouwde kom. De functie van de weg sluit nu niet aan op de vormgeving. Geadviseerd wordt de weg in te richten als erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met kantstroken die de rijloper optisch versmallen. Vormgeving en functie sluiten dan beter op elkaar aan.

Verkeersintensiteiten In januari en februari 2019 hebben verkeerstellingen plaatsgevonden op wegen rondom het plangebied Unilocatie. De entree van de Unilocatie ligt aan de Kempenweg. In de huidige situatie heeft deze weg heeft een verkeersintensiteit van ruim 2.000 mvt/etmaal. Deze verkeersintensiteit past goed bij de functie van de weg. De verwachting is dat in 2030 circa 2.600 mvt/etmaal gebruik maken van de Kempenweg. Dit is een groei van circa 1,5%. Deze verkeersintensiteit kan prima worden afgewikkeld op de Kempenweg. Op basis van de kencijfers van het CROW en een aantal uitgangspunten is de verkeersgeneratie van het Integraal Kindcentrum en het sportcomplex berekend. De school genereert in de ochtend bij het brengen 207 ritten en 155 ritten in de middag bij het halen. In totaal zijn dit 362 ritten per etmaal. De BSO genereert aan het einde van de middag nog eens 52 ritten. Voor de peuterspeelzaal komt dit op 46 ritten per etmaal. Het Integraal Kindcentrum genereert in totaal circa 459 ritten per werkdagetmaal. Er zijn geen kencijfers beschikbaar voor de verkeersgeneratie van een sportveld; voor de berekening van de verkeersgeneratie van een sportveld is daarom uitgegaan van de parkeernormen. De parkeerbehoefte van de sportvelden bedraagt 29 parkeerplaatsen. De verkeersgeneratie van het sportcomplex komt na berekeningen uit op 174 ritten/etmaal.

De piek is op zaterdagen, op de overige dagen is het aantal verkeersbewegingen beperkt. Het Integraal Kindcentrum en het sportcomplex zorgen voor circa 634 ritten per etmaal. Aangenomen wordt dat de ritten gelijk verdeeld zijn over Grevenbicht en Obbicht. Dit betekent dat er circa 300 mvt/etmaal over de Kempenweg naar het noorden bijkomen en circa 300 ritten naar het zuiden. De verkeersintensiteit op de Kempenweg groeit dus van 2.600 mvt/etmaal (autonome ontwikkeling) door het plan naar bijna 2.900 mvt/etmaal in 2030. Deze verkeersintensiteit kan op de Kempenweg goed worden afgewikkeld en leidt niet tot problemen in de verkeersdoorstroming.

47

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

Het verkeer op de Frankenstraat zal naar verwachting licht toenemen door bezoekers uit het buitengebied. Dit levert geen problemen op in de verkeersdoorstroming. De inrichting leidt tot een soepele en verkeersveilige afwikkeling van het verkeer in het plangebied Unilocatie. Parkeren Per functie in het plangebied Unilocatie is de parkeervraag vastgesteld. Hieruit volgt dat de parkeervraag van het Integraal Kindcentrum en het sportcomplex in totaal minimaal 38 parkeerplaatsen is. Op basis van aanwezigheidpercentages en dubbelgebruik van parkeerplaatsen blijven er 29 van de 38 benodigde parkeerplaatsen over. Behalve parkeerplaatsen voor medewerkers van het Integraal Kindcentrum en bezoekers van de sportvelden, zijn er ook 25 Kiss & Ride parkeerplaatsen nodig voor ouders die hun kinderen naar school brengen. Er zijn minimaal 29 parkeerplaatsen nodig bij de Unilocatie. Daarnaast zijn er nog 25 Kiss & Ride parkeerplaatsen nodig voor ouders die hun kinderen brengen en halen. In totaal zijn er dus 54 parkeerplaatsen nodig. Er is in het plan rekening gehouden met 58 parkeerplaatsen. Dit is voldoende om aan de vraag te voldoen. Verkeersveiligheid langzaam verkeer De route tussen Grevenbicht en Obbicht maakt deel uit van een primaire fietsroute.

In de stedenbouwkundige schets is vanuit het onderzoek naar een “veilige school-thuisroute” (zie Bijlage 19) rekening gehouden met een plateau ter hoogte van de entree van de unilocatie, waar voetgangers en fietsers over kunnen steken. Dit plateau werkt snelheidsremmend en attentie verhogend voor automobilisten. Ter hoogte van de entree van de unilocatie wordt over een lengte van 50 meter een vrijliggend fietspad gerealiseerd aan de westzijde van de weg. Met deze voorzieningen is geborgd dat voetgangers en fietsers op een veilige manier de weg kunnen oversteken. Tussen dit plateau en de verkeerssluit nabij de Dukkelaarsweg wordt het wegprofiel van de Kempenweg aangepast door de aanleg van een trottoir en fietssuggestiestroken. In het kader van een veilige school-thuisroute vindt tevens een herprofilering van de Frankenstraat plaats inclusief het aanleggen van een trottoir, mede bedoeld voor de bereikbaarheid van de huisartsenpost, vanaf de kruising met de Kempenweg. Op de kruising Kempenweg-Frankenstraat wordt eveneens een verkeersplateau gerealiseerd met oversteekplaats. In het plan is rekening gehouden met een fietsenstalling, op een logische plek bij de entree voor het langzaam verkeer en met een veilige route (via het schoolplein), naar de school. Autoverkeer en fietsverkeer zijn gescheiden op het terrein.

Dit betekent dat de voorgestelde inrichting een verkeersveilige inrichting is.

4.9

Lichthinder

Lichtoverlast vormt een groeiend probleem in Nederland, waaronder ook het verlichten van sportvelden. Buitensportverlichting kan door omwonenden of in het algemeen voor de omgeving als hinderlijk, storend of onwenselijk worden beoordeeld. Hinderlijke effecten kunnen zijn: Lichtinval bijvoorbeeld directe lichtinstraling door armaturen; Te hoge luminantie, verlichtingssterkte; Te heldere verlichtingsarmaturen; Te heldere kleurtemperatuur van lampen;

48

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

Bewegende of knipperende lichten; Grote heldere vlakken/objecten zoals reclameborden. Voor lichthinder door de buitensportverlichting naar de omwonenden is de 'richtlijn lichthinder (2014)' van toepassing. In deze richtlijn zijn de grenswaarden voor verlichting opgenomen (hoofdstuk 7 van de richtlijn). De richtlijnen op grond waarvan een uitspraak gedaan kan worden over de mate van hinder van verlichting is ondermeer afhankelijk van het achtergrondniveau in de omgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in vier zones (gebieden). Waarbij een natuurgebied (E1) met een zeer lage omgevingshelderheid als meest strenge richtlijn (norm) geldt en industrie- en stedelijke gebieden (E4) als minst strenge richtlijn. Voor het plangebied Unilocatie wordt uitgegaan van de zogenaamde E-zone "buitenstedelijk/landelijk woongebied (E2). Hiervoor gelden de volgende grenswaarden: De maximale verticale verlichtingssterkte bedraagt 5 lux. (van 7.00 tot 23.00 uur) De maximale toelaatbare lichtsterkte bedraagt 7.500 cd. (van 7.00 tot 23.00 uur). Om zeker te zijn dat lichthinder naar de omgeving wordt voorkomen, dient de tilt-hoek van de armaturen 0 graden te zijn. De onderkant van het glazen afdekscherm is dan horizontaal gepositioneerd. Hiermee wordt voorkomen dat er floodlighttechnieken worden toegepast. De grenswaarden zijn vastgelegd in de regels.

Op het moment dat bekend is welke armaturen er gebruikt gaan worden, dient een lichtberekening te worden uitgevoerd. Daarvoor zijn de volgende punten van belang: De lichtberekening moet conform de eisen van de diverse sportbonden gemaakt zijn, maar moet ook parameters bevatten die eventuele lichthinder aantonen (lichtsterkte 'i' en verticale verlichtingssterkte 'ev'). Een terreintekening van het gebied (velden en verlichtingspunten) met daarin tevens de positie van eventueel gehinderden, zodat op deze posities lichthinder-waarnemers in de lichtberekening kunnen worden geplaatst voor een goede berekening hiervan. Voor de voorgenomen ontwikkeling is een Vooronderzoek lichthinder uitgevoerd (zie Bijlage 10). Eind 2020 is een nieuwe richtlijn lichthinder uitgebracht. In het rekenmodel is het fabricaat EWO toegepast, die op het gebied van volledig afgeschermde verlichting het hoogste scoort. In het rekenmodel is de lichtsterkte en verticale verlichtingssterkte op de diverse "potentieel gehinderden" posities getoetst. Overschrijding van Verticale verlichtingssterkte is niet het geval. Daarnaast is het lichthindercriterium Upward Light Ratio (ULR). Dit is de grenswaarde voor de maximaal toelaatbare hoeveelheid licht die door een armatuur of lamp rechtstreeks naar boven mag worden uitgestraald ten opzichte van de totale hoeveelheid uitgestraald licht.

De ULR voor zone E2 heeft een waarde van 0,05. Dit betekent dat er slechts 2,5% direct licht boven de "horizontaal" mag worden uitgestraald. In onderstaande afbeelding is illustratief de ULR weergegeven. Er wordt voldaan aan de NSVV2020.

49

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

Voorbeelden van URL

Tot slot is de beperking van de uitstralingshoek van het armatuur in zone E2 van belang. Voor de armaturen van het sportveld kan dit betekenen dat hier wat extra mechanische afschermingen aan moeten worden gebracht. Dit dient het definitieve lichtplan op basis van de gekozen aramaturen uit te wijzen.

4.10

Milieuaspecten

4.10.1 Bodemkwaliteit Historischbodemonderzoek Om de voorgenomen realisatie van een Integraal Kindcentrum met een centrale sportvoorziening te realiseren in het gebied tussen de kernen Grevenbicht en Obbicht, is in juni 2018 een actualisatie van het destijds uitgevoerde historische vooronderzoek uitgevoerd (zie bijlage Bijlage 11). Immers, in het kader van de haalbaarheidsstudie voor de school heeft in 2014 reeds een vooronderzoek voor de onderzoekslocatie plaatsgevonden (Historisch vooronderzoek, nieuwe centrale sport- en/of schoollocaties gemeente Sittard-Geleen, kenmerk 14081796, d.d. 19 november 2014). Conclusie Uit het in 2014 verrichte vooronderzoek blijkt dat ter plaatse van enkele opstallen op de locatie van het plangebied Unilocatie asbestverdachte golfplaten op het dak zijn waargenomen. Op het maaiveld werden geen asbestverdachte materialen waargenomen, maar moet wel worden opgemerkt dat de betreffende percelen destijds niet toegankelijk waren. De huidige dakbedekking van de opstallen is asbestverdacht. Voorafgaand aan de sloop zal daarom een asbestinventarisatie moeten plaatsvinden. Indien de dakbedekking asbesthoudend blijkt te zijn, zal een verkennend onderzoek asbest in de bodem moeten worden uitgevoerd ter plaatse van de twee percelen, nadat de aanwezige opstallen zijn gesloopt.

Het (voormalige) gebruik als boomgaard van het meest noordoostelijk gedeelte en het gebruik als moestuin/boomgaard van de locatie maakt de bodem verder verdacht voor bestrijdingsmiddelen. Tijdens een verkennend bodemonderzoek dient ter plaatse van de (voormalige) boomgaard de parameter OCB te worden meegenomen. Sinds 2014 hebben er, voor zover bekend, geen aanvullende bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden noch zijn er verdachte locaties bijgekomen. Ten behoeve van de functiewijziging en/of omgevingsvergunning voor de bouw van de schoolgebouwen in het plangebied Unilocatie zal een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk zijn. Geadviseerd wordt

50

bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)

dan tevens een asbestonderzoek uit te voeren ten behoeve van de (voormalige) opstallen en de voormalige boomgaard als verdachte locatie te onderzoeken waarbij de parameter OCB (bestrijdingsmiddelen) wordt meegenomen. De locatie Steenweg in Grevenbicht is momenteel in gebruik als sportveld/sportterrein. Het perceel heeft een oppervlakte van 3,7 hectare. Uit de resultaten van het vooronderzoek blijkt niet dat op de locatie Steenweg in Grevenbicht bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Wel bestaat de kans dat er asbest is gebruikt in de bebouwing, gezien de ouderdom ervan. Daarnaast is ter plaatse van de onderzoekslocatie Steenweg in Grevenbicht een ophooglaag aanwezig met een dikte van maximaal circa 1,5 meter, die in het verleden reeds onderzocht is, en licht tot sterk verontreinigd bleek te zijn. De ophooglaag is grotendeels, voor zover bekend, niet gesaneerd en derhalve nog steeds aanwezig ter plaatse van het sportpark. De ophooglaag is ook niet geheel horizontaal ingekaderd, gezien er (met name aan de noordkant) rondom in de directe omgeving de ophooglaag en bijbehorende lichte tot sterke verontreinigingen op aangrenzende percelen zijn teruggevonden. Een onderscheid is niet goed te maken. Indien de bestemming wijzigt naar een gevoeliger gebruik, kan het noodzakelijk zijn om de locatie met ophooglaag actualiserend te onderzoeken en vervolgens alsnog te saneren.

Het perceel op de locatie Kasteelweg, Obbicht en Papenhoven, is momenteel in gebruik als sportveld/sportterrein en heeft een oppervlakte van 5,1 hectare. Uit de resultaten van het vooronderzoek blijkt niet dat op deze locatie bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Wel bestaat de kans dat er asbest is gebruikt in de bebouwing, gezien de ouderdom ervan. Er zijn, voor zover bekend, recent geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Indien de bestemming wijzigt naar een gevoeliger gebruik, hetgeen nu niet het geval is, kan het noodzakelijk zijn om de locatie aan de Kasteelweg verkennend te onderzoeken (eventueel aangevuld met asbest) Verkennend bodemonderzoek In opdracht van de gemeente Sittard-Geleen heeft Arcadis Nederland BV in maart 2019 een verkennend milieukundig bodemonderzoek verricht op het terrein aan de Kempenweg/Frankenstraat tussen Grevenbicht en Obbicht. Ter plaatse van twee percelen is tevens een verkennend onderzoek asbest in de bodem verricht. In het kader van het verkennend bodemonderzoek zijn een vooronderzoek, veldonderzoek en een laboratoriumonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn beschreven in Bijlage 12. Op basis van het vooronderzoek is de onderzoeksstrategie geformuleerd en het aantal, alsmede de locatie, van de te verrichten boringen en te analyseren grond- en grondwatermonsters als functie van de oppervlakte van de te onderzoeken locatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=93ae447d-b209-4a35-a362-4cc99d05eb2d