03-1 Unilocatie Grevenbicht-Obbicht_Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht Gemeente Sittard-Geleen
NL.IMRO.1883.BPunilocatieGO-VA01 VASTGESTELD 24 juni 2021
Contactpersoon T M E
Arcadis Nederland B.V. Maastricht
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
7 Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Plangebied
7
1.3
Vigerend bestemmingsplan
9
1.4
Planopzet
9
1.5
Leeswijzer
10
Hoofdstuk 2
Beleidskader
11
2.1
Rijksbeleid
11
2.2
Provinciaal beleid
14
2.3
Regionaal beleid
18
2.4
Gemeentelijk beleid
18
Hoofdstuk 3
Planbeschrijving
23
3.1
Locatiekeuze
23
3.2
Stedenbouwkundig ontwerp Unilocatie
23
Hoofdstuk 4 4.1
Planologische- en milieuaspecten
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
27 27
3
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
32
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
33
4.4
Ecologie
39
4.5
Landschap
42
4.6
Waterparagraaf
44
4.7
Rivierkunde
45
4.8
Verkeerstoets
47
4.9
Lichthinder
48
4.10 Milieuaspecten
50
4.11 Vooronderzoek conventionele explosieven
58
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
60
5.1
Ruimtelijk plan
60
5.2
Juridische regeling
60
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
63
6.1
Economische uitvoerbaarheid
63
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
64
Bijlagen bij toelichting
65
Bijlage 1
Notitie verbinding onderwijs en sport voor jonge kinderen
66
Bijlage 2
Onderbouwing Unilocatie onderwijs en sport
78
Bijlage 3
Archeologisch vooronderzoek
99
Bijlage 4
Quickscan natuurwetgeving
227
Bijlage 5
Aanvullend onderzoek flora
251
Bijlage 6
Aerius-berekeningen
260
Bijlage 7
Rapport kernkwaliteiten en omgevingskwaliteiten
275
Bijlage 8
Water
303
Bijlage 9
Verkeerstoets
324
Bijlage 10
Vooronderzoek lichthinder
335
4
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Bijlage 11
Historisch bodemonderzoek
340
Bijlage 12
Verkennend bodemonderzoek
364
Bijlage 13
Akoestisch onderzoek
478
Bijlage 14
Vooronderzoek conventionele explosieven
558
Bijlage 15
Haalbaarheidsonderzoek Integraal Kindcentrum Obbicht-Grevenbicht
598
Bijlage 16 Haalbaarheidsonderzoek Buitensportaccommodaties Obbicht-Grevenbicht
654
Bijlage 17 Actualisering onderzoek Buitensportaccommodaties Obbicht-Grevenbicht
702
Bijlage 18 Ruimtelijk haalbaarheidsonderzoek voorkeurslocatie Grevenbicht-Obbicht
729
Bijlage 19
School-Thuis routes Unilocatie Obbicht-Grevenbicht
824
Bijlage 20
Brief provincie aan SBGM
843
Bijlage 21
Nota van inspraak en vooroverleg
846
Bijlage 22
Nota van zienswijzen
868
5
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
6
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Toelichting Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
De gemeente Sittard-Geleen heeft het voornemen om een Integraal Kindcentrum met een centrale sportvoorziening te realiseren in het gebied tussen de kernen Grevenbicht en Obbicht. Het project omvat een basisschool, een peuterspeelzaal, mogelijkheden voor buitenschoolse opvang en een gymzaal, gecombineerd met een centrale sportvoorziening bestaande uit voetbal- en tennisvelden met bijbehorende kantine en kleedkamervoorzieningen. De twee huidige sportlocaties, één in Grevenbicht en één in Obbicht, worden opgeheven en krijgen een nieuwe bestemming; van een recreatieve bestemming naar een groenbestemming, waarbij langs de Kingbeek een zone wordt gerealiseerd met een natuurbestemming, waarbij de zone in Obbicht breder is dan in Grevenbicht. Voor de locatie Grevenbicht worden de aanwezige sportgebouwen behouden voor een 'maatschappelijke' bestemming die aansluit bij het gebruik van de gronden, zoals bijvoorbeeld een plukbos, een verhoogde moestuin (in bakken) en spelen. Op de bestaande sportkantine in Obbicht is een horecabestemming voor lichte daghoreca gelegd ondersteunend aan de recreatieve fiets- en wandelroute. De overige gronden in Obbicht kunnen eveneens ingezet worden voor bijvoorbeeld een plukbos en/of agrarisch natuurbeheer.
Om de realisatie van het Integraal Kindcentrum en de sportlocatie, hierna plangebied Unilocatie genoemd, mogelijk te maken en de twee huidige sportlocaties om te zetten naar een nieuwe bestemming, is het voorliggende bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht opgesteld.
1.2
Plangebied
Het plangebied voor de Unilocatie is gelegen in het gebied tussen de kernen van Obbicht en Grevenbicht. Het gebied wordt globaal begrensd door de agrarische gronden langs de Kempenweg aan de westzijde, de woningen aan de Frankenstraat aan de noordzijde, de Dukkelaarsweg aan de zuidzijde en de agrarische gronden aan de oostzijde. De Unilocatie heeft een oppervlakte van ca. 5,40 hectare.
7
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Plangebieden
8
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Impressie huidige situatie plangebied Unilocatie
Het plangebied Unilocatie is momenteel een agrarisch gebied, dat voornamelijk bestaat uit akkerland met maïsteelt en een boomgaard. Aan de noordzijde grenst het plangebied Unilocatie aan de kern Grevenbicht. Aan de zuidzijde grenst het plangebied Unilocatie aan de kern Obbicht. In de directe omgeving bevinden zich enkele woningen van de dorpskernen met aangelegen tuinen en akkers en hoogstamboomgaarden ten westen en oosten van het plangebied Unilocatie. De overige twee plangebieden betreffen de huidige sportlocaties. Het betreft hier de sportlocatie in de kern Grevenbicht gelegen tussen de Staal, Merker-Eijckstraat, Geneer en Beekstraat. In de kern Obbicht gaat het om de sportlocatie aan de Kasteelweg.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Met de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan komen (delen van) onderstaande bestemmingsplannen te vervallen. Bestemmingsplan Bestemmingsplan Grensmaas Facetbestemmingsplan Parkeren
1.4
Vastgesteld door gemeenteraad 6 september 2007 13 september 2018
Planopzet
Het bestemmingsplan bestaat formeel uit twee onderdelen: een verbeelding (NL.IMRO.1883.BPunilocatieGO-VA01), waarop de bestemmingen in het plangebied Unilocatie zijn weergegeven. Deze bestemmingen (met eventuele specifieke aanduidingen) zijn gerelateerd aan de in de planregels opgenomen juridische regeling. de planregels waarin het gebruik van de binnen het plangebied Unilocatie aangegeven gronden en bouwwerken juridisch is geregeld. Deze regels zijn in de "Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012" (SVBP2012) zoveel mogelijk gestandaardiseerd (o.a. volgorde, indeling, benaming, begripsbepalingen, overgangsbepalingen en de slotbepaling). Deze twee onderdelen dienen in samenhang te worden bekeken en zijn juridisch bindend. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de verantwoording als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn opgenomen. Ook maken de uitkomsten van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1. Bro deel uit van de toelichting.
9
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
1.5
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft, voor zover relevant, in hoofdlijnen de beleidsdocumenten die door de te onderscheiden overheden zijn gepubliceerd. Deze beleidsdocumenten vormen het planologisch kader op zowel rijks-, provinciaal, regionaal als gemeentelijk niveau van onderhavig bestemmingsplan. Hoofdstuk 3 beschrijft de locatiekeuze, het plangebied van het Integraal Kindcentrum en de sportlocatie en geeft een beschrijving van de toekomstige situatie. De uitgangspunten en randvoorwaarden die ten grondslag liggen aan de voorgestane ontwikkelingen komen vervolgens in hoofdstuk 4 aan bod. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische regeling van het bestemmingsplan en in hoofdstuk 6 worden zowel de economische als maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.
10
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Hoofdstuk 2
Beleidskader
Voor het plangebied Unilocatie zijn diverse beleidsstukken relevant. Het gaat hierbij om gemeentelijk, regionaal, provinciaal en nationaal beleid. Dit hoofdstuk bespreekt op hoofdlijnen van de beleidskaders die specifiek gelden voor de ontwikkeling van het plangebied Unilocatie Grevenbicht-Obbicht.
2.1
Rijksbeleid
2.1.1
Nationale omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de rijksvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving en opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Met de NOVI kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die er voor Nederland liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt ook om zorgvuldige keuzes, want de ruimte, zowel boven- als ondergronds, is een schaars goed. Met de NOVI brengt het Rijk in beeld waar kansen liggen. Kansen om de kwaliteit van onze leefomgeving te verbeteren. Kansen om sociale samenhang, gezondheid en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een circulaire samenleving, stevig te verankeren in onze manier van leven en werken. Die keuzes in de fysieke leefomgeving maakt het Rijk niet alleen. Keuzes worden samen gemaakt n met medeoverheden, kennisinstellingen, maatschappelijke partijen en burgers. Dit vraagt een goed samenspel tussen al deze partijen; een integrale aanpak.
De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt om een actieve Rijksoverheid om richting te geven aan de toekomstige fysieke leefomgeving van Nederland. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationaal belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan het inrichten van de fysieke leefomgeving. De Nationale Omgevingsvisie richt zich daarbij op vier prioriteiten: Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden. Onze steden en regio's sterker en leefbaarder maken. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren van de verschillende belangen en opgaven: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen.
11
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Afwegen met NOVI
De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende brede, maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij hanteert het NOVI vier uitgangspunten: We werken als één overheid, samen met de samenleving. We stellen de opgave(n) centraal. We werken gebiedsgericht. We werken permanent en adaptief aan de opgaven. Het bestemmingsplan doet op geen enkele wijze afbreuk aan het ruimtelijk beleid van het Rijk.
2.1.2
Beleidslijn grote rivieren
In de afgelopen eeuwen is veel ruimte van de rivier ontnomen, met het gevolg dat de rivieren zijn ingeklemd tussen dijken die steeds hoger zijn gemaakt. Door de bevolkingsontwikkeling en de economische groei zijn de te beschermen waarden sterk toegenomen. Als een overstroming zou plaatsvinden, zijn de gevolgen enorm. Deze kwetsbaarheid van ons land, tezamen met de ongunstige verwachtingen over klimaatveranderingen en zeespiegelrijzing, maken duidelijk dat een duurzame bescherming tegen hoogwater, zowel nu als in de toekomst, hoge prioriteit moet hebben. De dreigende overstromingen in 1993 en 1995 hebben bewezen dat het probleem niet moet worden onderschat. Om een goede afweging te kunnen maken bij elke nieuwe ingreep in het rivierbed, zodat de rivier de ruimte behoud die zij nodig heeft voor de afvoer van maatgevend hoogwater, is in 1996 de Beleidslijn Ruimte voor de Rivier tot stand gekomen. Na verloop van jaren werd deze beleidslijn ten aanzien van regionale ruimtelijk economische ontwikkelingswensen en mogelijkheden als te restrictief ervaren. Mede op basis van de resultaten van de evaluatie en ervaringen in de praktijk is besloten om de Beleidslijn Ruimte voor de Rivier aan te passen. De nieuwe Beleidslijn Grote Rivieren bestaat uit de beleidsbrief ‘Beleidslijn grote rivieren’ (17 februari 2006) en de Beleidsregels Grote Rivieren.
De Handreiking licht het beleid zoals vastgelegd in de Beleidslijn Grote Rivieren nader toe. Deze Handreiking is in december 2013 geactualiseerd ten opzichte van de laatste versie uit 2006. Het beleid zelf is niet gewijzigd. De Beleidslijn Grote Rivieren biedt meer ontwikkelingsmogelijkheden voor initiatieven die een positief effect hebben voor het rivierbeheer en voor de ruimtelijke en economische kwaliteit van het betreffende gebied. Het uitgangspunt van de Beleidslijn Grote Rivieren is het waarborgen van een veilige afvoer en berging van rivierwater, onder normale en onder maatgevende hoogwaterstanden, en het bieden van voldoende ontwikkelingsmogelijkheden voor overheden om te zorgen voor een goede ruimtelijke ordening. De beleidslijn gaat uit van een eigen risico en verantwoordelijkheid ten aanzien van ontstane
12
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
schade door hoogwater voor activiteiten in het rivierbed. Initiatiefnemers in het rivierbed zijn zelf aansprakelijk voor schade en zelf verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen om zich tegen potentiële schade te beschermen. De Beleidslijn Grote Rivieren heeft als doelstellingen: De beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed te behouden; Ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid van rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken. Het afwegingskader in deze beleidslijn is bedoeld om te kunnen beoordelen of activiteiten kunnen plaatsvinden in het rivierbed, en zo ja, onder welke voorwaarden. De beleidslijn zelf is geen instrument om actief rivierverruiming uit te voeren. Daarvoor bestaan andere kaders en procedures. Wel biedt het afwegingskader mogelijkheden voor initiatieven om binnen de gestelde voorwaarden rivierverruimende maatregelen uit te voeren. De Beleidslijn Grote rivieren is het kader voor beoordeling van initiatieven in het rivierbed. Daarbij wordt uitgegaan van een integrale afweging. In het gedeelte van het rivierbed waar het stroomvoerend regime geldt, worden in principe alleen “riviergebonden” activiteiten toegestaan. Hier geldt een “ja, mits” afweging; dat wil zeggen, dat deze riviergebonden activiteiten zijn toegelaten wanneer aan de gestelde rivierkundige voorwaarden wordt voldaan.
Het betreft hier een beperkt aantal nader omschreven activiteiten, waarvan op voorhand duidelijk is dat situering buiten het rivierbed niet mogelijk of niet wenselijk wordt geacht. Het gaat daarbij om activiteiten en (bouw-) werken ten behoeve van het rivierbeheer of de (beroeps-) scheepvaart, of andere functies of vormen van gebruik die heel specifiek aan de rivier zijn gebonden. Vestiging of uitbreiding van overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten, uitsluitend voor zover gekoppeld aan vervoer over de rivier, wordt specifiek genoemd als riviergebonden activiteit. Daarnaast is er sprake van bergend regime. Voor activiteiten die onder het bergend regime vallen, gelden rivierkundige randvoorwaarden om de effecten op de afvoer- of bergingscapaciteit van het rivierbed te compenseren.
Uitsnede Kaartblad 7 bij Beleidsregels Grote Rivieren
Het plangebied Unilocatie is gesitueerd binnen het bergend regime. Het bergend regime is het deel van het rivierbed waar in principe alle activiteiten kunnen worden toegestaan, mits deze voldoen aan de gestelde rivierkundige algemene voorwaarden. Deze voorwaarden zijn dat: er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteiten dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk wordt gewaarborgd; er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit; er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is. Aanvullend geldt dat de resterende, blijvende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de
13
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
maatregelen gezekerd zijn. We verwijzen hiervoor naar paragraaf 4.7.
2.1.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De nationale belangen die juridische borging vragen, zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Deze AMvB is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en provinciale inpassingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Met het Barro geeft het Rijk aan dat ingezet wordt op zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare gebieden en bescherming van het land tegen overstroming en wateroverlast. In het Barro staat aan welke regels (rijksbelangen) de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan. In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Gezien de ligging van het plangebied is het volgende besluit ten aanzien van de nationale belangen voor dit bestemmingsplan relevant. Besluit 2.4. Grote Rivieren Het plangebied Unilocatie is gelegen binnen het rivierbed van de Maas.
Een bestemmingsplan wijst ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan alleen nieuwe bestemmingen in een rivierbed aan in het geval er sprake is van: een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; een zodanige situatie van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is; een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. Bij toepassing van het eerste lid worden resterende waterstandeffecten of afname van het bergend vermogen gecompenseerd. In een bestemmingsplan wordt vastgelegd hoe de effecten op de waterstand en de afname van het bergend vermogen worden gecompenseerd (zie paragraaf 4.7).
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1
Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL)
Het POL omvat een visie waarin wat nodig is om de kwaliteit van onze fysieke leefomgeving te verbeteren centraal staat voor de komende 10 jaar. Het is een visie waarin uitnodiging en inspiratie centraal staan. De ambitie is een voortreffelijk leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg. Het POL gaat uit van 2 Limburgse principes: Kwaliteit centraal en Uitnodigen centraal. De uitgangspunten van 'kwaliteit centraal' zijn: 'meer stad, meer land', 'van scheiden naar verweven van functies', 'inspiratie door kwaliteitsbewustzijn', 'een grens die verbindt' en 'zorgvuldig omgaan met onze voorraden'. De uitgangspunten van 'uitnodigen centraal' zijn: 'uitnodigen en inspireren', 'een selectieve provincie', 'dynamisch voorraadbeheer', 'stimuleren van voorlopers', kwaliteitsbewust ontwikkelen', 'instrumenten op maat' en 'ruimte om te experimenteren'. Gebiedstype De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, worden in het POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones met
14
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Het plangebied Unilocatie is gelegen binnen de aanduiding ˜Bronsgroene landschapszone" en is gericht op de kwaliteit en het functioneren van het regionaal watersysteem, de ontwikkeling van landbouw in balans met de omgeving, het versterken van de kernkwaliteiten landschap en cultuurhistorie en recreatief medegebruik.
Uitsnede Kaart zonering Limburg
Visie regio Zuid-Limburg In het POL 2014 is een visie opgenomen voor de regio Zuid-Limburg. In de integrale gebiedsopgave van Zuid-Limburg staat de komende jaren de economische structuurversterking centraal. Als onderdeel van de Brainport Zuidoost-Nederland is de ambitie om het gebied verder te ontwikkelen als een sterke kennisregio, die in verbinding staat met de kennisregio's Eindhoven, Aken en Leuven/Hasselt. Dit bevordert de bundeling van technologische kennis en de wereldwijde export van de innovatieve producten die hieruit voortkomen, en levert (indirect) ook veel werkgelegenheid op voor de lokale en regionale economie. De aantrekkelijkheid van Zuid-Limburg wordt in sterke mate bepaald door de aanwezigheid van relatief op korte afstand van elkaar gelegen, dichtbevolkte stedelijke gebieden (vergelijkbaar met de dichtheid in de Randstad) en het daartussen gelegen unieke Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Kortom: Zuid-Limburg is een heel aantrekkelijke regio om te wonen, te werken en te recreëren. Tegelijkertijd worden deze potenties bedreigd. De gevolgen van de bijzondere grensligging en de demografische ontwikkeling in Limburg spelen namelijk nergens zo sterk als in het zuiden van de provincie. In economisch opzicht is Zuid-Limburg te typeren als een "tussenregio", tussen de metropoolregio's Randstad, Vlaamse Ruit en Ruhrgebied.
Er zijn relatief weinig bereikbare banen binnen de landsgrenzen en daarmee is sprake van een beperkte veerkracht van de regionale en lokale economie. Bovendien kampt Zuid-Limburg met leegstandsproblematiek op het gebied van woningbouw, kantoren, verblijfsrecreatie, bedrijventerreinen en detailhandel: er is van alles teveel, en dat vraagt om een heldere visie en bovenal sturing. Vanuit die breed gedragen constatering is de regiovisie opgesteld.
15
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Regionaal Raamwerk 2030
16
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Het unieke landschap draagt in belangrijke mate bij aan het vestigingsklimaat en de woon- en leefkwaliteit van de regio. Een van de belangrijke opgaven voor Zuid-Limburg is het zorgen voor een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in dorpen en kernen. Die leefomgeving heeft een fysieke en een sociale kant. De fysieke aspecten staan in het POL centraal. Hoewel er in het POL wordt gesteld dat er over de volle breedte van het voorzieningenpallet een gestaag toenemende leegstand is, en opschaling van bepaalde voorzieningen, zoals sporthallen, cultuur- en onderwijsinstellingen onontkoombaar lijkt, zijn lokale voorzieningen cruciaal voor de leefbaarheid. In iedere gemeenschap zou er minstens één ontmoetingsplek moeten zijn. Dat kan een wijkcentrum zijn of een dorpshuis, maar ook een school, sportaccommodatie of een zorgcentrum. Hierbij is een meersporenaanpak nodig: opschaling van voorzieningen, waarbij kwaliteit, bereikbaarheid en evenwicht in vraag en aanbod belangrijke principes zijn; behoud of herstel van kleinschaligheid met het oog op de ontmoetingsfunctie en bepaalde zorg- en welzijnsvoorzieningen; aanpak leegstand. Multifunctionaliteit van voorzieningen blijft hierbij van belang en financiële overwegingen zullen een nog sterkere rol gaan spelen bij het zoeken naar nieuwe combinaties.
Naast het niveau van maatschappelijke voorzieningen is de kwaliteit van de openbare ruimte een verantwoordelijkheid van de gemeente én de gebruiker ervan. De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het provinciale beleid (zie ook Bijlage 20).
2.2.2
Omgevingsverordening Limburg (2014)
De Omgevingsverordening Limburg was een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. De Omgevingsverordening Limburg is op 1 januari 2011 in werking getreden. In 2014 is de Omgevingsverordening gewijzigd, vanwege de vaststelling van het POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk Ruimte aan de Omgevingsverordening wordt toegevoegd. Dat hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de verordeningen Veehouderijen en Natura 2000 (van oktober 2013) en Wonen Zuid-Limburg (van juli 2013) opgenomen. Hiermee zijn alle verordeningen die betrekking hebben op het omgevingsbeleid ondergebracht in één document. Met de Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt beoogd om de doorwerking van het provinciaal beleid naar gemeenten en andere partners te borgen. De ruimteverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan, moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen.
De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening 2014 wel het geval is. In de omgevingsverordening zijn de volgende aspecten voor onderhavig plan van belang. Duurzame verstedelijking Volgens de omgevingsverordening houdt een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Daarnaast worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, onderzocht. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid van artikel 2.2.2. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in paragraaf 4.2.
17
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Bronsgroenelandschapszone In artikel 2.7.2 wordt voorgeschreven dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone, een beschrijving dient te bevatten van de in het plangebied Unilocatie voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Hiervoor verwijzen wij naar paragraaf 4.4.1.
2.3
Regionaal beleid
2.3.1
Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg (2017)
De gemeenteraad van Sittard-Geleen heeft op 14 december 2017 de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg (SVREZL) vastgesteld. Deze structuurvisie is een uitwerking van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg, heeft nauwe samenhang met de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) en de nog te ontwikkelen Visie Vrijetijdseconomie. Daarnaast heeft de SVREZL ook relaties met maatschappelijk vastgoed. In de SVREZL, die ook door de andere 17 gemeenten in Zuid-Limburg is vastgesteld, is bepaald op welke locaties uitbreiding aan de orde kan zijn en op welke locaties niet. Deze afspraken zijn op regionaal niveau gemaakt om de economische kracht van de regio te verstevigen en verdere leegstand tegen te gaan. In de SVREZL is gekozen voor het behoud en versterken van gewenste winkel-, kantoren- en bedrijventerreinlocaties, de zogenaamde hoofdstructuur. Buiten deze hoofdstructuur worden in principe geen m2's toegevoegd. Echter biedt de structuurvisie ook handvatten voor de situatie dat het ruimtelijk belangrijk is een economisch initiatief te faciliteren, ondanks dat er al teveel m2's zijn. Belangrijk hierbij is dat er op het relevante schaalniveau een goede en transparante afweging gemaakt kan worden. Doelstelling is de leefbaarheid in de kernen en Zuid-Limburg als geheel, waar relevant, zo goed mogelijk te behouden of te verbeteren.
Dit kan door het faciliteren van kwalitatieve toevoegingen die passen binnen de uitgangspunten van de structuurvisie, of door middel van herbestemmen, bijdragen aan verbetering van het gebruik en de functionaliteit van de bestaande locatie - bebouwde of onbebouwde bestemmingen. De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het regionale beleid.
2.4
Gemeentelijk beleid
2.4.1
Omgevingsvisie Sittard-Geleen (2016)
De Omgevingsvisie Sittard-Geleen is de opvolger van de Structuurvisie Sittard-Geleen uit 2010. Met de omgevingsvisie kiest de gemeente nadrukkelijk voor de lijn 'ruimte waar mogelijk, sturing waar nodig'. In de omgevingsvisie geeft de gemeente Sittard-Geleen aan welke koers zij nastreeft voor de fysieke ontwikkeling van Sittard-Geleen. De gemeente maakt in de omgevingsvisie ook helder welke instrumenten zij zal inzetten om de komende periode richting te geven aan de uitvoering van haar doelen en prioriteiten. Ze maakt een start met het creëren van voorzienbaarheid bij het verminderen van de mogelijkheden voor ontwikkelingen op het gebied van wonen, detailhandel en kantoren. Ook relateert de gemeente de doelbestemming voor het kostenverhaal ruimtelijke ontwikkelingen aan de doelen van haar omgevingsvisie. Met de omgevingsvisie nodigt de gemeente haar partners uit om zich samen met de gemeente blijvend te ontwikkelen naar een gemeente waar het goed wonen, leven en werken is.
18
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Binnen de regio wordt het groene karakter van Sittard-Geleen bepaald door alle landschappelijke structuren die hier bij elkaar komen. Van de oostzijde van de gemeente naar de westzijde gaat het Heuvelland over in het Maasdal. De bekenzone van de Geleenbeek en de Rode Beek komen samen in Sittard-Geleen om vervolgens via het gemeenschappelijke traject in Sittard-Geleen en Echt-Susteren in de Maas uit te komen. Op een iets lagere schaal kent ook Sittard-Geleen een groen hart met een uiterst landelijk karakter waar de dorpen in open agrarisch gebied liggen, met daarom heen het verstedelijkte gebied en werkgebieden. De dorpen langs de Maas hebben een heel ander karakter dan de dorpen in het open agrarische landschap. Voor het 'groene hart' van de gemeente, met haar open coulissenlandschap afgewisseld met kleine dorpen en buurtschappen, wordt al jaren geen bebouwing toegelaten. Hierdoor is de open landschappelijke kwaliteit en daarmee het aantrekkelijke woonklimaat bewaard gebleven. De dynamiek zit aan de randen ten noorden en zuiden van Sittard-Geleen, op de rand van de stad en het land. Hier zijn gemengde gebieden ontstaan zonder heldere structuur of eigen identiteit. De dorpen zoals Grevenbicht en Obbicht liggen als wooneilanden in het coulissenlandschap. De meeste sportvoorzieningen in de gemeente Sittard-Geleen hebben een lokaal belang.
Het huidige aanbod van voorzieningen is te groot, zeker in de toekomst. Het clusteren van voorzieningen is noodzakelijk, maar mag niet ten koste gaan van het woon- en leefklimaat.
Uitsnede kaart Wonen en voorzieningen - Omgevingsvisie
19
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Uitsnede kaart Groen, natuur en landschap - Omgevingsvisie
Op kaarten in de Omgevingsvisie zijn de kernen Grevenbicht en Obbicht aangeduid als 'dorps wonen', waarbij de dorpsranden omringd zijn door groenzones. Deze 'groenzones rondom dorpsranden' vormen de geleidelijke overgang van de randen van een dorp naar het landschap. In een dorpsrand kan de behoefte aan speel- en recreatieve ruimte opgevangen worden. Voor de dorpskern Grevenbicht is de opgave om het voorzieningenniveau en daarmee de leefbaarheid zoveel mogelijk op peil te houden.
2.4.2
Strategisch HuisvestingsplanOnderwijs- en kindfuncties (2013-2025)
In het Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs- en Kindfuncties (2013-2025) is een beleidsmatig beoordelingskader vastgesteld voor ontwikkelingen inzake onderwijs en kindfuncties in meerjarenperspectief. Dit plan geeft ontwikkelingen aan op de korte, middellange en lange termijn. Ten aanzien van het Integraal Kindcentrum is aangegeven dat dit primair een netwerkorganisatie is die niet noodzakelijkerwijs in één gebouw of op één locatie behoeft te zijn gehuisvest. Echter, concentratie van de functies van het Integraal Kindcentrum op één locatie heeft zeker meerwaarde.
2.4.3
Agenda Sport en bewegen (2016-2020)
De gemeente Sittard-Geleen heeft de Agenda Sport en Bewegen (2016-2020) opgesteld, een vervolg op de nota 'Sportvernieuwing in de gemeente Sittard-Geleen". In deze agenda wordt sterker ingezet op sport als middel om een bijdrage te leveren aan de doelstellingen op andere beleidsterreinen, zoals onderwijs en gezondheid. De gemeente zet in op een stijging van het beweeggedrag van de inwoners. Sport is niet alleen goed voor de gezondheid, maar draagt ook bij aan de maatschappelijke verbondenheid en betrokkenheid van inwoners en leefbaarheid van wijken. Om te kunnen sporten en bewegen zijn adequate voorzieningen noodzakelijk. Met de ontgroening in combinatie met krimp vermindert de komende jaren heel geleidelijk de behoefte aan de traditionele sportaccommodaties. Er zijn beleidskaders vastgesteld die betrekking hebben op spreiding van voorzieningen voor de verschillende maatschappelijke functies en op de afweging om bij overcapaciteit een adequate afweging te kunnen maken tussen verschillende accommodaties. Deze beleidskaders zijn input geweest voor een totaalplan voor alle maatschappelijke functies. Parallel aan het opstellen van dit totaalplan werden trajecten doorlopen ter voorbereiding op de besluitvorming over centrale huisvesting van onderwijs- en sportvoorzieningen voor de kernen Grevenbicht en Obbicht.
Uit dat parallelle traject is uiteindelijk de keuze gevallen op de Unilocatie tussen de kernen Grevenbicht en Obbicht.
20
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
2.4.4
Toekomstvisie Duurzame Accommodaties (2016)
In het vastgestelde beleidskader Duurzame Accommodaties uit 2016 is per functie aangegeven op welk niveau bepaalde voorzieningen aanwezig dienen te zijn. Primair onderwijs is van oudsher op wijk- en dorpsniveau te vinden. De aanwezigheid van een basisschool heeft grote invloed op de leefbaarheid in buurten en moet betrokken worden bij het geheel van maatschappelijke accommodaties in de buurt. Onderwijs en kinderopvang huizen al steeds meer onder één dak. Door onderwijs- en sportgebouwen te combineren, krijgen zij een multifuctioneel karakter. Omdat binnensport in belangrijke mate verbonden is aan het onderwijs, worden de sportgebouwen binnen schooltijd gebruikt door het onderwijs en kunnen ze buiten schooltijd door de sportverenigingen en recreatieve doelgroepen worden gebruikt. Dit geldt ook voor de buitensportcomplexen. Op de Unilocatie Grevenbicht-Obbicht komen naast onderwijs ook sportvoorzieningen in de vorm van een gymzaal, voetbal- en tennisvelden.
2.4.5
Nota Ruimtelijke Kwaliteit (2015)
De Nota Ruimtelijke Kwaliteit, vastgesteld in 2015, vervangt de Welstandnota uit 2004. Ruimtelijke plannen worden integraal behandeld, waarbij een relatie wordt gezocht met de beleidsterreinen Ruimtelijke Ordening, Cultuurhistorie en Landschapsbeheer. Meer dan in de Welstandnota worden in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit het buitengebied en het belangrijkste stedelijk groen als kwaliteitsdragers voor de bebouwde omgeving aangemerkt, waarmee rekening gehouden moet worden bij ruimtelijke initiatieven. De Nota bevat een aantal vaste criteria waaraan initiatieven - die niet beschreven worden in het Handboek - moeten voldoen. Voor een aantal gebieden zijn gebiedseigen karakteristieken beschreven waarmee voor een initiatief dat in zo'n gebied ligt, aanvullend rekening dient te houden. Gebiedskarakteristieken:het landschap Voor de gemeente Sittard-Geleen zijn zeven verschillende landschappen onderscheiden, met elk een eigen karakter. Het plangebied Unilocatie is gelegen in het Rivierenlandschap. Het rivierenlandschap vormt de schakel tussen de Maas en het achterland. Het is een open cultuurlandschap met een agrarisch karakter. In de omgeving van Obbicht is de verkaveling kleinschalig. Hier zijn oude landschapselementen, relicten van het oorspronkelijke rivierdalengebied terug te vinden. Dorpen en landschap vormen een samenhangend ruimtelijk ensemble, dat nog altijd voelbaar is.
Initiatieven in het landschap dienen rekening te houden met een aantal aandachtspunten: het herkenbaar houden van de specifieke eigenschappen van elk van de zeven landschapstypen; het behoud van de nog bestaande elementen van het oorspronkelijke landschap; het behouden van zachte overgangen tussen het landschap en de dorpen; het behoud van kenmerkende zichtlijnen; de natuur- en ecologische waarden en de natuurbeleving; de agrarische functie van het cultuurlandschap; de functie van het landschap als recreatiegebied voor de bewoners van de gemeente. Gebiedskarakteristieken:de woongebieden De openbare ruimte in dorpen is vaak informeel en kleinschalig. Sportvelden en uitloopruimte doen hun intrede en zorgen ruimtelijk voor meer groenbeleving. In de latere uitbreidingsplannen is de rustige overgang naar het landschap nadrukkelijk een thema, waarbij gebruik wordt gemaakt van de geldende landschapselementen voor het buitengebied. Grevenbicht is een straatdorp met allure, met een nog gave inpassing in het landschap van het Maasdal. Initiatieven in een woongebied, specifiek voor dorpen, dienen rekening te houden met een aantal aandachtspunten: het samenhangend ensemble van dorp en landschap, waarbij entrees en dorpsranden niet zijn vormgegeven;
21
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
het vrije zicht op het landschap vanuit veel straten tussen of langs de huizen door. 2.4.6
Parkeerbeleid
De gemeente Sittard-Geleen heeft in december 2004 het parkeerbeleidsplan vastgesteld. Belangrijkste bouwsteen van dit beleidsplan is de 'parkeerplaatsverplichting'. Doelstelling van deze verplichting is dat iedere ontwikkeling waarvoor een bouwvergunning en/of bestemmingsplanwijziging wordt aangevraagd, verplicht kan worden om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. In de nota "Parkeernormensystematiek" van januari 2012 is dit verder uitgewerkt. De normen zoals gesteld binnen de eerder genoemde nota zullen voor het onderliggende plangebied Unilocatie dus als toetsingskader dienen na vaststelling van dit bestemmingsplan bij beoordeling van nieuwe ontwikkelingen waarbij gebruik wordt gemaakt van flexibiliteits- en/of vrijstellingsregelingen. Voor onderhavig bestemmingsplan is het uitgangspunt conform dit beleid: parkeren op eigen terrein. Zie verder paragraaf 4.8.
2.4.7
Duurzaamheidsbeleid 2015-2017
De gemeente Sittard-Geleen heeft zich na het verdrag van Parijs, tijdens de lokale Klimaattop in Sittard-Geleen, gecommitteerd aan de klimaatverklaring van het Klimaatverbond. Het doel is dat de gemeente Sittard-Geleen uiterlijk in 2030 geen broeikasgassen meer produceert en in 2050 klimaatneutraal is. Daarop heeft de gemeenteraad in 2008 het beleidsplan Duurzame Energie 2008-2016 vastgesteld. Tweejaarlijks wordt de voortgang van de implementatie van het Energiebeleid gerapporteerd, om waar nodig maatregelen te formuleren om de doelstellingen alsnog te halen. De Rapportage duurzaamheidsbeleid 2015-2017 is de eerste voortgangsrapportage. In deze rapportage staat de rol van de gemeente Sittard-Geleen beschreven die benodigd is om de energietransitie goed te begeleiden. Wil de gemeente op termijn volledig energieneutraal zijn, zal zij bijvoorbeeld duurzame inkoop moeten stimuleren of compensatie. Om het ambitieniveau en de doelstellingen te realiseren, zal er veelvuldig samengewerkt moeten worden met de regionale netbeheerder, woningbouwcorporaties, het bedrijfsleven, verenigingen en de inwoners. Het verder verduurzamen van de eigen gebouwen, openbare verlichting, inkoop, groene energie, duurzaam vervoer dient zo ambitieus als mogelijk te worden opgepakt. De opgave van energieneutraliteit in 2050 is groot en de gemeente Sittard-Geleen heeft een voorbeeld rol.
De huidige scholen en buitensportaccommodaties zijn in eigendom van de gemeente Sittard-Geleen. Verduurzaming van de eigen gebouwen is doelen. De realisatie van het Integraal Kindcentrum past daarmee binnen het duurzaamheidsbeleid.
22
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Hoofdstuk 3
3.1
Planbeschrijving
Locatiekeuze
De gemeente Sittard-Geleen heeft het voornemen om een Integraal Kindcentrum met een centrale sportvoorziening te realiseren in het gebied tussen de kernen Grevenbicht en Obbicht. De oorsprong van deze plannen ligt omstreeks 2012. Gedurende het proces zijn meerdere varianten benoemd door de stakeholders, zoals een Unilocatie in het buitengebied midden tussen Grevenbicht en Obbicht (de middengebied-variant), een Unilocatie aan de rand van een van beide dorpskernen, een Unilocatie in een van de kernen en het scenario met meerdere locaties. In 2014 is de programmatische haalbaarheid voor een Unilocatie voor de scholen (zie Bijlage 15) en de haalbaarheid voor de buitensportaccommodaties onderzocht (zie Bijlage 16; dit laatste onderzoek is in 2020 geactualiseerd, zie Bijlage 17). De middengebied-variant is als locatie naar voren gekomen als voorkeurslocatie na een interactief proces. In 2015 is vervolgens een ruimtelijk haalbaarheidsonderzoek naar de voorkeurslocatie Grevenbicht-Obbicht uitgevoerd (zie Bijlage 18). Door de komst van de sportvelden en het Integraal Kindcentrum wordt er een grote 'korrel' toegevoegd aan de zuidkant van de kern Grevenbicht, waardoor de open ruimte tussen de kernen nagenoeg wordt opgevuld. Aantasting van deze open ruimte dient zo veel mogelijk te worden voorkomen.
Voor de bebouwing wordt daarom aansluiting gezocht bij de rand van de kern Grevenbicht, om het open karakter in het gebied ten zuiden van de bebouwing zo veel mogelijk te waarborgen. Oprichten van de bebouwing ten noorden van Obbicht ligt minder voor de hand, aangezien er nog een onbebouwd perceel tussen de nieuwe bebouwing en de bestaande bebouwing aanwezig is. Bebouwing midden tussen de twee kernen in, is vanuit landschappelijk oogpunt niet wenselijk. Door aansluiting te zoeken bij de zuidrand van Grevenbicht, wordt aantasting van de open beleving tussen de twee kernen zo veel mogelijk voorkomen. De inpassing van de sportvelden en het Integraal Kindcentrum draagt bij aan de versterking van de landschappelijke structuur in het Grensmaasgebied. Uitgangspunt voor de visueel-landschappelijke inrichting van het Grensmaasgebied is het versterken van een aantal groene structuurlijnen in noord-zuidrichting. Door de groene inpassing van de sportvelden kan de bestaande kleinschaligheid tussen de kernen worden behouden en worden versterkt door het aanleggen van nieuwe groene structuurlijnen.
3.2
Stedenbouwkundig ontwerp Unilocatie
Door buro STUB is een stedenbouwkundig plan vervaardigd voor de Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (september 2019). Dit stedenbouwkundig plan vormt de basis voor het bestemmingsplan.
23
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Stedenbouwkundig plan Unilocatie
Het plangebied Unilocatie wordt aan de noordzijde begrensd door de Frankenstraat en aan de westzijde door de Kempenweg. Op de hoek van de Frankenstraat en Kempenweg bevindt zich een woonhuis, Kempenweg 70, dat grenst aan het plangebied Unilocatie. Aan de oostzijde van het plangebied Unilocatie ligt het perceel Frankenstraat 17/17A. De oostgrens het plangebied Unilocatie loopt vanaf de westzijde van dit perceel zuidwaarts tot aan de Dukkelaarsweg. De zuidzijde van het plangebied Unilocatie wordt begrensd door de Dukkelaarsweg. De school heeft een belangrijke rol binnen de gemeenschap en mag in het zicht liggen. Het schoolgebouw omvat één bouwlaag met een hoogte van 5 meter waarin zich 11 klaslokalen bevinden. Het schoolplein is zuidwest georiënteerd en wordt omringd door de school aan de noordzijde, de gymzaal en het clublokaal aan de oostzijde, een bomenrij aan de westzijde en het voetbalveld aan de zuidzijde. De bomenrij start op de Kempenweg, is noordoost georiënteerd en markeert het entreelaantje. De bomenrij loopt parallel met het schoolplein zuidwestwaarts tot aan het noordelijke
24
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
voetbalveld. Daar vervolgt de bomenrij zich ongeveer 100 meter noordoostwaarts, gelijk met het noordelijke voetbalveld. De gymzaal bevindt zich tussen het schoolplein - aan de westzijde - en de tennisbanen aan de oostzijde. De gymzaal en het clublokaal behorende bij de sportvelden hebben ieder een hoogte van 7 meter. Het clublokaal, in maximaal 2 bouwlagen, is gelegen ten zuidoosten van de gymzaal en omvat 6 kleedlokalen: 4 ruime kleedlokalen voor het voetballen en 2 normale kleedlokalen voor het tennissen. Daarnaast bevinden zich in het clublokaal de bestuurskamer, kantine, scheidsrechterlokalen, een EHBO-ruimte en toilet- en douchevoorzieningen. Het clubgebouw en de gymzaal bieden voldoende ruimte om inpandig materiaal op te bergen. Ten noorden van de school, tussen de school en de Frankenstraat, zijn van west naar oost respectievelijk een bloementuin, een moestuin en een infiltratiezone voorzien. De school grenst aan de oostzijde aan de moestuin. Ten zuiden van de moestuin en infiltratiezone bevinden zich een tennismuur en vier tennisbanen. Deze vier tennisbanen liggen niet naast elkaar, maar zijn gegroepeerd per twee. De gegroepeerde tennisbanen worden van elkaar gescheiden door een pad, waarmee de tennismuur te bereiken is. Deze tennismuur is te gebruiken aan de zuidoostzijde; de achterzijde grenst aan de infiltratiezone.
De infiltratiezone, tennismuur en oostelijke tennisbanen worden aan de oostzijde van het plangebied Unilocatie begrensd door een bomenrij. Deze bomenrij loopt door tot het noordelijke voetbalveld en loopt dan parallel tussen de tennisbanen en het voetbalveld in zuidwestelijke richting door naar het clubgebouw. Het clubgebouw kijkt aan de zuidoostzijde uit over het noordelijke voetbalveld. De twee voetbalvelden zijn gesitueerd aan de zuidzijde van het plangebied Unilocatie. De oriëntatie van de voetbalvelden is noordoost. Het noordelijke voetbalveld is verlicht. Omdat de voetbalvelden een plek krijgen in het landschap, versterken ze hiermee de openheid. Ten westen, zuiden en oosten van de voetbalvelden is ruimte voor landschappelijke inpassing met een infiltratiezone. Hierbij wordt gedacht aan lage(re) elementen zoals (landschappelijke) hagen en brede zones grasland, die passen bij het open karakter van het gebied en bestaande doorzichten in stand houden. De tennisperiode en het gebruik van de tennisbanen is seizoensgebonden en zal doorgaans plaatsvinden van 1 april tot 15 november. De banen worden gebruikt voor zowel (jeugd)training als competitie. Overdag wordt er recreatief getennist; op werkdagen vindt er tussen 17 en 20 uur jeugdtraining plaats. Hierbij worden twee tennisbanen gebruikt. Gedurende de competitie zullen de banen intensiever gebruikt worden.
De voorjaarscompetitie (april tot medio juni) kent wekelijks een aantal dagen waarop tussen 9:30 en 15:30 uur wordt getennist. Tijdens de najaarscompetitie (begin september tot medio november) wordt er op de vrijdagmiddag gespeeld tussen 13 en 17 uur. Tijdens de competitiedagen (7 vrijdagen per jaar), worden de tennisbanen gebruikt tot ongeveer 22 uur. Incidenteel kan het voorkomen dat er meer sets gespeeld moeten worden en dat een wedstrijd tot 24 uur duurt. Dit betreft dan meestal één tennisbaan. Daarnaast organiseert de tennisvereniging jaarlijks, gedurende één à twee weken, een toernooi waarbij de wedstrijden tot ongeveer 24.00 uur duren. Op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden er beperkingen van het geruik van de lichtmasten na 23.00 uur. Publiek bij het tennissen is op doordeweekse dagen minimaal; bij competitie zal dit hoger liggen. De voetbalvelden zijn te allen tijde bereikbaar. Het voetbalseizoen loopt van medio augustus tot medio juni. Trainingen worden gegeven op werkdagen, en vinden plaats tussen 18 en 22 uur. De wedstrijden vinden plaats in het weekend en duren globaal genomen van 9 tot 18 uur. Het publiek bij jeugdwedstrijden is beperkt, en vaak vinden er meerdere jeugdwedstrijden gelijktijdig plaats. Op zondag bij de senioren worden de wedstrijden van het eerste elftal drukker bezocht dan de wedstrijden van de lagerer teams.
De bezoekersaantallen variëren tussen 50 en 150 per wedstrijd. Ontsluiting Betreden van het plangebied Unilocatie is mogelijk vanaf de westzijde, de Kempenweg. Hier zijn twee ingangen voorzien; een noordelijk gelegen ingang voor fietsers en voetgangers en 50 meter ten zuiden hiervan is de ingang voor gemotoriseerd verkeer naar de parkeerplaats. Het autoverkeer en fietsverkeer
25
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
zijn op deze manier gescheiden op het terrein in het belang van de verkeersveiligheid voor de schoolkinderen. Fietsers en voetgangers betreden het plangebied Unilocatie via de entree voor het langzaam verkeer. Ten noorden van het entreelaantje bevindt zich de fietsenstalling, die gebruikt wordt door zowel het Integraal Kindcentrum als het sportcomplex. De fietsenstalling wordt voorzien van een kap en een gesloten achterwand richting de woning van Kempenweg 70. Ten zuiden van de entreelaan is het parkeerterrein gelegen. Deze is te bereiken via de ingang voor gemotoriseerd verkeer. Het parkeerterrein biedt plaats aan 78 auto's en biedt zowel ruimte voor parkeerplaatsen voor medewerkers van het Integraal Kindcentrum en bezoekers van de sportvelden als ook voor Kiss & Ride parkeerplaatsen. Vanwege de ligging van de parkeerplaats in de kernrand én in lijn met de nieuwe bebouwing wordt de parkeerplaats voorzien van bomen (bv. parkeren in de boomgaard) waardoor beter wordt aangesloten op het groen rondom de bebouwing. In verband met sociale veiligheid wordt een lage haag rondom de parkeerplaats aangelegd. De Kempenweg wordt voorzien van verkeerskundige maatregelen. Ter hoogte van de entree van de Unilocatie, waar fietsers en voetgangers kunnen oversteken, wordt een plateau gerealiseerd. Dit plateau werkt snelheid remmend en attentieverhogend voor automobilisten.
Daarnaast komt ter hoogte van deze entree over een lengte van 50 meter een vrijliggend fietspad aan de westzijde van de Kempenweg. Fietsers en voetgangers kunnen op een veilige manier de weg oversteken. Het voetpad aan de oostzijde van de Kempenweg blijft gehandhaafd.
26
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Hoofdstuk 4
Planologische- en milieuaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van de planologische- en milieuaspecten beschreven.
4.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van het plangebied Unilocatie tot een Integraal Kindcentrum en een sportlocatie. Hiermee moet het plan worden aangemerkt als wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Uit de geschiedenis van totstandkoming van artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit milieueffectrapportage blijkt dat het bevoegd gezag op grond van artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer zich ervan moeten vergewissen of een activiteit die beneden de voor de m.e.r.-beoordeling gedefinieerde drempel valt, daadwerkelijk geen aanzienlijke milieugevolgen kan hebben. Het bevoegd gezag dient zijn standpunt hieromtrent deugdelijk te motiveren. Hiertoe wordt een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Inleiding Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm), in samenhang met het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.), moet bij initiatieven voor (het wijzigen van) bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten. In gevallen dat een besluit of plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de C- of D-lijst van de bijlage bij het Besluit m.e.r. dient bepaald te worden welke procedure doorlopen moet worden om mogelijke milieueffecten te beoordelen.
De ontwikkeling van het Integraal Kindcentrum met een centrale sportvoorziening valt onder categorie D11.2. De drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. zijn indicatief, omdat ook externe factoren kunnen leiden tot 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om cumulatie met andere projecten, ligging in of bij een gevoelig gebied (zoals een natuurgebied) of een dichtbevolkt gebied en de duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. De vormvrije m.e.r.-beoordeling geeft antwoord op de vraag of belangrijke nadelige milieugevolgen door de gewenste ontwikkelingen kunnen worden uitgesloten. Met de voorliggende vormvrije m.e.r.-beoordeling bevoegd gezag ondersteund bij de voorbereiding van de bestuurlijke keuze en motivatie om al dan niet een m.e.r.-, of m.e.r.beoordelingsprocedure te doorlopen. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling geeft de informatie voor de invulling van de vergewisplicht, die gekoppeld is aan het op te stellen bestemmingsplan. Bij de analyse en beslissing dient rekening gehouden te worden met de bijlage III van de EEG-richtlijn m.e.r. voor projecten aangegeven omstandigheden. Deze zijn: Kenmerken van de activiteit; Plaats waar de activiteit wordt verricht; Kenmerken van de gevolgen van de activiteit (mogelijke effecten van de activiteit).
27
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
Voor de kenmerken van de activiteit en de plaats waar de activiteit wordt verricht, wordt verwezen naar Hoofdstuk 1 en paragraaf 3.2 van dit bestemmingsplan. Kenmerken van de gevolgen van de activiteit Archeologie Op basis van een bureau- en verkennend booronderzoek was reeds bekend dat direct rondom het plangebied drie archeologisch waardevolle terreinen liggen en 46 archeologische meldingen. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in totaal 41 putten aangelegd met een totale oppervlakte van 4.100 m2. Verspreid over de proefsleuven zijn verschillende archeologische resten van drie vindplaatsen aangetroffen. Op basis van de waardering van de aangetroffen archeologische resten, waarbij is gekeken naar zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats, wordt geconcludeerd dat vindplaats 1 niet-behoudenswaardig is maar vindplaats 2 wel. Vindplaats 3 kan niet gewaardeerd worden, omdat de vindplaats nauwelijks is onderzocht en de aard, omvang en datering van de vindplaats onzeker blijven. Indien hier inderdaad een oudere vindplaats aanwezig is, dan is deze vindplaats hoogstwaarschijnlijk ook behoudenswaardig. Voor vindplaats 1 en zones waar geen vindplaats is aangetroffen, geldt dat bij ontwikkeling geen verdere onderzoeksplicht bestaat.
Ter hoogte van vindplaats 2 en 3 geldt in principe dat de vindplaatsen in situ behouden moeten worden, door bijvoorbeeld het gebied voldoende op te hogen voorafgaand aan de ontwikkeling. Indien in situ geen optie is, is nader onderzoek nodig, voorafgaand aan de ontwikkeling. Hiermee leidt het aspect archeologie niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (zie tevens Bijlage 3). Ecologie-gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op 1 km afstand van het plangebied Unilocatie, te weten Natura 2000-gebied de Grensmaas. Gezien de afstand en de aard van de voorgenomen ingrepen zijn directe effecten op het Natura 2000-gebied op voorhand uit te sluiten. Verder zijn met behulp van de AERIUS-Calculator voor zowel de gebruiks- als realisatiefase de hoogste stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied berekend, waarbij wordt opgemerkt dat de Grensmaas niet stikstofgevoelig is. De berekeningen hebben geen depositieresultaten opgeleverd boven de 0,00 mol/ha/jr. Toetsing van de maatregelen aan de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming, is daarom niet aan de orde. Het plangebied Unilocatie is niet gelegen in de NNN (Natuurnetwerk Nederland), maar wel binnen de Bronsgroene landschapszone.
Deze Bronsgroene landschapszone omvat de landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden met de daarin aanwezige (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinere landschapselementen, waterlopen e.d. Omdat het plangebied Unilocatie niet binnen het beschermingsgebied van het Handvat voor Zuid-Limburg valt, zijn er geen vaste omschrijvingen van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten zijn zodoende aan de hand van het veldbezoek beschreven en getoetst op basis van de voorgenomen inrichting van het plangebied Unilocatie. Deze beschrijving van de kernkwaliteiten is opgenomen in de Quickscan natuurwetgeving, zie Bijlage 4). Geconcludeerd kan worden dat er geen vervolgstappen noodzakelijk zijn vanuit de NNN. Verder schaadt het voornemen geen kernkwaliteiten van de Bronsgroene landschapszone. Hiermee zijn effecten uitgesloten. Ecologie-soortenbescherming Ten gevolg van de ingreep treden er mogelijk negatieve effecten op voor enkele soorten flora, algemene broedvogels en broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Hierdoor kunnen verbodsbepalingen van de Wnb mogelijk worden overtreden. Middels mitigerende maatregelen zijn negatieve effecten op
28
bestemmingsplan Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (vastgesteld)
algemene broedvogels (broedplaats en leefgebied) en jaarrond beschermde nesten (enkel foerageergebied) te voorkomen. Om de bovengenoemde effecten uit te sluiten zijn mitigerende en compenserende maatregelen opgenomen (zie ook paragraaf 4.4.1) en geldt een zorgplicht. Betreffende mogelijk voorkomende flora zijn drie inventarisatierondes uitgevoerd. Tijdens de eerste twee inventarisaties zijn geen beschermde plantensoorten waargenomen. Gezien het aanwezige landgebruik is de kans klein dat deze soorten hier voorkomen. Alleen algemeen voorkomende plantensoorten zijn aangetroffen. Met de derde inventarisatie is de optimale periode voor planten geïnventariseerd. Hierbij is de aanwezigheid van beschermde planten niet vastgesteld en daarmee is het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied uitgesloten. Hiermee leidt het aspect ecologie niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (zie tevens Bijlage 4 en Bijlage 5). Water Voor het bepalen van de effecten ten aanzien van water, is onderzoek verricht naar de waterstaatkundige aspecten in het plangebied Unilocatie en is aandacht besteed aan de bergingsopgave. De tennisvelden bestaan niet uit verharding, maar zijn gelegen op de slecht doorlatende bovenste bodemlaag en voorzien van drainage.
De verwachting is dat de velden minimaal infiltreren en het merendeel van het hemelwater versneld op de infiltratievoorziening zal worden geloosd (en overloop op het gemengde stelsel). Vergeleken met de huidige - feitelijke- situatie is er sprake van een toename van het verhard oppervlak met 10.869 m2. De totale bergingseis bedraagt 1.087 m3. In het stedenbouwkundig plan zijn twee zogenoemde infiltratiezones gereserveerd voor de opvang en infiltratie van hemelwater. Voor de noordelijke infiltratiezone is circa 2.000 m2 beschikbaar. Indien de voorziening in de vorm van een wadi uitgevoerd wordt, met een afmeting van 35 x 45 m, een talud van 1:1,5, een drooglegging van 0,25 meter een maximale waterdiepte van 0,75 meter is de beschikbare berging circa 1.109 m3. In het huidige stedenbouwkundig plan is er voldoende ruimte beschikbaar om aan de bergingsopgave te voldoen. Het overschot aan beschikbare berging is met 22 m3 minimaal, de gereserveerde ruimte is dus volledig nodig voor de infiltratievoorziening. Het aspect water leidt niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (zie tevens Bijlage 8). Rivierkunde In samenspraak met Rijkswaterstaat (RWS) zijn berekeningen met vigerende vergunningsmodellen uitgevoerd, waaruit blijkt dat het plangebied Unilocatie bij Grevenbicht droog blijft bij een maatgevende afvoer.