0.2 Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025
Tekst van het document
Hoofdstuk 8: Waardering mantelzorgers Artikel 32. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. De mantelzorgers van cliënten in de gemeente krijgen jaarlijks een waardering. 2. Een mantelzorger komt in aanmerking voor de jaarlijkse waardering indien hij als mantelzorger staat geregistreerd bij het Steunpunt Mantelzorg Westelijke Mijnstreek. 3. Het college kan nadere regels vaststellen over de verdere invulling van de jaarlijkse blijk van waardering.
Hoofdstuk 9: Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 33. Geen bepalingen In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 34. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening als door toepassing ervan de cliënt duidelijk onrecht wordt aangedaan. Artikel 35. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2022-1 wordt ingetrokken per 1 januari 2025. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2022-1, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2022-1 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld conform deze verordening. 4. Artikel 17 van de Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2022-1 blijft van toepassing op aanvragen ingediend in de periode tot en met 31 december 2024 en voor zover het pgb betrekking heeft op de periode tot en met 31 december 2024. Voor de periode ná 31 december 2024 wordt de hoogte van het pgb vastgesteld krachtens de Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025.
Een overgangsrecht van drie maanden in 2025 wordt gehanteerd voor cliënten met een bestaand pgb om te kunnen anticiperen op het nieuwe bedrag van het pgb. 5. Het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2022-1 gebeurt op grond van de Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2022-1 die daarvoor zijn geldigheid behoudt.
Pagina 21 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 Artikel 36. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2025. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025. Aldus besloten door de raad der gemeente Sittard-Geleen in zijn vergadering van 12-12-2024.
De Griffier
De Voorzitter
Mw. N.A.P.G. (Nicolle) Bisschoff
mr. J.Th.C.M. Verheijen
Pagina 22 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 TOELICHTING OP DE VERORDENING Algemeen Opdracht aan de gemeente Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 geeft de gemeente de opdracht om zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning en voor de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. Het begrip maatschappelijke ondersteuning is uiteengezet in 3 hoofdelementen waarop van de gemeente inzet wordt verwacht: A. het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en het vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld; B. het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving; C. het bieden van beschermd wonen en opvang. De gemeenteraad stelt periodiek een beleidsplan vast met betrekking tot het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Het plan is erop gericht dat: a. cliënten zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven; b.
cliënten die beschermd wonen of opvang ontvangen, een veilige woonomgeving hebben en, indien mogelijk, weer in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. De Wmo 2015 schrijft voor dat de gemeente per verordening de regels moet vaststellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het beleidsplan (artikel 2.1.3 lid 1 Wmo 2015). Inhoud verordening In de verordening moet in elk geval bepaald worden (artikel 2.1.3 lid 2 tot en met lid 4, artikel 2.1.4b lid 2 en artikel 2.1.6 van de wet): • op welke manier en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; • op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld; • door welke instantie de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget voor opvang wordt vastgesteld en geïnd; • welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; • voor welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is; • voor welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is; • op welke manier ingezetenen, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden
betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg; • op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Ook moet de gemeente per verordening regels stellen (artikel 2.1.3 lid 3 en 2.6.6 lid 1 van de wet): Pagina 23 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 • •
om het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet te bestrijden; ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de Wmo voorzieningen die het college door derden laat uitvoeren. Hierbij moet rekening gehouden worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
Daarnaast kan de gemeente in de verordening (artikel 2.1.4 lid 1, lid 2, lid 3, lid 4 en lid 6, artikel 2.1.4a lid 1, lid 2, lid 3, lid 5 en lid 6 artikel 2.1.5 lid 1, artikel 2.1.7 en artikel 2.3.6 lid 4 van de wet): • bepalen dat een cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd is voor het gebruik van een algemene voorziening, uitgezonderd cliëntondersteuning, een maatwerkvoorzieningen dan wel een persoonsgebonden budget; • de hoogte van de bijdrage voor het gebruik van een algemene voorziening vaststellen. Hierbij kan de hoogte van de bijdrage per soort voorziening verschillen of kan een korting worden bepaald per in de verordening omschreven categorie van cliënten; • algemene voorzieningen aanwijzen, waaronder in ieder geval die voorzieningen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de betrokken hulpverlener, waarvoor het abonnementstarief geldt; • bepalen dat de hoogte van het abonnementstarief voor één of meerdere algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten tezamen op een lager bedrag dan zoals genoemd in de Wmo 2015, artikel 2.1.4 lid 3 en artikel 2.1.4a lid 4, wordt vastgesteld, wordt verlaagd tot nihil voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van cliënten, indien het inkomen over een bij algemene maatregel van bestuur aan te geven
tijdsperiode van de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen niet meer bedraagt dan een bij verordening vastgesteld bedrag; • bepalen op welke wijze de kostprijs wordt berekend voor algemene voorzieningen waarvoor een andere bijdrage dan het abonnementstarief geldt en voor een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel, een woningaanpassing of een bij algemene maatregel van bestuur omschreven maatwerkvoorziening. De bijdrage gaat de kostprijs van de voorziening niet te boven; • bepalen dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget verschuldigd is zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt onderscheidenlijk gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verleend; • de hoogte van de bijdrage vaststellen van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget; • bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële draagkracht; • bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen
van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Belang zorgvuldige procedure Het college van de gemeente Sittard-Geleen zal telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen om: • de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften, situatie en de gewenste resultaten helder te krijgen; • de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te inventariseren; • te achterhalen welk oplossingen de cliënt zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van het sociaal netwerk, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, een beroep op andere wetten en algemeen gebruikelijke voorzieningen. Pagina 24 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 •
te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan of dat een maatwerkvoorziening nodig is en welke voorziening dan (goedkoopst) compenserend is voor de beperkingen van de cliënt.
De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Als de procedure goed wordt uitgevoerd, moet deze steeds tot een juiste beslissing leiden: ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Als de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op zorgvuldige wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Mandaat college De Wmo 2015 en deze verordening bepalen dat veel zaken door het college gedaan worden. In de praktijk worden deze zaken niet door het college zelf gedaan, maar (in mandaat) door deskundige ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Zij doen dit namens het college. Het college kan taken die in de wet en verordening aan haar worden opgedragen, mandateren aan ondergeschikten of nietondergeschikten op grond van de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt (ten aanzien van een voorziening) mandateren aan een aanbieder. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.
Artikelsgewijs Hoofdstuk 1: Begrippen
In hoofdstuk 1 wordt uitgelegd wat er verstaan wordt onder de begrippen die gebruikt worden in deze verordening. In deze toelichting worden een aantal begrippen nader uitgelegd. Artikel 1. Begripsbepalingen Lid 1 onder c. algemeen gebruikelijke voorziening: Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt, draait het om het beantwoorden van de vraag of de cliënt ook over de voorziening kon beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. De in deze bepaling opgenomen criteria volgen uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Het is de vraag wat precies verstaan moet worden onder een 'inkomen op minimumniveau'. Zolang hier niet meer jurisprudentie over is verschenen, gaan we er vanuit dat het gaat om een inkomen op bijstandsniveau heeft. Het is hierbij niet van belang of de betreffende cliënt een inkomen op minimumniveau heeft. Het draait om de vraag of de voorziening in algemene zin financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Lid 1 onder e. andere voorziening: Een andere voorziening is een voorziening die de cliënt kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Wmo 2015, bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Lid 1 onder j.
beschermd wonen de maatwerkvoorziening beschermd wonen is een samenstelling van de producten intramuraal wonen, beschikbaarheid en bereikbaarheid en begeleiding.
Pagina 25 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 Lid 1 onder p eigen kracht In de Wmo 2015 wordt uitgegaan van het versterken van de eigen kracht van inwoner. De eigen verantwoordelijkheid van de inwoner is een belangrijke pijler van de Wmo 2015. De Wmo 2015 is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van voorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen ligt het probleem zelf, of met hulp van mantelzorgers, huisgenoten en personen uit het sociale netwerk op te lossen. De inwoner wordt gestimuleerd zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. Hierbij behoort ook dat hij een beroep doet op familie en vrienden – zijn eigen sociale netwerk – alvorens voordat hij bij de gemeente komt voor hulp. Lid 1 onder q. gebruikelijke hulp Is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden. Dit noemt men zorgplicht. Lid 1 onder r.
gesprek: Het gesprek, ook wel keukentafelgesprek genoemd, is het mondeling contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang. Lid 1 onder s. hoofdverblijf: Omdat er bij het begrip ingezetene wordt gesproken over hoofdverblijf, is hier verduidelijkt wat hier onder wordt verstaan. Lid 1 onder u. hulpvraag: De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Als iemand met behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat het college allereerst onderzoekt wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is noodzakelijk. Lid 1 onder v.
ingezetene: Een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 van de wet) en het college beslist op een aanvraag van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 van de wet). Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich voor een maatwerkvoorziening moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 2209-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats. De inschrijving in de Basisregistratie Personen vormt daarbij een belangrijke aanwijzing, maar is niet doorslaggevend. Lid 1 onder aa. melding: Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding doet het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk onderzoek. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen.
Pagina 26 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 Lid onder cc. persoonlijk plan: In het plan kan de cliënt – al dan niet samen met zijn persoonlijke netwerk – de hulpvraag nader beschrijven en ook aangeven welke mogelijkheden of oplossingen hij zelf voor ogen heeft. Die informatie kan het college meenemen bij zijn onderzoek. Het opstellen van een persoonlijk plan kan de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten versterken. Lid 2 Het aantal definities van artikel 1 is beperkt omdat de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening.
Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek
Dit hoofdstuk bevat de regels voor de procedure die voorafgaat aan de eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Deze procedure start op het moment dat de cliënt de gemeente om hulp vraagt. Dit is de melding en de aanleiding voor de gemeente om onderzoek te doen. Het onderzoek vormt de kern van de procedure in de Wmo 2015. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er oplossingen zijn voor de hulpvraag waar de cliënt geen maatwerkvoorziening van de gemeente voor nodig heeft. Als de cliënt zich daarin kan vinden, stopt op dat moment de procedure. Het is echter ook mogelijk dat de cliënt na het onderzoek een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doet. De regels die van belang zijn voor de melding- en aanvraagfase zijn opgenomen in het volgende hoofdstuk. Artikel 2. Melding Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3,tweede lid, onder a, van de wet. Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de hulpvraag. De melding is niet gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch worden gedaan en zowel op het gemeentehuis als bijvoorbeeld op locatie bij het Wmo Adviescentrum.
De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden. In lid 2 is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de ontvangst bevestigt, al blijkt dit ook uit artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van de melding moet registreren. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. Vanwege de registratie en zorgvuldigheid kiest de gemeente hier wel voor. In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Zie ook artikel 4. In het vijfde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding. Artikel 3. Cliëntondersteuning Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet.
Hierin is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. De gemeenten heeft de opdracht om een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide Pagina 27 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 vraagverheldering alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van kosteloze cliëntondersteuning. Artikel 4. Persoonlijk plan Deze bepaling spreekt voor zich. De inwoner heeft zeven dagen de tijd om een persoonlijk plan in te dienen nadat de melding is gemaakt. Artikel 5. Informatie en identificatie De gemeente moet bij een melding de identiteit van de cliënt vaststellen. De identificatieplicht staat in artikel 2.3.4 lid 1 Wmo 2015. Bij de aanvraag kan de gemeente nog een keer vragen om een geldig identiteitsbewijs. De cliënt is verplicht hier aan mee te werken. Zie artikel 2.3.4 lid 2 Wmo 2015. De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid, is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet.
In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van dit artikel zullen de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen moeten worden. Geldig identiteitsbewijs Een geldig identiteitsbewijs is een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Deze documenten zijn: - een nationaal paspoort - een diplomatiek paspoort - een dienstpaspoort - een reisdocument voor vluchtelingen - een reisdocument voor vreemdelingen - nooddocument: laissez-passer of noodpaspoort - een Nederlandse identiteitskaart - een geldig rijbewijs Daarnaast kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nog andere reisdocumenten aangewezen worden als geldig identiteitsbewijs. Vreemdelingen of daklozen Een vreemdeling kan zich legitimeren met een document op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Dit is een document waarin zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie staat.
Als een inwoner zoals een dakloze of een vluchteling geen identificatie heeft dan wordt wel onderzocht of de inwoner kan aantonen dat hij verblijft in de gemeente Sittard-Geleen. Overige identiteitsbewijzen De cliënt kan ook gebruik maken van een geldig nationaal, dienst- of diplomatiek paspoort dat is afgegeven in een van deze landen en voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit: - lidstaten van de Europese Unie - IJsland - Liechtenstein - Noorwegen - Zwitserland Pagina 28 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 Artikel 6. Onderzoek Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 lid 4 wat er tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt. Bij het onderzoek zal in samenspraak met de cliënt en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een algemene voorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een maatwerkvoorziening. In artikel 6 wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de cliënt daar zoveel mogelijk bij betrokken wordt. Op basis van dit artikel wordt met de cliënt en diens vertegenwoordiger op een zo begrijpelijk mogelijke manier gesproken. Schriftelijke informatie wordt op B1-niveau aangereikt. Om het onderzoek goed uit te voeren heeft het college de nodige deskundigheid in huis. Soms kan het echter ook nodig zijn om een extern advies op te vragen. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft regels over (externe) advisering.
In lid 8 is concreet aangegeven dat het mogelijk is om extern advies in te winnen als dit nodig is voor het onderzoek. Afhankelijk van de situatie en welke deskundigheid vereist is, beslist het college welke adviesinstantie eventueel ingeschakeld wordt. In lid 10 is bepaald dat de weergave van het onderzoek ook een verslag van het gesprek bevat. Dit kan een beknopte weergave zijn van wat er besproken is. In de wet is bepaald dat het college de cliënt de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk moet verstrekken. Een zorgvuldig onderzoek vereist het op enigerlei doorlopen van de volgende stappen1. Het college: Stap 1 - inventariseer de hulpvraag Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus en onderbouwd in kaart Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving.
Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast Als de problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en de eigen mogelijkheden zijn Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de wet in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden.
1 Dit volgt uit onder andere de uitspraak van de CRvB van van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819).
Pagina 29 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat compenserend oplost Slechts voor zover die eigen mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen.
Hoofdstuk 3: Aanvraag maatwerkvoorziening
Dit hoofdstuk bevat de regels op basis waarvan het college beslist op de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Een cliënt kan de maatwerkvoorziening in natura ontvangen, maar ook in de vorm van een pgb als hij dat wenst. Daarmee kan hij zelf bepalen bij wie hij de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren wil inkopen. In dit hoofdstuk is ook opgenomen welke regels er zijn voor een pgb en hoe de hoogte van het pgb wordt bepaald. Artikel 7. Aanvraag In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. De wet bepaalt verder dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet). In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2 Melding en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van vertegenwoordiging gesteld.
Een aanvraag die niet is ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier oftewel het reactieformulier van gemeente Sittard-Geleen, of in de vorm van een door de cliënt ondertekend verslag hoeft niet in behandeling genomen te worden. Artikel 8. Algemene criteria In dit artikel zijn de algemene criteria beschreven die gelden om een maatwerkvoorziening te kunnen krijgen. In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Allereerst moet duidelijk zijn dat sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie of, bij een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, van problemen bij het zich handhaven in de samenleving. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. In dit artikel wordt de bepaling van de wet verder uitgewerkt.
Lid 1a en 2a Het moet duidelijk zijn dat oplossingen die de cliënt zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen, niet toereikend zijn om de beperkingen te compenseren. Naar aanleiding van rechtspraak (CRvB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095) beoordeelt het college de eigen kracht aan de hand van de volgende elementen: - Het hebben van huisgenoten; - In hoeverre mantelzorg de nodige hulp en ondersteuning kan bieden; - Het hebben van een sociaal netwerk en de bereidheid van dit netwerk om te helpen - Of sprake is van (boven)gebruikelijke hulp en hoe dit wordt vastgesteld; - Vaardigheden en mogelijkheden om de hulp te bieden; Pagina 30 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 -
Beschikbaarheid om de hulp te bieden; Mate van planbaarheid van de benodigde zorg; Het ontstaan van overbelasting; Het relevante normenkader; Overige individuele omstandigheden die worden ingebracht.
Lid 3 Op basis van lid 3 kan het college nadere regels stellen. Het college kan bijvoorbeeld uitwerken welke regels gelden voor de beoordeling van de vraag of sprake is van eigen kracht of gebruikelijke hulp. Artikel 9. Voorwaarden en weigeringsgronden De voorwaarden voor het verstrekken van voorzieningen en weigeringsgronden moeten in de verordening worden opgenomen. Het is niet voldoende om deze op te nemen in het gemeentelijke besluit of de beleidsregels. Dit zijn namelijk criteria voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening, en volgens artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a Wmo 2015 dient er in de verordening bepaald te worden op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. A. Voorwaarden: Lid 1 Voorzieningen die het college op grond van deze verordening verstrekt, moeten zowel compenserend als de goedkoopste voorziening zijn. Met het begrip compenserend wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat ze de voorziening meer compenserend maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. De bruikbaarheid van een voorziening wordt niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald, maar is ook afhankelijk van de gebruiker.
Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau, wordt aangesloten bij een verantwoord niveau, maar ook niet meer dan dat. Als de cliënt een compenserende voorziening wenst die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening kan het college daarvoor een pgb verstrekken ter hoogte van de goedkoopst compenserende voorziening. De cliënt kan er dan voor kiezen om de extra kosten van de duurdere voorziening zelf te betalen. Lid 2 Het college verstrekt geen voorzieningen die niet veilig zijn of nadelige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de cliënt. Lid 3 onder a en b Dit lid is opgenomen om te bepalen dat alleen personen die ingezetene zijn van de gemeente SittardGeleen en daar dus hoofdverblijf hebben, in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat waar het de opvang en het beschermd wonen betreft, ingezetenen van elke Nederlandse gemeente zich tot elk college kunnen wenden (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3 p. 127). Daarmee is landelijke toegankelijkheid van de voorzieningen gewaarborgd. Zo wordt voorkomen dat de behoefte aan beschermd wonen een belemmering vormt voor mensen om zich elders te vestigen.
Wel wordt in de Memorie van Toelichting ook aangegeven dat beschermd wonen bij voorkeur verstrekt wordt door het college van de gemeente waar een opvangtraject en bijbehorende ketenbenadering voor betrokkene de meeste kans van slagen heeft. De Wmo 2015 spreekt ook van een ‘passende bijdrage’ aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen (artikel 2.3.5 lid 4 Wmo 2015). Het onderzoek dat voorafgaat aan een te Pagina 31 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 verstrekken voorziening zal zich daar ook op richten. Daarbij kan bijvoorbeeld meespelen het aspect van de afwezigheid van een netwerk in de gemeente waar de cliënt zich heeft gemeld en de beschikbaarheid daarvan in een andere gemeente. Vanzelfsprekend wordt ook de wens van de cliënt in het onderzoek betrokken. Is het college van oordeel dat de opvang en het bijbehorende traject meer kans van slagen heeft in een andere gemeente, dan is de gemeente tot welke iemand zich heeft gewend, verantwoordelijk voor een ‘warme’ overdracht naar de andere gemeente. Lid 4 De te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer is voldoende passend als deze de cliënt in staat stelt tot lokale verplaatsingen (CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1961 en CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1972). Het college hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte (CRvB 9-5-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1487). Onder bovenregionaal vervoer wordt verstaan reizen over een langere afstand van meer dan 5 ov-zones of 25 kilometer vanaf het woonadres. Binnen deze reikwijdte is de directe woon- en leefomgeving.
Op basis van jurisprudentie kan het college in principe volstaan met een voorziening of een combinatie van voorzieningen, waarmee een cliënt 1.500 tot 2.000 kilometer per jaar kan reizen (CRvB 29-02-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463, CRvB 06-06-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7705, Rechtbank Noord-Nederland 25-7-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3496). Als de cliënt een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de cliënt om dit aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen. Lid 5: Wanneer de cliënt in een Wlz-instelling woont, kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van ouders) gemaakt worden. Bezoekbaar houdt in dat de cliënt toegang tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet heeft. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken. Lid 6 en 7: Beschermd wonen kan op grond van artikel 1.1.1. Wmo 2015 verleend worden aan personen met psychische en/of psychosociale problemen. Een maatwerkvoorziening in de vorm van een bereikbaarheid en beschikbaarheidsdienst voor zelfstandig wonende cliënten heeft als doel instroom in beschermd wonen (wonen in een accommodatie van een instelling) te voorkomen en uitstroom uit beschermd wonen te bevorderen, en is daarom alleen voor de personen psychische problemen en/of psychosociale problemen toegankelijk.
Met de voorziening is de ondersteuning 24-uur per dag bereikbaar en zo nodig inzetbaar in de thuissituatie. Voor cliënten beschermd wonen is de beschikbaarheid- en bereikbaarheidsdienst onderdeel van het ‘pakket beschermd wonen’ dat bestaat uit de optelsom van de maatwerkvoorzieningen Intramuraal Wonen + een Beschikbaarheid en Bereikbaarheidsdienst + Begeleiding. Lid 8: Cliënten met een psychische stoornis kunnen per 2021 toegang krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz). Daarvoor is de grondslag psychische stoornis toegevoegd aan de toegangscriteria voor de Wlz. Wel moet er voldaan worden aan de bestaande Wlz-toegangscriteria. Dit betekent dat het gaat om cliënten bij wie sprake is van een blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg. De maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt daarom vanaf 1 januari 2022 slechts tijdelijk verstrekt. Beschermd wonen wordt niet verstrekt als de cliënt geholpen kan worden met intensieve vormen van ondersteuning in de thuissituatie (ambulante maatwerkvoorzieningen + logeren) met 24uurs opvang.
Pagina 32 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 B. Weigeringsgronden: Lid 9 onder a Uit de wet blijkt niet dat andere wetten voorliggend zijn of dat de aanspraak op een andere wettelijke regeling kan leiden tot een afwijzing van de aanvraag op grond van de Wmo. Wel is in de wet geregeld dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op andere wetten (artikel 2.3.5 lid 5 van de wet). Ook verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening als de cliënt niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie of kan voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5. lid 3 en 4 van de wet). Het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt bij het toepassen van deze verordening gezien als een vorm van eigen kracht. Vandaar dat in deze bepaling expliciet is geregeld dat het college geen maatwerkvoorziening toekent voor zover een andere wettelijke regeling in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien. De Wmo 2007 kende in tegenstelling tot de Wmo 2015 wél een bepaling waarin was vastgelegd dat geen beroep op de Wmo open stond voor zover een voorziening op grond van een andere wet mogelijk is.
Uit jurisprudentie die daarover is ontstaan volgt dat het college alleen rekening kan houden met een voorziening op grond van een andere wet (een voorliggende voorziening) als de cliënt daar echt aanspraak op heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening als de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of als vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO). Lid 9 onder b en c Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet. Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor cliënt niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente. Is de voorziening ná de melding maar vóór de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de voorziening weigeren als de noodzaak, compensatie en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Dat is alleen anders als tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening.
Lid 9 onder d Gebruikelijke hulp (ook wel gebruikelijke ondersteuning genoemd) is de normale, dagelijkse ondersteuning die partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar geven. Omvang van gebruikelijke hulp verwijst naar de hoeveelheid en aard van ondersteuning die een volwassene, partner of gezinslid normaal gesproken biedt aan een medebewoner of partner binnen de gebruikelijke sociale relaties, zonder dat er sprake is van een ondersteuningssituatie. Dit kan bijvoorbeeld gaan over lichte huishoudelijke taken, zoals schoonmaken, koken, boodschappen doen, of het helpen bij dagelijkse activiteiten zoals aankleden. De zwaarte van gebruikelijke hulp heeft betrekking op de intensiteit van de ondersteuning en ondersteuning die van een huisgenoot of familielid verwacht mag worden. Dit is gebaseerd op wat redelijkerwijs als normale ondersteuning binnen een huishouden beschouwd wordt, zoals bij kortdurende ziekte of herstel. De zwaarte wordt vaak bepaald door de duur en frequentie van de ondersteuning. In veel gevallen wordt verwacht dat de ondersteuning niet excessief belastend is, maar wel passend binnen de normale verantwoordelijkheden. In situaties waarin deze ondersteuning te zwaar wordt, kan professionele ondersteuning aangevraagd worden om de belasting te verlichten. Pagina 33 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 Lid 9 onder e Het college kan in beginsel slechts een maatwerkvoorziening toekennen als deze langdurig noodzakelijk is. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Hierbij is de prognose dus van groot belang. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening.
Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. De cliënt kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten. Lid 9 onder f Het college kan de aanvraag afwijzen als het gaat om een voorziening die al eerder is verstrekt en de cliënt verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onoplettendheid. Dus niet als de cliënt geen schuld treft. Hier speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een rol. Als bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico moet in de opstalverzekering gedekt worden. Als vervolgens brand uitbreekt en blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Lid 9 onder g De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt.
Voor het treffen van voorzieningen die gericht zijn op meerdere ingezetenen, zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten. Lid 9 onder h Van een cliënt mag verwacht worden dat hij bij verhuizingen of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Doet hij dat niet, dan kan het college een voorziening om die reden afwijzen. Bijvoorbeeld als een cliënt gaat verhuizen en het gelet op zijn medische situatie op dat moment voorzienbaar is dat hij beperkingen gaat ondervinden bij het normale gebruik van de woning. Deze bepaling ten aanzien van de voorzienbaarheid biedt dan een grond om geen woonvoorziening toe te kennen. Er mag niet van een cliënt gevraagd worden dat hij reserveert of andere maatregelen treft om te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden, leiden tot een beroep op de Wmo (CRvB 2208-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603). Lid 9 onder i Deze weigeringsgrond volgt al uit de wet, de toevoeging is daarom voor de volledigheid. Lid 10 onder a Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen Pagina 34 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder weg te laten nemen. Een uitzondering is ook mogelijk als er gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt geen zicht is op opheffing van de gebreken binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek. Lid 10 onder b Het college treft alleen een voorziening in of aan een woning waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de cliënt over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co-ouderschap. In dat geval kan een cliënt twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel moeder als vader. Lid 10 onder c Op basis van deze bepaling hoeft het college geen woningen aan te passen aan de beperkingen van een tijdelijk verblijvende bewoner. Hierbij kan gedacht worden aan het verblijf in hotels/pensions, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen. Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar compensatieplicht. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing, zoals een verhuiskostenvergoeding.
Het categorisch uitsluiten van aanpassingen in woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning, is toegestaan volgens rechtbankuitspraken (ECLI:NL:RBARN:2008:BH0126 en ECLI:NL:RBROE:2010:BM6304). Lid 10 onder d Het college verstrekt geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen. Dit is een verbijzondering van de bepaling in artikel 9B lid 9g. dat de voorziening niet overwegend op het individu gericht is. Omdat de gemeente wel verplicht is om de beperkingen van de cliënt te compenseren, kan er in de situaties waarin een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte wordt geweigerd wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. BAT methodiek Om de toegankelijkheid van woningen te classificeren, hebben de woningcorporaties alle woningen in hun bestand ingedeeld volgens de BAT-methodiek (Bouw Advies Toegankelijkheid). Door deze methodiek te gebruiken is het voor de toegangsmedewerker Wmo duidelijk of een woning geschikt is voor mensen met een mobiliteitsbeperking. Woningen die behoren tot de intramurale zorg vallen buiten de wetgeving van de Wmo. De BAT-methodiek kent de volgende scores: BAT-score 0: Niet geschikt voor wonen met een mobiliteitsbeperking, (géén bijzondere toegankelijkheid). BAT-score 1: Wandelstokgeschikt. Gelijkvloerse woning. BAT-score 2: Rollator bewoonbaar. BAT-score 3: Rolstoel bewoonbaar.
BAT-score 4: Geschikt voor verpleegzorg thuis. Extra ruime rolstoelwoning. De rolstoel- en rollator bewoonbare woningen (BAT 2 en 3) zijn standaard voorzien van: - een douchevloer op afschot; - deuropeners bij de toegangsdeuren en - drempelhulpen (of afwezigheid van dorpels) naar alle kamers. Deze aanpassingen zijn al door de woningcorporaties aangebracht of meegenomen in de bouw c.q. renovatie en worden bij deze woningen niet vanuit de Wmo betaald. Specifieke Wmo aanpassingen, zoals een onderrijdbare keuken of stomawastafel worden bij BAT 2 en 3 woningen wel vanuit de Wmo gerealiseerd en betaald. Pagina 35 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025
Bij de BAT-methodiek is de bereikbaarheid of toegankelijkheid van het balkon of de tuin niet meegenomen. In de Wmo is opgenomen dat toegang tot het balkon of de tuin wel mogelijk moet zijn. In voorkomende gevallen wordt maatwerk toegepast. Lid 10 onder e Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 WMO).
Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Lid 10 onder f Als een cliënt verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste of eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente inwoners goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat sprake is van een verhuizing naar de voor de situatie van cliënt meest geschikte woning. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien cliënt verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen.
Onder deze omstandigheden is het aan de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was. Dit volgt uit CRvB 13-04-2011, nr. 09/3047 WMO e.a. Lid 10 onder g Er worden geen voorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Lid 11: Voor een aantal vervoersvoorziening is een adequate stalling (met stroomvoorziening) noodzakelijk, denk aan een scootmobiel. Het college dient te onderzoeken of de cliënt in aanmerking komt voor een scootmobiel. De gemeente dient dan ook te onderzoeken of de cliënt de scootmobiel kan stallen. Kan dat niet dan is het college verantwoordelijk voor het realiseren van een stalling en stopcontact. Het kan zijn dat een stalling niet te realiseren is. In dat geval kan het indiceren van een scootmobiel geweigerd worden. De gemeente moet dan wel onderzoeken of zij het participatieprobleem van de cliënt kan oplossen op een andere manier. Het college kan overigens ook beoordelen of de scootmobiel buiten onder een overkapping kan staan. Of dat wellicht een hoes over de scootmobiel voldoende is. In dat geval kan het college kiezen voor de goedkoopst compenserende oplossing. Pagina 36 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025
Artikel 10. Toegang en besluit Lid 1 Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Een maatwerkvoorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek dat na de melding heeft plaatsgevonden, de door de cliënt ingediende aanvraag en de van toepassing zijnde criteria voor de maatwerkvoorziening. Lid 2 Deze bepaling regelt dat van een cliënt wordt verwacht dat binnen 3 maanden de indicatie wordt ‘verzilverd’ door zich te melden bij de aanbieder of het pgb te besteden. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig gewijzigd is, dat eigenlijk een nieuwe beoordeling nodig is. Voldoet de cliënt niet aan deze voorwaarde, dan kan dit aanleiding zijn om de maatwerkvoorziening in te trekken. De cliënt voldoet dan niet aan de voorwaarden verbonden aan de maatwerkvoorziening of het pgb (artikel 2.3.10 van de wet). Artikel 11. Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel staat wat in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen. Artikel 12.
Soorten pgb In dit artikel wordt onderscheid gemaakt naar een persoonsgebonden budget voor de inkoop van diensten zoals begeleiding en huishoudelijke ondersteuning, en een persoonsgebonden budget voor overige voorzieningen (zaken), omdat er in de verordening verschillende eisen worden gesteld per categorie. De betaling van een pgb voor een dienst wordt door de SVB gedaan. De pgb voor een zaak betreft een eenmalige betaling die rechtstreeks door het college wordt betaald. Artikel 13. Regels voor een pgb ten behoeve van inkoop van diensten Lid 1 Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, is het college hier zelfs toe verplicht. Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij op grond van deze verordening een budgetplan opstellen. In lid 1 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken volgen rechtstreeks uit de wet. De Wmo 2015 noemt in artikel 2.3.6. namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Lid 2: In het budgetplan is in elk geval opgenomen: a. wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen; b.
welke voorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder; c. hoe de onderbouwde begroting eruit ziet, de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; d. op welke wijze de cliënt een juiste administratie gaat bijhouden; e. op welke wijze de cliënt een overeenkomst aangaat met de pgb-aanbieder;
Pagina 37 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 f. g. h. i. j. k.
of de voorziening voldoet aan alle kwaliteitseisen die het college stelt aan de voorziening in natura en als dit niet het geval is waarom de voorziening volgens cliënt toch van voldoende kwaliteit is; op welke wijze is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor de te behalen doelen en resultaten waarvoor het pgb wordt verstrekt. Voor de diensten geldt aanvullend de eis genoemd in lid 3; op welke wijze de (kwaliteit) van de ondersteuning wordt gecontroleerd; hoe hij omgaat met geconstateerde onjuistheden; hoe de cliënt zelf of met ondersteuning van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; indien van toepassing: wie hij heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren, ook aan deze behartiger zijn dezelfde voorwaarden gebonden als aan de pgb-houder.
In aanvulling geldt voor diensten dat in het budgetplan in ieder geval omschreven staat: a. wie de directe zorgverlener(s) is; b. wat de deskundigheid is van de directe zorgverlener(s); c. wie de directe zorgverlener(s) kan vervangen bij afwezigheid en de deskundigheid van deze vervanger; d. op welke wijze de cliënt de zorgverlener aanstuurt in de praktijk. Lid 3 In lid 3 zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening en voor diensten geldt aanvullend dat het pgb alleen bedoeld is voor direct cliëntgebonden tijd. Lid 3j Direct cliëntgebonden tijd De volgende werkzaamheden vallen onder direct cliëntgebonden tijd: Bij begeleiding en groepsbegeleiding: • Face-to-face contact met de cliënt of bijv. uren aanwezigheid van de cliënt op de dagbesteding; • Opstellen van het ondersteuningsplan; • Telefonisch overleg met de cliënt; • Elektronisch contact zoals e-mail, chat, beeldbellen en dergelijke met de cliënt (via een beveiligde server); • Begeleiding bij het doorlopen van een e-health module; • Contact met het sociale netwerk en uitbreiding van dit netwerk waar nodig (professionals behoren normaal niet tot dit netwerk). Bij huishoudelijke ondersteuning: • de uren die daadwerkelijk worden besteed aan de huishoudelijke taken.
Indirect cliëntgebonden tijd • Het voorbereiden van een activiteit; • Verslaglegging; • Reistijd: is in het uurtarief inbegrepen in de vorm van een opslag; • Pauzes: is in het uurtarief inbegrepen in de vorm van een opslag. Niet cliëntgebonden tijd Alle activiteiten die niet direct of indirect aan individuele cliënten zijn toe te rekenen. Voorbeelden van niet-cliëntgebonden tijd zijn managementtaken, beleidsoverleg, commissies/werkgroepen, deskundigheidsbevordering geven/ontvangen, opleidingsactiviteiten geven/ontvangen; Pagina 38 van 50
Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 wetenschappelijk onderzoek, algemeen werkoverleg, algemene administratie, persoonlijke verzorging en sociale contacten, niet cliëntgebonden reistijd, telefoneren met anderen dan cliënt of zijn/haar netwerk, tijd besteed aan tijdregistratie, overig. De indirect cliëntgebonden tijd en niet cliëntgebonden tijd mag niet worden gedeclareerd omdat deze in het uurtarief al zijn opgenomen. Lid 5 Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke maatwerkvoorziening. Het pgb bevat echter ook een vrij besteedbaar deel. Artikel 14 Regels voor een pgb ten behoeve van inkoop van zaken Lid 2 en 3. De offerte die in lid 2 gevraagd wordt en waar goedkeuring voor is verleend, dient overeen te komen met de factuur. Hierbij is het van belang dat gaat over eenzelfde zaak waarvoor de offerte is uitgebracht. Artikel 15. Weigeringsgronden Pgb Uitwerkingen van kwaliteits- en veiligheidseisen ten aanzien van het pgb kunnen worden vermeld in nadere regels, vigerend Besluit Wmo. Voorbeelden van weigering zijn: i. Een cliënt schulden heeft of in een schuldhulpverleningstraject zit, waaronder tevens begrepen een schuldsanering op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, of; ii.
Op grond van de progressiviteit van het ziektebeeld de aangevraagde voorziening zo snel weer door een aangepaste voorziening vervangen dient te worden dat deze verstrekking zich daardoor niet leent voor een Pgb, of; iii. Indien er sprake is van verslavingsproblematiek. Artikel 16 Onderscheid professionele en informele ondersteuning Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en informele ondersteuning. Voor professionele ondersteuning geldt het hogere pgb-tarief en voor informele ondersteuning geldt over het algemeen een lager tarief. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Van professionele ondersteuning is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De ondersteuning wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (ZZP-er). Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is als de hulpverlener tot het sociaal netwerk van de cliënt behoort. Bij ondersteuning door een persoon uit het sociale netwerk is altijd sprake van informele ondersteuning. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria genoemd in lid 2 van deze bepaling. Dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele ondersteuning.