CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

0.2 Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025

Raad 12 december 2024, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 (Tillie) (Vervallen)24.279 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De achtergrond daarvan is dat ook bijvoorbeeld familieleden of vrienden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Informele ondersteuning is alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk van de cliënt of door personen die niet beroeps of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen. In de praktijk gaat het dan meestal om personen uit het sociale netwerk.

Pagina 39 van 50

Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 Bloedverwanten Bloedverwantschap ontstaat door: • geboorte; • afstamming van dezelfde voorvader; • erkenning; • gerechtelijke vaststelling van het vaderschap; • adoptie. Bloedverwanten zijn in de: Eerste graad: • (adoptie)ouders; • (adoptie)kinderen. Tweede graad: • grootouders; • kleinkinderen; • broers en zussen. Artikel 17. Hoogte pgb In de verordening moet in ieder geval worden bepaald hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn (artikel 2.1.3 lid 2b van de wet). In de Memorie van toelichting is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van goedkoopst compenserende ondersteuning in natura (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39). Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend.

De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst compenserende door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Voor het bepalen van het laagste zorg in natura tarief wordt gebruik gemaakt van de rekentool tarieven Wmo van Actiz, VGN, Berenschot, Zorgthuisnl en de Nederlandse GGZ. Teneinde het pgbtarief te bepalen wordt het laagste zorg in natura tarief verminderd met het percentage overheadkosten zonder opslag op primair proces. Lid 1 a t/m f In het lid 1a tot en met f worden de regels voor de wijze van berekening van de hoogte van de bedragen voor pgb’s voor de maatwerkvoorzieningen aangegeven. Bij de diensten in lid 1a tot en met f maakt de gemeente onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert, professionele ondersteuning of informele ondersteuning. Sub-lid 1a en b Met de twee uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB: ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en ECLI:NL:CRVB:2023:1580) op 16 augustus 2023 is bepaald dat het pgb-tarief voor informele ondersteuning bij Huishoudelijke hulp en individuele begeleiding gebaseerd moet zijn op de hoogste periodiek van CAO VVT. Daarbij moet bovenop berekend worden vakantietoeslag en tegenwaarde van verlofuren. Voor de individuele begeleiding geldt dat de FWG 30 van de CAO VVT gevolgd moet worden voor een minimaal tarief volgens de hoogste periodiek.

Pagina 40 van 50

Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 Dit betekent dat per 1 januari 2025 de pgb-tarieven van huishoudelijke ondersteuning en individuele begeleiding veranderen. Het pgb-tarief informeel voor huishoudelijke ondersteuning gaat omhoog ten opzichte van het pgb-tarief informeel in 2024. Deze kan direct per 1 januari 2025 ingaan. De cliënt wordt niet benadeeld met het nieuwe pgb-tarief informeel. Het pgb-tarief informeel voor individuele begeleiding volgens de cao VVT is lager dan het pgb-tarief van 2024. Per 1 januari 2024 zal dit nieuwe pgb-tarief ingaan voor nieuwe cliënten. Voor cliënten met een lopende indicatie zal een overgangsperiode in 2025 worden ingericht om nieuwe afspraken met de informele ondersteuner te kunnen maken. Lid 2 In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor een zaak, bijvoorbeeld een hulpmiddel, een scootmobiel of woningaanpassing. Het maximale tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven. Als de cliënt aangeeft dat de voorziening voor een lager tarief ingekocht kan worden, mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft met een leverancier, wordt de hoogte van het pgb op offertebasis bepaald. Sub-lid 2a In de huurprijs is rekening gehouden met de aanschafwaarde, de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten.

Voor de technische afschrijving en onderhouds- en verzekeringskosten wordt uitgegaan van een termijn van 7 jaar. Sub-lid 2b Het pgb voor woningaanpassingen wordt vastgesteld aan de hand van het Prijzenboek dat is opgenomen in het vigerende Besluit Wmo. Sub-lid 2d Het pgb voor vervoer wordt afgeleid van de natura-voorziening die hiervoor beschikbaar is, namelijk het collectief vervoer. Lid 3 De pgb-tarieven worden jaarlijks per 1 januari van het lopende jaar geïndexeerd en berekend. Het berekende bedrag wordt rekenkundig afgerond op 2 decimalen na de komma. Artikel 18 Financiële tegemoetkoming In verschillende uitspraken heeft de CRvB aangegeven dat de definitie van maatwerkvoorziening in artikel 1.1.1 Wmo 2015 ruim genoeg is om ook een financiële tegemoetkoming te kunnen omvatten (CRvB 12-2-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:395, CRvB 12-2-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:396,CRvB 27-3-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1166). De grondslag van de financiële tegemoetkoming is niet artikel 2.1.7 Wmo 2015. In dat artikel is de tegemoetkoming in de meerkosten geregeld, welke regeling een algemeen inkomensondersteunend karakter heeft. De hoogte van de financiële tegemoetkoming moet dusdanig zijn dat het een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager. De tegemoetkoming hoeft dus niet kostendekkend te zijn, maar moet wel in de buurt komen van de daadwerkelijk gemaakte kosten.

Hoofdstuk 4: Bijdrage in de kosten

De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. In dit hoofdstuk zijn de regels over deze bijdrage in de kosten opgenomen. Artikel 19. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s Lid 1 Het college vraagt een bijdrage in de kosten aan de cliënt, zolang hij gebruik maakt van de maatwerkvoorziening of het pgb. Pagina 41 van 50

Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 Lid 2 Aan jeugdigen tot 18 jaar kan uitsluitend een bijdrage in de kosten worden opgelegd voor een woningaanpassing. Voorwaarde voor het kunnen vragen van deze bijdrage in de kosten, is dat dit door de gemeenteraad als zodanig in de verordening is bepaald. Artikel 20. Hoogte bijdrage in de kosten Lid 1 In lid 1 is geregeld voor welke maatwerkvoorzieningen het zogenaamde abonnementstarief per maand geldt. Uit de wet volgt dat het abonnementstarief verplicht is voor algemene voorzieningen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de betrokken hulpverlener. Bij een duurzame hulpverleningsrelatie is er in belangrijke mate sprake van persoonlijke hulpverlening, is arbeid verreweg de grootste kostencomponent, is de continuïteit van de band tussen cliënt en hulpverlener belangrijk voor de ondersteuning van de cliënt en wordt er langdurig gebruik gemaakt van de voorziening. Voorbeelden zijn begeleiding en huishoudelijke hulp. Het abonnementstarief is verder verplicht voor alle maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van een rolstoel, beschermd wonen, de maatwerkvoorziening opvang of andere bij algemene maatregel van bestuur omschreven maatwerkvoorzieningen. Op grond van het uitvoeringsbesluit is er voor een rolstoel geen bijdrage verschuldigd.

Daarnaast kan het vervoer op grond van het uitvoeringsbesluit worden uitgezonderd van het abonnementstarief. Het gaat hierbij in de meeste gevallen om collectief vervoer en in enkele gevallen individueel vervoer. Het gaat niet om (mobiliteits)hulpmiddelen zoals een aangepaste fiets of een scootmobiel. Reden voor deze uitzondering is dat er bij deze vormen van vervoer per rit lage prijzen worden gevraagd en het gebruik in veel gevallen incidenteel is. In lid 2 is daarom een afzonderlijke bepaling opgenomen over de hoogte van de bijdrage in de kosten voor het vervoer. De bijdrage voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen in lid 3 wordt vastgesteld conform het uitvoeringsbesluit. Vanaf 2020 hoeft er, vanwege de invoering van het abonnementstarief, niet meer voor alle voorzieningen gecontroleerd te worden of de bijdrage de kostprijs te boven gaat. In lid1 is geregeld voor welke voorzieningen deze controle nog wel geldt. In lid 2, lid 3 en lid 4 is uitgelegd hoe de kostprijs tot stand komt. Lid 7 Het college moet in de verordening bepalen door welke instantie de bijdrage voor een maatwerkvoorziening voor opvang wordt vastgesteld en geïnd. Veelal is dat de aanbieder van de voorziening.

Artikel 21 Anti-speculatiebeding De bedoeling van deze afschrijvingsregeling is het beperken van winst op door de gemeente verstrekte en betaalde woningaanpassingen, bij verkoop binnen een bepaalde termijn nadat deze aanpassingen zijn gerealiseerd.

Hoofdstuk 5: Bestrijding misbruik

Artikel 2.1.3 van de wet verplicht de gemeente om bij verordening regels vast te stellen in verband met de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In dit hoofdstuk wordt hier uitvoering aan gegeven.

Pagina 42 van 50

Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 Artikel 22. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening Om niet-gebruik, misbruik en oneigenlijk gebruik van een maatwerkvoorziening in natura of een pgb te voorkomen is het allereerst van belang dat de cliënt op de hoogte is van zijn rechten en plichten. Op basis van dit artikel wordt de cliënt hier op een zo begrijpelijk mogelijke manier over geïnformeerd. Schriftelijke informatie wordt op B1-niveau aangereikt. Het college heeft vervolgens de mogelijkheid om periodiek te onderzoeken of er aanleiding is om de beslissing om een maatwerkvoorziening in natura of een pgb te verstrekken te heroverwegen (artikel 2.3.9 van de wet). Als hier aanleiding toe is, kan het college op grond van artikel 2.3.10 van de wet de beslissing vervolgens herzien of intrekken. Als het college een beslissing intrekt omdat de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, dan kan het college overgaan tot het vorderen van geldswaarde van de ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening in natura of pgb (artikel 2.4.1 lid 1 van de wet).

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Lid 1 Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s gaat als het goed is een poging dit te ‘voorkomen’ vooraf. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de cliënt en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen. Lid 2, lid 3 en lid 5 Het, tweede, derde en vijfde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Hierbij is onder lid3 f opgenomen dat een voorziening kan worden ingetrokken indien een cliënt niet verantwoord gebruik maakt van de maatwerkvoorziening of het pgb. Lid 4 Het vierde lid is een ‘kan’-bepaling.

Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen drie maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet). Lid 6 en lid 7 In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen: ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ In het zesde en zevende lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen.

Pagina 43 van 50

Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 Lid 8 Lid 8 onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s. Net als artikel 22 lid 1 t/m 7 betreft deze bepaling grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Op grond van artikel 2.3.9 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning. Het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 van de wet biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is dit lid toegevoegd. Op grond van deze bepaling moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 2.3.9 ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of: - de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt; - de besteding op een rechtmatige manier gebeurt; - de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is.

Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder. Lid 9 Verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering is alleen mogelijk wanneer de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien (artikel 4:93 lid 1 Awb). Deze voorziening is getroffen in artikel 3.3 lid 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Dat artikel geeft het college de bevoegdheid tot het verrekenen van een vordering op grond van de Wmo 2015 met vorderingen op grond van de Wmo (2007) of de Participatiewet. De verrekeningsbevoegdheid in het uitvoeringsbesluit beperkt zich (waarschijnlijk) tot de bijdrage in de kosten en is in het bijzonder opgenomen om de bijdrage voor opvang te kunnen verrekenen met een bijstandsuitkering. Om ook andere vorderingen op grond van de Wmo 2015 te kunnen verrekenen, bijvoorbeeld in het geval van een terug te vorderen pgb, is de bepaling van lid 9 in dit artikel opgenomen. Artikel 23.

Opschorting betaling uit pgb Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, in combinatie met artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, en wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s te bestrijden. In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de wet). Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat: 1) de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; 2) de cliënt niet voldoet aan de aan het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden; 3) de cliënt het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.

Pagina 44 van 50

Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de cliënt niet langer voldoende in staat is op eigen kracht, dan wel met ondersteuning uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wet langdurige zorg. Op grond van het tiende lid kan het college de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als de cliënt langer dan 4 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een cliënt tijdelijk geen gebruik van een maatwerkvoorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de maatwerkvoorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien. Artikel 24 Terugvordering pgb bij de pgb-aanbieder (derdenbeding in overeenkomst met cliënt) Het college kan onder omstandigheden ook rechtstreeks de zorgverlener aanspreken. In de zorgovereenkomst tussen de cliënt en de aanbieder/zorgverlener moet namelijk een zogenaamd 'derdenbeding' zijn opgenomen (artikel 2a lid 2 onderdeel c van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015). Hiermee heeft het college een contractuele mogelijkheid om zorgverleners aan te spreken tot terugbetaling van het bedrag dat ten onrechte ten laste van het pgb is betaald aan die zorgverlener. De onterechte betaling moet wel zijn veroorzaakt door toerekenbaar handelen van die zorgverlener. Een derdenbeding is nodig omdat geen directe relatie tussen de pgb-verstrekker (het college) en de zorgverlener bestaat. Het pgb wordt immers verstrekt aan de budgethouder, die zelf de overeenkomst sluit met de zorgverlener.

Door verplichte opname van het derdenbeding worden budgethouders die te goeder trouw zijn en niets te verwijten valt, ontlast. De mogelijkheid om de zorgaanbieder contractueel aan te spreken bestaat naast de mogelijkheid om de zorgaanbieder aan te spreken op grond van artikel 2.4.1 van de Wmo 2015. Het college heeft op grond van dit artikel ook de mogelijkheid om terug te vorderen van degene die opzettelijk zijn of haar medewerking heeft verleend aan het onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens. Dat kan ook de zorgverlener zijn. Voorwaarden voor een beroep op het derdenbeding Het college heeft een vordering op de zorgverlener op grond van het derdenbeding indien is voldaan aan een tweetal voorwaarden: 1. het college heeft het pgb ingetrokken of herzien; en 2. de intrekking of herziening is het gevolg van het toerekenbaar handelen van de zorgverlener. Geen terugvordering bij cliënt Indien het college besluit tot terugvordering bij de zorgverlener dan zal de cliënt niet geconfronteerd worden met een terugvordering. Pagina 45 van 50

Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 Artikel 25. Verrekening Verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering is alleen mogelijk wanneer de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien (artikel 4:93 lid 1 Awb). Deze voorziening is getroffen in artikel 3.3 lid 3 van het uitvoeringsbesluit. Dat artikel geeft het college de bevoegdheid tot het verrekenen van een vordering op grond van de Wmo 2015 met vorderingen op grond van de Wmo (2007) of de Participatiewet. De verrekeningsbevoegdheid in het uitvoeringsbesluit beperkt zich (waarschijnlijk) tot de bijdrage in de kosten en is in het bijzonder opgenomen om de bijdrage voor opvang te kunnen verrekenen met een bijstandsuitkering. Om ook andere vorderingen op grond van de Wmo 2015 te kunnen verrekenen, bijvoorbeeld in het geval van een terug te vorderen pgb, is de bepaling in dit artikel opgenomen.

Hoofdstuk 7: Kwaliteit en veiligheid

De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen ligt bij de gemeente en de aanbieders. De gemeente moet in de verordening regelen welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). Ook is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen die een goede verhouding waarborgen tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening (artikel 2.6.6 van de wet). In dit hoofdstuk wordt hier invulling aan gegeven. Artikel 26. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning De gemeente moet in de verordening bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan de aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). De regering heeft benadrukt dat de kwaliteitseisen die de wet zelf stelt aan aanbieders (in de artikelen 3.1 e.v. van de wet) daarbij uitgangspunt zijn (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 135). De eis dat een voorziening van goede kwaliteit moet zijn, biedt veel ruimte voor gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

In lid 1 zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Op grond van lid 2 kan het college dit verder uitwerken door nadere regels te stellen. Het in lid 4 genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1 lid 1 van de wet. Artikel 27. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Algemeen Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een maatwerkvoorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen (artikel 2.6.6, lid 1 van de wet). In artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is uitgewerkt wat hierin van de gemeente wordt verwacht. Doel is dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die derden verlenen in opdracht van het college. De verplichting in het uitvoeringsbesluit om een reële prijs te hanteren, ziet alleen op diensten. Het kan daarbij zowel gaan om diensten in het kader van een algemene voorziening als diensten in het kader van een maatwerkvoorziening. Het college moet bij de prijsstelling o.a. rekening houden met de continuïteit in de ondersteuning. Die specifieke eis geldt alleen voor diensten in het kader van een maatwerkvoorziening.

In het uitvoeringsbesluit is uitgewerkt welke kostprijselementen de gemeente in ieder geval moet meenemen om te kunnen spreken van een vaste of reële prijs. Die kostprijselementen zijn ook vermeld in deze verordening (lid 2 en 3).

Pagina 46 van 50

Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 Voor de uitvoeringspraktijk zijn handreikingen2 over de normering van kostprijselementen beschikbaar die colleges en aanbieders kunnen toepassen om te komen tot een reële prijs. Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht. Hieronder vallen loonkosten en andere kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college moet zich dus een beeld vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing. Daarmee gelden die bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector.

Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van het college evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten, een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, reis- en opleidingskosten, indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het vaststellen van een reële prijs door het college heeft pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs moet gebruiken. De vastgestelde reële prijs moet daarvoor zijn plaats krijgen in de inkoopprocedure en in de overeenkomst met de derde. Het college moet de overheidsopdracht gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving (op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet).

In de inkoopstrategie wordt vastgelegd of er sprake is een aanbestedingsprocedure conform de Aanbestedingswet 2012 (meervoudig onderhands, openbare aanbesteding) of een (semi) open house. Bij semi (open) house is de Aanbestedingswet niet van toepassing en is er formeel geen sprake van een overheidsopdracht. Een cliënt heeft nl. keuzevrijheid uit de gecontracteerde aanbieders. Overigens kan het college in afwijking hiervan een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4 lid 3 van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis, zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb).

De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college moet ongeldige inschrijvingen ter zijde leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de 2 Bijvoorbeeld Handreiking aanbesteding Wmo, de wet Basistarieven en als onderdeel daarvan het Hulpmiddel

onderbouwing bepaling tarief. Publicatie ActiZ, Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2013 en de Code verantwoordelijk marktgedrag thuisondersteuning (Kamerstukken II 2014/15, 34 104, nr. 70, blg-576970).

Pagina 47 van 50

Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Het is dus van belang om de reële prijs goed en objectief te onderbouwen. Deze artikelen vormen een ‘lex specialis’, i.e. een wet die voorrang krijgt boven de algemene wetgeving, ten opzichte van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012. Lid 1 In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Lid 2 Bij het vaststellen van de prijs moet het college rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht.

Het college moet ook rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeente. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt als de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Lid 3 Het college moet de vaste prijs of de reële prijs voor diensten minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. Lid 4 Hierin is een bepaling opgenomen over de prijs-kwaliteitverhouding van andere voorzieningen dan diensten, bijvoorbeeld hulpmiddelen. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit is hierop niet van toepassing. Artikel 28. Meldingsregeling calamiteiten en geweld De aanbieder moet bij de toezichthoudend ambtenaar onverwijld melding doet van iedere calamiteit en van geweld die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden. Het college kan een of meerdere toezichthouders aanwijzen die toezicht houden op de naleving van de wet (artikel 6.1 van de wet).

In aanvulling hierop regelt dit artikel dat het college een regeling opstelt over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Hoofdstuk 8: Klachten en medezeggenschap

Dit hoofdstuk bevat een verplichting voor de aanbieders om te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten en voor de medezeggenschap van cliënten. Ook wordt er invulling gegeven aan de manier waarop ingezetenen van de gemeente, waaronder cliënten en hun vertegenwoordigers, inspraak hebben in de uitvoering van de wet door de gemeente.

Pagina 48 van 50

Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025 Artikel 29. Klachtregeling In lid 1 is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Op grond van de wet (artikel 2.1.3 lid 2 onder e) is het verplicht in de verordening te bepalen voor welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of een gebrek aan deskundigheid. Daarvoor staat de klachtenprocedure van de gemeente open. Is de cliënt echter niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan moet hij zich in beginsel tot die aanbieder wenden. Artikel 30. Medezeggenschap bij aanbieders In de verordening moet staan voor welke voorzieningen een regeling vereist is voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn (zie artikel 2.1.3 lid 2 onder f van de wet). Dit is uitgewerkt in lid 1 van deze bepaling.

In lid 2 staan een aantal instrumenten die het college kan inzetten om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd (toezicht op naleving). Artikel 31. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting in artikel 2.1.3 lid 3 van de wet om in de verordening te bepalen op welke manier ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de wet. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Inbreng van cliënten en hun vertegenwoordigers wordt echter extra aangestipt. Zij weten door hun ervaring immers als geen ander welke drempels er zijn en hoe deze weggenomen kunnen worden. Daarom is het van belang dat zij al vanaf het begin van de beleidsontwikkeling volledig worden betrokken. Daarbij moet onder andere gelet worden op de diversiteit van de doelgroep. Met lid 3 wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Dit gebeurt met de vaststelling door de gemeenteraad van de Leidraad Doorontwikkeling participatie, het Participatiekader 2023 en de Participatieverordening SittardGeleen.

Hoofdstuk 9: Waardering mantelzorgers

De gemeenteraad moet bepalen op welke manier het college zorgt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. In dit hoofdstuk wordt hier invulling aan gegeven. Artikel 32. Jaarlijkse waardering mantelzorgers In deze bepaling staat hoe de jaarlijkse waardering is geregeld die de gemeente geeft aan mantelzorgers. Het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente (zie artikel 2.1.6 van de wet). Die mantelzorgers hoeven zelf dus niet in de gemeente te wonen. Verder is het begrip ‘cliënten’ breder dan alleen personen gebruik maken van Wmo-ondersteuning. Het kan ook gaan om personen die zich ooit gemeld hebben, maar waar geen Wmo-voorziening is uitgekomen. Wellicht mede dankzij de inzet van de mantelzorger. Ook die mantelzorgers kunnen in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering. De invulling van de mantelzorgwaardering wordt aangegeven in het vigerende Besluit Wmo.

Pagina 49 van 50

Verordening Wmo gemeente Sittard-Geleen 2025

Hoofdstuk 10: Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 33. Geen bepalingen Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om in alle niet voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken. Artikel 34. Hardheidsclausule In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening (niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken cliënt. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule betreft een uitzondering en geen regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken. Het is aan de cliënt om te onderbouwen dat sprake is van duidelijk onrecht. Artikel 35. Intrekking oude verordening en overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht geregeld. In lid 2 is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten en plichten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Op basis van lid 3 worden aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld.

In het vierde lid is bepaald dat er 3 maanden recht blijft bestaan op het bedrag van het pgb 2024 voor cliënten met een maatwerkvoorziening Huishoudelijke ondersteuning, Begeleiding individueel en groepsbegeleiding indien dit bedrag hoger is dan het nieuwe pgb-bedrag in 2025, en indien de einddatum van de maatwerkvoorziening nog niet is bereikt. Op basis van lid 5 wordt op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Wmo 2022-1 gemeente Sittard-Geleen beslist op basis van die verordening. Artikel 36. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening wordt aangehaald.

Pagina 50 van 50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=31249fe2-2cf1-4f8e-8128-e16038b1753f