5. Bijlage 1 RES 1.0 Zuid-Limburg, 16 maart 2021.pdf
Tekst van het document
Deze benuttingspercentages zijn bepalend voor de hoeveelheid duurzame energie die in de periode 2020-2030 opgewekt kan worden en voor het daarop gebaseerde bod voor Westelijke Mijnstreek. De zoekgebieden in de Westelijke Mijnstreek zijn op de volgende kaart weergegeven (figuur 7.4).
RES 1.0 Zuid-Limburg
67
Figuur 7.4: Zoekgebieden sub-regio Westelijke Mijnstreek Hieronder zijn de afwegingskaders en zoekgebieden per gemeente nader beschreven.
7.2.2. Onderbouwing bod Gemeente Beek (afwegingskader en zoekgebieden) Het afwegingskader grootschalige opwek zonne-energie voor de gemeente Beek voor de periode 2020-2030 is gebaseerd op de doelen, het beleid en de argumenten die geformuleerd zijn in het document ‘Omgevingsbeleid voor zonneparken in de gemeente Beek, RES-elektriciteit 2020-2030’ van de Raadswerkgroep Energietransitie Beek: Doelen • De gemeente Beek heeft een dubbele opgave als het gaat om de energietransitie, namelijk enerzijds voldoen aan de afspraken die internationaal, nationaal en regionaal zijn gemaakt en anderzijds voldoen aan de eigen ambities, namelijk het realiseren van een gezonde en duurzame toekomst voor de Beekse inwoners. Daarnaast is de gemeente ook verantwoordelijk voor onlosmakelijke raakvlakken met dit onderwerp, zoals het landschap, de natuur, het milieu en de ruimtelijke ordening. • De gemeente Beek wil op termijn zoveel mogelijk energieneutraal worden. Dit volgt mede uit de Beekse ‘Toekomstvisie 2010 – 2030’. Bij de realisatie van haar ambities wil de gemeente duurzaam zijn in elke vorm van dienstverlening en beleidsontwikkeling. Bij de inrichting van een gebied en het realiseren van een aangename woon- en leefomgeving is duurzaamheid een belangrijk sleutelwoord.
RES 1.0 Zuid-Limburg
68
Beleid: • Om de Beekse toekomstvisie te realiseren is begin 2017 het Klimaat- en energiebeleidsplan 2017-2023 ‘De knop om!’ door de Beekse gemeenteraad vastgesteld. In dit beleidsplan zijn de ambities met betrekking tot klimaat- en energiebeleid geformuleerd en geprioriteerd. Eén van de belangrijkste ambities is het grootschalig opwekken van duurzame energie met behulp van zon-pv systemen. Grootschalig, om naast de kleine ontwikkelingen ook snelle stappen te kunnen zetten richting de vastgestelde doelstellingen en ambities. • Voor het bepalen van geschikte locaties voor zonneparken binnen de gemeente Beek is in eerste instantie de constructieve zonneladder en de provinciale zonneladder als uitgangspunt genomen. Deze zonneladders zijn vervolgens gespiegeld aan het grondgebied van de gemeente Beek, waarbij een gebieds- en landschapsanalyse is uitgevoerd. Op basis van deze analyse is de Beekse zonneladder opgesteld (met stappen in plaats van treden). Deze zonneladder bestaat uit drie stappen, gericht op een ‘voorkeursgebied’, een ‘uitsluitingsgebied’ en een ‘zoekgebied’. Aansluitend hierop zijn voorwaarden gesteld voor zonneparken in het zoekgebied. • Uiteraard is wet- en regelgeving van toepassing. Zonnepanelen kunnen niet overal geplaatst worden. Denk bijvoorbeeld aan het luchthaventerrein en de directe nabijheid daarvan.
Ook is wetgeving van toepassing ten aanzien van geluid, de afstand van een omvormer/transformator tot woningen en dergelijke. Tot slot moet rekening worden gehouden met redelijke eisen van welstand (Welstandsnota) aangaande de kleurstelling en het materiaalgebruik van hekken, transformators, verdeelstations, etc. Belangrijkste argumenten De belangrijkste argumenten voor de realisatie van grootschalige duurzame energie zijn: • het grote maatschappelijke belang van de opwek van duurzame energie om bij te dragen aan de (internationale), regionale en lokale doelstellingen op het gebied van duurzaamheid; • het grote maatschappelijke belang voor de regionale leveringszekerheid en betaalbaarheid van energie door landelijke spreiding van duurzame opwek (bijvoorbeeld beperking maatschappelijke kosten); • het relatief geringe ruimtebeslag van zonneparken in verhouding tot de totale omvang van bijvoorbeeld de landbouwgrond binnen de gemeente Beek; • het flexibele karakter en de omkeerbaarheid/tijdelijkheid van zonneparken. Op (lange) termijn is ander gebruik van de grond mogelijk, mits voldaan wordt aan de randvoorwaarden uit het beleidsplan. Daarbij gaat het o.a. om de continuering van de natuurcompensatie (mits van toepassing) waardoor kwaliteitsverbetering voor het gebied ontstaat; • de kwaliteitsverbetering die middels het inrichten van groene zones, natuurontwikkeling e.d.
kan worden gerealiseerd, bij het ontwikkelen van zonneparken op percelen met een lage of gemiddelde omgevings-kwaliteit. Randvoorwaarden/uitgangspunten • De voorkeur heeft de opwek van duurzame energie in bebouwd gebied en langs of op infrastructurele werken. Meervoudig grondgebruik, zoals bijvoorbeeld industrie, wonen en parkeren in combinatie met opwekking van zonne-energie, geniet de voorkeur boven zonneparken op landbouwgebied. Natuurgrond is uitgesloten (goud-, zilvergroene natuurzones, NATURA 2000-gebieden, waterwingebieden, etc.); • Parken dienen zo te worden ingericht dat er geen onomkeerbare ontwikkeling plaatsvindt. Met andere woorden, het oorspronkelijke grondgebruik moet na beëindiging van het zonnepark weer mogelijk zijn of er moet een hogere kwaliteit gerealiseerd worden. Natuurcompensatie blijft natuur, ook na beëindiging van het zonnepark; RES 1.0 Zuid-Limburg
69
•
De ontwikkeling van grondgebonden zonne-energie binnen en buiten de bebouwde omgeving en zonne-energie op of aan gebouwen loopt parallel aan elkaar (in beginsel zonder volgtijdelijkheid). De gemeenteraad geeft de volgtijdelijkheid aan van de verschillende zoekgebieden.
Afwegingskader en zoekgebieden windenergie t/m 2030 In verband met de beperkingen die samenhangen met wettelijke afstanden tot bebouwing, een vliegzone en zones rondom leidingen, kabels en wegen, kunnen binnen de gemeente Beek geen potentiegebieden voor windenergie worden aangewezen. In de gemeente Beek zijn daarom geen windturbines mogelijk. Afwegingskader en zoekgebieden grootschalige zonne-energie t/m 2030 Voor grootschalige zonne-energie geldt in Beek het volgende: • Zon op daken (groter 285 m2) In 2030 zijn circa 60.000 zonnepanelen aan of op bedrijven gerealiseerd. • Zonnepark en parkeerplaats Veel bestaande parkeerplaatsen hebben een groot ruimtebeslag in het stedelijk gebied en hebben een enkelvoudige functie. Door deze locaties te overkappen met zonnepanelen kan deze ruimte efficiënter en meervoudig worden gebruikt. Een aantal parkeerterreinen heeft al een dubbele functie, bijvoorbeeld als evenemententerrein, terras, etc. Daarnaast zijn parkeerplaatsen in bebouwd gebied vaak gesitueerd nabij woningen en winkels. Op deze locaties is overkappen met zonnepanelen vaak niet mogelijk. • Zonnepark en oude stortplaats Een oude stortplaats is voor weinig andere gebruiksfuncties geschikt. Door een stortplaats met zonnepanelen te bekleden, wordt een ‘verloren locatie’ weer nuttig gebruikt.
Deze toepassing geeft bovendien een duurzamer karakter aan een oude stortplaats en verbetert het imago van het gebied. Opgemerkt dient te worden dat verschillende stortplaatsen in het verleden al voorzien zijn van begroeiing e.d. en dat kwaliteitsverbetering al heeft plaatsgevonden. • Zonnepark en landbouw Voor landbouwgrond gaat Beek uit van een benutting van ca. 2,5% van alle landbouwgrond op het grondgebied van de gemeente Beek gedurende ca. 25 tot 30 jaar. In 2030 zijn ca. 35 ha zonneparken gerealiseerd binnen en buiten de bestaande bebouwing. De Beekse zonneladder onderscheidt voorkeursgebieden, uitsluitingsgebieden en zoekgebieden. Hieronder worden deze gebieden toegelicht: Voorkeursgebieden: De stedelijke gebieden zijn voorkeursgebieden voor zonnepanelen, omdat dit mede de ruimtelijke druk op het buitengebied reduceert. Binnen het stedelijk gebied is ruimte op daken en gevels van bestaande woningen, winkels, kantoren en bedrijven en op braakliggende percelen, landbouwpercelen, parkeerterreinen, groenstroken, waterbuffers en gebouwen op bedrijventerreinen. Het bebouwd gebied geniet de voorkeur bij het plaatsen van zonnepanelen uit het oogpunt van zuinig ruimtegebruik en vanwege het (deels) ontbreken van impact op natuur en landschap.
Uitsluitingsgebieden: De belangrijkste criteria die zijn toegepast bij het bepalen van de uitsluitingsgebieden voor grondgebonden zonne-energie in Beek zijn: • Zonering provincie Limburg, POL 2014: NATURA 2000-gebieden, Goudgroene natuurzone, Zilvergroene natuurzone, waterwingebieden en Beekdalen;
RES 1.0 Zuid-Limburg
70
•
• • •
Cultuurhistorische waarden: Beschermde archeologische monumenten/AMK terreinen (archeologische monumenten kaart), Beschermde dorpsgezichten, Beschermde historische buitenplaatsen (landschappelijke afweging), steile hellingen, graften, steilranden, beeklopen; Enkelbestemmingen: Natuur; Dubbelbestemmingen: Waterstaat – waterkering, Waterstaat – stroom voerend rivierbed, Waterstaat – Meanderzone; Waarden: Beschermd dorpsgezicht, Recreatieve ontsluiting, Gebiedsaanduidingen, Vrijwaringszones vaarweg, spoor of weg.
Zoekgebieden: Naast de voorkeursgebieden en uitsluitingsgebieden, blijven in Beek de volgende zoekgebieden over. 1. Zoekgebieden 1: Zoekgebieden waar vooraf gezien geen speciale voorwaarden gelden, anders dan een goede ruimtelijke ordening, een goede landschappelijke inpassing en een goede ecologische inpassing. Wet- en regelgeving blijft altijd van toepassing, net als de hierboven genoemde randvoorwaarden. Zonneparken in deze gebieden moeten (gezien vanuit woningen) zoveel als mogelijk uit het zicht worden onttrokken. 2. Zoekgebieden 2: Zoekgebieden met als voorwaarde dat naast een goede ruimtelijke ordening, een goede landschappelijke inpassing en een goede ecologische inpassing, de zonneparken zoveel als mogelijk uit het zicht worden onttrokken. Wet- en regelgeving blijft altijd van toepassing, net als de hierboven genoemde randwaarden. 3. Zoekgebieden 3: Zoekgebieden met als voorwaarden dat naast een goede ruimtelijke ordening, een goede landschappelijke inpassing, een goede ecologische inpassing, de zonneparken zoveel als mogelijk uit het zicht worden onttrokken en ook natuurcompensatie van toepassing is (bronsgroene landschapszone, voorwaarden provincie Limburg POL 2014). Wet- en regelgeving blijft altijd van toepassing, net als de hierboven genoemde randwaarden. In de zoekgebieden 1 en 2 kunnen percelen liggen die vallen onder de bronsgroene landschapszone.
Voor deze percelen gelden de voorwaarden uit zoekgebied 3. Bovendien lopen ook beekdalen door de zoekgebieden 1 en 2. Deze zijn uitgesloten voor zonnepanelen. Aanvullingen op Beekse zonneladder Opgemerkt dient te worden dat ook binnen de bebouwde omgeving grootschalige zon-PV gerealiseerd kan worden. Bijvoorbeeld in het gebied tussen Beek en Neerbeek, op eventuele groenstroken met of zonder waterinfiltratie of -opvang op en rond industrieterreinen, op de locatie betonfabriek, op lege percelen nabij de MAKADO, oude stortlocaties, groeves, etc. De inzet van deze gebieden kan de druk op het buitengebied verlagen met minimaal 20 ha (mits economisch haalbaar en mits hiermee toekomstige ontwikkelingen niet worden beperkt).
RES 1.0 Zuid-Limburg
71
De gemeenteraad van de gemeente Beek heeft op 4 februari 2021 bepaald ‘dat de mogelijke aanleg van zonneparken in de zoekgebieden nabij Genhout, Kelmond en Geverik pas op zijn vroegst aan de orde zal zijn ná 1 januari 2025, zodat realisatiemogelijkheden elders eerst verder kunnen worden onderzocht en zonneparken op locaties binnen de voorkeursgebieden (waaronder de luchthaven met omliggende industrieterreinen, de overige industrieterreinen en de terreinen van Rijkswaterstaat) en binnen de zoekgebieden langs de A2 en de A76, de tijd krijgen om zich als eerste te ontwikkelen. Blijkt uit evaluatie en consultatie van de commissie ggz, dat inzet van de overige zoekgebieden tegen die tijd alsnog noodzakelijk/wenselijk is, dan worden deze zoekgebieden na 1 januari 2025 alsnog ingezet voor het behalen van de doelstellingen in 2030, namelijk maximaal 0,05 TWh opwek duurzame elektriciteit per jaar.’
7.2.3. Onderbouwing bod Gemeente Sittard-Geleen (afwegingskader en zoekgebieden) Het afwegingskader grootschalige opwek zon- en windenergie voor de gemeente Sittard-Geleen voor de periode 2020-2030 is gebaseerd op het beleid, de aanpak en de doelen die eerder zijn opgesteld en/of vastgesteld door de gemeente Sittard-Geleen: • De gemeente Sittard-Geleen heeft zich in 2015 na het verdrag van Parijs, tijdens de lokale Klimaattop in Sittard-Geleen, gecommitteerd aan de klimaatverklaring van het Klimaatverbond. Dat houdt in dat de gemeente Sittard-Geleen zich inzet om voor 2050 klimaatneutraal te zijn. In het coalitieakkoord is dit aangescherpt. Op grond daarvan wil Sittard-Geleen energie- en klimaatneutraal zijn in 2040 of zoveel eerder als mogelijk is. • In december 2017 heeft de (toenmalige) gemeenteraad van Sittard-Geleen de ‘Voortgangsrapportage Energiebeleid 2015-2017 en Vooruitblik’ vastgesteld evenals de daaruit voortvloeiende resterende opgave om aan de 20-20-20 doelstellingen te voldoen. • In de Omgevingsvisie Sittard-Geleen is aangegeven dat bedrijventerreinen de zoekgebieden voor windenergie zijn, conform de voorkeursgebieden voor windturbines zoals genoemd in het POL2014. De omgevingsvisie Sittard-Geleen geeft ten aanzien van zonnepanelen aan dat deze worden gezien als een rode (stedelijke) functie die bij voorkeur gecombineerd moet worden met bestaande bebouwing.
Geschikte locaties voor zonnepanelen zijn het bebouwde gebied en de bedrijventerreinen. • De nieuwe coalitie van de gemeente Sittard-Geleen heeft in haar coalitieprogramma 'Samen Duurzaam' uitgesproken een gedegen duurzaamheidsbeleid te willen. Naast de bovengenoemde punten is in het afwegingskader voor Sittard-Geleen rekening gehouden met de uitgangspunten uit het POL2014, de NOVI en de zonneladder van de provincie Limburg. Het afwegingskader in de gemeente Sittard-Geleen volgt in feite het huidige beleid zoals vermeld in de Omgevingsvisie Sittard-Geleen en de zonneladder van de provincie Limburg: Op grond hiervan worden windturbines alleen toegestaan op bedrijventerreinen. Zonneparken worden zoveel mogelijk gerealiseerd op daken en verharde terreinen. Agrarische grond in stad-landzones kan eveneens worden ingezet voor zonneparken, omdat daar volgens het huidige beleid ‘rode elementen’ (zoals zonneparken) in het groen mogelijk zijn. Afwegingskader en zoekgebieden windenergie t/m 2030 Het afwegingskader voor de grootschalige opwek van windenergie in Sittard-Geleen is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: • In de Omgevingsvisie Sittard-Geleen is aangegeven dat bedrijventerreinen de zoekgebieden voor windenergie zijn, conform de voorkeursgebieden windturbines in het provinciale omgevingsplan Limburg (POL2014). Dit sluit aan op de windvisie van de NMF.
• Windturbines moeten volgens de NOVI zoveel mogelijk geclusterd worden.
RES 1.0 Zuid-Limburg
72
•
•
•
•
•
•
De plaatsing van windturbines op grootschalige bedrijventerreinen sluit, zoals het POL aangeeft, aan bij de beleving van de bedrijventerreinen. Windturbines hebben een industriële uitstraling die goed past in het landschap van bedrijven, fabrieken, havens en hoogspanningsleidingen. Het is wenselijk om het ‘groene hart’ open en groen te houden. Dat is het gebied tussen de bestaande bedrijventerreinen (VDL en Chemelot) en de wegen, of te wel tussen Born en Geleen. Er wordt bewust gekozen om mogelijk ervaren hinder van windturbines te concentreren op bedrijventerreinen. Hiermee wordt de leefbaarheid in het landelijke gebied zoveel mogelijk in stand gehouden. Het uitgangspunt is een lijnopstelling met een heldere ritmiek. Dit zorgt voor een herkenbare en rustige aanblik. Landschapsverrommeling en horizonvervuiling wordt tegen gegaan door te kiezen voor de lijnopstelling en niet voor solitaire of zwerm opstellingen. Vanaf drie turbines is sprake van een lijn. Voorkomen moet worden dat turbineopstellingen onderling gaan ‘samenklonteren’. Om dit te voorkomen wordt een onderlinge afstand tussen de lijnopstellingen (iedere lijn minimaal 3 windturbines) aangehouden van minimaal 4 kilometer. Een uitgangspunt is dat wordt aangesloten op grootschalige landschappelijke elementen.
De lijnopstelling volgt (en benadrukt) de elementen in het landschap die van vergelijkbare maat en schaal zijn om zo een logische beleving te borgen. Het Julianakanaal met zijn dijklichamen en opgaande beplanting is zo’n landschappelijk element. Windturbines kunnen niet geplaatst worden waar het niet is toegestaan (vliegzone, zones rondom leidingen en kabels en zones rond woningen en bedrijven). Hiermee blijven (technisch gezien) een beperkt aantal potentiegebieden over.
Op basis van de genoemde uitgangspunten is ervoor gekozen om vast te houden aan het bestaande beleid om alleen windturbines toe te staan op de bedrijventerreinen zoals aangegeven in de Omgevingsvisie Sittard-Geleen. Daarbij moet er wel ruimte genoeg zijn om 3 windturbines op een rij te plaatsen. Bovenstaande keuzes hebben de volgende gevolgen: •
•
De volgende gebieden vallen af: o Graetheide, Lexhy en middengebied tussen de A2 en de dorpen. o Het gebied rondom het Limbrichterbos. De bedrijventerreinen Chemelot en VDL vallen vooralsnog af. De open ruimte op Chemelot en het VDL-terrein is niet beschikbaar vanwege geplande nieuwbouw.
Hiermee blijft alleen bedrijventerrein Holtum-Noord over. Daar zijn binnen de beschikbare ruimte al 3 windturbines gepland. Er is geen ruimte voor meer windturbines. Afwegingskader en zoekgebieden grootschalige zonne-energie t/m 2030 Voor grootschalige opwek zonne-energie in de gemeente Sittard-Geleen voor de periode 20202030 is gekozen voor de volgende zoekgebieden: • Stedelijk gebied en bedrijventerreinen zoals aangegeven in de Omgevingsvisie SittardGeleen: o Dit is bestaand beleid: ‘Zonnepanelen worden gezien als een ‘rode functie’ die bij voorkeur gecombineerd moet worden met bestaande bebouwing. Geschikte locaties voor zonnepanelen zijn het bebouwde gebied en de bedrijventerreinen. Gezien de aard van de bebouwing zal dit in woongebieden veelal kleinschalig zijn. Op bedrijventerreinen kan ook sprake zijn van zonneparken op een grotere schaal.’ o Met name op bedrijventerreinen is veel grootschalige opwek van zon mogelijk vanwege de grote loodsen en talrijke parkeerterreinen. RES 1.0 Zuid-Limburg
73
Stad-Landzones (Landgoederenzone Swentibold en Stad-Landzone De Graven) zoals aangegeven in de Omgevingsvisie Sittard-Geleen. Het gaat daarbij alleen om gronden in deze zones die een agrarische bestemming hebben. En dus niet de gronden in de zones die vanuit de provincie de status goud-, zilver- of bronsgroen hebben en/of in het stedelijk gebied liggen: o In deze Stad-Landzones is beleidsmatig ruimte voor ‘rode elementen’ in een groene omgeving. Aangezien zonneparken in de Omgevingsvisie als ‘rode elementen’ gezien worden, is deze keuze beleidsmatig te verantwoorden. o Voorwaarde voor ‘rode elementen’ in de Stad-Landzones is wel dat tevens het groen versterkt wordt waarmee ‘een ruimtelijke-functioneel evenwicht ontstaat tussen rode en groene ontwikkelingen’. Hiermee zijn de volgende gebieden uitgesloten: • Gebieden met de status goud-, zilver- of bronsgroen om de volgende redenen: o In Sittard-Geleen is het percentage bebouwd gebied erg hoog en is natuur schaars. o Ontwikkeling van natuur en het ontwikkelen van groenzones (met name in gebieden met de status bronsgroen) mag niet verstoord worden. • Het ‘groene hart’ zoals aangegeven in Omgevingsvisie Sittard-Geleen om de volgende redenen: o Het behoud van voldoende agrarische grond voor de huidige landbouw en voor circulaire landbouw, conform NOVI en de zonneladder.
Er is al veel landbouwgrond verdwenen door uitbreidingen van bedrijventerreinen, het Grensmaasproject en de ontwikkeling van natuurgebieden en natuurverbindingszones. o Het behoud van het huidige open landschap (zonder elementen die het uitzicht beperken wat ten koste gaat van de beleving van het landschap). o Het ‘groene hart’ dat onderdeel vormt van het Nationaal Landschap. o Het ontbreken van draagvlak voor zonneparken bij bewoners in het ‘groene hart’ en de wens om de beperkte leefruimte tussen de bestaande bedrijventerreinen en wegen open en groen te houden. Hierbij speelt mee dat de leefbaarheid in SittardGeleen al zwaar onder druk staat i.v.m. overlast veroorzaakt door bestaande bedrijventerreinen. • Het agrarische gebied ten oosten van Sittard en Munstergeleen om de volgende redenen: o Dit gebied is onderdeel van het Nationaal Landschap met een beschermde status. o Grote delen van dit gebied hebben de status goud-, zilver- of bronsgroen. •
Naast bovenstaand afwegingskader waarin bepaald is WAAR zonneparken en windturbines kunnen komen, is ook de HOE-vraag van belang. De technische, procesmatige en financiële randvoorwaarden voor zonneparken en windturbines m.b.t. inrichting, inpassing, beheer en participatie van de omgeving zullen in de nieuwe Omgevingsvisie van Sittard-Geleen nader uitgewerkt worden.
7.2.4. Onderbouwing bod Gemeente Stein (afwegingskader en zoekgebieden) Onderstaand afwegingskader is opgesteld om te komen tot het RES-bod en kansrijke zoekgebieden voor de opwek van grootschalige duurzame energie, zon en wind, in de periode tot 2030. Dit afwegingskader is niet gelijk aan het ruimtelijk afwegingskader (RAK) waarlangs de gemeente vergunningaanvragen voor realisatie van zonneweiden zal toetsen. Dit RAK wordt na vaststelling van de RES 1.0 nader uitgewerkt. In dit RAK wordt de hoe-vraag uitgewerkt voor de realisatie van zonneweiden in de gemeente Stein. Belangrijke aandachtspunten hierin zijn: prioritering van de inzet van daken en gronden, prioritering binnen de zoekgebieden (bijv. nabij infrastructuur en/of nabij bebouwing), eisen aan de installatie en natuur, lokaal eigendom van de installatie, participatie
RES 1.0 Zuid-Limburg
74
en draagvlak. In het huidige stadium van de RES 1.0 zijn dergelijke uitgangspunten nog niet uitgewerkt noch vastgesteld door het college en de gemeenteraad. Deze uitgangspunten worden vastgelegd in het RAK dat onderdeel vormt van het Omgevingsplan. Het afwegingskader grootschalige opwek zon- en windenergie voor de gemeente Stein voor de periode 2020-2030 is gebaseerd op de volgende doelen, beleid en aanpak: • In 2019 heeft de gemeenteraad van Stein de Energievisie 2018-2021 vastgesteld. In de Energievisie is de ambitie beschreven van de gemeente Stein voor wat betreft duurzaamheid. De belangrijkste doelen zijn 49% CO2-reductie in 2030 en energieneutraliteit in 2050. In de Energievisie zijn verschillende thema’s benoemd waarop geacteerd wordt. De RES-opgave heeft raakvlakken met het thema ‘grootschalige opwek van duurzame energie’, maar ook met de thema’s aangaande de verduurzaming van bedrijven, gemeentelijke gebouwen en koop- en huurwoningen zowel op het gebied van elektriciteit als op het gebied van de warmtevoorziening. • De gemeente Stein kiest ervoor om te werken met benuttingspercentages in de zoekgebieden. Dit betekent dat de gemeente Stein grotere gebieden heeft aangewezen, maar middels het benuttingspercentage maar een deel van dit gebied als kansrijk beschouwd voor het realiseren van duurzame energievoorzieningen.
Op deze wijze acht de gemeente Stein de kans groter dat duurzame energie opgewekt kan worden conform het bod voor de RES. Ook is de kans groter dat de doelstellingen van de gemeente behaald worden. • De daadwerkelijke realisatie van grootschalige opwekking van elektriciteit hangt samen met tal van andere factoren, zoals ruimtelijke inpassing, het draagvlak bij bewoners, politiekbestuurlijk draagvlak, kosten etc. Een belangrijk deel van het afwegingsproces vindt op lokaal niveau plaats, als concrete initiatieven zich aandienen. Naast het bovenstaande zijn de uitgangspunten vanuit het POL2014, de NOVI, zonneladder van de provincie Limburg, de ontwerp Omgevingsvisie van de Provincie (incl. moties) integraal onderdeel van het afwegingskader van de gemeente Stein. Afwegingskader en zoekgebieden windenergie t/m 2030 Voor de gemeente Stein zijn de volgende keuzes gemaakt: • Natura2000-gebieden en natuurgebieden met de status brons, zilver en goudgroen zijn uitgesloten voor de opwekking van windenergie. • Rekening houdend met beperkingen zoals afstand tot bebouwing, veiligheid, de vliegzone, infrastructuur en aanwezigheid van kabels en leidingen resteert binnen de gemeente Stein feitelijk één klein zoekgebied, namelijk in het noorden langs de A2 aan de Bergerweg. Dit gebied grenst aan een potentiegebied van gemeente Sittard-Geleen.
• Conform de NOVI wordt gestreefd naar clustering van windturbines. Plaatsing van solitaire windturbines wordt zoveel mogelijk vermeden. Clustering op de hierboven genoemde locatie is alleen mogelijk indien ook Sittard-Geleen windturbines toestaat in het naastgelegen ‘groene hart’. Op dit moment sluit Sittard-Geleen dit echter uit en is clustering niet mogelijk. In het bod van de RES 1.0 is daarom voor Stein geen windenergie opgenomen. Afwegingskader en zoekgebieden grootschalige zonne-energie t/m 2030 De gemeente Stein heeft een rangorde opgesteld van gebieden waarbinnen grootschalige opwek van elektriciteit door zon en wind mogelijk is. Hierbij zijn de volgende zoekgebieden naar voren gekomen:
RES 1.0 Zuid-Limburg
75
1) Zon op daken van woningen, van gemeentelijke gebouwen en bedrijven/loodsen • Zonne-energie wordt in de gemeente Stein bij voorkeur gecombineerd met bestaande bebouwing, onder meer vanwege meervoudig ruimtegebruik. In het bod van de RES 1.0, zijn conform het NP-RES, alleen de daken groter 285 m2 meegenomen. • Er gelden op voorhand geen uitsluitingsgebieden, zoals beschermde stads- of dorpsgezichten. Er gelden wel specifieke eisen wanneer op deze locaties zonne-energie opgewekt wordt. 2) Zon op parkeerterreinen, bedrijventerreinen en braakliggende grond • Parkeerterreinen, bedrijventerreinen en braakliggende terreinen (zoals het havengebied, de Poort van Stein, de Sanderboutlaan, parkeerterreinen langs sportcomplexen, het gemeentehuis, sportvelden die niet meer in gebruik zijn, etc.) worden gezien als goede locaties voor de opwek van zonne-energie, onder meer vanwege meervoudig ruimtegebruik. • Kleinere parkeerterreinen en parkeerstroken in stedelijk gebied (gebieden kleiner dan 300 m2) worden niet uitgesloten voor de opwek van zonne-energie. Maar de potentie is gering, waardoor deze niet in het RES-bod worden meegenomen en ook niet als zoekgebied zijn aangegeven. • De braakliggende gronden in en rond het Steinerbos zijn uitgesloten voor de opwek van zonne-energie vanwege de aanwezige natuur en de beperkte verwachte opbrengst van zonne-energie in dit gebied.
3) Zon langs wegen en dijken • Zon langs wegen en dijken is lokaal mogelijk maar dit levert onvoldoende op. • Zon langs de Rijksinfrastructuur (zon in bermen, geluidschermen of op overkappingen langs de A2 en de A76) is op dit moment uitgesloten vanwege de aanwezigheid van kabels en (buis)leidingen, én beleidsmatige belemmeringen vanuit Rijkswaterstaat. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de beheerders van de infrastructuur momenteel terughoudend zijn op dit vlak, in het vervolgproces (richting herijking van de RES en vormgeven van lokaal beleid) wordt samen met deze beheerders continu bezien of er mogelijkheden zijn voor het realiseren van zon langs infrastructuur. • Zon langs dijken is uitgesloten, omdat dit niet strookt met beheers- en veiligheidseisen van Rijk en Waterschap. • Zon langs gemeentelijke wegen is niet uitgesloten (lokale initiatieven zijn mogelijk) maar naar verwachting leidt dit niet tot een substantiële hoeveelheid duurzaam opgewekte energie. In het afwegingskader wordt er daarom van uit gegaan dat de opbrengst uit zonne-energie langs infrastructuur nihil is. 4) Zon op erven in het buitengebied • Zon op erven is niet uitgesloten (dus lokale initiatieven zijn nog mogelijk) maar naar verwachting leidt dit niet tot een substantiële hoeveelheid duurzaam opgewekte energie.
In het afwegingskader wordt er daarom van uit gegaan dat de opbrengst uit zon op erven nihil is. 5) Zon op landbouwgrond • In beginsel is alle landbouwgrond in Stein zoekgebied voor zonne-energie. • Uitgezonderd zijn landbouwgronden die binnen het Nationaal Landschap met een beschermde status liggen, Natura2000-gebieden en gronden met een status goud-, en zilvergroene natuurzones en bronsgroene landschapszones. Daarnaast is het
RES 1.0 Zuid-Limburg
76
•
landbouwgebied ten zuiden van de A76 ten oosten van het Julianakanaal uitgesloten voor de opwek van zonne-energie vanwege de nabijgelegen goud- en bronsgroene natuurzones. De voorkeur wordt gegeven aan een clustering van initiatieven en een goede ruimtelijke inpassing ervan. De concrete randvoorwaarden worden op lokaal niveau nog uitgewerkt.
Bovenstaand afwegingskader is van toepassing voor de periode tot en met 2030. Op basis van nieuwe ontwikkelingen kunnen de keuzes in een later stadium nog bijgestuurd worden of kunnen andere keuzes gemaakt worden. Het afwegingskader zal nog worden uitgebreid met andere (zachte) criteria, zoals • specifieke technische voorwaarden m.b.t. inrichting, waterberging, inpassing en beheer; • procesmatige randvoorwaarden m.b.t. participatie en inbreng van de omgeving; • financiële randvoorwaarden m.b.t. profijt voor (grond)eigenaren, omwonenden en gemeente. Voor de inzet van de diverse zoekgebieden is in Stein in deze fase geen prioritering aangebracht. Na vaststelling van de RES 1.0 gaat de gemeente Stein werken aan een prioritering binnen de zoekgebieden en locaties in de zoekgebieden (bijv. eerst in bepaalde gebieden of nabij infrastructuur en/of bebouwing).
RES 1.0 Zuid-Limburg
77
7.3. Maastricht-Heuvelland Uniek landschap, uniek ruimtelijk afwegingskader De regio Zuid-Limburg is in een aantal opzichten uniek ten opzichte van de rest van Nederland. Het vormgeven van de RES-opgave is daardoor extra complex. In Zuid-Limburg is sprake van heuvelland dat deels is aangewezen als Nationaal Landschap Zuid-Limburg (NLZL) en Natura 2000-gebied. Naast landbouwgronden, bevat het gebied unieke flora en fauna. De regio is bovendien deels landschappelijk en cultuurhistorisch van grote waarde. De bebouwde omgeving brengt eveneens restricties met zich mee. De regio Zuid-Limburg is een krimpregio. De regio kan daarom niet inzetten op nieuwbouw met royale energie-overcapaciteit, om deze vervolgens toe te wijzen aan de bestaande bouw. De overwegend historische stads- en dorpskernen zijn bovendien niet zomaar geschikt voor de bestaande systematiek van zonnepanelen. De energietransitie kan leiden tot ingrijpende consequenties voor de fysieke ruimte en de activiteiten die daar plaats vinden. Om een verantwoord gebruik van de fysieke ruimte te waarborgen, hebben overheden op verschillende niveaus visies en beleid geformuleerd. Naast lokale (Omgevings)visies en beleidsdocumenten gaat het o.a. om afspraken over het Nationaal Landschap Zuid-Limburg, het POL, de provinciale zonneladder, de provinciale Omgevingsvisie en de aanwijzing als NOVI-gebied12.
Daar waar een betrekkelijk nieuw fenomeen als de energietransitie op het toneel verschijnt, ontstaat een spanningsveld tussen belangen, beleidsuitgangspunten en visies. Dit vraagt om innovatieve oplossingen die passen bij de kwaliteit van stad en dorp en bij de kwaliteit van landschap en natuur. Dat geldt met name voor het zogenaamde ‘Middengebied’, het Heuvelland, en voor historische kernen en panden in Maastricht-Heuvelland.
7.3.1. Voorbereiding van de concept-RES: de technische fase Bij de voorbereiding van de concept-RES hebben de gemeenten in de sub-regio MaastrichtHeuvelland nauw samengewerkt met Enexis, Waterschap Limburg, Provincie Limburg en de andere sub-regio’s. Via een zorgvuldig proces is het concept-bod tot stand gekomen. Bij deze technische fase is de sub-regio intensief ondersteund door HetEnergieBureau, bureau Kragten en bureau Innoforte en is bovendien gebruik gemaakt van de systeemondersteuning vanuit het Nationaal Programma RES. De landelijke NP-RES-uitgangspunten waren overigens niet altijd toepasbaar. Daarom zijn enkele correcties toegepast. De technische fase, die in onderstaand tekstblok wordt samengevat, heeft geresulteerd in het concept-bod voor de sub-regio Maastricht-Heuvelland dat bestond uit twee scenario’s (zie concept-RES).
12 NOVI-gebieden zijn, voortbouwend op bestaande interbestuurlijke samenwerkingstrajecten, instrumenten waarbij overheden meerdere jaren
verbonden zijn en toewerken naar de echte gezamenlijke uitvoering van de verschillende opgaven. Deze gebieden zijn onderdeel van de Omgevingsagenda’s die per landsdeel worden opgesteld. Bij de NOVI-gebieden zoomen we met prioriteit in op de relatief concrete transities in de acht gebieden. In NOVI-gebied Zuid-Limburg zijn ‘het verzilveren van (grensoverschrijdende) economische kansen, wegnemen van knelpunten in regelgeving en het wegwerken van achterstanden in de steden leidend’.
RES 1.0 Zuid-Limburg
78
Tabel 7.5:
De technische fase: van landelijk, naar regionaal en lokaal
In het kader van de technische fase hebben we voor Maastricht-Heuvelland de volgende stappen doorlopen: • Vanuit het Nationaal Programma RES zijn potentiekaarten opgesteld. Bij de voorbereiding van de concept-RES zijn we breed gestart en hebben we gebruik gemaakt van deze landelijke potentiekaarten. Op de kaarten worden gebieden aangeduid waar initiatieven voor grootschalige duurzame opwek fysiek kansrijk zijn. Daaraan is een benuttingspercentage gekoppeld. Het NP-RES hanteert voor zon op landbouwgronden bijvoorbeeld als vuistregel dat 4% van de technische potentiegebieden daadwerkelijk benut kan worden. • We hebben geconstateerd dat in de landelijke potentiekaarten een aantal, voor ZuidLimburg relevante aspecten, niet worden meegenomen. Het meest belangrijke is dat de potentiekaarten geen rekening houden met reliëf, terwijl dat uitermate bepalend is voor het heuvellandschap. Ook de beekdalen komen onvoldoende aan bod in de landelijke kaarten. We hebben deze als extra laag toegevoegd. Op deze wijze zijn de landelijke potentiekaarten verfijnd wat heeft geleid tot regionale zoekgebieden. • Over de beleidsmatige en technische haalbaarheid van de zoekgebieden hebben vervolgens regionale bestuurlijke en ambtelijke discussies plaatsgevonden. Bovenstaande trechtering heeft geresulteerd in het opnemen van twee scenario’s die zijn meegenomen in het concept-bod RES 1.0.
In de verdere uitwerking naar het definitieve bod heeft de volgende trechtering plaatsgevonden: • In de maatschappelijke fase zijn burgers via een enquête en stakeholders via een stakeholderbijeenkomst betrokken. Daarnaast heeft iedere gemeente aanvullend eigen invulling gegeven aan het betrekken van de burgers en andere belanghebbenden. • Naast de burger- en stakeholdersraadpleging hebben de afzonderlijke gemeenten via raadsessies en informatiebrieven de raad meegenomen in de verdere trechtering naar het definitieve bod. • Tenslotte heeft in deze fase een berekening van de investeringskosten plaatsgevonden door de netbeheerder (Enexis) Bovenstaande trechtering heeft geleid tot het verfijnen van de twee scenario’s in het conceptbod naar een scenario in het definitieve bod RES 1.0 van deze sub-regio namelijk scenario één plus.
7.3.2. Van concept naar definitief: de bestuurlijk- maatschappelijke discussie Het concept-bod RES 1.0 is in de sub-regio Maastricht-Heuvelland getoetst aan de maatschappelijke realiteit via een intensief, digitaal participatietraject met twee hoofdpijlers: een algemene online enquête en een digitale discussiebijeenkomst met georganiseerde platforms en (koepel)organisaties. De enquête is breed uitgezet via de reguliere kanalen, een huis-aan-huis brief en relevante netwerken. Dat het, ondanks de beperking als gevolg van Covid-19 gelukt is, bewijst de stevige deelname van meer dan 8.000 inwoners. De online enquête is opgezet als een instrument om gevoelens te peilen; een momentopname die iets zegt over hoe inwoners denken over de energietransitie. De resultaten zijn niet bedoeld als rechtvaardiging voor het al dan niet aanwezig zijn van draagvlak voor (toekomstige) keuzes. Het algehele beeld dat de enquête heeft opgeleverd, is dat veel mensen met het thema bezig zijn. Tegelijkertijd blijkt dat de meningen en oplossingsrichtingen die mensen aandragen, nogal verschillen. De energietransitie is een belangrijk
RES 1.0 Zuid-Limburg
79
thema voor de samenleving, maar de meningen hierover zijn zo divers dat het bepalen van een eenduidige, gedragen koers lastig is. Met de Provincie Limburg en met de lokale besturen onderling is een intensieve discussie gevoerd over de rol en striktheid van met name de Limburgse Zonneladder en de (on)mogelijkheden voor duurzame energie in het landschap. Met name in het Nationaal Landschap Zuid-Limburg dient voorzichtig omgegaan te worden met het realiseren van zonneparken of windturbines. Een eerste analyse geeft aan dat het, onder strikte voorwaarden, mogelijk is om gronden aan te wijzen als zoekgebied zonder de kernkwaliteit van het landschap en de landschappelijke beleving aan te tasten. Met de ‘Landschappelijke verdiepingsstudie Wind en Zon Zuid-Limburg’ die in paragraaf 7.1.3 is genoemd, zullen de mogelijkheden verder worden verkend. Aansluitend op de aanwijzing van Zuid-Limburg tot NOVI-gebied, kunnen wellicht nieuwe weloverwogen keuzes worden gemaakt. Het proces zoals hierboven beschreven, leidt er toe dat het bod van de sub-regio MaastrichtHeuvelland voor de RES 1.0 zich, naast twee locaties voor zonneweides in Maastricht (Lanakerveld en Belvédère), concentreert op een scenario gericht op de opwek van zonne- energie gebouwde omgeving (scenario 1+ uit de technische fase). De plus staat voor projecten waar reeds positief over besloten is, de twee genoemde zonneweides.
Figuur 7.5: Zoekgebieden sub-regio Maastricht-Heuvelland
7.3.3. Scenario 1 +: zonne-energie gebouwde omgeving, twee zonneparken De sub-regio Maastricht-Heuvelland kiest voor de RES 1.0 voor het optimaliseren van zonneenergie gebouwde omgeving , waarbij wordt ingezet op multifunctioneel ruimtegebruik: zon op
RES 1.0 Zuid-Limburg
80
grote daken, parkeerplaatsen, rangeerterreinen, langs infrastructuur, braakliggende gronden en (verhard terrein) bedrijventerreinen. Voor Maastricht omvat het bod bovendien twee zonneparken (Lanakerveld en Belvédère). In de tabel hieronder is het bod per gemeente weergegeven. Tabel 7.6:
Bod grootschalige zonne-energie Maastricht-Heuvelland
Gemeente Eijsden-Margraten Gulpen-Wittem Maastricht (incl. Lanakerveld & Belvérdère berg) Meerssen Vaals Valkenburg aan de Geul Totaal
(in TWh) 0,055 0,022 0,248 0,022 0,010 0,019 0,375
Voor de realisatie van het bod is betrokkenheid van een groot aantal partijen nodig: particulieren, bedrijven, onderwijsinstellingen, club- en buurthuizen, maar ook bijvoorbeeld partijen als ProRail en parkeerdienstverleners. De sub-regio kent relatief (nog) weinig energiecoöperaties. Dit betekent dat de gemeenten programmatisch (via langjarige energieprogramma’s) zullen moeten werken aan het opbouwen van netwerken, het organiseren van draagvlak en faciliteren van initiatieven en het beschikbaar stellen van subsidies en leningen.
7.3.4. Ruimtelijk Afwegingskader Het feit dat scenario 1+ de basis vormt voor het bod van Maastricht-Heuvelland, betekent niet dat initiatiefnemers geen andere plannen voor grootschalige opwek mogen ontwikkelen. Een goed afwegingskader werkt twee kanten op: mogelijkheden en onmogelijkheden van duurzame opwek worden in beeld gebracht. Om met het laatste te beginnen: de RES 1.0 beschrijft de ambitie voor de periode tot aan de RES 2.0 (2023), maar biedt ‘an sich’ onvoldoende juridisch houvast voor het afwijzen van (goed onderbouwde) plannen. Juridische verankering dient uiteindelijk plaats te vinden in de Omgevingsvisie c.q. het Omgevingsplan. Tot die tijd moet per gemeente bekeken worden of de huidige regelgeving voldoende houvast biedt om voorwaarden en criteria te stellen aan plannen voor duurzame opwek. Er zijn gemeenten die op basis van bestaande bestemmingsplannen voldoende weigeringsgrond hebben. Als toevoeging aan het bestemmingsplan stellen de Heuvelland-gemeenten Vaals, Meerssen en Valkenburg aan de Geul tegelijk met de RES 1.0 een voorlopig (tijdelijk) afwegingskader vast. Dit afwegingskader is gebaseerd op uniformiteit, maar biedt tegelijkertijd ruimte voor lokale invulling. Naar alle waarschijnlijkheid kan dit Voorlopig Afwegingskader vervallen op het moment dat de resultaten van de ‘Landschappelijke verdiepingsstudie Wind en Zon Zuid-Limburg’ geformaliseerd zijn.
De gemeente Maastricht heeft haar ruimtelijk afwegingskader reeds vastgelegd in de Omgevingsvisie Maastricht 2040 (vastgesteld 6 oktober 2020). Dit afwegingskader is vormgegeven zoals het RAK Parkstad Limburg, passend binnen de leidende ruimtelijke principes van de stad waarbij ‘compacte stad-weids landschap’ een van de kwalitatief sturende principes is.
RES 1.0 Zuid-Limburg
81
8. Regionale Structuur Warmte (RSW) - In de Regionale Structuur Warmte (RSW) worden de warmtevraag en het warmteaanbod in beeld gebracht. Ook geeft de RSW inzicht in de bovengemeentelijke warmte-infrastructuur. - De verwachte warmtevraag in de gebouwde omgeving (woningen en utiliteiten) zal in 2030 met bijna 20% afnemen t.o.v. 2017, grotendeels door het nemen van energiebesparingsmaatregelen zoals betere isolatie. - In de RSW wordt de potentie van verschillende potentiële bronnen om aardgas te vervangen in kaart gebracht. Hiermee vormt de RSW een belangrijke bouwsteen voor de gemeentelijke Transitievisies Warmte (TVW). In de praktijk is met name restwarmte een belangrijke potentiële bovengemeentelijke warmtebron. - Naast de bestaande infrastructuur, kunnen warmtenetten onderdeel zijn van de oplossing in de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. Op verschillende plekken in Zuid-Limburg zijn deze al aanwezig. Daarnaast kunnen individuele elektrische oplossingen worden toegepast. De impact van de warmteoplossing op het elektriciteitsnet moet per wijk worden bekeken in samenhang met de impact van elektrisch vervoer en opwek van zonne-energie. - De huidige gasnetten kunnen worden ingezet voor het transporteren van nieuw gassen maar zullen ook in de transitiefase nog een belangrijke rol blijven vervullen.
- Op verschillende plekken in Zuid-Limburg zijn al eerste ervaringen opgedaan met de transitie naar een aardgasvrije samenleving. De resultaten vormen belangrijke lessen voor het aardgasvrij maken van wijken en buurten. De RSW 1.0 vormt een eerste verkenning van de opgave en mogelijkheden. In deze fase worden nog geen afspraken gemaakt over de inzet van bovengemeentelijke warmtebronnen en warmteinfrastructuur. Op weg naar de RES 2.0 zal dit onderdeel in nauwe samenwerking tussen publieke en private partijen (incl. bedrijven die warmte kunnen leveren) worden uitgewerkt.
8.1. De warmtetransitie in de gebouwde omgeving Binnen de Regionale Energie Strategie is ‘warmte’ een belangrijk onderwerp. In het landelijke Klimaatakkoord is voor de ‘gebouwde omgeving’ in Nederland bepaald dat we in 2050 geen aardgas meer gebruiken voor de verwarming van onze gebouwde omgeving. Dit is een flinke opgave gezien vrijwel alle gebouwen momenteel met aardgas verwarmd worden. De ambitie is om in 2030 de eerste 1,5 miljoen bestaande woningen te verduurzamen en aardgasvrij te maken. Hiervoor stellen gemeenten een Transitievisie Warmte (TVW) op die op wijkniveau gaat bepalen wat mogelijk is. De Regionale Structuur Warmte (RSW), als onderdeel van de RES, bekijkt in hoeverre bovengemeentelijke samenwerking nodig is om de klimaatdoelstellingen omtrent aardgasvrij te bereiken. Deze RSW geeft inzicht in de volgende punten: • De huidige en (verwachte) toekomstige warmtevraag in de gebouwde omgeving; • Het bovengemeentelijke aanbod van duurzame warmtebronnen (een warmtebron is bovengemeentelijk wanneer deze ook omliggende gemeenten van warmte kan voorzien); • De bestaande en (mogelijke) toekomstige bovengemeentelijke warmte-infrastructuur. In onderstaande checklist (figuur 8.1) worden de stappen op een rij gezet. In de RSW 1.0 gaan we in op stap 1 t/m 3. In de RSW 2.0 zullen we ook de volgende stappen meenemen.
RES 1.0 Zuid-Limburg
82
1. Warmtevraag
7. Afspraken inzet warmte in infrastructuur
2. (Bovengemeentelijk) Warmteaanbod
6. Inzet bovengemeentelijke bronnen bepalen
3. Infrastructuur
5. Toets TVW's
4. Afwegingskader
Figuur 8.1: Checklist RSW13
8.1.1. Relatie met de Transitievisie Warmte De RSW 1.0 is een belangrijke bouwsteen voor de Transitievisies Warmte (TVW). Dit is een parallel traject naast de RES, waarin op individueel niveau door gemeenten de alternatieven voor aardgas worden onderzocht. In de TVW wordt bepaald welke buurten of wijken voor 2030 van het aardgas worden afgekoppeld en welk alternatief geschikt is om huizen en andere gebouwen in deze wijken of buurten te verwarmen. De TVW dient uiterlijk eind 2021 door gemeenteraden te worden vastgesteld. Voor wijken en buurten die vóór 2030 van het aardgas worden afgekoppeld, wordt de TVW verder uitgewerkt in uitvoeringsplannen op buurt- of wijkniveau. Hierin worden ook de kleinere, lokale warmtebronnen meegenomen. In de voorliggende RSW wordt niet vooruit gelopen op keuzes die in het kader van de TVW gemaakt worden wat betreft de concrete toepassing van alternatieve warmtebronnen op wijkniveau in iedere gemeente. De gemeentelijke TVW’s vormen een belangrijke input voor de Regionale Structuur Warmte in de RES 2.0 (2023).
8.1.2. Uitgangspunten warmtetransitie In de TVW bepaalt iedere gemeente haar eigen strategie en afwegingskader om de transitie naar een aardgasvrije samenleving vorm te geven. Per gemeente, wijk of buurt kan de oplossing immers verschillen. In het Klimaatakkoord van 2019 zijn daarom een aantal uitgangspunten en voorwaarden benoemd die gemeenten en regio’s helpen bij het maken van deze keuzes. Het verduurzamen van de warmtevoorziening, waarbij aardgas vervangen wordt door een duurzame warmtebron is één van de uitgangspunten van het Klimaatakkoord. Hiervoor zal het aanbod van duurzame warmte in de komende jaren moeten worden opgeschaald.
13 Bron: NP-RES (2020), Werkblad thema warmte.
RES 1.0 Zuid-Limburg
83
Eén belangrijke voorwaarde is dat alternatieven voor aardgas betaalbaar moeten zijn voor eigenaren en huurders. Hierbij is woonlastenneutraliteit het uitgangspunt, wat betekent dat de maandelijkse lasten die een huishouden betaalt aan energie (gas, elektriciteit, warmte) en hypotheeklast of huur gelijk moeten blijven, of eventueel zelfs omlaag gaan. Ook moeten de totale maatschappelijke kosten voor de samenleving als geheel zo laag mogelijk blijven. Daarbij moet het energiesysteem ook betrouwbaar blijven, zodat inwoners en bedrijven kunnen rekenen op een stabiel en zeker aanbod van warmte en elektriciteit. De energietransitie is naast een financieel vraagstuk ook een ruimtelijk vraagstuk. De fossiele bronnen die we nu gebruiken komen uit de ondergrond en zijn grotendeels onzichtbaar. Dit is in de toekomst niet zonder meer het geval. Zuid-Limburg wordt gekenmerkt door een uniek landschap. Om dit zo te houden nemen wij de ruimtelijke impact mee in de afweging bij het kiezen voor een oplossingsrichting. Bij de uitvoering van de warmtetransitie ligt een grote verantwoordelijkheid bij inwoners en bedrijven. Zij moeten het ten slotte uitvoeren. Daarom is het ook cruciaal dat het alternatief op voldoende draagvlak van inwoners en bedrijven kan rekenen.
8.1.3. Participatie in de warmtetransitie De warmtetransitie is niet mogelijk zonder actieve participatie van bewoners en bedrijven. Het zijn tenslotte hun woningen, kantoren, winkels, etc. die klaar worden gemaakt voor de toekomst en het raakt hen ook in hun portemonnee. Er zijn allerlei manieren om inwoners te betrekken bij deze overgang en hier proberen gemeenten in de uitvoeringsplannen zo veel mogelijk rekening mee te houden. Zo kunnen energiecoöperaties inwoners bijvoorbeeld ondersteunen in het ontwikkelen en beheren van (lokale) warmtenetten en het zorgvuldig kiezen en realiseren van individuele maatregelen. Deze uitvoeringsplannen volgen na vaststelling van de TVW in 2021. In de tussentijd wordt op gemeentelijk niveau middels onder andere enquêtes en bewonerswerkgroepen getoetst hoe inwoners graag betrokken worden.
8.1.4. Regionale Structuur Warmte 2.0 De RES 2.0 (2023) zal aan de hand van de individuele TVW’s van de Zuid-Limburgse gemeenten verkennen welke oplossingen voor gebouwen realistisch haalbaar en betaalbaar zijn op basis van de beschikbaarheid van bovengemeentelijke bronnen. Mede op basis hiervan kunnen regionaal op bestuurlijk niveau afspraken worden gemaakt over de inzet van bovengemeentelijke warmtebronnen en de hiervoor benodigde infrastructuur.
RES 1.0 Zuid-Limburg
84
8.2. Warmtevraag Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw wordt de warmtevraag in Nederland voornamelijk ingevuld door het gebruik van aardgas. Anno 2019 is zeven miljoen van de acht miljoen huishoudens in Nederland afhankelijk van aardgas. Zo komt meer dan 80% van de totale energievraag van huishoudens voort uit de warmtevoorziening voor ruimteverwarming, tapwater en koken. De warmtevraag in de gebouwde omgeving wordt bepaald door woningen en utiliteitsgebouwen (maatschappelijk en commercieel vastgoed). De warmtevraag in woningen, kantoren, winkels, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleegtehuizen loopt zeer uiteen. De vraag naar warmte voor het verwarmen van gebouwen en woningen is zeer seizoensgebonden. Deze vraag kent een dip in de zomer en een hoge piekvraag op koude dagen. In de zomer neemt de vraag naar koeling daarentegen juist toe. De vraag naar warm tapwater is vrij stabiel over het gehele jaar en kent pieken in de ochtend- en avonduren wanneer mensen na het opstaan douchen en als mensen na thuiskomst gaan koken. Goed geïsoleerde gebouwen hebben een lagere warmte- en koudevraag dan oude en slecht geïsoleerde woningen. Daarnaast heeft ook het type gebruik een belangrijke impact op de warmtevraag.
Zo hebben bijvoorbeeld zorginstellingen, maar ook zwembaden en sporthallen een langdurige en continue warmtevraag, terwijl met name onderwijsinstellingen in het weekend en in vakantieperiodes aanzienlijk minder energie gebruiken. In deze RSW is de huidige en toekomstige warmtevraag berekend op basis van de besparingspercentages die zijn opgenomen in de Klimaat- en Energieverkenning (KEV2019)14. Voor Parkstad Limburg geldt dat voor de prognoses is uitgegaan van meer specifieke en bestuurlijk vastgestelde uitgangspunten op basis van de PALET-methodiek (Parkstad Limburg EnergieTransitie). In onderstaande tabel is de totale huidige (2017) en verwachte toekomstige warmtevraag (2030) van de gebouwde omgeving (woningen en utiliteiten) in Zuid-Limburg aangegeven uitgesplitst in de drie sub-regio’s. Deze wordt grotendeels opgewekt door fossiele warmtebronnen (aardgas). Tabel 8.1: Ontwikkeling warmtevraag in bebouwde omgeving (TJ)
Parkstad Limburg Westelijke Mijnstreek Maastricht-Heuvelland Totaal Zuid-Limburg
2017 (in TJ) Woningen Utiliteiten 5.795 1.747 3.141 1.230 4.501 2.189 13.437 5.166
Totaal 7.542 4.371 6.690 18.603
2030 (in TJ) Woningen Utiliteiten 4.604 1.291 2.665 999 3.918 1.776 11.187 4.066
Totaal 5.895 3.664 5.694 15.253
De bijna 290.000 huishoudens zijn verantwoordelijk voor bijna driekwart van de totale warmtevraag in de gebouwde omgeving in Zuid-Limburg. De resterende warmtevraag komt van gebouwen (utiliteiten) in de sectoren commerciële en publieke dienstverlening. De afgelopen jaren is de warmtevraag in de gebouwde omgeving sterk afgenomen, met name door het nemen van één of meerdere energiebesparende maatregelen als isolatie. Rijk, provincie en gemeenten hebben verschillende instrumenten (bv. subsidies en leningen) ontwikkeld om woning-
14 De gehanteerde methodiek voor het bepalen van de energievraag is uitvoerig beschreven in Hoofdstuk 3.
RES 1.0 Zuid-Limburg
85
en gebouweigenaren hierin te ondersteunen. De verwachting is dat de warmtevraag van de gebouwde omgeving de komende tien jaar door verduurzamingsmaatregelen, efficiencyverbeteringen en vervangende nieuwbouw met bijna 20% zal afnemen, waarbij de verhouding tussen woningen en andere gebouwen nagenoeg gelijk zal blijven. Dit is eerder beschreven in hoofdstuk 5. Deze daling van de energievraag is alleen haalbaar door inwoners en bedrijven actief te bewegen tot het nemen van verduurzamingsmaatregelen. In tabel 8.1 is nog geen rekening gehouden met de inzet van alternatieve warmtebronnen op korte en lange termijn. Naast de gebouwde omgeving hebben ook andere sectoren een warmtevraag. Hierbij is o.a. te denken aan de sectoren landbouw en industrie. Deze worden niet meegenomen in de RES 1.0. In de toekomst zal ook in Zuid-Limburg gezocht moeten worden naar alternatieve warmtebronnen om aan de warmtevraag te kunnen voldoen. Mogelijk zijn er zelfs meerdere bronnen tegelijk nodig. Daarbij kan – afhankelijk van de eigenschappen per wijk of buurt – gekozen worden uit verschillende opties of strategieën.
8.3. Alternatieven voor aardgas Eind oktober 2019 heeft het Expertise Centrum Warmte (ECW) een Startanalyse en ‘Handreiking voor lokale analyse’ gepubliceerd, met daarin een eerste beeld van de alternatieven voor aardgas. In de Startanalyse zijn vijf strategieën verkend om zonder aardgas aan de warmtevraag te kunnen voldoen. Dit zijn technische mogelijkheden. Uit lokale analyse blijkt of de benodigde bron ook daadwerkelijk aanwezig is binnen of buiten het afzetgebied. Elke strategie bestaat uit maatregelen die gericht zijn op vermindering van de warmtevraag (isolatie) en het aanleggen of verzwaren van een energie-infrastructuur waarmee woningen en gebouwen duurzaam verwarmd kunnen worden. De vijf strategieën zijn: 1. 2. 3. 4. 5.
Individuele elektrische warmtepomp (all-electric); Warmtenet met midden of hoge temperatuur bron; Warmtenet met lage temperatuur bron; Groengas met een standaard HR-ketel en/of een hybride warmtepomp; Waterstof met een standaard HR-ketel en/of een hybride warmtepomp.
In haalbaarheidsstudies is per wijk bekeken welke strategie op basis van ‘laagste nationale kosten’ of ‘maatschappelijke kosten’ het goedkoopst zou zijn. Betaalbaarheid is hierbij het belangrijkste uitgangspunt. De modellen ‘matchen’ vraag met aanbod en analyseren zodoende de prijs van ieder alternatief per woning. Hierbij kijkt men met name naar de bebouwingsdichtheid en de temperatuur van de bron. Bij een hoge bebouwingsdichtheid wordt de prijs voor een warmtenet per woning lager. Wanneer de temperatuur van de bron hoog is, hoef je minder vergaand te isoleren om je woning op een comfortabele en betaalbare wijze te verwarmen. De kosten zijn dan doorgaans lager15. Ook de afstand tot de bron speelt een rol. Daarnaast zijn warmtenetten kansrijker wanneer deze in samenhang met andere grote transities in de fysieke leefomgeving worden gerealiseerd, zoals de vervanging van bestaande infrastructuur (bv. riolering). Het gaat hier om modelmatige weergaven van de werkelijkheid die bedoeld zijn om richting te geven van oplossingen. Ten alle tijden zal op wijk- en woningniveau grondig onderzocht moeten worden wat daadwerkelijk de beste oplossing is.
15 Zie rapportage PBL voor gedetailleerde uitleg en onderbouwing.
RES 1.0 Zuid-Limburg
86
Hoe en waar mensen wonen bepaalt in veel gevallen de mogelijkheden om van het aardgas af te gaan. In stedelijke, dichtbebouwde gebieden zijn warmtenetten een logische oplossing. Dat kan een warmtenet zijn met een aansluiting op een hoge of midden temperatuur warmtebron (strategie 2) of een lage temperatuur warmtebron, in combinatie met een collectieve of individuele warmtepomp (strategie 3). In minder dichtbebouwde en landelijke gebieden zijn eerder individuele elektrische warmtepompen (strategie 1) en hybride oplossingen i.c.m. aardgas, vooruitlopend op de beschikbaarheid van groengas (strategie 4), momenteel de meest voor de hand liggende oplossingen. Biogas (strategie 4) en waterstof (strategie 5) zijn voor de warmtevraag in 2030 momenteel zeer beperkt aan de orde, omdat deze nog niet (in voldoende mate) beschikbaar zijn. Waterstof is een mogelijke drager van duurzame energie in de toekomst, bijvoorbeeld voor toepassing in industriële processen, mobiliteit en de productie van elektriciteit in een zgn. ‘dunkelflaute’, een periode waarin er door gelijktijdig optredende duisternis en windstilte weinig tot geen energie kan worden opgewekt uit wind en zon. Daarop vooruit lopend, is het van belang om de bestaande gasnetten te behouden zodat gasnetten op termijn gebruikt kunnen worden voor de distributie van duurzame gassen zoals benoemd in strategie 4 en 5.
Zo blijft de leveringszekerheid bij de transitie naar de diverse strategieën geborgd, kan later gekozen worden om de gasnetten zo goedkoop mogelijk te verwijderen of in de toekomst alsnog te gebruiken voor duurzame gassen. Bij alle genoemde strategieën is het van belang om naar het energiesysteem als geheel te kijken, en daarbij gebruik te maken van een wijkgerichte aanpak. De impact van de elektrische warmteoplossingen op het elektriciteitsnet moet in samenhang met elektrisch vervoer en zonneenergie in de wijk worden bekeken. Om te zorgen dat de investeringen in de infrastructuur planbaar en betaalbaar zijn, is het voor de netbeheerder belangrijk dat investeringen zoveel mogelijk collectief worden uitgevoerd en dat er vroegtijdig helderheid en zekerheid is over waar gasleidingen kunnen blijven liggen en waar elektriciteitsnetten moeten worden verzwaard.
8.4. Warmteaanbod Het huidige warmteaanbod wordt gedomineerd door fossiele warmtebronnen (aardgas). Om alle gebouwen los te koppelen van het aardgas, zijn naast energiebesparing door isolatie (zoals beschreven in hoofdstuk 3) ook nieuwe, duurzame warmtebronnen nodig. De technische mogelijkheden zijn hierboven beschreven. Als er op gemeentelijk niveau wordt gekozen voor een warmtenet, moet de gemeente ofwel een lokale warmtebron hebben of ontwikkelen, ofwel gebruik maken van bronnen met ‘bovengemeentelijke potentie’. In de Provinciale Warmtevisie van Provincie Limburg16 worden drie mogelijke scenario’s geschetst, afhankelijk van de locatie en grootte van de warmtebron: 1. Lokaal beschikbare bronnen met lokale potentie: Dit zijn bijvoorbeeld lokale bedrijven met beperkte hoeveelheden restwarmte (zie paragraaf 8.4.1) of thermische energie uit afvalwater en drinkwater. Deze worden niet meegenomen in de RSW, maar nader verkend door gemeenten in het kader van de TVW;
16 Provincie Limburg (2020). Warmtevisie Provincie Limburg: Een eerste verkenning
RES 1.0 Zuid-Limburg
87
2. Regionaal beschikbare bronnen met lokale potentie: Dit betreft bijvoorbeeld geothermie of aquathermie (warmte uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater). Deze bronnen hebben vaak een beperkte transporteerbaarheid en zijn daarom vooral lokaal inzetbaar; 3. Lokaal beschikbare bronnen met regionale potentie: Dit betreft met name restwarmtebronnen, maar bijvoorbeeld ook het Mijnwater-concept (een buffervat van lage-temperatuurbronnen, zoals mijnwater, om woningen en utiliteiten te verwarmen en koelen), dat over meerdere gemeenten kan worden uitgerold. Figuur 8.2 geeft een overzicht van de warmtebronnen die tot 2030 landelijk beschikbaar zijn en voor de periode daarna verwacht worden. Daarnaast wordt ook aangegeven voor welke toepassingen en sectoren zij geschikt zijn.
Figuur 8.1: Welke warmtebronnen kunnen wanneer, waarvoor worden gebruikt? Met behulp van de Warmteatlas en de analysekaarten van het Nationaal Programma RES (NP-RES) is een inventarisatie gemaakt van de potentiële warmtebronnen in Zuid-Limburg. Waar mogelijk zijn deze op basis van regionale en lokale analyses verder aangevuld en waar nodig gecorrigeerd. Deze informatie is vervolgens gedeeld met het Expertise Centrum Warmte (ECW). Op dit moment bestaat er grote onzekerheid omtrent de toekomstige beschikbaarheid van (regionale) warmtebronnen. Verder onderzoek is nodig om zowel kwantitatief als kwalitatief beter zicht te krijgen op de potentie van lokale restwarmtebronnen. Hierbij zijn vooral van belang de (op langere termijn) beschikbare capaciteit, het temperatuurniveau van de warmte, de financieel / technische haalbaarheid en de duurzaamheid. Onderstaand wordt één voor één de verwachte potentie van duurzame warmtebronnen beschreven.