CConstaterende datSimpelveld
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Bijlage 1 RES 1.0 Zuid-Limburg, 16 maart 2021.pdf

Commissie GGZ 25 mei 2021, gemeente SimpelveldBij agendapunt: Raadsvoorstel Regionale Energie Strategie (RES 1.0) Zuid-Limburg: vaststelling definitieve RES 1.0 gemeente Simpelveld38.846 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Daken van kastelen, kloosters en kerken zijn uitgesloten op basis van overwegingen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. De sub-regio Maastricht-Heuvelland maakt in haar bod geen onderscheid tussen zon-op-dak en zonne-energie in de rest van het bebouwd gebied (zon op dak, zon op braakliggend terrein, zon op parkeerplekken, zon op erven, zon (direct) langs infrastructuur). Het bod voor de sub-regio Maastricht-Heuvelland dat betrekking heeft op bebouwd gebied is daarom volledig meegenomen in onderstaande tabel. Het regionaal bod ten aanzien van zon-op-dak voor de regio Zuid-Limburg ziet er als volgt uit:

RES 1.0 Zuid-Limburg

44

Tabel 6.3:

Opbouw bod grootschalig zon-op-dak RES Zuid-Limburg

Parkstad Limburg Westelijke Mijnstreek Maastricht-Heuvelland Totaal (TWh)

Gerealiseerd vermogen (TWh) 0,018 0,004 0,023 0,045

Vermogen in de planning (TWh)

Aanvullende ambitie (TWh)

Totaal (TWh)

0,027 0,108 0,033 0,168

0,139 0,109 0,249 0,497

0,184 0,221 0,305 0,710

Gerealiseerd vermogen Het realiseren van zon-op-dak speelt een belangrijke rol in de energietransitie van Zuid-Limburg. De afgelopen jaren is er steeds meer aandacht voor het benutten van bedrijfsdaken ontstaan, zowel bij overheden als bij ondernemingen. Met name bij nieuwbouw worden steeds vaker zonnepanelen geïnstalleerd. De grootschalige gebouw-gebonden installaties die meetellen voor het regionale bod, liggen vooral op bedrijfsdaken. Goede voorbeelden hiervan zijn de ruim 10.000 zonnepanelen op het dak van de skipiste van SnowWorld in Landgraaf, de zonnepanelen op daken van verschillende gebouwen op bedrijventerreinen Trilandis en Avantis in Heerlen, de zonnepanelen op een aantal grote loodsen op bedrijventerrein Holtum-Noord in Sittard-Geleen, de zonnepanelen-op-daken die gerealiseerd zijn zowel in het kader van MEA Industrie als bij de verduurzaming van de gemeentelijke panden in Maastricht. Vermogen in de planning In de sub-regio Westelijke Mijnstreek is een grote autonome groei voorzien voor grootschalig zonop-dak. Met name op bedrijventerrein Holtum-Noord zijn voor veel loodsen en bedrijfsgebouwen SDE-subsidies aangevraagd en/of verleend. Aanvullende ambitie Een aanzienlijk deel van het bod voor grootschalig zon-op-dak (en zon in de rest van het bebouwd gebied van de sub-regio Maastricht-Heuvelland) bestaat uit een aanvullende ambitie.

Om de geformuleerde ambitie te kunnen realiseren, zullen gemeenten en provincie actief beleid moeten ontwikkelen. Op dit moment kunnen gemeenten (nog) niet afdwingen dat daken van nieuwbouwpanden worden voorzien van installaties voor zonne-energie. Ook zijn er nog belangrijke knelpunten die het realiseren van zon-op-dak in de weg staan. Te denken valt aan ontbrekende financiële prikkels en/of een (te beperkt) budget, beperkte kennis en capaciteit en de verzekerbaarheid van zonnepanelen11. Na vaststelling van de RES 1.0 zal een aanpak worden uitgewerkt om het realiseren van grootschalig zon-op-dak te stimuleren. Hierbij wordt nadrukkelijk gekeken naar de aanpak en ervaringen in andere gemeenten en RES-regio’s. Gemeente Maastricht ontwikkelt momenteel bijvoorbeeld een aanpak voor zon-op-dak op bedrijventerreinen.

6.3.3. Zon-op-land Hoewel het, conform de Limburgse zonneladder, de voorkeur heeft om zoveel mogelijk in te zetten op zon-op-daken, zijn de doelstellingen voor 2030 uit het Klimaatakkoord zonder windenergie en/of zon-op-land niet haalbaar. Als het gaat om zon-op-land heeft de opwek op (onbenutte) terreinen in bebouwd gebied, zoals parkeerterreinen en restgronden in bebouwd gebied (trede 2) de voorkeur.

11 Voor meer informatie, zie ook Kamerstuk 32813, nr. 563 m.b.t. de kabinetsaanpak Klimaatbeleid, gepubliceerd op 2 september 2020.

RES 1.0 Zuid-Limburg

45

Voor de sub-regio Maastricht-Heuvelland is dit aandeel meegenomen in de voorgaande paragraaf. Andere opties zijn gronden in het buitengebied met een andere primaire functie dan landbouw of natuur, zoals (voormalige) stortplaatsen, delfstofwinplaatsen en pauzelandschappen (trede 3). Hiermee kunnen andere, meer waardevolle gebieden gevrijwaard blijven. Locaties die in gebruik zijn voor landbouw zullen slechts in beperkte mate worden ingezet voor de grootschalige opwek van energie. Dit gebeurt alleen als ze voldoen aan strikte voorwaarden en als de kernkwaliteiten van het landschap en de landschappelijke beleving niet worden aangetast. Zo moeten initiatiefnemers zorgen voor een zo goed mogelijke landschappelijke inpassing van het zonnepark en moeten zij de omgeving maximaal betrekken bij de planvorming. Ook dienen de maatschappelijke baten deels terug te vloeien naar de gemeenschap. In sub-regio Parkstad Limburg is dit uitgangspunt opgenomen in het door gemeenten vastgestelde ‘Regionaal Afwegingskader Grootschalige Duurzame Energieopwekking’ (zie hoofdstuk 7). Het regionaal bod ten aanzien van de grootschalige zon-op-land vatten we hieronder samen. Daarbij merken we op dat het voor Maastricht-Heuvelland alleen gaat om de twee reeds geplande zonneweides in Maastricht. Tabel 6.4:

Opbouw bod zon-op-land RES Zuid-Limburg

Parkstad Limburg Westelijke Mijnstreek Maastricht-Heuvelland Totaal (TWh)

Gerealiseerd vermogen (TWh) 0,006 0,003 0 0,009

Vermogen in de planning (TWh)

Aanvullende ambitie (TWh)

Totaal (TWh)

0,026 0 0,070 0,096

0,158 0,193 -* 0,351

0,190 0,196 0,070 0,456

*In afstemming met netbeheerder Enexis niet meegenomen in RES 1.0-fase.

Gerealiseerd vermogen De gerealiseerde opwek van duurzame energie via zon-op-land is in het basisjaar (2017) met 0,009 TWh zeer beperkt. Tot dusver zijn in Zuid-Limburg nog maar weinig zonneparken gerealiseerd. In de sub-regio Westelijke Mijnstreek is er bijvoorbeeld slechts één zonnepark op Chemelot van ca. 3,2 GWh in de gemeente Sittard-Geleen. Vermogen in de planning Naast de gerealiseerde projecten (in 2017) zitten er een aantal projecten in de planning. Voor een deel betreft dit projecten die reeds gerealiseerd zijn of zich in de ontwikkelfase bevinden. Voor subregio Parkstad Limburg gaat het bijvoorbeeld om het zonnepark aan de N274 bij Schinveld (ca. 6.000 panelen), het zonnepark aan de N281 bij Kerkrade (ca. 36.000 panelen) en het zonnepark op het voormalige stortterrein in Abdissenbosch (30.000 zonnepanelen). Voor de sub-regio Maastricht-Heuvelland betreft het de voormalige stortplaats Belvédère in Maastricht (30.000 zonnepanelen) en een zonnepark op het Lanakerveld (ca. 135.000 zonnepanelen). Aanvullende ambitie Het hoofddeel van het bod voor zon-op-land moet nog gerealiseerd worden. Het gaat dus om toekomstig vermogen dat gebaseerd is op de beleidsvoornemens van de Zuid-Limburgse gemeenten. Op basis van de ruimtelijke afwegingskaders zijn de zoekgebieden in de RES 1.0-fase verder geconcretiseerd.

In het Klimaatakkoord wordt uitgegaan van een benuttingspercentage van 4% voor landbouwgrond. Gelet op de kwaliteit van de landschapszones in of tussen de stedelijke gebieden en de uitzonderlijke positie van de gronden binnen het beschermingsgebied van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg, is binnen de RES Zuid-Limburg afgesproken af te wijken van de RES 1.0 Zuid-Limburg

46

door NP-RES aangegeven benuttingspercentages. Lokaal is afgewogen welke hoeveelheid kan worden opgewekt in 2030. Opgeteld komt de RES Zuid-Limburg daarmee op een aanvullende ambitie van 0,37 TWh voor zon-op-land, waaronder landbouwgrond. Voor het Heuvelland is zonop-landbouwgrond vooralsnog niet meegenomen in het RES 1.0 bod.

6.4. Andere vormen van opwek en opslag van energie Voor het regio-aandeel aan de nationale opgave van 35 TWh tellen enkel installaties mee die elektriciteit produceren uit wind-op-land, grootschalig zon-op-dak en zon-op-land. Daarnaast staat het elke regio vrij om de RES naar eigen inzicht te verbreden. In het kader van de maatschappelijke en bestuurlijke discussie zijn veel vragen gesteld over andere technieken. In deze paragraaf gaan we daarom kort in op kleinschalig zon-op-dak, elektriciteits-opslag, kernenergie, waterstof, biomassa/biogas en waterkracht.

6.4.1. Kleinschalig zon-op-dak (minder dan 15 kWp) Op grond van de landelijke NP-RES methodiek mogen installaties met een vermogen van 15 kWp of minder niet worden meegeteld bij het realiseren van de landelijke doelstelling van 35 TWh hernieuwbare opwek. De regio’s in Nederland worden wel aangemoedigd om kleinschalig zon-opdak te betrekken in hun RES. Omdat het stimuleren van kleinschalige installaties aansluit op het stimuleren van besparingsmaatregelen, beschrijven we onze aanpak in hoofdstuk 5. Op lokaal niveau verkennen gemeenten aanvullende manieren waarop kan worden bijgedragen aan de doelstellingen van het Nederlandse Klimaatakkoord, zoals bijvoorbeeld kleinschalige, innovatieve oplossingen.

6.4.2. Opslag van elektriciteit De opslag van energie in batterijen maakt geen onderdeel uit van de RES, maar zal in de toekomst mogelijk een belangrijke rol spelen in het stabiliseren van het energienet. De opgewekte energie kan worden opgeslagen op het moment dat er een energie-overschot bestaat. De opgeslagen energie kan vervolgens weer worden ingezet op het moment dat de vraag groter is dan het aanbod. Hiermee kunnen pieken op het elektriciteitsnet worden opgevangen. Daarbij is er een verschil tussen batterijen op individueel niveau (de zogenaamde thuisbatterij), op buurtniveau (de buurtbatterij) en grootschalige batterijen. In Zuid-Limburg zijn op dit moment nog geen ervaringen met buurtbatterijen. Wel worden (landelijke) ontwikkelingen gevolgd. In de RES-regio Noord- en Midden-Limburg wordt inmiddels ervaring opgedaan met een buurtbatterij bij het zonnepark Altweerderheide (gemeente Weert). Bij de voorbereiding van de RES 2.0 zal worden beoordeeld of het zinvol is de mogelijkheden voor buurtbatterijen in Zuid-Limburg nader te onderzoeken. In Limburg worden momenteel de mogelijkheden verkend voor de grootschalige opslag van elektriciteit middels een ondergrondse pompaccumulatiecentrale (O-PAC), een waterkrachtcentrale op basis van een kunstmatig ondergronds valmeer.

Wanneer sprake is van een overschot aan elektriciteit wordt deze elektriciteit gebruikt om water op te pompen. Op momenten van schaarste stroomt het water via een turbine door de ondergrond naar het valmeer, waarbij elektriciteit opgewekt wordt. Hiermee functioneert O-PAC als een grootschalige batterij (bron: Systeemstudie Energie-infrastructuur Limburg van CE Delft, 2020).

RES 1.0 Zuid-Limburg

47

6.4.3. Kernenergie Kernenergie maakt geen onderdeel uit van het Klimaatakkoord. Toch kan kernenergie volgens de Rijksoverheid bijdragen aan de klimaatdoelen, omdat bij de opwekking weinig CO2 vrijkomt. Ook leveren kerncentrales veel energie, terwijl zij weinig (schaarse) ruimte innemen. De verwerking en opslag van kernafval blijft voor velen een heikel thema. De Rijksoverheid is het bevoegd gezag om te bepalen of en waar mogelijke toekomstige kerncentrales gerealiseerd kunnen worden. Zij doet dit in samenspraak met regio’s, zijnde de provincies en de gemeenten. Kernenergie valt daarmee buiten de scope en focus van de RES. De RES 1.0 richt zich overigens met name op de periode tot 2030, met een doorkijk naar 2050. Voor de periode tot 2030 zal geen nieuwe kerncentrale in Nederland in gebruik genomen worden. Met complexe processen, lange doorlooptijden voor vergunningen en procedures, en een bouwtijd van ten minste 8-12 jaar zal kernenergie voor 2030 dan ook geen bijdrage leveren aan de klimaatdoelen. In het Klimaatakkoord is aangekondigd dat het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een nieuw programma zal ontwikkelen voor de ruimtelijke planning van het energiesysteem: het Programma Energiehoofdstructuur (PEH). In het PEH worden de ruimtelijke effecten van vijf mogelijke scenario’s nader uitgewerkt, waarvan één ook kernenergie bevat.

De ontwerp-PEH wordt medio 2022 verwacht, waarna de PEH eind 2022 kan worden vastgesteld. Op dit moment zijn er drie locaties in Nederland gereserveerd voor de mogelijke realisatie van een kerncentrale: Eemshaven, Tweede Maasvlakte en Borssele. Naar aanleiding van een marktconsultatie (zomer 2021) kunnen mogelijk aanvullende locaties worden verkend.

6.4.4. Waterstof Bij de verbranding van waterstof komt, naast energie, alleen water vrij. Daarmee lijkt de toepassing van waterstof een schone en duurzame methode om energie op te wekken. De praktijk is echter anders. Waterstofgas moet namelijk geproduceerd worden, omdat het in bruikbare vorm nauwelijks in de natuur voorkomt. Vrijwel alle waterstof die op dit moment wereldwijd wordt geproduceerd is zogenaamde ‘grijze waterstof’. Deze waterstof wordt gemaakt uit aardgas (methaan). Bij de productie komt CO2 vrij waardoor ‘grijze waterstof’ geen duurzaam alternatief is. Men spreekt over ‘blauwe waterstof’ wanneer de CO2 wordt afgevangen en wordt opgeslagen, bijvoorbeeld in lege gasvelden op zee. Dit gebeurt wereldwijd nog niet op grote schaal. ‘Groene waterstof’ wordt gemaakt door energie uit duurzame bronnen (bv. zon- of windenergie) te gebruiken voor het splitsen van water in waterstof en zuurstof. De energie komt vrij wanneer waterstof weer wordt verbrand. Met deze methodiek kunnen grote hoeveelheden duurzame elektriciteit (bv. geproduceerd door windturbines op zee) worden omgezet in een brandstof die kan worden opgeslagen. Omdat duurzaam opgewekte elektriciteit niet altijd direct toepasbaar is, kan ‘groene waterstof’ mogelijk een belangrijke rol spelen in de energietransitie.

Nadeel is dat bij de productie en toepassing een behoorlijke hoeveelheid energie (ongeveer 60%) verloren gaat. Voor de gebouwde omgeving is de toepassing van waterstof voorlopig geen optie. Het aanbod van duurzame waterstof is te beperkt en wat wel voorhanden is wordt gebruikt voor bijvoorbeeld de energie-intensieve procesindustrie en transport. Zo zijn er bijvoorbeeld plannen voor de productie van waterstof uit reststromen op Chemelot om hiermee productieprocessen verder te verduurzamen. Voor de gebouwde omgeving zijn andere alternatieven voor aardgas, zoals

RES 1.0 Zuid-Limburg

48

collectieve warmtenetten of individuele warmtepompen beschikbaar. In de RES wordt daarom zeker tot 2030 geen rekening gehouden met waterstof.

6.4.5. Biomassa, biogas en waterkracht De productie van hernieuwbare elektriciteit uit biomassa en biogas wordt niet meegeteld voor de nationale doelstelling van 35 TWh. Volgens het Klimaatakkoord worden nadere afspraken gemaakt met andere klimaatsectoren om een kader te ontwikkelen voor duurzame biomassa. Wel kan biogas, na opwerking tot groengas, een rol spelen in de warmtetransitie, met name in landelijke gemeenten. Dit wordt nader beschreven in hoofdstuk 8 en de gemeentelijke Transitievisies Warmte. Ook waterkrachtinstallaties worden niet genoemd in het Klimaatakkoord en niet meegeteld voor de nationale doelstelling. Als er binnen de regio plannen zijn rondom waterkrachtinstallaties, kunnen deze wel worden opgenomen in de RES. Binnen de RES Zuid-Limburg is gemeente Maastricht bezig met de ontwikkeling van twee waterkrachtcentrales, in de Maas naast de stuw van Borgharen en bij het sluizencomplex in de Zuid-Willemsvaart. In Sittard-Geleen worden de mogelijkheden van de sluizen bij Born onderzocht. Op de Energieatlas van Waterschap Limburg zijn van de grootste stuwen in de beken enkele kengetallen opgenomen waarmee de energiepotentie van het vallende water kan worden ingeschat.

6.5. Impact op de elektriciteits-infrastructuur Op basis van de aangeleverde gegevens over het bod van de RES-regio Zuid-Limburg heeft Enexis Netbeheer (hierna: Enexis) de impact van de plannen op de energie-infrastructuur bepaald. Om een juiste inschatting van de netimpact te maken is gebruik gemaakt van een integrale doorrekening, waarbij ook rekening is gehouden met de toekomstige ontwikkelingen in andere sectoren (o.a. industrie, mobiliteit). Er is in beeld gebracht waar knelpunten ontstaan en welke netinvesteringen nodig zijn om de RES 1.0 ambities te realiseren.

6.5.1. Realisatie RES-bod en systeemefficiëntie RES als input voor het Investeringsplan Enexis De RES-ZL geeft met het bod in de RES 1.0 richting aan het Investeringsplan van Enexis, dat 2jaarlijks wordt herijkt. Tussentijdse ontwikkelingen uit de markt of regio, zoals bijvoorbeeld gewijzigde wetgeving, subsidiebeleid of versnelde elektrificatie van de industrie, kunnen impact hebben op de haalbaarheid van de RES. Dit betreft ook eventuele aanvragen die niet vergunningplichtig zijn zoals zon-op-dak en toch door Enexis in behandeling moeten worden genomen. Systeemefficiëntie voor een uitvoerbare en betaalbare RES De totale maatschappelijke kosten, het ruimtebeslag van de benodigde infrastructuur en de benodigde tijd in de uitvoering zijn fors. Door in te zetten op systeemefficiëntie zijn besparingen mogelijk. Daarom geeft Enexis, naast de analyseresultaten, ook adviezen over het verhogen van de systeemefficiëntie. Met de adviezen ten aanzien van de systeemefficiëntie kan een RES-regio sturen op keuzes die bijdragen aan een uitvoerbare en betaalbare RES. De belangrijkste aanbevelingen voor de RES-regio zijn weergegeven in figuur 6.1

RES 1.0 Zuid-Limburg

49

Figuur 6.1

Maatregelen om systeemefficiëntie te verhogen

6.5.2. Netimpact RES 1.0 Zuid-Limburg De netimpact-analyse brengt in kaart waar knelpunten ontstaan en welke investeringen van de netbeheerder nodig zijn om de gestelde ambities te kunnen realiseren. De impact van het RES-bod voor Zuid-Limburg is weergegeven in figuur 6.2 en kan als volgt worden samengevat: • •

Op 5 stations worden geen knelpunten verwacht tot 2030. Op 5 stations wordt na 2025 een knelpunt verwacht. Op 1 station wordt er een knelpunt verwacht voor 2025. De knelpunten zijn een gevolg van beperkte capaciteit op de HS/MS-stations van Enexis en/of op het hoogspanningsnet van TenneT.

Figuur 6.2: Knelpunten op niveau Onderstations binnen de RES Zuid-Limburg

RES 1.0 Zuid-Limburg

50

Om de knelpunten op te lossen die ontstaan door het RES-bod, zijn investeringen van Enexis nodig: 6 HS/MS-stations moeten worden uitgebreid door Enexis (*Boschpoort wordt nu al uitgebreid). Voor 4 van deze 6 stations geldt dat de beschikbare capaciteit op het net van Enexis pas benut kan worden na uitbreiding van het hoogspanningsnet van TenneT. 1 nieuw HS/MS-stations moet worden gerealiseerd, als er geen alternatieve oplossing kan worden gevonden. Het gaat hier om een nieuw station in de omgeving van Treebeek. De totale impact op tijd, ruimte en kosten op basis van benodigde uitbreidingen en nieuwe stations voor Enexis is in figuur 6.3 weergegeven.

Figuur 6.3: Impact van het RES 1.0-bod voor Enexis De indicatieve kosten voor Enexis, ten behoeve van netinvesteringen voor de realisatie van het RESbod hebben een bandbreedte tussen de 220 - en 320 miljoen euro. De spreiding in de bandbreedte wordt mede bepaald door de wijze hoe de plannen worden gerealiseerd en hoe efficiënt de netten hierbij worden gebruikt (zie ook systeemefficiëntie).

6.5.3. Conclusies en aanbevelingen Enexis m.b.t. netimpact Op basis van de netimpact-analyse komt Enexis tot een aantal aanbevelingen om de systeemefficiëntie te bevorderen. Deze hebben betrekking op het eigen netwerk en het netwerk van de landelijke netbeheerder TenneT. Uitbreidingen en tijd • Op de stations Beek, Born, Lutterade en Schoonbron zijn de uitbreidingen voor 2025 gerealiseerd en zal het RES-bod aangesloten kunnen worden. • Op station Terwinselen is het terugleverlimiet van TenneT te laag, en dient TenneT hier actie te ondernemen. Op station Treebeek past het RES-bod niet en kan het station ook na een eerste uitbreiding niet verder worden uitgebreid. Hier moet naar een alternatieve oplossing worden gezocht. Als deze niet gevonden kan worden, moet er een nieuw station komen in deze omgeving. Verdere concretisering plannen vereist Voor de alternatieve oplossing nabij station Treebeek is het van belang om te bepalen waar de duurzame opwek in dit gebied gerealiseerd gaat worden. Indien dit in de nabijheid van onderstation Beek worden gerealiseerd is het mogelijk dat onderstation Beek extra wordt uitgebreid. Komt de duurzame opwek meer richting de Duitse grens dan kan het TenneT station

RES 1.0 Zuid-Limburg

51

Beersdal uitkomst bieden om de initiatieven aan te sluiten. Dit dient dan nog wel uitgewerkt te worden in samenwerking met TenneT en de RES-regio. Evenwichtigere verdeling zon/wind De optimale verhouding zon/wind is 50/50. De zon/wind verhouding van de RES 1.0 is 95/5 (zon/wind). Een verschuiving van zon naar wind zorgt ervoor dat er minder aansluitvermogen nodig is voor dezelfde hoeveelheid energie waardoor het verkorten van de realisatietermijn mogelijk is. Het ontsluiten van zonne-energie is tot een factor 3x duurder dan het ontsluiten van windenergie. Ruimte vrijhouden voor netuitbreidingen Het is in de meeste gevallen niet verstandig om de ruimte direct aangrenzend aan stations te gebruiken voor het plaatsen van zonnepanelen. Bij uitbreidingen van stations is deze ruimte mogelijkerwijs nodig, bijvoorbeeld om extra kabeltracés te kunnen realiseren. Het vergeven van deze ruimte kan daarom een beperkend effect hebben op de uitbreidingsmogelijkheden van een station. Uitbreiding hoogspanningsnet TenneT noodzakelijk voor RES-realisatie. Voor 5 stations geldt dat er onvoldoende teruglevercapaciteit beschikbaar is om het RES-bod te faciliteren. Voor 1 station, Treebeek, ontstaat er een knelpunt voor 2025. Voor 4 stations (Born, Lutterade, Schoonbron en Terwinselen) ontstaat dit knelpunt na 2025.

Netvisie TenneT en Enexis als input voor programmering RES Welke stations op welk moment meer teruglevercapaciteit beschikbaar krijgen moet nog verder uitgewerkt worden in de toekomstige netvisie van TenneT en Enexis voor Limburg. De RES is input voor deze netvisie, en de netvisie wordt vervolgens opgenomen in het Investeringsplan van TenneT. Omdat de netvisie nog niet is uitgewerkt, is het nog onzeker of en hoe het RES-bod vóór 2030 door TenneT kan worden gefaciliteerd. De tijdslijn en planning die volgt uit de netvisie zijn daarom essentieel voor de programmering van de RES.

6.5.4. Aanbevelingen Enexis voor het vervolg richting RES 2.0 Naast bovenstaande aanbevelingen naar aanleiding van de netimpact-analyse, vraagt Enexis aandacht voor de volgende proces-gerelateerde aanbevelingen voor het vervolg richting de RES 2.0: • •

•

•

Start met de realisatie van duurzame opwek waar nu netcapaciteit beschikbaar is; Programmeren van duurzame opwek: Uitbreiding van de energie-infrastructuur kent langere doorlooptijden dan de ontwikkeling van duurzame opwek. Het is daarom belangrijk om nu al samen aan de slag te gaan om de locaties voor grootschalige opwek te concretiseren en realisaties te plannen in de tijd; Omgeving gerelateerde zaken (inclusief vergunnings- en inspraakprocessen) beslaan 60%80% van de doorlooptijd voor de ontwikkeling van HS-infrastructuur (totale doorlooptijd 5 tot 7 jaar). Start daarom tijdig met de benodigde planprocedures voor de energieinfrastructuur en onderzoek hoe planprocedures versneld kunnen worden. Samenwerken in gebiedsprocessen en het erkennen van wederzijdse belangen, kunnen leiden tot een beter, sneller en gedragen planproces; Naast de RES-plannen zijn er meer ontwikkelingen die Enexis aanleiding geven om te werken aan een integrale doorrekening. Hierbij zullen naast de RES meerdere stakeholders bij betrokken worden: o Meer aandacht voor andere sectoren (landbouw, industrie, mobiliteit, datacenters en gebouwde omgeving). Het is van belang om naar het energiesysteem als geheel

RES 1.0 Zuid-Limburg

52

o

te kijken. De impact van de grootschalige opwek op het elektriciteitsnet moet in samenhang met elektrisch vervoer, warmteoplossingen en industrie worden bekeken. Een breed gedragen regionale/provinciale overlegstructuur (RES-regio’s, gemeenten, industrie, mobiliteit en netbeheerders) om de voortgang te monitoren en daar waar nodig bij te sturen, is niet alleen wenselijk maar ook noodzakelijk. Meer aandacht voor gas, waterstof, warmte. In 2021 worden de eerste stappen gemaakt voor het verduurzamen van de gebouwde omgeving (Transitievisie Warmte). Hierdoor komt ook op regionaal niveau de focus meer te liggen op het transporteren van warmte en duurzame gassen.

Een uitgebreide beschrijving van de netimpact is als bijlage IV toegevoegd aan dit document.

RES 1.0 Zuid-Limburg

53

7. Ruimtelijk Afwegingskader en randvoorwaarden - De beleidskaders en randvoorwaarden voor de grootschalige opwek van duurzame energie zijn voor heel Zuid-Limburg deels hetzelfde. In dit hoofdstuk beschrijven we daarom eerst kort de (geldende) afspraken en ontwikkelingen in het kader van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) c.q. de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) en de Limburgse zonneladder. - Er is (nog) geen sprake van een gezamenlijk ruimtelijk afwegingskader. Om de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap te bewaken en alle belangen goed af te wegen, is een landschappelijke verdiepingsstudie noodzakelijk. Een uit te voeren ‘Landschappelijke verdiepingsstudie Wind en Zon Zuid-Limburg’ moet bouwstenen opleveren voor een samenhangend Ruimtelijk Afwegingskader (RAK) voor heel Zuid-Limburg en een doorvertaling naar alle gemeenten in Zuid-Limburg. - Omdat nu nog geen sprake is van één afwegingskader, hebben ruimtelijke afwegingen voor de RES 1.0 in Zuid-Limburg grotendeels op het niveau van de sub-regio’s en individuele gemeenten plaats gevonden. Deze worden in dit hoofdstuk per sub-regio op een rij gezet. - Aan de hand van deze uitgangspunten en randvoorwaarden zijn vervolgens zoekgebieden voor hernieuwbare opwek in kaart gebracht.

Binnen deze zoekgebieden zullen wij in de komende periode door concrete initiatieven invulling geven aan het bod van de RES Zuid-Limburg. De regio Zuid-Limburg is in een aantal opzichten uniek. In Zuid-Limburg is sprake van heuvelland dat deels is aangewezen als Nationaal Landschap Zuid-Limburg (NLZL) en Natura 2000-gebied. Naast landbouwgronden, bevat het gebied unieke flora en fauna. De regio is bovendien deels landschappelijk en cultuurhistorisch van grote waarde. Dit geeft aan dat grootschalige opwek van wind- en zonne-energie in Zuid-Limburg niet vanzelfsprekend is. Ook de gebouwde omgeving brengt restricties met zich mee. De regio Zuid-Limburg is een krimpregio. In de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg zijn stringente afspraken over de beperkte mogelijkheden voor nieuwbouw gemaakt. Het vormgeven van de RES opgave is hierdoor extra complex en vraagt om zorgvuldige afwegingen. Voor de RES 1.0 hebben ruimtelijke afwegingen in Zuid-Limburg grotendeels op het niveau van de sub-regio’s en individuele gemeenten plaats gevonden. Er is (nog) geen sprake van een gezamenlijk ruimtelijk afwegingskader, al zijn de uitgangspunten wel grotendeels gelijk. In dit hoofdstuk beschrijven we allereerst het overkoepelende kader voor de drie sub-regio’s. Vervolgens gaan we per sub-regio in op de ruimtelijke afwegingen die voor de RES 1.0 hebben plaatsgevonden.

7.1. Gemeenschappelijk beleidskader/context Het beleidskader is voor de drie sub-regio’s deels het zelfde. Het gemeenschappelijk kader dat voor heel Zuid-Limburg geldt, wordt hieronder beschreven. De paragrafen die volgen beschrijven de specifieke afwegingskaders voor Parkstad Limburg, Westelijke Mijnstreek en MaastrichtHeuvelland.

7.1.1. Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL)/Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) vormt momenteel de provinciale structuurvisie en vindt zijn doorwerking in regionaal en lokaal beleid. De energietransitie en de ruimtelijke implicaties daarvan, zijn beperkt verwerkt in het POL. In de Visie Zuid-Limburg, een onderdeel van het POL, wordt ingezet op het motto ‘meer stad, meer land’. Daarmee wordt bedoeld: het

RES 1.0 Zuid-Limburg

54

versterken van de steden en stedelijke gebieden in Zuid-Limburg enerzijds, en het versterken van de kwaliteiten van het landelijk gebied anderzijds. Dit laatste betreft zowel het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg, alsook de kwaliteit van de landschapszones in of tussen de stedelijke gebieden. Het POL acht het Nationaal Landschap Zuid-Limburg ongeschikt voor de plaatsing van windturbines en sluit dit gebied daarom uit voor de opwek van windenergie m.u.v. het verstedelijkt gebied. Het POL biedt wel ruimte voor nieuwe ontwikkelingen in voorkeursgebieden, zijnde: • Gebieden aan de provinciegrens waar reeds turbines staan opgesteld; • Grotere industrieterreinen en ontwikkelingsgebieden voor veehouderij en glastuinbouw; • Daar waar clusters van tenminste 6 turbines kunnen worden opgesteld. In het POL is geen specifiek provinciaal beleid ten aanzien van zonneparken opgenomen. Indirect is wel de provinciale Omgevingsverordening Limburg van toepassing als door de aanleg van zonneparken provinciale belangen als beschreven in deze verordening worden geraakt. Hierbij valt o.a. te denken aan de bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden van natuurzones, het beschermingsgebied van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg, en de bescherming van het grondwater in waterwingebieden.

Het POL maakt onderscheid in: bebouwd gebied, bedrijventerrein, buitengebied, goudgroene natuurzone, zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone. Daarbij geldt dat het bebouwd gebied en de bedrijventerreinen de voorkeur genieten voor het realiseren van zonneparken. De goudgroene en zilvergroene natuurgebieden en de bronsgroene landschapszone zijn in beginsel niet geschikt hiervoor. Het Nationaal Landschap Zuid Limburg moet worden beschermd vanwege de uitzonderlijke waarden. Zonneparken in dit gebied kunnen het aanzien van het Nationaal Landschap aantasten en daarmee het unieke karakter. Ontwikkelingen op daken in dit gebied zijn wel mogelijk. De goudgroene natuurgebieden zijn de meest waardevolle natuurgebieden van Limburg. Zij maken onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Onder de goudgroene natuurzone vallen de bestaande bos- en natuurgebieden, Nationale Parken, delen van het Nationaal Landschap ZuidLimburg, gebieden die de komende jaren zullen worden omgevormd tot natuurgebied en de Natura 2000-gebieden met vogel- en habitatrichtlijngebieden. De zilvergroene natuurgebieden omvatten agrarische gebieden met actuele en potentiële natuurwaarden, die vaak als een buffer rondom de goudgroene natuur liggen.

Deze gebieden zijn van belang voor het goed functioneren van de goudgroene natuur, als verbindingszone tussen verschillende goudgroene natuurgebieden en/of voor de beschermde of zeldzame flora- en faunasoorten. Onder de bronsgroene landschapszone vallen landschappelijke waardevolle beekdalen, hellingen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden met daarin gelegen landbouwgebieden, monumenten, kleinere landschapselementen, waterlopen en dergelijke. In bronsgroene gebieden zijn ontwikkelingen mogelijk onder voorwaarden van financiële of fysieke compensatie en bestuurlijke afweging. Het POL2014 wordt momenteel geactualiseerd tot een POVI (Provinciale Omgevingsvisie). Na een uitgebreid participatief proces is de ontwerp-Omgevingsvisie 25 augustus 2020 vastgesteld door Gedeputeerde Staten. De POVI wordt in april 2021 ter vaststelling aan Provinciale Staten voorgelegd. Bij de voorbereiding van de RES 1.0 heeft afstemming plaatsgevonden tussen het RES 1.0 Zuid-Limburg

55

Kernteam POVI en het Programmateam RES. In de gesprekken heeft de Provincie ten aanzien van windenergie de voorkeur uitgesproken voor het realiseren van een (beperkt) aantal clusters in ZuidLimburg, met name op bedrijventerreinen en aansluitend op bestaande opstellingen. Vooralsnog wordt door Provincie Limburg vastgehouden aan het voornemen om geen windturbines in het Nationaal Landschap toe te staan. In de ontwerp-POVI wordt nadrukkelijk de voorkeur uitgesproken om terughoudend te zijn met het benutten van het landelijk gebied voor het realiseren van zonneparken.

7.1.2. De Limburgse zonneladder Om meer duidelijkheid te creëren voor de realisatie van zonne-energie, heeft het college van Gedeputeerde Staten op 22 oktober 2019 de Limburgse zonneladder vastgesteld (zie figuur 7.1). Uitgangspunt is de zorgvuldige inpassing van grootschalige opwek in het landschap, waarbij rekening gehouden wordt met de bestaande kwaliteit en identiteit van gebieden. De zonneladder beschrijft de opwek van zonne-energie op: 1. Daken en gevels van gebouwen; 2. Onbenutte terreinen in gebouwd gebied; 3. Gronden in buitengebied met een andere primaire functie dan landbouw of natuur; 4. Gronden in gebruik voor landbouw en gronden gelegen binnen de groenblauwe mantel; 5. Uitsluitingsgebieden (Natuurnetwerk Limburg, waterwingebieden en bestaande bos- en natuurgebieden gelegen in de groenblauwe mantel).

Figuur 7.1: De Limburgse Zonneladder (bron: Omgevingsvisie Limburg, december 2020) De zonneladder volgt hierbij de lijn van de landelijke motie Dik-Faber, die inmiddels ook in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is uitgewerkt en overgenomen. Essentie van deze lijn is om bij de duurzame opwek van zonne-energie landbouw en natuur zoveel mogelijk te ontzien (het ‘nee, tenzij-principe’). Hoewel de zonneladder een voorkeursvolgorde weergeeft, houdt deze nadrukkelijk geen volgtijdelijkheid in. Inspanningen richten zich primair op zon-op-dak en op gevels

RES 1.0 Zuid-Limburg

56

én het benutten van andere mogelijkheden in bebouwd en onbebouwd gebied (meervoudig ruimtegebruik). Op 18 december 2020 is de gewijzigde motie 2685 door Provinciale Staten aangenomen. De motie luidt ‘Zonneladder stap voor stap’. Deze motie verzoekt het College van Gedeputeerde Staten om: • In de Provinciale Omgevingsvisie het ‘nee, tenzij-principe’ dat wordt gehanteerd bij de Limburgse zonneladder nader te omschrijven en te duiden en op te nemen in de nog op te stellen Omgevingsverordening; • Dit zo uit te leggen dat goede landbouwgrond en kwetsbare natuur als uitzonderingsmogelijkheid worden gebruikt bij de inpassing van zonne-energie; • In de Omgevingsverordening een motivatieplicht op te nemen zodat gemeenten en de provincie moeten motiveren waarom er wordt gekozen voor een bepaalde trede van de zonneladder. De opgave vanuit het Klimaatakkoord kan simpelweg niet worden ingevuld met enkel opwekking van duurzame energie op daken en onbenut terrein binnen het stedelijk gebied, zelfs niet in combinatie met windenergie. In de praktijk betekent dit dat er zorgvuldig aandacht dient te worden besteed aan het goed motiveren en onderbouwen van de behoefte van de aanleg van grondgebonden zonneparken en de daarvoor benodigde locaties.

In de ontwerp-Omgevingsverordening geeft de provincie aan hoe men zal toezien op een juiste toepassing van de Limburgse zonneladder en op kwalitatief goede onderbouwingen bij initiatieven voor grondgebonden zonneparken. Het gaat hier dan met name om een goede ruimtelijke afweging, de instandhouding van de landschapsstructuur en bijbehorende kenmerken, het combineren van meerdere functies, aandacht voor lokaal draagvlak en participatie en het doorlopen van zorgvuldige procedures. In de ontwerp Omgevingsverordening zijn de volgende uitsluitingsgebieden voor grondgebonden zonneparken opgenomen: het Natuurnetwerk Limburg (de voormalige goudgroen aangeduide POL-gebieden met inbegrip van de Natura2000 gebieden), waterwingebieden en bestaande bos- en natuurgebieden gelegen in de groenblauwe mantel.

7.1.3. Landschappelijke verdieping Met de Provincie Limburg en tussen de lokale besturen onderling is een intensieve discussie gevoerd over de rol en striktheid van met name de Limburgse Zonneladder en de (on)mogelijkheden voor duurzame energie in het landschap. Met name in het Nationaal Landschap Zuid-Limburg dient voorzichtig te worden omgegaan met het realiseren van zonneparken of windturbines. Een eerste analyse geeft echter aan dat het, onder strikte voorwaarden, mogelijk zou moeten zijn om gronden aan te wijzen als zoekgebied zonder de kernkwaliteit van het landschap en de landschappelijke beleving aan te tasten. Om de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap te bewaken en alle belangen goed af te wegen, is een landschappelijke verdiepingsstudie noodzakelijk. Dat geldt ook voor de landschappelijke onderbouwing van windenergie. In december 2020 heeft de stuurgroep RES-Zuid Limburg ingestemd met het uitwerken van een onderzoeksvoorstel. De uit te voeren ‘Landschappelijke verdiepingsstudie Wind en Zon ZuidLimburg’ moet bouwstenen opleveren voor een samenhangend Ruimtelijk Afwegingskader (RAK) voor heel Zuid-Limburg en een doorvertaling naar alle gemeenten in Zuid-Limburg. Het doel is om te komen tot een gelijkluidende aanpak, een zorgvuldige inpassing en een ‘level playing field’ voor energie-initiatieven.

Een dergelijke onderbouwing dient betrekking te hebben op de schaal van heel Zuid-Limburg en alle initiatieven die er nu lopen in de concept RES Zuid-Limburg en de relatie met het uitsluitingsgebied/ beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg.

RES 1.0 Zuid-Limburg

57

De concept-RES en RES 1.0 Zuid-Limburg zijn richtinggevend voor de landschapsstudie. Het is van groot belang relevante partijen te betrekken en mee te krijgen in de studie. Daarbij wordt gedacht aan alle gemeenten in Zuid-Limburg, maar ook aan Visit Zuid-Limburg (de voormalige VVV), LLTB, IKL, NMF, ResCoop en de Participatiecoalitie. De Participatiecoalitie bestaat uit vijf maatschappelijke organisaties van, voor en door bewoners: HIER, de Natuur en Milieufederaties, Energie Samen, Buurkracht en LSA bewoners (een vereniging van actieve bewonersgroepen door het hele land die zich inzetten voor hun buurt). Met hun kennis en ervaring komen goede plannen tot stand waar inwoners bij betrokken zijn en achter staan. Ze weten wat er lokaal speelt en zetten hun netwerk in. De doorlooptijd van deze studie bedraagt ca. 6 maanden (oplevering najaar 2021). De resultaten van de studie en de bouwstenen zullen worden ingebed in het RES-proces.

7.1.4. Zoekgebieden Zuid-Limburg De kaart op de volgende pagina (figuur 7.2) laat de zoekgebieden voor heel Zuid-Limburg zien, zoals die in het kader van de RES 1.0 in kaart zijn gebracht. In de paragrafen 7.2 tot en met 7.4 zoomen we verder in op de zoekgebieden per sub-regio.

RES 1.0 Zuid-Limburg

58

Figuur 7.2: Zoekgebieden RES Zuid-Limburg

RES 1.0 Zuid-Limburg

59

Parkstad Limburg 7.1.5. PALET: Regionaal Afwegingskader Grootschalige Duurzame Energieopwekking Onder regie en coördinatie van de Bestuurscommissie Ruimte incl. Duurzaamheid van de Stadsregio Parkstad Limburg is in de periode 2013-2015 kaderstellend energietransitiebeleid opgesteld, genaamd ‘Parkstad Limburg EnergieTransitie’ (PALET). In 2015 hebben de (destijds acht) gemeenteraden van Parkstad Limburg PALET vastgesteld als energiebeleid, waarbij de energietransitie heel nadrukkelijk is benoemd als een ruimtelijke opgave. In samenwerking met wetenschappers van o.a. de Wageningen Universiteit is voor Parkstad destijds al een integraal ruimtelijk realistisch scenario uitgewerkt dat vervolgens is verankerd in verschillende beleidsdocumenten. De relatie tussen ruimte en energie en het streven naar optimaal ruimtegebruik is in Parkstad daarmee vanzelfsprekend geworden. In 2015-2016 is de lange termijn doelstelling om in 2040 als regio energieneutraal te zijn, vertaald in een uitvoeringsprogramma voor de periode 2016-2020 (PALET 3.0). Binnen PALET 3.0 wordt aan thematafels gewerkt aan de uitvoering van het vastgestelde beleid. Aan één van de thematafels is het ‘regionaal afwegingskader grootschalige duurzame energieopwekking’ uitgewerkt. De ruimtelijke component was weliswaar al stevig verankerd in het PALET-beleid.

Maar de verankering was te grofmazig en te globaal voor een ruimtelijke afweging en landschappelijke inpassing op project- en locatieniveau. Het afwegingskader, zijnde een beleidsregel, fungeert als: • Een inhoudelijke uitwerking van het kaderstellende PALET-beleid, met als inzet dat de Parkstad-gemeenten samen (beter) in staat zijn om initiatieven ten aanzien van zonneenergie en windenergie af te wegen; • Een procesmatige uitwerking van het kaderstellende PALET-beleid, met als inzet dat de Parkstad-gemeenten samen (beter) in staat zijn om processen in het kader van initiatieven voor zonne-energie en windenergie vorm te geven; • Aanjager voor de vertaling van regionale en gemeentelijke onderdelen uit het uitvoeringsprogramma PALET 3.0 in concrete projecten voor zonne-energie en windenergie; • Groeimodel waaraan in de toekomst evt. bouwstenen worden toegevoegd; • Kader voor samenwerking tussen de acht Parkstad-gemeenten. De Parkstad-gemeenten kunnen individueel besluiten om de bouwstenen van het regionaal afwegingskader op lokaal niveau aan te vullen. Als dat gebeurt, is het in nauwe afstemming met de andere gemeenten. De formele versies van het door de individuele gemeenten vastgestelde regionaal afwegingskader zijn online gepubliceerd.

Regionaal Afwegingskader Windenergie Voor de ontwikkeling van windenergie in Parkstad Limburg hanteren de Parkstad-gemeenten de volgende uitgangspunten: 1. De initiatiefnemer draagt zorg voor een plan dat voldoet aan de uitgangspunten van een ‘goede ruimtelijke ordening’ c.q. ‘in het belang van de fysieke leefomgeving’. 2. De initiatiefnemer dient ten minste een bezonningsstudie, een (slag)schaduwstudie, een externe veiligheidsstudie, een geluidonderzoek, een flora & fauna-onderzoek en een planschaderisicoanalyse op te stellen ten aanzien van de windturbines. 3. De initiatiefnemer dient een landschapsinrichtingsplan op te stellen met als doel om een zo goed mogelijke landschappelijke inpassing van de windturbines in het landschap te RES 1.0 Zuid-Limburg

60

4.

5.

6. 7. 8.

9.

bewerkstelligen. Het landschapsplan dient te zijn voorzien van een zichtlijnenstudie en een virtuele 3D-maquette die goed inzicht geeft in de visueel ruimtelijke aspecten. De initiatiefnemer draagt zorg voor een plan dat voldoet aan de stedenbouwkundige uitgangspunten voor de toepassing van windenergie in de desbetreffende gemeente. Met de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten met als doel om kostenverhaal op grond van de Wet ruimtelijke ordening anderszins te verzekeren en (mogelijke) planschadekosten te verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer dient in te zetten op actief omgevingsmanagement met als doel om belanghebbenden maximaal te betrekken bij de planvorming c.q. het uitgangspunt met betrekking tot het regionaal/lokaal profijtbeginsel optimaal te behartigen. De initiatiefnemer dient maatschappelijke baten (bovenop het opwekken van duurzame energie) te laten terugvloeien in de gemeenschap. Grondspeculatie moet worden voorkomen. In het geval van concurrerende projecten geldt dat samenwerking wordt gestimuleerd. De voorkeur gaat uit naar een gezamenlijk plan. Als blijkt dat samenwerking niet mogelijk is dan wordt er gekozen voor het plan dat het beste scoort op vooraf vastgelegde en gecommuniceerde randvoorwaarden (o.a. ruimtelijke inpassing, winstdeling, participatie en communicatie).

Uiteraard zijn de gemeenten – binnen de wettelijke kaders – onder meer gehouden aan de uitgangspunten van gemeentelijk en regionaal beleid.

In het belang van een goede ruimtelijke ordening worden er een aantal stedenbouwkundige uitgangspunten gehanteerd (randvoorwaarde 3). Zo dienen windturbines waar mogelijk in een samenhangende rij of samenhangend cluster van minimaal twee windturbines te worden gerealiseerd. Ook moeten ze zodanig worden ingepast, dat de denkbeeldige lijn tussen de windturbines nauwkeurig aansluit bij de aanwezige lijnen in het landschap (wegen, waterlopen, groenstructuren en kavelgrenzen). Een rij of cluster van nieuwe windturbines dient zo goed mogelijk aan te sluiten bij andere rijen of clusters geplaatste of geplande windturbines, zowel binnen de gemeente als in omliggende binnen- en buitenlandse gemeenten. De ontwikkeling van een solitaire windturbine is mogelijk indien deze volledig gedragen wordt door omwonenden, ofwel aansluit op een bestaande rij of cluster van windturbines, ofwel als icoonproject wordt beschouwd. Regionaal Afwegingskader Zonne-energie Voor de ontwikkeling van grootschalige zonne-energie in Parkstad Limburg hanteren de Parkstadgemeenten de volgende uitgangspunten: 1. De initiatiefnemer draagt zorg voor een plan dat voldoet aan de uitgangspunten van een ‘goede ruimtelijke ordening’ c.q. ‘in het belang van de fysieke leefomgeving’. 2. De initiatiefnemer moet streven naar multifunctioneel ruimtegebruik.

Het combineren of aansluiten van zonneparken op reeds bestaande functies geniet de voorkeur. De oorspronkelijke bestemming van de locatie hoeft niet te vervallen; er kan ofwel een tijdelijke vergunning worden verleend ofwel een dubbelbestemming via een bestemmingsplanwijziging worden toegevoegd. 3. De initiatiefnemer dient een landschapsinrichtingsplan (en indien nodig een compensatieplan) op te stellen met als doel om een zo goed mogelijke landschappelijke inpassing van het zonnepark in het landschap te bewerkstelligen. In het plan moet worden aangegeven op welke wijze de omgevingskwaliteit wordt verbeterd. Het landschapsplan dient te zijn voorzien van een zichtlijnenstudie en een virtuele 3D-maquette die goed inzicht geeft in de visueel ruimtelijke aspecten. De initiatiefnemer draagt zorg voor een plan dat voldoet aan de stedenbouwkundige uitgangspunten voor de toepassing van een zonnepark in de gemeente. RES 1.0 Zuid-Limburg

61

4. De initiatiefnemer dient in te zetten op actief omgevingsmanagement met als doel om belanghebbenden maximaal te betrekken bij de planvorming c.q. het uitgangspunt met betrekking tot het regionaal/lokaal profijtbeginsel optimaal te behartigen. 5. De initiatiefnemer dient maatschappelijke baten (bovenop het opwekken van duurzame energie) te laten terugvloeien in de gemeenschap. 6. Met de initiatiefnemer wordt bij voorkeur een anterieure overeenkomst gesloten met als doel om kostenverhaal op grond van de Wet ruimtelijke ordening anderszins te verzekeren en (mogelijke) planschadekosten te verhalen op de initiatiefnemer. 7. In het geval van concurrerende projecten geldt: grondeigendom is leidend. In het belang van een goede ruimtelijke ordening c.q. ‘in het belang van de fysieke leefomgeving’ gelden voor de ontwikkeling van zonneparken een aantal belangrijke randvoorwaarden. Naast het streven naar een multifunctioneel ruimtegebruik (randvoorwaarde 2), worden stedenbouwkundige uitgangspunten gehanteerd (randvoorwaarde 3), die hieronder nog wat verder worden toegelicht: 1. Zonneparken in het bebouwde gebied op of aan vastgoed (o.a. daken in woongebieden, kantoorlocaties en bedrijventerreinen) hebben de voorkeur. Hierbij is sprake van dubbel ruimtegebruik.

De grondhouding van de gemeenten is om medewerking te verlenen aan dergelijke initiatieven en om deze planologisch mogelijk te maken; 2. Zonneparken in het bebouwde gebied op non-vastgoed (bv. restruimten, braakliggende terreinen, parkeerplaatsen, bedrijventerreinen) hebben eveneens de voorkeur. Ook hierbij is namelijk sprake van dubbel ruimtegebruik. De grondhouding van de gemeenten is om medewerking te verlenen aan dergelijke initiatieven en om deze planologisch mogelijk te maken; 3. De realisatie van zonneparken in gebieden die in het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg zijn aangeduid als ‘beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg’ én bovendien niet zijn gelegen in ‘goudgroene natuurzones’, ‘zilvergroene natuurzones’ of ‘bronsgroene landschapszones’ is mogelijk, mits aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan. De grondhouding van gemeenten is om het ‘ja, mits’-principe te hanteren bij dergelijke initiatieven. 4. Voor gebieden die in het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg zijn aangeduid als ‘goudgroene natuurzone’, ‘zilvergroene natuurzone’ of ‘bronsgroene landschapszone’ geldt het volgende: Realisatie van zonneparken is niet mogelijk, tenzij aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan. De grondhouding van gemeenten is om het ‘nee, tenzij’principe te hanteren bij dergelijke initiatieven. Randvoorwaarden m.b.t.

omgevingsmanagement en het terugvloeien van de opbrengsten Vooruitlopend op het Klimaatakkoord, zijn destijds in het RAK reeds randvoorwaarden opgenomen die er specifiek op gericht zijn om de omgeving actief te betrekken bij de exploitatie van windturbines of zonneparken en om de omgeving (bv. financieel) te laten meeprofiteren bij de projectontwikkeling. Het bereiken van een betrokken en actieve rol van de omgeving bij de ontwikkeling en de exploitatie van een zonnepark vraagt meer inspanning van initiatiefnemers dan een regulier communicatieplan en een brief met een participatiemogelijkheid. Uitgangspunt is dat initiatiefnemers zich zodanig inspannen dat omwonenden voldoende gelegenheid hebben om samen te werken aan de invulling van een gemeenschappelijke kwaliteit. Een wijkbelangenvereniging kan hierin een belangrijke rol spelen. De wijze waarop de gemeente dit stimuleert en faciliteert wordt vanuit de samenwerking uitgewerkt. In een communicatie- en participatieplan moet worden beschreven:

RES 1.0 Zuid-Limburg

62

a) Hoe de relevante stakeholders worden bepaald (stakeholderanalyse); b) Hoe de thema’s die in de omgeving spelen worden bepaald; c) Hoe de invloed van stakeholders op de planvorming wordt bepaald en vormgegeven per fase van het project; d) Hoe de projectcommunicatie richting stakeholders wordt vormgegeven; e) Op welke wijze de afspraken met stakeholders worden vastgelegd en gemonitord. Ook wordt verwacht dat een initiatiefnemer een ‘profijtplan’ opstelt in afstemming met de omgeving, waarin moet worden beschreven hoe de omgeving (bv. financieel) kan meeprofiteren. In dit profijtplan is de initiatiefnemer transparant en concreet over: a) De toe te passen methode (wat is het model); b) Het proces (o.a. wie mag meepraten en wie beslist over de verdeling van de opbrengsten); c) De informatieverstrekking (iedereen krijgt dezelfde informatie); d) De mate waarin inzicht wordt gegeven in de boekhouding van het project (tenminste op hoofdlijnen de kosten en de baten); e) De hoofdlijnen van de verdeling van de baten tussen grondeigenaren, investeerders en omgeving; f) De initiatiefnemer staat open voor de participatie van burgercoöperaties waarmee wordt beoogd de ontwikkeling van zonneparken door en voor de burgers te laten plaatsvinden. Dit houdt in dat burgers kunnen (mee-)investeren en profiteren van de revenuen, waardoor lokale geldstromen ontstaan.

De burgercoöperatie besluit vervolgens op welke wijze de revenuen worden ingezet, bv. ten behoeve van nieuwe energieprojecten of anderszins voorzieningen voor de lokale gemeenschap. Verdieping van het Regionaal Afwegingskader voor Zuid-Limburg Zoals in paragraaf 7.1.3 is beschreven is een andere verdiepingsslag mogelijk. Aansluitend op het RAK heeft de gemeente Voerendaal in samenwerking met bureau Verbeek (landschapsarchitectuur) een kader gedefinieerd waarbinnen de plaatsing van zon-PV in het buitengebied mogelijk is. Hierbij wordt specifiek rekening gehouden met gebieds-specifieke kenmerken als reliëf en de landschappelijke inbedding. De ervaringen van de gemeente Voerendaal zullen worden meegenomen in de ‘Landschappelijke verdiepingsstudie Wind en Zon Zuid-Limburg’.

7.1.6. Zoekgebieden grootschalige opwek wind- en zonne-energie Het ‘PALET Regionaal Afwegingskader Grootschalige Duurzame Energieopwekking’ heeft een belangrijke rol gespeeld bij de voorbereiding van het bod van de sub-regio Parkstad Limburg. In het voorjaar van 2020 zijn de bestaande kaarten door bureau Wing geactualiseerd op basis van de uitgangspunten van het NP-RES. Aansluitend hierop is de ruimtelijk-technische potentie voor windenergie en zon-PV in kaart gebracht en zijn de globale zoekgebieden aangewezen. Met de formele vaststelling van het definitieve RES 1.0-bod stemmen gemeenteraden in met de zoekgebieden en de hieruit voortkomende ambitie. De zoekgebieden voor Parkstad Limburg zijn op kaart weergegeven in figuur 7.3.

RES 1.0 Zuid-Limburg

63

Figuur 7.3: Zoekgebieden sub-regio Parkstad Limburg Zoekgebieden windenergie Rekening houdend met de beperkingen van wet- en regelgeving die gelden voor windturbines zijn de technisch-theoretisch potentiegebieden voor windenergie in beeld gebracht. Op basis van de technische potentie, de voorkeurslocaties, stedenbouwkundige uitgangspunten uit het RAK en de lopende verkenningen naar windenergie door de gemeenten zijn de zoekgebieden voor windenergie bepaald. In het definitieve bod wordt, bovenop de bestaande 0,75 MW turbine op Industrieterrein De Beitel in Heerlen, uitgegaan van ca. 17 aanvullende windturbines met een totaal opgesteld vermogen van 55 MW. Voor het definitieve bod komt dit neer op ca. 0,13 TWh. Dit is voldoende om ca. 36.000 huishoudens in Parkstad in hun stroom te voorzien, uitgaande van een gemiddeld verbruik van 3.500 kWh per huishouden per jaar. De zoekgebieden voor windenergie zijn op kaart aangewezen (zie figuur 7.3). Tabel 7.1:

Bod windenergie Parkstad Limburg

Wind-op-land Al gerealiseerd In de planning Nog te realiseren Totaal

TWh 0,002 0,000 0,128 0,130

Een deel van de zoekgebieden valt binnen de uitsluitingsgebieden voor windenergie zoals die in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) zijn gedefinieerd. Het betreft de volgende gebieden:

RES 1.0 Zuid-Limburg

64

• • •

Gebieden gelegen op de grens van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg en het verstedelijkt gebied van Parkstad Limburg, met name langs de infrastructurele as A76; Gebieden gelegen op de grens van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg en de landsgrens, in aansluiting bij reeds bestaande turbines direct over de landsgrens in Duitsland. De wenselijkheden en onwenselijkheden zullen in het kader van de RES 2.0 nader worden bepaald, als onderdeel van de landschappelijke verdiepingsstudie voor wind- en zonneenergie.

Een deel van de potentiegebieden valt binnen de invloedsfeer van de NAVO-vliegbasis Geilenkirchen, net over de grens in Duitsland. Mogelijk is de potentie voor opwek van windenergie aan de oostflank van Parkstad hierdoor sterkt beperkt. Nieuwe inzichten en ontwikkelingen zullen in de RES 2.0 worden verwerkt. Zoekgebieden zon-op-dak (>15 kWp) We hebben in de regio veel grote daken: in stedelijke gebieden, op bedrijventerreinen en op agrarische gebouwen. De potentie voor zon-op-dak in Zuid-Limburg is berekend aan de hand van de landelijk gehanteerde uitgangspunten. Daarbij wordt uitgegaan van een benuttingspercentage van 30% van het totale dakoppervlak groter dan 285 m2. Daarbij is rekening gehouden met een lager benuttingspercentage (12,5%) voor monumentale daken en daken gelegen in beschermde stads- en dorpsgezichten en zijn daken van kastelen, kloosters en kerken uitgesloten, rekening houdend met het behoud van de ruimtelijke kwaliteit. Op basis van het voorgaande is berekend dat er binnen Parkstad Limburg potentie is voor 0,18 TWh grootschalig zon-op-dak in 2030. Dit is het equivalent van ruim 50.000 huishoudens, uitgaande van gemiddeld 14 zonnepanelen (300Wp) per huishouden. Tabel 7.2:

Bod grootschalig zon-op-dak Parkstad Limburg

Zon-op-dak Al gerealiseerd In de planning Nog te realiseren Totaal

TWh 0,018 0,027 0,139 0,184

Zoekgebieden zon-op-land Voor de zoekgebieden zon-PV op land is conform de Limburgse zonneladder een onderscheid gemaakt tussen 1. Onbenutte terreinen in gebouwd gebied; 2. Gronden in het buitengebied met een andere primaire functie dan landbouw of natuur; 3. Gronden in gebruik voor landbouw. Het heeft de voorkeur om zoveel mogelijk grondgebonden zonne-energie te realiseren op restgronden (o.a. braakliggende terreinen en parkeerterreinen) om zo landbouwgronden en natuur te ontzien. Naast restgronden in het bebouwd gebied zijn er ook in het buitengebied een aantal mogelijke locaties die een andere primaire functie hebben dan landbouw of natuur. Hierbij kan gedacht worden aan voormalige delfstofwinplaatsen, (voormalige) stortplaatsen en pauzelandschappen. Een goed voorbeeld hiervan is de voormalige stortplaats ‘Het Kreupelbusch’ in Abdissenbosch (gemeente Landgraaf), waar reeds concrete plannen zijn voor de realisatie van een energiepark met zowel zonne-energie als windenergie.

RES 1.0 Zuid-Limburg

65

De totale potentie voor het realiseren van zon op agrarische grond is groot. Het is echter niet wenselijk en realistisch om alle agrarische gronden te transformeren tot zonneparken. Met name in het Nationaal Landschap Zuid-Limburg en in de landschapszones in- of tussen de stedelijke gebieden moet voorzichtig worden omgegaan met het realiseren van zonneparken om de landschappelijke kwaliteiten en de landschappelijk-recreatieve beleving niet negatief te beïnvloeden. Maar ook buiten het Nationaal Landschap bevinden zich landschappelijk-en cultuurhistorisch waardevolle landschappen. Bijvoorbeeld de door de eeuwen heen nauwelijks veranderde landerijen rondom kastelen en buitenplaatsen. Daarnaast vervullen de agrarische gronden een belangrijke functie als uitloopgebied voor bewoners en als leefgebied voor flora en fauna in het dichte stedelijke weefsel van Parkstad. Op basis van de uitgangspunten uit het RAK zijn gemeenten eind 2020 en begin 2021 geconsulteerd, waarbij het draagvlak voor het voorliggende bod is verkend. De uitkomsten hiervan zijn verwerkt in de RES 1.0, waarbij wordt uitgegaan van een bijdrage van ca. 0,19 TWh aan het totale Zuid-Limburgse bod voor zon-op-land. Slechts een klein deel van de projecten is reeds gerealiseerd of concreet geprojecteerd (in de planning). Tabel 7.3:

Bod zon-op-land Parkstad Limburg

Zon-op-land Al gerealiseerd In de planning Nog te realiseren - Onbenutte terreinen in bebouwd gebied - Gronden in buitengebied met andere primaire functie dan landbouw of natuur - Gronden in gebruik voor landbouw Totaal

RES 1.0 Zuid-Limburg

TWh 0,006 0,026 0,158 0,029 0,038 0,091 0,190

66

7.2. Westelijke Mijnstreek 7.2.1. Uitsplitsing van het bod van de Westelijke Mijnstreek per gemeente In onderstaande tabel is het bod van de Westelijke Mijnstreek (de maximale ruimtelijk-realistische potentie van grootschalige opwek wind en zonne-energie t/m 2030) uitgesplitst per gemeente. Tabel 7.4:

Overzicht potentie grootschalige opwek zonne- en windenergie per gemeente

Thema

Beek *** [MWh]

Stein [MWh]

22.000 5.000

SittardGeleen [MWh] 177.128 59.186

Zon op daken* Zon op parkeerterreinen en bedrijventerreinen Zon op braakliggende terreinen Zon langs infrastructuur Zon op erven Zon op landbouw Windenergie** Totaal

21.490 626

Totaal WM [MWh] 220.618 64.812

Totaal WM [%] 49% 14%

0 0 0 23.000 0 50.000

874 0 0 70.991 37.500 345.679

820 0 0 35.274 0 58.210

1.694 0 0 129.265 37.500 453.889

1% 0% 0% 28% 8% 100%

*Dit is exclusief de zonne-energie door zonnepanelen op daken van woningen en andere (kleinere) gebouwen <285 m2. **Dit betreft 3 windturbines in bedrijventerrein Holtum-Noord met een vermogen van ieder 5 MW ***Een deel van de zoekgebieden van Beek wat betreft zon op landbouw zal op zijn vroegst na 1 januari 2025 in beeld komen en dan alleen als met de inzet van alle andere zoekgebieden samen niet het maximale bod van Beek van 50.000 Mwh gehaald wordt (zie toelichting aan het eind van de paragraaf met de onderbouwing van het bod van Beek)

Bovenstaande bod is gebaseerd op de per gemeente gekozen afwegingskaders en zoekgebieden voor grootschalige opwek van wind- en zonne-energie. Voor zonne-energie geldt dat op basis van benuttingspercentages is berekend hoeveel duurzame energie in de zoekgebieden opgewekt kan worden. Daarbij zijn de landelijke benuttingspercentages (tot en met 2030) toegepast voor daken van gebouwen en parkeerterreinen. Ook is rekening gehouden met wat er beleidsmatig maximaal gewenst is op braakliggende terreinen en op landbouwgrond. De benutting van landbouwgrond verschilt per gemeente. Dit is uitgedrukt in percentages van de totaal oppervlakte grond of dak: • • • • • • •

Benutbaarheid dak > 285 m2: 30% Benutbaarheid parkeerterreinen en verhard terrein bedrijventerreinen: 5-10% Benutbaarheid braakliggende terreinen: 10% Benutbaarheid langs infrastructuur: 0% Benutbaarheid landbouwgebied in Stad-landzones van gemeente Sittard-Geleen: max. 20% Benutbaarheid landbouwgebied in Stein: 10% (excl. uitsluitingsgebieden) Benutbaarheid landbouwgebied in Beek: Maximaal 35 ha (= 2,5% van geheel landbouwgebied)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Simpelveld&id=1ddc4997-418d-40b9-948e-765c88ad6af7