CConstaterende datSimpelveld
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Bijlage 1 RES 1.0 Zuid-Limburg, 16 maart 2021.pdf

Commissie GGZ 25 mei 2021, gemeente SimpelveldBij agendapunt: Raadsvoorstel Regionale Energie Strategie (RES 1.0) Zuid-Limburg: vaststelling definitieve RES 1.0 gemeente Simpelveld38.846 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

8.4.1. Restwarmte Restwarmte is de energie die vrijkomt bij energieomzetting in een productieproces en niet meer binnen het bedrijf zelf kan worden gebruikt. Zuid-Limburg is één van de vijf industriële regio’s van Nederland waar restwarmte in grote hoeveelheid aanwezig is. De belangrijkste potentiële

RES 1.0 Zuid-Limburg

88

restwarmtebron is industrieterrein Chemelot in Sittard-Geleen. Daarnaast zijn er kleinere industriële lokale bronnen in met name de stedelijke delen van Zuid-Limburg aanwezig. Bijlage III geeft een overzicht van de geïnventariseerde warmtebronnen in de 16 gemeenten in de regio. Voor elke warmtebron is aangegeven of het een lage temperatuur- (LT-bron is <55 °C)) of midden/hoge temperatuurbron (MT/HT-bron is >55 °C) betreft. Het temperatuurniveau en het vermogen van de lokale warmtebronnen is, voor zover bekend, ook vermeld. Het overzicht is gebaseerd op de huidige stand van de techniek én de waarschijnlijkheid van sectorale beschikbaarheid. Daarbij valt op dat voor een groot aantal bronnen niet alleen de technische potentie, maar vooral economische of maatschappelijke haalbaarheid nog onbekend is. Verder onderzoek is nodig om het daadwerkelijke vermogen en de haalbaarheid van deze bronnen te beoordelen. In de RSW 2.0 zullen nieuwe inzichten en ontwikkelingen opnieuw worden meegenomen. Niet alle restwarmte is bruikbaar. De temperatuur van de bron en de afstand tot een (bestaand) warmtenet zijn belangrijke criteria voor de haalbaarheid van een restwarmteproject. Hogetemperatuurbronnen (HT) van +70°C zijn geschikt om rechtstreeks, zonder grote ingrepen (basisisolatie), op bestaande gebouwen aan te sluiten.

Lage-temperatuurbronnen (LT) kunnen worden ingezet middels een bronnet (i.c.m. individuele warmtepomp), een laagtemperatuurnet (waarbij warmte voor goed-geïsoleerde woningen wordt opgewaardeerd naar 40°C met een warmtepomp) of via een middentemperatuur-warmtenet (waarbij het water centraal wordt opgewaardeerd met een HT-warmtepomp tot ca. 70°C, waardoor ook matig geïsoleerde woningen verwarmd kunnen worden).

8.4.2. Restwarmte Chemelot In 2019 is door Het Groene Net (HGN) en Chemelot onderzoek gedaan naar de aanleg van een warmtenet in Sittard-Geleen, Beek en Stein met uitbreiding naar Meerssen en Maastricht. Hierbij is ook gekeken naar de totale potentie van de restwarmtebronnen op de Chemelotsite. De hoeveelheid beschikbare restwarmte wordt vooralsnog door Chemelot als volgt ingeschat: • • •

Op temperaturen van >50 °C is 250 MWth17 restwarmte beschikbaar (in dit vermogen zit dus ook de warmte die beschikbaar is op >70°C en >90°C) Op temperaturen van >70 °C is 200 MWth restwarmte beschikbaar (in dit vermogen zit dus ook de warmte die beschikbaar is op +90°C) Op temperaturen van >90 °C is 75 MWth restwarmte beschikbaar.

In eerste instantie wordt uitgegaan van de restwarmte +70 °C. Deze hierbij behorende 200 MWth komt, op basis van de huidige gebruiksmogelijkheden, overeen met ongeveer 3.240 TJ per jaar. Het aantal woningen dat met restwarmte van Chemelot verwarmd kan worden hangt af van systeemkeuzes en uitgangspunten. Denk hierbij aan het isolatieniveau van woningen, inzet van bronnen en buffers en de hoeveelheid bijstook van gas voor piekvoorziening. Er is in deze fase nog geen onderbouwde uitspraak mogelijk over een exact aantal woningen. De bandbreedte ligt tussen de 70.000 en 130.000 woningen.

17 MWth is de eenheid die wordt gebruikt om de hoeveelheid thermische energie uit te drukken.

RES 1.0 Zuid-Limburg

89

8.4.3. Geothermie Geothermie of aardwarmte ontstaat door de warmte-uitstraling uit de kern van de aarde. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen ondiepe geothermie (vanaf 300 meter) en diepe geothermie (500-4.000 meter). Bij diepe geothermie kan water met een hoge temperatuur (ca. 25140°C) uit de bodem worden gehaald. Bij ondiepe geothermie (300-500 meter) zijn de watertemperaturen relatief laag (ca. 20-25°C). Deze temperatuur kan met behulp van warmtepompen verder worden verhoogd. De exacte potentie van geothermie is op dit moment nog onduidelijk. In 2021 wordt door TNO/ECN middels het onderzoeksprogramma SCAN18 de potentie van geothermie in Provincie Limburg in kaart gebracht. Op dit moment is duidelijk dat er twee seismische onderzoekslijnen door ZuidLimburg lopen, waarvan één definitieve onderzoekslijn door sub-regio Parkstad Limburg en één optionele lijn door Maastricht-Heuvelland. In voormalige mijnbouwregio’s (voormalige Oostelijke- en Westelijke Mijnstreek) ontwikkelt Provincie Limburg in samenwerking met gemeenten op dit moment aanvullend beleid en maatregelen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater dat zowel voor drinkwater als door water- en bierfabrikanten wordt benut in de regio. Dit beleid kan variëren van boringsvrije zones tot het sterker reguleren van bodemenergie-systemen.

De impact hiervan op de potentie en kosten voor bodemwarmte-oplossingen is nog niet duidelijk. Het beleid zal in de omgevingsverordening van de provincie en de omgevingsplannen van de betreffende gemeenten worden opgenomen.

8.4.4. Bodemenergie en WKO Bodemenergie is het gebruiken van de bodem om warmte en koude aan te onttrekken en in op te slaan. Men spreekt van bodemenergie tot een maximale diepte van 500 meter. Een warmtepomp waardeert de warmte uit de bodem op tot een voor gebouwen bruikbaar niveau. Voor individuele gebouwen kan dat met een zogenoemde bodemlus; voor grote gebouwen of clusters van gebouwen kan dit met een warmte-koudeopslag(WKO)-systeem. De warmte die in de winter gebruikt wordt, moet in de zomer weer worden aangevuld. Dit kan door gebouwen in de zomer te koelen en zo actief warmte in de bodem te brengen. Een warmte-koude opslag (WKO) maakt gebruik van een waterlaag in de (ondiepe) ondergrond waarin de warmte (of koude) seizoensgewijs opgeslagen kan worden: warmte in de zomer voor gebruik in de winter en bij koude net andersom. In Zuid-Limburg zijn er diverse projecten die gebruik maken van WKO, zoals het Zuyderland ziekenhuis in Sittard-Geleen. Ook Mijnwater B.V. in Parkstad maakt gebruik van de verschillende temperaturen in de ondergrond, waarbij de mijnschachten dienen als warmtebuffers. In Brunssum verzorgt Mijnwater B.V. de warmte in een aantal nieuwbouwprojecten met WKO en stand-alone oplossingen. De potentie van WKOoplossingen voor de warmtetransitie is enerzijds veelbelovend en anderzijds nog onderwerp van studie.

Met name voor bestaande bouw zijn de kosten om gebouwen te isoleren naar het vereiste schilniveau een belemmering voor de uitrol van dit concept.

18 www. scanaardwarmte.nl

RES 1.0 Zuid-Limburg

90

8.4.5. Aquathermie Bij aquathermie gaat het om thermische energie (zeer lage temperatuur) uit oppervlaktewater (TEO) en afvalwater (TEA). De potentie voor aquathermie in Zuid-Limburg is op dit moment nog onduidelijk. Tot op heden zijn er voor zover bekend geen aquathermie-projecten gerealiseerd of gepland in Zuid-Limburg. In de Maas en de plassen naast de Maas zijn lokale initiatieven (met name nabij nieuwbouwprojecten) voor TEO denkbaar. Daarnaast bevinden zich een aantal rioolzuiveringsinstallaties en drinkwaterinstallaties in de regio. Tot slot zijn ook transportleidingen van afvalwater een mogelijke warmtebron. De verwachting is echter dat, hoewel de theoretische potentie mogelijk groot is, de werkelijk bruikbare potentie in Zuid-Limburg relatief beperkt is. In 2017/2018 heeft het Waterschapsbedrijf Limburg een quickscan uitgevoerd omtrent de mogelijke kansen voor het toepassen van restwarmte uit het afvalwater van rioolleidingen of effluentleidingen van het WBL, waaronder de kansen voor het verwarmen van Limburgse zwembaden. Het onderzoek heeft niet geleidt tot haalbare kansen.

Redenen hiervoor waren onder andere: • Te lage afvalwaterdebieten waardoor er onvoldoende warmte kon worden teruggewonnen (veelal in combinatie met te hoge fluctuaties van het debiet waardoor de warmte bovendien niet constant beschikbaar is); • Te grote afstanden tussen de warmtebronnen en de warmteafnemers. Daarnaast is het nog onduidelijk of dergelijke bronnen voldoende rendabel zijn. In een potentiestudie concludeerde Waterbedrijf Limburg in 2020 dat het toevoegen van het effluent van de rioolwaterzuiveringsinstallatie in Hoensbroek aan het warmtenet van Mijnwater niet kon concurreren met andere beschikbare restwarmtebronnen.

8.5. Warmte-infrastructuur en opslag De huidige energie-infrastructuur wordt grotendeels gekenmerkt door de centrale opwek van elektriciteit in kolen- en gascentrales en transport van gas naar de gebouwde omgeving. In de jaren 60 van de vorige eeuw is een uitgebreid stelsel van gasleidingen in de bodem aangelegd om de gebouwen in Nederland mee te verwarmen. In de Systeemstudie energie-infrastructuur Limburg (2020) heeft CE Delft de bestaande energie-infrastructuur in kaart gebracht (zie figuur 8.3). Vandaag de dag zijn diverse partijen op verschillende plekken in de regio aan de slag om het bestaande gasnet af te bouwen en nieuwe infrastructuur, in de vorm van warmtenetten, aan te leggen.

Figuur 8.2: Infrastructuur elektriciteit & warmte (bron: CE Delft, 2020) RES 1.0 Zuid-Limburg

91

In de komende jaren is afstemming met alle betrokken partijen (incl. TenneT, Enexis, Provincie Limburg, RES Noord- en Midden Limburg en gemeenten) essentieel om mogelijke knelpunten m.b.t. de energie-infrastructuur tijdig in beeld te brengen, tot optimale oplossingen te komen en bij te dragen aan een betaalbaar, duurzaam en betrouwbaar energiesysteem.

8.5.1. Bestaande warmte-infrastructuur Warmtenetten (bv. gevoed met restwarmte) zijn nu al onderdeel van onze oplossing in de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. Een klein deel van de woningen en utiliteiten in ZuidLimburg is al aangesloten op een warmtenet: •

•

•

In Parkstad Limburg is een klein deel van de woningen en utiliteiten – ca. 6.500 woningen en 100 bedrijven – reeds aangesloten op het warmte- en koudenet van Mijnwater B.V. (bestaande uit een hoofdleiding met daaraan gekoppeld decentrale clusternetten) en op de kleinschalige warmtenetten van EnNatuurlijk; In de Westelijke Mijnstreek is in Sittard-Geleen al een begin gemaakt met het aansluiten van ca. 650 woningen en 25 utiliteiten op een warmtenet (Het Groene Net) dat gebruik maakt van de warmte van de Biomassacentrale in Sittard (BES) en binnenkort ook van restwarmte van Chemelot. Daarnaast zijn ca. 1.100 woningen aangesloten op warmtenetten van EnNatuurlijk; In Maastricht-Heuvelland zijn in Gemeente Maastricht 3.000 woningen en utiliteiten aangesloten op twee lokale warmtenetten van EnNatuurlijk. Hierbij is één van de warmtenetten aangesloten op hoge temperatuur restwarmte van papierfabriek Sappi, gelegen aan westkant van de Maas.

8.5.2. Nieuwe warmte-infrastructuren: Mijnwater en Het Groene Net De aanleg van een regionaal warmtenet geldt als een grote kans om snel stappen te zetten in de richting van een aardgasvrije gebouwde omgeving. De ambitie om in 2030 een groot deel van de woningen en utiliteiten in Zuid-Limburg aardgasvrij te maken is op basis van het potentiële aanbod van restwarmte haalbaar. Zuid-Limburg beschikt momenteel nog niet over een regionale warmteinfrastructuur. De huidige warmtenet-infrastructuur van Mijnwater B.V. – bestaande uit een smart-grid van mijnwaterbassins, infrastructuur, distributienetten en warmtepompcentrales – biedt met name binnen sub-regio Parkstad Limburg potentieel om een bijdrage te leveren aan het de doelstellingen van het landelijke Klimaatakkoord. Kleine warmtenetten met WKO-oplossingen bieden ook buiten Parkstad kansen om bij te dragen aan de doelstellingen. Op basis van informatie van de huidige exploitant van de restwarmte van Chemelot, Het Groene Net (HGN), wordt ontsluiting van een deel van de woningen en utiliteiten in de Westelijke Mijnstreek op korte en middellange termijn haalbaar geacht. Daarnaast wordt de mogelijkheid onderzocht om het netwerk uit te breiden richting Meersen-Maastricht. Maastricht kent vele moeilijk te isoleren oude en monumentale panden in hoogstedelijke buurten.

Dit maakt de businesscase zowel voor de aanbieder als afnemer interessant. Er dient nader onderzocht te worden of er ook mogelijkheden zijn om ook een transportleiding naar Parkstad Limburg te kunnen aanleggen. Op dit moment is het nog niet mogelijk om inzicht te geven in de financiële, technische en maatschappelijke slagingskans van nieuw te ontwikkelen warmte-infrastructuur. Wel wordt er momenteel in samenwerking met de provincie en warmtebedrijven als Mijnwater en Het Groene RES 1.0 Zuid-Limburg

92

Net onderzocht hoe cruciale vraagstukken voor de realisatie van een warmtenet kunnen worden beantwoord: • Betaalbaarheid voor eindgebruikers binnen de kaders van woonlastenneutraliteit (zoals vastgesteld in het Klimaatakkoord); • Continuïteit en beschikbaarheid warmtebronnen (m.n. op Chemelot), kwantiteit beschikbare restwarmte en medewerking broneigenaren (eigendom veelal in buitenlandse handen); • Bereidheid van private partijen en/of overheidspartijen om te investeren in een warmteinfrastructuur (investeringskosten) en bijbehorende risico’s te dragen; • Bereidheid van particuliere afnemers om aan te sluiten op een dergelijk warmtenet; • Exploitabiliteit van het warmtenet d.m.v. een renderende businesscase (exploitatiekosten); • Beschikbare ruimte voor aanleg infrastructuur, met name in binnenstedelijk gebied; • Alternatieven warmtebronnen op langere termijn: de mate waarin het mogelijk is om leveringszekerheid te garanderen en de warmtebronnen geleidelijk te verduurzamen; • Wetgeving m.b.t de rolverdeling van publieke en private partijen in de warmteketen. Belangrijk hierbij is de versterking van de regierol van gemeenten bij de transitie naar aardgasvrije wijken.

8.5.3. Warmteopslag De opslag van energie in batterijen maakt geen onderdeel uit van de RES, maar zal in de toekomst mogelijk een belangrijke rol spelen in het stabiliseren van het energienet. Daarbij is er een verschil tussen batterijen op individueel niveau (de zgn. thuisbatterij), buurtniveau (buurtbatterij) en grootschalige batterijen. Waar de opslag van elektriciteit langzaam gangbaarder wordt door individuele en collectieve batterijen), wordt warmteopslag in woningen vooralsnog weinig toegepast in Nederland. Naarmate de afhankelijkheid van aardgas afneemt, zal warmteopslag (centraal of in woningen) naar verwachting belangrijker worden. Zo kan bijvoorbeeld gedacht worden aan ondergrondse buffersystemen om warmte op te slaan en deze in te zetten in tijden van schaarste. Dit speelt ook, zoals we in paragraaf 8.4.1 hebben gezien, een rol in ontwikkeling van een restwarmtenet.

8.5.4. Afbouw bestaande gasinfrastructuur Enexis Netbeheer is verantwoordelijk voor het beheren en waar mogelijk uitfaseren van het bestaande aardgasnetwerk in Zuid-Limburg. Enexis stimuleert gemeenten om zoveel mogelijk wijkgericht het gasnetwerk op te ruimen. Dit sluit aan bij de gedachte van wijkgerichte aanpak uit het Klimaatakkoord waarbij wijken en buurten het liefst gezamenlijk en in één keer overgaan op een duurzaam alternatief voor aardgas. Voor landelijke gemeenten is een individuele aanpak mogelijk wel wenselijk, om hiermee de druk op het elektriciteitsnetwerk (wanneer er gekozen wordt voor all-electric oplossingen) te verdelen. Per geval dient de gewenste aanpak i.s.m. Enexis onderzocht te worden. De kosten voor het verwijderen van gasaansluitingen wordt gesocialiseerd. Zodoende heeft de individuele woningeigenaar geen directe kosten bij het afsluiten van de gasaansluiting. Enexis heeft ook een belangrijke rol bij het elektrificeren van een deel van de warmtevraag in bijvoorbeeld wijken waar veel gekozen zal worden voor een all-electric oplossingen. Het elektriciteitsnet is in veel gevallen niet klaar voor een sterke toename in het elektriciteitspiekgebruik door warmtepompen en elektrisch koken. Dit geldt in veel beperkte mate voor wijken met een warmtenet (elektrisch koken) waar de verwarmingsvraag niet elektrisch voorzien hoeft te worden.

RES 1.0 Zuid-Limburg

93

8.5.5. Lessen uit de praktijk Zuid-Limburg kent twee zgn. proeftuinen in het kader van het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW): de wijken Brunssum-Noord (Brunssum) en Limbrichterveld-Noord (Sittard-Geleen). In Brunssum-Noord betreft het 525 hoogbouw-woningen in de huursector, waarbij onderzocht wordt of deze middels een lage temperatuur-warmtenet in combinatie met opslag (Mijnwater) van het aardgas af kunnen gaan. In Limbrichterveld-Noord worden 847 rijwoningen (koop- en huurwoningen) aangesloten op de restwarmte van de biomassa energiecentrale in Sittard-Noord. In aanloop naar de derde tranche van het Programma Aardgasvrije Wijken wordt onderzocht of Nazareth-Limmel (Maastricht) in aanmerking komt voor proeftuinbijdrage (decentralisatieuitkering). Ook andere gemeenten in Zuid-Limburg overwegen een proeftuinbijdrage aan te vragen. Een belangrijke les uit de ervaringen tot nu toe is dat woonlastenneutraliteit in de praktijk vaak niet haalbaar lijkt en de benodigde investeringen vooralsnog erg hoog zijn. Op dit moment bevinden we ons nog in de innovatiefase, waarbij met name geleerd wordt van pilotprojecten. Van een kostendaling door schaalvergroting lijkt op korte termijn nog geen (of beperkt) sprake te zijn.

Met name de onduidelijkheid over wie deze kosten draagt, vormt momenteel een barrière voor het verduurzamen van de woningvoorraad, met name in het overtuigen van inwoners om mee te doen. De leerervaringen van de proeftuinen, maar ook van andere wijken en buurten, worden landelijk via een kennis- en leerprogramma verspreidt, zodat alle gemeenten in Nederland hiervan kunnen leren. Binnen de RES zullen we deze lessen waar mogelijk vertalen naar een regionaal niveau en gemeenten waar mogelijk ondersteunen. Gemeenten hebben de regierol over de warmtetransitie. In het Klimaatakkoord is als voorwaarde gesteld dat gemeenten invulling geven aan deze rol zolang hier de juiste voorwaarden voor geschept worden. Dit zijn betaalbaarheid en haalbaarheid van alternatieven voor aardgas, juiste (juridische) bevoegdheden voor gemeenten en vergoeding voor personeel en procesgeld. De VNG en de G40-gemeenten (gemeenten met meer dan 100.000 inwoners) concluderen echter dat er op dit moment onvoldoende invulling is gegeven aan deze voorwaarden. Het gevolg is dat gemeenten niet de gewenste start en opschaling kunnen realiseren die nodig is om de klimaatdoelstellingen te halen.

In een pilot in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft gemeente Maastricht onderzocht hoe Omgevingswetinstrumenten kunnen helpen bij het versnellen van de transitie naar aardgasvrij. De conclusie is dat huidige wetgeving tekort schiet om gemeenten op effectieve wijze te ondersteunen bij het opschalen van de aanleg van collectieve warmtesystemen. Deze conclusie sluit aan bij standpunten van VNG en G40 over het ontbreken van een gedegen instrumentarium om uitvoering te geven aan de regierol van gemeenten en het behalen van de klimaatdoelstellingen.

RES 1.0 Zuid-Limburg

94

9. Vervolgstappen - Conform de landelijke afspraken zal de RES Zuid-Limburg elke twee jaar ge-update worden. Nieuwe inzichten, ontwikkelingen en ervaringen ten aanzien van warmtebronnen en locatiekeuzes voor hernieuwbare opwek zullen daarbij worden doorgevoerd. Ook worden eventuele besluiten over nieuwe energie infrastructuur en opslag meegenomen. - De RES is een strategische verkenning en daarmee niet juridisch bindend voor derden. Om de RES-afspraken publieksrechtelijk te borgen, zullen onderdelen van de RES publiekrechtelijk verankerd moeten worden. We maken hierbij gebruik van de instrumenten die de Omgevingswet ons biedt. - Om de stabiliteit van het reeds in gang gezette proces te waarborgen, zullen we de werkstructuur die we conform de startnotitie voor de RES 1.0 hebben opgezet, continueren.

In dit hoofdstuk beschrijven we in het kort de vervolgstappen van de RES Zuid-Limburg. Deze hebben betrekking op het verankeren van de RES-afspraken in het omgevingsbeleid, de doorkijk naar de RES 2.0 en de manier waarop de samenwerking in Zuid-Limburg georganiseerd is.

9.1. Publiekrechtelijk vastleggen RES-afspraken De RES is een strategische verkenning en daarmee niet juridisch bindend voor derden. Om de RESafspraken publieksrechtelijk te borgen, worden de RES en de (ruimtelijke) afwegingskaders voor de opwek van wind- en zonne-energie verankerd in omgevingsvisies. Daarna worden deze afspraken geoperationaliseerd in provinciale omgevingsverordeningen, omgevingsplannen en toegepast bij het verlenen van omgevingsvergunningen. Zo wordt stapsgewijs de juridische status verankerd bij operationalisering van de RES via de instrumenten van de Omgevingswet. De Omgevingswet heeft tot doel een balans te zoeken tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De wet bundelt 26 bestaande wetten en treedt naar verwachting in 1 januari 2022 in werking. De Omgevingswet bestaat uit vier instrumenten (Omgevingsvisie, Programma’s, Omgevingsplan en Omgevingsvergunning) die sterk met elkaar samenhangen (zie figuur 9.1).

RES 1.0 Zuid-Limburg

95

Figuur 9.1: De kerninstrumenten van de Omgevingswet De Omgevingsvisie is een integrale langetermijnvisie van een bestuursorgaan voor de hele fysieke leefomgeving en haar grondgebied. De Omgevingsvisie is een verplicht instrument voor het Rijk, de provincie en de gemeente. Het Rijk maakt een nationale Omgevingsvisie (NOVI), de provincie een provinciale Omgevingsvisie (POVI) en de gemeente een gemeentelijke Omgevingsvisie (GOVI). Enkele waterschappen maken bovendien vrijwillig een Omgevingsvisie (Waterschap Limburg doet dat niet, maar beschrijft wel energiedoelen in het Waterbeheerprogramma). In de Omgevingsvisie wegen overheden de verschillende belangen van wonen, bedrijven, mobiliteit en energie ten opzichte van elkaar. Het is dus belangrijk dat de ambitie met betrekking tot energie goed landt in de omgevingsvisies op alle niveaus. In 2020 zijn de NOVI en de ontwerp POVI vastgesteld, respectievelijk door de Minister van BZK en het college van Gedeputeerde Staten. De POVI wordt in april 2021 ter vaststelling aan Provinciale Staten voorgelegd. Wat betreft de GOVI’s volgt iedere gemeente zijn eigen traject. Een veelgenoemde datum waarop de GOVI moet zijn vastgesteld is 1 januari 2024, maar officieel is daar nog geen besluit over genomen. De meeste gemeenten zullen deze omgevingsvisie eerder vaststellen.

Binnen Parkstad werken de gemeenten samen aan een regionaal afstemmingskader voor de gemeentelijke omgevingsvisies. De afspraken die in het kader van de RES 1.0 worden gemaakt, worden hierin meegenomen. De planning is om het regionaal afstemmingskader in het voorjaar van 2022 ter vaststelling aan te bieden aan de zeven gemeenteraden. Specifieke delen uit de Omgevingsvisies kunnen worden uitgewerkt in een of meerdere programma(’s), een beleidsdocument waarin maatregelen geformuleerd worden die moeten leiden tot de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Hierin wordt bepaald hoe, wanneer en met welke middelen aan een bepaald beleidsdoel zal worden gewerkt. De Omgevingsvisie wordt juridisch vertaald in een omgevingsverordening (provinciaal niveau, vaststelling gepland najaar 2021) of een omgevingsplan (gemeentelijk niveau). Daarbij gaat het om het vastleggen van regels voor de fysieke leefomgeving. Rijk en provincies hebben de verordening

RES 1.0 Zuid-Limburg

96

gereed in 2021, waterschappen hun waterschapsverordening in 2023 en gemeenten hebben uiterlijk 2029 een integraal omgevingsplan. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat vóór 1 januari 2025 omgevingsvergunningen voor zon- en windprojecten omschreven in de RES zijn verleend. Deze omgevingsvergunningen worden getoetst op regels die in de omgevingsplannen vastgelegd zijn. Daarom is het van belang dat omgevingsvisies en omgevingsplannen ruim voor 2025 vastgesteld zijn.

9.2. Doorkijk naar RES 2.0 Het RES traject heeft een doorlooptijd tot 2030, maar wordt minimaal elke twee jaar geüpdatet. In 2023 volgt de RES 2.0 (en in 2025 de RES 3.0, etc. zie figuur 9.2).

Figuur 9.2: Tijdlijn RES 2030 – 2050 Elke nieuwe versie is een nadere uitwerking en mogelijke herziening van de voorgaande RES. De RES 3.0 is een herziening van de 2.0, de RES 4.0 van de 3.0 enz. Nieuwe inzichten, ontwikkelingen en ervaringen ten aanzien van warmtebronnen en locatiekeuzes voor hernieuwbare opwek worden doorgevoerd. Daarnaast worden in de RES 2.0 eventuele besluiten over nieuwe energie infrastructuur en opslag opgenomen. In de zomer van 2021 zal er vanuit het NP-RES een nieuwe handreiking voor de RES 2.0 beschikbaar worden gesteld. Daaruit zal blijken welke sectoren/technieken er mogelijk aanvullend in de RES2.0 moeten worden meegenomen. Op basis hiervan zullen we in Zuid-Limburgs verband opnieuw afspraken maken. In de periode tussen de RES 1.0 en de RES 2.0 zal in ieder geval het volgende uitgewerkt worden: • •

Verder onderzoek naar specifieke locaties binnen vastgestelde zoekgebieden voor opwek van wind- en zonne-energie en mogelijke uitwerking in concrete projecten; Nadere beschrijving van de criteria waaraan zonne- en windparken moeten voldoen. Hiervoor is het landschappelijk verdiepingsonderzoek van belang dat de provincie samen met de RES-Zuid-Limburg in 2020 laat uitvoeren;

RES 1.0 Zuid-Limburg

97

•

•

• •

Het opstellen van uitvoeringsplannen, deels voor heel Zuid-Limburg, deels sub-regionaal, deels per gemeente. Op basis van de vastgestelde ambitie in de RES 1.0 worden ambities en opgaven voor de korte termijn geformuleerd. Aanvullend worden ook lokaal projecten en/of activiteiten uitgevoerd om de gestelde ambitie te behalen. De relatie tussen de RES en de energietransitie in de overige sectoren (bijv. industrie, landbouw, mobiliteit). Van belang hiervoor zijn de Provinciale Energie Strategie (PES), de Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL) en de Cluster Energie Strategie (CES) die voor Chemelot opgesteld wordt. De prognoses voor de energievraag in 2050. Deze zullen verder worden uitgewerkt. Het volgen van maatschappelijke en technologische ontwikkelingen rondom energie zoals bijvoorbeeld waterstof.

In de periode tussen de RES 1.0 en de RES 2.0 stellen alle gemeenten hun Transitievisie Warmte (TVW) vast. Dit moet uiterlijk eind 2021 gebeuren. De verschillende TVW’s vormen een belangrijke input voor de Regionale Structuur Warmte (RSW) in de RES 2.0. Aan de hand van de TVW’s van de Zuid-Limburgse gemeenten zal voor de RES 2.0 worden verkend welke oplossingen voor gebouwen haalbaar en betaalbaar zijn op basis van de beschikbaarheid van bovengemeentelijke bronnen. Mede op basis hiervan kunnen regionaal op bestuurlijk niveau afspraken worden gemaakt over de inzet van bovengemeentelijke warmtebronnen en de hiervoor benodigde infrastructuur.

9.3. Organisatiestructuur De RES Zuid-Limburg kiest er voor om de bestaande RES-organisatie te continueren, dit om de stabiliteit van het reeds in gang gezette proces te waarborgen. Op regioniveau bestaat de organisatie uit de Stuurgroep RES-Zuid-Limburg, het Breed Bestuurlijk Overleg, het Programmateam en de Klankbordgroep. Hiervoor dient de samenwerking tussen het programmateam en de RES-organisaties op sub-regionaal niveau en/of op gemeentelijk niveau te worden gehandhaafd. Dit conform de afspraken die in de startnotitie voor de RES 1.0 zijn gemaakt. Een volledig overzicht van de werkstructuur zoals deze in RES Zuid-Limburg wordt gehanteerd is te vinden in bijlage I.

RES 1.0 Zuid-Limburg

98

Bijlagen I. Werkstructuur en Governance RES Zuid-Limburg In onderstaand figuur zijn de werkstructuur en het bijbehorende governance-model voor de RES Zuid-Limburg afgebeeld.

Figuur I.1: Werkstructuur en governance-model RES Zuid-Limburg Stuurgroep RES Zuid-Limburg De Stuurgroep bestaat uit een afvaardiging van twee bestuurders per regio (Parkstad Limburg, Westelijke Mijnstreek en Maastricht-Heuvelland), de gedeputeerde Duurzaamheid van de Provincie Limburg, een bestuurder van het Waterschap Limburg, en netbeheerder Enexis. De Stuurgroep heeft een belangrijke regiefunctie. Zij stuurt de ambtelijke werkgroep (het Programmateam) aan en beheert de vergaderagenda en vergaderfrequentie van het Bestuurlijk Overleg t.b.v. rapportages en resultaten waarna deze al dan niet in de gremia ter besluitvorming worden voorgelegd. Bestuurlijk Overleg In het Bestuurlijk Overleg zijn de volgende partijen vertegenwoordigd: De wethouders Duurzaamheid van de 16 gemeenten in Zuid-Limburg, de gedeputeerde Duurzaamheid/Energie van de Provincie Limburg, een bestuurder van het Waterschap Limburg, een bestuurder van Enexis en de voorzitter van de Klankbordgroep (adviserend). De definitieve versies van de concept-RES en RES worden ter bespreking en ter doorgeleiding naar de besluitvormende gremia aan het Bestuurlijk Overleg voorgelegd. De volledige taken en verantwoordelijkheden van de verschillende partijen staan beschreven in de Startnotitie.

RES 1.0 Zuid-Limburg

99

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Simpelveld&id=1ddc4997-418d-40b9-948e-765c88ad6af7