5. Bijlage 1 RES 1.0 Zuid-Limburg, 16 maart 2021.pdf
Tekst van het document
Dit in verband met privacy en het feit dat energiegebruik herleidbaar kan zijn naar individuele afnemers.
RES 1.0 Zuid-Limburg
25
De ontwikkeling van het energiesysteem voor de industrie wordt verder onderzocht in het kader van een systeemstudie van de Limburgse energie-infrastructuur en de Provinciale Energie Strategie (PES). Thema’s als energiebesparing en procesoptimalisatie worden opgepakt door de landelijke thematafel industrie. Voor de vijf grootste energieclusters (waaronder Chemelot) en bedrijven die horen bij het ‘Het Zesde cluster’ (bedrijven in heel Nederland behorende bij 9 energie-intensieve sectoren), wordt de aanpak verder uitgewerkt in de CES’en (Cluster Energie Strategie). Daarnaast zijn de grotere Limburgse actoren sinds 2018 verenigd in de Limburgse Energie Agenda (LEA) en wordt bovendien op lokaal niveau samengewerkt (bv. het Maastrichts Energie Akkoord MEA in Maastricht).
4.5. Mobiliteit Het verkeer en vervoer op de snelwegen en andere wegen in Zuid-Limburg is verantwoordelijk voor 29% van het totale energiegebruik. De energievraag van de sector ‘mobiliteit’ wordt momenteel nog vooral ingevuld met fossiele brandstoffen. Ca. 55% van de energievraag is lokaal en regionaal van aard. Het gaat om het verkeer dat plaatsvindt op lokale en provinciale wegen. Ca. 37% van de energiebehoefte kan worden toegerekend aan transportbewegingen op de auto(snel)wegen die Zuid-Limburg verbinden met de rest van Nederland, Duitsland en België. De energievraag ten behoeve van mobiliteit is min of meer constant over het gehele jaar. De toename van elektrisch vervoer en de daarmee samenhangende laadvraag zal zorgen voor een toename in de elektriciteitsvraag. Laadpalen kunnen bij mensen op de oprit staan (een private laadpaal) maar ook in de openbare ruimte, bij kantoren of op een bedrijventerrein (openbare laadpaal). Als veel elektrische auto’s gelijktijdig worden opgeladen (bv. tussen 18:00 uur en 22:00 uur), kunnen er problemen ontstaan op het elektriciteitsnet, mogelijk met overbelasting tot gevolg. Daar staat tegenover dat elektrische voertuigen een rol kunnen spelen in de tijdelijke opslag van hernieuwbare energie waarmee ze het elektriciteitsnet stabiliseren. In 2017 waren er 559 laadpalen in Zuid-Limburg.
In de Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL) wordt rekening gehouden met ruim 15.000 laadpunten in heel Limburg in 2020, 47.000 in 2025 en 121.000 laadpunten in 2030. Om antwoord te geven op de (toekomstige) uitdagingen op het gebied van mobiliteit is reeds in 2017 een Mobiliteitsplan gepubliceerd, waarin de Limburgse koers beschreven staat. Hierin is de ambitie uitgesproken om te komen tot een ‘toekomstbestendige, toegankelijke, slimme, schone en grenzeloze mobiliteit zodat mensen zich naar wens en behoefte vrij kunnen bewegen’. In het voorjaar van 2020 is de Mobiliteitsvisie Zuid-Limburg vastgesteld door de 16 Zuid-Limburgse colleges van B&W. Slimme en duurzame mobiliteit is hierin een belangrijk thema, met o.a. aandacht voor het aanjagen van emissieloos vervoer, het faciliteren van de bijbehorende (laad)infrastructuur en het aanbieden van deelmobiliteitsoplossingen. Daarnaast werken het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Provincie Limburg en de Zuid-Limburgse gemeenten samen in het samenwerkingsverband ‘Zuid-Limburg Bereikbaar’ aan een ‘bereikbare, vitale en leefbare regio’. Zoals eerder is aangegeven, maakt het thema ‘mobiliteit’ en de daarbij horende energievraag van verkeer en vervoer, geen onderdeel uit van de RES-afspraken. De toenemende laadvraag voor elektrisch vervoer is op dit moment nog lastig in te schatten.
In de PALET-systematiek is er voor Parkstad Limburg al wel rekening mee gehouden. Voor de andere sub-regio’s is dat nog niet gedaan. Dit aspect zal in het kader van volgende RES’en nader worden verfijnd waarbij zo mogelijk ook andere ontwikkelingen in het kader van verkeer en vervoer worden meegenomen.
RES 1.0 Zuid-Limburg
26
4.6. Landbouw en landgebruik De sector ‘landbouw en landgebruik’ is verantwoordelijk voor minder dan 1% van het totale energiegebruik in Zuid-Limburg in 2017. Onder deze sector vallen landbouwbedrijven en aanverwante bedrijven, waaronder akkerbouwbedrijven, veehouderijen, fruitteeltbedrijven en agrarische loonwerkbedrijven. De sector ‘landbouw en landgebruik’ vormt een aparte sectortafel binnen het Klimaatakkoord en maakt dan ook geen onderdeel uit van de RES. Toch zijn er zeker mogelijkheden voor energiebesparing en het opwekken van duurzame energie. In de volgende hoofdstukken komen deze mogelijkheden dan ook aan de orde.
RES 1.0 Zuid-Limburg
27
5. Energievraag 2030 en energiebesparing - De totale energievraag in de gebouwde omgeving (woningen en utiliteiten) zal naar verwachting afnemen. Dat geldt met name voor de warmtevraag die tot 2030 met ca. 18% afneemt. Het maken van een prognose voor de elektriciteitsvraag is wat lastiger, omdat deze mede bepaald wordt door de toenemende laadvraag en keuzes in het kader van de warmtetransitie. - Om de daling van de energievraag te kunnen realiseren, zullen we in de komende jaren flink moeten inzetten op besparingsprojecten voor woningen, publieke dienstverlening en commerciële dienstverlening. - Verduurzaming van het eigen gemeentelijk vastgoed is vanwege de voorbeeldrol van de overheid enorm belangrijk. Vrijwel iedere gemeente heeft de verduurzaming van het eigen gemeentelijk vastgoed als speerpunt opgenomen in het eigen energie- en klimaatbeleid. Ook worden stappen gezet in het verduurzamen van het eigen wagenpark. - In Zuid-Limburg is al de nodige ervaring opgedaan met energiebesparing in de gebouwde omgeving én met de kleinschalige opwek van zonne-energie op daken. - De nadere uitwerking voor het thema energiebesparing zal plaats vinden in de uitvoeringsprogramma’s die volgen op deze RES. Hierin worden de ambities vertaald naar concrete acties en projecten.
Het verduurzamen van de energiehuishouding begint bij besparing op het energiegebruik: wat niet gebruikt wordt, hoeft ook niet opgewekt te worden. Het besparen van energie draagt niet alleen bij aan het behalen van de klimaatdoelstellingen, maar ook aan een lagere energierekening. Hoewel het thema energiebesparing formeel geen onderdeel uitmaakt van de RES, is er bewust voor gekozen om dit thema als integraal onderdeel en uitgangspunt van de RES Zuid-Limburg op te nemen. Pas daarna wordt (in hoofdstuk 6 en 7) gekeken waar en met welke techniek (wind-opland, zon-op-dak en zon-op-land) hernieuwbare energie in de regio opgewekt kan worden. In dit hoofdstuk behandelen we de besparingspotenties en de energievraag in 2030 voor achtereenvolgens woningen, utiliteitsbouw en de overige sectoren. Hierbij richten wij ons voornamelijk op de mogelijkheden voor energiebesparing tot 2030, met een globale doorkijk naar 2050. Voor de periode na 2050 zijn nog geen betrouwbare gegevens voorhanden. Als uitgangspunt nemen we voor de RES 1.0 het Zuid-Limburgse energiegebruik in basisjaar 2017 (nulsituatie). Dit was 48.148 TJ of 13,4 TWh (zie hoofdstuk 4). Dit is exclusief het energiegebruik van Chemelot (ca. 16,7 TWh). Het energiegebruik gaat de komende decennia naar verwachting behoorlijk veranderen.
Door efficiencyverbetering en besparing kan de energievraag (warmte en elektriciteit) in de verschillende sectoren worden beperkt. De besparing die dit ten aanzien van elektriciteit oplevert, wordt grotendeels teniet gedaan door de aanschaf van extra apparatuur, waaronder het toenemende gebruik van airco’s voor koeling (en geleidelijk ook meer voor verwarming). Bij de verandering van de energievraag van de gebouwde omgeving en overige sectoren, spelen ook andere factoren een belangrijke rol. Bij de uitwerking van de prognoses voor de drie sub-regio’s is daarom o.a. rekening gehouden met de volgende aspecten8:
8 Zie de concept-RES van Zuid-Limburg op www.regionale-energiestrategie.nl voor een verdere onderbouwing van de rekenmethodiek per sub-
regio.
RES 1.0 Zuid-Limburg
28
•
• •
Demografische en economische ontwikkelingen die groei of krimp veroorzaken van het aantal woningen en bedrijven. Voor de utiliteitsbouw is vooralsnog uitgegaan van een gelijkblijvende omvang; De toename van elektrisch vervoer en de daarmee samenhangende laadvraag; De geschatte toename van de elektriciteitsvraag als gevolg van de warmtetransitie en toenemend gebruik van elektrische apparaten.
Voor de sub-regio Parkstad Limburg zijn de PALET-uitgangspunten gehanteerd, waarbij alle genoemde punten zijn meegenomen. Voor de andere sub-regio’s is bij het bepalen van de verwachte elektriciteitsvraag (tabel 5.1 en 5.2) alleen rekening gehouden met energiebesparing en demografische ontwikkelingen. De toename van de elektriciteitsvraag door elektrificatie van vervoer en warmtevoorzieningen is voor deze sub-regio’s nog niet in beeld. In de RES 2.0 zal dit aspect verder worden verfijnd. Om de efficiencyverbeteringen daadwerkelijk te realiseren, moeten we flink inzetten op besparingsprojecten. De nadere uitwerking hiervan zal plaats vinden in de uitvoeringsprogramma’s die volgen op deze RES, waarin de ambities worden vertaald naar concrete acties en projecten.
5.1. Woningen De sector ‘Woningen’ is met 16.370 TJ of 4,5 TWh verantwoordelijk voor 34% van het totale energiegebruik in Zuid-Limburg. Het energiegebruik van de huishoudens bestaat grofweg uit: • Elektriciteit (verlichting, huishoudelijke apparaten en dergelijke); • Verwarming (ruimteverwarming, tapwater en dergelijke). Voor de verwarming van veruit het merendeel van de woningen in Zuid-Limburg wordt nu nog gebruik gemaakt van aardgas.
5.1.1. Energievraag woningen in 2030 De elektriciteitsvraag in de sector ‘woningen’ neemt door besparing en efficiencyverbeteringen af. Het verloop van de elektriciteitsvraag tussen 2017 en 2030 wordt echter niet alleen bepaald door efficiencyverbetering, maar ook door een toenemende elektriciteitsvraag als gevolg van de groei van elektrisch vervoer (bv. fietsen, (brom)scooters en personenauto’s) en het in toenemende mate inzetten van elektriciteit voor het verwarmen van woningen. Na 2030 zal de toename naar verwachting de overhand krijgen. Afhankelijk van de keuzes die worden gemaakt in de warmtetransitie (warmtenet of all-electric), zal de elektriciteitsvraag in meer of mindere mate stijgen. De keuzes voor de warmtevoorziening van de toekomst worden gemaakt in de Transitievisies Warmte, die per gemeente zullen worden vastgesteld. Voor Parkstad Limburg gaan we ervan uit dat de daling door efficiencyverbeteringen enerzijds en de toename als gevolg van de warmtetransitie en de toenemende laadvraag door elektrisch vervoer anderzijds elkaar zullen opheffen. Voor de ander sub-regio’s is het effect van de toenemende laadvraag en de warmtetransitie (nog) niet meegenomen in de cijfers. De verwachte elektriciteitsvraag in 2030 is met 2.757 TJ of 0,8 TWh (zie tabel 5.1) iets gedaald t.o.v. de elektriciteitsvraag in 2017.
Hierbij verwachten we wel dat de piekvraag naar elektriciteit op bepaalde momenten (bv. koude dagen) zal toenemen. Hoe de elektriciteitsvraag zich tot 2050 zal ontwikkelen is op dit moment nog niet te voorspellen. Dit is mede afhankelijk van de keuzes die we maken in de transitie naar een aardgasvrije samenleving en de ontwikkelingen op het gebied van (elektrische) mobiliteit. Dit zullen we verder uitwerken in de RES 2.0 en daaropvolgende RES’en.
RES 1.0 Zuid-Limburg
29
Huishoudens zijn verantwoordelijk voor bijna driekwart van de totale warmtevraag in de gebouwde omgeving in Zuid-Limburg. De utiliteitsbouw (commerciële en publieke dienstverlening) zorgt voor de rest van de warmtevraag. De verwachting is dat de warmtevraag van woningen de komende tien jaar door verduurzamingsmaatregelen, efficiencyverbeteringen en vervangende nieuwbouw sterk zal afnemen. De verwachte warmtevraag van woningen in Zuid-Limburg neemt af naar 11.187 TJ of 3,11 TWh (zie tabel 5.1). In de Regionale Structuur Warmte (hoofdstuk 8) geven we meer inzicht in de regionale warmtevraag en de beschikbaarheid van mogelijke bovengemeentelijke warmtebronnen. In de daarop aansluitende Transitievisies Warmte (TVW) zullen de individuele gemeenten vervolgens aangeven hoe de warmtetransitie op hun grondgebied er uit gaat zien, met welke wijken voor 2030 zal worden gestart en welke warmtevoorziening per buurt of wijk als het meest kansrijk wordt gezien. We werken de warmtetransitie op regionaal niveau verder uit in de RES 2.0 (in 2023). De doelstelling is dat we in 2050 in Zuid-Limburg geen gebruik meer maken van aardgas in de gebouwde omgeving. In plaats daarvan wordt alle warmte opgewekt uit duurzame energiebronnen.
Tabel 5.1: Toekomstige elektriciteits- en warmtevraag woningen in Zuid-Limburg (2030) Energievraag 2030 Parkstad Limburg Westelijke Mijnstreek Maastricht-Heuvelland Totaal Zuid-Limburg
Warmte (in TJ) Elektriciteit (in TJ) Totaal (in TJ) 2017 2030 2017 2030* 2017 2030* 5.795 4.604 1.307 1.306 7.102 5.910 3.141 2.665 689 585 3.830 3.250 4.501 3.918 996 866 5.497 4.784 13.437 11.187 2.992 2.757 16.429 13.944
* Het effect van de toenemende laadvraag voor elektrisch vervoer en toenemend elektriciteitsgebruik t.g.v. de warmtetransitie is voor de sub-regio’s Westelijke Mijnstreek en Maastricht-Heuvelland nog niet meegenomen
5.1.2. Energiebesparing woningen Om de besparingen waarmee rekening wordt gehouden daadwerkelijk te realiseren, moeten we flink inzetten op besparingsprojecten. We hebben daar al de nodige ervaring mee opgedaan. In de regio Zuid-Limburg zijn verschillende projecten en acties opgestart, die zich richten op energiemaatregelen bij huishoudens. Voor de financiering van verduurzaming van de woning kunnen inwoners van Limburg gebruik maken van de Stimuleringsregeling Duurzaam Thuis van de provincie. De provincie stelt de leningen beschikbaar om inwoners aan te moedigen energiebesparende maatregelen te nemen en het gebruik van fossiele energie te verminderen. Hieronder valt bijvoorbeeld het aanbrengen van woningisolatie, het installeren van een warmtepomp of de installatie van zonnepanelen op het dak. Via het digitale energieloket www.nieuweenergieinlimburg.nl kunnen inwoners zien welke subsidies en leningen er voor hun gemeente beschikbaar zijn. Binnen de Parkstad-gemeenten wordt, onder regie van stadsregio Parkstad Limburg, getracht om besparingsprojecten zo veel mogelijk uniform door te voeren. Op initiatief van de zeven samenwerkende Parkstad-gemeenten heeft op 1 oktober 2020 de WoonWijzerWinkel haar deuren geopend aan de Roda JC Ring in Kerkrade.
De WoonWijzerWinkel Limburg vervult de rol van energieloket voor diverse Limburgse gemeenten zoals Beekdaelen, Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Simpelveld, Voerendaal en Gulpen-Wittem. In de winkel zijn alle oplossingen op het gebied van duurzaam wonen te vinden, van eenvoudige verbeteringen tot technische installaties m.b.t. isoleren, verwarmen, ventileren en opwekken. De WoonWijzerWinkel helpt particulieren,
RES 1.0 Zuid-Limburg
30
Verenigingen van Eigenaren en kleine ondernemers middels onafhankelijk advies bij de verduurzaming van hun woning. Hierbij is te denken aan: • Kleine energiebesparende middelen als LED-verlichting en douchetimers; • Technische installaties als (hybride) warmtepompen en zonnepanelen; • Onafhankelijk en persoonlijk advies om woningen te verduurzamen; • Advies over subsidies en andere financiële mogelijkheden; • Het vrijblijvend opvragen van offertes bij lokale ondernemers; • Vragen over het energiebeleid van de aangesloten gemeenten. Een uitgebreide beschrijving van alle projecten gericht op energiebesparing van de individuele Parkstad-gemeenten is te vinden in het Uitvoeringsprogramma PALET 3.0 (2016-2020). Hierin worden ook de besparingsmogelijkheden in de publieke- en commerciële dienstverlening, industrie en mobiliteit meegenomen. In 2021 zal worden gewerkt aan een nieuw uitvoeringsprogramma voor de komende periode. In 2014 is de gemeente Sittard-Geleen gestart met het project Dubbel Duurzaam, met als doel: woningeigenaren helpen bij het toekomstbestendig maken van hun woning. Inmiddels is het project uitgegroeid tot de Stichting Dubbel Duurzaam, in samenwerking met de gemeenten EijsdenMargraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Schinnen, Sittard-Geleen, Stein en Valkenburg aan de Geul. De stichting biedt twee scans aan: een energie- en een zorgscan.
De energiescan is gericht op de mogelijkheden voor woningen om het energiegebruik te verminderen én om duurzame energie op te wekken. Hierbij gaat het onder meer om isoleren en het plaatsen van zonnepanelen. De zorgscan is gericht op maatregelen die inwoners kunnen treffen om zo lang mogelijk op een veilige manier in de eigen woning te kunnen blijven wonen (bv. een inloopdouche, een traplift of aanpassingen in de keuken). In de gemeenten van de sub-regio Westelijke Mijnstreek worden regelmatig bijeenkomsten (digitaal en fysiek) georganiseerd om bewoners te informeren over het verduurzamen van hun woning en te stimuleren gebruik te maken van isoleeracties. Ook wordt ondersteuning gegeven aan energieambassadeurs en het project Buurkracht. Daarnaast zijn in Sittard-Geleen op basis van de Regeling Reductie Energiegebruik (RRE) eind 2020 vouchers uitgedeeld aan inwoners die bijdragen aan de aankoop van producten of diensten voor het verduurzamen van woningen. In Stein is in samenwerking met Stichting Dubbel Duurzaam en wooncorporatie Zo Wonen het ‘Huis van de Toekomst’ opgericht. Inwoners (woningeigenaren en huurders) kunnen daar zien hoe zij hun woning kunnen verduurzamen, zowel op energetisch vlak als op het vlak van levensloopbestendig wonen. In de sub-regio Maastricht-Heuvelland bestaat er geen formeel samenwerkingsverband op het gebied van energiebesparing.
Wel nemen gemeenten in wisselende samenstelling deel aan projecten. Gemeente Maastricht heeft op basis van een bewonersonderzoek een service- en dienstenpakket voor huishoudens ontwikkeld met onder meer Energiecoaches, PlusJeHuis, een VvE balie en het Enexishuis Maastricht. De diensten (o.a. workshops, bijeenkomsten, cursussen en persoonlijke advisering) worden ook afgenomen door de andere gemeenten in de sub-regio. Gemeente Maastricht neemt deel aan de lopende RRE-regeling (Regeling Reductie Energiegebruik), specifiek voor de doelgroepen VvE en huiseigenaren label C en lager. Gemeente Vaals heeft subsidie ontvangen in het kader van de RREW-regeling (Regeling Reductie Energiegebruik Woningen). Energiebesparing is een integraal onderdeel van de gemeentelijke programma’s in subregio Maastricht-Heuvelland.
RES 1.0 Zuid-Limburg
31
•
•
•
•
•
•
In de gemeente Eijsden-Margraten is duurzaamheid als een van de prioritaire thema’s benoemd. De gemeente heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn. Hoe ze dit wil doen op de korte termijn is beschreven in de Energievisie 2018 – 2022. Voorbeelden van projecten zijn PlusJeHuis en Dubbel Duurzaam (particuliere woningen) en het project Zorgeloos Zonnepanelen, dat zich naast particuliere woningeigenaren ook richt op bedrijven en verenigingen. De gemeente Gulpen-Wittem heeft in januari 2018 haar klimaatvisie inclusief uitvoeringsprogramma vastgesteld. In het uitvoeringsprogramma zijn de verduurzaming van de gemeentelijke gebouwen, duurzame mobiliteit en het stimuleren van de verduurzaming van huur- en koopwoningen als belangrijke initiatieven opgenomen. In navolging van de klimaatvisie is de gemeente Gulpen-Wittem gestart met het opzetten van een platform ‘Samen Groen’ waar de gemeente burgers en bedrijven wil informeren, inspireren en met elkaar in contact brengen op gebied van verduurzaming en gerelateerde thema’s. Ten slotte is de gemeente Gulpen-Wittem deelnemer van de WoonWijzerWinkel in Kerkrade.
Gemeente Maastricht kent een breed meerjarig actieprogramma (5 miljoen euro), gericht op een transitieprogramma op vijf specifieke actielijnen: industrie, duurzame mobiliteit, gebiedsontwikkeling, gebouwde omgeving (verduurzaming bestaande bouw) en de eigen gemeentelijke organisatie. In de actielijnen staat energiebesparing en het stimuleren van de omslag naar het gebruik van duurzame energie centraal. Hierbij volgt de gemeente de Rijksdoelstellingen; de gemeentelijke organisatie zelf wil in 2030 energieneutraal zijn. In de gemeente Meerssen is in januari 2020 door de gemeenteraad een budget van €140.000 beschikbaar gesteld voor het uitvoeringsprogramma Energietransitie 2020-2022. Dit programma richt zich op: verduurzaming van het gemeentelijk vastgoed, de Transitievisie Warmte, afwegingskader en locatieanalyse grootschalige opwek, stimuleren verduurzaming huur- en koopwoningen, stimuleren duurzame mobiliteit alsook de visie uitrol laadpalennetwerk. Het uitvoeringsprogramma is gericht op een adequate bijdrage aan de Rijksopgaven en de realisatie van bijbehorende doelen. Tevens werkt de gemeente Meerssen samen met Stichting Duurzaam Meerssen op het gebied van energiebesparing en het stimuleren van zonne-energie. Gemeente Vaals heeft in 2019 de kadernotitie Klimaatadaptatie 2019 t/m 2022 vastgesteld.
De kadernotitie valt uiteen in drie uitvoeringsprogramma’s en energiebeleid is er één van: uitvoeringsprogramma 2 ‘RES’ gericht op het formuleren van een bod voor opwek van hernieuwbare energie (exploitatielasten projectperiode €455.000). De kadernotitie is bedoeld om de Rijksdoelstellingen te vertalen naar lokaal niveau. Gemeente Vaals is gestart met een aantal pilots voor inwoners van kleinere kernen op het gebied van zelfvoorziening in energiebehoefte. Daarbij worden initiatieven ondersteund door energiecoaches. Sinds 2020 kent Vaals ook een Klimaatdenktank: een groep van geïnteresseerde, deskundige burgers die advies geven aan de gemeente, projecten ontwikkelen op het snijvlak van energie, verduurzaming en klimaatadaptatie, en het voortouw willen nemen om inwoners laagdrempelig en pragmatisch te informeren over én aan te sporen tot verduurzamingsmaatregelen. De gemeente Valkenburg aan de Geul heeft in 2019 de Energievisie 2018-2022 en het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Energie op Hoofdlijnen 2019-2022 vastgesteld. Hierin staat beschreven dat de gemeente aan de slag gaat met projecten gericht op een CO2neutraal Valkenburg aan de Geul. Het stimuleren van energiebesparing bij woningen en gebouwen vormt een belangrijk onderdeel hiervan.
Bewustwording van inwoners en eigenaren, deelname aan Dubbel Duurzaam en het oprichten van een duurzame denktank van inwoners en ondernemers zijn belangrijke pijlers.
RES 1.0 Zuid-Limburg
32
5.1.3. Kleinschalig opwek van zonne-energie op daken woningen (minder dan 15 kWp) Op grond van de landelijke NP-RES methodiek tellen installaties met een vermogen van 15 kWp of minder niet mee bij het realiseren van de landelijke doelstelling voor grootschalige opwek. Deze installaties zijn met name bedoeld om te voorzien in de energiebehoefte van de gebruikers van het betreffende pand. Er wordt netto weinig tot geen elektriciteit geleverd aan het net, waardoor de netimpact hiervan beperkt is. Kleinschalig zon-op-dak wordt daarom meegenomen onder energiebesparing. Provincie Limburg stimuleert kleinschalig zon-op-dak door middel van de regeling DuurzaamThuis, zoals hierboven reeds is beschreven. In de sub-regio Parkstad Limburg is er in het kader van het Uitvoeringsprogramma PALET 3.0 (20162020), in navolging op het succesvolle zonnepanelenproject van gemeente Landgraaf, via de stadsregio Parkstad Limburg gezamenlijk gestart met het ‘Zonnepanelenproject Parkstad’. Particuliere huishoudens krijgen een door de gemeente voorgefinancierde, laagrentende lening om zonnepanelen aan te schaffen. Voor de deelnemers wordt alles geregeld, van de aanschaf en installatie van zonnepanelen op het dak tot de garantie en het onderhoud gedurende vijftien jaar. Het project is tevens toegankelijk voor kleine MKB-bedrijven en (sport-)verenigingen met een kleinverbruikersaansluiting.
Begin 2017 is de eerste tranche van start gegaan. In december 2019 is de 4.000e woning via dit project van zonnepanelen voorzien. Uit onderzoek van Zuyd Hogeschool in samenwerking met Stadsregio Parkstad Limburg (Broers, 2019)9 blijkt dat de toename in het aandeel geïnstalleerde zonnepanelen in Parkstad een stuk hoger ligt dan het landelijk gemiddelde. Dit komt onder meer door de spin-off van het project. Het project zorgde voor meer mediaaandacht voor zonnepanelen, er werd meer over gepraat door inwoners onderling en er werden steeds meer zonnepanelen zichtbaar op straat. Geschat wordt dat nog ruim 20.000 woningen in Parkstad voorzien kunnen worden van zonnepanelen. De nieuwe WoonWijzerWinkel kan hier een belangrijke bijdrage aan leveren. In sub-regio Westelijke Mijnstreek wordt getracht om in 2030 25% tot 30% van de woningen te voorzien van zonnepanelen. Dit wordt met name gerealiseerd door marktwerking (in 2020 was 15% van de woningen voorzien van zonnepanelen). De gemeenten geven informatie over opwek van zonne-energie via het project Dubbel Duurzaam en het digitale energieloket. In de gemeente Stein loopt sinds 2018 een zonnepanelenproject, vergelijkbaar met het ‘zonnepanelenproject Parkstad’. Binnen de gemeente Sittard-Geleen biedt de Coöperatie Duurzaam Sittard inwoners de gelegenheid om mee te doen met de Postcoderoos-regeling.
Hiermee kunnen woningeigenaren, huurders en kleine bedrijven die geen zonnepanelen op hun eigen dak willen of kunnen leggen toch investeren in zonne-energie en daarbij 15 jaar naar verhouding vrijstelling krijgen van de energiebelasting over de opgewerkt energie. In de periode 2019-2020 zijn op basis hiervan twee projecten gerealiseerd. Gemeente Maastricht heeft o.a. het PlusJeHuis project ontwikkeld, waarbij deelnemers advies krijgen en worden ontzorgd op het gebied van isolatie en duurzame energie, zoals voor de installatie van zonnepanelen. De gemeenten Gulpen-Wittem, Eijsden-Margraten en Meerssen (in ontwikkeling) nemen hieraan deel.
9 Broers, W. (2019). Impact of the Solar panel project Parkstad Limburg. Zuyd Hogeschool. Heerlen. Gebaseerd op: CBS (2019, 26 April).
Zonnestroom; vermogen bedrijven en woningen, opgesteld vermogen van zonnepanelen (kW). https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/84130NED/table?ts=1531904329128. Accessed 29 August 2019.
RES 1.0 Zuid-Limburg
33
5.2. Publieke en commerciële dienstverlening De sectoren publieke en commerciële dienstverlening zijn met 9.186 TJ of 2,6 TWh verantwoordelijk voor 19% van het totale energiegebruik in Zuid-Limburg. Deze sectoren hebben nog veel besparingspotentieel.
5.2.1. Energievraag publieke en commerciële dienstverlening in 2030 Bij besparingsmogelijkheden voor gebouwen in de sectoren publieke en commerciële dienstverlening gaat het om maatregelen zoals de verbetering van de thermische schil (betere isolatie), gebalanceerde ventilatie met warmteterugwinning, de installatie van een luchtwarmtepomp, vervanging van de installatie voor de warmtevoorziening door een energiezuinige variant en vervanging van de verlichting door bijvoorbeeld LED. Een deel van deze besparingsmaatregelen is verplicht op grond van de wet- en regelgeving (de zogeheten erkende maatregelen). Uit branchegerichte toezichtsprojecten die de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) de afgelopen jaren heeft uitgevoerd, kan worden afgeleid dat besparingen van 10%-20% reëel zijn wanneer bedrijven worden gewezen op de erkende maatregelen. Het gaat daarbij onder meer om isolatie, warmteterugwinning, LED in combinatie met aanwezigheidsdetectie en veegschakelingen. De aanscherping van de regelgeving (bv. label C voor kantoren vanaf 2023 en label A voor kantoren vanaf 2030) zal van invloed zijn op het realiseren van hogere besparingen. De verwachting is dat de warmtevraag van de publieke en commerciële dienstverlening de komende tien jaar door verduurzamingsmaatregelen, efficiencyverbeteringen en vervangende nieuwbouw sterk zal afnemen.
Op basis van de gehanteerde rekenmethodes neemt de verwachte warmtevraag van publieke en commerciële dienstverlening in Zuid-Limburg af naar 4.066 TJ of 1,13 TWh in 2030 (zie tabel 5.2). De elektriciteitsvraag zal naar verwachting afnemen naar 3.138 TJ of 0,87 TWh in 2030. Tabel 5.2: Toekomstige elektriciteits- en warmtevraag publieke en commerciële dienstverlening Zuid-Limburg (2030) Energievraag 2030 Parkstad Limburg Westelijke Mijnstreek Maastricht-Heuvelland Totaal Zuid-Limburg
Warmte (in TJ) Elektriciteit (in TJ) Totaal (in TJ) 2017 2030 2017 2030* 2017 2030* 1.747 1.291 1.540 1.139 3.287 2.430 1.230 999 926 751 2.156 1.750 2.189 1.776 1.536 1.248 3.725 3.024 5.166 4.066 4.002 3.138 9.168 7.204
* Het effect van de toenemende laadvraag voor elektrisch vervoer en toenemend elektriciteitsgebruik t.g.v. de warmtetransitie is voor de sub-regio’s Westelijke Mijnstreek en Maastricht-Heuvelland nog niet meegenomen
5.2.2. Energiebesparing publieke en commerciële dienstverlening Publieke dienstverlening De publieke dienstverlening draagt met 4.848 TJ of 1,3 TWh weliswaar maar beperkt bij aan de totale energievraag (9%), maar de verduurzaming van het maatschappelijk vastgoed is vanwege de voorbeeldrol erg belangrijk. Vrijwel iedere gemeente heeft de verduurzaming van het eigen gemeentelijk vastgoed als speerpunt opgenomen in het eigen energie- en klimaatbeleid. Ook de verduurzaming van het eigen wagenpark door bv. de inzet van elektrische auto’s of e-bikes wordt onderzocht, bijvoorbeeld via Stichting Limburg Elektrisch. Daarnaast heeft een groot aantal RES 1.0 Zuid-Limburg
34
gemeenten en gelieerde instellingen in de regio Zuid-Limburg de wens om met het energiegebruik van de eigen aansluitingen de groei van duurzame opwekcapaciteit in de regio te stimuleren. De mogelijkheden hiertoe worden momenteel onderzocht in het traject ‘Inkoop Regionaal Duurzaam Opgewekte Energie Zuid-Limburg (IRDOE-ZL)’. De Provincie Limburg start daarnaast een driejarig ontzorgingsprogramma om kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren te ontzorgen bij de verduurzaming van hun vastgoed. Dit programma wordt gefinancierd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en uitgevoerd door RVO. De provincie organiseert de aanbesteding en stelt duurzaamheidscoaches en projectfacilitators beschikbaar vanaf mei 2021. Daarnaast richt het ontzorgingsprogramma zich op het stimuleren van vraagbundeling (om onder andere kostenbesparing te realiseren) en het delen van regionale kennis en ervaring in het bestaande landelijke Kennis- en Innovatieplatform verduurzaming maatschappelijk vastgoed. Tot de doelgroep behoren o.a. gemeenten met minder dan 25.000 inwoners en kleine schoolbesturen, zorgaanbieders, sportbedrijven, culturele instellingen, en stichtingen, verenigingen of coöperaties voor het beheer van gebouwen die een publieksfunctie vervullen.
Verschillende sub-sectoren binnen de publieke dienstverlening hebben een routekaart opgesteld waarin beschreven wordt hoe de sector toewerkt naar de CO2-reductiedoelen voor 2030 en 2050. Waterschap Limburg wil in 2025 energieneutraal zijn. Om die doelstelling te bereiken, wordt op dit moment ingezet op het verduurzamen van het volgende maatschappelijk vastgoed: het gebouw in Sittard wordt verduurzaamd door alle verlichting te vervangen door LED en het installeren van zonnepanelen. Bij rioolwaterzuiveringsinstallaties wordt ingezet op energiebesparing door het optimaliseren van zuiveringsprocessen, energieopwekking door zonnepanelen en vergisting van zuiveringsslib. In de sub-regio Parkstad Limburg wordt ook de verduurzaming van maatschappelijk vastgoed zoveel mogelijk gezamenlijk opgepakt door de zeven gemeenten. In het kader van het Uitvoeringsprogramma PALET 3.0 worden op regionaal niveau bijvoorbeeld de mogelijkheden voor verduurzaming van gemeentelijk vastgoed, zorginstellingen en scholen samen onderzocht. In 2021 zal worden gewerkt aan een nieuw uitvoeringsprogramma voor de komende periode. In Sittard-Geleen is in 2020 gestart met het verduurzamen van een aantal gemeentelijke gebouwen en het gebruik van LED-verlichting op sportlocaties. Lokale duurzame bedrijven worden zoveel mogelijk betrokken bij deze projecten.
Ook in Stein is gestart met verduurzamen van een aantal gemeentelijke gebouwen waaronder het gemeentehuis. Daarnaast wordt onderzocht op welke wijze andere gemeentelijke gebouwen, zoals sportaccommodaties, verduurzaamd kunnen worden. In de sub-regio Maastricht-Heuvelland zijn de gemeenten actief bezig met het verduurzamen van maatschappelijk vastgoed: • De gemeente Eijsden-Margraten is voornemens om vanuit haar voorbeeldrol en op basis van haar Energievisie 2018-2022 in te zetten op het verduurzamen van gemeentelijk en maatschappelijk vastgoed. Om dit te bewerkstelligen wordt in 2020 eerst een inventarisatie gemaakt van het gemeentelijk vastgoed dat de gemeente wil behouden en/of afstoten. Vervolgens wordt in 2021 een traject gestart voor het verduurzamen van zowel het gemeentelijk- als het maatschappelijk vastgoed. • In de Klimaatvisie (2018-2022) van de gemeente Gulpen-Wittem staat aangegeven dat de gemeente een grote rol heeft in de energietransitie. Een onderdeel hiervan vormt de voorbeeldrol die de overheid heeft. Om het goede voorbeeld te geven aan de woningeigenaren/-huurders en bedrijven, is de gemeente gestart met plannen voor het RES 1.0 Zuid-Limburg
35
•
•
•
•
verduurzamen van het eigen gemeentelijk en maatschappelijk vastgoed. Dit heeft al veel resultaat opgeleverd, zoals de installatie van zonnepanelen op meerdere panden en LEDverlichting op de sportvelden. Momenteel wordt een project voorbereid om de verduurzaming een vaste plek te geven in het vastgoedbeleid en als vast onderdeel op te nemen in de meerjaren onderhoudsplanning (MJOP). Gemeente Maastricht wil als gemeentelijke organisatie in 2030 klimaatneutraal zijn en voert programma’s uit gericht op de transitie van de gemeentelijke panden alsook op de verduurzaming van het gedrag van de gebruikers, het wagenpark, stadslogistiek en openbare verlichting. Recentelijk zijn het zwembad en IKC de Geluksvogel verduurzaamd conform de BENG-eisen. In de gemeente Meerssen heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijkheden voor zonnepanelen op de daken van het gemeentelijk vastgoed. Op het bestuurscentrum is middels een Postcoderoos-project een zonnecentrale gerealiseerd door de energiecoöperatie EMEC. Momenteel wordt een plan van aanpak voor verdere verduurzaming van het gemeentelijk vastgoed opgesteld. In de gemeente Vaals loopt een programma om gemeentelijk en maatschappelijk vastgoed zo breed mogelijk te verduurzamen, van gemeentehuis en gemeentewerf, tot buitensportcomplex en uitvoeringszaal. Dit betreft zowel besparings-, isolatie- als opwekmaatregelen.
Parallel aan de fysieke verduurzaming lopen er programma’s gericht op het verduurzamen van de bedrijfsvoering, onder andere op het gebied van inkoop en het wagenpark. Binnen de kaders van het beleidsplan openbare verlichting worden lichtpunten gefaseerd vervangen door LED-verlichting. De gemeente Valkenburg aan de Geul is bezig met het opstellen en uitvoeren van een integrale aanpak voor de verduurzaming van gemeentelijk vastgoed. Dit om enerzijds de wettelijke verplichtingen na te komen en anderzijds om een voorbeeldrol te vervullen.
Commerciële dienstverlening Onder commerciële dienstverlening verstaan we alle dienstverlening gericht op het maken van winst, zoals de horeca, winkels en kantoren. Landelijk verplicht het ‘Activiteitenbesluit milieubeheer’ bedrijven en instellingen om alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder uit te voeren. Deze energiebesparingsplicht geldt voor bedrijven en instellingen die per jaar minimaal 50.000 kWh of 25.000 m3 aardgas of een equivalent daarvan gebruiken. Het opwekken van hernieuwbare energie, zoals wind- of zonne-energie geldt niet als energiebesparende maatregel. De maatregelen zijn opgenomen in de Erkende Maatregelenlijsten voor energiebesparing (EML). In opdracht van de 16 gemeenten ziet de RUD Zuid-Limburg toe op de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving in de fysieke leefomgeving. Daarnaast helpen ook andere partijen, zoals de Stichting Groene Economie Limburg, bedrijven bij het oppakken van energiemaatregelen door het MKB. Voor bedrijven die minder dan 50.000 kWh of 25.000m3 aardgas of een equivalent daarvan gebruiken geldt geen informatie- en realisatieplicht. Voor deze bedrijven dient daarom met name ingezet te worden op het bevorderen van de bewustwording (bv. door middel van energiescans) en het stimuleren van energiebesparende maatregelen door het aanbieden en/of organiseren van energieadviezen.
Energielabel C kantoren verplicht in 2023 In het Bouwbesluit 2012 is afgesproken dat elk kantoorgebouw per 1 januari 2023 minimaal energielabel C moet hebben. Wanneer een gebouw in 2023 niet aan de eisen voldoet mag de gebruiker het per 1 januari 2023 niet meer als kantoor gebruiken. Onder de label-C-verplichte kantoren verstaat de RVO een verblijfsobject – als onderdeel van een pand – met alleen een kantoorfunctie. Combi-kantoren, kleine kantoren en monumenten vallen niet onder de
RES 1.0 Zuid-Limburg
36
verplichting. Daarnaast geldt de verplichting niet als minder dan 50% van de totale gebruiksoppervlakte van het gebouw in gebruik is voor kantoorfuncties, het gebouw ten hoogste twee jaar wordt gebruikt of de maatregelen die nodig zijn om energielabel C te realiseren, een terugverdientijd hebben van meer dan tien jaar. Ook rijksmonumenten zijn uitgesloten van de verplichting. Op dit moment is nog onduidelijk hoeveel kantoren in Zuid-Limburg nog niet voldoen aan deze eis. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft recentelijk extra financiële middelen aan gemeenten beschikbaar gesteld voor de handhaving van de wet.
5.3. Industrie Hoewel de focus in de RES op de gebouwde omgeving ligt, hebben we ook gekeken naar de elektriciteits- en warmtevraag van de industrie (en aanverwante sectoren), verkeer en vervoer en de landbouw. De sector ‘industrie’ is verantwoordelijk voor 18% van het energiegebruik in Zuid-Limburg. Dit is exclusief het energiegebruik van Chemelot (ca. 60.000 TJ of 16,7 TWh). In het Klimaatakkoord is binnen de thematafel ‘industrie’ afgesproken om de uitstoot van CO2-emissies in 2030 met 59% te verminderen ten opzichte van 1990. Deze transitie zal worden vormgegeven door maatregelen als procesefficiency, energiebesparing, CO2-opslag en het gebruik van duurzame energie en waterstof. De uitvoering van de afspraken voor de sector ‘industrie’ valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en maakt daarmee geen onderdeel uit van de RES. Desondanks speelt de industrie mogelijk een belangrijke rol in de verduurzaming van de gebouwde omgeving, bijvoorbeeld door het leveren van industriële restwarmte aan woningen en utiliteiten. In de RES 1.0 verkennen wij dan ook kort de mogelijkheden voor energiebesparing in deze sector. Op basis van de genoemde rekenmethodes, gaan wij ervan uit dat de totale energievraag voor de industrie (en aanverwante sectoren) in 2030 afneemt. Het gaat om een grove inschatting.
Omdat de kansen voor energiebesparing in de genoemde sectoren erg branche-afhankelijk zijn, is het lastig om een goed onderbouwde prognose te maken. Het effect van de warmtetransitie en de elektrificatie van (productie)processen van deze sectoren is bovendien op dit moment niet in te schatten. Naar verwachting zal de daling van de elektriciteitsvraag door efficiencyverbetering teniet worden gedaan door een toenemende elektrificatie. Daarnaast is het van belang om te weten of industriële bedrijven recentelijk energiebesparende maatregelen hebben doorgevoerd, bv. door restwarmte intern opnieuw in te zetten in het productieproces. Ervan uitgaande dat de eerste besparingsmaatregelen de grootste impact en de laagste kosten met zich meebrengen, zullen nieuwe besparingsmaatregelen lastiger door te voeren zijn. Een belangrijke belemmering bij de aanpak van energiebesparing en duurzame opwekking in sector ‘industrie’ zijn de lage energieprijzen die hier gelden. De energiebelasting wordt, veelal om economische redenen, bewust laag gehouden. Hierbij geldt zelfs: hoe hoger het energiegebruik, hoe lager de energieprijs per kWh. De terugverdientijd op investeringen wordt hierdoor vele malen langer, zeker in vergelijking met de publieke sector en kleinverbruikers. Hierdoor is er voor grote bedrijven vaak nog onvoldoende aanleiding om tot actie over te gaan.
Om energiebesparing in de sector ‘industrie’ te realiseren zullen zoveel mogelijk bedrijven moeten worden aangemoedigd om effectiever en efficiënter energiegebruik te organiseren. We kunnen
RES 1.0 Zuid-Limburg
37
daar o.a. op inzetten door bewustwording te stimuleren en te handhaven op de naleving van voorschriften die gericht zijn op het besparen van energie. In het Limburgs Energie Akkoord (Community of Practice) hebben de 12 grootste energiegebruikers in Limburg hun krachten gebundeld. Zij geven daarmee gezamenlijk een impuls aan de transitie naar CO2-arme productie- en bedrijfsvoeringprocessen met een duurzame, betrouwbare en betaalbare energievoorziening als integraal onderdeel van de circulaire economie. In het perspectief van de CO2-doelstelling(en) voor 2030 (en 2050) is het noodzakelijk om in te zetten op energie efficiency en de toepassing van duurzame energie en restwarmte. Tegelijkertijd wordt ingezet op het ontwikkelen van innovatieve CO2-arme productieprocessen en op processen waarbij CO2 wordt gebruikt (CCU). Zo wordt tevens een stimulans gegeven aan kennisontwikkeling en innovatie en een bijdrage geleverd aan een gunstig ondernemingsklimaat en regionale werkgelegenheid. In het Maastrichts Energieakkoord (MEA) zijn concrete duurzame activiteiten en afspraken vastgelegd, die zijn opgesteld door de gemeente Maastricht en lokale bedrijven. Alle afspraken zijn erop gericht om energiegebruik te reduceren, snel minder CO2 uit te stoten en meer duurzame energie op te wekken. Het programma startte oorspronkelijk met de 18 grootste bedrijven en is inmiddels stevig uitgegroeid.
In akkoorden met bedrijven in de sector worden doelstellingen gericht op verduurzaming en besparing vastgelegd. Het eerste Maastrichtse Energieakkoord werd in 2016 ondertekend. Het MEA omvat op dit moment 5 pijlers: Gebiedsontwikkeling, E-Mobiliteit, Gebouwde omgeving, Industrie en de eigen gemeentelijke organisatie. De uitvoering van MEAIndustrie is in handen van Zuid-Limburg Bereikbaar. Dit programmabureau werkt sinds 2010 samen met een fors aantal Maastrichtse bedrijven en organisaties rond de thema’s Mobiliteit en Logistiek. MEA-Industrie groeit nu uit door toevoeging van de clusters Zorg en Grote Gebouwen. Samen vormen ze MEA-Grootzakelijk. Het team Maastrichts Energieakkoord identificeert samen met bedrijven en partners kansen in de markt en organiseert kennissessies (o.a. over zonne- en windenergie, over aardwarmte, maar ook over financiering) en resultaatgerichte clusters (clusters zonne-energie en perslucht).
5.4. Mobiliteit De sector ‘verkeer en vervoer’ is verantwoordelijk voor 29% van de energievraag in Zuid-Limburg en levert daarmee een belangrijk aandeel aan het totale energiegebruik. Doordat ontwikkelingen elkaar in rap tempo opvolgen is het verloop van de energievraag in deze sector moeilijk te voorspellen. Voor een deel is deze ook afhankelijk van externe factoren waarop we als regio geen invloed uit kunnen oefenen, zoals de ontwikkeling van nieuwe technologieën en landelijke stimuleringsregelingen. Als onderdeel van het Klimaatakkoord moeten in 2030 alle nieuwe auto’s emissieloos zijn. Dat betekent dat er veel meer elektrische personenvoertuigen op de weg zullen komen. Op basis van de voorspellingen uit de Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL) verwachten we dat er in 2025 meer dan 47.000 laadpunten voor personenauto’s, openbaar busvervoer en stadslogistiek in heel Limburg zijn, met een verdere uitbouw naar meer dan 120.000 laadpunten (zowel privaat als [semi]publiek) in 2030. Ter vergelijking: in 2020 waren er ca. 2.170 (semi)publieke laadpunten in heel Limburg, waarvan ongeveer de helft (55%) in Zuid-Limburg. Voor 2030 verwachten we dat de elektriciteitsvraag door de groei in elektrische mobiliteit flink zal toenemen. De schattingen lopen echter uiteen. De ontwikkelingen voor 2050 zijn nu nog helemaal
RES 1.0 Zuid-Limburg
38
niet te overzien. Zo is nog onduidelijk hoe het gebruik van waterstof en biobrandstoffen zich in de toekomst zullen ontwikkelen. Toch kunnen we ook in Zuid-Limburg actie ondernemen om gedragsverandering te stimuleren en te faciliteren. Zo kunnen we zorgen voor een goede laadinfrastructuur en gedragsverandering stimuleren (fietsgebruik, mobiliteitsmanagement). Sinds 2010 is een programmabureau actief met de stadsaanpak mobiliteit Maastricht Bereikbaar. Inmiddels staat bereikbaarheid én duurzame mobiliteit in de regio centraal. Dat gebeurt sinds eind 2019 onder de nieuwe naam Zuid-Limburg Bereikbaar. De stadsaanpak Maastricht Bereikbaar blijft een van de belangrijkste projecten. Onder de vlag Zuid-Limburg Bereikbaar werken overheden, werkgevers en aanbieders van mobiliteitsdiensten samen aan een blijvende bereikbaarheid en minder autogebruik in de regio. Zuid-Limburg Bereikbaar stimuleert structureel ander reisgedrag voor een gezond woon-, werk- en leefklimaat. Ook wordt er gewerkt aan slimme en duurzame logistieke oplossingen. Het programmabureau is in 2010 opgericht om te zorgen voor minder automobiliteit, met name onder forenzen. Grote infrastructurele projecten, zoals het nieuwe verkeerssysteem met een tweelaagse tunnel voor de A2 in Maastricht en een nieuw tracé voor de Noorderbrug, vormden de aanleiding.
Inmiddels staat in het uitvoeringsprogramma niet alleen bereikbaarheid en doorstroming centraal, maar ook duurzame mobiliteit met minder CO2-uitstoot. De activiteiten van het programmabureau worden gefinancierd door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Provincie Limburg, gemeente Maastricht en een veertigtal grote werkgevers in Zuid-Limburg. Programmabureau Zuid-Limburg Bereikbaar werkt samen met overheden, werkgevers, ondernemers, mobiliteitsaanbieders, belangenorganisaties en kennisinstituten.
5.5. Landbouw en landgebruik De sector ‘landbouw en landgebruik’ is verantwoordelijk voor minder dan 1% van het totale energiegebruik in Zuid-Limburg. De besparingsmogelijkheden voor gebouwen in deze sector zijn in beginsel gelijk aan de mogelijkheden in de sector ‘industrie’, met de kanttekening dat grote schuren en opslagruimten moeilijker te isoleren zijn. Bij de mogelijkheden voor energiebesparing is te denken aan energiezuinige(re) technische installaties, verlichting en landbouwmachines.
RES 1.0 Zuid-Limburg
39
6. Opgave elektriciteit - Het totale RES 1.0-bod van Zuid-Limburg bedraagt 1,3 TWh en is opgebouwd uit wind-op-land (0,17 TWh), grootschalig zon-op-dak (0,71 TWh) en zon-op-land* (0,45 TWh). - Een beperkt deel van het bod (0,36 TWh) bestaat uit projecten die reeds gerealiseerd zijn of in de planning zitten. - Het grootste deel van het regio-bod bestaat uit een ambitie. Dit deel moet nog geheel ontwikkeld, vergund en gerealiseerd worden. De voorwaarden en uitgangspunten waar deze projecten aan moeten voldoen worden beschreven in hoofdstuk 7. - In paragraaf 6.4 gaan we kort in op alternatieve vormen van duurzame opwek. Deze tellen niet mee voor het RES-bod. Op basis van de netimpact-analyse komt netbeheerder Enexis tot de volgende conclusies: - 6 HS/MS-stations moeten worden uitgebreid door Enexis (*Boschpoort wordt nu al uitgebreid). Voor 4 van deze 6 stations geldt dat de beschikbare capaciteit op het net van Enexis pas benut kan worden na uitbreiding van het hoogspanningsnet van TenneT. - 1 nieuw HS/MS-stations moet worden gerealiseerd, als er geen alternatieve oplossing kan worden gevonden. Het gaat hier om een nieuw station in de omgeving van Treebeek. * Voor een nadere onderbouwing voor het onderdeel zon-op-land, zie paragraaf 6.3.3.
Op basis van het landelijke Klimaatakkoord is aan elke RES-regio gevraagd om te komen tot een onderbouwd en afgewogen bod met betrekking tot de opwek van hernieuwbare elektriciteit op land. Ook is verzocht om het bod zo mogelijk over te programmeren. Het regionale bod moet een substantiële bijdrage leveren aan het realiseren van de landelijke doelstelling 35 TWh ‘hernieuwbare energieopwekking op land’ uit wind- en zonne-energie in 2030. Deze landelijke doelstelling is gebaseerd op de nationale CO2-opgave: het realiseren van 49% CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990. Voor de regionale bijdrage aan de 35 TWh-doelstelling tellen de installaties mee die elektriciteit produceren uit wind- en zonne-energie. • Windturbines op zee dragen ook bij aan het invullen van de landelijke behoefte, maar zij vallen buiten de scope van de RES. Bij het vaststellen van de landelijke opgave (de 35 TWhdoelstelling) is namelijk al rekening gehouden met de extra bijdrage die deze windturbines op zee leveren. • Voor zonne-energie geldt dat in principe alleen installaties meetellen met een vermogen van 15 kWp of meer. Volgens de landelijke rekenmethodiek staat dit gelijk aan een minimaal dakoppervlak van 285 m2. Kleinere installaties zijn ook van belang, maar worden conform de landelijke NP-RES-methodiek niet meegeteld bij de realisatie van de landelijke doelstelling.
Het landschap van Zuid-Limburg kent diverse gebieden van grote ecologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarde, met name binnen het waardevolle Limburgse heuvelland en het beschermingsgebied van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Er dient dan ook uiterst voorzichtig te worden omgegaan met het realiseren van de grootschalige opwek van hernieuwbare energie in de regio. Toch kan ook de RES Zuid-Limburg een wezenlijke bijdrage aan de landelijke
RES 1.0 Zuid-Limburg
40
opgave leveren, zonder de kernkwaliteiten van het landschap aan te tasten. In de volgende paragrafen en in hoofdstuk 7 lichten we dit toe.
6.1. Bod wind- en zonne-energie t/m 2030 Conform de Startnotitie RES Zuid-Limburg (mei 2019) is het concept-bod voorbereid in de drie verschillende sub-regio’s: Parkstad Limburg, Westelijke Mijnstreek en Maastricht-Heuvelland. De resultaten hiervan vormen samen het bod voor de RES Zuid-Limburg. De RES-regio Zuid-Limburg heeft ervoor gekozen om – aan de hand van een analyse van de potentie, ruimtelijke implicaties, bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak, en systeemefficiëntie – een afgewogen en afgestemd bod voor hernieuwbare elektriciteit te formuleren. Hierbij is het uitgangspunt dat iedere sub-regio naar vermogen bijdraagt aan het totale bod. Het bod is opgebouwd volgens de door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gehanteerde methodiek, waarbij drie onderdelen worden onderscheiden: 1. Gerealiseerd vermogen: Het bestaand en producerend vermogen, gebaseerd op o.a. CBSstatistieken, de Klimaatmonitor en/of bij Enexis bekende gegevens; 2. Vermogen in de planning: Het vermogen van installaties die op de planning staan en waarvoor door RVO een SDE+ beschikking is afgegeven (t/m voorjaar 2020, ook wel SDEpijplijn genaamd); 3. Nog te realiseren vermogen: Het toekomstig vermogen, dat als beleidsvoornemen wordt gezien (onze aanvullende ambitie).
6.1.1. Gerealiseerd vermogen Voor de elektriciteitsproductie uit het huidig opgesteld vermogen (wind en zon) is uitgegaan van CBS-statistieken, de Klimaatmonitor en bij gemeenten en/of Enexis bekende informatie. In de subregio Maastricht-Heuvelland is vooral gekeken naar de gegevens uit de NP-RES-analysekaarten. Gebleken is dat het gerealiseerd vermogen in Zuid-Limburg bijna volledig wordt opgewekt via zonnepanelen op daken. In lijn met de door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gehanteerde methodiek wordt ervan uitgegaan dat de huidige installaties blijven bestaan en tot en met 2030 gemiddeld per jaar evenveel blijven produceren als wat ze tot nu toe hebben gedaan.
6.1.2. Vermogen in de planning Naast de bestaande projecten zijn er projecten gepland, die nog niet zijn gerealiseerd maar waarvoor al wel SDE+ subsidie is aangevraagd. Meer dan de helft van deze projecten (ongeveer 55%) bestaat uit projecten gericht op zon-op-dak. De rest behoort tot de categorie wind-op-land (13%) en zon-op-land (32%, grotendeels in bebouwd gebied). Bij het berekenen van het vermogen dat in de planning zit, is er rekening mee gehouden dat niet alle projecten ook daadwerkelijk gerealiseerd zullen worden. Hiervoor is een correctie toegepast (slagingsfactor)10.
6.1.3. Aanvullende ambitie Een groot deel van de opgave voor Zuid-Limburg, moet nog worden ingevuld. In de concept-RES fase (de zogenaamde ‘technische fase’) zijn op basis van de landelijke, sub-regionale en lokale ruimtelijke afwegingskaders de globale zoekgebieden voor grootschalige opwek uit wind-op-land en zon-PV in kaart gebracht. Vervolgens is de potentie hiervan bepaald. Daarbij zijn belangrijke
10 De slagingsfactor (percentage) is de kans dat een project daadwerkelijk doorgaat. Deze factor is ingeschat op basis van de informatie die over
een project beschikbaar is (fase waarin het project zich bevindt, betrokkenheid omgeving e.d.)
RES 1.0 Zuid-Limburg
41
natuurgebieden, stiltegebieden en cultuurhistorisch waardevolle landschappen op voorhand uitgesloten. De ruimtelijke afwegingskaders worden per sub-regio en/of gemeente nader toegelicht in hoofdstuk 7. In een deel van de gemeenten heeft in de concept-RES-fase na consultatie van Colleges van B&W een eerste selectie van de zoekgebieden plaatsgevonden. In de concept-RES resulteerde dit in drie mogelijke scenario’s en een voorlopig bod met een bandbreedte tussen 1,1 en 1,9 TWh. Ten behoeve van de definitieve RES 1.0 is het bod voor Zuid-Limburg verder uitgewerkt en is binnen de zoekgebieden onderzocht welke locaties kansrijk zijn voor de grootschalige opwek van hernieuwbare energie (concrete zoekgebieden). In deze maatschappelijke fase zijn inwoners, maatschappelijke partners en volksvertegenwoordigers (gemeenteraden, Provinciale Staten en het Algemeen Bestuur van het Waterschap) op verschillende manieren geïnformeerd en/of geconsulteerd. Op basis hiervan is de ambitie voor de RES 1.0 bepaald en is het definitieve bod van 1,3 TWh vastgesteld. Verdeeld over de drie sub-regio’s ziet het bod van Zuid-Limburg er als volgt uit: Tabel 6.1:
Opbouw bod RES Zuid-Limburg
Parkstad Limburg Westelijke Mijnstreek Maastricht-Heuvelland Totaal (TWh)
Gerealiseerd vermogen (TWh) 0,026 0,007 0,023 0,056
Vermogen in de planning (TWh)
Aanvullende ambitie (TWh)
Totaal (TWh)
0,053 0,145 0,103 0,301
0,425 0,302 0,249 0,976
0,504 0,454 0,375 1,333
In de volgende paragrafen gaan we nader in op de totstandkoming en onderbouwing van het bod en de verschillende onderdelen ervan. Voor de sub-regio’s Parkstad Limburg en Westelijke Mijnstreek is de potentie bepaald aan de hand van de ruimtelijke afwegingskaders en zoekgebieden voor de grootschalige opwek van wind-op-land en zonne-energie. Voor sub-regio Maastricht-Heuvelland is in afstemming met Enexis in het definitieve RES 1.0-bod het volgende opgenomen: • Te realiseren ambitie op zon-op-grote-daken, parkeerplaatsen, rangeerterreinen, langs infrastructuur, braakliggende gronden en (verhard terrein) bedrijventerreinen • Projecten die reeds gerealiseerd zijn; • Projecten die in de gunnings- en ontwikkelfase zitten (in de planning). Voor de verdere toelichting hiervan verwijzen we naar paragraaf 7.4.
6.2. Van concept-bod naar definitief bod Het voorliggend bod is een verdere uitwerking van de concept-RES die in oktober 2020 formeel aan het Rijk is aangeboden. Ten opzichte van de vorige versie is het definitieve bod op een aantal belangrijke punten nader uitgewerkt: • De zoekgebieden voor de grootschalige opwek van wind-op-land en zon-PV zijn nader uitgewerkt, waarbij er een verfijning van de ruimtelijke onderbouwing heeft plaatsgevonden t.o.v. de concept-RES;
RES 1.0 Zuid-Limburg
42
• • •
Het voorlopige bod is geactualiseerd naar een definitief bod (RES 1.0) voor Zuid-Limburg, waarbij er met name voor zon-op-land een verdiepingsslag heeft plaatsgevonden; In samenwerking met netbeheerder Enexis zijn nieuwe inzichten met betrekking tot de energiesysteem-efficiëntie verwerkt; In de RES 1.0-fase is ingezet op het verkennen en ophalen van bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak door inwoners, maatschappelijke partners en volksvertegenwoordigers te informeren en/of consulteren. Met het vaststellen van de RES 1.0 dient Zuid-Limburg een bestuurlijk en maatschappelijk gedragen bod in bij het Rijk.
6.3. Onderbouwing bod wind- en zonne-energie In de volgende paragrafen wordt het bod voor de RES Zuid-Limburg nader onderbouwd aan de hand van de drie onderdelen: • Wind-op-land; • Grootschalig zon-op-dak; • Zon-op-land.
6.3.1. Wind-op-land Bij de voorbereiding van de RES 1.0 is de potentie voor windenergie in kaart gebracht. Daarbij is geconstateerd dat er in Zuid-Limburg maar beperkt ruimte is voor windenergie. Toch worden er ook in Zuid-Limburg mogelijkheden voor windenergie gezien, met name op locaties op de grens met het stedelijk gebied, nabij grootschalige industrie of logistieke bedrijven en op locaties bij de landsgrens aansluitend op bestaande windturbine-opstellingen in het buitenland. Het regionaal bod ten aanzien van wind-op-land ziet er voor de regio Zuid-Limburg als volgt uit: Tabel 6.2:
Opbouw bod wind-op-land RES Zuid-Limburg
Parkstad Limburg Westelijke Mijnstreek Maastricht-Heuvelland Totaal (TWh)
Gerealiseerd vermogen (TWh) 0,002 0 0,002
Vermogen in de planning (TWh)
Aanvullende ambitie (TWh)
Totaal (TWh)
0,000 0,038 0,038
0,128 0 0,128
0,130 0,038 0,168
Gerealiseerd vermogen Op dit moment staat er slechts één windturbine in Zuid-Limburg. Het betreft een turbine met een opgesteld vermogen van 0,75 MW die zich bevindt op bedrijventerrein De Beitel (gemeente Heerlen, sub-regio Parkstad Limburg). Vermogen in de planning Alleen in Sittard-Geleen (Westelijke Mijnstreek) is sprake van een concreet initiatief dat nog niet is gerealiseerd, maar waarvoor RVO al wel een SDE+ beschikking heeft afgegeven. Het betreft 3 windturbines op bedrijventerrein Holtum-Noord met een vermogen van ieder 5 MW. Dit project hebben we in het bod van Zuid-Limburg meegenomen bij het bepalen van het vermogen dat al in de planning zit.
RES 1.0 Zuid-Limburg
43
Aanvullende ambitie In enkele gemeenten worden de mogelijkheden voor windenergie onderzocht. Zo trekken drie gemeenten in Parkstad Zuid (Heerlen, Kerkrade en Simpelveld) samen op om 4 tot 8 windturbines te realiseren. Ook in Landgraaf loopt een traject (Windpark Abdissenbosch). In het kader hiervan is overleg gaande met de Duitse defensie over een mogelijk aanvullend obstakelbeheergebied. Tot dusver wil de Bundeswehr geen medewerking verlenen aan dit initiatief. Hoewel de gemeente Landgraaf de turbines volgens de Nederlandse wet- en regelgeving mag plaatsen, wil zij bij voorkeur op basis van consensus en in goed nabuurschap met betrokken partijen werken. De genoemde initiatieven lijken vooralsnog niet binnen afzienbare termijn uitvoerbaar (wellicht wel na 2025). Daarom zijn ze niet meegenomen in de ‘pijplijn’-projecten maar in de nog te realiseren projecten (de aanvullende ambitie). In de gemeenten Brunssum en Beekdalen worden ook de mogelijkheden onderzocht. Dit heeft nog niet tot concrete projecten geleid. Ook deze ontwikkelingen zijn derhalve meegenomen als ambitie voor 2030. Opgeteld heeft onze ambitie betrekking op 17 windturbines met een totaal opgesteld vermogen 55 MW, voldoende om ca. 36.000 huishoudens van hernieuwbare elektriciteit te voorzien uitgaande van een gemiddeld verbruik van 3.500 kWh per huishouden per jaar.
6.3.2. Grootschalig zon-op-dak We hebben in de regio veel grote daken: in stedelijke gebieden, op bedrijventerreinen en op agrarische gebouwen. Het heeft de voorkeur om zoveel mogelijk zonnepanelen op daken te realiseren om de ruimtelijke impact van de energietransitie te beperken en het waardevolle landschap zoveel mogelijk te ontzien. De theoretische potentie voor grootschalige zonne-energie op daken is berekend op basis van de oppervlakten die geschikt zijn voor zonne-energie aan de hand van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) en de algemene uitgangspunten vanuit het NP-RES ten aanzien van benuttingspercentages en opbrengsten. Zon PV-installaties met een vermogen van 15 KWp en minder worden volgens de afspraken uit het Klimaatakkoord niet meegeteld voor het 35 TWh-doel. Er wordt daarom uitgegaan van een minimaal dakoppervlak van 285 m2 . Niet alle daken zijn echter geschikt voor zonnepanelen. De RES Zuid-Limburg gaat ervan uit dat 30% van het totale dakoppervlak groter dan 285 m2 geschikt is voor zonnepanelen, rekening houdend met schaduw, technische constructies etc. Hiermee volgen wij de landelijk gehanteerde uitgangspunten. Er is rekening gehouden met een lager benuttingspercentage (12,5%) voor monumentale daken en daken gelegen in beschermde stads- en dorpsgezichten.