RVS Vaststellen vGRP 2022-2026 bijlage 1 rapport
Tekst van het document
Visie op grondwater We streven, ook bij een veranderend klimaat, naar het voorkomen van structureel nadelige gevolgen van afwijkende grondwaterstanden voor de aan de grond gegeven bestemming van een gebied. We streven naar een grondwaterpeil dat voldoende diep is om structurele nadelige gevolgen door een te hoge grondwaterstand te voorkomen en voldoende hoog om droogteproblemen tegen te gaan. De Provincie Zeeland, waterschap Scheldestromen, gemeente Schouwen-Duiveland en particulieren nemen daarbij de eigen verantwoordelijkheid.
23
4.2.2
Visie op oppervlaktewater
Schoon oppervlaktewater maakt de gemeente niet alleen aantrekkelijk, het draagt ook bij aan de gezondheid, klimaatbestendigheid ervan en de biodiversiteit daarin. Door in te zetten op schoon en zichtbaar oppervlaktewater dat voldoende ruimte krijgt in bestaande en nieuwe gebieden en dat meedoet in het functioneren van HWA- en drainage/infiltratievoorzieningen willen we leven met water meer gangbaar maken. Water draagt in een belangrijke mate bij aan de ecologische kwaliteit en de daarin gestelde ambities/doen van de gemeente.
4.2.3
Visie op de waterketen
De samenwerking in de SAZ+ moet leiden tot kostenbesparingen in de (afval)waterketen, tot het vergroten van de kwaliteit en efficiëntie van de uitvoering van de beheertaken en het innovatievermogen, en tot vermindering van de personele kwetsbaarheid. Hiermee geeft de SAZ+ invulling aan het Bestuursakkoord Water. De gezamenlijke ‘Visie Zeeuwse Waterketen’ beoogt een klimaatbestendige en duurzame inrichting, met aandacht voor doelmatig beheer en borging van kennis en capaciteit, waarbij de dienstverlening aan de gebruiker centraal staat. Met onze visie op de waterketen sluiten we aan op de daarin genoemde hoofdelementen: Burgerbetrokkenheid:
Burgers staan centraal in alle waterzaken. Er is een waterloket voor alle watervragen (inclusief drinkwater), waaronder advies over goed watergebruik en verwachtingen ten aanzien van regenwaterverwerking. Burgers bepalen mede de inrichting van de openbare ruimte en krijgen inzicht in de effectiviteit van water-dienstverlening. Zij worden gestimuleerd aan de ontwikkeling van nieuwe initiatieven bij te dragen.
Klimaat:
De waterketen is klimaatbestendig ingericht. In stedelijk gebied wordt de openbare ruimte gebruikt om regenwater te bergen en af te voeren naar het buitengebied. Vitale infrastructuur is op hoogte aangelegd zodat er geen schade optreedt bij overstromingen. In het buitengebied wordt regenwater grotendeels vastgehouden om zout grondwater terug te dringen. Effluent van de rioolwaterzuiveringsinstallaties wordt hergebruikt (in landbouw of industrie, eventueel op sportvelden of openbaar groen) of op lokale wateren geloosd.
Duurzaamheid:
Afval- en hemelwater zijn maximaal gescheiden. Circulariteit staat voorop: uit afvalwater worden op de rioolwaterzuiveringsinstallaties energie en grondstoffen gewonnen. Water wordt daarnaast ook lokaal hergebruikt. Compacte zuiveringssystemen worden gebruikt in buitengebieden. Landbouw en industrie hebben een gezamenlijke strategie voor het voorkomen van lozingen van probleemstoffen.
Kosten:
Het beheer van de waterketen is kosteneffectief en transparant. Strategische planvorming vindt plaats met alle betrokken partijen. Hierin wordt mede gestuurd op bijdrage aan maatschappelijke meerwaarde. De kwaliteit van dienstverlening en kosten daarvoor worden naar burgers gecommuniceerd. Operationele taken worden gezamenlijk uitgevoerd. Dataanalyse en -beheer zijn hierin leidend voor de keuze van
24
maatregelen. Er is een afzetmarkt voor energie en grondstoffen die gewonnen worden uit afvalwater. Kennis en capaciteit:
4.2.4
Er is voldoende kennis en capaciteit om de waterketen doelmatig te beheren. Goed personeelsbeleid en aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden helpen hierin. Waar mogelijk biedt de SAZ+ een platform om elkaar te ondersteunen. Dit versterkt het zelflerend vermogen.
Visie op het veranderende klimaat en duurzaam omgaan met water
Het klimaat verandert. Ondanks dat we maatregelen nemen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, zullen we in de toekomst te maken krijgen met extremer weer, een warmer klimaat en een stijgende zeespiegel. In Zeeland hebben we, de Provincie en het Waterschap een gezamenlijke klimaatadaptatiestrategie Zeeland opgesteld (KasZ, juni 2021). Het doel van de Klimaatadaptatiestrategie Zeeland is om in 2050 klimaatbestendig en water-robuust ingericht te zijn. Klimaatadaptatie is een opgave voor de gehele Zeeuwse samenleving: inwoners, bedrijven en overheden. De klimaatadaptatiestrategie gaat over extreme neerslag, hitte en droogte, maar ook hieraan gekoppelde thema’s als vergroening en biodiversiteit. Om te bepalen welke effecten aangepakt moeten worden en door wie, vindt een risico-/klimaatdialoog plaats. In Zeeland hebben we die gesplitst in een lokale (iedere gemeente) en een regionale (heel Zeeland). De regionale dialoog gaat over die effecten die overal voorkomen en waar het logisch is om ze gezamenlijk op te pakken. Onderstaande tabel benoemt de speerpunten. Zoetwatervoorziening in relatie tot droogte
Zoet water moet zoveel als mogelijk worden vastgehouden om verdroging tegen te gaan en om de maatschappelijke, economische en ecologische functies te waarborgen. Door klimaatontwikkeling worden droge perioden steeds langer en komen deze steeds vaker voor. Daarom gaan we zuiniger om met ons zoete water. Een volhoudbare landbouw in Zeeland vraagt om een goede bodemkwaliteit en een robuust watersysteem. We werken daarom aan een Zeeuws Deltaplan Zoet water en een goede bodemkwaliteit. Daarnaast ondersteunen we de agrarische sector om collectief en op bedrijfsniveau klimaatadaptieve maatregelen, zoals teeltveredeling, bodemverbetering en zuinig watergebruik te treffen.
Extreme neerslag
Onze vitale functies en infrastructuur zijn het kloppend hart van Zeeland. Wanneer deze uitvallen leidt dit tot veel schade, slachtoffers en maatschappelijke ontwrichting. Nieuwe vitale functies en infrastructuur worden daarom op veilige locaties en klimaatrobuust ontwikkeld. Bestaande vitale functies en infrastructuur worden op natuurlijke momenten klimaatadaptieve maatregelen uitgevoerd. In het bebouwde gebied moet de komende 30 jaar stevig worden geïnvesteerd om Zeeland klimaatbestendig in te richten. Door aan te haken bij natuurlijke momenten zoals herstructurering en groot onderhoud blijven de kosten en inspanning overzichtelijk. Nieuwe
25
ontwikkelingen worden altijd klimaatadaptatief ontworpen en gerealiseerd. Ook worden meekoppelkansen met onder andere de energietransitie benut. Waterkwaliteit
Robuuste natuur is in staat klimaatextremen op te vangen. Daarom zetten we in op het (versneld) afronden van het Natuurnetwerk Zeeland, leggen we buffer- en verbindingszones aan en werken we toe naar een natuur-inclusieve samenleving Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen en planvorming wordt rekening gehouden met de ecologische- en fysische waterkwaliteit, zodat deze bij voorkeur verbeterd of minimaal gelijk blijft aan de bestaande situatie. Gestreefd wordt naar een goede waternatuur in daarvoor aangewezen wateren en een goede waterbeleving in de stad en het rondom aangewezen zwemwater.
Hitte
Het voorkomen van hittestress is niet een primaire watertaak, maar ons beleid ten aanzien van hemelwater en grondwater zijn wel een belangrijke schakel in het beperken van hittestress. We leveren vanuit water en riolering waar dat doelmatig is wel een bijdrage aan het beperken van hittestress door op een slimme manier om te gaan met hemelwater, en het voorzien in voldoende, en voldoende diep oppervlaktewater.
Communicatie
Klimaatverandering staat stevig op de Zeeuwse agenda. Een breed klimaatbewustzijn betekent echter niet automatisch dat de betrokkenheid bij klimaatadaptatie groot is. Bekend is dat bewustwording doorgaans niet automatisch leidt tot gedragsverandering. We zetten daarom concrete stappen om de gezamenlijke campagne ‘Het Klimaat verandert, Zeeland verandert mee’ de komende jaren uit te bouwen. De betrokkenheid van inwoners, ondernemers en andere organisaties is daarom extra belangrijk, want alle inspanningen – groot en klein - van ons samen leiden uiteindelijk tot het doel dat Zeeland in 2050 klimaatrobuust en waterbestendig is ingericht.
Recreatie
De recreatiesector profiteert maximaal van seizoenverlenging. Om weersextremen op te vangen zijn fysieke inrichtingsmaatregelen op de terreinen en aanpassing van de bedrijfsvoering nodig. We ondersteunen de sector met extra aandacht voor bewustwording bij ondernemers én de gasten om Zeeland klimaatadaptief te maken. Zo blijft Zeeland ook in de toekomst een ‘Unique selling point’.
4.2.5
Verminderen van kwetsbaarheid van de organisatie
Het is van belang om op dit punt een landelijk zichtbare trend te signaleren die laat zien dat personele kwetsbaarheid een steeds belangrijker aandachtspunt wordt binnen de gemeentelijke watertaken. Door klimatologische en maatschappelijke ontwikkelingen, technische innovaties en benodigde kostenbesparingen neemt de complexiteit van het werk toe, evenals de druk op de personele middelen van de gemeentelijke organisaties. Het is van belang een helder beeld te ontwikkelen van de invulling van de gemeentelijke watertaken en de kwetsbaarheden op dat gebied om deze zo goed als mogelijk te kunnen ondervangen.
26
4.2.6
Minder meerkosten
De gemeente zorgt ervoor dat investeringen die worden gedaan in verhouding zijn tot de maatschappelijke meerwaarde (waterwinst) die ze creëren.
4.3
DOELEN/STRATEGIE
Vanuit de in de vorige paragraaf beschreven visie zijn de volgende doelstellingen voor dit vGRP uitgewerkt. Deze doelen zijn een meetbare vertaling van de visie en kunnen worden gerealiseerd vanuit een zekere ambitie. Thema
Doelstellingen
Overkoepelend
Maatschappelijk verantwoord omgaan met de afval-, hemel en grondwatervoorzieningen. Het zo lang mogelijk laten renderen van de bestaande voorzieningen door doelmatig beheer en goed gebruik van het rioolstelsel. Streven naar duurzaam materiaal- en energiegebruik en aanleg van duurzame systemen. Het vergroten van inzicht in het functioneren van het rioolstelsel en het continu verminderen van de negatieve footprint voor het milieu. Vergroten van de bewustwording voor het afvalwatersysteem en watersysteem en de gevolgen van klimaatverandering. Maatschappelijk verantwoord omgaan met gemeenschapsgeld. Rechtvaardige verdeling van de kosten over de gebruikers. Voortdurend zoeken naar een balans tussen kosten, risico’s en prestaties.
Afvalwater
Zorg dragen voor de inzameling en het transport van afvalwater. Beschermen van de volksgezondheid. Zo lang mogelijk waarborgen van het goed functioneren van het rioolstelsel en daarmee de inzameling en het transport van het afvalwater. Voorkomen van overlast voor de gemeenschap, zoals stank en ingezakte wegdelen. Samen met het waterschap streeft de gemeente naar het verminderen van de hoeveelheid te zuiveren afvalwater en het optimaal gebruik van afvalwater vanuit het perspectief van circulariteit: hergebruik van water, nutriënten en warmte. Voorkomen van achterstanden via preventief beheer en onderhoud en planmatige vervanging en verbetering.
Hemelwater
Zorg dragen voor de verwerking van hemelwater in het stedelijk gebied. Zoveel mogelijk voorkomen van (economische) schade door hemelwateroverlast. Bij het afvoeren van hemelwater streven we ernaar problemen niet op de omgeving af te wentelen. Voor de afvoer van hemelwater gelden de tritsen: schoonhouden, scheiden en zuiveren (waterkwaliteit) en vasthouden, bergen en afvoeren (waterkwantiteit). Bij de inpassing van hemelwatervoorzieningen en stedelijk oppervlaktewater in ruimtelijke plannen houden we rekening met klimaatverandering. Lokale verwerking van hemelwater door particulieren en bedrijven stimuleren in bestaand gebied. Daarnaast verplichten van lokale verwerking van hemelwater in nieuwbouwgebieden en inbreidingslocaties
Grondwater
Monitoren van de grondwaterstanden en het leveren van een inspanning om structureel nadelige gevolgen voor de bestemming van een gebied te voorkomen. Inzicht hebben in de grondwaterstanden in de gemeente. Zoveel mogelijk voorkomen van grondwateroverlast als gevolg van structurele nadelige gevolgen van te hoge grondwaterstanden. De rol van regisseur vervullen bij grondwaterproblemen.
27
Aanspreekpunt en kennishouder zijn voor burgers en bedrijven voor grondwaterproblematiek en vragen over het grondwater. Het duidelijk houden van verantwoordelijkheden en het helpen van eigenaren bij het nemen van de eigen verantwoordelijkheid.
Thema
Doelstellingen
Een veranderend klimaat
Voorkomen van wateroverlast door extreme neerslag. Periodiek in kaart brengen van wateroverlastgevoelige gebieden en kwetsbare objecten. Periodiek bepalen van de kwetsbaarheid van wateroverlastgevoelige gebieden, de verwachtte impact op de leefomgeving en mogelijke acties voor verbetering met belanghebbenden. Lokale verwerking van hemelwater gericht op het voorkomen van hittestress en droogte. Voor de afvoer van hemelwater wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de vertraagde afvoer van de bodem, zowel op particulier terrein als in de openbare ruimte. In nieuwbouwgebieden lokale verwerking van hemelwater door particulieren vastleggen. In bestaand gebied stimuleren via bewustwording, afkoppelen, ontstenen en vergroenen (voorbeeld vergroenen van schoolpleinen). Inzetten van de hemelwaterverordening bij projecten. Voorkomen van onomkeerbare schade aan kwetsbare gebouwen, infrastructuur en natuurwaarden door droogte. Voorkomen van hitteeilanden in de dorpen door de openbare ruimte minder te verstenen en meer aandacht aan groen te geven zodat gebruik wordt gemaakt van natuurlijke koeling (bijvoorbeeld door bomen).
Oppervlaktewater
Benutten van de potentie van stedelijk water als belangrijke ruimtelijke drager voor een goed verblijfsklimaat passend bij de gebiedskenmerken van de verschillende wijken.
4.3.1
Bijdragen aan voldoende bergings- en afvoercapaciteit om hemelwater en grondwater te kunnen vasthouden en/of te kunnen afvoeren. Het wegnemen van knelpunten in de bergings- en afvoercapaciteit van watergangen en duikers door het Waterschap en het zo nodig ontvlechten van gecombineerde duikers en regenwaterriolering ten gunste van een transparant beheer en onderhoud en een doelmatig functionerend systeem. Bijdrage leveren aan een ecologisch en chemisch gezond oppervlaktewater en waterbodem. De vervuilende invloed op de kwaliteit en het ecologisch functioneren van het oppervlaktewater en de waterbodem door overstortingen en regenwaterlozingen wordt waar mogelijk beperkt. Het bijdragen aan de kwaliteit van het oppervlaktewater, waterbodem en oevers, de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving, de waterbodem, en van een goede ecologie door planmatig beheer en onderhoud.
Zoetwatervoorziening in relatie tot droogte
In de ruimtelijke planvorming dragen ontwikkelingen positief bij aan de hoeveelheid zoet water in het gebied. Droogte wordt bestreden door het vasthouden van water:
We benutten hemelwater dat in een gebied valt voor periodes van droogte, door dit waar mogelijk vast te houden, (ondergronds) te bergen en her te gebruiken. We houden zoetwater zo lang mogelijk vast, door het in het gebied te verdelen en/of te laten circuleren. We laten de vraag naar zoetwater beter aansluiten bij het aanbod van zoetwater, door hergebruik, zelfvoorzienendheid en besparing te stimuleren.
28
4.3.2
We willen nieuwe, innovatieve oplossingen vinden voor complexe uitdagingen op gebied van water (Living Lab);
Extreme neerslag
Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planvorming voor bestaand stedelijk gebied nemen wateroverlast-risico’s bij voorkeur af of blijven minimaal gelijk aan de bestaande situatie. In dit kader en verwijzend naar meer groen in de stad, ruimte voor (het infiltreren van) water, gezondheid, het beperken van hittestress en minder materiaal gebruik (circulariteit) gaan de gemeente de ‘onthardingsopgave’ extra kracht bijzetten. Het streven is om wateroverlast door extreme neerslag in gebouwen en woningen te beperken tot een frequentie van eens in je leven. Wanneer de benodigde middelen hiervoor ontoereikend blijken te zijn, zullen prioritaire gebieden voorrang krijgen. In aansluiting op de Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s wordt hiervoor een herhalingstijd van 1x per 100 jaar gehanteerd in bestaand gebied. Bij stadsuitbreidingen ligt de ambitie hoger op eens per 1.000 jaar.
4.3.3
4.3.4
We richten het stedelijke gebied en de openbare ruimte zodanig in dat dit leidt tot meer ruimte voor water en, waar mogelijk, infiltratie. We benutten en/of vergroten waar dat mogelijk is de vertraagde afvoer vanuit van het bestaande bebouwde gebied door in te zetten op het vergroenen van daken, tuinen en openbare ruimte. Daartoe brengen we eerst de karakteristieke kenmerken van de gebieden in kaart en bepalen we daarna kansen en uitdagingen om hieraan concreet invulling te geven. We anticiperen op extreme neerslag door ruimte te geven voor waterberging en door waterrobuust te bouwen. We verlagen de druk op het oppervlaktewatersysteem tijdens extreme neerslag, door water te bufferen en overlast in landelijk gebied onder voorwaarden te accepteren. We benutten door slim sturen de bestaande bergingscapaciteit in de rioolstelsels zo optimaal mogelijk.
Waterkwaliteit We dringen de lozingen vanuit de riolering op het oppervlaktewater zo ver mogelijk terug. Hiermee willen we een toename van overstortingsvolumes door heftigere buien compenseren en ruimte op de rioolwaterzuiveringsinstallaties vrijmaken voor de woningbouwopgave. Dit bereiken we door af te koppelen waar dat technisch haalbaar en doelmatig is. Zuurstofrijk regenwater ververst het oppervlaktewater en draagt zo bij aan een betere waterkwaliteit. We streven ernaar om in samenwerking met het Waterschap om de KRW-doelen te bereiken. We stemmen de gebruiksfuncties van het water en de omliggende openbare ruimte af op de hoogst haalbare waterkwaliteit. We stimuleren de aanleg van natuurvriendelijke oevers en we beperken het aantal duikers en de lengte van duikers, waardoor de zichtbaarheid van water wordt geoptimaliseerd.
Hitte
We beperken de risico’s veroorzaakt door klimaatverandering en ruimtelijke ontwikkelingen:
We veranderen door o.a. ontharden en planten van bomen in de openbare ruimte, het vergroenen van gebouwen en/of het stellen van eisen aan schaduwwerking de omstandigheden in de stad om het hitte-eiland effect te beperken. We zetten in op meer oppervlaktewater, het behouden van bestaande bomen die nu al schaduw leveren en de aanplant van meer nieuwe bomen die naarmate ze ouder worden in schaduw gaan voorzien. Dit intensieve groen levert ook tijdens warme dagen een fijne leefomgeving op.
29
4.3.5
Kwetsbaarheid van de organisatie
De strategie geeft aan hoe we de kwetsbaarheid willen verminderen. Speerpunten zijn:
4.3.6
We zorgen voor draagvlak binnen de organisaties, voldoende kennis, personele capaciteit en competenties om dit aan te pakken. We werken samen in waterketenteams per zuiveringsregio. We zorgen via gestandaardiseerd gegevensbeheer, uniforme uitwisseling van data, en metingen aan onze systemen voor een betrouwbare dataset op basis waarvan data gestuurde beslissingen mogelijk zijn. Partijen geven ruimte om te komen tot de maatschappelijk meest gewenste oplossingen; organisatiegrenzen staan die oplossingen niet in de weg.
Minder meerkosten
We erkennen dat waterwinst niet altijd in geld is uit te drukken en dat de gerealiseerde winst niet altijd terugvloeit naar onze eigen organisaties. Een tevreden burger en een aantrekkelijke stad en verzilverde meekoppelkansen zijn ook winst.
30
Hoe gaan we er komen (uitwerking strategie) 5.1
5
AFVALWATER
De gemeente werkt aan een gezonde, leefbare en duurzame stad door in te zetten op een goed functionerend en robuust rioolsysteem waarmee wordt voorgesorteerd op de ontwikkelingen van de toekomst. Schoon en vuil water worden zoveel mogelijk gescheiden gehouden en vanuit het perspectief van circulariteit hergebruikt. Daarnaast wordt aansluiting gezocht bij de KRW. De visie op het zorg dragen voor de inzameling en het transport van afvalwater richt zich op de volgende doelen:
Het waarborgen van het doelmatig functioneren van de riolering, de gemalen en persleidingen en daarmee de inzameling, verwerking, en het transport van het afvalwater. Het voorkomen dat de inwoners in aanraking komen met afvalwater of van de inzameling en het transport van afvalwater overlast ondervinden. Het zoveel mogelijk beperken van riooloverstortingen op het oppervlaktewater. Het terugdringen van het aandeel rioolvreemd water. Het vergroten van het inzicht in- en monitoring op het (toekomstige) afvalwateraanbod dat is verbonden aan de woningbouwprogrammering en nieuwe arbeidsplaatsen.
De verantwoordelijkheid voor de zorgplicht voor inzameling van het (stedelijk) afvalwater ligt volledig bij de gemeente. De gemeente registreert daartoe alle aangesloten en niet-aangesloten percelen. De gemeente heeft een resultaatsverplichting om het geproduceerde afvalwater in te zamelen en af te voeren naar een overnamepunt (hoofdrioolgemaal). De ontvangst en zuivering van het door de gemeente ingezamelde (stedelijke) afvalwater vanaf het overnamepunt is vervolgens de taak van het Waterschap.
5.1.1
Wijze van inzameling
Alle percelen en lozers binnen het gemeentelijk grondgebied waar afvalwater vrijkomt, moeten zijn voorzien van een inzamelvoorziening. In het stedelijk gebied zijn panden aangesloten op het vrijvervalstelsel. In het buitengebied wordt het huishoudelijk afvalwater hoofdzakelijk ingezameld met drukriolering. Waar dit niet mogelijk of niet doelmatig is, dient het huishoudelijk afvalwater te worden verwerkt met een lokaal behandelingssysteem. Het type voorziening wordt op basis van een doelmatigheidsafweging in samenwerking tussen Gemeente en het Waterschap bepaald. Bij nieuwe aanleg wordt het huishoudelijke en bedrijfsmatige afvalwater zoveel mogelijk afzonderlijk van hemel- en grondwater ingezameld en afgevoerd naar een zuivering. De gemeente streeft er naar schoon hemelwater zoveel mogelijk lokaal vast te houden en terug te brengen in het milieu (zijnde de bodem of het oppervlaktewater).
31
5.1.1.1 Nieuw te realiseren bebouwing Voor nieuwe (particuliere) bouwwerken in bestaand gebied moet het huishoudelijk afvalwater, het hemelwater en het grondwater gescheiden moeten worden aangeboden conform het Bouwbesluit 2012. Op die manier kunnen deze huisaansluitingen eenvoudig worden opgepakt bij toekomstige afkoppelwerkzaamheden. Riolering dient te voldoen aan de eisen conform de NEN 3215 (Gebouwriolering en buitenriolering binnen de perceelgrenzen) en de NTR 3216 (Riolering van bouwwerken). Alle nieuw te realiseren bebouwing binnen de gemeente moet worden aangesloten op de gemeentelijke riolering, op drukriolering of via een alternatieve voorziening die voldoet aan de eisen van de Regeling lozing afvalwater huishoudens (conform het beleid lozingen buitengebied, SAZ+). Dit wordt afgedwongen door ongezuiverde lozingen op oppervlaktewater en in de bodem niet toe te laten. Bij de omgevingsvergunning wordt melding gemaakt van de verplichting aan te sluiten op de riolering. Bij nieuwbouw zal het hemelwater gescheiden van afvalwater infiltreren in de bodem of rechtstreeks afstromen naar het oppervlaktewater. Dit vindt in principe oppervlakkig plaats of, wanneer dat niet mogelijk is, met behulp van regenwaterriolering. Belasting van de riolering en de rioolwaterzuiveringsinstallatie met schoon water wordt daarmee beperkt.
Ook worden aspecten als droogte, veilige bouwhoogte en drooglegging bij het ontwerp beschouwd. De gemeente beschikt over een verordening op de afvoer hemelwater en grondwater Schouwen-Duiveland uit 2013. In de planperiode van dit vGRP zal worden vastgesteld in hoeverre verordeningen moeten worden opgesteld en/of worden geactualiseerd. 5.1.1.2 Incidentele nieuwbouw in landelijk gebied Bij incidentele nieuwbouw in het landelijk gebied op locaties waar geen riolering aanwezig is binnen een straal van 40 meter vanaf de perceelsgrens en waarin de planperiode van dit verbreed vGRP geen riolering zal worden aangelegd, vindt in eerste instantie de toetsing plaats of er wel of niet invulling gegeven zal worden aan de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater. Indien dat niet het geval is, zal in de omgevingsvergunning worden opgenomen dat het vrijkomende afvalwater niet ongezuiverd op oppervlaktewater of in de bodem mag worden geloosd. Iedere nieuwe lozing dient te voldoen aan de eisen conform de Regeling lozing afvalwater huishoudens. De gemeente zal bij bouwaanvragen voor deze nieuwbouw een melding doen aan de waterkwaliteitsbeheerder (waterschap Scheldestromen) en de betrokkenen naar haar doorverwezen. In geval van bodemlozingen ligt de verantwoordelijkheid bij de gemeente.
In het geval van nieuwe bedrijfsmatige lozingen is de aard en de omvang van de lozing bepalend voor de wijze van lozen. Er wordt bepaald of een lozing al dan niet op de riolering dient plaats te vinden of, indien dit niet rendabel blijkt te zijn, welke vorm van lozen dan wordt toegestaan (Activiteitenbesluit). Dit gebeurt in nauwe samenwerking met het waterschap die als waterkwaliteitsbeheerder daar een belangrijke rol in speelt. Soms kan het bij incidentele nieuwbouw of uitbreiding van bestaande bouw (minicampings) voorkomen dat de bestaande voorzieningen moeten worden aangepast. In de planperiode van dit nieuwe vGRP zal de wijze waarop de daarvoor gemaakte kosten al dan niet worden doorbelast (kostenverhaal) worden bepaald en vastgelegd. Ook zal in de planperiode worden bepaald hoe wordt omgegaan met situaties wanneer niet aangesloten panden in het
32
buitengebied door aanleg nieuwe riolering op minder dan 40 m van de nieuwe riolering komen te liggen. Hierbij wordt zo mogelijk aangesloten op de bestaande nota kostenverhaal (R&M ontwikkelingsbedrijf). 5.1.1.3 Projectmatige nieuwbouw Bij projectmatige nieuwbouw worden de voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en hemelwater (bijvoorbeeld goten voor oppervlakkige afvoer of uitleggers naar de hoofdriolering) en eventueel voor grondwater aangelegd bij het bouwrijp maken van de locatie. De kosten hiervoor worden opgenomen in de exploitatieopzet en verrekend met de grondeigenaar en/of ontwikkelaar. Dit kan bijvoorbeeld via een anterieure overeenkomst, maar ook via de aanvraag van een nieuwe rioolaansluiting. Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten worden toekomstbestendig uitgevoerd, waarbij het scheiden van afvalwater en hemelwater (ontvlechten) de norm is. Verhard oppervlak wordt volledig afgekoppeld, bij voorkeur bovengronds, en waar mogelijk dient regenwater op eigen terrein te worden gebufferd. In een rioleringsplan (of waterparagraaf) zal worden nagegaan waar hemelwater kan worden ingezet voor de lokale waterhuishouding en aan welke eisen moet worden voldaan. Het hemelwater dat niet aan deze criteria voldoet, wordt ingezameld en afgevoerd naar de RWZI.
Voor de aanleg van de voorzieningen wordt een (riool)ontwerp gemaakt volgens de op dat moment geldende eisen, waarbij de insteek is om een klimaatbestendige openbare ruimte te realiseren. Met rioleringsberekeningen wordt het ontwerp getoetst en er wordt een risicoafweging gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met verschillende klimaatontwikkelingen (kort hevig nat, langdurig nat en langdurig droog). Er wordt tijdig overleg gevoerd met de waterbeheerder (kwantiteit en kwaliteit). Ter voorkoming van foutieve aansluitingen worden bij gescheiden rioolstelsels buizen in twee verschillende kleuren toegepast. Voor vuilwaterriolering is dit roodbruin, voor regenwaterleidingen is de kleur middel grijs of groen, afhankelijk van de kwaliteit van het afstromende regenwater. Het verplicht gebruiken van deze kleuren wordt ook in de omgevingsvergunning opgenomen. De afspraken met de ontwikkelende partij worden vastgelegd in een overeenkomst zoals de grondexploitatieovereenkomst of anterieure overeenkomst. Dit betreft dan afspraken over onder andere:
Eisen die worden gesteld aan de aan te leggen infrastructuur (normen voor het rioolontwerp en rioleringsberekeningen; Waterbergingsopgave; Bovengronds afkoppelen; Voldoende bewerking van grond in (achter-)tuinen na verkneding van de ondergrond door bouwwerkzaamheden; Financiële bijdragen.
In de planperiode zal beleid worden bepaald voor situaties waarbij woningen in het buitengebied ten gevolge van andere particuliere initiatieven op minder dan 40 m van nieuwe riolering komen te liggen. Zeker wanneer de nieuwe riolering door de gemeente wordt overgenomen.
33
5.1.1.4 Buitengebied Gemeente Schouwen-Duiveland heeft gekozen voor de smalle zorgplicht, waarbij de eigenaar zelf verantwoordelijk voor de aanleg en het onderhoud van een IBA (minimaal klasse I). De gemeente mag geen rioolheffing opleggen aan de eigenaar. Binnen de gemeente zijn 454 niet gerioleerde panden aanwezig waar afvalwater wordt geproduceerd. Voor deze panden heeft de gemeente een ontheffing van de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van het afvalwater gekregen van de Provincie Zeeland. Deze ontheffing is geldig voor onbepaalde tijd. Per 1 januari 2008 zijn er wettelijke regelingen van kracht voor lozingen in het buitengebied en zijn er eisen gesteld aan de septic tank waar veel huishoudens in het buitengebied gebruik van maken. Deze wettelijke regelingen zijn binnen de provincie Zeeland vertaald naar afspraken die aangeven hoe om te gaan met bestaande en nieuwe ongerioleerde huishoudelijke lozingen: beleid lozingen buitengebied (SAZ+). Hierin staat dat nieuwe lozingen direct moeten gaan voldoen aan de nieuwe eisen, bestaande lozingen krijgen nog tot 2027 de tijd om hieraan te voldoen. Deze eisen houden in, dat iedere ongerioleerde lozing moet zijn voorzien van een zuiveringsvoorziening. Deze zuiveringsvoorziening is minimaal een verbeterde septic tank (IBA-klasse 1, minimale inhoud 6 m3) conform de eisen van de Regeling lozing afvalwater huishoudens.
Dat betekent, dat voor 31-12-2027 alle kleine septic tanks door de perceeleigenaar vervangen moeten zijn door een nieuwe voorziening. De gemeente heeft alle eigenaren in het buitengebied schriftelijk geïnformeerd over deze nieuwe regeling voor het buitengebied en welke gevolgen dat heeft voor de betreffende eigenaren. Voor bestaande lozingen in het buitengebied is verder in het Zeeuwse ‘beleid lozingen buitengebied’ opgenomen dat bestaande drukriolering gehandhaafd blijft. Hier kan alleen van worden afgeweken als nieuwe ontwikkelingen hebben aangetoond dat deze een beter milieurendement hebben of lagere maatschappelijke kosten opleveren bij minimaal eenzelfde milieurendement. Dat geldt ook voor andere lokale zuiveringsvoorzieningen die niet bij de particuliere eigenaar in beheer en onderhoud zijn. 5.1.1.5 Overnamepunten Gemeenten en waterschap hebben richtlijnen ten aanzien van de overnamepunten afgesproken (richtlijn overnamepunten afvalwaterketen Zeeland). Daarin gaat het over de grens tussen de verantwoordelijkheden voor het afvalwatersysteem van de gemeente en die van het waterschap. Een van de uitgangspunten is dat riolering van derden (veelal bedrijven of recreatiegebieden) aangesloten wordt op de gemeentelijke riolering, overeenkomstig de wettelijke zorgplicht van de gemeente tot inzameling van afvalwater.
Bij omvangrijke lozingen wordt afgewogen of aansluiting op het transportsysteem van het waterschap doelmatiger is. Dit is vooral van belang bij ontwikkeling van nieuwe (grote) bedrijven, maar ook bij het heroverwegen van bestaande aansluitingen (overnamepunten) van bedrijven of recreatiegebieden op het transportsysteem.
34
Figuur 5.1: Afweging en werkwijze bij nieuwe overnamepunten Afweging en werkwijze bij nieuwe overnamepunten
1
Rioolaansluiting nodig o.g.v. Activiteitenbesluit of Besluit lozingen afvalwater huishoudens?
nee
Aanleg IBA.
ja 2
Omvang totale lozing in woonkern: ‐ totaal aantal aansluitingen ≥ 40 waarvan ≥ 30 aan‐ sluitingen van permanente bebouwing? óf ‐ totale vervuilingswaarde ≥ 250 i.e. en ≥ 30 aan‐ sluitingen van permanente bebouwing?
nee
Aansluiten op gemeentelijke riolering.
ja 3
Afstand tot nabijgelegen bebouwde kern > 500 m ? nee
ja 4
Lozing van bedrijf? ja
1. Aansluiten op gemeentelijke riolering. 2. Aansluiten op transportsysteem waterschap, via nieuwe gemeentelijke voorziening.
nee 5
Aansluiten op transportsysteem waterschap met nieuw overnamepunt. Initiatiefnemer werkt in overleg met waterschap nieuwe aansluiting uit. Stappen: ‐ mogelijke aansluitvarianten bepalen ‐ keuze meest doelmatige variant o.b.v. vergelijking investerings‐en exploitatiekosten met contante waardeberekening over periode van tenminste 20 jaar ‐ uitwerken meest doelmatige variant ‐ realiseren aansluiting ‐ overnamepunt vastleggen in beheersystemen waterschap en gemeente Aandachtspunten: ‐ compensatie negatieve effecten op transportsysteem ‐ aandacht voor functioneren transportsysteem in de praktijk ‐ technische en praktische voorzieningen bij overnamepunt (zie richtlijn) ‐ kostenverdeling ‐ praktische afspraken over uitvoering
5.1.1.6 Aanleg IBA Voor de lozing uit een IBA is het doorgaans voldoende om dit te melden bij het waterschap. Er kan een watervergunning nodig zijn voor het aanbrengen van een werk in het sloottalud. Vaak vindt er dan nog een bezoekje plaats door een van onze toezichthouders om een en ander in goede banen te leiden. Toch vindt voorafgaand aan ‘aanleg IBA’ met het Waterschap, als bevoegd gezag voor lozingen op oppervlaktewater, eerst een maatwerkoverleg plaats. Ook andere argumenten dan Activiteitenbesluit of het Besluit Lozingen Afvalwater Huishoudens een rol kunnen spelen bij de afwegingen tot aansluiten van een perceel. Dit wordt altijd meegewogen.
35
5.1.2
Toetsingsnorm milieutechnisch functioneren
Sinds de Waterwet en het vervallen van de Wvo-vergunning (Wet verontreiniging oppervlaktewater) in 2009 moet een gemeente nog wel alle lozingslocaties (overstorten en hemelwateruitlaten) opnemen in het vGRP, maar hoeft zij de emissie uit deze overstorten en uitlaten niet meer te bepalen. Omdat emissiebepalingen nog steeds nuttig en nodig zijn, bijvoorbeeld om te onderzoeken of de emissie een potentieel waterkwaliteitsprobleem oplevert in het ontvangende oppervlaktewater. Wanneer nodig brengt de gemeente in samenwerking met het waterschap Scheldestromen het milieutechnische functioneren van de gemengde stelsels in beeld door het uitvoeren van een (emissie-) berekening met een 10-jarige regenreeks. Daarmee kan worden onderzocht of de emissie een potentieel waterkwaliteitsprobleem oplevert in het ontvangende oppervlaktewater. Gecombineerd met praktijkervaringen en een actueel inzicht in meldingen geeft dit inzicht in de aanwezige knelpuntlocaties binnen de gemeente. Daarbij bepaalt de gemeente welke risico’s zij nog acceptabel vindt en wanneer maatregelen gewenst zijn. Op basis van de verkregen resultaten maakt de gemeente een afweging waar welke maatregelen gewenst en doelmatig zijn (in de riolering, openbare ruimte, watersysteem).
Vuilwaterstelsels worden zodanig ontworpen dat bij normaal functioneren, dus uitgezonderd incidenten, geen overstortingen naar oppervlaktewater zullen plaatsvinden.
5.1.3
Beheer en onderhoud
Het beheer en onderhoud bestaat uit diverse werkzaamheden waartoe planningen worden gemaakt. Het doel hiervan is om alle objecten naar behoren te laten functioneren, zodat de bedrijfszekerheid gewaarborgd is en de vervuilingsgraad tot een acceptabel minimum wordt beperkt. Voor de instandhouding van de aanwezige rioleringsvoorzieningen maakt de gemeente een afweging tussen beheermaatregelen, renovatie en vervanging. Daarbij weegt de gemeente de risico’s af ten aanzien van de onderstaande niveaus:
Het object: de technische staat van de rioolbuis, het gemaal, de persleiding, de drukriolering, de bijzondere voorzieningen waaronder waterdoorlatende verharding enzovoorts; Het systeem: het hydraulisch functioneren van het rioolsysteem; De omgeving: de beoogde kwaliteit, de maatschappelijke kosten en baten van de maatregel.
5.1.3.1 Inventarisatie en gegevensbeheer Inzicht in het te beheren areaal is een belangrijke voorwaarde voor het planmatig beheer van een rioolstelsel. Hiervoor heeft de gemeente de beschikking over een rioolbeheer-systeem (vrij vervalriolering) en een gemalenbeheer- en onderhoudssysteem. In deze beheersystemen staan, naast de statische gegevens (materiaalsoort, diameter, pomptype et cetera), ook dynamische gegevens zoals inspecties, storingsmeldingen en dergelijke. Met behulp van deze beheergegevens is te bepalen wanneer maatregelen uitgevoerd dienen te worden of worden analyses gemaakt om knelpunten of storingen te voorkomen. Aan de hand van de mogelijke rioleringsmaatregelen vindt afstemming plaats met andere werkzaamheden binnen de openbare ruimte, zowel intern als extern (onder andere nutsbedrijven). Deze jaarlijkse afstemming met andere disciplines (groen, wegen, ruimtelijke ordening) is van essentieel belang om kosten te besparen en onnodige overlast voor burgers zoveel mogelijk te voorkomen. De resultaten leiden tot een integraal maatregelenplan voor de openbare ruimte. Met behulp van de gegevens van het beheerpakket wordt het rioolstelsel planmatig beheerd. Na het wegwerken van achterstanden zal het beheerpakket per 31 december 2022 voor 90%
36
gevuld zijn met actuele gegevens. Het is van belang de beheergegevens daarna actueel te houden door revisiegegevens van uitgevoerde rioleringswerken tijdig in het beheerpakket te verwerken. Deze dienen voor of bij oplevering van een project door de aannemer te worden aangeleverd aan de gemeente ter verwerking. Wanneer de riolering onder asfalt komt te liggen, dienen de gegevens aangeleverd te worden voor het aanbrengen van de eerste laag asfalt. Binnen de SAZ+ is een verkenning gaande omtrent de invoering van het GWSW (Gegevens Woordenboek Stedelijk Water) in het kader van de uitwisselbaarheid van data. Het GWSW wordt een verplichte open standaard volgens de landelijke pas-toe-of-leg-uit-lijst van Forum Standaardisatie. Naast de karakteristieken van de riolering moeten ook de inventarisatiegegevens van het op de riolering aangesloten verhard oppervlak (grafisch) worden bijgehouden. Onder meer door de diverse afkoppelprojecten in de afgelopen planperiode is het van belang dit overzicht regelmatig bij te werken en actueel te houden. Voor de rioolgemalen is er een specifiek onderhoudsbeheersysteem om de onderhoudstoestand van de gemalen vast te leggen en planmatig in te kunnen vullen. 5.1.3.2 Huisaansluitingen Een belangrijke, letterlijke verbinding tussen het gemeentelijke rioolstelsel en de voorzieningen van de bewoners en bedrijven is de huisaansluiting of huisaansluitleiding.
Onderhoud aan huisaansluitingen wordt niet door de gemeente uitgevoerd. De huisaansluitingen zijn tot op het hoofdriool in beheer bij de particulier en vallen niet onder de onderhoudsverantwoordelijkheid van de gemeente. Dit zal in de planperiode worden vastgelegd in een gemeentelijke ‘verordening particuliere rioolaansluitingen’. Hierin zal ook de aansluiting op de drukriolering worden opgenomen. Als netbeheerder is de gemeente wettelijk verplicht (WIBON) om de liggingsdata van ondergrondse netten, waaronder ook riolering en huisaansluitingen, op te slaan en beschikbaar te stellen. De opslag en beschikbaarstelling verloopt via een centrale voorziening (KLIC-WIN) of een eigen voorziening. De gemeente heeft hier zelf keuze in. Per 1 juli 2019 zijn netbeheerders verplicht om hun data binnen een maand na aanleg aan te leveren en te ontsluiten via het speciaal daarvoor ontwikkelde IMKL2015-formaat. Gezien de complexiteit om alle bestaande huisaansluitingen alsnog te lokaliseren en digitaliseren kent de WIBON een overgangsrecht. Dit overgangsrecht stelt dat registratie van huisaansluitingen pas hoeft te gebeuren bij nieuwe aanleg, vervanging of renovatie. Bij rioolvervangingen, zoals in de binnenstad van Zierikzee, zal de gemeente waar mogelijk ieder pand van een eigen huisaansluiting voorzien.
Waar dit technisch moeilijk te realiseren is zal in overleg met de betrokken eigenaren de huisaansluitingen van twee of meer panden gecombineerd worden tot één huisaansluiting op het gemeentelijke riool. Hierdoor zal de huisaansluiting van de ene eigenaar over het terrein van de andere eigenaar gaan lopen. Hiervoor dienen de eigenaren onderling een zakelijk recht te vestigen om de afvoer van afvalwater te garanderen. Indien de eigenaren en de gemeente in onderling overleg hier niet uitkomen, dan zal de gemeente dit in het uiterste geval afdwingen op basis van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Deze wet heeft tot doel om te voorkomen dat de uitvoering van in het openbaar belang ondernomen werken worden belemmerd.
37
Figuur 5.2: Visualisatie verantwoordelijkheid particulieren en gemeente.
5.1.3.3 Reiniging De gemeente reinigt de riolering en persleidingen om het functioneren daarvan te waarborgen, de vuiluitworp naar het oppervlaktewater te beperken en hinder van stank en ongedierte te voorkomen. De gemeente beschikt over een reinigings- en inspectieplan voor de riolering. De reiniging van de riolering loopt voor de rioolinspecties uit, is afgestemd op een eventuele afwijkende toestand en de mate van vervuiling. De reinigingsfrequentie bedraagt gemiddeld eenmaal per acht jaar. Reinigingswerkzaamheden worden aan het waterschap Scheldestromen gemeld. Ook wordt rekening gehouden met de jaargetijden (bladval) en wordt afstemming gezocht met het straatveegregime. De kolken worden minimaal eenmaal per jaar uitgezogen. Op een aantal locaties worden de kolken tweemaal per jaar uitgezogen. Uit ervaring blijkt deze frequentie voldoende te zijn en wordt daarom gehandhaafd. Uitgaande van de beheervisie geldt voor veegvuilbeheersing niveau c. Voor de controle van de drukriolering is er een reinigingsprogramma. Eenmaal per jaar worden de drukrioleringspompen gecontroleerd en gereinigd. Van de drukleidingen wordt jaarlijks 20% gereinigd. De controle en reiniging van de drukriolering is uitbesteed aan derden. Verschillende drukleidingen zijn nog nooit gereinigd.
Een strategie voor het reinigen en inspecteren van persleidingen, drainage en DIT-riolen zal in deze planperiode worden uitgewerkt.
38
5.1.4
Onderzoek en planvorming
In het kader van een goede rioleringszorg is het belangrijk om inzicht te hebben in de kwalitatieve staat en het functioneren van het rioolstelsel. Waar nodig dient daarvoor onderzoek te worden uitgevoerd en beleidsuitgangspunten te worden vastgelegd 5.1.4.1 Inspectie Inspectie van de vrijverval riolering en van de gemalen is noodzakelijk om inzicht te hebben in welke kwalitatieve staat de voorzieningen verkeren. Dit is een belangrijk onderdeel, omdat hiermee bepaald wordt of nog voldaan wordt aan de minimaal gestelde eisen voor de betreffende voorziening. De gemeente is voornemens om het reeds ingezette risicogestuurd inspecteren van haar riolering in deze planperiode voort te zetten (zie paragraaf 2.2). Gelijktijdig met de inspectie vindt de reinigingsronde plaats. Voor de inspectiewerkzaamheden wordt jaarlijks een plan uitgewerkt. De inspectieresultaten worden ingelezen in het rioolbeheersysteem.
Hoofdgemalen 1x per jaar; Minigemalen (drukriolering) 1x per jaar.
5.1.4.2 Berekeningen Het functioneren van het rioleringssysteem wordt mede beoordeeld met behulp van modelberekeningen. Van alle kernen binnen de gemeente zijn rioleringsberekeningen uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in basisrioleringsplannen (BRP). Het BRP geeft inzicht in het functioneren van de riolering en biedt oplossingen om dit functioneren waar nodig te verbeteren. De geformuleerde maatregelen uit het BRP zijn gericht op zowel het verminderen van de vuilemissie (indien nodig) als op het verbeteren van het hydraulisch functioneren, maar bevatten soms ook structuurverbeteringen in het rioolstelsel of aanpassingen aan rioolgemalen. Bij de maatregelen wordt bewust een doorkijk gemaakt met intensievere neerslagsituaties in het kader van de klimaatontwikkelingen. De geformuleerde maatregelen uit het BRP zijn opgenomen in het verbreed vGRP. Waar mogelijk worden de maatregelen gekoppeld aan reeds geplande vervangingswerkzaamheden of aan andere projecten, zoals herstraatwerkzaamheden of reconstructies. De maatregelen worden ook afgestemd met het Waterschap in het kader van de samenhang met het transportsysteem en het watersysteem. In de komende jaren zullen de basisrioleringsplannen bij actualisatie worden opgewaardeerd tot een zogenaamd Systeemoverzicht Stedelijk Water (SSW). Het SSW is de opvolger van het (BRP).
De nieuwe naam sluit beter aan op de aard van het plan: het evalueren van het systeem-functioneren van de volledige infrastructuur voor het stedelijk waterbeheer. Naast rioolen drainagestelsels zijn de bovengrondse ruimte en oppervlaktewater daar uitdrukkelijk onderdeel van. 5.1.4.3 Meten en monitoren Meten en monitoren in het rioleringssysteem is een belangrijke onderzoeksactiviteit met een hoge kenniscomponent. Door te meten wordt meer kennis verkregen over het daadwerkelijk functioneren van de riolering. Deze kennis over het functioneren van de riolering vertaalt zich op de lange termijn in kwaliteitsverbetering, beter inzicht, doelmatiger beheer, vermindering van emissies naar het oppervlaktewater en uiteindelijk ook besparingen.
39
Naast meten in de riolering heeft de gemeente een centrale hoofdpost. Deze zorgt voor de continue monitoring van alle rioolgemalen (draaiuren en waterniveau in gemaal) en het melden van storingen (telemetriesysteem). Vanuit de samenwerking is er een koppeling gemaakt tussen de SCADA-systemen van het waterschap en van de gemeente. Het doel daarvan is om overstortingen op de minst kwetsbare locaties te laten plaatsvinden.
5.1.5
Controle en handhaving
Controle en handhaving is tweerichtingsverkeer. Het betekent enerzijds ‘in control’ zijn door tijdig op de hoogte te zijn van nieuwe ontwikkelingen, prognoses daarop af te stemmen en met de systemen tijdig op deze prognoses te kunnen anticiperen. Anderzijds betreft dit zowel het toezien en handhaven op de geplande bouw (zijn de ontwikkelingen volgens de prognoses) als het handhaven op de lozingen gedurende de gebruiksfase. Nieuwe aansluitingen Particuliere huishoudens en bedrijven zijn verplicht bij het afvoeren van afvalwater gebruik te maken van, en aangesloten te zijn op het gemeentelijk riool. De gemeente zal in een aansluitverordening de kaders vastleggen die ze stelt voor de aanleg, vervanging en de verwijdering van rioolaansluitingen, en ook voor het beheer en onderhoud van bestaande rioolaansluitingen. Naleving lozingsvergunningen De gemeente verzorgt met specialistische (systeem)kennis het zorgplichtkader rond vergunningen en meldingen. Naleving lozingsvergunningen en aansluitverordening Via plantoetsing, toezicht tijdens de realisatie, steekproeven op as-built dossiers en rioolinspecties zal handhaving plaatsvinden op de naleving van de nog op te stellen aansluitverordening. De gemeente is bevoegd gezag voor (handhaving op) lozingen op de riolering en op de bodem.
5.1.6
Meldingen
Jaarlijks komen er verschillende meldingen van burgers binnen op uiteenlopende gebieden, zoals wateroverlast, verstopping, storing van pompen, meldingen over stank of kolken. Alle meldingen komen binnen via de servicelijn en worden geregistreerd. Deze servicelijn dient tevens als ‘grondwaterloket’. De huidige werkwijze met de servicelijn wordt gehandhaafd. Binnengekomen meldingen worden, na beoordeling van de meldingen, gebruikt om werkzaamheden in te plannen. De nadruk ligt op het zo snel mogelijk oplossen van de meldingen of storingen.
40
5.2
HEMELWATER
De hemelwaterzorgplicht is in de Waterwet (artikel 3.5) vastgelegd met de onderstaande bewoordingen. 1. De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor een doelmatige inzameling van het afvloeiend hemelwater, voor zover van degene die zich daarvan ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen. 2. De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen tevens zorg voor een doelmatige verwerking van het ingezamelde hemelwater. Onder het verwerken van hemelwater kunnen in ieder geval de volgende maatregelen worden begrepen: de berging, het transport, de nuttige toepassing, het, al dan niet na zuivering, terugbrengen op of in de bodem of in het oppervlaktewater van ingezameld hemelwater, en het afvoeren naar een zuiveringstechnisch werk.
De hemelwaterzorgplicht heeft betrekking op het op een perceel verzameld hemelwater, waarvan de houder zich niet anders kan ontdoen dan door het aan de gemeente als inzamelaar over te dragen. De zorgplicht omvat in beginsel dan ook niet meer, dan het door de gemeente aanbieden van een voorziening, waarin het hemelwater geloosd kan worden. Er bestaat een beleidsmatige voorkeur voor gescheiden rioleren. Bij nieuwbouwwijken wordt deze situatie direct gerealiseerd, in bestaande situaties wordt dit nader afgewogen. Aandachtspunten in dit geval zijn het voorkomen van foutieve aansluitingen en het voorkomen van problemen met ontluchting. De perceeleigenaar draagt de eerste verantwoordelijkheid om het overtollige hemelwater te bergen op zijn eigen perceel. De gemeente heeft vervolgens een inspanningsverplichting om, als dit niet mogelijk is, het overtollige hemelwater te ontvangen en af te voeren. Daarin kent de gemeente een zekere beleidsvrijheid. Dit houdt in dat, afhankelijk van de lokale situatie, de meest doelmatige oplossing zal worden gekozen voor de inzameling en verdere verwerking van het hemelwater. Een kernwoord hierbij is de doelmatige inzameling van het hemelwater. De gemeente toetst op overtolligheid van het aangeboden hemelwater en de mate waarin het hemelwater doelmatig kan worden verwerkt alvorens wordt overgegaan tot het inzamelen van het hemelwater.
Doelmatigheid uit zich hierbij onder meer in een afweging van de kosten van maatregelen, mogelijkheden om aan te haken bij andere maatregelen (bijvoorbeeld afkoppelen), de duurzaamheid van maatregelen, aspecten ten aanzien van beheer en onderhoud en uniformiteit (één gelijke maatregel voor een hele straat in plaats van diverse ad-hoc oplossingen). Vanuit doelmatigheid is het mogelijk om maatregelen op particulier terrein uit te voeren of te faciliteren. De hemelwaterzorgplicht houdt echter ook in, dat de gemeente verantwoordelijk is voor het bergen van hemelwater in het openbaar gebied. Dat is immers haar eigendom. Het ‘Kapelle-arrest’ (2008), waarin de rechter heeft geoordeeld dat de gemeente aansprakelijk was voor schade door hemelwater dat vanaf openbaar gebied particuliere woningen binnenliep, laat zien dat de
41
gemeente zorgvuldig met haar verantwoordelijkheden op het gebied van regenwater dient om te gaan. Primair wordt gekozen om hemelwater oppervlakkig af te voeren in bestaande en nieuwe situaties. In 2014 is door de gemeente de verordening op de afvoer van hemelwater en grondwater 2013 vastgesteld. Deze verordening biedt de gemeente de mogelijkheid om gebruik te maken van de mogelijkheid om afvloeiend hemelwater of grondwater in een aan te wijzen gebied binnen een vooraf te bepalen termijn niet meer te doen afvloeien in een openbaar vuilwaterriool.
5.2.1
Voorkomen van wateroverlast
Om invulling te geven aan deze verantwoordelijkheid en aandacht te hebben voor het voorkomen van wateroverlast in het algemeen is de gemeente op verschillende fronten actief. Het verminderen van het risico op wateroverlast is daarbij het belangrijkste doel. Water kan soms nog op straat blijven staan (waterhinder), maar de inzet is dat water niet de woningen binnen kan lopen (wateroverlast). Waterhinder
= ruime plasvorming op straat en/of tijdelijk water-op-straat Geen problemen voor woningen of stremming van vitale infrastructuur.
Wateroverlast
= water stroomt bebouwing binnen en er is sprake van schade, Vitale infrastructuur (bijvoorbeeld wegen naar kwetsbare voorzieningen) is gestremd.
Bij de uitwerking en het uitvoeren van maatregelen wordt nadrukkelijk ook aandacht besteed aan de eigen verantwoordelijkheid van de bewoners en de particuliere perceeleigenaren. Daar waar water op eigen terrein geborgen kan worden en de hoeveelheid particuliere verharding beperkt blijft of verminderd wordt, neemt de kans op wateroverlast af. Over deze principes zullen bewoners zowel bij specifieke projecten als in het algemeen worden geïnformeerd en zij worden gestimuleerd om hierin hun eigen verantwoordelijkheid te nemen. Daarnaast wordt bij (nieuwe) rioleringsberekeningen, maar ook bij afkoppelen, rekening gehouden met intensievere neerslagsituaties. Indien er maatregelen geformuleerd moeten worden, wordt uitgegaan van een integrale benadering. Daarbij wordt de oplossing niet alleen gezocht in ondergrondse infrastructuur, maar juist in het beschouwen van de volledige openbare ruimte. Hierbij wordt ook stil gestaan bij opties als bovengrondse afvoer en berging van overtollig hemelwater (klimaatadaptief handelen). In de planperiode van dit vGRP is budget opgenomen voor klimaatadaptieve maatregelen of voor het bestrijden van wateroverlast/wateroverlastlocaties.
5.2.2
Toetsingsnorm
De gangbare manier om de hydraulische capaciteit van een stedelijk watersysteem te toetsen, is het systeem doorrekenen met “kunstmatige” ontwerpbuien. Dit wordt ook in SchouwenDuiveland gedaan.
42
Maatgevende afvoersituatie Allereerst is er de toetsing van een maatgevende afvoersituatie. Deze toetsing door het doorrekenen van het rioolstelsel4 met een toetsbui heeft als doel om na te gaan of het ondergrondse stelsel “groot genoeg” is. Het stelsel moet de vooraf vastgestelde bui met een bekende theoretische herhalingstijd5 kunnen verwerken, zonder dat (langdurig) water-op-straat situaties ontstaan. Toetsing bij overbelasting Als tweede vindt een toetsing plaats met een bui die een grotere intensiteit heeft dan de toetsbui voor de maatgevende afvoersituatie. Deze toetsing heeft als doel om te bepalen hoe het systeem functioneert bij overbelasting. De overbelasting zal veelal leiden tot water-opstraat. Met een 2D rekenmodel (officieel: een modelconcept rioleringsmodel met stroming over maaiveld of maaiveldmodel met een rioleringsmodel) kan worden bepaald hoe bij water-opstraat afstroming over het maaiveld plaats vindt en of er risico bestaat op overlast. Dit risico kan worden verkleind door maatregelen aan het rioolstelsel te nemen, maar vooral ook door bovengrondse maatregelen. Stresstest voor extreme situaties Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Stortbuien en langdurige neerslag kunnen wateroverlast veroorzaken. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid.
Om lokale en regionale kwetsbaarheden voor klimaatveranderingen in beeld te brengen worden klimaatstresstesten uitgevoerd. In het kader van de stresstesten wordt een systeem belast met één of meer van de zeven door STOWA en RIONED speciaal gestandaardiseerde stresstestbuien of een werkelijk gevallen bui. De invulling van de toetsingsnorm voor nieuwe en voor bestaande stelsels voor SchouwenDuiveland is als volgt. Nieuwe stelsels Voor het ontwerp en de toetsing van nieuwe stelsels wordt in plaats van de Leidraad-buien vanaf 2022 door ons gebruik gemaakt van composietbuien. Het gebruik van composietbuien betekent een belangrijke verbetering ten opzichte van de standaardneerslaggebeurtenissen uit de Leidraad riolering, module C2100 uit 2004. De herhalingstijden komen voor de Leidraadbuien niet overeen met de IDF-neerslagstatistieken. En bij het doorrekenen van een rioolstelsel met een composietbui is de statische berging van het stelsel op het moment van de piekintensiteit volledig gevuld, waardoor gevoelige locaties beter in beeld komen. Het ontwerp van nieuwe stelsels moet hydraulisch voldoen aan een belasting met composietbui T=2 scenario 2050 laag vanuit de Kennisbank Riolering zonder dat er water-op-straat situaties ontstaan. Hierbij dient er een minimale waking van 20 cm aanwezig te zijn.
Daarnaast vindt een toetsing op overbelasting plaats aan de hand van de zwaardere controlebuien composietbui T=5 scenario 2050 laag en T=10 scenario 2050 laag vanuit de Kennisbank Riolering. Bij een belasting met voornoemde composietbuien T=10 mag er geen water in panden worden berekend.
4 Aandachtspunt is dat bij toetsing van bijvoorbeeld wadi’s met grote berging deze toetsingsbuien niet geschikt zijn. Kennisbank stedelijk water adviseert in dat geval een neerslagreeks van De Bilt 1955-1979 toe te passen of composietbuien. 5 Kanttekening is dat deze herhalingstijd als gevolg van klimaatverandering niet exact overeenkomt met de herhalingstijd die volgt uit de STOWA regenduurlijnen.
43
Bij aanleg dient de ontwikkelaar te anticiperen op eventuele effecten van bodemdaling zodat het systeem ook op lange termijn in overeenstemming met de gestelde eisen blijft functioneren. Het volume en de intensiteit van composietbuien zijn groter dan bij de leidraadbuien met dezelfde herhalingstijd. Dit kan leiden tot grotere leidingdiameters en een grotere ondergrondse ruimteclaim. Bij het ontwerp van riolering moet daarom kritisch worden gekeken naar het nut en de noodzaak om bepaalde verharde oppervlakken op de riolering aan te sluiten. Bestaande stelsels Veel rioolstelsels binnen de gemeente zijn ooit ontworpen op basis van een theoretische neerslag belasting. Dit betreft van oudsher een inloop van 20 mm/uur of 30 mm/uur en na 1994 een neerslag van Bui08, Bui09 en Bui10 vanuit de Leidraad Riolering. De hierbij gehanteerde uitgangspunten kunnen in de loop der jaren echter zijn gewijzigd, bijvoorbeeld ten gevolge van bodemdaling of de toename van verharding, ook op particulier terrein. Ook de introductie van nieuwe berekeningsbuien waarin het huidige en het verwachte klimaat in 2050 zijn verwerkt zorgen voor een aanleiding om uitgevoerde toetsen periodiek te herhalen. Periodiek brengt de gemeente het hydraulische en milieutechnische functioneren van de bestaande stelsels in beeld.
Vertrekpunt daarbij zijn de oorspronkelijke toetsingsnormen: géén water-op-straat en 20 cm waking bij belasting met Bui08, géén water-op-straat op gebiedsontsluitingswegen bij belasting met Bui09 en géén water in panden of schade bij belasting met Bui10. Gecombineerd met praktijkervaringen, uitkomsten uit stresstesten en risicodialogen, een actueel inzicht in meldingen en de ten tijde daarvan werkelijk gevallen neerslag geeft dit inzicht in de aanwezige knelpuntlocaties binnen de gemeente. Daarbij bepaalt de gemeente welke risico’s zij nog acceptabel vindt en wanneer (aanvullende) maatregelen gewenst zijn. Op basis van de verkregen resultaten maakt de gemeente een afweging waar welke maatregelen gewenst en doelmatig zijn (in de riolering, de openbare ruimte en/of het watersysteem). Tabel 5-1 Toetsingsnorm
5.2.3
Anticiperen op klimaatverandering
Het klimaat verandert. En hoewel dat soms ‘ver weg’ of ‘voor later’ lijkt, zijn de gevolgen nu al merkbaar. Steeds vaker zijn buien zo intensief dat het rioolstelsel de hoeveelheid regen niet aan kan, dat er water op straat blijft staan of soms zelf bij gebouwen binnen loopt. De warme zomerdagen houden langer aan of leveren nieuwe recordtemperaturen op. Allemaal uitingen van een veranderend klimaat. De effecten van deze veranderingen beïnvloeden het wonen, werken en verblijven in Nederland en in de landen om ons heen, in grote steden en in kleine dorpen. Kortom: de effecten beïnvloeden ieders directe leefomgeving.
44
In het algemeen wordt klimaatverandering vaak gekarakteriseerd door een verhoging van de temperatuur en een toename van de hoeveelheid neerslag en de intensiteit van de neerslag. Er moet rekening worden gehouden met hevigere regenbuien, lange periodes van regenval, periodes van langdurige droogte en hitte en een stijgende zeewaterspiegel. Het klimaatadaptief handelen van de gemeente is mede een invulling van de gemeentelijke hemelwaterzorgplicht die in de Waterwet is benoemd. Klimaatadaptatie is het inspelen op de gevolgen van de verwachte klimaatontwikkelingen. Klimaatadaptief handelen overstijgt maatregelen aan alleen het rioleringssysteem, het vereist dat er ook gekeken wordt naar het niveau van het toekomstbestendig inrichten van de openbare ruimte (zogenaamde bovengrondse maatregelen) en ondergrondse mogelijkheden voor het opvangen en vasthouden van water. De afwegingen rondom het treffen van dergelijke maatregelen worden in samenspraak met andere disciplines gemaakt (bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, wegen en groen) en externe organisaties zoals het waterschap en nutsbedrijven (energietransitie). Daarbij wordt zoveel mogelijk meegelift met andere reeds geplande werkzaamheden in de openbare ruimte. Het rioleringsstelsel is ontworpen om bij normale neerslag hemelwater (en verdund vuilwater) af te voeren. Op extreme neerslag is het stelsel niet ontworpen.