RVS Vaststellen bestemmingsplan ‘Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland’’ Bijlage TOELICHTING
Tekst van het document
Op 800m ten noorden van de planlocatie aan de overzijde van de Rijksweg N59 bevindt zich een kleinschalig bosgebied met bijzondere landschappelijke waarde. Bescherming soorten Een ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk te maken of er door het plan mogelijke negatieve effecten kunnen optreden op in en om het plangebied aanwezige beschermde soorten. Activiteiten die een schadelijk effect kunnen hebben op beschermde soorten zijn in principe verboden. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt een algemene zorgplicht. Schade aan flora en fauna dient zoveel mogelijk voorkomen te worden. Plangebied In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als agrarisch bedrijfsperceel. De planlocatie bevindt zich niet binnen of aansluitend aan een beschermd natuurgebied. Ten behoeve van de ontwikkeling zal
voormalige
bedrijfsbebouwing
worden
gesloopt
tevens
zullen
er
kleinschalige
bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd. In de beoogde situatie vindt een extensivering plaats van het gebruik van het perceel ten opzichte van het huidige bedrijfsmatige gebruik. De voertuigbewegingen die samenhangen met de bouwwerkzaamheden zullen opgaan in het gebruikelijke verkeer in en om de kern. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de kleine schaal van de ontwikkeling zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van onder meer versnippering, verstoring en licht- en geluidseffecten uitgesloten. Het hergebruik van een voormalige bedrijfslocatie voor een tweetal burgerwoningen aan de rand van de bebouwde kom betreft een kleinschalige ontwikkeling. In de beoogde situatie zullen de bedrijfsmatige verkeersbewegingen vervallen, het netto areaal oppervlak zal verminderen en het gebruik van het perceel zal minder intensief worden. Door de bouwwerkzaamheden en als gevolg van de verkeersbewegingen van de nieuwe bewoners, vindt een toename plaats van de uitstoot van verzurende stoffen waaronder CO2. Om het effect van stikstofdepositie te kunnen bepalen is op basis van het voorgeschreven rekenprogramma Aerius Calculator in februari 2022 een stikstofdepositieberekening uitgevoerd door Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
30
De Roever Omgevingsadvies BV. De onderzoeksresultaten zijn onderstaand weergegeven. In februari 2022 is door ecologisch adviesbureau de NWC Advies een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Resultaten flora en faunaonderzoek Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er geen effecten op vleermuizen, vogels met een vaste verblijfplaats, grondgebonden zoogdieren, herpetofauna, vaatplanten of broedvogels te verwachten zijn als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Tijdens de aanlegfase dient invulling te worden gegeven aan de algemene zorgplicht. Voor alle in het wild levende dieren dienen nadelige gevolgen zo veel mogelijk te worden voorkomen. Dit betekent voor de ontwikkeling dat: Zoveel mogelijk wordt gewerkt buiten de kwetsbare periode van aanwezige soorten.
Waaronder in ieder geval het rooien van beplanting buiten het broedseizoen (broedseizoen loopt van ca maart tot en met augustus); Werkzaamheden zo min mogelijk plaatsvinden tussen zonsondergang en zonsopkomst; Zo min mogelijk gebruik wordt gemaakt van verlichting; Voorafgaand aan het verwijderen van vegetatie of andere schuilplaatsen van dieren, wordt gecontroleerd op de aanwezigheid van soorten (zoals egels) en dieren zorgvuldig worden verplaatst naar een geschikte locatie in de directe omgeving; Tijdens de bouwperiode wordt aangeraden om te voorkomen dat binnen het bouwterrein geschikt biotoop ontstaat voor overwintering of voortplanting van de rugstreeppad. In de periode half april en half juli wordt aangeraden om te voorkomen dat er water in terreinlaagtes ontstaat. De onderzoeksrapportage is opgenomen in bijlage 1. Resultaten stikstofdepositieonderzoek Om het effect van stikstofdepositie te kunnen bepalen is op basis van het voorgeschreven rekenprogramma Aerius Calculator in februari 2022 een stikstofdepositieberekening uitgevoerd door De Roever Omgevingsadvies BV. Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofverbetering en natuurbescherming in werking getreden. Op basis van de wet zijn bouwactiviteiten door het tijdelijke karakter uitgezonderd van de natuurvergunningplicht. De vrijstelling geldt niet voor het nieuwe gebruik.
Uit de rekenresultaten blijkt dat de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jr. De rapportage is opgenomen in bijlage 7. Conclusie Het plan heeft geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor beschermde soorten of natuurgebieden in de omgeving. Er is geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming.
4.7
Mobiliteit en parkeren
De gemeente Schouwen- Duiveland heeft in 2018 het Parapluplan parkeernormen SchouwenDuiveland vastgesteld. Middels het parapluplan is bij het vestigen van een nieuwe functie de parkeernormering uit de nota ‘Parkeerbeleid 2017-2020’ van toepassing. Op basis van bovenstaande nota dient bij een nieuwe ontwikkeling aangetoond te worden dat op basis van de CROW- kencijfers parkeren (publicatie 317) op eigen perceel kan worden voldaan aan de parkeernormering. Met de oprichting van een tweetal aaneen gebouwde woningen in een matig stedelijk gebied worden 2 parkeerplaatsen per woning aangelegd. Hierdoor zijn er minimaal 4 parkeerplaatsen beschikbaar. De woningen beschikken over een ruim perceel waarbinnen ook het bezoekers parkeren kan worden opgevangen. Hiermee kan de parkeervraag van de woningen ruimschoots op eigen terrein worden opgevangen. Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
31
De woningen worden ontsloten door middel van een bestaande inrit op de Bosblokdreef. De Bosblokdreef is een doodlopende weg en sluit via de kern Oosterland aan op de regionale en nationale (N59) infrastructuur. Door de oprichting van een tweetal woningen ter vervanging van een agrarische bedrijfslocatie zal de verkeersintensiteit ter plaatse niet significant toenemen. De verkeersbewegingen door de functiewijziging naar wonen zijn marginaal en inpasbaar in het bestaande verkeersbeeld.
Figuur 13
4.8
Ontsluitingssituatie plangebied
Luchtkwaliteit
Voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen moeten aan luchtkwaliteitsnormen voldoen (artikel 5.16 Wet milieubeheer). Via de wet worden mensen tegen negatieve gevolgen van luchtverontreiniging beschermd. Hiervoor zijn getalsmatige grenswaarden opgenomen (titel 5.2 Wm) voor een aantal luchtverontreinigende stoffen. Voor bepaalde projecten is vastgesteld dat deze Niet In Betekenende Mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Wanneer een project minder dan 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) uitstoot, mag het zonder verdere toetsing aan de grenswaarden worden uitgevoerd. De 3% grens komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Voor woningbouw is deze grens nader gedefinieerd tot 1500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg of 3000 woningen bij 2 ontsluitingswegen. Conclusie De beoogde functiewijziging van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en de oprichting van een extra wooneenheid leidt niet tot een overschrijding van de grenswaarden voor PM10 en NO2. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
32
4.9
Externe veiligheid
Het uitgangspunt van het externe veiligheidsbeleid is het ruimtelijk scheiden van risicobronnen en kwetsbare objecten. Zonering vindt plaats door middel van veiligheidsafstanden op basis van berekende risico’s of te verwachten effecten bij calamiteiten. Het plaatsgebonden risico, afgekort met PR, geeft de kans aan dat iemand die zich een jaar lang onafgebroken en onbeschermd op een plek bevindt, overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR heeft geen relatie met de omgeving. Het groepsrisico, afgekort met GR, is de cumulatieve kans per jaar dat een groep van 10 personen of meer overlijdt door een ongeval bij een risicovolle activiteit met een gevaarlijke stof. De hoogte van het groepsrisico wordt niet alleen bepaald door de kans dat zich een ongeval met gevaarlijke stoffen voordoet maar ook door het aantal potentiële slachtoffers in de omgeving van de risicobron. Plangebied Een burgerwoning is geen activiteit met een veiligheidsrisico voor de omgeving. Een woonfunctie is binnen het externe veiligheidsbeleid aangemerkt als een gevoelige bestemming. Het oprichten van woningen binnen een beschermingszone (PR) is niet toegestaan. Volgens de Risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen inrichtingen die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
De meest nabij gelegen inrichting met een installatie waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt bevindt zich aan de Lage Maireweg 1 op circa 100m afstand van het plangebied. Deze afstand is voldoende groot. De installaties vormen geen beperking voor de ontwikkeling van het plangebied. Er bevinden zich geen buisleidingen waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt in de directe omgeving van het plangebied. Op een afstand van circa 800 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich de Rijksweg N59. Deze weg is opgenomen in het Basisnet. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg is echter beperkt. Voor de weg is geen externe plaatsgebonden risico PR 106 vastgesteld. Het groepsrisicoplafond GR bedraagt 73m. Voor de weg geldt geen plasbrandaandachtsgebied. De afstand van het plangebied tot de weg is voldoende groot.
Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
33
Figuur 14
Uitsnede Risicokaart.nl
Conclusie De afstand van het plangebied tot omliggende gevoelige functies is voldoende groot. De toekomstige bewoners zijn voldoende zelfredzaam en kunnen op eigen kracht de woning verlaten. In de woning zijn maatregelen getroffen in de vorm van rookmelders en blusmiddelen. Hiermee zijn voldoende maatregelen getroffen om de veiligheid van de toekomstige bewoners te waarborgen. Aanvullende risico reducerende maatregelen zijn niet noodzakelijk. Er zijn geen belemmeringen door de beoogde ontwikkeling voor de veiligheid van toekomstige bewoners en gebruikers.
4.10 Energie, Klimaat en Kringloopeconomie Onder het begrip ‘duurzaamheid’ worden een aantal maatschappelijke ontwikkelingen samengevat. Met de energietransitie wordt beoogd om de CO2 uitstoot terug te brengen door over te schakelen van het gebruik van fossiele energie naar hernieuwbare vormen van energie. Klimaatverandering vergt een ruimtelijke adaptatie waarbij de openbare ruimte wordt aangepast om de negatieve effecten van klimaatverandering te verkleinen of weg te nemen. De overgang naar een circulaire economie gaat uit van het hergebruiken van producten en grondstoffen. Alle ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de wijze waarop ze ene bijdrage leveren aan het verduurzamen van de leefomgeving. In de gemeentelijke Energie-Agenda is energiebesparing en het gebruik van duurzame energie een belangrijk thema. De toepassing van duurzame energievormen en klimaatbestendig ontwikkelen door rekening te houden met waterveiligheid, wateroverlast, hitte en droogte zijn belangrijke thema’s voor bestemmingsplannen. Door bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen reeds te Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
34
anticiperen op duurzaamheid, kan in een vroeg stadium reeds een bijdrage worden geleverd aan het verminderen van de effecten van klimaatverandering en gebruik van fossiele brandstoffen. Regelgeving Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. Vanaf 1 januari 2021 dient de energiebehoefte van een woning te voldoen aan de norm voor een Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG). In het kader van de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) is de aansluitingsplicht van aardgas voor kleinverbruikers bij nieuwbouw geschrapt. Dit betekent dat nieuw woningen aardgasvrij moeten worden gebouwd. In het Bouwbesluit is opgenomen dat bij de aanvraag Omgevingsvergunning het bij nieuwbouwwoningen en kantoren groter dan 100 m² verplicht is om een Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) te overleggen. Een MPG is een belangrijke maatstaf voor duurzaamheid van een gebouw. De gemeente is verplicht uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie om in 2020 een plan te hebben om de gemeente in 2050 klimaatbestendig te hebben. Plangebied De nieuwe woning zal aardgasloos worden gerealiseerd. De woning zal zo volledig mogelijk worden geïsoleerd om de energiebehoefte te kunnen minimaliseren. De woning wordt voorzien van een warmtepomp, luchtbehandeling en zonnepanelen.
De bouwtechnische aspecten waaronder de energievoorziening van de woning vormen een uitwerkingsaspect en zullen gedetailleerd uitgewerkt worden in de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Op basis van bestaande duurzaamheidsregelgeving is reeds geborgd dat aan de geldende regelgeving zoals vastgelegd in het Bouwbesluit 2012 en de BENG normering zal worden voldaan. tijdens de bouw zal zo veel mogelijk gebruikt worden gemaakt van niet-uitlogende materialen en hernieuwbare materialen. Bij de bouwtechnische uitwerking van de woning zal zo veel mogelijk worden aangesloten bij de doelstellingen van de gemeente om nieuwe ontwikkelingen zo veel mogelijk bij te laten dragen aan een circulaire economie. Onderdeel van de ontwikkeling vormt het beplantingsplan. Op basis van het beplantingsplan wordt het perceel groen omzoomd. Opgaand groen levert een positieve bijdrage aan het voorkomen van hittestress door de hiermee samenhangende realisatie van schaduwrijke plekken. Beplanting levert tevens een bijdrage aan het vasthouden van grondwater. Hiermee wordt verdroging tegen gegaan. Het vasthouden van grondwater voorkomt het doordringen van zoute kwel in de bovenste grondlagen In de waterparagraaf wordt uitvoerig ingegaan op de aspecten die relevant zijn voor de waterhuishouding in relatie tot de nieuwe ontwikkeling.
Uitvoering en instandhouding van het beplantingsplan zijn geborgd via de verbeelding middels een groenbestemming en in de regels van het bestemmingsplan door middel van een voorwaardelijke verplichting. Conclusie De beoogde ontwikkeling levert een bijdrage aan de duurzaamheidsambities van de gemeente wat betreft de ruimtelijke adaptatie als gevolg van klimaatverandering en verduurzaming van de energiebehoefte. In materiaalgebruik wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de uitgangspunten voor een circulaire economie. Deze uitwerking vindt plaats in de omgevingsvergunningaanvraag voor het onderdeel bouwen.
Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
35
4.11 Licht en duisternis De gemeente beoogt negatieve effecten van lichthinder door kunstmatige verlichting te voorkomen. Negatieve effecten van lichthinder worden bepaald door de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting in relatie tot de blootstelling. Via de gemeentelijke Module Licht en Duisternis (2009) streeft de gemeente naar het zo goed mogelijk borgen van de duisternis. In de beleidsnota zijn uitgangspunten opgesteld voor het toepassen van buitenverlichting aan gevels en op percelen. In de uitgangspunten is tevens een prioriteitsvolgorde opgenomen: Verlichting alleen plaatsen wanneer dit noodzakelijk is; Alleen verlichten wanneer dit noodzakelijk is; Alleen de plaats verlichten waar licht nodig is; Geen onnodig fel licht toepassen; Alle buitenverlichting dynamisch op basis van bewegingssensoren en neerwaarts gericht zodat er buiten het terrein geen zicht is op de lichtbron; Paardenbakken worden niet verlicht. Plangebied Het plangebied bevindt zich op de grens van de bebouwde kom met het buitengebied. Vanaf het open buitengebied is er veel zicht op het planperceel. De zichtlijnen worden grotendeels doorbroken door de aanleg van beplantingselementen. Door toepassing van dynamische verlichting en neerwaarts richten van de lichtbron en alleen gebruik te maken van noodzakelijk verlichting, wordt lichthinder zo veel mogelijk beperkt.
Conclusie Met de inrichting van het perceel en de plaatsing van lichtbronnen wordt aangesloten op de beleidsuitgangspunten uit de gemeentelijke Module Licht en Duisternis.
4.12 Vormvrije MER-beoordeling Het Besluit tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht (reparatie en modernisering milieueffectrapportage) (Staatsblad 102, jaargang 2011) zijn op 28 februari 2011 gepubliceerd. Deze reparatie van het Besluit milieueffectrapportage was nodig door het arrest van het van de EU van 15 oktober 2009 (Commissie tegen Nederland, zaak C-255/08). Het Besluit milieueffectrapportage kende een systeem van absolute drempelwaarden. Het systeem van absolute drempelwaarden bood in de praktijk vanwege de duidelijkheid grote voordelen. Gebleken is echter, dat het onmogelijk is om de drempelwaarden zo te formuleren dat rekening wordt gehouden met alle criteria van bijlage III van de richtlijn, zoals bijv. cumulatie, en daarbij te garanderen dat onder die drempelwaarde geen sprake kan zijn van aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu. Dit betekent dat de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst van het Besluit mer een indicatief karakter krijgen. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient het bevoegd gezag zijn keuze om géén mer-beoordeling te maken voor een activiteit die beneden de drempelwaarde valt, te motiveren in de overwegingen van het moeder-besluit. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. Ingeval de vormvrije m.e.r.-beoordeling als resultaat heeft dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten moet die conclusie door het bevoegd gezag worden opgenomen in de tekst van het uiteindelijke besluit in de moederprocedure.
Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
36
Beoordeling Onderliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van twee woningen mogelijk. Binnen het plangebied is in de uitgangssituatie reeds een bedrijfswoning aanwezig. Er is sprake van de netto toevoeging van één woning ter plaatse. In geval van woningbouwontwikkelingen wordt getoetst aan activiteit D11.2: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Deze activiteit is m.e.r.beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of wanneer het een aaneengesloten gebied van 2000 woningen of meer betreft. De activiteit blijft qua omvang en oppervlakte ver onder de drempelwaarden. Er is derhalve geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r.. Om de milieugevolgen ten gevolge van de geplande ontwikkeling in beeld te brengen zijn diverse onderzoeken verricht. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in de andere paragrafen van dit hoofdstuk. Conclusie De conclusie is dat geen milieueffectbeoordeling behoeft te worden opgesteld. Gelet op de kenmerken van de activiteit is het Besluit m.e.r. niet van toepassing.
4.13 Water 4.13.1 Algemeen Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Het plangebied bevindt zich binnen het beheergebied van het Waterschap Scheldestromen. Het Waterbeheerplan 2016-2021 vertaalt de wet- en regelgeving naar concrete beleidsdoelstellingen voor het beheer van waterkeringen, het oppervlaktewatersysteem en de afvalwaterketen. Hoofddoelstellingen voor het duurzaam omgaan met water in en nabij de kernen zijn: • Voorkomen van wateroverlast; • • •
Waterpeil afstemmen op het grondgebruik en de functies landbouw, natuur en wonen; Gezond oppervlaktewater; Faciliteren van verantwoord gebruik van zoetwater;
•
Duurzaam en efficiënte afvalwaterzuivering.
In de ‘Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw’ (d.d. 14 februari 2001) is door rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten overeengekomen dat in alle nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets opgenomen dient te worden. In de toelichting van een bestemmingsplan dient op basis van artikel 3.6 lid 1 Bro aangegeven te worden op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In artikel 3.1.1. van het Bro is vastgelegd dat bij het opstellen van het bestemmingsplan overleg dient plaats te vinden met de waterbeheerder. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen. Bij voorkeur in de initiatieffase. De gemeente is in principe verantwoordelijk voor de omgang met hemelwater in het stedelijke gebied, maar legt wel meer verantwoordelijkheid bij de perceeleigenaar. Pas wanneer men zich niet redelijkerwijs van het hemelwater kan ontdoen is de gemeente gehouden aan het treffen van maatregelen (Waterwet, art. 9a). De gemeente zal beoordelen wat zij in dit verband redelijkerwijs
Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
37
van de perceeleigenaar mag vragen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de gewenste voorkeursvolgorde voor de omgang met hemelwater. 4.13.2 Watertoets Het waterschap heeft een Handreiking watertoets opgesteld met daarin een watertoetstabel. Aan de hand van deze tabel kan het waterschap nagaan of het plan past binnen de waterdoelstellingen. Aan de Lange Achterweg 6 vinden in ruimtelijke zin geen wijzigingen plaats. Voor de waterparagraaf is alleen de locatie aan de Bosblokdreef van belang. De watertoetstabel is opgenomen in bijlage 3. 4.13.3 Overige waterhuishoudkundige aspecten Veiligheid waterkeringen Het plangebied bevindt zich volgens de Keur (20 juni 2019) en de bijbehorende legger waterkeringen niet binnen de beschermingszone van een waterkering. Er is geen effect op de waterveiligheid.
Figuur 15
Uitsnede Legger waterkeringen 2012
Voorkomen van overlast door oppervlaktewater In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard met bebouwing en bedrijfsmatige verharding. Het bestaande areaal verhard oppervlak bestaat uit ongeveer 480 m2. In de nieuwe situatie neemt het verhard oppervlak nagenoeg niet toe. Er verdwijnt geen open water door de functiewijziging. Er worden twee woningen opgericht met een oppervlakte van ca 384m2. De bestaande bedrijfsverharding wordt verwijderd en maakt plaats voor tuinen bij een woning. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Voorkomen van overlast door hemel- en afvalwater Het schone hemelwater wordt gescheiden van het huishoudelijk afvalwater en infiltreert ter plaatse. Het overtollig hemelwater vloeit af via omliggende watergangen. Hergebruik van hemelwater ter plaatse is in beperkte mate mogelijk door middel van opvang in regentonnen. Het afvalwater wordt via een nieuwe aansluiting afgevoerd via het bestaande gemeentelijke rioleringsstelsel. Hiervoor wordt een aansluiting aangevraagd. Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
38
Grondwaterkwantiteit en verdroging Er is in de nieuwe situatie geen sprake van het onttrekken van grondwater. Er is sprake van een hydrologisch neutrale situatie. Het overtollige regenwater infiltreert ter plaatse zoals in de bestaande situatie het geval is. In de tuin wordt een vijver aangelegd welke tevens kan dienen voor de opvang van overtollig regenwater. Oppervlaktewaterkwaliteit Tijdens de bouw wordt gebruik gemaakt van duurzame, niet uitlogende materialen. Volksgezondheid De realisatie van 2 woningen heeft geen negatieve effecten op de volksgezondheid. Bodemdaling Als gevolg van de ontwikkeling vindt er geen wijziging plaats van het waterpeil. Het plan heeft geen bodemdaling tot gevolg. Natte natuur In de nieuwe situatie is sprake van een extensivering van het gebruik van het perceel doordat de bestaande bedrijfsmatige activiteiten worden beëindigd. Er zijn geen effecten op natte natuur als gevolg van de beoogde functiewijziging. Onderhoud oppervlaktewater Ten zuiden van het plangebied, aan de Bosblokdreef bevindt zich een watergang die wordt beschermd op grond van de Keur en de bijbehorende legger oppervlaktewateren. Deze watergang met bijbehorende beschermingszone van 7 meter uit de insteek van de watergang is van secundair belang voor het watersysteem. In de nieuwe situatie zal de bebouwing op grotere afstand van de watergang worden gerealiseerd.
De nieuwe woning heeft geen effect op de watervoerende functie beschermde watergang en de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden.
Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
39
Figuur 16
Uitsnede Legger oppervlaktewaterlichamen
Belangen waterbeheerder Met de oprichting van de twee woningen zijn er geen effecten op de werking van omliggende objecten, terreinen of (vaar) wegen die voor het waterbeheer van belang zijn. Conclusie De functiewijziging van een voormalige bedrijfswoning naar burgerwoning heeft geen invloed op de omliggende watergangen of het watersysteem ter plaatse. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Hergebruik van hemelwater bij woningen kan beperkt plaatsvinden door middel van gietwater voor de tuin. Het vuile water wordt afgevoerd via het gemeentelijke rioolstelsel. De beoogde ontwikkeling is inpasbaar binnen de waterdoelstellingen. De voor de planontwikkeling uitgevoerde watertoets heeft de instemming van het Waterschap Scheldestromen en op 21 april 2021 heeft het waterschap een positief wateradvies uitgebracht. De aan het waterschap voorgelegde watertoetstabel en het uitgebrachte officiële wateradvies zijn opgenomen in bijlage 3 en 4.
Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
40
5.
JURIDISCHE PLANOPZET
5.1
Inleiding
Doel van dit bestemmingsplan is het opstellen van een juridisch- planologische regeling ten behoeve van de functiewijziging naar wonen aan de Bosblokdreef 5 en de daarmee samenhangende wijziging van de bouwmogelijkheden aan de Lange Achterweg 6 in Oosterland. Sinds 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening in werking getreden. Hiermee dienen bestemmingsplannen in digitale vorm (RO-standaarden) te worden vastgesteld. De planregels sluiten verder aan bij de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012, bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ uit 2009, bestemmingsplan ‘Diverse initiatieven buitengebied’ uit 2014, het ‘Parapluplan parkeernormen Schouwen- Duiveland’ uit 2018 en het ontwerp ‘Parapluplan wonen’ uit 2020.
5.2
Bestemmingen
Het plangebied aan de Lange Achterweg 2-10 behoudt in de nieuwe situatie zijn woonbestemming. De aanduiding maximaal aantal wooneenheden wijzigt naar 3. Aan het plangebied aan de Bosblokdreef worden de volgende bestemmingen en aanduidingen toegekend: Bestemming ‘Wonen’ Binnen de woonbestemming is uitsluitend een geschakelde woning toegestaan met 2 wooneenheden. De uitvoering van de kenmerkende stedenbouwkundige aspecten van het architectonische ontwerp is geborgd in de planregels. De bepalende stedenbouwkundige randvoorwaarden zijn opgenomen in bijlage 2 van de planregels. Naast de woonfunctie zijn in beperkte mate nevenactiviteiten aan huis zoals een kleinschalige B&B toegestaan. Het inrichtings- en beplantingsplan is opgenomen in bijlage 1 van de planregels. Bestemming ‘Wonen-bebouwde kom’ Ter hoogte van de percelen aan de Lange Achterweg 2 tot en met 10 is in relatie tot de ontwikkeling van een extra wooneenheid aan de Bosblokdreef een niet-gerealiseerde bouwtitel ingetrokken. De overige bouw- en gebruiksregels voor de percelen aan de Lange Achterweg blijven ongewijzigd. Bestemming ‘Groen’ Binnen de groenbestemming wordt de aanleg en instandhouding van de landschappelijke structuren op de perceelgrens zoals opgenomen in het inrichtings- en beplantingsplan voor de locatie planologisch geborgd.
Bestemming ‘Tuin’ Binnen de tuinbestemming is de achtertuin gelegen van beide woningen. Binnen de aanduiding ‘Specifieke bouwaanduiding- bijgebouwen 1’ is een vrijstaand bijgebouw toegestaan bij de woningen. Dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie-7’ Ten behoeve van de bescherming van potentieel aanwezige archeologische waarden in de ondergrond bij bodemingrepen. Maatvoering ‘Maximum aantal wooneenheden’ Binnen het bouwvlak aan de Bosblokdreef worden in de nieuwe situatie maximaal 2 wooneenheden toegestaan. Aan de Lange Achterweg in Oosterland is een niet-gerealiseerde bouwtitel ingetrokken. Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
41
Het maximum aantal wooneenheden ter hoogte van het bouwvlak aan de Lange Achterweg bedraagt in de nieuwe situatie 3 wooneenheden. Bouwaanduidingen Bebouwing kan uitsluitend worden opgericht binnen het als zodanig in de verbeelding weergegeven bouwvlak. Indien er op de verbeelding een gevellijn is opgenomen, dan dient de voorgevel van bebouwing ter hoogte van deze gevellijn te worden gesitueerd. Ter hoogte van de aanduiding ‘Specifieke bouwaanduiding- geschakeld’ is uitsluitend een geschakelde woning toegestaan. Ter hoogte van de aanduiding ‘bijgebouwen’ zijn uitsluitend aangebouwde bijbehorende bijgebouwen van de geschakelde woningen toestaan. Karakteristiek Ter hoogte van de aanduiding ‘karakteristiek’ mogen vrijstaande of twee-aaneen gebouwde woningen worden gebouwd. Vrijwaringszone-Molenbiotoop Ter bescherming van de windvang van de molen, gelden ter hoogte van de als zodanig aangeduide molenbiotoop bouwbeperkingen.
Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
42
6.
UITVOERBAARHEID
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Behalve de ruimtelijke en milieukundige uitvoerbaarheid, dient tevens de financieel-economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer een ruimtelijk besluit een bouwplan, zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk maakt, is de gemeente op basis van de grondexploitatiewet verplicht om de kosten hiervan te verhalen op de aanvrager. Dit is vastgelegd in artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening. De gemeente dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan tevens een exploitatieplan vast te stellen. Van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro is onder meer sprake indien sprake is van de bouw van één of meer woningen of de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Tevens is een exploitatieplan noodzakelijk indien er specifieke locatie-eisen gesteld worden aan de uitvoering. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wro kan de gemeenteraad besluiten om de kosten anderszins te verzekeren. Het betreft hier een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemer. Alle (voorbereiding)kosten (zoals plankosten, onderzoeken en procedures, inclusief gemeentelijke begeleiding) zijn voor rekening van initiatiefnemer (via leges heffing).
Verder worden in een anterieure overeenkomst nadere afspraken vastgelegd tussen de gemeente Schouwen-Duiveland en de initiatiefnemer over dit bestemmingsplan en de daarin opgenomen planontwikkeling, waaronder bijvoorbeeld over het kostenverhaal van eventuele planschadeclaims en de principes op basis waarvan de woningen gerealiseerd worden, zoals het duurzaam waarborgen van de landschappelijke inpassing. Voor de gemeente zelf zijn er geen kosten verbonden aan de verwezenlijking van het plan. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende is gegarandeerd en er kan worden afgezien van het opstellen van een exploitatieplan.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Resultaten vooroverleg Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) voorgelegd aan de Provincie Zeeland, het Waterschap Scheldestromen en de Veiligheidsregio Zeeland. De gevoerde vooroverleg procedure heeft geleid tot de volgende vooroverlegreacties/ resultaten. De Provincie Zeeland heeft enkele opmerkingen op het voorontwerpbestemmingsplan gemaakt met betrekking tot de Wet natuurbescherming, stikstof, archeologie en de molenbiotoop. Naar aanleiding hiervan is het bestemmingsplan op onderdelen aangepast/aangevuld. Het Waterschap Scheldestromen heeft geen opmerkingen op het voorontwerp. Tevens is gemeld dat hun vooroverlegreactie tevens het wateradvies is. Ook de Veiligheidsregio Zeeland hebben aangegeven geen opmerkingen te hebben op het voorontwerpbestemmingsplan. De vooroverlegreacties zijn opgenomen in bijlage 8 van deze plantoelichting. 6.2.2 Resultaten vaststellingsprocedure Het ontwerpbestemmingsplan ‘Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland’, met identificatienummer NL.IMRO.1676.00327BphOL397328-ON01, heeft gedurende zes weken (van 28 maart tot en met 9 mei 2022) ter inzage gelegen. Tijdens deze periode van terinzagelegging is eenieder de gelegenheid geboden een zienswijze te geven op het ontwerpbestemmingsplan.
Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
43
Gedurende deze periode is één zienswijze ingediend. Deze is echter weer ingetrokken. Daarmee is er geen sprake (meer) van zienswijzen en heeft de terinzagelegging geen aanleiding gegeven voor planaanpassing. Wel is na de terinzagelegging ambtshalve gebleken dat het bestemmingsplan op enkele onderdelen aanpassing behoeft. Voor een overzicht van de doorgevoerde ambtshalve aanpassingen wordt verwezen naar de “Nota beantwoording ambtshalve aanpassing bestemmingsplan ‘Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland’ welke als bijlage 9 bij de plantoelichting is opgenomen.
Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
44
BIJLAGEN
Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
45
BIJLAGE 1 Flora- en faunaonderzoek Natuur Wetenschappelijk Centrum NWC d.d. feb 2022
Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland
46
Quickscan flora en fauna Bosblokdreef 5 te Oosterland
December 2021 P21-211/W2093 Auteur : J. Lips Natuur-Wetenschappelijk Centrum 078-6213921 info@nwcadvies.nl
Quickscan flora en fauna Bosblokdreef 5 te Oosterland
Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Noorderelsweg 4A, 3329 KH Dordrecht
Quickscan flora en fauna Bosblokdreef 5 te Oosterland
Opdrachtgever:
Erik van den Bos Architect B.V.
Uitvoering:
Natuur-Wetenschappelijk Centrum
Veldwerk:
Danny van den Heuvel & Karen Smets
Samenstelling:
Jelle Lips
Foto’s:
NWC
Quickscan flora en fauna Bosblokdreef 5 te Oosterland [Samenst.: Lips, J.] [Foto’s: NWC] Met lit. opg., Dordrecht: Strix/NWC.
Trefw.: Wet natuurbescherming, Quickscan, Bosblokdreef, Oosterland, Rugstreeppad.
W2093/P21-211
Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt of verveelvoudigd, door middel van; druk, fotokopie, microfilm of op enige andere wijze, zonder toestemming van de uitgever of de opdrachtgever.
Dordrecht, december 2021
Inhoud
Samenvatting
1
Inleiding
7
2
Gebiedsbeschrijving
9
3
Wettelijk kader
13
4
Methode
19
5
Resultaten
21
6
Effecten, verplichtingen en aanbevelingen
23
Referenties Bijlagen: Bijlage 1: Beschermde soorten Wet natuurbescherming Bijlage 2: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen Bijlage 3: Vogels en ruimtelijke ingrepen
Samenvatting Onderstaande tabel geeft de conclusies uit voorliggend rapport weer. Voor de volledigheid en om een verkeerde interpretatie te voorkomen, dient ook hoofdstuk 6 (effecten, verplichtingen en aanbevelingen) gelezen te worden.
Soortgroep
Effecten beschermde soorten
Verplichtingen en aanbevelingen
Vleermuizen
Geen.
Zorgplicht.
Vogels vaste
Geen.
Zorgplicht.
Mogelijke verstoring of vernieling
Zorgplicht; Werken buiten broedseizoen
legsels.
en/of check door ecologisch deskundige.
Grondgebonden zoogdieren
Geen.
Zorgplicht.
Herpetofauna
Geen mits wordt voorkomen dat
Zorgplicht; Voorkomen dat tijdens de
geschikt voortplantingswater voor de Rugstreeppad in het plange-
bouwwerkzaamheden geschikt voortplantingswater voor de Rugstreeppad in
bied ontstaat.
het plangebied ontstaat en voorkomen dat er bij eventuele voorbelasting over-
Verblijfplaats Overige vogels
winteringsbiotoop ontstaat. Vaatplanten
Geen.
Zorgplicht.
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
1.
Inleiding Er zijn plannen om een nieuwe woning te ontwikkelen aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland. De geplande werkzaamheden kunnen van invloed zijn op de aanwezige beschermde flora en fauna in het plangebied. In het kader van de Wet natuurbescherming dient hiervoor daarom eerst een quickscan (en mogelijk aanvullend onderzoek) naar de aanwezigheid van beschermde natuurwaarden plaats te vinden en moet een beoordeling van de effecten op deze natuurwaarden gemaakt worden, inclusief maatregelen om eventuele schade en verstoring te verzachten en er zorg voor te dragen dat de functionaliteit van het gebied voor aanwezige beschermde soorten gewaarborgd blijft. In juni 2020 is reeds een quickscan flora en fauna uitgevoerd in het plangebied (de Haan-Zaalberg en de Haan, 2020). De resultaten uit de eerder uitgevoerde quickscan zijn niet meer representatief door veranderende wetgeving. Sinds het uitgevoerde onderzoek in juni 2020 is de lijst met vrijgestelde (nationale) soorten bij onder andere ruimtelijke ontwikkelingen voor de provincie Zeeland gewijzigd (artikel 6.21/bijlage L Omgevingsverordening Zeeland 2018). De onderhavige rapportage betreft een nieuwe quickscan flora en fauna voor het perceel aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland. Erik van den Bos Architect B.V.
heeft het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) gevraagd een quickscan flora en fauna op deze locatie uit te voeren en om te adviseren omtrent de relevante natuurwetgeving.
7
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
8
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
2.
Gebiedsbeschrijving en beschermde gebieden Gebiedsbeschrijving Het plangebied bevindt zich in het oosten van Oosterland aan de Bosblokdreef 5 (Provincie Zeeland; figuur 1 en 2). Het gebied bestaat deels uit een omheind grasveld en deels uit land van en oude plantenkwekerij. De vegetatie binnen het plangebied bestaat voornamelijk uit een gemaaid grasveld en het gazon wordt begrensd met Rode kornoelje. De bovenlaag van de grond in het plangebied bestaat uit een combinatie van klei en zand.
Figuur 1: Ligging van het plangebied (Blauwe stip) in de omgeving.
Bron: PDOK Viewer
Figuur 2: Plangebied in detail (rood omlijnd).
Bron: PDOK Viewer
9
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
Voorgenomen plannen Binnen het plangebied zal een woning met één woonlaag en een kap worden ontwikkeld (figuur 3). De ruimte om de woning zal als tuin en erfverharding worden ingericht.
Figuur 3: Plantekening van de ontwikkeling van de woning in het plangebied.
Bron: De Brabantse Wal
Beschermde gebieden Het plangebied bevindt zich binnen 250 meter afstand van de Natura 2000-gebied ‘Oosterschelde’ en ruim 3 kilometer afstand van de ‘Grevelingen’ (figuur 4, p 11). Vanwege deze afstand en de aard van de werkzaamheden worden geen significant nadelige effecten verwacht op de habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden als gevolg van verstoring door geluid, verstoring door licht en andere storingsfactoren. Mogelijk is er een Aerius-berekening benodigd maar deze is niet meegenomen in onderhavige rapportage. Het plangebied bevindt zich niet binnen de begrenzing van een gebied dat opgenomen is in het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
10
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
Figuur 4: Ligging van het plangebied (blauwe stip) ten opzichte van het Natura 2000-gebied: Oosterschelde. Bron: PDOK Viewer
11
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
12
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
3.
Wettelijk kader In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden. Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming De provincies zijn sinds 1 januari 2017 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet natuurbescherming en dus ook voor ontheffingsaanvragen. Om een ontheffingsaanvraag in behandeling te nemen, dient het onderzoek aan goedgekeurde voorwaarden (o.a. ten aanzien van methode, intensiteit, periode, tijd tussen onderzoeksmomenten) te voldoen. Slechts als het onderzoek volgens deze voorwaarden uitgevoerd is, kan volgens de wetgever een goed onderbouwde uitspraak gedaan worden over; - de aanwezigheid van beschermde soorten; - de functie van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor deze beschermde soorten; - het belang van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor aanwezige beschermde soorten; - de effecten van plannen op deze soorten; - de keuze voor te nemen (mitigerende- en/of compenserende) maatregelen. De voorwaarden waaraan onderzoek moet voldoen, staan beschreven in de kennisdocumenten die in opdracht van de wetgever door BIJ12 opgesteld zijn en de inventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus.
Onderzoeken die niet volgens deze voorwaarden uitgevoerd zijn, kunnen volgens het bevoegd gezag geen basis en onderbouwing vormen van ontheffingsaanvragen en aanvragen zullen om die reden afgewezen worden. Het NWC is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens bovengenoemde kennisdocumenten en inventarisatieprotocollen. Soortbescherming Voor dier- en plantensoorten zijn in de Wnb een aantal verbodsbepalingen opgenomen, waarvan vooral de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 belangrijk zijn in het kader van flora- en faunaonderzoek bij onder andere ruimtelijke ontwikkelingen (tekstvak 1). De verbodsbepalingen uit de artikelen gelden overal in Nederland, ongeacht het type of de omvang van de werkzaamheden of activiteiten die uitgevoerd worden. De bepalingen uit de Wnb kunnen daarom van invloed zijn op ruimtelijke ingrepen, zoals het aanleggen van infrastructuur, het slopen en realiseren van bebouwing, het uitbreiden van industriegebieden en het kappen van bomen. Ook bij het opstellen of herzien van bestemmingsplannen zijn de bepalingen uit de Wnb van belang. In het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel (Algemene Wet Bestuursrecht) dient bij het opstellen
13
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
en herzien van bestemmingsplannen en bij (ruimtelijke) activiteiten een toetsing aan de Wnb plaats te vinden. Deze toetsing moet de volgende onderdelen bevatten: - Een inventarisatie van het voorkomen van wettelijk beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied en binnen de invloedssfeer van de activiteit; - Een inventarisatie en beoordeling van (significant) nadelige effecten als gevolg van de activiteit, op beschermde soorten die binnen het plangebied en/of binnen de invloedssfeer van de activiteit aanwezig zijn; - Indien nodig een opname van maatregelen die de negatieve effecten op de beschermde soorten en hun leefgebieden mitigeren en/of compenseren. De Wnb kent drie categorieën van beschermde soorten die ook terug te vinden zijn in de artikelen met verbodsbepalingen: alle vogels uit de Europese Vogelrichtlijn (artikel 3.1), alle soorten die in de Europese Habitatrichtlijn vermeld worden (artikel 3.5) en “overige soorten” (artikel 3.10) die alleen op nationaal niveau beschermd worden. Provincies mogen afwijken van de lijst met “overige soorten” door vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten. Hierdoor kan deze lijst per provincie verschillen. Een overzicht van alle beschermde soorten is te vinden in bijlage 1.
Soorten Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn Wanneer één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.1 en/of artikel 3.5 Wnb overtreden worden door de voorgenomen activiteit, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin de activiteit plaatsvindt. Een ontheffing voor het overtreden van verbodsbepalingen wordt voor soorten uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn alleen verleend wanneer voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden: - Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; - Zij is nodig: a) In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; of b) In het belang van een dwingende reden van groot openbaar belang; of c) In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Voor vogels kan echter geen beroep gedaan worden op belang b “dwingende reden van groot openbaar belang”. Wanneer overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden door het treffen van mitigerende maatregelen, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Wel kan in dergelijke gevallen toch ontheffing aangevraagd worden om de te treffen maatregelen goed te laten keuren. Indien het bevoegd gezag de maatregelen goedkeurt, wordt door hen een “positieve afwijzing” afgegeven.
14
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
Tekstvak 1: Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
Artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming: Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van de dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijdrage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen of af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 1. Het is verboden: a) In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten genoemd in de bijlage, onderdeel A bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b) De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c) Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bij de aanvraag van een ontheffing in het kader van de Wnb zijn een activiteitenplan en, in sommige gevallen, een compensatieplan noodzakelijk. Hierin staan de bevindingen uit de flora- en faunatoets vermeld en worden maatregelen beschreven die uitgevoerd zullen worden om ervoor te zorgen dat de nadelige effecten op beschermde plant- en diersoorten in en binnen de invloedssfeer van de activiteit zoveel mogelijk voorkomen, dan wel beperkt worden.
15
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
Overige soorten Voor de soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 mits een door het ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit. Indien aantoonbaar gewerkt kan worden volgens een dergelijke gedragscode, hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wnb. Indien er geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit of het niet mogelijk is om volgens een dergelijke gedragscode te werken, dient bij overtreding van verbodsbepalingen wel een ontheffing aangevraagd te worden. De ontheffing kan voor deze soorten echter op grond van meer belangen verleend worden dan het geval is voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden en hun bijzondere natuurwaarden vindt onder de Wet natuurbescherming plaats via (Europese) Natura 2000-gebieden.
De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van specifieke natuurwaarden in gebieden die in het kader van de Europese Vogel- en -Habitatrichtlijn aangewezen en/of aangemeld zijn als speciale beschermingszone (Natura 2000-gebieden). Voor deze beschermde gebieden zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld waarin beschreven staat voor welke (natuurlijke) habitats en dier- en plantensoorten het gebied aangewezen is. Voor deze kwalificerende waarden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld. Projecten, plannen en andere handelingen die nadelige effecten hebben op één of meerdere instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, zijn vergunningplicht of moeten de goedkeuring, een “bestuurlijk oordeel”, van het bevoegd gezag hebben (in veel gevallen zijn dit Gedeputeerde Staten en in andere gevallen is dit de minister van Economische Zaken). Zij oordelen dan dat een vergunning niet nodig is. Of deze goedkeuring wordt gegeven, is afhankelijk van de uitkomst van de zogenaamde habitattoets. Uit de habitattoets kunnen drie mogelijkheden volgen: - Er is zeker geen nadelig effect. In dit geval is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; - Er is sprake van een nadelig effect in de vorm van verstoring, maar dit is niet significant en er is geen sprake van verslechtering van aangewezen habitats. Hieruit volgt
16
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
dat een vergunningaanvraag niet aan de orde is. Wel is een bestuurlijk oordeel van het bevoegd gezag nodig; - Er is sprake van een mogelijk significant nadelig effect in de vorm van verstoring en/of er is sprake van verslechtering van aangewezen habitats. In dit geval dient een passende beoordeling opgesteld te worden en is een vergunning nodig. Een ‘passende beoordeling’ is een rapport waarin (de zo exact mogelijke omvang van) de effecten, afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten, van een plan, project of handeling op een Natura 2000-gebied beschreven staan. Deze nadelige effecten worden in relatie tot de instandhoudingsdoelen bepaald. Indien uit de passende beoordeling volgt dat er significant nadelige gevolgen op zullen treden, moeten de plannen getoetst worden aan de zogenaamde ADC-criteria; 1. Zijn er Alternatieven? 2. Is er sprake van een Dwingende reden van groot openbaar belang? 3. Zijn er Compenserende maatregelen voorzien? Wanneer er een alternatief bestaat voor de voorgenomen plannen dat niet tot significant nadelige effecten op instandhoudingsdoelstellingen leidt, moet dit alternatief gekozen worden. De ecologische belangen hebben in dit geval voorrang op de economische belangen.
Wanneer er geen alternatieven voorhanden zijn, er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en/of er voldoende compenserende maatregelen getroffen worden, kan vergunning voor de voorgenomen plannen verleend worden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit Natuurnetwerk. De bescherming van het Natuurnetwerk is opgenomen in de Verordening Ruimte van de desbetreffende provincie en valt hiermee buiten de Wet natuurbescherming. Natuurwaarden van het NNN worden afgemeten aan doelsoorten. Het is belangrijk dat verlies van en winst aan belangrijke natuurwaarden hieraan worden afgemeten. Ruimtelijke ingrepen moeten vooraf worden getoetst op hun effect op het areaal, de samenhang en de kwaliteit van het NNN. Ingrepen die geen significant negatief effect op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hebben, kunnen in principe doorgang vinden. Als echter het tegenovergestelde geldt, hangt doorgang van de plannen onder meer af van het belang van de plannen en van de mogelijkheden voor mitigatie en compensatie. Hierbij geldt het 'Nee, tenzij-regime'. Per saldo dient de kwaliteit en/of kwantiteit van het NNN te verbeteren.
Waar Natura 2000-gebieden met het NNN overlappen, blijft ook het NNN-regime gelden.
17
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
18
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
4.
Methode In het kader van de Wet natuurbescherming is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan bestond uit een literatuuronderzoek en een veldbezoek. Voor het literatuuronderzoek is gebruikgemaakt van verspreidingsgegevens van soorten verzameld door de verschillende soortenorganisaties. Op basis van het literatuuronderzoek is o.a. bepaald voor welke soortgroepen de aanwezigheid en/of de geschiktheid van het plangebied onderzocht diende te worden. Tijdens de quickscan is daarom specifiek rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van beschermde vleermuizen, vogels met een vaste verblijfplaats, grondgebonden zoogdieren, herpetofauna en flora. Op basis van habitateisen, verspreidingsgegevens en kenmerken van het plangebied worden beschermde dagvlinders niet verwacht. Bovendien komen de meeste beschermde vlindersoorten op slechts een aantal locaties in Nederland voor (voornamelijk natuurgebieden). Om deze redenen is deze soortgroep buiten beschouwing van de quickscan gelaten. Beschermde aquatische fauna door het ontbreken van waterpartijen in het plangebied niet verwacht. Om deze reden kon de aanwezigheid van beschermde soorten uit deze soortgroep eveneens op voorhand worden uitgesloten. Het veldbezoek is op 10 december 2021 uitgevoerd door medewerkers van het NWC.
De temperatuur tijdens het veldbezoek bedroeg 3 °C, er was dichte bewolking en de windkracht was 2 Bft. Deze gegevens zijn door de medewerkers in het veld gemeten of ingeschat. Vleermuizen Alle vleermuissoorten worden beschermd door de Wet natuurbescherming. Het plangebied is daarom beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij is beoordeeld of verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied aanwezig kunnen zijn. Ook is gelet op sporen van vleermuizen, zoals keuteltjes, afgebeten insectenvleugels. Daarnaast is er tijdens het veldbezoek beoordeeld of er in en in de directe omgeving van het plangebied potentieel belangrijke vliegroutes en/of foerageergebied aanwezig zijn, zoals bomenrijen, andere groene, lijnvormige landschapselementen, en kleinschalige weilanden en andere half open gebieden. Hierbij is tevens gelet op het aanbod van geschikt foerageergebied in en in de omgeving van het plangebied. Vogels met een vaste verblijfplaats Vogels met een vaste verblijfplaats worden jaarrond beschermd door de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook voor hun functionele leefomgeving (bijlage 3). Voorbeelden van deze soorten zijn de Buizerd (Buteo buteo) en de Sperwer (Accipiter nisus).
Tijdens de quickscan is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats en is bepaald welke gevolgen de voorgenomen plannen voor deze vogels met zich meebrengen (zoals verstoring door geluid). Er is onder
19
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
meer gelet op sporen (braakballen, veren, uitwerpselen, etc), nesten (o.a. oude kraaiennesten) en waarnemingen van de betreffende vogelsoorten (geluid/zicht/territorium indicerend gedrag). Tevens is bekeken of het plangebied een significant onderdeel zou kunnen zijn van de functionele leefomgeving van een vogelsoort met een vaste verblijfplaats. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek is er beoordeeld in hoeverre het plangebied geschikt leefgebied vormt voor strikt beschermde marterachtigen en andere beschermde grondgebonden zoogdieren. Hierbij is onder andere gelet op de aanwezigheid van sporen van deze soorten, holtes in de bomen, holen, burchten en de aanwezigheid van functionele leefomgeving voor deze soorten. Herpetofauna Tijdens de quickscan is beoordeeld in hoeverre het plangebied geschikt is als leefgebied voor deze soorten. Hierbij is onder andere gelet op de aanwezigheid van geschikt voortplantingswater, een zandige, goed vergraafbare bodem, een pioniersvegetatie, een goed ontwikkelde onderwatervegetatie en/of schuilplaatsen in de vorm van stenen, stukken hout of holen. Vaatplanten Ook is er gelet op de aanwezigheid van en geschiktheid van het gebied voor beschermde soorten vaatplanten.
20
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
5.
Resultaten Vleermuizen Binnen het plangebied bevindt zich geen bebouwing en/of bomen waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. Binnen het plangebied zijn verder ook geen hoog opgaande lijnvormige elementen zoals bomenlanen aanwezig welke door vleermuizen als (onderdeel van) een vliegroute benut kunnen worden. Wel biedt de aanwezige vegetatie enige foerageermogelijkheden voor verschillende soorten vleermuizen. Overigens is hier geen sprake van een essentieel foerageergebied gezien de beperkte omvang van de aanwezige vegetatie binnen het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn alternatieve foerageermogelijkheden aanwezig in de vorm van bomenlanen en enkele bosjes zoals in het noorden van Natura-2000 gebied de Grevelingen. Vogels met een vaste verblijfplaats Tijdens de quickscan zijn geen vogels met een vaste verblijfplaats binnen het plangebied waargenomen. Door het ontbreken van bebouwing, hoge bomen en bomen met holtes kan de aanwezigheid van beschermde vaste verblijfplaatsen van vogels worden uitgesloten. De vegetatie in het plangebied is matig geschikt om te fungeren als functionele leefomgeving van de Huismus aangezien deze foerageermogelijkheden biedt. Overigens zijn in de directe omgeving van het plangebied voldoende (meer geschikte) foerageermogelijkheden aanwezig.
Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn sporen (keutels) van de Haas (Lepus europaeus) aangetroffen in het plangebied. Overigens kan worden uitgesloten dat het plangebied fungeert als essentieel onderdeel van de functionele leefomgeving van de Haas. Er zijn geen legers van de Haas aangetroffen in het plangebied. Daarnaast is het oppervlak van het plangebied erg beperkt waar de Haas een leefgebied heeft van enkele tientallen hectares. Verder zijn geen sporen van andere beschermde grondgebonden zoogdieren aangetroffen. De lage lijnvormige bosschages in het plangebied kunnen fungeren als foerageergebied voor marterachtigen. Overigens kan gezien de kleine omvang van deze bosschages worden uitgesloten dat het essentieel foerageergebied betreft.
21
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
Foto 1: Aangetroffen hazenkeutels tussen het gras in het plangebied.
Herpetofauna In en in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen wateroppervlakten waardoor de aanwezigheid van voortplantingsbiotoop van amfibieën kan worden uitgesloten. De bodem in het plangebied bestaat uit een combinatie van zand en klei waardoor deze vergraafbaar is. Hierdoor is het plangebied geschikt als terrestrisch habitat voor de Rugstreeppad aangezien de Rugstreeppad vergraafbare grond kan benutten als verblijfslocatie door zich in te graven. Overigens is de Rugstreeppad een soort die vooral voorkomt op terrein met een hoge natuurlijke of door de mens ingebrachte dynamiek. Dergelijke dynamiek is op het moment afwezig en wegende dat geen voortplantingswateren in en in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn kan de aanwezigheid van de Rugstreeppad op dit moment redelijkerwijs worden uitgesloten. Overigens is het mogelijk dat door de bouwwerkzaamheden voortplantingswater in het plangebied ontstaat, door het ontstaan van laagtes en/of rijsporen waar water in blijft staan. Vaatplanten Tijdens het veldbezoeken zijn geen (strikt) beschermde vaatplanten aangetroffen. Beschermde soorten vaatplanten worden op basis van het actuele beheer van het plangebied ook niet verwacht. Het grasveld binnen het plangebied is strak gemaaid en het overige deel van het plangebied wordt voor agriculturele doeleinden benut.