RVS reactie voorontwerp Zeeuwse Omgevingsvisie bijlage 4 voorontwerp Omgevingsverordening
Tekst van het document
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder d, kan een uitbreiding van een bestaand solitair volwaardig glastuinbouwbedrijf tot ten hoogste 4 hectare worden toegelaten als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten en de sanering van kassen elders in de provincie Zeeland, met een gelijke oppervlakte als de uitbreiding, voor zover deze meer bedraagt dan 2 hectare, is gewaarborgd. 3. Het eerste lid is niet van toepassing als, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, de nieuwvestiging of uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf al is toegelaten in het omgevingsplan op voorwaarde dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet wordt vergroot. Artikel 5.1.6.1.4 Intensieve veehouderij 1. In een omgevingsplan wordt de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij, de omschakeling van een bestaand bedrijf naar intensieve veehouderij en het toevoegen van een neventak intensieve veehouderij niet toegelaten. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, de nieuwvestiging van, de omschakeling naar intensieve veehouderij of het toevoegen van een neventak al is toegelaten in het omgevingsplan op voorwaarde dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet wordt vergroot. 3.
Het eerste lid is niet van toepassing als sprake is van een in de provincie Zeeland gevestigde intensieve veehouderij die in verband met de realisering van een natuurontwikkelingsproject, stads- of dorpsuitbreiding of –vernieuwing of een gebiedsgericht project wordt verplaatst. 4. De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de vestiging van een intensieve veehouderij als bedoeld in het derde lid maakt aannemelijk dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten en een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf.
66
5. Een omgevingsplan kan toelaten dat een bestaande intensieve veehouderij met een bedrijfsvloeroppervlak kleiner dan 5000 m2 kan uitbreiden tot ten hoogste 5000 m2, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat het gaat om een uitbreiding: a. waarmee een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf; b. die noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf, en c. waartegen omgevingskwaliteiten zich niet verzetten. 6. Een omgevingsplan kan toelaten dat een bestaande intensieve veehouderij met een bedrijfsvloeroppervlak groter dan 5000 m2 kan uitbreiden met ten hoogste 20% of tot een totaal bedrijfsvloeroppervlak van ten hoogste 8000 m2, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat het een uitbreiding betreft: a. waarmee een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf; b. de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf; en c. omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten. 7. Een omgevingsplan kan toelaten dat een bestaande neventak intensieve veehouderij kan uitbreiden tot ten hoogste 2100 m2 bedrijfsvloeroppervlak, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten. 8.
Als wettelijke eisen over dierenwelzijn een groter bedrijfsvloeroppervlak verlangen, zijn het vijfde tot en met het zevende lid niet van toepassing. 9. Als het toepassen van het Beter Leven Keurmerk 1-ster over dierenwelzijn een groter bedrijfsvloeroppervlak verlangt, zijn het vijfde en zesde lid niet van toepassing. 10. Het negende lid is alleen van toepassing voor zover een bedrijf bij toepassing van dat keurmerk minder dieren zou mogen houden dan in de huidige planologisch vergunde situatie. Artikel 5.1.6.1.5 Agrarische onderzoeksbedrijven 1. In een omgevingsplan wordt de nieuwvestiging van een agrarisch onderzoeksbedrijf alleen toegelaten op: a. een bedrijventerrein van ten minste een hectare; of b. op grond, waarop, met inachtneming van de overige bepalingen van deze verordening, ook een agrarisch bedrijf of glastuinbouwbedrijf wordt toegelaten. 2. In een omgevingsplan wordt de uitbreiding van een bestaand agrarisch onderzoeksbedrijf alleen toegelaten, als in de motivering aannemelijk wordt gemaakt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten. 3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening de nieuwvestiging of uitbreiding van een agrarisch onderzoeksbedrijf, al is toegelaten in het omgevingsplan, op voorwaarde dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet wordt vergroot.
Paragraaf 5.1.6.2 Omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten Artikel 5.1.6.2.1 Toepassingsbereik
67
Deze paragraaf is van toepassing op het oprichten en wijzigen van veehouderijen op een voor verzuring gevoelig gebied, of in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. Artikel 5.1.6.2.2 Weigeringsgronden oprichten en wijzigen veehouderijen 1. Een omgevingsvergunning voor het oprichten van een veehouderij, bedoeld in de artikelen 3.201 en 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt geweigerd, als een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een voor verzuring gevoelig gebied, of in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, en: a. het aantal gehouden melkrundvee meer dan 200 stuks bedraagt; b. het aantal gehouden vrouwelijk jongvee meer dan 340 stuks bedraagt of indien het totaal aantal gehouden stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en overig melkvee meer dan 340 stuks bedraagt; c. het aantal gehouden paarden meer dan 100 stuks bedraagt; d. het aantal gehouden schapen of geiten meer dan 2.000 stuks bedraagt; e. het aantal gehouden kippen, eenden of parelhoenders meer dan 2.500 stuks bedraagt; f. het aantal gehouden gespeende biggen meer dan 3.750 stuks bedraagt; of g. het aantal gehouden vleesrunderen meer dan 1.200 stuks bedraagt; 2. Een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een veehouderij, bedoeld in de artikelen 3.201 en 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt geweigerd, als: a.
de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding, waardoor het aantal gehouden dieren groter wordt dan het aantal, bedoeld in het eerste lid; en b. een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een voor verzuring gevoelig gebied, of in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. Artikel 5.1.6.2.3 Toelaatbare oprichting veehouderij 1. In afwijking van artikel 5.1.6.2.2, eerste lid, wordt een omgevingsvergunning niet geweigerd met het oog op de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven, indien de veehouderij al was opgericht en onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht onder de werking van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, viel, en: a. het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht aanwezig mocht zijn; b.
het aantal dieren van een of meer diercategorieën hoger is dan het aantal, bedoeld onder a, maar de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven die de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht zou mogen veroorzaken, indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde; c. de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij een melkrundveehouderij was, van uitsluitend melkrundvee het aantal dieren hoger is dan het aantal, bedoeld onder a, en de ammoniakemissie na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde; 68
d. het aantal schapen of paarden hoger is dan bedoeld onder a; e. het aantal dieren dat wordt gehouden overeenkomstig de regels, die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van biologische productiemethoden, hoger is dan bedoeld onder a; of f. het aantal dieren dat wordt gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer, hoger is dan bedoeld onder a. 2. In afwijking van artikel 5.1.6.2.2, eerste lid, wordt een omgevingsvergunning ook niet geweigerd, indien in de veehouderij dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. Artikel 5.1.6.2.4 Toelaatbare wijziging veehouderij 1. In afwijking van artikel 5.1.6.2.2, tweede lid, wordt de omgevingsvergunning niet geweigerd, als: a. de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding: i. zou mogen veroorzaken als de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde; of ii. op grond van eerder verleende nog geldende vergunningen mocht veroorzaken, als deze lager is dan de ammoniakemissie, bedoeld onder 2; b.
in de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij melkrundvee werd gehouden, de uitbreiding uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde; c. de uitbreiding schapen of paarden betreft; d. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van biologische productiemethoden; of e. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. 2. Voor het bepalen van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen veroorzaken, wordt de ammoniakemissie van de dieren waarvoor eerder omgevingsvergunning is verleend met toepassing van het eerste lid, onder b tot en met e, of artikel 5.1.6.2.3, eerste lid, onder c tot en met f, niet meegerekend.
Paragraaf 5.1.7 Waterkeringen Artikel 5.1.7.1 Regionale waterkeringen Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een beperkingengebied met betrekking tot een regionale waterkering, wordt bij het toelaten van een activiteit gewaarborgd dat er geen belemmering ontstaat voor de instandhouding, het onderhoud, de veiligheid of de versterking van de regionale waterkering.
Paragraaf 5.1.8 Natuur Artikel 5.1.8.1 Bestaande natuur
69
1. Een omgevingsplan dat van toepassing is op het natuurnetwerk Nederland stelt regels die strekken tot bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kwaliteit, de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het natuurnetwerk Nederland en verzekert dat de kwaliteit en oppervlakte daarvan niet achteruitgaan en dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk Nederland wordt behouden. 2. De motivering bij een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan het eerste lid is voldaan. 3. Bestaand gebruik en bestaande bebouwing kunnen worden gecontinueerd. 4. Een omgevingsplan dat van toepassing is op het binnen het natuurnetwerk Nederland gelegen beperkingengebied met betrekking tot een regionale waterkering strekt primair tot de instandhouding, het onderhoud, de veiligheid of de versterking van de regionale waterkering en secundair tot de in het eerste lid bedoelde belangen. 5. Een omgevingsplan maakt geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten binnen het natuurnetwerk Nederland mogelijk die: a. nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden; b. leiden tot een vermindering van de oppervlakte van de gronden; of c. leiden tot een vermindering van de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk Nederland . 6.
Het eerste en het vijfde lid zijn niet van toepassing op het stellen van regels of het toelaten van activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten, waarbij: a. sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële andere mogelijkheden zijn; en c. de nadelige gevolgen op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende gevolgen tijdig worden gecompenseerd volgens de in bijlage V bedoelde voorwaarden. 7. Tot een groot openbaar belang worden in ieder geval gerekend: a. de veiligheid; b. de drinkwatervoorziening; c. inrichtingen voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie; d. de plaatsing van installaties voor de opsporing, winnen, opslag of het transport van olie en gas. Artikel 5.1.8.2 Agrarisch gebied van ecologische betekenis 1. Een omgevingsplan dat van toepassing is op een Agrarisch gebied van ecologische betekenis stelt, naast regels die van toepassing zijn op agrarische activiteiten, ook regels die de ecologische waarde van de gronden in het gebied tot uitdrukking brengen. 2. Bestaand gebruik en bestaande bebouwing kunnen worden gecontinueerd. 3. Een omgevingsplan stelt geen regels of maakt geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die: a.
nadelige gevolgen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden; b. leiden tot een vermindering van de oppervlakte van de gronden; of c. leiden tot een vermindering van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland.
70
4. De motivering bij een omgevingsplan waarin regels worden gesteld of nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten worden toegelaten maakt aannemelijk dat wordt voldaan aan het derde lid. 5. In een omgevingsplan waarin regels worden gesteld voor de in het eerste lid bedoelde gebieden, wordt de regel gesteld dat het zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning verboden is in het omgevingsplan nader te omschrijven activiteiten uit te voeren die een nadelig gevolg kunnen hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte van de gronden of samenhang tussen gebieden. Daarbij wordt de regel gesteld dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als zich geen nadelige gevolgen voordoen voor de wezenlijke kenmerken en waarden, of als de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet worden verkleind. 6. Het eerste, derde, vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing op het stellen van regels of het toelaten van activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten, waarbij: a. sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële andere mogelijkheden zijn; en c. de nadelige gevolgen op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende gevolgen tijdig worden gecompenseerd volgens de in bijlage V bedoelde voorwaarden. 7.
Tot een groot openbaar belang wordt in ieder geval gerekend: a. de veiligheid; b. de drinkwatervoorziening; c. inrichtingen voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie d. de plaatsing van installaties voor de opsporing, winnen, opslag of het transport van olie en gas. Artikel 5.1.8.3 Natuurontwikkelingsgebieden 1. In de regels van een omgevingsplan voor een Natuurontwikkelingsgebied kan de bestaande situatie worden gecontinueerd. 2. Een omgevingsplan waarin regels worden gesteld voor een natuurontwikkelingsgebied, bevat geen regels die voorzien in nieuwe vormen van grondgebruik en nieuwe bebouwing, met uitzondering van grondgebruik en bebouwing voor natuurdoeleinden. 3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken of tijdelijke vormen van grondgebruik als bedoeld in artikel 10.23 van het Omgevingsbesluit. Artikel 5.1.8.4 Afwegingszone natuurgebieden In de motivering bij een omgevingsplan waarin regels worden gesteld voor grond die ligt binnen 100 meter rond een bestaand natuurgebied, anders dan een binnendijk, wordt: a. een beschrijving gegeven van de wijze waarop rekening is gehouden met de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurgebied; en b. aannemelijk gemaakt dat geen activiteit wordt toegelaten die nadelige gevolgen heeft voor de bedoelde kenmerken en waarden.
Paragraaf 5.1.9 Landschap en erfgoed Artikel 5.1.9.1 Landschap en erfgoed 1. In de motivering bij een omgevingsplan dat regels stelt voor landschappen, landschapselementen, cultuurhistorisch waardevolle boerderijen of cultuurhistorische 71
2.
3.
4. 5.
6.
elementen als bedoeld in bijlage VI, wordt inzicht gegeven in de landschappelijke respectievelijk cultuurhistorische waarden van de gronden, boerderijen of elementen. In een omgevingsplan worden geen activiteiten toegelaten die: a. het mogelijk maken dat de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de gronden of elementen significant worden aangetast; b. leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte van de gronden; of c. leiden tot een significante aantasting van de samenhang tussen de gronden of elementen. De motivering bij een omgevingsplan dat regels stelt voor nieuwe bebouwing of nieuwe vormen van grondgebruik, maakt aannemelijk dat de in het tweede lid bedoelde aantasting en vermindering zich niet voordoen. Het tweede lid is niet van toepassing op cultuurhistorisch waardevolle boerderijen als bedoeld in bijlage VI. Het tweede lid is niet van toepassing als: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële andere mogelijkheden zijn; c. de negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen; en d. de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd overeenkomstig bijlage V.
Tot een groot openbaar belang wordt in ieder geval gerekend de veiligheid, de drinkwatervoorziening, opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie en de plaatsing van installaties voor de opsporing, winning, opslag of het transport van olie en gas.
Artikel 5.1.9.2 Molenbiotoop 1. De motivering van een omgevingsplan geeft inzicht in de cultuurhistorische waarde van een aanwezige traditionele windmolen. 2. Een omgevingsplan garandeert in voldoende mate de vrije windvang van de molen en neemt het volgende in acht: a. binnen een straal van 100 meter, gerekend vanaf het middelpunt van de traditionele windmolen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan het laagste punt van de verticaal staande wieken; en b. binnen een straal van 100 tot 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de traditionele windmolen, wordt een zekere mate van vrije windvang gewaarborgd. 3. Het tweede lid is niet van toepassing op: a. bestaand gebruik en bestaande bebouwing; b. het toelaten van een bouwwerk dat, gezien vanuit de molen, aan de achterzijde van bestaande bebouwing wordt opgericht en waarbij de hoogte en de breedte blijft binnen de hoogte en de breedte van de bestaande bebouwing waarachter het bedoelde bouwwerk wordt opgericht; en c. het toelaten van een bouwwerk dat strekt ter vervanging van bestaande bebouwing, voor zover de bebouwingsmogelijkheden, in overeenstemming met het omgevingsplan waarin de bestaande bebouwing is toegelaten, niet worden vergroot. 4.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder c, kunnen meer bebouwingsmogelijkheden worden geboden als in de motivering van het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat geen nadelige effecten zullen optreden voor de windvang en de cultuurhistorische waarde van de molen.
72
Paragraaf 5.1.10 Provinciale infrastructuur Artikel 5.1.10.1 Bouwwerken bij provinciale wegen Voor zover een omgevingsplan voorziet in het realiseren of wijzigen van bouwwerken binnen het beperkingengebied vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen, wordt rekening gehouden met het belang van de instandhouding en uitbreiding van de provinciale weg. Artikel 5.1.10.2 Werken bij provinciale vaarwegen Voor zover een omgevingsplan voorziet in het realiseren of wijzigen van werken binnen het beperkingengebied vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen, wordt rekening gehouden met het belang van de instandhouding, verruiming of wijziging van de provinciale vaarweg.
Paragraaf 5.1.11 Duisternisgebieden Artikel 5.1.11.1 Duisternisgebieden Het bevoegd gezag houdt bij het maken van een omgevingsplan, het verlenen van een omgevingsvergunning en het stellen van maatwerkvoorschriften rekening met de doelstelling in duisternisgebieden, bedoeld in artikel 2.8.2.
Paragraaf 5.1.12 Stiltegebieden Artikel 5.1.12.1 Activiteiten binnen stiltegebieden 1. Bij het vaststellen van een omgevingsplan, het verlenen van een omgevingsvergunning en het stellen van een maatwerkvoorschrift wordt rekening gehouden met de doelstellingen in Stiltegebied A en in Stiltegebied B, bedoeld in artikel 2.3.2.3. 2. Als richtwaarde voor gebiedsvreemde stationaire geluidbronnen binnen de grenzen van een stiltegebied wordt een niveau van 30 dB(A) in acht genomen, of het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het gebied dat fysiek door de activiteit in beslag wordt genomen. Artikel 5.1.12.2 Activiteiten buiten stiltegebieden 1. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning en het stellen van een maatwerkvoorschriften voor activiteiten binnen het Invloedsgebied, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen Stiltegebied, wordt als richtwaarde voor het langtijdgemiddelde geluidsniveau van deze activiteiten de richtwaarden, bedoeld in het tweede en derde lid, of het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het gebied in acht genomen. 2.
Voor activiteiten binnen het Invloedsgebied, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen Stiltegebied A, geldt als richtwaarde voor het langtijdgemiddelde geluidsniveau van deze activiteiten 30 dB(A) of het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het gebied. Als uit metingen en berekeningen blijkt dat het referentieniveau in de dag-, avond-, of nachtperiode: a. meer bedraagt dan 40 dB(A), wordt voor de betreffende periode een waarde van 40 dB(A) gehanteerd; of b. minder bedraagt dan 30 dB(A), wordt voor de betreffende periode een waarde van 30 dB(A) gehanteerd. 3. Voor activiteiten binnen het Invloedsgebied, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen Stiltegebied B, wordt bij het verlenen van een omgevingsvergunning en het stellen van een maatwerkvoorschrift voor activiteiten als richtwaarde voor het langtijdgemiddelde 73
geluidsniveau van deze activiteiten 40 dB(A) of het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het gebied in acht genomen. Het referentieniveau bedraagt in de dag-, avond-, of nachtperiode niet meer dan 48 dB(A). Artikel 5.1.12.3 Vrijstelling van de instructieregel De artikelen 5.1.12.1 en 5.1.12.2 gelden niet voor: a. het verrichten van activiteiten op een bedrijventerrein buiten het stiltegebied, dat op 1 februari 1999 was toegelaten krachtens een bestemmingsplan, een uitwerkings- of wijzigingsplan of een vrijstellingsbesluit als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals deze gold tot 1 juli 2008; b. mobiele activiteiten die onderdeel zijn van een agrarische activiteit; c. laad- en losactiviteiten van scheepsvaart; d. windenergie concentratielocatie als bedoeld in artikel 5.1.4.1; e. bestaande wegen door stiltegebieden; f. activiteiten als bedoeld in de paragraaf 2.3.2, waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is; g. twaalf evenementen per jaar waarbij sprake is van versterkt geluid, voor zover het een Stiltegebied B betreft; h. voor het onderhoud van het gebied inclusief dijkwerkzaamheden of andere werkzaamheden aan of ten behoeve van waterkeringen in het gebied of in de directe omgeving van het gebied, of de in het gebied aanwezige bouwwerken en andere constructies met de daartoe geëigende middelen; en i.
de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken, telecommunicatiewerken en openbare energievoorziening als deze activiteiten niet structureel plaatsvinden of geen vergunning op basis van de Omgevingswet noodzakelijk is. Artikel 5.1.12.4 Verplichting om geluid te meten 1. Metingen en beoordelingen om het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid en het langtijdgemiddeld geluidsniveau van nieuwe activiteiten te bepalen, worden uitgevoerd volgens de Omgevingsregeling. 2. Beoordeling van de meting vindt plaats door het bevoegd gezag dat het besluit neemt over een omgevingsvergunning waarvan de betreffende activiteiten deel uitmaken. Artikel 5.1.12.5 Vastleggen van de uitgangssituatie 1. In een omgevingsplan dat betrekking heeft op een Stiltegebied of een Invloedsgebied wordt bepaald dat bij de aanvraag om een omgevingsvergunning gegevens over de uitgangssituatie voor geluid worden verstrekt, in overeenstemming met de Omgevingsregeling. 2. De uitgangssituatie wordt aan het bevoegd gezag voorgelegd bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning, waarvan de betreffende activiteiten deel uitmaken.
Paragraaf 5.1.13 Aardkundige waarden Artikel 5.1.13.1 Aardkundige waarden 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een Gebied met aardkundige waarden is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden, bedoeld in bijlage VIII. 2. Het omgevingsplan stelt regels ter bescherming van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
74
Afdeling 5.2 Instructieregels aan het waterschap Paragraaf 5.2.1 Waterbeheerprogramma Artikel 5.2.1.1 Inhoud waterbeheerprogramma Het waterbeheerprogramma bevat, naast de maatregelen, bedoeld in artikel 4.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving: a. een beschrijving van de toestand van de regionale wateren op het tijdstip van vaststelling van het waterbeheerprogramma, waaronder de afvoer- en bergingscapaciteit en de waterkwaliteit; b. het beleid met betrekking tot het beheer van de regionale wateren; c. gegevens die inzicht geven in de prioriteitstelling en fasering van maatregelen en voorzieningen met betrekking tot regionale wateren, met het oog op de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 3.1.1.1 tot en met 3.1.1.4, en onderdelen in het regionale waterprogramma die betrekking hebben op krwoppervlaktewaterlichamen; d. gegevens die inzicht geven in de dekking van de kosten van maatregelen en voorzieningen als bedoeld onder c; en e. een uitwerking van onderdelen van het regionale waterprogramma, anders dan bedoeld in artikel 3.7 van de wet. Artikel 5.2.1.2 Overleg en verslag waterbeheerprogramma 1. Het waterschapsbestuur en gedeputeerde staten voeren periodiek overleg over de voortgang van de uitvoering van het waterbeheerprogramma. 2.
Het waterschapsbestuur zendt jaarlijks een verslag aan gedeputeerde staten over de uitvoering van het waterbeheerprogramma in het voorgaande jaar. 3. Het verslag bevat in elk geval informatie over: a. de voortgang met het oog op gestelde omgevingswaarden voor regionale wateren; b. voor zover van toepassing: actualisatie van peilbesluiten; en c. de uitoefening van taken met betrekking tot wateractiviteiten bestaande uit het onttrekken van grondwater of infiltreren van water, gelet op artikel 5.2.3.1.
Paragraaf 5.2.2 Peilbesluit Artikel 5.2.2.1 Peilbesluiten 1. Het waterschapsbestuur stelt voor de oppervlaktewaterlichamen onder zijn beheer peilbesluiten vast. 2. Het waterschapsbestuur draagt zorg voor het actueel houden van peilbesluiten, zodanig dat deze zijn toegesneden op veranderingen in de omstandigheden ter plaatse en aanwezige belangen. 3. Een peilbesluit bevat naast de gegevens, bedoeld in artikel 2.41, derde lid, van de wet, gegevens over eventuele wijzigingen van de te handhaven waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren ten opzichte van het vóór de vaststelling geldende peilbesluit. 4. Het waterschapsbestuur informeert gedeputeerde staten over een voornemen tot vaststelling of wijziging van een peilbesluit.
75
Paragraaf 5.2.3 Waterschapsverordening Artikel 5.2.3.1 Bescherming grondwater 1. In de waterschapsverordening worden voor wateronttrekkingsactiviteiten, anders dan bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening, regels gesteld met als doel het tegengaan van nadelige gevolgen voor: a. de grondwaterstand in verdrogingsgevoelige natuurgebieden; en b. een duurzame kwantitatieve en kwalitatieve toestand van het grondwater in het beheergebied van het waterschap. 2. De regels omvatten in elk geval: a. de aanwijzing van activiteiten die zijn verboden zonder omgevingsvergunning; b. de aanwijzing van activiteiten die zijn verboden zonder voorafgaande melding; c. de aanwijzing van activiteiten waarvoor algemene regels gelden; d. meet- en opgaveverplichtingen voor de activiteiten, bedoeld onder a tot en met c; en e. een verbod om zonder omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten te verrichten in grondwaterbeschermingsgebieden.
Artikel 5.2.3.2 Grondwaterregister Het waterschapsbestuur en gedeputeerde staten, elk voor zover bevoegd gezag, dragen zorg voor de inschrijving in het landelijk register van activiteiten op basis van een omgevingsvergunning of melding, die bestaan uit het onttrekken van grondwater of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening, met vermelding van de daarvoor benodigde gegevens. Artikel 5.2.3.3 Grondwatermeetnet Gedeputeerde staten dragen zorg voor de inrichting en het beheer van een meetnet voor de taken en het beleid met betrekking tot grondwater en daarvoor benodigde onderzoeken.
Paragraaf 5.2.4 Projectbesluit Artikel 5.2.4.1 Instructieregels projectbesluit Op het vaststellen van een projectbesluit door het dagelijks bestuur van het waterschap zijn de instructieregels over omgevingsplannen, bedoeld in afdeling 5.1, van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 5.3 Instructieregels aan gedeputeerde staten Paragraaf 5.3.1 Stiltegebieden Artikel 5.3.1.1 Bebording stiltegebieden Gedeputeerde staten plaatsen op of bij de grenzen van stiltegebieden borden langs alle openbare wegen, paden en vaarwegen die toegang geven tot een stiltegebied of die daaraan grenzen.
Paragraaf 5.3.2 Grondwaterbeschermingsgebieden Artikel 5.3.2.1 Bebording grondwaterbeschermingsgebieden 76
Gedeputeerde staten plaatsen op of bij de grenzen van grondwaterbeschermingsgebieden borden langs alle openbare wegen, paden en vaarwegen die toegang geven tot een grondwaterbeschermingsgebied of die daaraan grenzen.
Paragraaf 5.3.3 Projectbesluit Artikel 5.3.3.1 Instructieregels projectbesluit Op het vaststellen van een projectbesluit door gedeputeerde staten zijn de instructieregels over omgevingsplannen, bedoeld in afdeling 5.1, van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 5.4 Instructieregels aan de faunabeheereenheid Artikel 5.4.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk gaat over de faunabeheerplannen van de Faunabeheereenheid Zeeland. Artikel 5.4.2 Algemene eisen aan faunabeheerplannen 1. Een faunabeheerplan beschrijft de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid. 2. Een faunabeheerplan bevat een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven. 3. Een faunabeheerplan geeft inzicht in de samenhang tussen de jacht op wildsoorten, het beheren van populaties van in het wild levende dieren en het bestrijden van schade door deze dieren. 4. Een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid. Artikel 5.4.3 Faunabeheerplan duurzaam beheer van populaties In aanvulling op artikel 5.4.2 bevat een faunabeheerplan over duurzaam beheer van populaties en schadebestrijding op basis van omgevingsvergunningen in ieder geval per diersoort: a. een beschrijving van het planmatig, gecoördineerd en duurzaam beheer van populaties en de bestrijding van schade op basis van omgevingsvergunningen van in het wild levende dieren; b.
kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarvoor een duurzaam beheer of bestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar; c. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van de onder b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van schade aan de belangen bedoeld in 8.74j, tweede lid, artikel 8.74k, tweede lid en artikel 8.74l, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving die zouden worden geschaad indien niet tot beheer of bestrijding zou worden overgegaan; d. een beschrijving van de mate waarin de onder c bedoelde belangen in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren; e. de huidige en gewenste stand van de onder b bedoelde diersoorten; f. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de maatregelen die zullen worden genomen om de gewenste stand, bedoeld onder e, te bereiken; g. per diersoort en gewas een beschrijving van de maatregelen die in de onder d bedoelde periode zijn verricht om het schaden van de onder c bedoelde belangen te voorkomen, en,
77
voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die maatregelen; h. een omschrijving van passende en doeltreffende preventieve maatregelen en de mate waarin deze maatregelen moeten worden ingezet voordat mag worden overgegaan tot bestrijding; i. voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen; j. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de onder f bedoelde maatregelen zullen plaatsvinden; k. voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn; een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de onder f bedoelde maatregelen; l. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen maatregelen zal worden bepaald; en m. informatie, op basis van gegevens gebaseerd op, afkomstig uit of terug te leiden tot wetenschappelijke gegevens van universitaire organisaties of gekende onderzoek- of kennisinstellingen en de daaruit voortvloeiende inzichten, waaruit blijkt dat een gunstige staat van instandhouding van de onder b bedoelde diersoorten wordt gewaarborgd.
Artikel 5.4.4 Faunabeheerplan schadebestrijding In aanvulling op artikel 5.4.2 bevat het faunabeheerplan over schadebestrijding op basis van vergunningvrije gevallen in ieder geval per diersoort: a. een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde bestrijding van schadeveroorzakende dieren; b. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarvoor sprake is van schadebestrijding, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar; c. een beschrijving van de maatregelen die binnen de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan zijn verricht om het schaden van de in de betreffende vergunningvrije gevallen bedoelde belangen te voorkomen, waaronder het, naar soort onderscheiden, aantal gedode dieren en, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die maatregelen. Artikel 5.4.5 Faunabeheerplan uitoefening jacht In aanvulling op artikel 5.4.2 bevat het faunabeheerplan over de uitoefening van de jacht: a. een beschrijving van de vormen van jacht die in Zeeland worden beoefend; b. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarop wordt gejaagd, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden; c.
een overzicht van het gerealiseerde afschot per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden; Artikel 5.4.6 Geldigheidsduur faunabeheerplan 1. Een faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes jaren. 2. Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal één jaar verlengen. 78
Hoofdstuk 6 Procedures [gereserveerd]
Hoofdstuk 7 Handhaving Afdeling 7.1 Kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving Artikel 7.1.1 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de wet door of in opdracht van gedeputeerde staten. Artikel 7.1.2 Betrokkenheid van provinciale staten Provinciale staten zien toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de wet in het licht van de voor de provincie Zeeland vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving. Artikel 7.1.3 Kwaliteitsdoelen 1. Gedeputeerde staten beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de wet in het licht van daarvoor door hen krachtens artikel 13.5, eerste lid, van het Omgevingsbesluit gestelde doelen. 2. De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving van de wet, hebben in ieder geval betrekking op: a. de dienstverlening; b. de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten; c. de financiën. Artikel 7.1.4 Kwaliteitsborging 1. Op de uitvoering en handhaving van de wet door of in opdracht van gedeputeerde staten zijn de kwaliteitscriteria van toepassing. 2. Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen gedeputeerde staten jaarlijks mededeling aan provinciale staten. 3. Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen gedeputeerde staten daarvan gemotiveerd opgave.
Hoofdstuk 8 Schade Afdeling 8.1 Tegemoetkoming faunaschade Artikel 8.1.1 Aanvraag om tegemoetkoming 1. Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 15.53 van de wet wordt door de aanvrager langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen.
79
2. De aanvraag wordt uiterlijk binnen zeven werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd, ingediend. 3. Als een aanvraag om tegemoetkoming niet voldoet aan het eerste en tweede lid, komt de schade niet voor tegemoetkoming in aanmerking. Artikel 8.1.2 Taxatie van de schade 1. Het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, worden pas geoogst of van het bedrijf afgevoerd, nadat de schade definitief is getaxeerd door de taxateur. 2. Opmerkingen over de taxatie worden binnen acht werkdagen na ontvangst van het taxatierapport kenbaar gemaakt aan BIJ12.
Afdeling 8.2 Advisering planschade
Hoofdstuk 9 Adviesorganen Hoofdstuk 10 Overgangsrecht Afdeling 10.1 Algemene overgangsbepalingen Paragraaf 10.1.1 Overgangsrecht lopende procedures Artikel 10.1.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op besluiten op grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018, tenzij afdeling 4.1 of paragraaf 4.2.8 van de Invoeringswet Omgevingswet daarop van toepassing is. Artikel 10.1.2 Lopende procedures besluiten op aanvraag of ambtshalve 1. Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt. 2. Als voor de inwerkingtreding van deze verordening voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt. 3.
Als voor de inwerkingtreding van deze verordening voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt. Artikel 10.1.3 Overgangsrecht lopende handhavingszaken 80
Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een overtreding van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor de inwerkingtreding van deze verordening een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of c. als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom: 1°. De last volledig is uitgevoerd; 2°. De dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of 3°. De last is opgeheven.
Paragraaf 10.1.2 Overgangsrecht melding, kennisgeving en maatwerkvoorschrift Artikel 10.2.1 Overgangsrecht melding, kennisgeving en maatwerkvoorschrift 1. Een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 die voor de inwerkingtreding van deze verordening is gedaan, geldt, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verbod om de activiteit zonder melding te verrichten van toepassing is, als een melding van die activiteit. 2. Een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 die voor de inwerkingtreding van deze verordening is gedaan, geldt, als voor die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verplichting geldt om informatie te verstrekken, als het verstrekken van die informatie. 3. Een aanvraag om een ontheffing of vergunning voor een activiteit op grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 die voor inwerkingtreding van deze verordening is ingediend, geldt, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verbod om zonder melding de activiteit te verrichten van toepassing is, als een melding van die activiteit. 4. Een onherroepelijk maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 geldt als een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening.
Afdeling 10.2 Overgangsbepalingen per onderwerp Artikel 10.2.1 Overgangsrecht bestaande activiteiten in grondwaterbeschermingszones PM Artikel 10.2.2 Overgangsrecht landschap en erfgoed De ontheffingen op grond van artikel 4.4.2.1 van de Provinciale milieuverordening Zeeland die zijn verleend aan de Stichting Arjaan de Schipper Trofee en de Stichting Zeeuwse Dag van het Paard worden gelijkgesteld met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.12.2.1.3. Artikel 10.2.3 Overgangsrecht: bodemenergiesysteem Een bodemenergiesysteem als bedoeld in paragraaf 2.3.1.14, dat vóór 1 mei 2013 geïnstalleerd is of wordt geïnstalleerd in overeenstemming met de daarvoor destijds geldende regels, kan in afwijking van paragraaf x gebruikt worden tot 1 januari 2034, zo lang het bodemenergiesysteem niet wordt gewijzigd of vervangen.
81
Artikel 10.2.4 Algemene regels Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 10.2.3, wordt voldaan aan de volgende regels: a. in geval van lekkage of andere bodembedreigende situaties worden alle maatregelen genomen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om aantasting van de kwaliteit van het grondwater te voorkomen; b. als die aantasting niet kan worden voorkomen, wordt deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt; c. van een lekkage of ander bodembedreigende situatie wordt onmiddellijk melding gemaakt aan gedeputeerde staten; d. het bodemenergiesysteem is voorzien van een lekdetectiesysteem met automatisch alarm; en e. in het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem wordt uitsluitend leidingwater, monopropyleen glycol of een stof met een aantoonbaar vergelijkbare of betere biologische afbreekbaarheid en aantoonbaar vergelijkbare of lagere toxiciteit als medium toegepast.
Hoofdstuk 11 Overige bepalingen en slotbepalingen Afdeling 11.1 Overige bepalingen Artikel 11.1.1 Intrekking verordeningen De volgende verordeningen worden ingetrokken: a. de Omgevingsverordening Zeeland 2018; en b. de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Zeeland 2016.
Afdeling 11.2 Slotbepalingen Artikel 11.2.1 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt. Artikel 11.2.2 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Omgevingsverordening Zeeland.
Bijlage I Begrippen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: - aan huis gebonden beroep: dienstverlenend beroep dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie overeenkomt; - agrarisch bedrijf: bedrijf voor het telen van gewassen, met inbegrip van aquacultuur; - agrarisch onderzoeksbedrijf: bedrijf dat zich geheel of in overwegende mate richt op onderzoek naar nieuwe agrarische gewassen en verbetering van bestaande agrarische gewassen voor de agrarische sector; - agrarisch bouwwerk: bouwwerk behorend bij een agrarisch bedrijf, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen en drink- en voederbakken; - aquacultuur: teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen; 82
- baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; - bebouwde kom Wegenverkeerswet: bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; - bedrijf: onderneming die is gericht op het vervaardigen, bewerken, installeren en verhandelen van goederen dan wel op het verlenen van diensten waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt en niet zelfstandig onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop of levering van ter plaatse vervaardigde bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen; - bedrijfsvloeroppervlak: gezamenlijke oppervlakte van vaste vloeren in gebouwen en andere bouwwerken geen gebouw zijnde, met inbegrip van mestdoorlatende vloeren, die worden of kunnen worden gebruikt voor de huisvesting van dieren ten behoeve van intensieve veehouderij, waaronder begrepen de hok- of stalruimten, inclusief scheidingswanden en gangpaden; - bedrijventerrein: terrein dat bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie; - beplanting: opgaande gewassen bestaande uit bomen of struiken; - bestaand gebruik: gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening in een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten; -
bestaand solitair glastuinbouwbedrijf: op het tijdstip van inwerking van deze verordening krachtens een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten glastuinbouwbedrijf dat is gelegen buiten de glastuinbouwconcentratiegebieden op de Axelse Vlakte bij Terneuzen, bij Kapelle, Oosterland, Rilland, Sint Annaland of Sirjansland; - bestaande intensieve veehouderij: op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening krachtens een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten intensieve veehouderij; - bestaande neventak: op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening krachtens een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten neventak; - Bij12: uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies; - bijlage: bij deze verordening behorende bijlage - binnenhaven: haven voor de binnenvaart die niet onmiddellijk aan zee of aan de Westerschelde grenst; - binnenschip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet; - biologische veehouderij: veehouderij waarin producten worden vervaardigd die gecertificeerd zijn volgens in Nederland geldende regelgeving van de Europese Unie voor biologische productie; - bouwvlak: geometrisch bepaald vlak waarmee gronden zijn aangeduid waar volgens het omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken geen
gebouwen zijnde zijn toegelaten; - buisleiding: buisleiding voor het transport van gas of vloeistof en leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën; - centrale bedrijfsmatige exploitatie: via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanige exploitatie dat daarbij gedurende het jaar, in verschillende perioden, aan verschillende personen die hun hoofdverblijf elders hebben, recreatieve verblijfsmogelijkheden worden geboden; - continuïteit: ontwikkeling van een bedrijf op een termijn van 10 jaar; - detailhandel: bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, verkopen en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; - evenement: éénmalige of ten hoogste 3 keer per jaar terugkerende publieke gebeurtenis op het gebied van ontspanning, kunst of cultuur; - extensieve beweiding: beweiding door maximaal anderhalf grootvee-eenheden per hectare per kalenderjaar; 83
- gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van Zeeland; - gemotoriseerde luchtsporten: in wedstrijdverband, ter voorbereiding op wedstrijden of voor recreatieve doeleinden gebruiken van gemotoriseerde luchtvaartuigen, zoals modelvliegtuigen, ultra lichte vliegtuigen, microlight aeroplanes, schermvliegtuigen, paramotorvliegen, met uitzondering van zweeftoestellen; - gesloten stortplaatsen: stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer; - glastuinbouwbedrijf: bedrijf gericht op de teelt of veredeling van gewassen geheel of nagenoeg geheel met behulp van kassen; - grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; - grond- en funderingswerk: werk in de bodem, met inbegrip van palen, damwanden en folies; - grondgebonden agrarisch bedrijf: bedrijf dat geheel of nagenoeg geheel afhankelijk is van agrarische grond als productiemiddel en waarbij geheel of nagenoeg geheel gebruik wordt gemaakt van open grond of plat glas dan wel een ander lichtdoorlatend materiaal met een hoogte van niet meer dan 1 meter; - grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; - grootschalig zelfstandig kantoor: kantoor met meer dan 1000 m² bruto vloeroppervlak waar nietkantoorfuncties geen substantieel onderdeel uitmaken van het gebouw of de gebouwen; - grootschalige
detailhandelsvoorziening: detailhandelsvoorziening met een bruto vloeroppervlak van 1500 m² of meer; - intensieve veehouderij: niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat zich toelegt op de teelt van slacht, fok-, leg-, pels- of melkdieren, waarbij de teelt plaatsvindt zonder of nagenoeg zonder weidegang, met uitzondering van een biologische veehouderij - jachthaven: haven die naar zijn aard en inrichting bedoeld en geschikt is voor het in hoofdzaak aanleggen van pleziervaartuigen, met bijbehorende voorzieningen; - kampeermiddel: een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of stacaravan of enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover het onderkomen of voertuig geheel of ten dele blijvend is bestemd of opgericht, of wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf en waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben; - kas: gebouw van glas of ander lichtdoorlatend materiaal voor de teelt of veredeling van tuinbouwgewassen, fruitteelt of sierteelt; - kernwinkelgebied: binnen het centrum van een kern gelegen gebied waarin detailhandelsvoorzieningen zijn geconcentreerd; - kleinschalig bedrijventerrein: bedrijventerrein dat geen grootschalig bedrijventerrein is; - kleinschalig kampeerterrein: kampeerterrein dat in gebruik is als neventak bij een agrarisch of ander bedrijf of behorend bij een woning; - kunstwerk:
civieltechnisch bouwwerk dat dient om een weg of verkeersbaan over een andere weg of verkeersbaan, een spoorweg, een vaarweg of ander oppervlaktewaterlichaam heen, of daaronder door, te voeren; - kwaliteitscriteria: in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde actuele kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast; - kwaliteitsklasse wonen: kwaliteitsklasse wonen als bedoeld in artikel 29 van het Besluit bodemkwaliteit; - kwantitatieve gegevens: telcijfers, trendtellingen, inschattingen en afschotcijfers voor de in het faunabeheerplan beschreven diersoorten en op basis hiervan een analyse van de populatietrend; 84
- ladingtank: tank vast verbonden met een binnenschip waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd; - lawaaisport: in wedstrijdverband, ter voorbereiding op wedstrijden of voor recreatieve doeleinden gebruiken van voer- of vaartuigen met verbrandingsmotoren of modelvliegtuigen en het beoefenen van de schietsport met vuurwapens in de open lucht; - loswal: kadeterrein dat bestemd en geschikt is voor het laden en lossen van schepen; - luchtkussenvoertuig: luchtkussenvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Besluit luchtkussenvoertuigen Wet geluidhinder; - motorrijtuig: motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; Nazorgvoorziening: voorziening ter bescherming van het milieu als bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer; - neventak: bedrijfsonderdeel dat qua omvang en arbeidsinzet en gelet op de inkomsten die daaruit redelijkerwijs kunnen worden verworven niet als hoofdtak kan worden aangemerkt, of een activiteit waaruit de betrokkene niet het hoofdinkomen verwerft; - omgevingskwaliteiten: kwaliteiten die van belang zijn voor een goede leefomgeving, bij de beschrijving waarvan tenminste de navolgende aspecten in beschouwing worden genomen: luchtkwaliteit, stank, geluid, lichtvervuiling, veiligheid, bodem- en waterkwaliteit met inbegrip van waterbodems en
grondwater, waterkwantiteit, ecologische en natuurlijke kwaliteit, landschappelijke en beeldkwaliteit, cultuurhistorische kwaliteit, bereikbaarheid en sociale kwaliteit; - ontgassen: afvoeren van restladingdamp uit een ladingtank waarbij restladingdampen terechtkomen in de open lucht; - openbare weg: openbare weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; - opstelling voor zonne-energie: samenstel van bouwwerken of een andere constructie voor het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon, geplaatst op of boven de grond of een oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van zonnepanelen op daken; - provinciale staten: Provinciale Staten van Zeeland; - provinciale weg: openbare weg in beheer bij de provincie, met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar zijn aard daartoe behoort; - recreatieve bebouwing: gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor recreatief nachtverblijf en gebouwen voor recreatief dagverblijf waar dranken worden geschonken of eet- en drinkwaren voor consumptie worden bereid of verstrekt; - regionale waterkeringen: in deze verordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen als bedoeld in artikel 2.13, eerste lid, onder a, van de wet, die in beheer zijn bij het waterschap; - restladingdamp: damp die na het lossen in de ladingtank achterblijft; - schip: schip
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet; - solitair volwaardig glastuinbouwbedrijf: volwaardig glastuinbouwbedrijf dat is gevestigd buiten een concentratiegebied; - solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied: niet op bedrijventerreinen geclusterde bedrijven die volgens het omgevingsplan zijn toegelaten binnen bestaand stedelijk gebied, met inbegrip van detailhandels- en horecabedrijven; - stedelijk gebied: in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen; - streekproducten: kenmerkende Zeeuwse producten die op Zeeuwse grond of in Zeeuwse wateren zijn geteeld en bedoeld voor consumptie; 85
- taxateur: taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12; - toestel: toestel als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder; - traditionele windmolen: molen die in vroeger tijden was bedoeld voor bemaling voor waterbeheer, het malen van granen of overige ambachtelijke werkzaamheden, waarbij het gaande werk nog volledig of in overwegende mate intact is; - UN: getal van vier cijfers dat een gevaarlijke stof identificeert tijdens het transport, zoals vastgelegd in de Recommendations on the Transport of Dangerous Goods van de Verenigde Naties; - vaarwegbeheer: overheidszorg gericht op de instandhouding, bereikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken; - verduurzaming: treffen van maatregelen die verder gaan dan hetgeen bij of krachtens de wet is voorgeschreven voor milieu en dierenwelzijn en die strekken tot milieuwinst en het versterken van omgevingskwaliteiten; - verjaagactie: bestrijding van ganzen die op het schadeperceel aanwezig zijn of invallen; - verkeersbaan: verhardingsconstructie van een hoofdrijbaan, parallelweg, fiets- of voetpad; - vervoerder: onderneming als bedoeld in 1.2.1 van deel 1 van het Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (Trb.
2001, 67); - volwaardig glastuinbouwbedrijf: glastuinbouwbedrijf dat de arbeidsinzet vergt van tenminste één voltijd arbeidskracht die daaruit zijn hoofdinkomen verwerft en waarbij de continuïteit van het glastuinbouwbedrijf op langere termijn is gewaarborgd; - vuurwapen: vuurwapen als bedoeld artikel 1, onder 3°, van de Wet wapens en munitie; - waterschap: bevoegd bestuursorgaan van Waterschap Scheldestromen; - waterscooter: waterscooter als bedoeld in artikel 1.01, onder A, onder 18°, van het Binnenvaartpolitiereglement; - weidegang: uitloop van dieren op grasland waarbij het grasland ook op langere termijn duurzaam intact blijft; - wet: Omgevingswet.
Bijlage II Geometrische informatieobjecten [gereserveerd] (In de volgende versie zullen hier de geometrische informatieobjecten van de werkingsgebieden / locaties van de artikelen worden opgenomen. Er wordt naar gestreefd de werkingsgebieden beleidsneutraal om te zetten. Daar waar dit niet mogelijk is, wordt in de eerste versie heel Zeeland als werkingsgebied aangeduid.)
Bijlage III Lijst nieuwe economische dragers Bijlage behorende bij artikel 5.1.1.1, derde lid
Nieuwvestiging LANDBOUW VERWANTE ACTIVITEITEN: Verkoop eigen agrarische producten Agrarische hulpbedrijven
Loonbedrijven