RVS reactie voorontwerp Zeeuwse Omgevingsvisie bijlage 4 voorontwerp Omgevingsverordening
Tekst van het document
Paragraaf 2.11.3 Plicht tot herbeplanting Artikel 2.11.3.1 Eisen aan herbeplanting 1. Een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting, als bedoeld in artikel 11.128, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten: a. de oppervlakte van de herbeplanting is ten minste even groot als de gevelde of teniet gegane oppervlakte; b. de herbeplante houtopstand kan, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; c. de herbeplante houtopstand vormt binnen een periode van 5 à 10 jaar een gesloten kronendak, waarbij in geval van rijbeplanting de plantafstand niet groter dan 10 meter mag zijn; d. het gebruik van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse, is niet toegestaan; e. herbeplanting binnen Natura 2000-gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; f. de herbeplante houtopstand vertegenwoordigt ten minste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden ten opzichte van de gevelde of teniet gegane houtopstand in kwantiteit en kwaliteit; en g.
een spontane natuurlijke verjonging, die aan de eisen voldoet zoals in dit artikel is beschreven, is een toegestane vorm van bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting. 2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, geldt dat in bestaande situaties met duurzame boomsoorten die op een grotere plantafstand staan, herplanting eveneens op dezelfde grotere plantafstand is toegestaan (als maximale maat) mits dezelfde soort bomen wordt herplant. Artikel 2.11.3.2 Eisen aan herbeplanting op andere grond 1. Herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 11.129, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. de andere grond is gelegen in de provincie Zeeland; b. de andere grond is onbeplant en vrij van een plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.128, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 44
c. de andere grond is vrij van een plicht tot natuurcompensatie; d. op de andere grond rust niet al een verplichting tot mitigatie of compensatie op grond waarvan bomen dienen te worden aangeplant; e. beplanting van de andere grond gaat niet ten koste van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden in het betreffende gebied; f. de gevelde of teniet gegane houtopstand maakt geen onderdeel uit van een aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 5 hectare, dat daardoor in oppervlakte afneemt; g. de gevelde of teniet gegane houtopstand betreft geen landschapselement of een andere kleine houtopstand met een belangrijke ecologische of landschappelijke functie; h. de gevelde of teniet gegane houtopstand draagt niet bij aan de instandhoudingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 2.44, eerste lid, van de wet; i. de gevelde of teniet gegane houtopstand betreft geen oude bosgroeiplaats waarbij sprake is van een goed ontwikkelde bosbodem; j. de aanplant is bosbouwkundig verantwoord als bedoeld in artikel 2.11.3.1; en k. de aanvraag voor herbeplanting op andere grond wordt gedaan uiterlijk twee jaar na de velling. 2. Het eerste lid, aanhef en onder g tot en met i, geldt niet als de houtopstand moet wijken om een werk in overeenstemming met een omgevingsplan mogelijk te maken.
Artikel 2.11.3.3 Uitzondering op plicht tot herbeplanting De plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het door natuurlijke ontwikkelingen teniet gaan van houtopstanden, als dit het gevolg is van vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van antiverdrogingsmaatregelen.
Afdeling 2.12 Activiteiten landschap Paragraaf 2.12.1 Distelbeheer Artikel 2.12.1.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het hebben en gebruiken van gronden waarop volgens het omgevingsplan landbouw kan worden verricht en die daadwerkelijk in gebruik zijn als landbouwgrond, en een daaraan grenzende strook van 30 meter. Artikel 2.12.1.2 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van agrarische belangen. Artikel 2.12.1.3 Uitbreiding normadressaat In aanvulling op artikel 2.1.1 wordt aan de regels van deze paragraaf ook voldaan door de eigenaar van of andere zakelijk gerechtigde op de landbouwgrond. Artikel 2.12.1.4 Distelbeheer Op landbouwgronden wordt voorkomen dat de distelsoorten Cirsium Arvense (akkerdistel) en Sonchus Arvensis (akkermelkdistel) tot bloei komen.
45
Paragraaf 2.12.2 Borden Paragraaf 2.12.2.1 Algemene bepalingen Artikel 2.12.2.1.1 Toepassingsbereik 1. Paragraaf 2.12.2 gaat over het plaatsen van borden, spandoeken, vlaggen en informatiezuilen buiten de bebouwde kom, bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van bedrijventerreinen van ten minste een hectare. 2. Paragraaf 2.12.2 geldt niet voor: a. borden behorend tot verkeerstekens, verkeersaanwijzingen of bewegwijzering, met inbegrip van toeristische bewegwijzering, in overeenstemming met de regels krachtens de Wegenverkeerswet en de Scheepvaartverkeerswet; b. borden die zijn geplaatst voor een campagne voor de verkeersveiligheid op wegen en vaarwegen, mits de borden geen handelsreclame bevatten; c. borden die zijn aangebracht op een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer; d. officiële binnenlandse en buitenlandse vlaggen; en e. vlaggen op sportterreinen. Artikel 2.12.2.1.2 Oogmerken De regels in paragraaf 2.12.2 zijn gesteld met het oog op het beschermen van het landschap. Artikel 2.12.2.1.3 Maatwerkvoorschriften 1. Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de paragrafen 2.12.2.2 tot en met 2.12.2.5. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de paragrafen 2.12.2.2 tot en met 2.12.2.5.
Paragraaf 2.12.2.2 Algemene regels permanente borden en spandoeken Artikel 2.12.2.2.1 Toegelaten permanente borden en spandoeken 1. Een permanent bord wordt alleen geplaatst als is voldaan aan de regels in deze paragraaf. 2. De regels in deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing op een permanent geplaatst spandoek. Artikel 2.12.2.2.2 Goede staat borden Een bord verkeert in goede staat. Artikel 2.12.2.2.3 Borden voor meubilering of stoffering Een bord dat kennelijk behoort tot de meubilering of de stoffering van een gebouw: a. is tegen het gebouw geplaatst; b. steekt niet uit boven het gebouw; en c. heeft een relatie met het feitelijk gebruik van het gebouw. Artikel 2.12.2.2.4 Borden voor beroep, bedrijf of dienst 1. Een bord dat betrekking heeft op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, anders dan een benzinestation of ANWB Wegenwachtstation als bedoeld in artikel 2.12.2.2.8, dat of die feitelijk wordt uitgeoefend in een gebouw: 46
a. bestaat uit maximaal 2 borden; en b. heeft een maximale oppervlakte van 2 m2 per bord. 2. In het geval van 2 of 3 bedrijven gesitueerd aan één oprit: a. kunnen de afzonderlijke bedrijven ieder maximaal twee borden plaatsen; en b. heeft ieder bord een maximale oppervlakte van 2 m2. 3. In afwijking van het tweede lid: a. kunnen de bedrijven gezamenlijk één bord plaatsen; en b. heeft het bord een maximale oppervlakte van 4 m2. 4. In het geval van 4 of meer bedrijven gesitueerd aan één oprit: a. kunnen de afzonderlijke bedrijven ieder maximaal twee borden plaatsen; en b. heeft ieder bord een maximale oppervlakte van 2 m2. 5. In afwijking van het vierde lid: a. kunnen de bedrijven gezamenlijk maximaal 2 borden plaatsen; en b. heeft ieder bord een maximale oppervlakte van 4 m2. 6. De borden, bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid: a. worden geplaatst bij het gebouw of de inrit daarnaartoe; b. zijn niet verlicht; en c. hebben een maximale hoogte van 2,5 meter boven het maaiveld. Artikel 2.12.2.2.5 Borden over objecten of gebieden Een bord dat informatie verschaft over een object, een gebied, grensaanduidingen van een gemee te, de pro i ie of Nederla d, aa duidi ge et er ode toega g of ee terrein beherende instantie: a. wordt feitelijk geplaatst bij het object of gebied; b. verschaft feitelijke, verdiepende informatie over het object of gebied; c. bevat geen handelsreclame; d.
heeft een maximale oppervlakte van 2 m2; e. heeft een maximale hoogte van 2,50 meter boven het maaiveld; en f. is niet verlicht. Artikel 2.12.2.2.6 Borden op sportterreinen Een bord dat is geplaatst op een sportterrein heeft de tekst en de afbeelding gericht naar het speelveld. Artikel 2.12.2.2.7 Borden voor gedachten en gevoelens Een bord voor gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet: a. heeft een maximale oppervlakte van 2 m2; b. heeft een maximale hoogte van 2,50 meter boven het maaiveld; c. is niet verlicht; en d. bevat geen handelsreclame. Artikel 2.12.2.2.8 Borden bij benzinestations en wegenwachtstations Een bord dat is geplaatst op het terrein van een benzinestation of ANWB Wegenwachtstation heeft direct betrekking op de aldaar uitgevoerde activiteiten. Artikel 2.12.2.2.9 Borden op rotondes 1. Een bord dat in overleg met de wegbeheerder op een rotonde kan worden geplaatst: a. geeft aan dat het onderhoud van de rotonde wordt gesponsord; 47
b. heeft een maximale lengte van 0,50 meter; c. heeft een maximale breedte van 0,30 meter; d. heeft een maximale hoogte van 0,70 meter vanaf het maaiveld; en e. is niet verlicht. 2. Er worden maximaal twee borden per rotonde geplaatst. Artikel 2.12.2.2.10 Borden voor de verkoop van agrarische producten 1. Voor de verkoop van agrarische producten worden maximaal drie borden geplaatst, waarvan maximaal twee direct bij het verkooppunt van het bedrijf en één binnen een straal van een kilometer van het bedrijf. 2. Een bord dat wordt geplaatst binnen een straal van een kilometer van het bedrijf: a. bevat geen handelsreclame; b. heeft een oppervlakte van maximaal 2 m2; en c. heeft een hoogte van maximaal 2,50 m vanaf het maaiveld.
Paragraaf 2.12.2.3 Algemene regels tijdelijke borden en spandoeken Artikel 2.12.2.3.1 Toegelaten tijdelijke borden en spandoeken 1. Een tijdelijk bord wordt alleen geplaatst als is voldaan aan de regels in deze paragraaf. 2. De regels in deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing op een tijdelijk spandoek. Artikel 2.12.2.3.2 Goede staat tijdelijke borden Een tijdelijk bord verkeert in goede staat. Artikel 2.12.2.3.3 Verkiezingsborden Een tijdelijk bord dat uitsluitend is bedoeld voor de verkiezing van een openbaar bestuur: a. wordt niet eerder geplaatst dan twee weken voor de verkiezingsdatum; b. is uiterlijk één week na de verkiezingsdatum verwijderd; c. bevat geen handelsreclame; en d. is niet verlicht. Artikel 2.12.2.3.4 Borden voor verkoop en verhuur 1. Ee tijdelijk ord dat ij of tege ee o roere de zaak is geplaatst oor het te koop , te huur of i pa ht aa iede a deze o roere de zaak: a. vermeldt deze feitelijke betekenis; en b. is niet verlicht. 2. Er worden bij niet meer dan twee borden per onroerende zaak geplaatst. Artikel 2.12.2.3.5 Borden bij bouwprojecten 1. Een tijdelijk bord bij een werk in uitvoering van infrastructurele bouwprojecten: a. staat er niet langer dan de duur van het werk; b. is geplaatst in de onmiddellijke nabijheid van het werk; en c. is niet verlicht. 2. Er worden bij infrastructurele bouwprojecten niet meer borden geplaatst dan: b.
twee per werk; c. in aanvulling daarop: één bord voor verkeersgeleiding per rijrichting; en d. vijf borden in totaal. 3. Een tijdelijk bord bij een werk in uitvoering bij overige bouwprojecten: 48
a. staat er niet langer dan de duur van het werk; en b. is niet verlicht. 4. Er worden bij overige bouwprojecten niet meer dan twee borden per werk geplaatst. Artikel 2.12.2.3.6 Borden voor wedstrijden, manifestaties, evenementen en tentoonstellingen 1. Een tijdelijk bord op een terrein waar een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling plaatsvindt: a. behoort niet tot de commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst; b. wordt niet eerder geplaatst dan twee weken voor de datum van de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling; c. is uiterlijk verwijderd één week na afloop van de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling; d. vermeldt de tijdelijkheid van de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling met een datumaanduiding op het bord; en e. is niet verlicht. 2. Een tijdelijk bord voor een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling die of dat slechts één keer per jaar plaatsvindt: a. behoort niet tot de commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst; b. wordt niet eerder geplaatst dan twee weken voor de datum van de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling; c. is uiterlijk verwijderd één week na afloop van de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling; d.
wordt geplaatst binnen de grenzen van de gemeente waar de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling wordt gehouden; e. wordt niet vaker dan één keer per jaar geplaatst; f. vermeldt de tijdelijkheid van de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling met een datumaanduiding op het bord; en g. is niet verlicht. 3. Voor een wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling die of dat slechts één keer per jaar plaatsvindt worden niet meer dan twee tijdelijke borden per wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling geplaatst. 4. Een tijdelijk bord voor een nationaal of internationaal evenement dat zich provinciegrensoverschrijdend verplaatst én dat niet vaker voorkomt dan één keer per jaar: a. wordt geplaatst op de route van het evenement tussen de start en de finish; b. wordt niet eerder geplaatst dan twee weken voor de datum van het evenement; c. is uiterlijk verwijderd één week na afloop van het evenement; d. vermeldt de tijdelijkheid van het evenement met een datumaanduiding op het bord; en e. is niet verlicht. Artikel 2.12.2.3.7 Borden voor de verkoop van agrarische producten 1. Voor de verkoop van agrarische producten worden maximaal drie tijdelijke borden geplaatst, waarvan maximaal twee direct bij het verkooppunt van het bedrijf en één binnen een straal van een kilometer van het bedrijf. 2.
Een tijdelijk bord dat wordt geplaatst binnen een straal van een kilometer van het bedrijf: a. bevat geen handelsreclame; b. heeft een oppervlakte van maximaal 2 m2; en c. heeft een hoogte van maximaal 2,50 m vanaf het maaiveld.
49
Artikel 2.12.2.3.8 Borden voor gedachten en gevoelens Een tijdelijk bord voor gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet: a. heeft een maximale oppervlakte van 2 m2; e. heeft een maximale hoogte van 2,50 meter boven het maaiveld; f. is niet verlicht; en g. bevat geen handelsreclame.
Paragraaf 2.12.2.4 Algemene regels vlaggen Artikel 2.12.2.4.1 Toegelaten vlaggen Een vlag wordt alleen geplaatst als is voldaan aan deze paragraaf. Artikel 2.12.2.4.2 Goede staat vlaggen Een vlag verkeert in goede staat. Artikel 2.12.2.4.3 Vlaggen over objecten of gebieden 1. Een vlag die informatie verschaft over een object of gebied: a. is geplaatst bij het object of gebied; b. bevat geen handelsreclame; en c. steekt niet meer dan 2 meter boven het object uit of is niet hoger dan 4 meter bij plaatsing bij een gebied. 2. Er worden niet meer dan vier vlaggen geplaatst per object of gebied. Artikel 2.12.2.4.4 Vlaggen voor beroep, bedrijf of dienst 1. Een vlag die betrekking heeft op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, uitgeoefend in een gebouw is geplaatst bij het gebouw of bij de inrit er naartoe. 2. Er worden maximaal 4 vlaggen geplaatst. 3. De vlag met vlaggenstok steekt niet meer dan 2 meter uit boven de nokhoogte van het gebouw. Artikel 2.12.2.4.5 Vlaggen voor meubilering of stoffering Een vlag die kennelijk behoort tot de meubilering of stoffering van een gebouw steekt niet meer dan 2 meter uit boven de nokhoogte van het gebouw. Artikel 2.12.2.4.6 Vlaggen voor wedstrijden, manifestaties, evenementen of tentoonstellingen Een vlag geplaatst op een terrein voor een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling: a.
heeft geen betrekking op de commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst; b. wordt niet eerder geplaatst dan twee weken voor de datum van de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling; en c. is uiterlijk één week na afloop van de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling verwijderd. Artikel 2.12.2.4.7 Vlaggen bij benzinestations of wegenwachtstations Een vlag geplaatst op het terrein van een benzinestation of ANWB Wegenwachtstation heeft direct betrekking op de aldaar uitgevoerde activiteiten.
50
Paragraaf 2.12.2.5 Algemene regels informatiezuil Artikel 2.12.2.5.1 Toegelaten informatiezuilen Een informatiezuil wordt alleen geplaatst als is voldaan aan deze paragraaf. Artikel 2.12.2.5.2 Goede staat informatiezuilen Een informatiezuil verkeert in goede staat. Artikel 2.12.2.5.3 Informatiezuilen over objecten of gebieden 1. Een informatiezuil die informatie verschaft over een object of gebied: a. verschaft feitelijke, verdiepende informatie over het object of gebied; b. bevat geen handelsreclame; c. is niet verlicht; d. is geplaatst direct bij het object of gebied waarop de informatie betrekking heeft; e. heeft een hoogte van maximaal 2 meter vanaf het maaiveld; en f. heeft een vierzijdige kolomvorm met een breedte van maximaal 0,50 meter. 2. Er wordt maximaal één informatiezuil geplaatst per object of gebied. 3. Het tweede lid geldt niet voor het Nationaal Park Oosterschelde.
Afdeling 2.13 Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden [gereserveerd]
Hoofdstuk 3 Omgevingswaarden en monitoring Afdeling 3.1 Omgevingswaarden Paragraaf 3.1.1 Omgevingswaarden regionale waterkeringen en wateroverlast Artikel 3.1.1.1 Omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen 1. Voor de veiligheid van regionale waterkeringen gelden de omgevingswaarden, bedoeld in de volgende leden. 2. Voor de dijktrajecten categorie A, die onder dagelijkse omstandigheden water keren, geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1/100 per jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend, en het behoud van tenminste de toestand overeenkomstig het vijfde lid. 3. Voor de dijktrajecten categorie B, met een compartimenteringsfunctie, geldt als omgevingswaarde het behoud van tenminste de toestand overeenkomstig het vijfde lid, met als ondergrens voor de kruinhoogte de afmetingen die zijn aangegeven in bijlage [PM]. 4. Voor de dijktrajecten categorie C, met een compartimenteringsfunctie, geldt als omgevingswaarde het behoud van tenminste de toestand overeenkomstig het vijfde lid, met als ondergrens voor de kruinhoogte de afmetingen die volgen uit het vijfde lid. 5. De omgevingswaarden, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid, zijn resultaatsverplichtingen.
Het waterschap draagt zorg voor de veiligheid van de regionale waterkeringen overeenkomstig de omgevingswaarden en tenminste de vorm en daarmee corresponderende afmetingen en toestand op 1 januari 2022, gelet op het technisch beheerregister en de legger van het waterschap. 51
6. Aan de omgevingswaarden wordt voldaan met ingang van 1 januari 2035, voor zover uit het verslag, bedoeld in artikel 3.2.1.1, derde lid, blijkt dat nog niet aan de omgevingswaarden is voldaan. Artikel 3.1.1.2 Uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen 1. Op het voldoen aan de omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen kan in het waterbeheerprogramma een uitzondering worden gemaakt. 2. Het eerste lid geldt voor gevallen waarin: a. het voldoen aan de omgevingswaarde onevenredig kostbaar is; b. door omstandigheden buiten de invloedssfeer van het waterschapsbestuur de resultaten van de beoordeling van de regionale waterkeringen zo wijzigen dat niet wordt of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde; of c. ondanks de verrichte handelingen daartoe niet binnen een passende termijn is of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde door de doorlooptijd van het treffen van maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarde. 3. Het waterschapsbestuur informeert gedeputeerde staten over het voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid en stelt hen vooraf in de gelegenheid tot een reactie. Artikel 3.1.1.3 Omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren 1.
Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht gelden de omgevingswaarden, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid. 2. Binnen stedelijk gebied, met inbegrip van daaraan grenzende aaneengesloten lintbebouwing, geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1/100 per jaar voor locaties ter plaatse van bouwwerken ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca. 3. Buiten stedelijk gebied geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1/25 per jaar voor locaties met akkerbouw of grasland. 4. Buiten stedelijk gebied geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1/50 per jaar voor locaties met glastuinbouw, groter dan 1 hectare. 5. De omgevingswaarden, bedoeld in het derde en vierde lid, gelden ook voor bouwwerken op de in deze leden bedoelde locaties. 6. De omgevingswaarden bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid zijn inspanningsverplichtingen. Het waterschap draagt zorg voor de instandhouding van de afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale watersysteem overeenkomstig, tenminste, de bestaande toestand op 1 januari 2022, gelet op het technisch beheerregister, de legger van het waterschap en het waterbeheerprogramma. 7.
Aan de omgevingswaarden wordt zo veel mogelijk voldaan met ingang van 1 januari 2028, voor zover uit het verslag bedoeld in artikel 3.2.1.2, blijkt dat nog niet aan de omgevingswaarden is voldaan. Artikel 3.1.1.4 Uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren 1. Op het voldoen aan de omgevingswaarden voor de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren kan in het waterbeheerprogramma een uitzondering worden gemaakt voor in dat programma aangewezen laaggelegen gebieden als bedoeld in bijlage II bij deze verordening. 2. Het eerste lid geldt voor gevallen waarin: a. het voldoen aan de omgevingswaarde voor dat gebied onevenredig kostbaar is; 52
b. door omstandigheden buiten de invloedssfeer van het waterschapsbestuur de resultaten van de beoordeling van de afvoer- en bergingscapaciteit zo wijzigen dat niet wordt of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde; of c. ondanks de verrichte handelingen daartoe niet binnen een passende termijn is of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde door de doorlooptijd van het treffen van maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarde. 3. Het waterschapsbestuur informeert gedeputeerde staten over het voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid en stelt hen vooraf in de gelegenheid tot een reactie.
Paragraaf 3.1.2 Geluid provinciale wegen Artikel 3.1.2.1 Aanwijzing wegen waarvoor een geluidproductieplafond geldt Voor alle openbare wegen in beheer bij de provincie worden geluidproductieplafonds vastgesteld.
Paragraaf 3.1.3 Geluid industrieterreinen Artikel 3.1.3.1 Aanwijzing industrieterreinen waarvoor een geluidproductieplafond geldt Als industrieterreinen als bedoeld in artikel 2.12a, eerste lid, van de wet, waarvoor bij besluit van provinciale staten als omgevingswaarden geluidproductieplafonds worden vastgesteld, worden aangewezen de volgende industrieterreinen: a. Arnestein; b. Vlissingen-Oost; c. Schelde/Buitenhaven; d. Terneuzen-West; e. Oostelijke kanaaloevers; f. Sluiskil-oost Kanaaleiland; g. Poel- en Ghellinckpolder; en h. Axelse Vlakte II.
Afdeling 3.2 Monitoring Paragraaf 3.2.1 Monitoring omgevingswaarden regionale waterkeringen en wateroverlast Artikel 3.2.1.1 Monitoring omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen 1. Monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 3.1.1.1, vindt plaats door periodieke bepaling van het waterkerend vermogen van de dijktrajecten in de actuele toestand door metingen, berekeningen en modellen volgens een methode die aansluit bij relevante landelijke leidraden. Het waterschap en gedeputeerde staten stemmen de methode van monitoring af. Artikel 10.8a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is, waar mogelijk, van overeenkomstige toepassing. 2. Het dagelijks bestuur van het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring. 3. Het dagelijks bestuur van het waterschap stelt, met ingang van 2023, ten minste iedere twaalf jaar een verslag op over de waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen, met inachtneming van artikel 20.14 van de wet. Het waterschap en gedeputeerde staten stemmen de methode van verslaglegging af. 4. Het dagelijks bestuur van het waterschap zendt het verslag aan gedeputeerde staten. 53
Artikel 3.2.1.2 Monitoring omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren 1. Monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 3.1.1.3, vindt plaats door periodieke bepaling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren in de actuele toestand door metingen, berekeningen en modellen volgens een methode die aansluit bij relevante landelijke leidraden. Het waterschap en gedeputeerde staten stemmen de methode van monitoring af. 2. Het dagelijks bestuur van het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring. 3. Het dagelijks bestuur van het waterschap stelt, met ingang van 2023, ten minste iedere vijf jaar een verslag op over de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren, met inachtneming van het bepaalde in artikel 20.14 van de wet. Het waterschap en gedeputeerde staten stemmen de methode van verslaglegging af. 4. Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 3.1.1.3, kan voor de gebieden, bedoeld in artikel 3.1.1.3, derde en vierde lid, een gedeelte van de totale oppervlakte van het peilgebied van 1% buiten beschouwing worden gelaten. 5. Het dagelijks bestuur van het waterschap zendt het verslag aan gedeputeerde staten.
Hoofdstuk 4 Toedeling van taken Afdeling 4.1 Vaarwegbeheer Paragraaf 4.1.1 Toedeling vaarwegbeheer Artikel 4.1.1.1 Toedeling vaarwegbeheer aan provincie en gemeenten 1. Het vaarwegbeheer van de provinciale vaarwegen het Kanaal door Walcheren en een gedeelte van het Kanaal door de Oude Arne, vanaf het Kanaal door Walcheren tot vijfentachtig meter na de Arnespoorbrug en de bijbehorende (voor)havens, oevers, oeverwerken, kunstwerken en alle overige toebehorende werken, berust bij gedeputeerde staten. 2. Het vaarwegbeheer van het havenkanaal in Goes berust bij burgemeester en wethouders van de gemeente Goes. 2. Het vaarwegbeheer van het havenkanaal in Zierikzee berust bij burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland.
Paragraaf 4.1.2 Onderhoud aan provinciale vaarwegen Artikel 4.1.2.1 Vaarwegonderhoud door gedeputeerde staten Gedeputeerde staten dragen zorg voor het onderhoud van de provinciale vaarwegen. Het onderhoud omvat: a. het houden of brengen van een vaarweg op de vastgestelde afmetingen; b. het in goede staat houden of brengen van de oevers en de oeverwerken, zodanig dat de instandhouding en de bruikbaarheid van de vaarweg gewaarborgd blijven; c. het schoonhouden van de vaarweg, met inbegrip van het afvoeren van vuil en waterplanten; en d. het verrichten van de werkzaamheden waardoor de goede staat en het functioneren van het werk, behorende bij de vaarweg, gewaarborgd blijven. Artikel 4.1.2.2 Onderhoudsplicht door anderen 54
In afwijking van artikel 4.1.2.1 is onderhoudsplichtig de natuurlijke of rechtspersoon die op grond van een wettelijk voorschrift, concessie, eigendom, overeenkomst of anderszins de verplichting heeft tot het onderhouden van een vaarweg of een daarbij behorend werk.
Afdeling 4.2 Natuur Paragraaf 4.2.1 Faunabeheereenheid Artikel 4.2.1.1 Eisen aan de faunabeheereenheid 1. Er is één faunabeheereenheid waarvan het werkgebied zich uitstrekt tot het grondgebied van de gehele provincie Zeeland. 2. De binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht vormen ten minste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van de faunabeheereenheid. 3. In een faunabeheereenheid werken jachthouders en maatschappelijke organisaties, die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de provincie Zeeland, samen ten behoeve van het opstellen en uitvoeren van het faunabeheerplan. 4. Bij of krachtens de statuten van de faunabeheereenheid worden de rechten en plichten opgenomen die de bij de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders hebben met betrekking tot de uitoefening van de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden en de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen. Artikel 4.2.1.2 Samenstelling bestuur faunabeheereenheid 1. In het bestuur van de faunabeheereenheid zit ten minste één vertegenwoordiger vanuit ieder van de volgende organisaties van jachthouders of jachtaktehouders, werkzaam binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid: a. agrariërs; b. verenigingen van jachtaktehouders; c.
particuliere grondeigenaren; en d. terreinbeherende organisaties. 2. Naast de vertegenwoordigers, bedoeld in het eerste lid, zit in het bestuur van de faunabeheereenheid een vertegenwoordiger van één of meer maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in Zeeland. Dit doel moet tot uitdrukking komen in de statuten van die maatschappelijke organisatie. 3. De in het eerste en tweede lid genoemde organisaties kunnen elk één vertegenwoordiger voordragen voor een bestuurszetel. In onderling overleg kan een kandidaat worden voorgedragen die namens meerdere organisaties deelneemt aan het bestuur van de faunabeheereenheid. 4. Het bestuur van de faunabeheereenheid heeft een onafhankelijke voorzitter die: a. geen dienstverband bij één van de in het bestuur vertegenwoordigde organisaties heeft; en b. geen bestuurslid van één van de in het bestuur vertegenwoordigde organisaties is. 5. Een voorzitter wordt voorgedragen door het bestuur van de faunabeheereenheid. 6. De voorzitter wordt benoemd door gedeputeerde staten.
Paragraaf 4.2.2 Wildbeheereenheden
55
Artikel 4.2.2.1 Omvang en begrenzing werkgebied wildbeheereenheid 1. Het werkgebied van een wildbeheereenheid heeft een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 5000 hectare binnen de provincie Zeeland. 2. Het werkgebied van een wildbeheereenheid overlapt niet met het werkgebied van een andere wildbeheereenheid. 3. De wildbeheereenheid maakt de begrenzing van het werkgebied bekend aan de faunabeheereenheid. 4. Zowel de wildbeheereenheid als de faunabeheereenheid publiceren de begrenzing van het werkgebied van de wildbeheereenheid op het internet. Artikel 4.2.2.2 Lidmaatschap wildbeheereenheid en geschillen 1. Het lidmaatschap van een wildbeheereenheid kan bij besluit van het bestuur van de betreffende wildbeheereenheid, het bestuur van de faunabeheereenheid gehoord, worden geweigerd of beëindigd, als het lid bij de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 11.63 van het Besluit activiteiten leefomgeving handelt in strijd met de voor deze activiteiten geldende regels. 2. De gezamenlijke wildbeheereenheden stellen een geschillenregeling vast voor geschillen, die betrekking hebben op het lidmaatschap van een wildbeheereenheid.
Artikel 4.2.2.3 Uitzondering lidmaatschap wildbeheereenheid Uitgezonderd van de verplichting om zich te organiseren in een wildbeheereenheid bedoeld in artikel 8.2, eerste lid, van de wet, zijn medewerkers van Staatsbosbeheer, de Vereniging Natuurmonumenten en de Stichting het Zeeuwse Landschap, als de organisatie die zij vertegenwoordigen zich heeft aangesloten bij een faunabeheereenheid en op grond daarvan deelneemt aan de gegevensverzameling, bedoeld in artikel 4.2.2.4, en de uitvoering van het faunabeheerplan. Artikel 4.2.2.4 Werkzaamheden wildbeheereenheid De wildbeheereenheid coördineert voor haar werkgebied de trendtellingen van diersoorten voor het faunabeheerplan en draagt zorg voor afschotregistratie en de registratie van dood gevonden dieren, onderverdeeld naar diersoort, voor het gehele werkgebied van de wildbeheereenheid.
Afdeling 4.3 Bijzondere bepalingen rechthebbenden
Hoofdstuk 5 Instructieregels Afdeling 5.1 Instructieregels aan gemeenten Paragraaf 5.1.1 Bedrijven Artikel 5.1.1.1 Bedrijven 1. In een omgevingsplan wordt een bedrijf alleen toegelaten op: a. grond waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening al een bedrijf is toegestaan; of b. op een bedrijventerrein van ten minste een hectare.
56
2. De motivering bij een omgevingsplan dat nieuwvestiging of uitbreiding van een bedrijventerrein mogelijk maakt, maakt aannemelijk dat: a. het plan bijdraagt aan of niet in strijd is met de doelstelling dat 80% van de bedrijvigheid regionaal wordt geclusterd op of aansluitend aan een grootschalig bedrijventerrein; en b. duurzaam beheer en onderhoud van het bedrijventerrein gewaarborgd is. 3. In een omgevingsplan kan uitbreiding van een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaand kleinschalig bedrijventerrein van ten minste een hectare worden toegelaten, als de motivering bij het omgevingsplan: a. aannemelijk maakt dat sprake is van een eenmalige beperkte afronding met ten hoogste 20% of 0,5 hectare; en b. de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert. 4. In afwijking van het derde lid kan een verdere uitbreiding van een bestaand kleinschalig en goed ontsloten bedrijventerrein van ten minste een hectare worden toegelaten, als: a. de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert; en b. de sanering en het voorkomen van heroprichting van bedrijven elders in de provincie Zeeland, met ten minste een gelijke oppervlakte als de uitbreiding, voor zover deze meer bedraagt dan 20% of 0,5 hectare, is gewaarborgd. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. grondstoffenwinning; b. olie en gaswinning; c.
waterwinning; d. afvalstort; e. een nutsvoorziening; f. een horeca- en recreatiebedrijf; g. een agrarisch bedrijf; h. de vestiging van een nieuwe economische drager als bedoeld in bijlage III; i. de mogelijkheid voor een niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied, niet zijnde een bedrijf gericht op de industriële verwerking van producten als bedoeld in bijlage III; j. energieopwekking als bedoeld in bijlage III; k. overige overeenkomstig deze verordening toegelaten bedrijvigheid; l. overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid, en m. solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied. 6. De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de vestiging van een nieuwe economische drager of een niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied maakt aannemelijk dat: a. deze wordt gerealiseerd binnen bestaande bebouwing op een bestaand bouwvlak of bij een bestaande woning; b. de capaciteit van het bestaande wegennet voldoende is voor de te realiseren activiteit; en c. de vestiging niet leidt tot beperkingen in de bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf. 7. In afwijking van het zesde lid is een uitbreiding van de bestaande bebouwing voor een nieuwe economische drager of een niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied toegestaan: a. met ten hoogste 20% met een maximum van 250 m2; of
57
b. een grotere uitbreiding als de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat dit per saldo niet leidt tot een toename van bebouwing. 8. In afwijking van het zesde lid, aanhef en onder a, is vestiging in nieuwe bebouwing toegestaan als de motivering bij een omgevingsplan aannemelijk maakt dat: a. nieuwvestiging leidt tot een versterking van het landschap; b. het aantal bouwvlakken in de regio niet toeneemt; c. het bouwvlak ten hoogste 1 hectare bedraagt; en d. de nieuwvestiging niet leidt tot beperkingen in de bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf. 9. In een omgevingsplan kan alleen worden voorzien in de realisatie van een installatie voor energieopwekking uit mest of afvalstoffen: a. op een bedrijventerrein van ten minste een hectare en bij het glastuinbouwconcentratiegebied op de Axelse Vlakte in de gemeente Terneuzen; of b. op een agrarisch bouwvlak, als de installatie maximaal 500 m3 bedraagt. 10. In afwijking van het negende lid, aanhef en onder b, is op een agrarisch bouwvlak een grotere installatie toegestaan als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de installatie qua omvang ter plaatse past en het karakter van het landelijk gebied niet onevenredig wordt aangetast.
Artikel 5.1.1.2 Binnenhaven en loswal Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bestaande binnenhaven of loswal staat alleen het beëindigen van de exploitatie van die binnenhaven of loswal toe als de bestaande overslag en watergebonden bedrijvigheid binnen 30 kilometer, gemeten over de weg, kan worden opgevangen. Artikel 5.1.1.3 Kantoren 1. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in de realisatie van een nieuw grootschalig, zelfstandig kantoor: a. in of direct aansluitend aan de binnenstad van Goes, Middelburg, Vlissingen en Terneuzen; b. op een locatie aan een toegangsweg naar het stadscentrum; c. op een locatie dichtbij een doorgaande weg; en d. op een locatie aan de stadsrand bij de toegangswegen. 2. De motivering bij het omgevingsplan maakt aannemelijk dat vestigingsruimte, onder andere gelet op specifieke vestigingseisen, in de centra ontbreekt.
Paragraaf 5.1.2 Detailhandel Artikel 5.1.2.1 Detailhandel-kernwinkelgebied 1. In een omgevingsplan kan een nieuwe detailhandelsvoorziening en uitbreiding van een bestaande detailhandelsvoorziening primair worden voorzien in een bestaand kernwinkelgebied. 2. De motivering bij het omgevingsplan bevat een onderbouwing van de wijze waarop het plan bijdraagt aan het beleidsdoel van bundeling en concentratie in een bestaand kernwinkelgebied. 3. In een omgevingsplan kan een nieuwe detailhandelsvoorziening en uitbreiding van een bestaande detailhandelsvoorziening alleen worden voorzien buiten een bestaand kernwinkelgebied als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het betreft detailhandel in volumineuze en gevaarlijke goederen; 58
b. het betreft een kleinschalige detailhandelsvoorziening in een woonkern zonder kernwinkelgebied, een buurtvoorziening of een kleinschalige voorziening op een verblijfsrecreatieterrein; of c. het betreft functioneel aan het buitengebied gebonden detailhandel, detailhandel als niet zelfstandig en ondergeschikt onderdeel van een bedrijf dan wel in de vorm van een nieuwe economische drager als bedoeld in artikel 5.1.1.1, vijfde lid, onder g tot en met k, en tuincentra voor zover vestiging daarvan wordt toegelaten aan de randen van kernen. Artikel 5.1.2.2 Detailhandel in doelgerichte, laagfrequente aankopen en grootschalige detailhandelsvoorzieningen 1. In een omgevingsplan kan een nieuwe detailhandelsvoorziening in doelgerichte, laagfrequente aankopen en een nieuwe grootschalige detailhandelsvoorziening worden voorzien in een bestaand kernwinkelgebied en binnen de begrenzing van de locaties: a. Zierikzee, Boerenweg; b. Poortvliet, Noord; c. Goes Marconiegebied; d. Middelburg, Mortiere; e. Terneuzen, Kennedylaan; of f. Hulst, Morres 2. In een omgevingsplan kan een nieuwe detailhandelsvoorziening in doelgerichte, laagfrequente aankopen en een nieuwe grootschalige detailhandelsvoorziening buiten een locatie als bedoeld in het eerste lid worden voorzien, als: a.
in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat binnen een locatie als bedoeld in het eerste lid geen ruimte beschikbaar is; en b. er sprake is van een locatie die passend gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer is ontsloten of als zodanig wordt ontwikkeld. 3. In een omgevingsplan kan een nieuwe detailhandelsvoorziening in doelgerichte, laagfrequente aankopen ook worden voorzien buiten een locatie als bedoeld in het eerste lid, als: a. er sprake is van een kleine op de lokale markt gerichte vestiging; b. de vestiging qua omvang en verkeersontsluiting noodzakelijk op enige afstand van het kernwinkelgebied plaatsvindt; en c. de vestiging plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied. Artikel 5.1.2.3 Detailhandel bij dagrecreatieve voorzieningen 1. In een omgevingsplan kan worden voorzien in een detailhandelsvoorziening ter ondersteuning van een dagrecreatieve voorziening als: a. de detailhandel inhoudelijk gerelateerd is aan de dagrecreatieve voorziening; en b. de omvang van de detailhandel maximaal 5% van het bruto vloeroppervlak van de voorziening bedraagt. 2. De omvang van de detailhandel voor het Zeeuws Evenementenpodium te Middelburg en de skihal te Terneuzen bedraagt, in afwijking van het eerste lid, ten hoogste 20% van het bruto vloeroppervlak.
Paragraaf 5.1.3 Wonen Artikel 5.1.3.1 Wonen-benutten bestaande bebouwing: rood voor rood 59
Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie in bestaande bebouwing in het landelijk gebied, als voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. er is sprake van verbetering, uitbreiding of verplaatsing van een bestaande individuele burgerwoning; b. er is sprake van benutten van een cultuurhistorisch waardevolle voormalige agrarische boerderij als bedoeld in bijlage VI; of c. er is sprake van benutten van bestaande buitenplaatsen en landgoederen. Artikel 5.1.3.2 Wonen-ruimte voor ruimte 1. Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie in het landelijk gebied, als voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. er is sprake van ongewenste of in onbruik geraakte bebouwing; b. alle bedrijfsbebouwing op het betrokken bouwperceel wordt gesloopt, tenzij het gaat om een cultuurhistorisch waardevolle voormalige agrarische boerderij; c. er worden maximaal 3 woningen op het betrokken bouwperceel gerealiseerd; en d. sloop en het voorkomen van heroprichting van de te slopen bebouwing worden gewaarborgd 2. De realisatie van een woning wordt gecompenseerd door het slopen van een oppervlak van ten minste: a. 500 m2 schuur; b. 0,5 ha glas; of c. andere bebouwing van een vergelijkbare grootte. 3.
Er kan worden afgeweken van de vereiste sloopoppervlakten, het aantal te bouwen woningen of van de verplichting het totaal aan bedrijfsbebouwing te slopen, als uit een financiële onderbouwing blijkt dat onvoldoende kostendragers kunnen worden gegenereerd voor de sloop van het betreffende object en dit aantoonbare meerwaarde oplevert voor het landschap. Artikel 5.1.3.3 Wonen-nieuwe bebouwing: rood voor groen Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie in de vorm van een landgoed of buitenplaats, als voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de maximale omvang van bebouwing bedraagt 900 m3 per hectare; b. de minimale oppervlakte van een landgoed of buitenplaats bedraagt 1,5 hectare; c. er kunnen meerdere gebouwen worden gerealiseerd, waarbij het bebouwingspercentage maximaal 3% bedraagt van de totale oppervlakte; d. maximaal 20% van de totale oppervlakte van een landgoed of buitenplaats mag aan de openbaarheid worden onttrokken; en e. de te realiseren landschapswaarden worden planologisch vastgelegd.
Paragraaf 5.1.4 Energie Artikel 5.1.4.1 Windenergie 1. Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een nieuwe windturbine, met een hogere tiphoogte dan 21 meter, binnen een globaal aa gege e i de ergie o e tratielo atie . 2. Buite ee glo aal aa gege e i de ergie o e tratielo atie ordt i ee omgevingsplan de vervanging van een, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, bestaande windturbine met een hogere tiphoogte dan 21 meter, door een turbine met een hogere tiphoogte dan de bestaande niet toegelaten. 60
3. Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een nieuwe windturbine op gronden die zij gelege uite ee i de ergie o e tratielo atie als: a. er sprake is van een ligging langs een grootschalige infrastructuurlijn; of b. er sprake is van een ligging op of grenzend aan een grootschalig bedrijventerrein. 4. De motivering bij het omgevingsplan waarin een nieuwe windturbine wordt toegelaten op gronden buite ee i de ergie o e tratielo atie aakt aa e elijk dat: a. omgevingskwaliteiten zich niet tegen de nieuwe concentratielocatie verzetten; en b. de windturbine is gesitueerd in een cluster of een lijnopstelling van ten minste drie windturbines. Artikel 5.1.4.2 Zonne-energie 1. Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie binnen bestaand stedelijk gebied. 2. Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie buiten bestaand stedelijk gebied op een locatie: a. grenzend aan bestaand stedelijk gebied; b. op of grenzend aan een bouwvlak; c. op of grenzend aan een bedrijventerrein; d. op of grenzend aan grond waarop glastuinbouw is toegestaan; e. op of grenzend aan grond waarop een nutsvoorziening, stortplaats, opstellingen voor zonne-energie of windenergie is toegestaan; f. op grond waarop infrastructuur is toegestaan; g. of op grond waarop water is toegestaan. 3.
De motivering bij een omgevingsplan waarin wordt voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie buiten bestaand stedelijk gebied maakt aannemelijk dat: a. de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan de inrichting of het gebruik van de grond, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met d; b. op grond waar water is toegestaan: er geen significant nadelige effecten zijn voor natuur, recreatie, waterkwaliteit of visserij; en c. de omgevingskwaliteiten zich niet tegen de opstelling van zonne-energie verzetten. 4. Op locaties waar op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een omgevingsplan, kan worden voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie, mag de afwijking van de regels niet worden vergroot.
Paragraaf 5.1.5 Recreatie en activiteiten op stranden Artikel 5.1.5.1 Verblijfsrecreatie in de kustzone 1. In een omgevingsplan wordt een nieuw verblijfsrecreatieterrein of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein alleen toegelaten in een badplaats. In de motivering bij het omgevingsplan wordt aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 1, onder B tot en met D, opgenomen uitgangspunten. 2. Als een gebied in een badplaats ook is aangewezen als aandachtsgebied, wordt in de motivering bij het omgevingsplan ook aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 2, opgenomen uitgangspunten. 3. Het eerste lid is niet van toepassing als, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, overeenkomstig het omgevingsplan de nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein al is toegelaten, met dien verstande dat de afwijking van de regels van deze verordening niet wordt vergroot. 61
4. In afwijking van het eerste lid kan een nieuw verblijfsrecreatieterrein buiten een badplaats worden toegelaten in een globaal aangegeven aandachtsgebied, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 2, opgenomen uitgangspunten. De motivering bij het omgevingsplan bevat een gebiedsafbakening waarin wordt onderbouwd dat het nieuwe verblijfsrecreatieterrein valt binnen het aandachtsgebied of, gezien de situeringskenmerken, in voldoende mate daarop aansluit. 5. Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een nieuw verblijfsrecreatieterrein dat gerealiseerd wordt in de vorm van een nieuw landgoed en buitenplaats als bedoeld in artikel 5.1.3.3. 6. In afwijking van het eerste lid kan uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten buiten een badplaats, met dien verstande dat: a. in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 1, A tot en met D, opgenomen uitgangspunten; b. uitbreiding in een globaal aangegeven Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebied en een beschermingsgebied niet wordt toegelaten; c.
de motivering bij het omgevingsplan een gebiedsafbakening bevat waarin wordt onderbouwd dat de uitbreiding van het verblijfsrecreatieterrein, gezien de situeringskenmerken, niet wordt gerealiseerd binnen een globaal aangegeven Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebied en beschermingsgebied. 7. In afwijking van het zesde lid, onder b en c, kan uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten in een beschermingsgebied als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet leidt tot nadelige gevolgen voor de kenmerken en waarden van dit gebied. 8. In afwijking van het zesde lid, onder b en c, kan uitbreiding van een bestaand verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten in een globaal aangegeven Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebied, als dit gebied ook in een aandachtsgebied valt en in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet leidt tot nadelige gevolgen voor de kenmerken en waarden van het Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebied. Artikel 5.1.5.2 Verblijfsrecreatie buiten de kustzone 1. In een omgevingsplan wordt een nieuw verblijfsrecreatieterrein of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein alleen toegelaten in bestaand stedelijk gebied. In de motivering bij het omgevingsplan wordt aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 3, A tot en met D, opgenomen uitgangspunten. 2.
Het eerste lid is niet van toepassing als, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, overeenkomstig een omgevingsplan, de nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein al is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet wordt vergroot. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een nieuw verblijfsrecreatieterrein dat gerealiseerd wordt in de vorm van een nieuw landgoed en buitenplaats als bedoeld in artikel 5.1.3.3. 4. In afwijking van het eerste lid kan uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied, met dien verstande dat in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 3, A tot en met D, opgenomen uitgangspunten. 5. In afwijking van het eerste lid kan een nieuw verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 4, opgenomen uitgangspunten. 62
Artikel 5.1.5.3 Strandzonering 1. Een omgevingsplan bevat geen regels die voorzien in bouwactiviteiten op een natuurstrand of recreatiestrand. 2. In afwijking van het eerste lid is verplaatsing van bestaande recreatieve bebouwing mogelijk als: a. er sprake is van verplaatsing vanaf een natuurstrand naar een recreatiestrand; b. er sprake is van verplaatsing binnen een recreatiestrand; of c. er sprake is van verplaatsing binnen een natuurstrand, en in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de omgevingskwaliteit zich daartegen niet verzet en dit niet leidt tot een verminderde doorstuiving van zand. 3. Op een natuurstrand bedraagt de oppervlakte van een strandpaviljoen ten hoogste 600 m2 en van een dagcabine 5 m2. 4. Op een recreatiestrand bedraagt de oppervlakte van een strandpaviljoen ten hoogste 1000 m2, van een slaaphuisje 40 m2 en van een dagcabine 5 m2. 5. Het eerste, derde en vierde lid zijn niet van toepassing als, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, de nieuwvestiging of uitbreiding van recreatieve bebouwing al is toegelaten in het omgevingsplan op voorwaarde dat de afwijking van de regels van deze verordening niet wordt vergroot. 6. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. reddingsbrigadegebouwen; en b.
bouwwerken van openbaar belang, voor zover deze bouwwerken niet buiten een natuur- of recreatiestrand kunnen worden gebouwd, waarbij als bouwwerk van openbaar belang in ieder geval worden aangemerkt bouwwerken voor: i. het beheer van natuur en water; ii. de waterstaatkundige functie; iii. telecommunicatievoorzieningen en hulpverleningsdiensten; en iv. opsporing, winning, opslag en transport van olie, gas en water, transport van elektriciteit en kleinschalige opwekking van elektriciteit met een windturbine. Artikel 5.1.5.4 Verbod permanent wonen 1. In een omgevingsplan waarin wordt voorzien in de realisatie van een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden regels opgenomen ter voorkoming van permanente bewoning. Deze regels worden ook opgenomen in volgende wijzigingen van het omgevingsplan. 2. Het eerste lid is ook van toepassing op de wijziging van een omgevingsplan waarin al regels zijn opgenomen ter voorkoming van permanente bewoning. Artikel 5.1.5.5 Centraal bedrijfsmatige exploitatie 1.
In een omgevingsplan waarin wordt voorzien in de realisatie van een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden regels opgenomen waarmee wordt verzekerd dat een standplaats die of bouwwerk dat wordt gebruikt voor recreatief nachtverblijf wordt verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie. Deze regels worden ook opgenomen in volgende wijzigingen van het omgevingsplan. 2. Het eerste lid is ook van toepassing op de wijziging van een omgevingsplan waarin al regels zijn opgenomen over een centraal bedrijfsmatige exploitatie. 63
3. Een ontheffing van het eerste lid wordt alleen verleend als: a. de ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen de begrenzing van de badplaatsen Cadzand-Bad, Breskens, Vlissingen, Zoutelande, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle, Vrouwenpolder, Burg-Haamstede en Renesse; b. de ontwikkeling onderdeel uit maakt van een bredere visie op de desbetreffende badplaats en een bijdrage levert aan het versterken van de leefbaarheid, de ruimtelijke kwaliteit en de herstructurering van de desbetreffende badplaats; en c. aan de ontwikkeling een actuele prognose ten grondslag ligt op basis waarvan de specifieke behoefte aan deeltijdwonen wordt aangetoond. 4. Een omgevingsplan voor een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein bevat regels die duurzaam beheer en onderhoud van het terrein borgen. Artikel 5.1.5.6 Kleinschalig kamperen 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een kleinschalig kampeerterrein bevat regels die waarborgen dat niet meer dan 25 kampeermiddelen worden toegelaten, waarvan ten hoogste 20% permanent zijn. 2. Het eerste lid geldt niet voor bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is vereist. 3.
In afwijking van het eerste lid mag de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande situatie, voor zover die niet in overeenstemming is met het eerste lid, worden gecontinueerd. Artikel 5.1.5.7 Jachthavens en watersport 1. In een omgevingsplan wordt een nieuwe ligplaats primair voorzien in een bestaande jachthaven. 2. De motivering bij het omgevingsplan maakt aannemelijk dat: a. het plan bijdraagt aan het beleidsdoel van kwaliteitsverbetering, voorkomen van overaanbod en innovatie van een bestaande jachthaven; en b. omgevingskwaliteiten zich niet tegen de nieuwe ligplaats verzetten. Artikel 5.1.5.8 Lawaaisporten, gemotoriseerde luchtsporten en landingsplaatsen 1. Een omgevingsplan kan slechts voorzien in de nieuwvestiging of uitbreiding van lawaaisporten, gemotoriseerde luchtsporten en landingsplaatsen voor parachutisten, als: a. in de motivering van het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van verplaatsing om een betere concentratie of een beperking van geluidsoverlast te bereiken; b. het gaat om de vestiging van een kartbaan in of aansluitend aan het concentratiegebied voor lawaaisporten bij de landelijke bebouwingsconcentratie Bath; c.
het gaat om het toelaten van start- en landingsplaatsen voor modelvliegtuigen op gronden die op tenminste 500 meter liggen van de gebieden die behoren tot het natuurnetwerk Nederland, anders dan binnendijken; of d. er sprake is van een evenement, anders dan de reguliere beoefening van gemotoriseerde luchtsporten of regulier gebruik van landingsplaatsen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, de vestiging of uitbreiding van de in het eerste lid bedoelde sporten al is
64
toegelaten in het omgevingsplan, op voorwaarde dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet wordt vergroot.
Paragraaf 5.1.6 Agrarische activiteiten Paragraaf 5.1.6.1 Omgevingsplan Artikel 5.1.6.1.1 Concentratie agrarische bebouwing 1. In een omgevingsplan kan een nieuw agrarisch bouwwerk alleen worden voorzien in het voor een agrarisch bedrijf aangewezen bouwvlak. 2. Buiten het voor een agrarisch bedrijf aangewezen bouwvlak kan in een omgevingsplan alleen worden voorzien in: a. een sleufsilo en kuilvoerplaat aansluitend aan een bouwvlak; b. tijdelijke mestopslag op een veldkavel; c. als onderdeel van een agrarisch bedrijf, een teelt ondersteunende voorziening en een bassin ten behoeve van aquacultuur; d. een kleinschalig bouwwerk als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat deze noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. 3. In afwijking van het eerste lid mag de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande situatie, voor zover die niet in overeenstemming is met het eerste lid, worden gecontinueerd. Artikel 5.1.6.1.2 Bufferzones 1. In een omgevingsplan waarin voor de eerste maal een woning of verblijfsrecreatie is toegelaten worden de volgende afstanden in acht genomen: a. 100 meter tot buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde grond waarop een agrarisch gebouw anders dan een kas is toegelaten; b.
50 meter vanaf een buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde kas, en, primair vanaf een daarvoor aangewezen bouwvlak alsmede vanaf buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde grond waarop fruitteelt is toegelaten. 2. In een omgevingsplan waarin voor de eerste maal op buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde grond een agrarisch gebouw, anders dan een kas, wordt toegelaten wordt dit gebouw niet toegelaten binnen een afstand van 100 meter tot grond waarop een woning of verblijfsrecreatie is toegelaten. 3. In een omgevingsplan waarin voor de eerste maal op buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde grond de nieuwbouw van een kas wordt toegelaten en in een omgevingsplan waarin het gebruik voor fruitteelt wordt toegelaten op buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde grond die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet als zodanig in gebruik was, wordt een afstand in acht genomen van 50 meter tot grond waarop een woning of verblijfsrecreatie is toegelaten. 4. In afwijking van het eerste tot en met het derde lid kan een kleinere afstand worden gehanteerd als in de motivering van het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat geen of nagenoeg geen schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid zullen optreden en de kleinere afstand niet leidt tot onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van de betrokken agrarische bedrijven.
65
Artikel 5.1.6.1.3 Glastuinbouw 1. Een omgevingsplan kan slechts voorzien in de nieuwvestiging of uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf, als: a. de ontwikkeling plaatsvindt in het glastuinbouwgebied Terneuzen; b. de ontwikkeling plaatsvindt in of aansluitend aan het glastuinbouwgebied Oosterland, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat: i. er sprake is van een beperkte ontwikkeling; ii. inbreidingsruimte wordt benut voorafgaand aan of in plaats van het benutten van uitbreidingsruimte; en iii. er sprake is van een eindbeeld van het glastuinbouwgebied; c. het gaat om het toevoegen van een neventak glastuinbouw van ten hoogste 2000 m2 bij een bestaand agrarisch bedrijf, anders dan een glastuinbouwbedrijf, en in de motivering van het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten; of d. er sprake is van uitbreiding van een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaand solitair volwaardig glastuinbouwbedrijf tot ten hoogste 2 hectare, als in de motivering van het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten. 2.