RVS reactie voorontwerp Zeeuwse Omgevingsvisie bijlage 4 voorontwerp Omgevingsverordening
Tekst van het document
Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden vaste of vloeibare schadelijke stoffen op te slaan, over te slaan, te vervoeren of op of in de bodem te brengen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.3.1.3.1.
Paragraaf 2.3.1.4 Grond en baggerspecie Artikel 2.3.1.4.1 Vergunning grond of baggerspecie 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden zonder omgevingsvergunning: a. grond of baggerspecie toe te passen dat niet voldoet aan de kwaliteitsklasse wonen; b. grond of baggerspecie toe te passen dat niet voldoet aan de achtergrondwaarde als het wordt toegepast in het duingebied; c. meer dan één partij ingezamelde of afgegeven grond of baggerspecie op te slaan bij een grondbank of grondreinigingsbedrijf; of d. grond of baggerspecie te bewerken.
21
Artikel 2.3.1.4.2 Meldplicht grond of baggerspecie 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden grond of baggerspecie toe te passen, op te slaan of te bewerken zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.3.1.4.1.
Paragraaf 2.3.1.5 Meststoffen Artikel 2.3.1.5.1 Verbod meststoffen 1. Het is in een waterwingebied verboden: a. een installatie aan te leggen of te gebruiken voor het behandelen van dierlijke meststoffen en het opslaan en overslaan van meststoffen op een andere locatie dan de locatie van productie; b. dierlijke meststoffen op of in de bodem te brengen; c. dierlijke meststoffen te verspreiden voor beweiding in duingebied. 2. Het verbod geldt niet voor normaal landbouwkundig gebruik van anorganische meststoffen. Artikel 2.3.1.5.2 Vergunning meststoffen 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden zonder omgevingsvergunning plantaardige meststoffen op of in de bodem te brengen. 2. Het verbod geldt niet voor normaal landbouwkundig gebruik van anorganische meststoffen. 3. Het verbod geldt niet in waterwingebieden, die buiten het duingebied liggen, voor de verspreiding van meststoffen ten behoeve van beweiding. Artikel 2.3.1.5.3 Meldplicht meststoffen 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden meststoffen op of in de bodem te brengen of een installatie aan te leggen of te gebruiken voor het behandelen van dierlijke meststoffen of het opslaan en overslaan van meststoffen op een andere locatie dan de locatie van productie zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden. 2.
Het is in een grondwaterbeschermingszone verboden dierlijke meststoffen, anders dan drijfmest te gebruiken, als dat plaatsvindt overeenkomstig paragraaf 3.2.20 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 3. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden of als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.3.1.5.1 of 2.3.1.5.2.
Paragraaf 2.3.1.6 Vuurwerk en explosieven Artikel 2.3.1.6.1 Verbod vuurwerk en explosieven 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden: a. vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op te slaan, over te slaan, te herverpakken of te bewerken; b. ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 voor civiel gebruik op te slaan of toe te passen; of c. ontplofbare stoffen op een terrein als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving op te slaan, te bewerken of te gebruiken. 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a, geldt niet voor de opslag, overslag, herverpakking of bewerking van vuurwerk van categorie F1 in een hoeveelheid van minder dan 200 kg of categorie F2 en F3 in een hoeveelheid minder dan 25 kg. 3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder b, geldt niet voor de opslag van een vuurwerkverkooplocatie tot een hoeveelheid van 10.000 kg. Artikel 2.3.1.6.2 Meldplicht vuurwerk en explosieven 22
1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden vuurwerk of explosieven op te slaan, over te slaan, te herverpakken, te bewerken of te gebruiken zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden in artikel 2.3.1.6.1.
Paragraaf 2.3.1.7 Afvalstoffen Artikel 2.3.1.7.1 Verbod afvalstoffen 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden afvalstoffen op te slaan, over te slaan, in te zamelen, te verwerken, te mengen of in de bodem te brengen, te verbranden of afvalstoffen voor hergebruik of recycling voor te bereiden of te behandelen, met inbegrip van het inzamelen of demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen: a. anders dan voor grond-, weg- of waterbouw; of b. als het gevaarlijke afvalstoffen betreft. 2. Het verbod geldt niet voor: a. de opslag van huishoudelijke afvalstoffen op een door de gemeente beschikbaar gestelde locatie in de openbare ruimte en opslag bij woningen in daarvoor bestemde vuilcontainers; of b. tijdelijke opslag van bedrijfsafval op de locatie van productie in daarvoor bestemde vuilcontainers, voorafgaand aan inzameling. Artikel 2.3.1.7.2 Vergunning afvalstoffen 1.
Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden zonder omgevingsvergunning afvalstoffen, anders dan gevaarlijke afvalstoffen, in het kader van grond-, weg- of waterbouw op te slaan, over te slaan, in te zamelen, te verwerken, te mengen of in de bodem te brengen, te verbranden of afvalstoffen voor hergebruik of recycling voor te bereiden of te behandelen, met inbegrip van het inzamelen of demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen, als het gaat om de nuttige toepassing van afvalstoffen. 2. Het verbod geldt niet voor: a. de opslag van huishoudelijke afvalstoffen op een door de gemeente beschikbaar gestelde locatie in de openbare ruimte en opslag bij woningen in daarvoor bestemde vuilcontainers; of b. tijdelijke opslag van bedrijfsafval op de locatie van productie in daarvoor bestemde vuilcontainers, voorafgaand aan inzameling. Artikel 2.3.1.7.3 Meldplicht afvalstoffen 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden afvalstoffen op te slaan, over te slaan, in te zamelen, te verwerken, te mengen of in de bodem te brengen, te verbranden of afvalstoffen voor hergebruik of recycling voor te bereiden of te behandelen, met inbegrip van het inzamelen of demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden of als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.3.1.7.1 of 2.3.1.7.2.
Paragraaf 2.3.1.8 Lozingen in of op de bodem Artikel 2.3.1.8.1 Verbod lozingen 1. Het is in een waterwingebied verboden lozingen in of op de bodem te verrichten. 2. Het verbod geldt niet: 23
a. voor lozingen waarbij ter plaatse opgepompt grondwater in dezelfde bodemlaag wordt gebracht als waar het uit afkomstig is, en: 1. waaraan geen schadelijke stoffen zijn toegevoegd; 2. de concentratie aan schadelijke stoffen niet is toegenomen door een bewerking; en 3. waaraan geen warmte is toegevoegd; b. voor het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebracht materiaal; c. voor het reinigen van een landbouwvoertuig of andere machine op een landbouwbedrijf als die machine niet wordt gebruikt voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden; d. op of in een vloeiveld, bezinkveld of een veld met gewassen; of e. in verband met het opspuiten van terreinen met het oog op het bouwrijp maken onder de voorwaarde dat een deklaag met slecht-doorlatende eigenschappen ter plaatse aanwezig is. Artikel 2.3.1.8.2 Vergunning lozingen 1. Het is in een grondwaterbeschermingszone verboden zonder omgevingsvergunning lozingen in of op de bodem te verrichten. 2. Het verbod geldt niet: a. voor lozingen waarbij ter plaatse opgepompt grondwater in dezelfde bodemlaag wordt gebracht als waar het uit afkomstig is, en: 1. waaraan geen schadelijke stoffen zijn toegevoegd; b. de concentratie aan schadelijke stoffen niet is toegenomen door een bewerking; en c. waaraan geen warmte is toegevoegd; b. voor het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebracht materiaal; c.
voor het reinigen van een landbouwvoertuig of andere machine op een landbouwbedrijf als die machine niet wordt gebruikt voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden; d. op of in een vloeiveld, bezinkveld of een veld met gewassen; of e. in verband met het opspuiten van terreinen met het oog op het bouwrijp maken onder de voorwaarde dat een deklaag met slecht-doorlatende eigenschappen ter plaatse aanwezig is. Artikel 2.3.1.8.3 Meldplicht lozingen 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden lozingen te verrichten in of op de bodem zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden of als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.3.1.8.1 of 2.3.1.8.2.
Paragraaf 2.3.1.9 Infrastructuur Artikel 2.3.1.9.1 Vergunning infrastructuur 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden de volgende werken aan te leggen of gebruiken: a. een weg of terrein dat open staat voor gemotoriseerd verkeer, met in begrip van terreinen voor het sporten of recreëren met gemotoriseerde voertuigen; of b. een spoorweg. 2. Het verbod geldt in grondwaterbeschermingszones niet voor het aanleggen of gebruiken van een weg met een verkeersintensiteit van minder dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal. Artikel 2.3.1.9.2 Meldplicht infrastructuur
24
Het is in een grondwaterbeschermingszones verboden een weg met een verkeersintensiteit van minder dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal aan te leggen of te gebruiken zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Paragraaf 2.3.1.10 Buisleidingen Artikel 2.3.1.10.1 Vergunning buisleiding Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden zonder omgevingsvergunning een buisleiding voor het doorvoeren van schadelijke stoffen aan te leggen of te gebruiken.
Paragraaf 2.3.1.11 Recreatieterrein, anders dan een camping Artikel 2.3.1.11.1 Vergunning recreatieterrein, anders dan een camping Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden zonder omgevingsvergunning een recreatieterrein, anders dan een camping, aan te leggen of te gebruiken.
Paragraaf 2.3.1.12 Begraafplaatsen Artikel 2.3.1.12.1 Verbod begraafplaatsen Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden een begraafplaats, een terrein voor de uitstrooiing van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats aan te leggen of te gebruiken.
Paragraaf 2.3.1.13 Bouwwerken Artikel 2.3.1.13.1 Vergunning bouwwerken 1. Het is in een waterwingebied verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of te gebruiken. 2. Het is in een grondwaterbeschermingszone verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of te gebruiken als slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen worden aangetast. 3. Het verbod geldt niet voor gewoon onderhoud aan bouwwerken. Artikel 2.3.1.13.2 Meldplicht bouwwerken 1. Het is in een grondwaterbeschermingszone verboden een bouwwerk te bouwen of te gebruiken zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplicht is aangewezen in artikel 2.3.1.13.1.
Paragraaf 2.3.1.14 Mijnbouw of bodemenergiesysteem Artikel 2.3.1.14.1 Verbod aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk of bodemenergiesysteem Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden een mijnbouwwerk of bodemenergiesysteem aan te leggen of te exploiteren.
25
Paragraaf 2.3.1.15 Opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie Artikel 2.3.1.15.1 Verbod opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden een opslagtank voor de opslag van schadelijke stoffen aan te leggen of te gebruiken, voor zover het gaat om: a. de opslag in opslagtanks voor handelsdoeleinden; b. het voorafgaand aan vervoer opslaan van chemicaliën of brandstoffen in opslagtanks; of c. de opslag in ondergrondse opslagtanks. 2. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden een tankinstallatie voor het aftanken van gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen, spoorvoertuigen, vliegtuigen of andere werktuigen aan te leggen of te gebruiken. 3. Het is in een waterwingebied verboden: a. een stookinstallatie aan te leggen of te gebruiken, anders dan voor een huishouden; b. een koelinstallatie van met meer dan 10 kg kooldioxide, 5 kg koolwaterstoffen of 10 kg ammoniak aan te leggen of te gebruiken; of c. materialen, eindproducten of halffabricaten te maken met behulp van: i. een stookinstallatie met een nominaal vermogen van meer dan 400 kW; ii. een koelinstallatie met meer dan 300 kg koudemiddel; of iii. een oplosmiddeleninstallatie. 4.
Het is in een grondwaterbeschermingszone verboden organisch-chemische producten, anorganische-chemische producten, fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen, producten voor gewasbescherming of biociden, farmaceutische producten of explosieven te maken met behulp van: a. een stookinstallatie met een nominaal vermogen van meer dan 400 kW; b. een koelinstallatie met meer dan 300 kg koudemiddel; of c. een oplosmiddeleninstallatie. Artikel 2.3.1.15.2 Vergunning opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden zonder omgevingsvergunning een opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie of oplosmiddeleninstallatie aan te leggen of te gebruiken voor zover artikel 2.3.1.15.1, eerste lid, niet van toepassing is. 2. Het is een grondwaterbeschermingszone verboden zonder omgevingsvergunning: a. een stookinstallatie aan te leggen of te gebruiken; of b. een koelinstallatie met meer dan 10 kg kooldioxide, 5 kg koolwaterstoffen of 10 kg ammoniak aan te leggen of te gebruiken. 3. Het is in een grondwaterbeschermingszone verboden zonder omgevingsvergunning materialen, eindproducten en of halffabricaten te maken voor zover artikel 2.3.1.15.1, derde lid, niet van toepassing is.
Artikel 2.3.1.15.3 Meldplicht opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden een opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie of oplosmiddeleninstallatie aan te leggen of te gebruiken zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
26
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden of als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.3.1.15.1 of 2.3.1.15.2.
Paragraaf 2.3.1.16 Productie van papier, karton of hout Artikel 2.3.1.16.1 Verbod productie van papier, karton of hout 1. Het is in een grondwaterbeschermingszone verboden papierpulp, papier of karton te maken of hout of houtproducten te conserveren met chemische stoffen. 2. Het verbod geldt niet voor activiteiten die alleen worden verricht: a. bij een huishouden; b. bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis; c. voor educatieve doeleinden; of d. als dit onderdeel uitmaakt van bosbouw of natuurbeheer. Artikel 2.3.1.16.2 Meldplicht productie van papier, karton of hout 1. Het is in een grondwaterbeschermingszone verboden papierpulp, papier of karton te maken of hout of houtproducten te conserveren met chemische stoffen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden in artikel 2.3.1.16.1.
Paragraaf 2.3.1.17 Drukkerijen Artikel 2.3.1.17.1 Verbod drukkerijen 1. Het is in een grondwaterbeschermingszone verboden materialen met zeefdruk of illustratiediepdruk te bedrukken. 2. Het verbod geldt niet als deze activiteiten alleen worden verricht: a. bij een huishouden; b. bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis; of c. voor educatieve doeleinden. Artikel 2.3.1.17.2 Meldplicht drukkerijen 1. Het is in een grondwaterbeschermingszone verboden materialen met zeefdruk of illustratiediepdruk te bedrukken zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden in artikel 2.3.1.17.1.
Paragraaf 2.3.1.18 Reinigingsactiviteiten Artikel 2.3.1.18.1 Verbod reinigingsactiviteiten 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden: a. een opslagtank of verpakking waarin schadelijke stoffen zijn opgeslagen inwendig te reinigen op een andere locatie dan de locatie waarop de opslagtanks stonden of de verpakkingen zijn gebruikt; b. voertuigen, opleggers, aanhangers, tankcontainers of bulkcontainers waarin schadelijke stoffen zijn vervoerd inwendig te reinigen; c. een gemotoriseerd voertuig of werktuig, autobus, spoorvoertuig of vliegtuig te onderhouden, repareren of schoonmaken; of d. een verbrandingsmotor of gasturbine te reviseren. 2. Het verbod geldt niet voor: 27
a. het onderhouden en repareren van een landbouwvoertuig of machine op een landbouwbedrijf; en b. het schoonmaken van een landbouwvoertuig of machine op een landbouwbedrijf, als dat landbouwvoertuig of die machine niet is gebruikt voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden. Artikel 2.3.1.18.2 Vergunning chemisch reinigen textiel Het is in een grondwaterbeschermingszone verboden zonder omgevingsvergunning textiel chemisch te reinigen. Artikel 2.3.1.18.3 Meldplicht reinigingsactiviteiten Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden de activiteiten, bedoeld in artikel 2.3.1.18.1, tweede lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Paragraaf 2.3.1.19 Seveso-inrichting en andere installaties Artikel 2.3.1.19.1 Verbod installaties Het is in een grondwaterbeschermingszone verboden een activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een installatie als bedoeld in bijlage IX. Artikel 2.3.1.19.2 Vergunning Seveso-inrichting en andere installaties Het is in een grondwaterbeschermingszone verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit, voor zover het gaat over een installatie, anders dan bedoeld in bijlage IX, of een Seveso-inrichting, te verrichten.
Paragraaf 2.3.1.20 Locatiegebonden bedrijfsmatige milieubelastende activiteiten Artikel 2.3.1.20.1 Verbod locatiegebonden bedrijfsmatige milieubelastende activiteiten Het is in een waterwingebied verboden locatiegebonden bedrijfsmatige milieubelastende activiteiten uit te voeren.
Paragraaf 2.3.2 Stiltegebieden Artikel 2.3.2.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten in stiltegebieden A, stiltegebieden B en invloedsgebieden. Artikel 2.3.2.2 Oogmerk stiltegebied De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behouden van stilte en het voorkomen en beperken van geluidbelasting ter beschermen van een stiltegebied. Artikel 2.3.2.3 Doelstelling voor het geluidsniveau in stiltegebieden De regels in paragraaf 2.3.2 zijn gericht op het bereiken en behouden van de volgende doelstelling: 1. in Stiltegebied A een gemiddeld geluidsniveau LAeq van ten hoogste 40 dB(A) in de dag-, avond en nachtperiode; en 2. in Stiltegebied B een gemiddelde geluidsniveau LAeq van bij voorkeur 40 dB(A) maar ten hoogste 48 dB(A) in de dag-, avonden nachtperiode. Artikel 2.3.2.4 Specifieke zorgplicht 1. Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het stiltegebied, is verplicht:
28
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Voor milieubelastende activiteiten in een stiltegebied houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen verstoring van het stiltegebied worden getroffen; b. de beste beschikbare technieken worden toegepast; en c. geen significante verstoring wordt veroorzaakt. Artikel 2.3.2.5 Verbod voor waterscooters en andere aangewezen toestellen Het is verboden met waterscooters te varen. Artikel 2.3.2.6 Vergunning gebruik muziekinstrument of vergelijkbaar geluidsapparaat in stiltegebieden 1. Het is in een stiltegebied verboden zonder omgevingsvergunning een muziekinstrument of ander vergelijkbaar geluidsapparaat te gebruiken. 2. Het verbod geldt niet voor een muziekinstrument of ander vergelijkbaar geluidsapparaat dat wordt gebruikt binnen 50 meter van een woonhuis als het geluidsniveau 35 dB(A) is op een afstand van meer dan 50 meter van dit apparaat. Artikel 2.3.2.7 Vergunning gebruik motorrijtuig buiten openbare weg in stiltegebieden 1.
Het is in een stiltegebied verboden zonder omgevingsvergunning een motorrijtuig te gebruiken buiten: a. openbare wegen die open staan voor gemotoriseerd verkeer; en b. andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen. 2. Het verbod geldt niet voor het gebruik van een motorrijtuig: a. bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; b. door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie; c. voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; of d. voor het vervoer van een mindervalide in een gehandicaptenvoertuig. Artikel 2.3.2.8 Vergunning gebruik vaartuig of luchtkussenvoertuig in stiltegebieden 1. Het is in een stiltegebied verboden zonder omgevingsvergunning een vaartuig, anders dan een waterscooter, of luchtkussenvoertuig te gebruiken. 2. Het verbod geldt niet voor het gebruik van een vaartuig of luchtkussenvoertuig: a. op andere wateren dan Deltawateren met een snelheid van minder dan 6 kilometer per uur; b. zonder verbrandings- of explosiemotor; c. voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; d. bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; of e. voor de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid. Artikel 2.3.2.9 Vergunning vuurwerk gebruiken in stiltegebieden 1.
Het is in een stiltegebied verboden zonder omgevingsvergunning vuurwerk te gebruiken. 2. Het verbod geldt niet voor: a. het gebruik van vuurwerk dat noodzakelijk is voor het oproepen van personen; 29
b. het gebruik van vuurwerk voor het afwenden van dreigend gevaar; of c. het gebruik van consumentenvuurwerk op een afstand van minder dan 50 m van het eigen woonhuis, ter gelegenheid van de jaarwisseling gedurende de in het Vuurwerkbesluit aangewezen periode. Artikel 2.3.2.10 Vergunning gebruik airgun of ander knalapparatuur in stiltegebieden 1. Het is in een stiltegebied verboden zonder omgevingsvergunning een airgun of andere knalapparatuur te gebruiken. 2. Het verbod geldt niet voor beheer en schadebestrijding met knalapparatuur, waarbij het aantal knallen maximaal 3 per uur is. Als er binnen 300 meter nog een knalapparaat in gebruik is, geldt voor deze apparaten samen het maximum van 3 knallen per uur. Artikel 2.3.2.11 Vergunning gebruik motorisch aangedreven werktuig in stiltegebieden Het is in een stiltegebied verboden zonder omgevingsvergunning een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen te gebruiken voor seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen. Artikel 2.3.2.12 Vergunning voor gebruik van geluidsapparatuur in stiltegebieden 1. Het is in een stiltegebied verboden zonder omgevingsvergunning een omroepinstallatie, sirene, hoorn of ander vergelijkbaar toestel bestemd voor het versterken of voortbrengen van geluid te gebruiken. 2. Het verbod geldt niet voor het gebruik voor: a.
de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; b. het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; of c. de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid. Artikel 2.3.2.13 Vergunning gebruik modelvliegtuig, modelboot en modelauto in stiltegebieden 1. Het is in een stiltegebied verboden zonder omgevingsvergunning voor een modelvliegtuig, modelboot, modelauto of RPAS (drones) te gebruiken. 2. Het verbod geldt niet voor: a. een modelvliegtuig, modelboot of modelauto zonder een verbrandingsmotor; of b. het gebruik van een RPAS (drones) voor: i. de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; ii. het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; of iii. de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid. Artikel 2.3.2.14 Vergunning gebruik vuurwapen in stiltegebieden 1. Het is in een stiltegebied verboden zonder omgevingsvergunning een vuurwapen te gebruiken. 2. Het verbod geldt niet voor het gebruik van een vuurwapen: a. door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie; of in geval van nood; of b. voor activiteiten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 2.3.2.15 Vergunning toertocht voor motorrijtuigen of bromfietsen in stiltegebieden 1.
Het is in een stiltegebied verboden zonder omgevingsvergunning een toertocht voor motorrijtuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen. 2. Het verbod geldt niet voor een toertocht met elektrisch aangedreven motorrijtuigen.
30
Artikel 2.3.2.16 Aanwijzing omgevingsvergunningvrije activiteiten De artikelen 2.3.2.5 tot en met 2.3.2.15 gelden niet voor: a. land-, tuin, bosbouw en beroepsmatige visserij; b. het onttrekken van grondwater voor de winning voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water in een aangewezen grondwaterbeschermingsgebied; en c. beroepsscheepvaart. Artikel 2.3.2.17 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning stiltegebieden Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de activiteit, de locatie, de datum en tijd van de activiteit; b. een kaart waarop de plaats van activiteit is aangegeven; c. een onderzoek naar de akoestische gevolgen van de activiteit overeenkomstig de Omgevingsregeling; d. de aard van het geluid en de mogelijkheden het geluid te beperken; e. een omschrijving van nut en noodzaak van het te gebruiken toestel of uit te voeren activiteit; en f. tijdsduur en periode waarbinnen het te gebruiken toestel of de activiteit zich afspeelt. Artikel 2.3.2.18 Beoordelingsregels omgevingsvergunning stiltegebieden 1. Een omgevingsvergunning voor een activiteit binnen stiltegebied A wordt slechts verleend, voor zover zwaarwegende maatschappelijke belangen daartoe dwingen en alternatieven buiten stiltegebied A ontbreken. 2.
Een omgevingsvergunning voor een activiteit in stiltegebied B wordt slechts verleend, als rekening is gehouden met het karakter van het stiltegebied. Artikel 2.3.2.19 Intrekken vergunning De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als het belang van de heersende natuurlijke rust in een stiltegebied en invloedgebied dit vereist.
Afdeling 2.4 Ontgrondingen op land en in regionale wateren Artikel 2.4.1 Oogmerk De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de doelmatige uitoefening van taken en bevoegdheden. Artikel 2.4.2 Vergunningvrije gevallen van ontgrondingsactiviteiten In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving is geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit vereist voor: a. grondbewerking voor de normale uitoefening van een land-, tuin- en bosbouwbedrijf; en b. ontgrondingen op grond van een natuurontwikkelingsplan dat is vastgesteld door gedeputeerde staten, of een investeringsplan behorend bij een door gedeputeerde staten vastgestelde subsidiebeschikking in het kader van de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap. Artikel 2.4.3 Afwijking van vergunningvrije gevallen van ontgrondingsactiviteiten In afwijking van artikel 16.7, aanhef en onder j, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingsactiviteiten voor het aanleggen, onderhouden, wijzigen of verwijderen van waterlopen en sloten alleen zonder omgevingsvergunning verricht als deze: a. een bovenbreedte hebben van minder dan 5 m; b. een bodembreedte hebben van maximaal 1,50 m; en
31
c. een diepte hebben van maximaal 1 m beneden het in het peilbesluit vastgestelde zomerpeil, of bij gebrek daaraan, 2,50 m beneden het maaiveldniveau direct buiten de insteek. Artikel 2.4.4 Buiten behandeling laten aanvraag omgevingsvergunning Gedeputeerde staten kunnen de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit buiten behandeling laten, als de aanvrager niet de eigenaar is van één of meer percelen waarop de aanvraag betrekking heeft, en de aanvraag niet door de eigenaar mede is ondertekend.
Afdeling 2.5 Grondwatersanering Artikel 2.5.1 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van verontreinigd grondwater. 2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder het saneren van verontreinigd grondwater ook verstaan het verrichten van activiteiten ten gevolge waarvan verontreinigd grondwater wordt verminderd of verplaatst. Artikel 2.5.2 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het beschermen van de kwaliteit van de bodem. Artikel 2.5.3 Specifieke zorgplicht 1. Degene die verontreinigd grondwater saneert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.5.2, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Voor milieubelastende activiteiten in houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b.
de beste beschikbare technieken worden toegepast; c. geen significante verstoring wordt veroorzaakt; en d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet. Artikel 2.5.4 Melding grondwatersanering 1. Het is verboden verontreinigd grondwater te saneren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Een melding bevat: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een beschrijving van de te treffen saneringsmaatregelen en een motivering van de keuze voor deze maatregelen; c. een beschrijving van de effecten die met de maatregelen worden beoogd, waaronder een omschrijving van de grondwaterkwaliteit die met de maatregelen bereikt wordt;
32
d. een beschrijving van een andere methode om de beoogde effecten te bereiken, voor het geval de maatregelen niet tot die effecten zouden leiden; en e. een beschrijving van de nazorgmaatregelen die naar verwachting moeten worden getroffen. 3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan. Artikel 2.5.5 Verstrekken gegevens en bescheiden locatie en startdatum grondwatersanering 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2. Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan gedeputeerde staten. Artikel 2.5.6 Verstrekken gegevens en bescheiden uitvoerder en milieukundige begeleider 1. Ten minste vijf werkdagen voor het begin van de activiteit worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten; en b. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten. 2.
Onverwijld na het wijzigen van de naam of het adres, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan gedeputeerde staten. Artikel 2.5.7 Uitvoering van de activiteit grondwatersanering 1. Met het oog op het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt de activiteit zodanig verricht dat: a. het risico van verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt; en b. nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen zoveel mogelijk beperkt kunnen blijven. 2. De activiteit wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 en begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000. 3. De activiteit wordt verricht overeenkomstig de beschrijving van de te treffen saneringsmaatregelen, bedoeld in artikel 2.5.3, tweede lid, onder d. 4. Als blijkt dat de maatregelen niet tot de beoogde effecten zullen leiden, wordt de activiteit verricht overeenkomstig de andere methode om de beoogde effecten te bereiken, bedoeld in artikel 2.5.3, tweede lid, onder f. Artikel 2.5.8 Evaluatie grondwatersanering 1. Gedeputeerde staten worden ten minste vier weken voor het beëindigen van de activiteit geïnformeerd over de verwachte einddatum. 2. Na beëindiging van de activiteit wordt een evaluatieverslag opgesteld volgens BRL 6000.
Het evaluatieverslag bevat in ieder geval: a. een beschrijving van het resultaat van de milieukundige begeleiding bestaande uit processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich tijdens de activiteit hebben voorgedaan; b. een beschrijving van de resultaten van de milieukundige begeleiding, indien van toepassing, bestaande uit verificatie van het eindresultaat van de activiteit; 33
c. als na de activiteit nog verontreiniging in het grondwater aanwezig is en daardoor beperkingen in het gebruik van de bodem noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze beperkingen; en d. als na de activiteit nazorgmaatregelen nodig zijn: een beschrijving van deze nazorgmaatregelen. 3. Het evaluatieverslag wordt ten hoogste vier weken na het beëindigen van de activiteit aan gedeputeerde staten verstrekt. 4. De eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied waar na de activiteit een verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven, neemt de beperkingen in het gebruik van de bodem in acht die zijn beschreven in het evaluatieverslag. 5. Met de uitvoering van de nazorgmaatregelen is belast degene die de activiteit heeft verricht, dan wel degene die daartoe is aangewezen in het evaluatieverslag. Artikel 2.5.8 Maatwerkvoorschriften activiteit grondwatersanering Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de artikelen 2.5.3, 2.5.7 en 2.5.8.
Afdeling 2.6 Activiteiten bij gesloten stortplaatsen Artikel 2.6.1 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het verrichten van activiteiten in, op, onder, of over een gesloten stortplaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd. Artikel 2.6.2 Oogmerk De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van het milieu. Artikel 2.6.3 Specifieke zorgplicht 1. Degene die activiteiten verricht in een gesloten stortplaats en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.6.2, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of omgedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig beheer van afvalstoffen in de gesloten stortplaats wordt verzekerd; en b. alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet. Artikel 2.6.4 Vergunningplicht activiteiten gesloten stortplaats 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een gesloten stortplaats: a. een milieubelastende activiteit te verrichten; b. een bouwactiviteit te verrichten; c. een werk te maken of te behouden;
34
d. stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen; of e. andere activiteiten te verrichten, indien die activiteiten de uitvoering van de maatregelen ten behoeve van de nazorgvoorzieningen kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen. 2. Het verbod geldt niet voor het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer. Artikel 2.6.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning gesloten stortplaats Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de voorgenomen activiteit bij de stortplaats en het gebied waarin nazorgvoorzieningen zijn gelegen; b. het adres, de kadastrale aanduiding en een actuele kadastrale kaart waarop de locatie van de voorgenomen activiteit is aangegeven; c. naam en adres van een ieder die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op het grondgebied; d. de maatregelen die worden getroffen om de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; e. de maatregelen die worden getroffen om de aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; f. de maatregelen die worden getroffen om anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren; en g. de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder d, e en f bedoelde maatregelen.
Artikel 2.6.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gesloten stortplaats De omgevingsvergunning voor een activiteit in een gesloten stortplaats wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria: a. er worden maatregelen genomen die strekken tot het in stand houden en onderhouden, het herstellen, verbeteren of vervangen van voorzieningen ter bescherming van de leefomgeving; b. voorzieningen ter bescherming van de bodem worden regelmatig geïnspecteerd; c. de bodem onder de stortplaats wordt regelmatig onderzocht; d. er worden indien nodig maatregelen getroffen om de aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; en e. er worden indien nodig maatregelen getroffen om anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren. Artikel 2.6.7 Omgevingsplanactiviteit gesloten stortplaats Een omgevingsplanactiviteit die plaatsvindt op een gesloten stortplaats is een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang.
Afdeling 2.7 Ontgassen van binnenschepen Artikel 2.7.1 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het verrichten van de activiteit het ontgassen van een ladingtank met restladingdampen vanaf een binnenschip op een vaarweg. Artikel 2.7.2 Oogmerk 35
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van het milieu en de gezondheid. Artikel 2.7.3 Specifieke zorgplicht Degene die de activiteit het ontgassen van een ladingtank met restladingdampen vanaf een binnenschip op een vaarweg ontgast en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen bedoeld in artikel 2.7.2, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolg en zoveel mogelijk te beperken of omgedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel 2.7.4 Vergunningplicht varend ontgassen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een vaarweg vanaf een binnenschip een ladingtank te ontgassen met restladingsdampen van: a. benzeen (UN 1114); b. ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN 1267); c. aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268); d. brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863); e. brandbare vloeistoffen N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993); of f. vloeibare koolwaterstoffen met meer dan 10% benzeen (UN 3295). 2.
Het verbod is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat: a. de concentratie van de restladingdamp in het uitgeblazen mengsel op de plaats van uittreding vanuit de ladingtank niet meer bedraagt dan 10% van de onderste explosiegrens; b. de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als bedoeld in artikel 5; c. de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan bedoeld in artikel 5; d. om redenen van drukverevening die vanwege van veiligheid moet plaatsvinden; of e. tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, indien ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is. Artikel 2.7.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning varend ontgassen Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de gewenste startdatum van de activiteit; b. de soort restladingsdamp en de omvang van de restladingsdamp die ontgast wordt; c. de reden en noodzaak van de voorgenomen activiteiten; en d. de verwachte duur van de activiteit. Artikel 2.7.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning varend ontgassen De omgevingsvergunning voor het ontgassen van een ladingtank met restladingsdampen van een binnenschip op een vaarweg wordt alleen verleend als: a. er sprake is van een bijzondere omstandigheid voor een eenmalig geval; en
36
b. het belang van bescherming van het milieu en de gezondheid niet onevenredig wordt geschaad.
Afdeling 2.8 Activiteiten in duisternisgebieden Artikel 2.8.1 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op activiteiten in duisternisgebieden en in het invloedgebied duisternisgebieden. Artikel 2.8.2 Oogmerk Deze afdeling is gericht op het voorkomen of beperken van lichthinder in duisternisgebieden. Artikel 2.8.3 Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 2.8.1 verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de heersende duisternis in een duisternisgebied, is verplicht: 1. de noodzakelijke maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen; 2. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en 3. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt of ongedaan gemaakt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Afdeling 2.9 Natura 2000-activiteiten (gereserveerd)
Afdeling 2.10 Flora- en fauna-activiteiten Paragraaf 2.10.1 Algemene bepalingen Artikel 2.10.1.1 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op flora- en fauna-activiteiten. Artikel 2.10.1.2 Oogmerk De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. de natuurbescherming; b. goed jachthouderschap; c. het voorkomen en bestrijden van schade door dieren; d. het waarborgen van de veiligheid; e. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; f. bestendig beheer of onderhoud; of g. onderzoek en onderwijs.
37
Paragraaf 2.10.2 Vergunningvrije gevallen Artikel 2.10.2.1 Aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten Vogelrichtlijn: verbod vernielen of beschadigen nesten, rustplaatsen en eieren van vogels 1. Het verbod, bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren, of het opzettelijk wegnemen van nesten, van de grauwe gans. 2. Het eerste lid geldt alleen als: a. de activiteit wordt verricht door of in opdracht van een grondgebruiker; b. de activiteit wordt uitgevoerd op de gronden, of in of aan de opstallen, die bij de grondgebruiker in gebruik zijn; c. de activiteit plaatsvindt met het oog op het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden; d. in de periode van 15 februari tot 1 april daaropvolgend; en e. de activiteit wordt uitgevoerd in overeenstemming met het faunabeheerplan. 3. In aanvulling op het tweede lid geldt het eerste lid ook: a. maximaal 1 keer in de periode van 1 april tot 15 april daaropvolgend; b. in gebieden in beheer bij een terreinbeherende organisatie; c. door of in aanwezigheid van de terreinbeherende organisatie; en d.
als er geen risico is op verstoring van ter plekke broedende moerasvogels. 4. Beoordeling van het risico, bedoeld in het derde lid, onder d, vindt plaats door de terreinbeherende organisatie aan de hand van een jaarlijkse inventarisatie van kwetsbare broedvogels. 5. De grondgebruiker, of degene die de activiteit verricht, informeert en rapporteert over deze activiteit op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze. Artikel 2.10.2.2 Aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten Vogelrichtlijn: verbod doden van vogels 1. Het verbod, bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van: a. grauwe gans; b. kolgans; en c. brandgans. 2. Het eerste lid geldt alleen als: a. de activiteit wordt verricht door of in opdracht van een grondgebruiker; b. de activiteit wordt uitgevoerd op de gronden, of in of aan de opstallen, die bij de grondgebruiker in gebruik zijn; c. de activiteit plaatsvindt met het oog op het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden; d. de activiteit wordt uitgevoerd in overeenstemming met het faunabeheerplan; en e. wordt voldaan aan de artikelen 2.10.2.3 tot en met 2.10.2.5. 3.
Het eerste lid geldt niet: a. binnen de aangewezen ganzenrustgebieden in de periode van 1 november tot 1 april daaropvolgend; en 38
b. op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag en de beide kerstdagen 4. De grondgebruiker, of degene die de activiteit verricht, informeert en rapporteert over deze activiteit op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze. Artikel 2.10.2.3 Algemene regels schadebestrijding grauwe gans 1. Het doden van grauwe gans vindt plaats in de periode van 15 februari tot 1 november daaropvolgend met gebruik van geweer en lokvogels. 2. Het doden van grauwe gans vindt in de periode van 1 november tot 15 februari daaropvolgend, alleen plaats: a. met gebruik van een hagelgeweer; b. tussen een half uur voor zonsopkomst en 12.00 uur; c. op percelen met nog oogstbare landbouwgewassen; d. als eerst op het betreffende schadeperceel minimaal één visueel middel, in voldoende aantallen verspreid over het perceel aanwezig, en minimaal één akoestisch middel, in voldoende aantallen controleerbaar in het veld aanwezig en in werking, aanwezig zijn; e. voor maximaal 3 jachtaktehouders tegelijk per 3 hectare schadeperceel; en f. als per verjaagactie maximaal twee ganzen worden gedood. 3. In afwijking van het tweede lid, onder e, kan voor schadepercelen groter dan 3 hectare 1 extra jachtaktehouder worden ingezet voor iedere hectare aansluitend schadegewas. 4. Het tweede lid geldt niet: a.
op percelen grasland ingezaaid vóór 1 augustus voorafgaand aan de winterperiode van dat jaar; b. op percelen met groenbemestingsgewassen; en c. op percelen met oogstresten. Artikel 2.10.2.4 Algemene regels schadebestrijding kolgans 1. Het doden van kolgans vindt in de periode van 1 november tot 1 april daaropvolgend alleen plaats: a. op percelen met nog oogstbare gewassen; en b. als eerst op het betreffende schadeperceel minimaal één visueel middel, in voldoende aantallen verspreid over het perceel aanwezig, en minimaal één akoestisch middel, in voldoende aantallen controleerbaar in het veld aanwezig en in werking, aanwezig zijn. 2. Het doden van kolgans vindt in de periode van 15 februari tot 1 april daaropvolgend alleen plaats: a. op percelen grasland ingezaaid vóór 1 augustus voorafgaand aan de betreffende winterperiode van dat jaar; b. als op het betreffende schadeperceel verjaging door menselijke aanwezigheid plaatsvindt; en c. als gedurende de periode na 12.00 uur er preventieve maatregelen zijn getroffen in de vorm van verjaging door middel van mensen in het veld, honden of vogelafweerpistolen. 3. Het eerste en tweede lid gelden alleen: a. voor het gebruik van een hagelgeweer; b. tussen een half uur voor zonsopkomst en 12.00 uur; c. voor maximaal 3 jachtaktehouders tegelijk per 3 hectare schadeperceel; en d. als per verjaagactie maximaal twee ganzen worden gedood.
39
4. In afwijking van het derde lid, onder c, kan voor schadepercelen groter dan 3 hectare 1 extra jachtaktehouder worden ingezet voor iedere hectare aansluitend schadegewas. 5. Het eerste lid geldt niet: a. op percelen grasland ingezaaid vóór 1 augustus voorafgaand aan de winterperiode van dat jaar; b. op percelen met groenbemestingsgewassen; en c. op percelen met oogstresten. Artikel 2.10.2.5 Algemene regels schadebestrijding brandgans Het doden van brandgans vindt alleen plaats: a. binnen het beheergebied brandganzen; b. in de periode van 1 mei tot 1 november daaropvolgend; en c. met gebruik van het geweer en lokvogels. Artikel 2.10.2.6 Aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten 1. Het verbod, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van damhert. 2. Het eerste lid geldt alleen als: a. de activiteit wordt verricht door of in opdracht van een grondgebruiker; b. de activiteit wordt uitgevoerd op de gronden, of in of aan de opstallen, die bij de grondgebruiker in gebruik zijn; c. de activiteit wordt uitgevoerd in overeenstemming met het faunabeheerplan; en d. wordt voldaan aan de eisen in artikelen 2.10.2.7. 3.
Het eerste lid geldt niet op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag en de beide kerstdagen. 4. Het eerste lid, onder a, geldt niet voor het opzettelijk doden door middel van drijven. 5. De grondgebruiker, of degene die de activiteit verricht, informeert en rapporteert over deze activiteit op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze. Artikel 2.10.2.7 Algemene regels schadebestrijding damhert Het doden van damhert vindt alleen plaats: a. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; b. op de gronden binnen het beheergebied zwervende damherten; en c. met gebruik van het geweer. Artikel 2.10.2.8 Aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten: beheer, onderhoud, gebruik, inrichting of ontwikkeling van gebieden 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, en artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor de in bijlage VII genoemde soorten als het gaat om activiteiten die worden verricht in verband met: a.
de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde; b. bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
40
c. bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; d. bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of e. bestendig gebruik. 2. Het eerste lid geldt alleen voor activiteiten die niet al vergunningvrij zijn op grond van een bij ministeriële regeling aangewezen gedragscode, bedoeld in artikel 11.59, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 2.10.2.9 Aanwijzing vergunningvrije gevallen: bescherming weidevogels De verboden, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en de artikelen 11.37, eerste lid, aanhef en onder b, c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor activiteiten bestemd en geschikt voor de bescherming van weidevogels, hun nesten en eieren en hun niet-vliegvlugge jongen tegen landbouwwerkzaamheden en vee.
Artikel 2.10.2.10 Aanwijzing vergunningvrije gevallen: veiligstellen tegen het verkeer Het verbod bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en de artikelen 11.46, 11.47 en 11.54, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vangen, onder zich hebben en vervoeren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats van beschermde kikkers, padden en salamanders, als deze activiteiten plaatsvinden ter veiligstelling van deze dieren tegen het verkeer en de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld. Artikel 2.10.2.11 Aanwijzing vergunningvrije gevallen: onderwijs en onderzoek 1. Het verbod bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het vangen en vervolgens weer uitzetten op de oorspronkelijke vangplaats van eieren van de bastaardkikker (Pelophylax klepton esculenta), meerkikker (Pelophylax ridibundus), bruine kikker (Rana temporaria) en de gewone pad (Bufo bufo) voor onderzoek en onderwijs. 2. Het eerste lid geldt niet voor dieren waarvan de metamorfose is voltooid. Artikel 2.10.2.12 Aanwijzing vergunningvrije gevallen: vervoer van ziek of gewond dier 1.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en de artikelen 11.37, eerste lid, aanhef en onder a, 11.39, eerste lid, 11.46, eerste lid, aanhef en onder a, 11.47, eerste lid, aanhef en onder b en 11.54, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het door een ieder opzettelijk vangen en onder zich hebben van een zieke of gewonde vogel of een ziek of gewond ander dier, niet zijnde een gewone zeehond of een grijze zeehond, met het oog op het vervoeren van de vogel of het dier, anders dan met een dierenambulance. 2. Het eerste lid geldt alleen als: a. de vogel of het andere dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die op grond van de wet en de Wet dieren gerechtigd zijn uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging; en b. het een zieke of gewonde ree, edelhert, damhert of wild zwijn betreft, vóór het vervoer melding is gemaakt bij de meldkamer van de politie van het aantal, de vindplaats en de soort zieke of gewonde dieren en het vervoer geschiedt door een door de politie aangewezen vervoerder. 41
Paragraaf 2.10.3 Uitzondering bij bijzondere weersomstandigheden Artikel 2.10.3.1 Geen schadebestrijding en jacht bij bijzondere weersomstandigheden Gedeputeerde staten kunnen activiteiten als bedoeld in paragraaf 2.10.2 en de jacht op wildsoorten beperken of stopzetten in de gehele provincie of een gedeelte daarvan, zolang bijzondere weersomstandigheden dat noodzakelijk maken.
Paragraaf 2.10.4 Onderwater flora en fauna Artikel 2.10.4.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten met gevolgen voor onderwater flora en fauna langs, op of onder een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.10.4.3 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de onderwater flora en fauna, met uitzondering van de van nature in Nederland in het wild levende dier- en plantensoorten, genoemd in bijlage IV, onder a van de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, dier- of plantensoorten, genoemd in bijlage IX van de wet en soorten genoemd in de Visserijwet 1963. Artikel 2.10.4.4 Specifieke zorgplicht 1. Degene die een activiteit verricht langs, op of onder een oppervlaktewater en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.10.4.3, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of omgedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit en of handeling achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a.
waterdieren en waterplanten niet nodeloos worden verstoord of in hun voortbestaan worden bedreigd; en b. alle passende maatregelen worden genomen om waterdieren en waterplanten te beschermen. Artikel 2.10.4.5 Vergunningplicht activiteiten onderwater flora en fauna Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten langs, op of onder een oppervlaktewater te verrichten: a. waterplanten en wieren uitsteken, afsnijden of anderszins verwijderen, voorhanden hebben of vervoeren; b. waterdieren nodeloos verontrusten, vangen, doden, voorhanden hebben of vervoeren; of c. voorwerpen bij zich hebben die kennelijk tot doel hebben een onder a of b bedoelde activiteit te verrichten. Artikel 2.10.4.6 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning onderwater flora en fauna 42
Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de activiteit; b. een onderbouwing van het doel van de activiteit; c. een kaart met de locatie van de activiteit; d. de omvang en duur van de activiteit; e. over welke waterdieren en waterplanten het gaat; en f. welke middelen worden gebruikt. Artikel 2.10.4.7 Beoordelingsregels omgevingsvergunning onderwater flora en fauna De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de activiteit wordt verricht door of namens een rechtspersoon; b. de activiteit wordt verricht voor: i. educatieve doeleinden; of ii. onderzoeksdoeleinden; c. de activiteit geen zeekreeft, Noordzeekrab, spinkrab, kokerworm, zeedahlia, dodemansduim en alle sponzen betreft; d. de activiteit tijdelijk is; e. er geen gebruik wordt gemaakt van niet-selectieve middelen; en f. onnodig lijden van waterdieren wordt voorkomen.
Afdeling 2.11 Activiteiten die het vellen en herbeplanten van houtopstanden betreffen Paragraaf 2.11.1 Algemene bepalingen Artikel 2.11.1.1 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op activiteiten die het vellen en herbeplanten van houtopstanden betreffen. Artikel 2.11.1.2 Oogmerk De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. de natuurbescherming; b. de instandhouding van het bosareaal in Zeeland; of c. het beschermen van landschappelijke waarden.
Paragraaf 2.11.2 Meldplicht vellen houtopstand Artikel 2.11.2.1 Uitzondering op meldplicht vellen houtopstand Het verbod, bedoeld in artikel 11.126, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vellen van verjongingsgaten als: a. deze niet groter zijn dan anderhalf maal de boomhoogte; b. deze gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel; en c. het vellen maximaal één keer per vier jaar plaatsvindt. Artikel 2.11.2.2 Gegevens melding vellen houtopstand De melding, bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bevat ten minste:
43
a. als degene die de activiteit verricht geen eigenaar is van de grond waar de houtopstand staat: contactgegevens van de grondeigenaar en een schriftelijke toestemming van de grondeigenaar voor de velling; b. een situatietekening van de locatie van de te vellen houtopstand, waaronder ten minste een topografische kaart schaal 1:25.000 met daarop ingetekend de te vellen houtopstand en de kadastrale percelen; c. de oppervlakte van de velling (in are) en, als het rijbeplanting betreft, het aantal bomen; d. de boomsoort; e. de leeftijd van de houtopstand; en f. de reden van de velling.