RVS reactie voorontwerp Zeeuwse Omgevingsvisie bijlage 3 voorontwerp ZOVI deel B
Tekst van het document
Erfgoed genereert inkomsten voor een brede groep Zeeuwen (werkzaam in recreatie, toerisme, horeca, detailhandel, bouw).
58
Acties om doelen te realiseren Subdoel 1: Erfgoed wordt behouden en ontwikkeld, is bereikbaar en toegankelijk. Actie 1.1 - Duurzaam (her)gebruik en instandhouding/restauratie van erfgoed zoals monumentale gebouwen, cultuurhistorisch waardevolle elementen en structuren. Rolverdeling:
Provincie verleent subsidies voor restauratie en heeft adviesrol. Bevordert met name instandhouding en ontwikkeling van agrarisch en religieus erfgoed én historische windmolens. Provincie neemt erfgoed op in omgevingsverordening. Gemeenten maken herbestemming mogelijk via Omgevingsplan en vergunningen en via subsidiebeleid. Gemeenten treden handhavend op om verloedering en verval te voorkomen. gemeenten hebben een rol in de kennisoverdracht naar inwoners en monumentenbezitters. Erfgoed Zeeland ondersteunt en adviseert de provincie, gemeenten, erfgoedorganisaties, het waterschap, marktpartijen en eigenaren. Terreinbeheerders hebben een rol in beheer, instandhouding en bereikbaarheid van groen en gebouwd erfgoed. SLZ heeft een rol bij beheer en ontwikkeling van het Zeeuwse cultuurlandschap. Het Rijk subsidieert instandhouding en grote restauraties en verleent subsidie voor onderzoek naar herbestemmingsmogelijkheden. Heeft adviesrol. Waterschap verzorgt beheer, instandhouding en bereikbaarheid van eigen groen en gebouwd erfgoed.
59
Actie 1.2 - Ontsluiting en daarmee beleving en bewustwording van erfgoed. Rolverdeling:
Erfgoed Zeeland geeft invulling aan de negen gedefinieerde Zeeuwse Erfgoedlijnen en Zeeuwse Ankers, waardoor meer focus en samenhang aangebracht wordt en het erfgoed ‘vermarkt’ kan worden. Dit vindt onder andere plaats door digitale en fysieke ontsluiting. Provincie faciliteert en subsidieert.
Subdoel 2: Erfgoed is uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen. Actie 2.1 - Erfgoed benutten bij ruimtelijke ontwikkelingen De historische kwaliteiten van het landschap met het erfgoed staan onder druk door nieuwe ontwikkelingen als gevolg van energietransitie, klimaatverandering en transitie in de landbouw, maar ook door ontwikkelingen in de toeristische sector (nieuwbouw, ‘verwalling’). Om de kwaliteiten van het landschap en het erfgoed te behouden dienen deze vanaf het begin bij ruimtelijke ontwikkelingen betrokken te worden zodat er een zorgvuldige afweging gemaakt kan worden. Rolverdeling:
Gemeenten, Rijk, waterschap en provincie betrekken bij het maken van ruimtelijke plannen vanaf het begin het landschap en het erfgoed.
Subdoel 3: Erfgoed wordt optimaal benut voor economische en sociale activiteiten Actie 3.1 - Kansen benutten voor toerisme Landschap en erfgoed is van belang voor het toerisme en als vestigingsfactor. Rolverdeling:
Toeristische bedrijven en organisaties verkennen en benutten economische en ontwikkelingsmogelijkheden van erfgoed als toeristisch product. De erfgoedsector ontsluit erfgoedlocaties.
Actie 3.2- Maatschappelijk belang cultuur en erfgoed versterken Cultuur en erfgoed van belang voor sociale cohesie. Vrijwilligers zijn van groot belang in de erfgoedsector. Staat onder druk vanwege vergrijzing. Rolverdeling:
Vrijwilligersorganisaties zetten zich in om kennis over erfgoed beschikbaar te stellen en over te dragen via bijvoorbeeld excursies, lezingen. Erfgoed Zeeland faciliteert erfgoedorganisaties.
Kansen en risico’s bij de uitvoering 1. Doe meer met minder grond.
Hergebruik van erfgoed (met name monumentale gebouwen) bespaart ruimte.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Nieuwe ontwikkelingen als gevolg van energietransitie, klimaatverandering en transitie in de landbouw, maar ook door ontwikkelingen van het toerisme (nieuwbouw, ‘verwalling’) en toenemende stedelijke ontwikkeling en krimp kunnen behoud en ontwikkeling van erfgoed onder druk zetten. Vanuit de kracht van het erfgoed kunnen we bijdragen aan de realisatie van de transities en opgaven in de leefomgeving. Erfgoed en ontwerp inspireren, verrijken en tillen de uitvoering naar een hoger kwaliteitsniveau. Maar erfgoed biedt meer: gebiedskenmerken en lessen uit het verleden kunnen inspiratie bieden voor de opgaven waar we voor staan. Door de kracht van ontwerp kunnen we oude waarden een plek geven in de leefomgeving van de toekomst.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
60
Erfgoed is een belangrijk onderdeel van de Zeeuwse kernkwaliteiten. Erfgoed maakt verschillen in karakter en identiteit van regio’s zichtbaar. Verdwijnen of verminderen van Zeeuwse kernkwaliteiten betekent verschraling en vermindering van de lokale en regionale identiteit.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
Erfgoed verduurzamen kan bijdragen aan de energietransitie. Hergebruik van materiaal bij bijvoorbeeld restauraties en herbestemming draagt bij aan circulair bouwen. Monumentale gebouwen hergebruiken is duurzamer dan complete nieuwbouw.
61
12. Landbouw Doelstelling 2030 Een volhoudbaar landbouwsysteem dat functioneert in evenwicht met de omgeving, waarbij kringlopen op een zo laag mogelijk niveau gesloten zijn en er productie op basis van marktvraag plaatsvindt. De ambitie voor volhoudbare landbouw definiëren wij als volgt: het creëren van zoveel mogelijk meerwaarde. Meerwaarde die ontstaat door een samenhangende integrale benadering van bodem(vruchtbaarheid), beheer (zoet) water, biodiversiteit en landschap in combinatie met het (kosten)-efficiënter boeren. Door verbetering van de bedrijfsstructuur maar ook bijvoorbeeld door het stimuleren van kringlopen of innovatie. Meerwaarde die vooral ook tot uitdrukking komt in kostenbeheersing en een betere prijs die de boer ontvangt voor zijn product. Om te beoordelen of de doelstelling ook gerealiseerd wordt, wordt een uitvoeringsprogramma voor het landelijk gebied opgesteld. In dit uitvoeringsprogramma zal worden ingegaan op de hieronder genoemde subdoelen, acties en doelstellingen. Hoofdactie voor landbouw: Opstellen en uitvoeren uitvoeringsprogramma voor het landelijk gebied Het beleid voor het landelijk gebied is grotendeels autonoom en derhalve niet te vatten in wetgevende kaders.
Gezamenlijk zijn de volgende subdoelstellingen vastgesteld: Subdoel 1: Ondersteunen ondernemers in de transitie naar volhoudbare landbouw: stimuleren en kaderstellen Subdoel 2: Het bevorderen van bodemkwaliteit Subdoel 3: Het realiseren van de (zoet) wateropgave en klimaatopgave uit het klimaatakkoord voor landbouw en landgebruik Subdoel 4: Bevorderen biodiversiteit in het landelijk gebied Indicatoren:
Het gemiddelde inkomen uit bedrijf voor de land- en tuinbouw in Zeeland (bron: PM) Percentage agrarische bedrijven dat voldoet aan de definitie van kringlooplandbouw (bron: PM) Elektriciteitsverbruik (elektriciteit geleverd aan de landbouw in 2019: 234.873.000 kWh volgens klimaatmonitor.nl)
Huidige situatie Toekomstperspectief De verwachting is dat over 30 jaar het aantal agrarische ondernemingen sterk is afgenomen. De resterende bedrijven zullen in omvang zijn vergroot. Ondernemingen functioneren meer in netwerken onderling maar ook tussen verwerkende industrie en markt en ketenpartijen. De ondernemer krijgt een eerlijke prijs voor zijn product. De prijsstelling is tevens gebaseerd op duurzame instandhouding van productiemiddelen grond, arbeid en kapitaal maar ook de productieomgeving als natuur en milieu. Meer samenwerking in de keten met een betere prijsstelling, rekening houdend met de omgeving, zal meer leiden tot het bestendigen van een sector met toekomstperspectief. Er wordt gewerkt en gestuurd op basis van een concurrerend verdienmodel. Ieder bedrijf heeft zijn uniciteit en samen leveren de bedrijven een scala aan producten en diensten. Ontwikkelingsmogelijkheden en maatwerk in ontwikkelingsruimte op lokaal niveau gaan hand in hand om ondernemerschap en innovatie optimale kansen te geven. Ten aanzien van teelten en gewassen zijn veel nieuwe en vernieuwende teelten ontwikkeld. Dit wordt enerzijds mogelijk gemaakt door de beschikbaarheid van zoet water en anderzijds de doorontwikkeling en teeltvernieuwing, waarbij door vormen van veredeling meer gestuurd wordt op inhoudsstoffen. Dit proces wordt ook doorlopen bij zilte teelten op land en in het water.
Hoogwaardige teelten en gewassen vereisen optimale groeicondities, waarbij risico’s gemeden worden door gebruik te maken van teeltondersteunende voorzieningen, geconditioneerde ruimtes en “telen uit de grond”, gepositioneerd meer bij stedelijk gebied en industrieterreinen.
62
Aquacultuur ontwikkelt zich in hoofdzaak in hiervoor toegeruste kerngebieden nabij Bruinisse, Colijnsplaat en Yerseke. Dit is een voortzetting van het bestaande beleid. Ook bij een volhoudbare landbouw, inclusief het sluiten van kringlopen op een zo laag mogelijk niveau, is het beleid gericht op grondgebondenheid. De dierhouderij bedrijven produceren voor specifieke markten met eigen certificeringen en concepten. Bedrijven hebben daarvoor geëigende stalsystemen al dan niet in combinatie met land uitloop mogelijkheden en grondgebondenheid. Nieuwvestiging en omschakeling naar intensieve veehouderijen is uitgesloten. Bestaande intensieve veehouderijbedrijven verduurzamen en krijgen onder voorwaarden daarvoor gelimiteerde ontwikkelingsruimte waarbij aandacht is voor milieu en omgeving. Er blijft ruimte voor uitbreiding in verband met het toepassen van wettelijke regelgeving voor dierenwelzijn en het Beter Leven Keurmerk (zonder uitbreiding van het aantal dieren). Dit is een voortzetting van het huidig beleid. De glastuinbouwsector heeft een forse opgave om te voldoen aan het klimaatakkoord. In Zeeland is concentratie en verduurzaming van de sector het uitgangspunt.
Voor de bestaande concentratiegebieden voor glastuinbouw (Sirjansland, Oosterland, Sint-Annaland, Rilland, Kapelle en Westdorpe (Kanaalzone) is een beperkte doorontwikkeling van deze locaties voor de zittende ondernemers mogelijk, als de betreffende gemeente dat wenst. Daarbij geldt als voorwaarde dat ontwikkelingen plaats moeten vinden binnen de afspraken die voortvloeien uit het klimaatakkoord en als er stikstofruimte is. Voor de Kanaalzone geldt onder de hiervoor geformuleerde voorwaarden dat daar in verband met de mogelijke koppelingen aan de industrie ook een nieuwe locatie kan worden overwogen. Het realiseren van klimaatdoelstellingen en de aanwezigheid van stikstofruimte zijn voorwaardelijk voor de ontwikkeling van solitaire glastuinbouwbedrijven. Maatwerk is mogelijk waarbij een koppeling gelegd wordt met sanering van solitair glas elders in de provincie. Uitgangspunt blijft dat de oppervlakte aan solitair glas in Zeeland niet toeneemt. Waar mogelijk wordt ingezet op verbetering van de agrarische bedrijfsstructuur in het landelijk gebied, met behoud van bestaande landschappelijke elementen. Daarbij wordt gezocht naar koppeling met andere sectoren. Het ruimtegebruik staat in het teken van zorg voor de bodem, waterhuishouding (droogte en/of overlast) en landschap.
Een drie-eenheid die elkaar wisselend versterkt waarbij een gezonde bodem sterke planten voortbrengt en in wisselwerking met de vochthuishouding en landschap en natuur een biodiversiteit realiseert met een onderlinge afhankelijkheid die er toe doet. Huidige situatie De agrarische sector bepaalt voor een belangrijk deel het karakter van het Zeeuwse landschap. Van oudsher is de agrarische sector van groot belang voor de economie en het landschap. Er zijn begin 2020 ruim 2800 agrarische bedrijven in Zeeland gevestigd. De bruto toegevoegde waarde van de landbouw (inclusief bosbouw en visserij) schommelt tussen de 400 en 600 miljoen euro en heeft gemiddeld een lichte stijging. Het aantal banen in de landbouw en toeleverende bedrijven bedraagt 9500. Boerenbedrijven, ver- en bewerking van agrarische producten, opslag en logistiek, toe- en aanleverende bedrijvigheid, dienstverlenende bedrijven en kennisbedrijven, en ook als werkgever maken de sector van economisch belang voor Zeeland. Door meerdere grotere verwerkers van producten zoals frietfabrieken en uien centra wordt binnen Zeeland veel eigen productie verwerkt. Ook de aanwezigheid van agrarische onderzoeksbedrijven en de goede verbindingen per weg, spoor en haven dragen bij aan de economische potentie van de sector.
Daarnaast is de bodem in potentie zeer productief en het klimaat geschikt, zodat een scala van teelten en producten wordt geproduceerd. Klimaatverandering speelt echter steeds meer een factor van betekenis zoals te nat en te droog, hittestress en verzilting, maar ook knellende wet- en regelgeving, kostprijs-, markt- en ketenontwikkeling, bedrijfsvergroting en gebrek aan opvolging vraagt het uiterste van ondernemen in deze sector. De bodemkwaliteit staat onder druk. Tekorten aan zoet water, dreigende achteruitgang van de bodemvruchtbaarheid, bodemstructuur en bodemweerbaarheid, waterkwaliteit, biodiversiteit (onder- en bovengronds), stikstof, fosfaat, etc.
63
Ook voor de agrarische sector geldt de ambitie duurzame productie. De vraag naar duurzame en gezonde levensmiddelen, die dichtbij worden geproduceerd, groeit. Bij een duurzame productie hoort een doelmatige agrarische bedrijfsvoering waaronder een optimale verkavelingsstructuur. Efficiëntie in bedrijfsvoering en milieu wordt ook bereikt met vormen van precisie landbouw en alternatieve grondbewerking. Agrarische bebouwing hoort op een agrarisch bouwvlak. Enkele uitzonderingen van beperkte omvang zijn mogelijk. Over een aantal van deze ruimtelijke ontwikkelingen bij agrarische bedrijven wordt op basis van een door de provincie, Zeeuwse gemeenten en ZLTO ondertekend convenant, advies gevraagd aan de Agrarische Adviescommissie Zeeland (AAZ). De commissie onderzoekt de bedrijfseconomische noodzaak van ontwikkelingen. Binnendijkse aquacultuur betreft het kweken en telen van watergebonden organismen op het land. De sector bevindt zich voornamelijk nog in een experimentele fase, met op dit moment een beperkt aantal gespecialiseerde bedrijven.
Acties om doelen te realiseren Subdoel 1 - Ondersteunen ondernemers in de transitie naar volhoudbare landbouw: stimuleren en kaderstellen Actie 1.1 - Stimuleren van de innovatie en doorontwikkeling van de agrarische sector Zeeland is een van de grootste akkerbouwprovincies van Nederland. Naast de akkerbouw vormen (melk)veehouderij en fruitteelt belangrijke sectoren. Deze bedrijven dragen bij aan de vitaliteit en kwaliteit van het landelijk gebied. Veel inzet vanuit de sector is er geweest en nog om (milieu)problemen op de leefomgeving te verminderen. Er is echter nog een forse opgave die vraagt om een nadere meer integrale inzet gericht op volhoudbare landbouw. Daarbij zijn de thema’s bodem, beheer (zoet) water, biodiversiteit en het ondersteunen met kennis en innovatie essentieel. Dit proces zal de nodige tijd vragen maar de ontwikkelingsrichting is helder. De acties beogen een transitie te stimuleren en ondersteunen en zullen bijdragen om de doelen van een volhoudbare landbouw te realiseren. Het gaat dan onder andere om economische uitdagingen, verdienmodellen, innovatie, de aanpak en samenwerking in de keten, het sluiten van kringlopen, grond en financiering, voedselveiligheid, enz. Maar ook de fysieke uitdagingen als bodem, beheer (zoet) water en de (functionele) biodiversiteit. Resultaten van pilots en projecten zullen zoveel mogelijk in de keten worden gedeeld.
We ontwikkelen een systeem van Kritieke Prestatie-Indicatoren (KPI-systeem) waarmee we ondernemers belonen die maatschappelijke doelen bereiken, waaronder biodiversiteit, landschap en bodemkwaliteit. Optimalisering van de bedrijfsstructuur is een continue aandachtspunt waarbij verkaveling, ontsluiting en precisielandbouw belangrijke ingrediënten zijn. Ondersteunen van de verdere groei van de biologische landbouw is hierbij een streven. Rolverdeling:
De provincie faciliteert vrijwillige kavelruil Agrarisch ondernemers benutten vernieuwende innovatieve technieken waarbij efficiëntie en milieuwinst bereikt kan worden. Agrarisch ondernemers passen hun bedrijfsvoering aan in samenwerking met ketenpartners, kennisinstellingen, belangenbehartigers en de overheid teneinde het bedrijf op lange termijn volhoudbaar te maken. Ze experimenteren met innovatie op het gebied van bodem, water, biodiversiteit, etc. Ontwikkeling van volhoudbare landbouw wordt door kennisinstellingen en overheden met subsidies en met inhoudelijke bijdragen ondersteund. Levering van maatschappelijke diensten als onderdeel van volhoudbare landbouw wordt door EU, Rijk en provincie gefinancierd. Hiervoor ontwikkelen WNF, Rabobank en gezamenlijke provincies met de sector, indicatoren die gebruikt kunnen worden als kader voor een financiële bijdrage (KPIsystemen) Provincie, ketenpartijen, financiers en maatschappelijke organisaties implementeren de KPI’s in Zeeland.
64
Actie 1.2 - Vastleggen ontwikkelingsstrategie grondgebonden, niet-grondgebonden landbouw en aquacultuur Verschillende vormen van landbouw vragen om bijpassende ontwikkelingsmogelijkheden en hebben uiteenlopende effecten om de omgeving. Dit vraagt om een diversiteit in het beleid op basis van bedrijfstype en omgevingskwaliteit. Dit resulteert er in dat kaders zijn gesteld voor concentratie van agrarische bebouwing op het bouwvlak, de ontwikkelingsmogelijkheden van niet-grondgebonden landbouw (Glastuinbouw, aquacultuur en intensieve veehouderij). Voor intensieve veehouderij betekent dit dat het voorgaande beleid wordt voortgezet. Nieuwvestiging en omschakeling blijft uitgesloten. Bestaande bedrijven kunnen verduurzamen. Voorwaarde bij de verduurzaming is dat een belangrijke kwaliteitsimpuls voor de omgeving wordt geleverd, waarbij maatregelen leiden tot milieuwinst (bijvoorbeeld het beperken van geurhinder en stikstofuitstoot) en een verbeterde landschappelijke inpassing. Ook het beleid voor glastuinbouw gericht op concentratie en verduurzaming wordt voortgezet. Nieuwe ontwikkelingen moeten verder bijdragen aan klimaatdoelstellingen. Ook voor aquacultuur geldt dat het concentratiebeleid wordt voortgezet, wat betekent dat grootschalige ontwikkelingen plaats kunnen vinden in clusteringsgebieden bij de kernen Colijnsplaat, Yerseke en Bruinisse. Rolverdeling:
Agrarisch ondernemers benutten ontwikkelingsmogelijkheden en dragen bij aan verbetering van de omgevingskwaliteit. Ontwikkelingsmogelijkheden en randvoorwaarden worden door Rijk, provincie, waterschap en gemeenten vastgelegd in wet en regelgeving. Vergunningverlening, toezicht, handhaving en advies over naleving van de voorschriften wordt door RUD Zeeland uitgevoerd.
Subdoel 2 - Het bevorderen van bodemkwaliteit Actie 2.1 - Bevorderen bodemkwaliteit Agrarische ondernemers en grondeigenaren zetten in op duurzaam bodembeheer: de bodem moet in de toekomst door diverse gebruikers en voor verschillende doeleinden gebruikt kunnen worden, waarbij de bodemkwaliteit gewaarborgd blijft. Voor teelten en het voortbrengen van producten is een gezonde ondergrond cruciaal voor de agrarische sector. De ondergrond biedt de basis voor leven, productie, gebruik en activiteiten. Het samenspel van een goede bodemstructuur en waterbeheer maken landbouw én andere activiteiten mogelijk. En gezonde bodem staat borg voor sterke en dus meer weerbare planten. Een goede bodemstructuur is ook van uiterst belang om de weersextremen van het veranderende klimaat op te kunnen vangen. Bij extreme neerslag moet er regenwater kunnen infiltreren in de bodem en moet de bodem dat water ook vast kunnen houden, zodat het in tijden van langdurige droogte vochtig genoeg kan blijven voor de gewassen en het bodemleven. Nu steeds duidelijker wordt dat het klimaat verandert en dat de huidige manier van landbouw bedrijven mogelijk niet meer opgewassen is tegen de veranderende condities, groeit de vraag naar kennis en innovatie. Er wordt momenteel gezocht naar maatregelen om de bodemkwaliteit te verbeteren.
Agrariërs experimenteren bijvoorbeeld met het toepassen van verschillende landbewerkingstechnieken (denk aan Niet-Kerende Grondbewerking) en er wordt gekeken in hoeverre het bodemleven een positief effect kan hebben op de bodemstructuur. Landbouwgronden met een goede bodemkwaliteit bevatten de volgende elementen: [Fysisch] Goede bodemstructuur => doorlatendheid, doorworteling [Chemisch] Goede bodemvruchtbaarheid => mineralen/organische stof [Chemisch] Geen verontreiniging =>uitspoeling meststoffen, pesticiden [Biologisch] Rijk bodemleven Om te komen tot een volhoudbaar landbouwsysteem voor agrarische bedrijven, moet er dus aandacht worden besteed aan het optimaliseren van de bovengenoemde elementen, omdat een goede bodemkwaliteit de basis is voor het bedrijven van landbouw. In lijn met landelijk en Europees beleid zullen we maatschappij-dienende inspanningen van ondernemers meetbaar en beloonbaar gaan maken. Om invulling te geven aan de maatschappelijke
65
transities kan er samen met de agrarische sector ingezet worden op een aantal bodemindicatoren om zo de algehele bodemkwaliteit te verbeteren. Hierbij kan gedacht worden aan het verbeteren van het organische stofgehalte, tegengaan van verdichting, bevorderen van het bodemleven, verhogen van watervasthoudend vermogen en een optimale bemestingstoestand. Binnen het nationaal programma landbouwbodems worden nulmetingen verricht. Deze cijfers dienen vervolgens als referentiepunten om in de toekomst te bepalen of de situatie verbeterd is. Het vinden van geschikte indicatoren zal in samenspraak met de agrarische sector bepaald worden. Ook is er nog veel kennis en innovatie nodig op het gebied van bodembeheersmaatregelen. Hiervoor zal moeten worden samengewerkt met kennisinstituten en zal er meer moeten worden ingezet op kennisdeling. Rolverdeling:
Agrarische ondernemers en grondeigenaren verbeteren de bodemkwaliteit door: o Inzet op hogere bodemvruchtbaarheid: dit kan door het toedienen van de juiste (hoeveelheid) minerale voedingsstoffen, die opneembaar zijn voor gewassen en planten. Het bodemleven speelt ook een belangrijke rol bij mineralisatie. o Betere waterinfiltratiecapaciteit creëren: dit kan door de structuur van de bodem te verbeteren. Hiervoor moet verdichting worden tegen gegaan, en er moeten meer doorworteling en graafgangen van organismen te zien zijn. Er wordt geëxperimenteerd met technieken als Niet-Kerende Grondbewerking en het gebruik van lichtere landbewerkingsmachines om de bodemstructuur niet aan te tasten. Door het zaaien van groenbemesters kan de doorworteling bevorderd worden. Dit is ook gunstig voor de bodembiodiversiteit. o Beter watervasthoudend vermogen creëren: ook dit wordt bereikt door de structuur te verbeteren en door het organische stofgehalte in de bodem te verhogen. Het streven is om het organische stofgehalte met 0.5 % te doen stijgen. o Minimale chemische verontreiniging: dit wordt bereikt door meer toepassing van groene gewasbeschermingsmiddelen en natuurlijke meststoffen
Subdoel 3 - Het realiseren van de (zoet) wateropgave en klimaatopgave uit het klimaatakkoord voor landbouw en landgebruik Actie 3.1 - Realiseren opgave energie en CO2 Met de RES (regionale energie strategie) wordt uitwerking gegeven aan de meeste doelen en ambities uit het klimaatakkoord. Voor de onderdelen landbouw en landgebruik (met uitzondering van glastuinbouw, want dit staat in de RES) volgt deze uitwerking via het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied en in de Klimaatadaptatiestrategie Zeeland (KASZ). Klimaatverandering raakt de landbouw op vele manieren en is derhalve niet op enkelvoudige wijze te benaderen. Rolverdeling:
Inzet is het verder bevorderen en realiseren van energie opwekking door zon en wind. Het optimaal benutten van daken voor zonenergie. Agrarisch ondernemers leggen CO2 vast door het organische stofgehalte te verhogen en maken keuzes in hun bouwplan.
Actie 3.2 - Aanpakken wateropgave Ten aanzien van de waterhuishouding kan gesteld worden dat er aandacht is voor waterafvoer en zoet waterbeschikbaarheid cq zoet wateraanvoer. Met name is de aandacht gevestigd op beschikbaarheid van zoetwater en is momenteel het Deltaplan zoet water in voorbereiding en worden activiteiten geformuleerd. Rolverdeling:
Individuele agrariërs en collectieven nemen water besparende maatregelen en zorgen voor buffering Waterschap, agrariërs en grondeigenaren verbeteren de waterbeschikbaarheid en overheden ondersteunen de maatregelen middels het Deltaprogramma Zoet Water.
66
Subdoel 4 - Bevorderen biodiversiteit in het landelijk gebied Actie 4.1 - Aanpak biodiversiteit De komende jaren vraagt opwaardering van de biodiversiteit in de agrarisch gebied nadrukkelijk aandacht. In aanvulling op de bestaande inzet voor de natuur vormt het bevorderen van de biodiversiteit in agrarische gebieden een nieuwe ambitie waarop wordt ingezet. De ambitie is om natuur en landbouw te versterken door meer verbinding tussen beiden op gebiedsniveau. Agrarische productiesystemen op rijke en gezonde bodems zijn circulair en maken gebruik van (functionele) biodiversiteit, ondersteund door technologische innovaties. Door het stimuleren van nuttige insecten en een vruchtbare bodem, het creëren van gunstige leefomstandigheden voor wilde dieren en planten op boerenland en het regionaal sluiten van kringlopen heeft biodiversiteit op boerenland de ruimte. Hierdoor is de kwaliteit van water, bodem en lucht goed. Agrarisch ondernemers krijgen een conforme prijs die past bij de natuur-inclusiviteit van hun producten en een aantrekkelijke beloning voor het produceren van biodiversiteit door natuur- en landschapsbeheer en andere agro-milieudiensten door ketenpartijen en overheid. Tegelijk is het beheer van terreinen van natuurbeschermingsorganisaties optimaal voor het versterken van de ter plekke karakteristieke biodiversiteit.
En in de openbare ruimte zijn biodiversiteit en landschappelijke identiteit, naast veiligheid en aantrekkelijkheid, kerndoelen van het beheer door (semi) overheden. Uitbreidingen van bebouwing en infrastructuur worden zo uitgevoerd dat ze natuur bevorderen, samenwerking met andere grondgebruikers stimuleren en een positief effect hebben op natuur in het omliggende landelijk gebied. Dit alles wordt gerealiseerd via een gebiedsgerichte benadering en regionaal maatwerk die het mogelijk maken om win-win situaties in het beheer van natuur, landbouw en openbare ruimte tegelijk en aanvullend op elkaar te benutten. We zullen dit meetbaar maken middels het huidige stelsel van agrarisch natuurbeheer maar ook kijken naar de oppervlaktes met nieuwe initiatieven zoals strokenteelt, agroforestry, enz. De situatie in 2020 is hierbij het nulpunt waarbij we streven naar een jaarlijkse groei in aantal hectares. Voor het meten van herstel van de biodiversiteit wordt gekeken naar de monitoring/natuurrapportages van Zeeland, waaronder de LPI boerenlandvogels. Rolverdeling:
Agrarisch ondernemers die, hun bedrijfsvoering aanpassen in samenwerking met ketenpartners, kennisinstellingen en terreinbeheerders om natuurinclusief te produceren, bijvoorbeeld middels agroforestry, strokenteelt of agrarisch natuurbeheer Levering van maatschappelijke diensten wordt door EU, Rijk en provincie mede gefinancierd. Beloningssystemen opzetten op basis van de KPI’s.
Kansen en risico’s bij de uitvoering 1. Doe meer met minder grond.
Volhoudbare landbouw zal door meer samenwerkingen en verdienmodellen een grotere bijdrage leveren aan andere doelstellingen Bedrijfsstructuur verbetering middels kavelruil Combinatie van teeltvormen met ook opwekking van duurzame energie met zonnepanelen zal worden onderzocht. We blijven inzetten op zonnepanelen op daken. als voorkeursoptie
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Overstap naar volhoudbare landbouw kan bijdragen aan heel veel andere doelen: recreatie, natuur, landbouw, klimaat, energie, landschap, milieu, gezondheid, leefbaarheid, etc. Een reële beloning voor maatschappelijke diensten zoals CO2 vastlegging, verbetering biodiversiteit en verminderde milieubelasting is een essentiële voorwaarde voor een volhoudbare landbouw. Volhoudbare landbouw draagt ook bij aan verbetering van de kwaliteit van oppervlaktewater.
67
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Volhoudbare landbouw kan goed worden gecombineerd met landschaps- en natuurversterking.
4. Denk aan de toekomst en bedrijfsopvolging.
Het sluiten van kringlopen in de landbouw op zo laag mogelijk niveau geeft op veel fronten winst. Volhoudbare landbouw is gericht op een stabiel landbouwsysteem dat tot in de verre toekomst voldoet.
68
13. Landschap Doelstelling 2030 Behoud en versterking van een aantrekkelijk en gewaardeerd Zeeuws landschap dat optimaal veerkracht en ruimte biedt voor natuurlijke processen ten gunste van economie (wonen, werken en recreëren), natuur, bodem en water. Subdoel 1: Behoud, borging en beleefbaarheid van bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige kernkwaliteiten Subdoel 2: Sturing geven aan gewenste ontwikkelingen van het Zeeuwse landschap in de toekomst. Optimale veerkracht van het landschap waarbinnen ruimte ontstaat voor natuurlijke processen ten gunste van economie (wonen, werken en recreëren), natuur, bodem en water Subdoel 3: Herstel van het natuurlijk water- en bodemsysteem vanuit een klimaatadaptieve benadering Subdoel 4: Sturing op een natuurinclusieve benadering waarbij de harde scheiding tussen donkergroene functies en rode functies vervagen en waarbij biodiversiteit een vaste opgave wordt binnen ontwikkelingen en behoud van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Indicator: Mate van bescherming van waardevol landschap binnen en buiten het Natuurnetwerk Zeeland Binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Zeeland via de provinciale omgevingsverordening Buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Zeeland vindt bescherming van aangewezen waardevolle landschapselementen plaats via de verschillende ruimtelijke plannen van de Zeeuwse gemeenten.
In grote mate gebeurt dit zorgvuldig (evaluatie 2018).
Huidige situatie De kernkwaliteiten van Zeeland bestaan uit tal van gebieden met bijzondere natuur- en landschapswaarden. Ook de karakteristieke openheid en doorgaans duisternis van het agrarische landschap draagt bij aan het ervaren van een gevoel van rust, stilte en ruimte. De vele verschillende landschappen en de natuurlijke en cultuurhistorische landschapselementen vertellen het verhaal van het ontstaan van Zeeland oftewel de geschiedenis van Zeeland en haar inwoners. Daarnaast herbergen deze landschappen verschillende natuurwaarden (planten- en diersoorten). Toekomstperspectief Om natuurwaarden te behouden en versterken, moeten landschap en natuur als het ware verweven te worden binnen bestaande functies. Deze natuurinclusiviteit draagt bij aan de benodigde veerkracht van het landschap om bijvoorbeeld achteruitgang van biodiversiteit en afname van zoet water te kunnen opvangen. We willen het landschap waar mogelijk versterken. Om die reden wordt ingezet op het ontwikkelen en het beleven van het Zeeuwse landschap. Daarbij beogen we de identiteit, diversiteit en belevingswaarde van landschap, natuur- en cultuurhistorische waarden te behouden en te versterken. Herkenbaarheid, identiteit en regionale diversiteit zijn daarbij belangrijke uitgangspunten. Om die reden wordt ingezet op behoud, versterken en benutten van de meest kenmerkende kwaliteiten en waarden in Zeeland.
Het gaat bijvoorbeeld over duinen, monumentale bebouwing, kreekruggen, bijzondere polders, het Landfront Vlissingen (Rijksmonument) en de Staats-Spaanse Linies. Het beschermen en versterken van de kenmerkende landschapsstructuren die bijdragen aan de identiteit van en variëteit in onze provincie is een gezamenlijke opgave. De overheid stelt kaders voor de bescherming, het beheer en de ontwikkeling van de samenhangende landschapsstructuur. Daar binnen is er ruimte is voor gebiedsinitiatieven en maatwerk. Het Zeeuwse landschap wordt met veel transities en opgaven geconfronteerd. Transities die zeker ook hun impact hebben op de manier waarop wij het landschap ervaren. Hoe zorgen we ervoor dat er voor het Zeeuwse landschap van de toekomst ook sprake is van evenwicht tussen gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde? Het landschapsbeleid zet in op het behoud van bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige kernkwaliteiten in combinatie met huidige en nieuwe functies waarbinnen biodiversiteit als onderdeel van natuurexclusiviteit een vaste plaats in
69
moet krijgen. Ons Zeeuwse Landschap moet voldoende veerkrachtig zijn om onder andere de gevolgen van de klimaatverandering te kunnen opvangen. In de Handreiking landschap zijn alle kernkwaliteiten van het Zeeuwse landschap beschreven. Hierbij is aangegeven of deze van provinciaal, regionaal of gemeentelijk belang zijn. Deze handreiking biedt een basis voor het bepalen van strategieën over hoe om te gaan met ontwikkelingen in relatie tot onze Zeeuwse landschappelijke waarden. Vrijkomend Agrarisch vastgoed In juni 2016 heeft de Rekenkamer Zeeland het onderzoeksrapport Vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) uitgebracht. Belangrijkste uitkomst uit dit onderzoek is dat de problematiek in kwantitatieve zin enorm is (van alle vanaf 2000 aanwezige agrarische bebouwing heeft in 2030 ongeveer de helft géén agrarische functie meer. Waar in de periode 2000-2012 nog 95% van de vrijkomende bedrijven een bebouwingsoppervlak kleiner dan 2000 m2 had, zien we in de periode 2012-2030 een toename in het aantal agrarische bedrijven met meer dan 2000 m2 dat een andere functie zal krijgen. Vrijkomend agrarisch vastgoed biedt naast kansen voor nieuwe economische dragers ook kansen voor versterking van landschap als onderdeel van kwaliteitsverbetering van stikstofgevoelige Natuur en volhoudbare landbouw waar agroforestry een voorbeeld van is.
Nieuwe economische dragers (NED) Het is mogelijk om een nevenactiviteit bij een bestaand agrarische bedrijf te beginnen of een vervolgactiviteit op een vrijkomend agrarische bedrijf. In de loop der jaren is het beleid een aantal keer aangepast en versoepeld. Dit betekent dat er meer afwegingsruimte bij gemeenten is komen te liggen. In het rapport Vrijkomende agrarische bebouwing wordt vooruit geblikt naar 2030. Tussen 2012 en 2030 beëindigen volgens dit rapport ongeveer 1000 agrarische ondernemers hun activiteiten. Tussen 2000 en 2016 waren 217 NED’s gerealiseerd. In die zelfde periode zijn er 1117 bedrijven vrijgekomen, daarvan is ongeveer 36% herbestemd als woning of NED. De meeste NED’s zijn in de kustgemeenten te vinden en dan voornamelijk in de recreatieve sector. De meest gerealiseerde functies zijn ook verblijfs- en dagrecreatie. Ook is er naar de omvang en bouwjaar van de NED’s gekeken. Uit de analyse van de Rekenkamer blijkt dat 67% van de NED’s qua omvang onder de 500 m2 zit. Veel van die NED's zijn in een cultuurhistorische boerderij gevestigd. Vrijwel alle gerealiseerde NED’s zijn kleiner dan 2000 m2. De bebouwing die sinds enkele jaren vrijkomt, stamt voornamelijk uit de tijd van de schaalvergroting, zoals die ongeveer rond 1965 begon. Tot 1993 was het zeer gebruikelijk om met asbest te bouwen.
Het probleem bij het vinden van een herbestemming is niet zozeer het aantal agrarische bedrijfsgebouwen dat de komende jaren vrijkomt, want dat blijft vrij gelijk aan de huidige hoeveelheid, maar het soort en de grootte van die bebouwing. Bij het ontwikkelen van een NED dient rekening te worden gehouden met de aanwezige of te ontwikkelen faciliteiten zodat voorkomen wordt dat de NED de waterkwaliteit verslechtert of de veilige doorstroming van verkeer belemmert. Wonen in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing Met het maken van een selectie van cultuurhistorisch waardevolle boerderijen heeft de provincie de focus gelegd op een beperkt aantal boerderijen. Voor het behoud van deze boerderijen wil de provincie extra inspanningen hiervoor leveren, onder andere door de bouw toe te staan van een of meerdere wooneenheden in de agrarische opstallen bij het bestaande woonhuis. Dit in overleg ook met gemeenten. Ruimte voor Ruimte regeling De Ruimte voor Ruimte regeling kan in een aantal gevallen een oplossing bieden voor vrijkomende agrarische bebouwing binnen het landelijk gebied. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 6 Woningvoorraad. Stimuleringsgebieden voor landschapsontwikkeling Versterking van de agrarische structuur vormt een belangrijke provinciale doelstelling.
Dit wordt onder meer gerealiseerd door de integrale werkwijze van het Kavelruilbureau Zeeland en de aanleg van landbouwroutes. Als gevolg van (verschillende) “rood-voor-groen”-regelingen (waaronder de regeling voor nieuwe landgoederen), bos- en natuurcompensatie, (toekomstige) vergroeningsmaatregelen vanuit GLB, etc. Los hiervan en ook van het realiseren van het Natuurnetwerk Zeeland wordt
70
verspreid door Zeeland regelmatig bos en natuur aangelegd. Bijvoorbeeld nieuwe landgoederen, of als compensatie van bos dat ergens anders is gekapt. Dat gebeurt lang niet altijd op een plek waar dat iets bijdraagt aan natuur of landschap. De Provincie heeft in samenwerking met partners een Zeeuwse Bosvisie opgesteld als vertaling van de landelijke bossenstrategie. Hierin zijn binnen Zeeland zoekgebieden en uitsluitingsgebieden gedefinieerd die vanuit huidige beleidskaders (gemeentelijk-, provinciaal-, rijks- en waterschap beleid zijn afgeleid. Deze zoekgebieden zijn ruim gedefinieerd en hebben als doel om richting te geven aan ontwikkelingen in relatie tot versterking van landschappelijke houtige elementen die daarbij het best bijdragen aan cultuurhistorische-, natuur- en landschapswaarden. Deze zoekgebieden dienen verder nog uitgebreid te worden gericht op specifieke natuurwaarden of behoud van specifieke planten- en diersoorten, ook in relatie tot meekoppelkansen met andere opgaven.
Kansenkaart (concept Zeeuwse Bosvisie, Bosch en Slabbers 07-10-2020) Het aanvullend integraal aanwijzen van gebieden waarbinnen voornoemde "groene" ontwikkelingen juist wel tot de gewenste meerwaarde leiden kan een oplossing bieden, dit ook in combinatie met de Zeeuwse Bosvisie. Het gaat dan om gebieden die agrarisch minder intensief worden benut, waar ruimte is voor andere functies zoals natuur, landschap, water, recreatie, etc. en waar de "groene" ontwikkelingen een bijdrage kunnen leveren aan versterking van het Natuurnetwerk Zeeland, het landschap en de recreatieve structuur.
71
Dit soort stimuleringsgebieden voor landschapsontwikkeling biedt naast mogelijkheden tot versterking van het Natuurnetwerk Zeeland en landschap ook kansen voor:
de verbreding van de agrarische bedrijfsvoering (combinaties met andere functies) “natuur-inclusieve” of ecologisch duurzame landbouw (agrarische biodiversiteit) bufferzones tussen natuurgebieden en landbouwgebieden, bedoeld om een zachte overgang te creëren zonering van het recreatief gebruik van natuurgebieden (afleiden van recreatiedruk) natuurrecreatie combinaties met andere functies zoals (verblijfs)recreatie, wateropgaven, ruimtelijke adaptatie etc. het realiseren van groene uitloopgebieden rond steden en dorpen. Eventueel in combinatie met het benutten van (gemeentelijke) gronden in het buitengebied die (voorlopig) niet meer ontwikkeld worden tot reguliere woonwijken of bedrijventerreinen (tijdelijke natuur / "pauzelandschappen"). Ook hier zijn weer combinaties van diverse functies mogelijk: (stads)landbouw, recreatie, natuur, water, ruimtelijke adaptatie, educatie, voedselbossen etc.. Dit soort groene zones rond steden en dorpen kunnen bijdragen aan de versterking van de biodiversiteit van steden en dorpen. het maken van verbindingen tussen zorg(instellingen) en nabijgelegen natuurgebieden en/of het aangrenzende platteland. De hier aanwezige (en/of te ontwikkelen) natuur- en landschapswaarden kunnen bijdragen aan de gezondheid van zowel zorgbehoevenden als de overige inwoners van Zeeland.
Acties om doelen te realiseren Subdoel 1: Behoud, borging en beleefbaarheid van bestaande landschappelijk, cultuurhistorische en aardkundige kernkwaliteiten Actie 1.1: Bescherming landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige kernkwaliteiten Wij zetten in op behoud van de kwaliteiten als rust, stilte, weidsheid, open horizon en duisternis. Dit vertaalt zich naar heldere kaders. Daarnaast worden de kernkwaliteiten uit de handreiking landschap verder uitgewerkt. Rolverdeling:
De provincie beschermt de kernkwaliteiten van provinciaal belang via de omgevingsverordening. De gemeenten beschermen de kernkwaliteiten van regionaal en gemeentelijk belang via hun omgevingsplan.
Actie 1.2: Aanpak maatwerk voor vrijkomend agrarisch vastgoed Voor vitaliteit van het platteland en het behoud van het agrarisch erfgoed is het belangrijk dat er zoveel mogelijk passende nieuwe functies voor de leegstaande opstallen worden gevonden dan wel op andere wijze een oplossing wordt gevonden voor vrijgekomen agrarische gebouwen. Gezien het feit dat de problematiek van vrijkomende agrarische bebouwing niet valt op te lossen met algemeen geldende normen en kaders, wordt een maatwerkbenadering ontwikkeld. Zo is speciale aandacht noodzakelijk in relatie tot herbestemming van vrijkomende cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Rolverdeling:
De provincie stelt gezamenlijk met de belanghebbenden een maatwerkaanpak op. Gemeenten passen de maatwerkaanpak toe bij vrijkomende agrarische bebouwing.
Actie 1.3: Opzetten van een monitoringssysteem Met de handreiking landschap zijn de kernkwaliteiten van het Zeeuwse landschap benoemd. Er is géén monitoring gekoppeld aan de staat van deze kernkwaliteiten, waardoor geen data beschikbaar is in hoeverre het bestaande beleid ten aanzien van behoud en bescherming van de Zeeuwse kernkwaliteiten effectief is. Rolverdeling:
De provincie neemt het initiatief voor het opzetten van een monitoringssysteem.
72
Actie 1.4: Communiceren en informeren over het landschap en het uitvoeren van onderhoud aan het landschap Rolverdeling:
Heemkundige kringen, Archeologische Werkgemeenschap Nederland, Stichting Landschapsbeheer Zeeland en andere experts adviseren over landschapsaspecten.
Actie 1.5: Behoud van cultuurhistorisch waardevolle boerderijen Rolverdeling:
De provincie stelt financiële middelen beschikbaar voor het behoud van deze boerderijen. De Boerderijenstichting Zeeland informeert en adviseert eigenaren over cultuurhistorie en subsidiemogelijkheden. De gemeenten zijn het eerste loket voor eigenaren en adviseren over mogelijkheden voor herbestemming.
Actie 1.6: Borging landschappelijke inpassing Voor nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied geldt dat zij aansluiten bij het bestaande karakter van het landschap. Als algemeen uitgangspunt geldt daarom dat een nieuwe ontwikkeling zodanig in het landschap moet worden ingebed dat het een logisch onderdeel is van het landschap. De handreiking landschap uit 2012 biedt hier aanknopingspunten voor. Voor een goede inpassing wordt uitgegaan van een 10 meter brede afschermende groengordel. Wanneer alternatieve maatregelen worden getroffen dient uit de ruimtelijke onderbouwing te blijken dat de maatregelen die worden getroffen qua investering gelijkwaardig zijn aan het realiseren van een 10 meter brede afschermende groengordel. Maatwerk behoort hierdoor tot de mogelijkheden. Rolverdeling:
Gemeenten leggen middels publiekrechtelijke borging vast hoe de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd. Daarbij wordt aangesloten bij het landschap ecologische en cultuurhistorische karakter van het landschap.
Subdoel 2: Sturing geven aan gewenste ontwikkelingen van het Zeeuwse landschap in de toekomst Actie 2.1: Opstellen actuele landschapsvisie met ontwikkelingskader Los van de Zeeuwse Bosvisie is er nog geen eenduidig (provinciaal) integraal kader voor landschapecologische ontwikkeling en de genoemde transitie naar een meer natuurinclusieve samenleving waar Zeeland de komende 10 jaar mee te maken krijgt. Bovendien is dit vertaald als een landelijke opgave in de Nationale omgevingsvisie. Rolverdeling:
De provincie neemt het initiatief tot het samen met gemeenten en andere betrokken partijen opstellen van het kader voor landschapsontwikkeling binnen de herijking van de Natuurvisie 20172022.
Actie 2.2: Aanwijzen stimuleringsgebieden voor landschapsontwikkeling Voor meer samenhang in de manier waarop we met de diverse trends en ontwikkelingen in het landelijk gebied omgaan. Dit sluit aan bij de opgave die het Rijk in haar advies Som der Delen voorstelt om de verduurzamingsopgaven in de regio gebiedsgericht en met ontwerpkracht op te pakken. De verdere invulling en uitwerking van stimuleringsgebieden voor landschapsontwikkeling biedt hier aanknopingspunten voor. De digitale uitvoeringsagenda voor Zeeland zal als uitwisselingsplatform worden gebruikt. Rolverdeling:
De provincie neemt initiatief om samen met gemeenten en andere partners, zoals o.a. mede overheden, particuliere grondeigenaren en terreinbeheerders, gebieden te selecteren waar vanuit verschillende urgente opgaven een gebiedsgerichte aanpak nodig is, zoals bijv. de structurele aanpak van stikstof. Hierin kan landschap worden meegenomen. Optimale veerkracht van het
73
landschap waarbinnen ruimte ontstaat voor natuurlijke processen ten gunste van economie (wonen, werken en recreëren), natuur, bodem en water.
Subdoel 3: Herstel van het natuurlijk water- en bodemsysteem vanuit een klimaatadaptieve benadering Actie 3.1. Opstellen uitvoeringsstrategie herstel Samen met medeoverheden en relevante partners wordt gezocht naar een uitvoeringsstrategie voor het realiseren van herstel van natuurlijke condities uit oogpunt van optimaal landbouwkundig gebruik, landschap ecologisch herstel en het vergroten van de kwaliteit van Natuur zoals stikstofgevoelige Natura2000 natuur. Daarbij staat een klimaat adaptieve benadering centraal. Deze uitvoeringsstrategie zal onderdeel uitmaken van een integraal uitvoeringsprogramma 2021-2030. Rolverdeling:
De provincie neemt initiatief om dit in samenwerking met partners, o.a. met mede-overheden, landbouw en terreinbeheerders, uit te werken en verder vorm te geven en stelt daarvoor ook financiële middelen en uitvoeringsinstrumenten beschikbaar.
Subdoel 4: Sturing op een natuurinclusieve benadering waarbij de harde scheiding tussen donkergroene functies en rode functies vervagen en waarbij biodiversiteit een vaste opgave wordt binnen ontwikkelingen en behoud van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Actie 4.1. Vormgeven van de landelijke agenda natuurinclusieve samenleving van het Rijk. Rolverdeling:
De provincie neemt het initiatief.
Actie 4.2. Stimuleren van een volhoudbare landbouw waar landschapsversterking en biodiversiteit onderdeel van uitmaken. Dit komt tot uiting door uitwerking van een beloningssysteem gekoppeld aan kritische prestatie indicatoren. Zie acties en rolverdeling bij onderwerp 12 Landbouw.
Kansen en risico’s bij de uitvoering 1. Doe meer met minder grond.
Het landschap levert tevens een bijdrage aan natuur en biodiversiteitsdoelstellingen. Andersom ‘maakt’ natuur deels het landschap. Energietransitie (opwekking van duurzame energie) kan enerzijds het landschap versterken, anderzijds kan het aantasten en kost het ook ruimte. De effecten van klimaatadaptatie zullen zichtbaar worden in het landschap. Er zijn mogelijkheden om zowel het landschap te versterken en ruimte te bieden voor klimaatadaptatie zoals het verhogen van de beschikbaarheid van zoet water en inzet op algeheel systeemherstel.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Bij de aanleg van woningbouw en bedrijventerreinen is er een kans om het landschap te versterken wanneer er een goede inpassing wordt gerealiseerd. De inpassing levert tevens een bijdrage aan de leefbaarheid van deze gebieden door het toevoegen van groen en een uitnodiging voor gezond gedrag. De recreatie is een ruimtevrager in het landelijk gebied. Versterking van het landschap kan de toeristische en recreatieve waarde van een gebied vergroten. De landbouw is de grootste ruimtevrager in het landelijk gebied. Eisen die de landbouwsector stelt aan het gebied kunnen negatieve effecten hebben op de kwaliteit van het landschap. Tegelijk is de landbouwsector de grootste landschapsbeheerder in de provincie en wordt de komende jaren meer ingezet op het realiseren van een volhoudbare landbouw waarbij de verbinding tussen landbouw en biodiversiteit meer wordt geïntensiveerd.
74
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Het landschap huisvest diverse landschappelijke elementen van historische en culturele waarde. Een aantrekkelijk landschap is een sterk punt van Zeeland en is positief voor de promotie van Zeeland
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
Het landschap is niet statisch en kan in haar dynamiek als Zeeuws herkenbaar blijven en daarmee aantrekkelijk voor bewoners en bezoekers van Zeeland. Tevens kan het bijdragen aan de grote maatschappelijke uitdagingen.
75
14. Milieu Doelstelling 2030 Het Zeeuwse milieubeleid heeft als algemeen doel het beschermen en het versterken van de milieukwaliteit van de fysieke leefomgeving; een schoon en veilig Zeeland. Bij economische groei wordt er naar gestreefd om ook de milieukwaliteit te versterken. Het milieubeleid kan worden gezien als facetbeleid, het kan van elk thema onderdeel zijn. Voor het formuleren van doelen voor 2030 is onderscheid gemaakt in de belangrijkste aspecten (subdoelen) van het milieubeleid. Subdoel 1: Verminderen en voorkomen bodemverontreiniging Subdoel 2: Verbeteren waterkwaliteit door reguleren indirecte lozingen Subdoel 3: Permanent verbeteren van de luchtkwaliteit door het streven naar de WHO-norm met als uitgangspunt een verwaarloosbaar risico Subdoel 4: Een aanvaardbaar hinderniveau voor geur vasthouden Subdoel 5: Beperken van de uitbreiding van geluidsproductie Subdoel 6: Het zoveel mogelijk beperken van risico’s die verbonden zijn aan de opslag, productie en bewerking van gevaarlijke stoffen Subdoel 7: Beperken van het ontstaan van afval en van het gebruik van primaire grondstoffen (50% circulair) Subdoel 8: Reguleren van luchtvaartterreinen Indicatoren:
In het milieuprogramma worden de subdoelstellingen verder uitgewerkt, met passende indicatoren.De monitoring van milieudoelstellingen wordt in 2021 samen met de omgevingsdiensten verder uitgewerkt en gestroomlijnd met andere monitoringsverplichtingen. Er zal kwalitatief worden gerapporteerd op de hoofddoelstelling.
Huidige situatie De kwaliteit van de lucht, stilte, water, veiligheid en bodem is in Zeeland redelijk goed, maar voldoet nog niet overal aan de normen en dat wordt ook nog niet overal zo beleefd. Onderstaand wordt op de verschillende aspecten ingegaan. Bodem Een nieuwe zorg is de diffuse verspreiding van o.a. zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) in de bodem (maar ook in de lucht, het water en in afval) zoals PFAS, PFOS en GenX die inmiddels ook in de voedselketen terecht zijn gekomen. Middels het ZZS programma wordt geïnventariseerd welke stoffen worden toegepast en wordt bezien hoe emissie kan worden beperkt via de vergunningverlening. Met inwerkingtreding van de Omgevingswet worden de gemeenten het bevoegd gezag in het kader van bodemverontreiniging en -sanering. De voorbereidingen voor de overdracht zijn gestart. Op basis van een overgangsregeling zal de provincie voor bepaalde lopende saneringszaken verantwoordelijk blijven. Water In geen van de wateren in Zeeland waarvoor doelen zijn vastgesteld in het kader van de Kaderrichtlijn water (KRW) wordt volledig voldaan aan de doelen voor de chemische en ecologische kwaliteit. Luchtkwaliteit De luchtkwaliteit in Nederland is de afgelopen decennia sterk verbeterd. Sinds de jaren zeventig wordt in Nederland gemeten hoeveel schadelijke stoffen er in de lucht aanwezig zijn.
Onder andere door het treffen van maatregelen zijn gemiddelde concentraties de laatste jaren gedaald. De luchtkwaliteit in de provincie Zeeland laat zich typeren als relatief schoon: er is geen sprake van overschrijding van milieukwaliteitseisen, met uitzondering van depositie van stikstof in kwetsbare natuurgebieden. Ruimtelijke verschillen zijn uiteraard wel aanwezig. De grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en de jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) bedragen voor beide 40 μg/m3. Deze grenswaarden komen voort uit de Europese richtlijn 2008/50/EG. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) adviseert voor fijnstof een stringentere richtwaarde van 20 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor fijnstof en
76
stikstofdioxide wordt in Zeeland aan zowel de EU regelgeving als de WHO advieswaarden voldaan. De WHO geeft echter aan dat er geen veilige niveaus bestaan voor de blootstelling aan fijnstof. Luchtverontreiniging behoort tot de belangrijkste risicofactoren voor de gezondheid. Deelnemers aan het Schone Lucht Akkoord (SLA) streven naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit in Nederland om gezondheidswinst voor iedereen te realiseren. De gezondheidsimpact van luchtverontreiniging is groot. Ongeveer 3,5% van de totale ziektelast in Nederland is te wijten aan slechte lucht. Gemiddeld leven Nederlanders door luchtverontreiniging 8-14 maanden korter en jaarlijks overlijden 11.000 mensen (vroegtijdig) als gevolg van blootstelling aan luchtverontreiniging (Bron: RIVM en IBO Luchtkwaliteit). In Zeeland zijn er verschillende typen emissiebronnen aanwezig. Het gaat daarbij met name om verkeer, industrie, landbouw en consumenten. Er is een grote diversiteit aan luchtverontreinigende stoffen, die door deze emissiebronnen wordt geëmitteerd.
Emissiebronnen in Zeeland stoten met name de volgende componenten uit: - Fijn stof - NOx (stikstofoxiden) - NH3 (ammoniak) - SO2 (zwaveldioxide) - VOS (Vluchtige organische stoffen) Vastgesteld kan worden dat verhoogde concentraties van deze stoffen in de buitenlucht optreden bij (drukke) wegen en vaarwegen, industriële regio's en in stedelijke gebieden. Door klimaatverandering en de toename van het aantal tropische dagen met veel zon, neemt het risico op ozon en smogvorming toe. Geur In de Kanaalzone en het Sloegebied bevinden zich bedrijven met een geurcontour. Geluid Zeeland kenmerkt zich over het algemeen als een rustige, landelijke provincie. Grote industrie is geconcentreerd in de havens in de Kanaalzone en het Sloegebied. Dit zijn gezoneerde industrieterreinen. Uit de rapportage van het actieplan EU Richtlijn omgevingslawaai 2018- 2023 blijkt dat er ruim 1000 inwoners geluidshinder ondervinden van provinciale wegen, waarvan 400 inwoners ernstige geluidshinder ervaren. Het totaal aantal inwoners dat door geluid afkomstig van provinciale wegen in hun slaap gestoord wordt (gebaseerd op Lnight > 50 dB) is berekend op ongeveer 150. Om geluidsoverlast door lawaaisporten en gemotoriseerde luchtsporten te beperken, is structureel gebruik uitsluitend toegestaan op bestaande locaties.
Nieuwe locaties of uitbreiding van bestaande locaties is alleen mogelijk als door verplaatsing van een bestaande locatie de overlast voor de omgeving vermindert en/of lawaaisporten dan wel gemotoriseerde luchtsporten beter worden geconcentreerd. Externe veiligheid Het beleid richt zich op het voorkomen van ongevallen door het zoveel mogelijk beperken van risico’s waaraan burgers worden blootgesteld die verbonden zijn aan de opslag, productie, bewerking van gevaarlijke stoffen en transport van gevaarlijke stoffen per spoor en over de weg (zie ook paragraaf 21 Transport en infra). Rond twee bedrijfsterreinen, waarop BRZO bedrijven zijn gevestigd, is een veiligheidscontour vastgesteld. Voor het Sloegebied in 2012 en voor het industriegebied DOW, Mosselbanken en Logistiek Park in 2016. Binnen deze veiligheidscontouren kunnen zich bedrijven vestigen met risico’s op brand- en explosiegevaar. Vestiging van deze bedrijven binnen de veiligheidscontour mag niet leiden tot nieuwe saneringssituaties voor externe veiligheid buiten deze veiligheidscontour. Afval en grondstoffen Het huidige lineaire economische systeem put uit eindige (fossiele) grondstoffen en creëert afval.
De circulaire economie behelst een economisch systeem waarin zoveel mogelijk kringlopen worden gesloten en zo min mogelijk afval wordt geproduceerd en producten gebaseerd op fossiele olie vervangen worden door producten die gemaakt zijn uit hernieuwbare grondstoffen. Een volledig circulair systeem vraagt om een goed functionerende keten van ontwerp, productie, gebruik, inzameling en verwerken van reststromen naar nieuwe inzet van grondstoffen. Deze keten kent vele schakels en is op vele punten nog zwak en niet gesloten. Er zijn nog niet voldoende gesloten kringlopen, er verdwijnen nog veel afvalstoffen/producten al dan niet illegaal naar het
77
buitenland, bijvoorbeeld elektronische apparaten. Ketengericht afvalbeheer en samenwerking tussen marktpartijen in de keten kan leiden tot nieuwe oplossingen en innovaties. Het ultieme doel van recycling is om uit afvalstoffen grondstoffen te maken (grondstoffenrotonde of grondstoffenverbindingen). Luchtvaart Vliegveld Midden-Zeeland is als regionaal vliegveld belangrijk voor recreatie, de economie en werkgelegenheid. Hiervoor is een luchthavenbesluit genomen. Dit vliegveld geeft ruimtelijke hoogtebeperkingen als gevolg van aan- en afvliegroutes en beperkingen vanwege geluid en externe veiligheid. Naast dit vliegveld is er nog een aantal helikopterhavens, waarvoor ook een luchthavenbesluit nodig is, en twee zweefvliegvelden (Burgh Haamstede en Axel) die onder een luchthavenregeling vallen.
Acties om doelen te realiseren Subdoel 1 - Verminderen en voorkomen bodemverontreiniging Actie 1.1: Aanpak van diffuse verspreiding van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) door middel van uitvoering programma ZZS en uitvoering geven aan definitief handelingskader voor PFAS en PFOS (voorzien in 2021) Rolverdeling:
De Rijksoverheid voert rijksbeleid uit. De Provincie voert het beleid uit. De Omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag het beleid uit.
Actie 1.2: Afronding sanering spoedlocaties en overdracht naar gemeenten De Provincie is verantwoordelijk voor het afmaken van de laatste saneringen van de spoedlocaties. Rolverdeling:
De Provincie voert de sanering van de laatste spoedlocaties uit. De Provincie draagt de verantwoordelijkheid voor bodem over aan gemeenten bij inwerkingtreding van de Omgevingswet (warme overdracht).
Subdoel 2 - Verbeteren waterkwaliteit door reguleren indirecte lozingen Actie 2.1: Reguleren van indirecte lozingen De kwaliteit van het oppervlaktewater wordt onder meer bepaald door directe en indirecte lozingen van particulieren en bedrijven, riool overstorten en van de rioolwaterzuiveringen (RWZI). De provincie is bevoegd gezag voor het verlenen van milieu- (of omgevings-)vergunningen voor industriële afvalwaterlozingen en kan daarom alleen indirect invloed uitoefenen op de lozingen van de rioolwaterzuivering. In deze vergunningen worden eisen gesteld aan de samenstelling van het te lozen afvalwater. Namens de Provincie Zeeland zien de omgevingsdiensten toe op naleving van deze eisen, door periodieke controles en analyse van monsters. Rolverdeling:
De Omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag vergunningverlening, toezicht en handhaving op indirecte lozingen uit.
Subdoel 3 - Permanent verbeteren van de luchtkwaliteit door het streven naar de WHO-norm met als uitgangspunt een verwaarloosbaar risico Actie 3.1 Reguleren van emissies Via vergunningverlening, toezicht en handhaving wordt een evenredige bijdrage geleverd aan het halen van de nationale emissiedoelstellingen, de NEC plafonds 2020 en 2030 (met een ijkmoment in 2025). Dit betreft de uitstoot van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), ammoniak (NH3), vluchtige organische stoffen (VOS) en fijn stof (PM2,5).
78
Voor bestaande emissies door bedrijven van stoffen die zeer gevaarlijk zijn voor mens, dier en plant (prioritaire stoffen) wordt ingezet op het zo snel mogelijk bereiken van het verwaarloosbaar risiconiveau. De provincie volgt de lijn uit het rijksbeleid voor Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Om de emissie vanuit de sector scheepvaart terug te dringen heeft de Provincie Zeeland, samen met andere provincies, een verbod op varend ontgassen van benzeen en benzeenhoudende stoffen opgenomen in de Omgevingsverordening. Hiermee wordt voorkomen dat het ontgassen naar Zeeland verplaatst. We dringen bij het Rijk aan op een snelle invoering van (inter)nationale regelgeving. Naar verwachting zal dat gebeuren in 2021. De Provincie Zeeland zet samen met Rijkswaterstaat en North Sea Port verder in op het gebruik van walstroom door binnenvaart en zeevaart. Daarnaast wordt ingezet op elektrificatie van binnenvaart. Door inzet op het Schone Lucht Akkoord (SLA) zal een verbetering van luchtkwaliteit worden gerealiseerd. Het uitgangspunt is een verwaarloosbaar gezondheidsrisico als gevolg van emissies die de luchtkwaliteit beïnvloeden. Daarbij is het streven om de WHO normen (waar veelal aan wordt voldaan) en een permanente verbetering van de luchtkwaliteit te behalen.