RVS reactie voorontwerp Zeeuwse Omgevingsvisie bijlage 3 voorontwerp ZOVI deel B
Tekst van het document
Onder het SLA thema ‘bewustzijn en betrokkenheid’ wordt ingezet om jongeren bekend en bewust te maken van het belang van gezonde lucht, daarvoor worden onderwijsinstellingen en scholieren betrokken bij projecten. Er kunnen er zich situaties zich voordoen waar een aanvullende gebieds- en probleemgerichte aanpak van toegevoegde waarde is. De provincie betrekt dan de omgeving en partners zoveel mogelijk, om oplossingen te vinden. Een voorbeeld hiervan is het project in de Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone. Daar worden, als onderdeel van een breder programma, extra metingen verricht naar de luchtkwaliteit. Rolverdeling:
De Omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag vergunningverlening, toezicht en handhaving uit. De Provincie neemt een regel op in de Omgevingsverordening over het verbod op varend ontgassen van benzeen en benzeenhoudende stoffen. De Provincie en stakeholders voeren de plannen en maatregelen in kader van het Schone Lucht Akkoord (SLA) uit. Gemeenten steunen het SLA op onderdelen. De Provincie en Omgevingsdiensten voeren projecten uit, op basis van het SLA, met onderwijsinstellingen en jongeren om hen bekend en bewust te maken van het belang van gezonde lucht. De Provincie en partners voeren een gebieds- en probleemgerichte aanpak uit, zoals het project in de Zeeuws Vlaamse Kanaalzone.
Actie 3.2: Nadere uitwerking aanpak verbeteren luchtkwaliteit in milieuprogramma Rolverdeling:
De Provincie en partners voeren het milieuprogramma uit. Dit wordt geactualiseerd wanneer nodig.
Subdoel 4 - Een aanvaardbaar hinderniveau voor geur vasthouden Actie 4.1: Reguleren van geuremissie Voor bedrijven waarvoor de Provincie Zeeland bevoegd gezag is, blijft sprake van een aanvaardbaar hinderniveau. Rolverdeling:
De Omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag vergunningverlening, toezicht en handhaving uit.
Actie 4.2: Nadere uitwerking aanpak geur in milieuprogramma Rolverdeling:
De Provincie en partners voeren het milieuprogramma uit. Dit wordt geactualiseerd wanneer nodig.
79
Subdoel 5 - Beperken van de uitbreiding van geluidsproductie Actie 5.1: Reguleren van geluidsproductie Door middel van actief zonebeheer en monitoring wordt zorggedragen dat het geluid niet onbeperkt uit kan breiden. Dit laat onverlet dat er hinder op kan treden van met name kortstondige hoge geluidniveaus of tonaal en laag frequent geluid. De Omgevingsdiensten registreren geluidsklachten afkomstig van bedrijven en voeren onderzoek uit naar de bron van klachten. De geluidzones rond industrieterreinen worden op grond van de Omgevingswet vervangen door een systeem met vastgestelde Geluidproductieplafonds (GPP) op vaste punten rond de industrieterreinen. De provincie dient in ieder geval voor 1 januari 2029 rond de huidige (op grond van de Wet geluidhinder) aangewezen regionaal gezoneerde industrieterreinen de eerste GPP’s vast te stellen. Voorgesteld wordt daarom om voorlopig de huidige regionale aanwijzingen te handhaven. In de periode tot 2029 kan bezien worden of en zo ja welke industrieterreinen overgedragen kunnen worden naar de gemeentes. De provincie moet voor haar provinciale wegen GPP’s vaststellen. Deze moet 2 jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn vastgesteld. Het waterschap en gemeentes moeten voor hun respectievelijke wegen basisgeluidemissies vaststellen.
Ook moet de provincie in 2023 een nieuwe Geluidbelastingskaart en Actieplan vaststellen op basis van de EU richtlijn Omgevingslawaai. Rolverdeling:
De Omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag vergunningverlening, toezicht en handhaving uit. Waterschap en gemeenten stellen basisgeluidsemissies vast. De Provincie stelt geluidproductieplafonds, geluidbelastingkaart en een actieplan vast. De Provincie neemt een regeling op in de Omgevingsverordening over stiltegebieden.
Actie 5.2: Nadere uitwerking aanpak beperking van de uitbreiding van geluidsproductie in milieuprogramma Rolverdeling:
De Provincie en partners voeren het milieuprogramma uit. Dit wordt geactualiseerd wanneer nodig
Subdoel 6 - Het zoveel mogelijk beperken van risico’s die verbonden zijn aan de opslag, productie en bewerking van gevaarlijke stoffen Actie 6.1: Beperken van risico’s die verbonden zijn aan de opslag, productie en bewerking van gevaarlijke stoffen Het Provinciale beleid richt zich op het voorkomen van ongevallen door het zoveel mogelijk beperken van risico’s waaraan burgers worden blootgesteld die verbonden zijn aan de opslag, productie, bewerking van gevaarlijke stoffen. In opdracht van de Provincie Zeeland beoordeelt DCMR veiligheidsrapportages, verleent vergunningen en voert inspecties uit bij de BRZO en RIE4 bedrijven. Met inwerkingtreding van de Omgevingswet en de modernisering omgevingsveiligheid zullen rond BRZO- en Bevi bedrijven aandachtsgebieden voor explosie- en brandgevaar en gevaar voor het vrijkomen van gevaarlijke gassen berekend worden. Deze zgn. brand- en explosieaandachtsgebieden moeten in een aantal gevallen door gemeentes als brand- of explosievoorschriftengebied worden opgenomen in hun Omgevingsplan, danwel op een andere wijze kenbaar worden gemaakt. Voor voorschriftengebieden geldt dat bij nieuwbouw brand- en/of explosiewerende maatregelen moeten worden getroffen. De provincies kunnen instructies opnemen in de omgevingsverordening hoe om te gaan met deze aandachtsgebieden.
De grote transities waar Nederland voor staat, zoals de energietransitie en de transitie naar een circulaire economie kunnen ook nieuwe risico’s voor externe veiligheid opleveren. Hierbij kan men denken aan nieuwe energiedragers als waterstof en accu’s. Ook kunnen als gevolg van klimaatverandering mogelijk gebieden, waar BRZO-bedrijven liggen overstromingsgevoeliger worden. Rolverdeling:
De Omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag vergunningverlening, toezicht en handhaving uit. De Omgevingsdiensten adviseren over het beleid en voeren het uit.
80
Actie 6.2: Nadere uitwerking aanpak beperken van risico’s die verbonden zijn aan de opslag, productie en bewerking van gevaarlijke stoffen Rolverdeling:
De Provincie en partners voeren het milieuprogramma uit. Dit wordt geactualiseerd wanneer nodig.
Subdoel 7 - Beperken van het ontstaan van afval en van het gebruik van primaire grondstoffen (50% circulair) Actie 7.1: Kringlopen worden zoveel mogelijk – regionaal- gesloten waarbij ‘afval’ omgezet wordt in grondstof. Producten gebaseerd op fossiele olie worden vervangen door producten gemaakt uit hernieuwbare grondstoffen. Een volledig circulair systeem vraagt om een goed functionerende keten van ontwerp, productie, gebruik, inzameling en verwerken van reststromen naar nieuwe inzet van grondstoffen. Deze keten kent vele schakels en is op vele punten nog zwak en niet gesloten. Er zijn nog niet voldoende gesloten kringlopen, er verdwijnen nog veel afvalstoffen/producten al dan niet illegaal naar het buitenland, bijvoorbeeld elektronische apparaten. Ketengericht afvalbeheer en samenwerking tussen marktpartijen in de keten kan leiden tot nieuwe oplossingen en innovaties. Het ultieme doel van recycling is om uit afvalstoffen grondstoffen te maken (grondstoffenrotonde of grondstoffenverbindingen). Naast een inzet op de reductie van energie- en grondstoffenverbruik is ook met verbindingen tussen bedrijven, om hergebruik van grondstoffen en energie mogelijk te maken, veel winst te behalen. Grote energie- en grondstof intensieve bedrijven in Zeeland, West-Brabant en Oost-Vlaanderen werken samen in het programma Smart Delta Resources (SDR).
Provincie Zeeland, Impuls Zeeland en North Sea Port zijn partner. Door het realiseren van industriële symbiose projecten wordt de concurrentiepositie van de bedrijven versterkt en het energie- en grondstoffenverbruik beperkt. Internationale en landelijke wet- en regelgeving omtrent afval belemmert nu het sluiten van lokale (regionale) ketens. Wijziging in wet- en regelgeving is gewenst om de circulaire economie te bevorderen. Zolang het economisch systeem echter nog niet volledig circulair is, zal er een manier van verwerking van de reststromen moeten plaatsvinden. Voor het toepassen van grondstoffen (afvalstromen) geldt de volgende voorkeursvolgorde: preventie, voorbereiding hergebruik (hernieuwbare grondstoffen), recycling, andere nuttige toepassingen en als laatste veilige verwijdering (verbranden, storten of lozen). Bij vergunningverlening moet de provincie rekening houden met het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP). Het streven is om het afval dat in de provincie ontstaat ook binnen de provincie te verwerken (cq. hergebruiken/recyclen). Zolang er nog afvalstoffen zijn, waarvoor geen nuttige toepassing is in welke vorm dan ook, kan het nodig blijven om in de komende jaren in het uiterste geval zelfs nog de laatste trede van verwerking van afvalstoffen, het storten van afval, toe te staan. De stortplaats Noord en Midden-Zeeland kan hierin een rol vervullen. Rolverdeling:
De Omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag vergunningverlening, toezicht en handhaving uit. De overheid en bedrijven werken samen (ook onderling) in Smart Delta Resources.
Actie 7.2: Nadere uitwerking van beperken van het ontstaan van afval en gebruik van nieuwe grondstoffen (50% circulair) Rolverdeling:
De Provincie en partners voeren het milieuprogramma uit. Dit wordt geactualiseerd wanneer nodig.
Subdoel 8: Reguleren van luchtvaartterreinen Actie 8.1: Uitvoeren van het beleid en uitoefenen bevoegdheden De provincie streeft naar het beperken en voorkomen van geluidsoverlast en behoud en continuering van bestaande luchtvaartterreinen binnen de voor deze luchthaventerreinen geldende besluiten en/of
81
regelingen. Er worden geen mogelijkheden geboden voor nieuwvestiging van luchthaventerreinen waarvoor een luchthavenbesluit moet worden afgegeven. Nieuwvestiging van luchthaventerreinen waarvoor een luchthavenregeling moet worden afgegeven is alleen mogelijk indien sprake is van niet-gemotoriseerde luchtsporten of luchthaventerreinen ten behoeve van algemeen belang binnen een gebied waar zich een concentratie voordoet van activiteiten die wat betreft milieu-impact gelijksoortig zijn (bijvoorbeeld geluidszone industrieterrein). Gemotoriseerde luchtsporten zijn in principe alleen toegestaan op bestaande hiervoor bestemde locaties. Uitbreiden of wijzigen van bestaande luchthaventerreinen is in principe alleen mogelijk als er geen structurele toename is van geluid en/of vergroting van het beperkingengebied tenzij het een concentratiegebied van activiteiten betreft die wat betreft milieu-impact gelijksoortig zijn (bijvoorbeeld geluidszone industrieterrein). Nader afgewogen dient te worden in hoeverre in geval van raakvlakken met ander beleid hiervan kan worden afgeweken. De draaiing van de baan van het vliegveld MiddenZeeland is hier een concreet voorbeeld van. In principe is het verboden om buiten een luchthaven op te stijgen of te landen met een luchtvaartuig. Onder voorwaarden kan een ontheffing voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik worden aangevraagd (TUG-ontheffing).
Er dient sprake te zijn van een bepaald soort luchtvaartuig en daarbij dient de aard van de start en landing en de gewenste start- en landingslocatie binnen het hiervoor geldende provinciaal beleid te passen. Verder dient de gewenste start- en landingslocatie aan rechtstreeks werkende wet- en regelgeving te voldoen. Luchtvaartuigen zijn bijvoorbeeld helikopters, paragliders en zweefvliegtuigen. Rolverdeling:
De provincie neemt luchthavenbesluiten en stelt luchthavenregelingen op. RUD Zeeland voert namens de provincie taken uit op gebied van luchtvaart en verleent TUG ontheffingen.
Kansen en risico's bij de uitvoering 1. Doe meer met minder grond.
Vanuit zuinig ruimtegebruik is functiecombinatie wenselijk, maar vanuit milieuperspectief is het soms wenselijk om functies juist te scheiden om overlast of nadelige effecten van functies te beperken. Daarin moet een balans gevonden worden.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Milieubeleid is facetbeleid en maakt in feite een integraal en vast onderdeel uit van alle andere onderwerpen. De meest sterke relatie is er met bodem en archeologie (Zeer Zorgwekkende stoffen), circulaire economie (grondstoffen/afval), Transport en infrastructuur, (Geluid, lucht, luchtvaart), straling (lucht, geluid), water (ZZS), arbeidsmarkt en economie (bedrijven), natuur en biodiversiteit (stilte/licht/stikstof), gezondheid (alle thema’s), landbouw (stikstof, geur, bestrijdingsmiddelen) en wonen (lucht, geluid). Een dilemma is de relatie tussen economie en milieu, waarbij het van belang is om milieu niet alleen grote aandacht te geven bij economische voorspoed, maar milieu als vanzelfsprekend onderdeel van economie te zien. Vooral niet zichtbare milieuproblemen kunnen op termijn voor problemen zorgen, denk aan de luchtkwaliteit, CO2-uitstoot en nu de stikstof en PFAS problematiek. Het is goed om aan de voorkant meer rekening te houden met milieu, te kiezen voor oplossingen die meerdere doelen dienen en koppelkansen te benutten.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten. (…) 4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
De energietransitie en klimaatverandering kunnen milieueffecten hebben. Er kunnen nieuwe risico’s ontstaan bij het gebruik van nieuwe producten zoals bij het opslaan van energie en de productie van waterstof.
82
15. Natuur Doelstelling 2030 Behoud en versterking van Zeeuwse biodiversiteit. Specifiek wordt daarbij ingezet op het bereiken van een 70% doelbereik van stikstofgevoelige binnendijkse Natura2000 gebieden. De onderstaande 3 hoofdambities zoals deze met het Rijk zijn afgesproken blijven daarbij onverminderd overeind: 1. Het verbeteren van de biodiversiteit, 2. het versterken van de maatschappelijke betrokkenheid bij natuur en 3. het versterken van de verbinding tussen natuur en economie. De provinciale Natuurvisie 2017-2022 geeft daar onder andere invulling aan. Subdoel 1 - Herstel Biodiversiteit Subdoel 2 - Natuurbescherming Subdoel 3 - Natuurbeheer Subdoel 4 - Natuurherstel Subdoel 5 - Natuurontwikkeling Subdoel 6 - Natuurverbreding Subdoel 7 - Natuurbeleving Visie 2030 De Zeeuwse natuur kenmerkt zich door een kwalitatief robuust netwerk van grote en kleine natuurlijke eenheden met verschillende leefgebieden die onderling met elkaar verbonden zijn. Deze Zeeuwse natuur kan tegen een stootje of heeft voldoende veerkracht om bijvoorbeeld klimatologische veranderingen en andere verstoringen op te kunnen vangen. Ruimtelijk is daarbij geen sprake meer van harde zichtbare grenzen tussen de natuur die gerealiseerd is binnen het begrensde Natuurnetwerk Zeeland en de daaromheen liggende functies, maar meer een beeld van geleidelijke overgangen hiertussen.
Deze als het ware van donkergroene naar een lichtgroene verbinding tussen natuur en economie wordt gekenmerkt door de natuurlijke aanwezige Zeeuwse natuurwaarden die verweven zijn met andere belangrijke gewenste functies binnen Zeeland. Deze natuurinclusieve benadering is daarbij onlosmakelijk verbonden met behoud en versterking van ons Zeeuwse cultuurlandschap, alsmede de transitie naar een volwaardige volhoudbare landbouw binnen Zeeland en een verbetering van de water- en bodemkwaliteit. Indicatoren:
Het Natuur Netwerk Zeeland is in 2027 qua omvang en inrichting voltooid. Het bereiken van een 70% doelbereik van stikstofgevoelige Natura2000 doelen eind 2030. Dit in relatie tot de structurele aanpak Stikstof. (Gedeeltelijke) herziening of vernieuwing van beheerplannen van alle binnendijkse Natura2000 gebieden. Het stimuleren van een volhoudbare landbouw binnen Zeeland als onderdeel van een door het Rijk in samenwerking met de provincies op te stellen natuurinclusieve agenda. Het ontstaan van geleidelijke ruimtelijke niet begrensde overgangen tussen het begrensde Natuur Netwerk Zeeland en omringende functies. Dit ook in relatie tot 3 en als gevolg van te realiseren overige opgaven binnen het landelijke gebied zoals de structurele aanpak Stikstof en het Deltaplan zoet water. Een meetbaar herstel van de biodiversiteit binnen en buiten het provinciale Natuurnetwerk.
Huidige situatie Herstel biodiversiteit Ondanks een forse inspanning die is gericht op herstel van de natuur is een afname van biodiversiteit geconstateerd in Nederland. Het verlies aan biodiversiteit in Nederland en zo ook de Zeeuwse biodiversiteit, is zelfs aanzienlijk groter dan elders in Europa en de wereld. In Nederland gaat het daarbij vooral om de biodiversiteit van duinen, de zandgebieden, binnen het agrarisch gebied en binnen het stedelijk gebied. Van de overige leefgebieden zijn de trends de afgelopen 10 jaar een verminderde afname of is zelfs sprake van een stabiele situatie. Dit na een decennialange afname.
83
Voor Zeeland kan worden geconcludeerd dat vooral een aantal algemene(re) soorten van goed onderzochte soortgroepen het goed doen in Zeeland. Bosvogels vertonen o.a. een herstel. Na verder inzoomen blijkt echter dat niet geconcludeerd kan worden dat het goed gaat met de biodiversiteit in Zeeland (Natuurrapportage Zeeland, 2019). Van grootschalig en duurzaam herstel is echter dus nog steeds geen sprake. De voornaamste oorzaak van biodiversiteitsverlies in de duinen is de hoge stikstofdepositie en verder spelen verdroging, verminderde dynamiek en een te klein oppervlak leefgebied een rol (relatie met verstoring door m.n. recreatie). Natuurbescherming Natura2000 (N2000) De doelen voor veel N2000-soorten en -leefgebieden worden nog niet gehaald. Met name de staat van instandhouding van soorten en leefgebieden van buitendijkse gebieden en delen van de duinen zijn matig tot zeer ongunstig. De oorzaken zijn vooral stikstofdepositie, verstoring, tekort aan leefgebied, verdroging, verzuring en versnippering. Daarnaast is sprake van een eerste set aan maatregelen die worden uitgevoerd voor het behalen van doelstellingen zoals deze zijn opgenomen in beheerplannen N2000. De beheerplannen bevatten onder andere de volgende elementen:
een visie over de wijze waarop de Europese doelen gehaald kunnen worden;
een inventarisatie van de huidige natuurkwaliteiten van het gebied;
een omschrijving van de activiteiten die in en rond het gebied mogelijk zijn en of daar al dan niet een vergunning voor nodig is;
de hoofdlijnen van de handhaving.
Momenteel zijn er voor vijf van de zeven N2000-gebieden op land door de Provincie vastgestelde beheerplannen Natura2000. Voor het opstellen van de overige elf N2000-gebieden (grote wateren) die (deels) in Zeeland liggen is het Rijk het bevoegde gezag. Voor negen van die elf gebieden is er een vastgesteld beheerplan. Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) Het NNZ wordt beheerd door de terreinbeherende organisaties en beschermd via de provinciale omgevingsverordening en het gemeentelijke beleid. Alle NNZ-gebieden met de status bestaande natuur dienen een passende bestemming in gemeentelijke omgevingsplannen te hebben. Bij een aantal kleine gebieden of delen van natuurgebieden is dit nog niet het geval. Soorten Bescherming van soorten loopt via de Wet natuurbescherming (waaronder zorgplicht en met aanvullende regelgeving vanuit de Beleidsnota natuurwetgeving). Daarbij zetten de Provincie actief in op (proactieve) soortenbescherming volgens eerdere besluitvorming. Handhaving Handhaving van de natuurbescherming is door de Provincie via een overeenkomst belegd bij RUD Zeeland. De RUD heeft een regisseursrol voor de groene handhaving, waarbij een convenant is gesloten met terreinbeheerders, politie en voedsel- en warenautoriteit. Ook wordt samengewerkt met de provincies Zuid-Holland en Noord-Brabant.
Natuurbeheer Beheer van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) Gecertificeerde natuurterreinbeheerders ontvangen subsidie voor het beheer van natuurgebieden binnen het NNZ. Bijna 38.000 ha van het NNZ is in beheer. Daarvan wordt 17.636 ha beheerd via het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) en 20.096 ha zonder subsidie. In het laatste geval gaat het om vooral om natuurgebieden in eigendom van overheden. De kwaliteit van het met subsidie beheerde deel van het NNZ is bekend voor de ecosysteemtypen bos, grasland, open duin en moeras. De aantallen kwalificerende soorten voor bos, open duin en moeras zijn in Zeeland laag vergeleken bij het Nederlandse gemiddelde. Zeeuwse graslanden scoren goed. De milieucondities van de vier ecosysteemtypen zijn stabiel, maar van verbetering is nog geen sprake. Alleen is (net als in de rest van Nederland) bij bos verdroging een toenemend probleem en bij open duin zijn dat verzuring en vermesting. Voor de soorten van open duin en grasland zijn veel gebieden groot genoeg en goed verbonden. In Zeeland zijn voor veel soorten de leefgebieden bos en moeras te klein of te versnipperd voor goede ruimtelijke condities. Via de Staat van Zeeland zijn de negatieve ervaringen van Zeeuwen met natuur onderzocht. Er is geen verschil tussen omwonenden en niet-omwonenden van
84
natuurgebieden in het ervaren van disteloverlast. Wel is er een verband aangetoond tussen de aanwezigheid van natuurgebieden en overlast van damherten en teken. Inwoners van gebieden met een sterk agrarisch karakter ervaren gemiddeld genomen meer overlast van Jacobskruiskruid, distels, vossen, ganzen en kraaien of kauwen. Agrarisch natuurbeheer Zo’n 350 agrariërs voeren actief agrarisch natuurbeheer uit dat wordt gesubsidieerd via het Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer (ANLb). Ze doen dit binnen Poldernatuur Zeeland, waarbij negen Agrarische Natuurverenigingen (ANV’s) zijn aangesloten, vlakdekkend over Zeeland. Hierbij wordt op gebiedsniveau gestreefd, binnen beschikbaar budget, naar maximale ecologie èn draagvlak onder agrariërs. Het gaat dan om het beheer van in totaal 1.272 ha. Opgesplitst in de vier leefgebieden van het agrarisch natuurbeheer: 55 ha open grasland, 547 ha open akker; 670 ha droge dooradering en geen natte dooradering. De stand van vogels van de leefgebieden open grasland en open akker wordt sinds 2006 gemonitord. Mede dankzijde inspanningen van de agrarische deelnemers binnen het ANLb lijkt voor een aantal akkervogelsoorten als patrijs en graspieper de dalende lijn te stagneren en er zijn tekenen voor een begin van herstel van akkervogelsoorten als de veldleeuwerik en de gele kwikstaart (vanuit de Beleidsmonitoring – SOVON).
Het randenbeheer is inmiddels aangepast aan de strikte eisen van patrijs en veldleeuwerik. Het nieuwe beheerstelsel loopt nu een aantal jaren. Het draagvlak onder de agrariërs voor het nieuwe stelsel is de laatste jaren gegroeid en er wordt meer samengewerkt met gebiedspartners als waterschap en terreinbeherende organisaties, wat de integraliteit van het agrarisch natuurbeheer ten goede komt. Ecologisch berm- en dijkbeheer Verspreid door het landelijk gebied ligt een enorm netwerk aan wegen en (binnen)dijken dat in potentie een positieve bijdrage kan leveren aan de biodiversiteit en de verbinding van leefgebieden van soorten. Een klein deel wordt ecologisch beheerd en hierin valt nog een hele slag te maken. Ontsnippering Sommige (vaar)wegen kunnen een ecologische barrière vormen in de verbinding van natuurgebieden of in natuurgebieden zelf. Bij alles wat nu nog wordt gepland of aangelegd/gereconstrueerd wordt ontsnippering meegenomen in de ontwerpen. Faunabeheer Het aantal ganzen (zowel broedvogels als overwinteraars) is de afgelopen decennia fors toegenomen. Met de toename van het aantal ganzen is ook de schade aan landbouwgewassen en natuur toegenomen.
Het Zeeuws ganzenakkoord (2014) heeft als doel ganzenpopulaties in Zeeland duurzaam in stand te houden op een niveau waarbij een goed evenwicht wordt gevonden tussen de omvang van de van nature voorkomende populaties en de risico’s die daarmee samenhangen. De aantallen ganzen zijn niet of nauwelijks afgenomen, eerder verder toegenomen. De beheermaatregelen zijn niet toereikend om het gestelde doel te bereiken. Voorts lijkt de animo om te beheren af te nemen. In de afgelopen decennia is het aantal vossen in Zeeland toegenomen. Alleen op SchouwenDuiveland is de vos afwezig. De komst van de vos heeft een negatieve invloed op de stand van kustvogels die aan vaste wal broeden. Door afschot is de toename in Zeeuws-Vlaanderen afgezwakt, maar in de rest van Zeeland desondanks niet. Sinds 2018 vindt in Zeeland afschot van reeën plaats. Er zijn in Zeeland 3 leefgebieden van het damhert vastgesteld. Voor elk leefgebied is vanuit oogpunt van een gezonde populatie een maximum aantal dieren bepaald. De populatiegrootte wordt door afschot gereguleerd. Ondanks dit beheer zijn de populaties in alle drie de leefgebieden nog te groot. Buiten de leefgebieden geldt een nulstand en wordt afschot gepleegd. Bij andere soorten (bv. konijn, haas, smient, spreeuw, mees) dragen eventuele maatregelen in schadebestrijding bij in het bereiken van het gestelde doel: beperken van schade aan landbouwgewassen.
Exotenbeleid In 2011 werd 22% van de Europese soorten bedreigd door invasieve exoten. Sinds 1 januari 2015 is een EU-Verordening van kracht betreffende de ‘preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten’. Op basis van deze verordening zijn lidstaten verplicht maatregelen te nemen voor 64 soorten die op de EU-lijst zijn geplaatst. De provincies zijn verantwoordelijk voor de bestrijding van het grootste deel van deze soorten, alleen de krabben,
85
kreeften en ratten niet. Naast een bedreiging voor de inheemse natuur kunnen invasieve exoten ook economische schade en gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. Er zijn drie soorten bestrijdingsstrategieën. Soorten die zich nog niet gevestigd hebben worden in een vroeg stadium uitgeroeid. Bij beperkt voorkomende soorten wordt eliminatie nagestreefd. Bij wijdverspreide soorten is de aanpak gericht op het inperken en indammen van de populaties. Natuurherstel Voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in verschillende Natura2000-gebieden zijn natuurherstelmaatregelen nodig. Inmiddels zijn de afgesproken 160 maatregelen voor het overgrote deel gerealiseerd. In de stikstofaanpak zal ook de komende jaren natuurherstel stevig worden gecontinueerd met het programma natuur 2021-2030 als extra inzet hiervoor. Dit programma is aanvullend aan bestaande afspraken met het Rijk over natuurherstel en vormt een onderdeel van de landelijke structurele aanpak stikstof. Deze aanpak spoort met de provinciale strategische aanpak stikstof die eveneens is gericht op kwaliteitsverbetering van de met stikstof overbelaste Zeeuwse natuur.. Ook buiten Natura2000-gebieden kan het nodig zijn om de kwaliteit van de natuur in het NNZ een impuls te geven.
Bijvoorbeeld wanneer de ontwikkeling van de natuur in een gebied in negatieve zin anders verloopt dan beoogd en dit niet is veroorzaakt door achterstallig onderhoud en ook niet met regulier beheer verholpen kan worden. In de afgelopen drie jaar zijn zo maatregelen getroffen die hebben geleid tot een verbetering van de kwaliteit van 370 ha bestaand natuurgebied. Natuurontwikkeling De afgelopen decennia is de natuurontwikkeling in Zeeland voortvarend ter hand genomen en was Zeeland tot voor kort koploper in de opgave. Om in 2027 volgens het Natuurakkoord het Natuurnetwerk Zeeland voltooid te hebben moet vanaf nu per jaar gemiddeld zo’n 100 ha nieuwe natuur worden gerealiseerd. Met het realisatietempo van gemiddeld zo’n 23 ha per jaar in de afgelopen zeven jaar wordt dat doel niet gehaald. De vertraging kent meerdere oorzaken. In de eerste jaren na de herijking van de ecologische hoofdstructuur was het budget niet toereikend (zowel provinciaal als Rijksaandeel). Verder moet nieuwe natuur tegenwoordig door grondeigenaren zelf (op vrijwillige basis) worden gerealiseerd, maar bestaat bij veel grondeigenaren nog onbekendheid over de (subsidie)mogelijkheden. Ook betekent zelfrealisatie vaak een fikse voorinvestering en vraagt het veel kennis en capaciteit.
Daarbij komt dat het tegenwoordig in de meeste gevallen nog maar gaat om relatief kleine gebiedjes ter afronding van grotere natuurgebieden. De kosten zijn dan verhoudingsgewijs hoog en vaak hoger dan het subsidieplafondbedrag per hectare. Recent zijn met betrokken partijen strategieën voor versnelling van de opgave verkend en een aantal zijn ook al in gang gezet.
86
Natuurgebieden in het Natuurbeheerplan Zeeland 2019
Verbinding tussen natuur en economie Het gaat hier om het vergroten van de autonome vervlechting van natuur en biodiversiteit met andere (te ontwikkelen) functies. Met andere woorden het versterken van de relatie tussen natuur en economie. Twee ambities die door Rijk en provincies (maar ook andere organisaties) breed gedragen worden. Dit is nodig omdat de uitvoering van natuurbeleid en het o.a. het enkel realiseren van natuurwaarden binnen het begrensde Natuurnetwerk alleen niet leidt tot verbetering van de biodiversiteit. De afgelopen jaren gebeurt er in den lande al van alles op het vlak van de verbinding tussen natuur en economie, maar meer is nodig daarvoor. Als provincie zetten we de komende periode ook meer in op vervlechting van Natuur binnen bestaande functies. Daarbij haken we aan bij de natuurinclusieve agenda die de komende periode op Rijksniveau vorm gaat krijgen, via de structurele aanpak Stikstof en ook via de uitvoering van het ambitiedocument “Samenwerken aan het Zeeuwse platteland”. In dat kader rust op het Zeeuwse landelijke gebied tal van opgaven die ook nader geconcretiseerd zullen worden. Te denken valt aan de structurele opgave Stikstof, het Deltaplan Zoet water of de transitie naar een volhoudbare landbouw waaraan de natuur- en biodiversiteitopgave kan worden gekoppeld.
Een vorm van versterking van de biodiversiteit die al lang in Zeeland bestaat, is de inrichting en het beheer van natuurwaarden op tal van particuliere terreinen (groot en klein) buiten het natuurnetwerk veelal verspreid door het boerenland. Deze “lichtgroene” natuur ontstaan door inspanningen van al die
87
particulieren dragen positief bij aan de biodiversiteit als buiten het natuurnetwerk en zonder die inspanningen zou het met die biodiversiteit nog slechter gesteld zijn. Vaak gaat het om (voormalige) boerenerven, maar bv. ook kleine natuurterreintjes, dorpsbosjes en -boomgaarden of tijdelijke natuur op bedrijventerreinen. Veel van deze particuliere initiatieven worden ondersteund door Stichting Landschapsbeheer Zeeland. Daarnaast nemen gemeenten ook al vaak natuurwaarden mee binnen ruimtelijke plannen die eveneens bijdragen aan biodiversiteitsherstel. Ook een initiatief waarbij vergroening van schoolpleinen en zorginstellingen plaatsvindt (IVN) draagt hier aan bij. Natuurbeleving Natuurbeleving gaat over het hele pallet van natuureducatie, natuurpromotie en natuuractiviteiten. Onder de noemer Natuurbeleving vinden al diverse ontwikkelingen plaats: Het samenwerkingsverband De Zeeuwse Natuur (DZN) draagt bij aan een Zeeland waar kinderen in verbinding met natuur opgroeien en inwoners en recreanten toegang hebben tot beleefbare & rijke natuur, heel dichtbij. Ter ondersteuning van het kerndoel van de Zeeuwse natuurbeleving en –branding, is een traject gestart dat gericht is op (gezamenlijke) natuurbranding en communicatie (identiteit en vindbaarheid) en concrete (inrichtings)maatregelen ter bevordering van beleving, herkenbaarheid en toegankelijkheid.
Het museum voor natuur en landschap, Terra Maris, vervult een prominente rol als podium voor natuurgerelateerde beleving en educatie voor zowel inwoners als gasten. Verdere uitbreiding en actualisering van voorzieningen rondom de Oosterschelde (ook gericht op de beleving van de biodiversiteit onder water). Met het UNESCO Geopark wordt provinciegrensoverschrijdend ingezet om, gebruik makend van de natuurlijke, geologische en de cultuurhistorische eigenschappen, het Deltagebied internationaal in de etalage te zetten via een UNESCO keurmerk.
Acties om doelen te realiseren Subdoel 1 - Herstel Biodiversiteit Actie 1.1: Uitvoering doelstelling Biodiversiteit De doelstellingen voor biodiversiteit in 2030 komen voort uit de Europese biodiversiteitsstrategie 2021-2030. Dit beleid is de basis voor het Nederlandse en daarmee ook het provinciale natuurbeleid. Rolverdeling:
De provincie stelt kaders vast in de omgevingsverordening, verleent vergunningen en financiert uitvoering. De EU ondersteunt behoud en versterking van de biodiversiteit met verschillende EUprogramma’s. Gemeenten stimuleren biodiversiteit middels subsidies en aangepaste inrichting en beheer van openbaar groen. Natuurorganisaties en terreinbeheerders voeren projecten uit, delen kennis en informeren inwoners, toeristen en ondernemers.
Subdoel 2 - Natuurbescherming Actie 2.1: Natuurbescherming Voor de natuurbescherming wordt het beleid met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden, soorten en houtopstanden (bos en bomen) via de bestaande wetgeving voortgezet. Voor alle 16 geheel of gedeeltelijk in Zeeland gelegen Natura 2000-gebieden is er een vastgesteld beheerplan. En alle gebieden van het Natuur Netwerk Zeeland met de status bestaande natuur hebben een passende bestemming in de gemeentelijke omgevingsplannen. Rond voor verzuring gevoelig gebied gelden beperkingen voor uitbreiding of nieuwvestiging van veehouderij. Toezicht en handhaving wordt voortgezet, buitendijks wordt de inzet geïntensiveerd. Rolverdeling:
Het Rijk stelt beheerplannen op voor alle rijkswateren.
88
De provincie stelt beheerplannen op voor alle provinciale natuurgebieden. Rijk, provincie en gemeenten beschermen natuurgebieden in omgevingsvisies, -plannen en – verordeningen. De veiligheidsregio adviseert (via het bevoegde gezag) in de mogelijkheden natuurgebieden zo brandveilig en beheersbaar mogelijk aan te leggen. Provincie, RUD Zeeland en terreinbeheerders zorgen voor toezicht en handhaving. Overheden, terreinbeheerders, bedrijfsleven, ondernemers en woningbouwcorporaties werken samen bij inrichting, gebruik en bescherming van natuurgebieden.
Subdoel 3 - Natuurbeheer Actie 3.1: Beheer Natuur Netwerk Zeeland Het aansturen op en het vergoeden van een effectief en efficiënt natuurbeheer op grond van het subsidiestelsel Natuur en Landschap en de kaders uit het Natuurbeheerplan (SVNL) wordt gecontinueerd. Vanuit het klimaatakkoord wordt bekeken in welke natuurgebieden het beheer kan worden aangepast om meer CO2 vast te leggen, zonder dat dit ten koste gaat van de biodiversiteit en/of bijzondere natuurwaarden. In dat verband wordt ook bezien waar binnen het natuurnetwerk (zowel bestaande als nieuwe natuur) en agrarische gronden nog plaats is voor meer bos. In het beheer verder ook rekening houden met de klimaatbestendigheid van de natuur, om zo de negatieve gevolgen van de klimaatverandering voor natuur (zoals verdroging en natuurbranden) tegen te gaan. Rolverdeling:
De provincie verleent subsidie op grond van subsidiestelsel Natuur en Landschap. De provincie legt regels voor bestrijding van distels van in de omgevingsverordening en beheerders voeren de regels uit.
Actie 3.2: Agrarisch natuurbeheer Het integrale karakter van het agrarisch natuurbeheer wordt verder uitgebreid. Het vergoeden van Agrarisch Natuurbeheer via Poldernatuur Zeeland wordt gecontinueerd om bij te dragen aan biodiversiteit en landschap buiten de natuurgebieden. Rolverdeling:
De provincie verstrekt vergoedingen aan Poldernatuur Zeeland Poldernatuur Zeeland en individuele agrariërs voeren het agrarisch natuurbeheer uit.
Actie 3.3: Ecologisch berm- en dijkbeheer Er wordt ingezet op een gezamenlijk programma voor ecologisch bermbeheer met de medeoverheden en North Sea Port en uitbreiding van het areaal ecologisch beheerde bermen, dijken, overhoeken, etc. Tevens wordt uitvoering gegeven aan het Dijkenactieplan (herijking van de ecologische functie en het beheer van alle afzonderlijke binnendijken in Zeeland met als doel een efficiënt en effectief ecologisch beheer). Bij de uitwerking van de bossenstrategie worden de kansen onderzocht voor de aanplant van meer weg- en dijkbeplanting. Rolverdeling:
Provincie, gemeenten, waterschap en North Sea Port stellen een gezamenlijk programma op. De provincie voert het Dijkenactieplan uit. De beheerders van dijken en wegen voeren ecologisch berm- en dijkbeheer uit.
Actie 3.4: Faunabeheer en exotenbestrijding De bestrijding van schade veroorzakende soorten en het uitkeren van schadevergoedingen voor faunabeheer (bijvoorbeeld ganzen in ganzenrustgebieden) wordt volgens de landelijke lijn gecontinueerd. Volgens de beleidsnota Natuurwetgeving wordt actief uitvoering gegeven aan het exotenbeleid. Rolverdeling:
De provincie keert schadevergoedingen voor faunabeheer uit. De provincie voert het exotenbeleid uit.
89
Actie 3.5: Monitoring Het monitoren en beoordelen van de kwaliteit van natuurgebieden wordt voortgezet conform landelijke afspraken en het provinciaal monitoringsplan. Doel is inzicht te krijgen in de kwaliteit van alle ecosysteemtypen in Zeeland (nu alleen nog bos, grasland, moeras en open duin). Ook is het gewenst meer zicht te krijgen in de staat van instandhouding van soorten (ook buiten Natura 2000 gebieden) en leefgebieden in Zeeland. Rolverdeling:
De provincie voert de monitoring uit en deelt de uitkomsten met alle betrokken partijen. Alle betrokken partijen verbeteren de uitvoering op basis van de uitkomsten van de monitoring.
Subdoel 4 - Natuurherstel Actie 4.1: Uitwerken uitvoeringsprogramma natuur 2021- 2030 Het streven naar het realiseren van condities voor een gunstige staat van instandhouding van alle soorten en leefgebieden onder de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Er wordt hiermee gestreefd, in samenhang met de andere maatregelen in de structurele aanpak, aan de eisen te voldoen die de VHR stelt (artikel 6 lid 1 en 2). Voor 2030 wordt verwacht dat met de te nemen maatregelen naar 70% doelrealisatie komen met specifiek aandacht voor stikstofgevoelige natuur. Rolverdeling:
Provincie en partners werken het uitvoeringsprogramma natuur 2021-2030 uit. Rijk en provincie stellen middelen beschikbaar.
Actie 4.2: Herstel en instandhoudingsmaatregelen Herstel- en instandhoudingsmaatregelen in Natura 2000-gebieden en voor Europees beschermde soorten worden genomen. Nazorgprojecten in het Natuurnetwerk Zeeland, voor zover deze niet vallen onder regulier beheer, met als doel het verbeteren van de natuurkwaliteit, worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld door het wegnemen van knelpunten in milieucondities en ruimtelijke samenhang van de natuurgebieden zoals het nemen van ontsnipperingsmaatregelen bij infrastructurele werken. Ook wordt onderzocht in welke gebieden klimaatverandering een negatieve impact op de natuurkwaliteit kan hebben en hiertegen maatregelen treffen. Rolverdeling:
Uitvoering maatregelen door Provincie en terreinbeheerders.
Subdoel 5 - Natuurontwikkeling Actie 5.1: Afronding Natuurnetwerk Zeeland Het Natuurnetwerk Zeeland is in 2027, conform het Natuurakkoord, afgerond en is dan 5.713 hectare groot. Dit betekent dat er vanaf 2020 nog circa 800 ha hectare nieuwe natuur in Zeeland ingericht moet worden. Om het tempo van de natuurontwikkeling te versnellen, is de systematiek van het Natuurbeheerplan iets gewijzigd. Kansrijke percelen buiten de begrenzing kunnen direct worden toegevoegd aan het Natuurnetwerk zonder elders een gelijk aantal hectares te ontgrenzen. De toe te voegen percelen moeten daarbij wel voldoen aan de uitgangspunten van de Natuurvisie. Er is geen sprake van een gewijzigde ambitie qua oppervlakte. Verdere versnelling kan mogelijk behaald worden door zelf percelen aan te kopen plus eventueel in te richten en op de markt te zetten. Een actieve benadering van eigenaren van begrensde percelen of percelen die grenzen aan het huidige natuurnetwerk en een gelijke ecologische potentie hebben kan tevens een versnelling bieden. Rolverdeling:
Provincie en terreinbeheerders voeren afronding NNZ uit.
Subdoel 6 - Natuurverbreding Actie 6.1: Uitvoering acties nota Natuurverbreding Er is uitvoering gegeven aan de ambities uit de Natuurvisie Zeeland met betrekking tot het vergroten
90
van de maatschappelijke betrokkenheid bij de natuur en het versterken van de relatie tussen natuur en economie. Rolverdeling:
Provincie en partners voeren Natuurvisie Zeeland uit.
Actie 6.2: Uitvoering uitwerking natuurprogramma 2021-2030 Uitwerken van de aanpak van overgangszones. Het versterken van natuurgebied door een buffer via integrale gebiedsaanpak, met daarin bijvoorbeeld natuurinclusief boeren, realisatie klimaatbossen, maatregelen ter voorkoming van bodemdaling. Rolverdeling:
Provincie en partners werken het natuurprogramma 2021-2030 uit
Subdoel 7 - Natuurbeleving Actie 7.1: Uitvoering onderdeel natuurbeleving uit nota natuurbeleving In de Nota Natuurbeleving zijn de doelen en ambities op het vlak van natuureducatie, -promotie en activiteiten in concrete doelen en beleidsstrategieën, in samenspraak met maatschappelijke partners, uitgewerkt en verwoord. De doelen voor 2030 zijn daarmee in beeld gebracht. Er wordt ingezet op het voortzetten van het beheer van de bestaande 2100 kilometer wandelnetwerk en boerenlandpaden en het verkrijgen van het internationale UNESCO-Geopark keurmerk. Het beleid dat 90% van de natuurgebieden toegankelijk en beleefbaar moet zijn, wordt gecontinueerd. Rolverdeling:
Uitvoering nota natuurbeleving door Provincie en maatschappelijke partners Uitvoering van beheer van wandelnetwerk en boerenlandpaden door terreinbeheerders
Kansen en risico’s bij de uitvoering 1. Doe meer met minder grond.
Grond is een belangrijk middel om doelen te realiseren. Gestreefd wordt daarbij om meerdere doelen aan elkaar te koppelen daar waar het gaat om het realiseren van natuur. Daarbij blijft het realiseren van kwalitatieve natuur bovenaan staan.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Verstoring door recreatie kan een probleem zijn voor het behalen van natuurdoelen. Afstemming tussen beide vormen van gebruik is nodig.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
De bestaande Zeeuwse Natuur vormt op zichzelf een van de kernkwaliteiten van Zeeland. Behoudt en versterking hiervan is onlosmakelijk onderdeel van het provinciale natuurbeleid
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
Ook de natuur is aan verandering onderhevig. Inzet moet zijn een natuur die ook voor de volgende generaties is geborgd. Daarbij dient de absolute kernnatuur beschermd te blijven.
91
16. Watersysteem Doelstelling 2030 Gezond water: Grond- en oppervlaktewater zijn van goede kwaliteit en aanvulling en onttrekking zijn blijvend in balans. Doelmatig beheer en gebruik van water is de basis voor beheer van het watersysteem. Door klimaatverandering wordt het waterbeheer complexer en vraagt het om meer inspanningen. Voor een deel van het watersysteem (de KRW-oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen) zijn in het provinciale waterprogramma de doelen uit de EU Kaderrichtlijn Water (KRW) opgenomen voor de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater in 2027. In 2027 moeten deze doelen zijn bereikt. Ook in de overige wateren moet de waterkwaliteit dan op orde zijn. Indicatoren:
Percentage KRW-oppervlaktewaterlichamen dat voldoet aan het doel voor Macrofauna (kleine, maar met het blote oog zichtbare, ongewervelde dieren (insecten, slakken, etc) die in het oppervlaktewater leven). Meetnet voor monitoring zoete grondwatervoorraden is in ontwikkeling (verwacht 2021).
Huidige situatie Binnen het regionaal waterbeheer stemmen de provincie en het waterschap (de waterbheerder) hun rollen en taken af. Onttrekking van grond- en oppervlaktewater is gereguleerd met als doel om intering op de voorraad te voorkomen. Verwachte toename van de behoefte aan zoet water in droge periodes vraagt om betere afspraken over gebruik en verdeling van water. Voor perioden met droogte moet zoveel mogelijk water gebufferd/gereserveerd worden. Deze aspecten worden verder uitgewerkt in het kader van het Zeeuws Deltaplan Zoet Water. Waterleidingbedrijf Evides voorziet Zeeland van drink- en industriewater. Dit bedrijf onttrekt grondwater en/of oppervlaktewater en maakt daar drinkwater van. De drinkwaterproductie in Zeeland is afhankelijk van verschillende bronnen:
Grondwater (na infiltratie van oppervlaktewater uit het Haringvliet) in Haamstede (de kop van Schouwen) Grondwater Sint-Jansteen, Clinge en Wilde Landen bij Heikant (calamiteitenwinning) Grondwater uit de Brabantse Wal, tegen de oostgrens van onze provincie. Oppervlaktewater vanuit de grote rivieren (Maas/Rijn) via de spaarbekkens in de Biesbosch
Verzilting, (diffuse) verontreinigingen, verstedelijking en toename van het aantal systemen en constructies in de ondergrond en het aantal doorboringen van scheidende lagen in de ondergrond vormen risico's voor de kwaliteit van het grondwater. - PM Kaart grondwaterbeschermingsgebieden en/of KRW-grondwaterlichamen Het wettelijk kader voorkomt verontreiniging van bodem en grondwater met regels en vergunningplichten (milieubelastende activiteiten). Bestaande grondwaterverontreinigingen moeten worden gesaneerd en/of beperken de gebruiksmogelijkheden van de bodem. Grondwatersaneringen worden gemeld aan de provincie. Voor de drinkwaterwinning worden in de omgevingsverordening grondwaterbeschermingsgebieden aangewezen, waar specifieke beschermingsregels gelden. Het waterschap stemt het waterbeheer af op de gebiedsfuncties door invulling te geven aan het Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR), als bouwsteen voor vast te stellen peilbesluiten. Dit traject is in de periode tot 2021 voor de gehele provincie doorlopen en uitvoering van bijbehorende inrichtingsmaatregelen loopt door tot 2027. Ondertussen neemt, als gevolg van extremere weerspatronen, de behoefte aan bescherming tegen zowel wateroverlast als -tekort toe. Dit kan betekenen dat eerder gemaakte keuzes opnieuw tegen het licht gehouden moeten worden. In hoofdstuk 25. Klimaatadaptatie wordt hier verder op ingegaan.
Het stedelijk waterbeheer wordt in alle gemeenten goed geregeld, met maximale opvang van overtollig regenwater via het watersysteem en in de bodem. Het rioleringsstelsel wordt zoveel mogelijk alleen benut voor afvalwater.
92
De kwaliteit van zwemwater is een bijzonder aandachtspunt. Jaarlijks worden de zwemlocaties aangewezen waarvan de veiligheid en gezondheid gedurende het zwemseizoen worden onderzocht, zodat bij een onveilige situatie kan worden ingegrepen.
Acties om doelen te realiseren Actie 1 - Verbeteren kwaliteit oppervlakte- en grondwater om te voldoen aan KRW-normen De Europese KRW doelen voor Zeeland worden uitgewerkt in het Provinciaal Waterprogramma 20222027 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap. Alle partijen in de waterketen werken samen aan de uitvoering uit oogpunt van het Zeeuwse brede belang. Voor de deltawateren stelt het Rijk kaders vast en zorgt Rijkswaterstaat voor het beheer. Rolverdeling:
Rijk, provincie, waterschap en gemeenten voorkomen verontreiniging van oppervlakte- en grondwater met behulp van voorschriften en regels. Grondeigenaren en -gebruikers, Rijkswaterstaat, waterschap en gemeenten voeren vanuit hun specifieke verantwoordelijkheid, zorgplicht of taak maatregelen uit voor verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. Terreinbeheerders delen ecologische kennis en voeren werkzaamheden uit ter verbetering van de waterkwaliteit. Zwemwaterlocaties worden jaarlijks door de provincie aangewezen en de zwemwaterkwaliteit wordt gemonitord door de waterbeheerders.
Actie 2 - Voorkomen van intering op watervoorraden Onttrekking van grond- en oppervlaktewater mag niet leiden tot intering op de watervoorraden. De verwachte toename van de behoefte aan zoet water in droge periodes vraagt om betere afspraken over gebruik, opslag en verdeling van water. Rolverdeling:
Alle gebruikers van grond- en oppervlaktewater gaan zorgvuldig om met aanwending van water. Onttrekking van oppervlakte- en grondwater wordt gereguleerd door Rijk, provincie, waterschap en gemeente om evenwicht te houden tussen aanvulling en onttrekking. Gebruikers en overheden investeren in vergroten van de mogelijkheden voor vasthouden en bergen van hemelwater. Evides is verantwoordelijk voor productie en distributie van drinkwater in Zeeland. Provincie wijst grondwaterbeschermingsgebieden aan.
Kansen en risico’s bij de uitvoering 1. Doe meer met minder grond.
Vergroten van de (zoet)water berging in stedelijk en landelijk gebied combineren met andere functies. Gebieden met beperkingen vanwege de waterhuishouding kunnen met voorrang worden benut voor andere functies die daar geen nadeel van ondervinden.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Maatregelen voor verbetering van de waterkwaliteit van oppervlakte- en grondwater vergroten ook de waarde voor natuur, recreatie en landbouw. Kringlooplandbouw en natuurherstel dragen bij aan verbetering van de waterkwaliteit. Intensieve samenwerking in de waterketen maakt efficiënt en effectief waterbeleid mogelijk.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
De zoetwaterbeschikbaarheid in Zeeland is van oudsher beperkt, wat sturend is geweest voor het landgebruik. Aansluiten bij die historische indeling biedt kansen voor effectief waterbeleid en landschapsversterking.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
93
Oplossingen voor watervoorziening moeten ook op langere termijn, met effecten van klimaatverandering, houdbaar zijn. Beschikbaarheid en aanvoer van water van buiten Zeeland is afhankelijk van nationale prioritering en ontwikkelingen in het hele internationale stroomgebied.
94
Bouwstenen van EEN DUURZAME EN INNOVATIEVE ECONOMIE Uitstekend wonen en leven in Zeeland
Balans in de grote wateren en het landelijk gebied
Een duurzame en innovatieve economie
Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland
Woningvoorraad
Bodem
Arbeidsmarkt
Klimaatadaptatie
Woonomgeving
Archeologie
Circulaire economie
Zoetwater
Voorzieningen en evenementen
Erfgoed
Recreatie en toerisme
Energietransitie
Onderwijs
Landbouw
Havens en bedrijven
Duurzame energie
Gezondheid
Milieu
Transport en infrastructuur
Waterveiligheid
Mobiliteit
Natuur
Visserij
Cultuur
Deltawateren
Watersysteem
Belangrijkste onderwerpen bij de uitdaging
Landschap
Sterke relatie met de uitdaging Beperkte relatie met de uitdaging
95
17. Arbeidsmarkt Doelstelling 2030 De Zeeuwse arbeidsmarkt is in 2030 conjunctuurproof en kan voorzien in de vraag van de Zeeuwse werkgevers: voldoende gekwalificeerde arbeidskrachten voor de Zeeuwse arbeidsmarkt. Het arbeidsaanbod sluit goed aan op de vraag van werkgevers en dat het (beroeps)onderwijs in staat is toekomstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt te duiden en in te passen in de curricula. Daarnaast zijn achterliggende oorzaken opgelost. Indicatoren:
Werkgelegenheid (Totaal werkzaam in Zeeland in 2019: 192.800 (cbs.nl) Bruto regionaal product (2018: 13 578 mln (cbs.nl) Aansluiting van vraag en aanbod op arbeidsmarkt (UWV spanningsindicator)
Huidige situatie Jaarlijks ontstaan er zo’n 1,2 miljoen vacatures in Nederland. De arbeidsmarkt is nog steeds krap en zal dat naar alle waarschijnlijkheid ook voorlopig zo blijven (hoewel het groeitempo vertraagt en de werkloosheid t.g.v. corona in 2020 oploopt). Ook zijn er een aantal onzekerheden en risico’s die negatief kunnen uitpakken. Denk aan de handelssituatie tussen de Verenigde Staten en China, de effecten van Brexit en de duur en omvang van de corona pandemie. De komende 25 jaar zal zich naar verwachting een aantal ingrijpende veranderingen voltrekken, maar een aantal andere aspecten van de arbeidsmarkt zal betrekkelijk weinig veranderen. De belangrijkste veranderingen worden vermoedelijk niet veroorzaakt door veel besproken trends als technologische ontwikkeling, flexibilisering en vergrijzing. Het zijn juist de tragere, maar gestage veranderingen die minder in het oog lopen, die de meest ingrijpende gevolgen hebben. Dat zijn de trends van de opmars van de werkende vrouw, de explosieve groei van deeltijdwerk, het langer doorwerken, de verdere groei van de dienstensector en de toename van het aantal hoogopgeleiden. Het SCP verwacht dat werk, meer dan nu, verbonden zal zijn met technologie; vaker een hoge scholing vereist en minder plaats- en tijdgebonden is.
Ook voorzien de onderzoekers dat de opkomst van de 'op-afroepeconomie' doorzet en een steeds groter deel van de werkenden relatief korte klussen voor wisselende opdrachtgevers zal doen. Het gevolg: weinig continuïteit in het werk; minder mogelijkheden om een loopbaan te plannen. De grenzen tussen werk en de andere domeinen zullen daarnaast waarschijnlijk vervagen, doordat werkenden in de toekomst ook meer moeten zorgen en leren. De combinatiedruk, die nu al wordt ervaren, zal hierdoor in de toekomst hoger worden. Al deze ontwikkelingen betekenen meer onzekerheid en vragen om een groot adaptatie- en anticipatievermogen. Dit zal niet voor iedereen even gemakkelijk en haalbaar zijn, waardoor een aanzienlijk deel van de bevolking buiten de boot kan vallen. De opgave van de Zeeuwse arbeidsmarkt is niet zozeer de werkloosheid (die is laag in Zeeland) maar het vinden van voldoende mensen voor de vraag van de werkgevers. Bedrijven worden immers door het gebrek aan personeel beperkt in hun groei en succes. Tevens zijn er grensoverschrijdende belemmeringen door wet- en regelgeving. Daarnaast is Zeeland minder aantrekkelijk voor hogeropgeleiden, mede door het imago en het ontbreken van een grootstedelijk klimaat. Daarnaast trekt een grote groep jongeren voor hun studie weg en komt voor een groot deel niet meer terug.
Een deel van de jongeren is ook niet bekend met de vacatures en toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt in de provincie. Ook voldoende passende huisvesting voor werknemers is een belangrijke uitdaging. Zowel voor arbeidsmigranten, tijdelijke medewerkers als voor starters op de woningmarkt is niet altijd een passend aanbod beschikbaar. Nieuwe sectoren en werkgelegenheid ontstaan op het gebied van de voedsel, biobased productie, energietransitie en zon-, wind- en waterenergie.
96
Acties om doelen te realiseren Actie 1.1: Bedrijven, onderwijsinstellingen, private en publieke organisaties werken samen om de vraag naar en het aanbod van arbeidskrachten met elkaar in evenwicht te brengen en up to date te houden. Rolverdeling:
Betrokken partijen werken samen in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt De Provincie heeft een procesrol, betrekt en verbindt partijen en stelt (mede) financiële middelen beschikbaar
Actie 1.2: Het spel van vraag- en aanbod, scholing en training wordt optimaal ondersteund door goede digitale infrastuur, een Expat Center Zeeland en inzet van social media, etc. Rolverdeling:
Betrokken partijen werken samen in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt De Provincie heeft een procesrol, betrekt en verbindt partijen en stelt (mede) financiële middelen beschikbaar
Actie 1.3: Zeeland nadrukkelijker in beeld brengen voor wonen, studeren en werken Rolverdeling:
Betrokken partijen werken samen in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt De Provincie heeft een procesrol, betrekt en verbindt partijen en stelt (mede) financiële middelen beschikbaar voor een marketingorganisatie
Actie 1.4: Een gezamenlijke aanpak van onderwijs, overheden, bedrijfsleven in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt Een aanpak gericht op het verkrijgen van extra middelen van het Rijk (Zeeland in stroomversnelling) t.b.v. plaatsing 400 werkzoekenden op Zeeuwse vacatures, extra middelen t.b.v. op maat interesseren van hoger-opgeleiden van elders voor Zeeuwse vacatures, gerichte activiteiten om jongeren meer te binden aan Zeeland. Via de arbeidsmarktregio Zeeland zijn Europese subsidies voor arbeidsmarktaspecten bereikbaar. Rolverdeling:
Onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven, gemeenten en Provincie nemen deel aan het Aanvalsteam Arbeidsmarkt. De provincie heeft een procesrol, betrekt en verbindt partijen en stelt (mede) financiële middelen en personele inzet beschikbaar voor activiteiten/projecten/adviezen van het Aanvalsteam Arbeidsmarkt.
Actie 1.5: De lancering van het Expat Center Zeeland gericht op het verzorgen van een warm welkom van nieuwe Zeeuwen Rolverdeling:
Betrokken partijen werken samen in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt De provincie heeft een procesrol, betrekt en verbindt partijen en stelt (mede) financiële middelen beschikbaar
Actie 1.6: Evenementen gebruiken voor de profilering van Zeeland Grote wielerrondes en festivals zetten Zeeland op de (inter)nationale kaart. Met ‘sportevenementen die inspireren’ zijn er in het door veel partners opgestelde Zeeuwse Sportakkoord, ambities benoemd voor sportevenementen die impact hebben op de profilering van Zeeland en waar mensen mee geïnspireerd worden om in beweging te komen, met name in de buitenruimte. Rolverdeling:
De provincie stelt financiële middelen beschikbaar voor specifieke topevenementen
97
Actie 1.7: Natuur benutten als factor in het Zeeuwse vestigingsbeleid Een groene omgeving draagt bij aan de aantrekkelijkheid van een regio. Investeren in natuurbeleving en natuurbranding is dus belangrijk in het totaal van de Zeeuwse marketingstrategie. Rolverdeling:
Gemeenten investeren in openbaar groen in de bebouwde omgeving De provincie stelt financiële middelen beschikbaar voor natuurontwikkeling, -beheer en beleving.
Actie 1.8: Versterken van de kennis- en innovatienetwerken in Zeeland Versterken van de kennis- en innovatienetwerken in Zeeland en de rol die zij vervullen in het aanjagen en stimuleren van innovatie, zowel op gebied van producten en diensten als ook sociale innovatie. Rolverdeling:
De Provincie heeft een procesrol, betrekt en verbindt partijen en stelt (mede) financiële middelen beschikbaar via Campus Zeeland en/of Ambities Aanvalsplan Arbeidsmarkt (human capital programma’s)
Actie 1.9: Meer preventief handelen daar waar sprake is van dreigend ontslag, om te voorkomen dat mensen doorstromen via de WW naar de bijstand. Rolverdeling:
UWV en gemeenten brengen het bestaande en toekomstige bestand van uitkeringsgerechtigden in kaart in termen van competenties, motivatie, leervermogen, ambities, ervaring en opleiding Werkgevers stellen zich flexibeler op in termen van werving en selectie eisen en via hybride leervormen (zoals praktijkroutes), werkend leren en jobcarving het beschikbaar (en latent) arbeidspotentieel maximaal laten instromen in het arbeidsproces
Kansen en risico’s bij de uitvoering 1. Doe meer met minder grond. (…) 2. Werk samen en deel kosten en baten.
Door samenwerking komt er een soepelere en meer vloeiende overgang tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Big data kan bijdragen aan werving en selectie van mensen.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Een gezonde arbeidsmarkt draagt bij aan het adagium goed wonen, werken en studeren in Zeeland.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld. (…)
98
18. Circulaire economie Doelstelling 2030 Binnen de Zeeuwse economie is in 2030 het gebruik van primaire grondstoffen (mineraal, fossiel en metalen) met 50% gedaald. Deze transitie omvat drie onderdelen: 1. Grondstoffen efficiënt en hoogwaardig benutten. 2. Vervangen van ‘niet duurzame’ door ‘duurzaam geproduceerde hernieuwbare en algemeen beschikbare’ grondstoffen. 3. Gebieden inrichten vanuit een circulaire optiek. Indicatoren: Om de doelstelling te monitoren wordt aangesloten bij landelijke monitoringsprogramma’s (tweejaarlijkse Integrale Circulaire Economie Rapportage van het Planbureau voor de Leefomgeving en de jaarlijkse monitor van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland). Indicatoren op Zeeuwse schaal zijn slecht voorhanden. Indicatoren zijn gericht op de 3 onderdelen van het raamwerk circulaire economie van het Planbureau voor de Leefomgeving:
Input: Percentage duurzaam geproduceerde hernieuwbare en algemeen beschikbare grondstoffen (bron: landelijke monitoringsprogramma’s) R-strategieën: Aantal projecten en bedrijven dat inzet op (her)gebruik van biobased materialen (bron: Cicular Biobased Delta) Verlies: Hoeveelheid aangeboden huishoudelijk en bedrijfsafval (bron: OLAZ 2019 huishoudelijk afval: 92.352 ton) Oppervlakte gewasteelt voor biobased productie
99
Huidige situatie
Zeeuwse ‘vertaling’ circulaire economie De omschakeling naar een circulaire economie is een mondiale opgave die van invloed is op alle economische sectoren. “De circulaire economie is een economisch en industrieel systeem dat de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen en het herstellend vermogen van natuurlijke hulpbronnen als uitgangspunt neemt, waardenvernietiging in het totale systeem minimaliseert en waardencreatie in iedere schakel van het systeem nastreeft” (Ellen Mc Arthur Foundation).