CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

RVS reactie voorontwerp Zeeuwse Omgevingsvisie bijlage 3 voorontwerp ZOVI deel B

Gemeenteraad 25 maart 2021, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Reactie voorontwerp Zeeuwse Omgevingsvisie (396126) Diverse Thema's41.233 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

De kwaliteit van deze topvoorzieningen is belangrijker dan de afstand of tijd die men moet afleggen om er te kunnen komen. Concreet als voorbeeld (niet uitputtend en discutabel) kunnen worden genoemd als ‘top- of kwaliteitsvoorzieningen’ in de Zeeuwse context: Neeltje Jans, Zeeuws Museum, Industrieel Museum, Watersnoodmuseum, Bevrijdingsmuseum, De Mythe, CineCity, het Scheldetheater, Zeeuwse Bibliotheek, UCR, HZ en grote evenementen zoals Concert at Sea, Kustmarathon Zeeland, Ride for the Roses, Nazomerfestival, Vleeshal, et cetera. Zeeland heeft sinds jaren te maken met opschaling van organisaties op het gebied van zorg, onderwijs en dienstverlening. Veelal heeft dit te maken van het verdwijnen van de noodzakelijke massa om een bepaald aanbod nog exploitabel te houden. Bij de culturele voorzieningen is er minder sprake van opschaling, maar neemt ook hier de druk toe en lijkt een beweging naar verdere samenwerking en op termijn opschaling onafwendbaar. Onderwijs In het Zeeuwse onderwijs heeft de ingezette ontgroening van de bevolking de afgelopen jaren in het basisonderwijs geleid tot sluiting van veel scholen. Inmiddels is de afname zichtbaar in het voortgezet onderwijs. Voor basisscholen is de grootste krimp voorbij, maar zet nog een aantal jaren door tot circa 2028.

Op gemeentelijk niveau is er nadruk op schaalvergroting (kwaliteit onderwijs) en integrale huisvesting (IKC’s). In heel Zeeland is het vinden van genoeg leerkrachten een grote uitdaging. Dit geldt ook voor docenten in het voortgezet onderwijs. In Zeeuws-Vlaanderen ondervindt men last van ‘concurrentie van Belgische scholen’. Dit begint vanaf de kinderopvang. In het voortgezet onderwijs zet de leerlingendaling de komende jaren nog door. Gemiddeld wordt 13% daling van leerlingaantallen richting 2030 verwacht, met uitschieters richting 20% in Zeeuws-Vlaanderen, waar naast sterke krimp ook leerlingen ‘weglekken’ naar België en op Schouwen-Duiveland. Dit heeft landelijke aandacht (commissie Dijkgraaf) en het Rijk gaat hiervoor (tijdelijk) extra budget vrij maken. In verbindingen tussen onderwijs- en culturele voorzieningen liggen kansen om een kwaliteitsimpuls te bereiken die weglek over de grens kan beperken omdat via een verlengde schooldag wordt geïnvesteerd in een rijk opleidingsklimaat. De bereikbaarheid van schoollocaties in het algemeen, en van MBO-scholen in het bijzonder, is van invloed op de schoolkeuze van scholieren. De ontwikkeling naar meer digitaal onderwijs kan dit in de toekomst veranderen. Zorg Ook voor goede ziekenhuiszorg is het hebben van medische specialisaties steeds meer afhankelijk van grotere aantallen patiënten.

Gelet op de relatief geringe Zeeuwse bevolking kan niet langer in alle specialisaties worden voorzien en blijft samenwerking binnen Zeeland en met andere ziekenhuisorganisaties buiten de regio noodzakelijk. Toerisme in relatie tot voorzieningen Toerisme draagt in sommige streken van onze provincie in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid en instandhouding van voorzieningen, zelfs in de kleine kernen. Winkels, openbaar vervoer en publieke voorzieningen zijn er mede dankzij het draagvlak van het toerisme. Daar waar de toeristen niet komen, is bijvoorbeeld de supermarkt een voorziening die onder druk staat en daardoor mogelijk zal verdwijnen. Deze voorziening is dan enkel afhankelijk van de 'eigen' bewoners van een kern, die in

22

veel gevallen de mogelijkheid hebben (en er ook voor kiezen) met de auto de boodschappen elders te halen. Het zijn de oudere, minder mobiele bewoners, die bij het verdwijnen van de supermarkt in een kern of dorp in de problemen kunnen raken. Niet alleen verliezen ze de plek waar ze hun dagelijkse boodschappen halen, maar tegelijkertijd ook een plaats waar ze elkaar regelmatig ontmoeten. De supermarkt kan gezien worden als het symbool van het ‘zelfvoorzienende dorp’. Het verdwijnen van deze voorziening (meestal als gevolg van schaalvergroting) wordt dan ook ervaren als een verdere aantasting van de leefbaarheid. Het verdwijnen van voorzieningen is daarmee niet alleen een ‘logistiek vraagstuk’, dat (deels) door de inzet van meer mobiliteit en internet voor kwetsbare bewoners kan worden ondervangen, maar kent vooral ook een sociale component. Voorzieningen en vestigingsklimaat De aanwezigheid van een bereikbaar en toegankelijk winkelbestand en zeker ook (basis)voorzieningen op gebied van onderwijs, zorg en cultuur dragen bij aan de leefbaarheid van een gebied voor mensen die daar wonen. Ook zorgt de aanwezigheid van voorzieningen ervoor dat de provincie aantrekkelijk is en blijft voor jongeren en nieuwe (jonge) gezinnen die zich hier van buiten de provincie willen vestigen. Onderscheidende (top)voorzieningen kunnen hierin een rol spelen.

Gelet op het aanwezige en dreigende tekort aan arbeidskrachten in Zeeland is dit geen onbelangrijk aspect, in het kader van het economisch vestigingsklimaat. Van de jongeren geeft 90% aan in de stad te willen wonen. Dit is van belang in relatie tot het aanbod aan stedelijke voorzieningen. De leegstand van winkelpanden in Zeeland neemt toe (bron: Compendium voor de Leefomgeving, indicator Leegstand van winkels). Dit is onder andere een gevolg van afname van de verkoop via fysieke winkels. Leegstand in de hoofdwinkelstraten en dorpskernen moet zoveel mogelijk worden voorkomen, omdat dit een groot effect heeft op de aantrekkelijkheid van het hele gebied. In de bouwsteen Woningvoorraad is een actie opgenomen om leegstaande panden waar dat passend is, om te bouwen naar woonvormen waar behoefte aan is. Detailhandel in de kern van steden en dorpen draagt het meeste bij aan leefbaarheid. Detailhandel buiten de kern kan alleen als de winkels te groot zijn voor het reguliere winkelgebied of de producten te risicovol of volumineus (bijv. meubels) zijn. Bereikbaarheid van voorzieningen De bereikbaarheid van wonen, werk en recreatie in Zeeland is over het algemeen goed. Het gros van de mensen kan zich zelfstandig verplaatsen over een multimodaal netwerk met een betrouwbare reistijd. Verplaatsingen vinden veelal plaats met de auto.

Het hoge autobezit geeft goede mogelijkheden tot zelfstandige mobiliteit. De primaire infrastructuur is bij incidenten kwetsbaar. Op het moment dat er iets op de A58 gebeurt staat alle verkeer van en naar Zeeland vast. Ook bij zomerdrukte ontstaat reistijdverlies. Het wordt drukker op de weg. Met name in de zomerperiode zal de intensiteit gaan toenemen. Naar verwachting zit de (met name de hoofd-)infrastructuur rond 2030 tegen haar capaciteitsgrenzen aan. Over het algemeen zijn door fysieke barrières de reisafstanden vrij groot. Centralisering van voorzieningen zorgt ervoor dat reisafstanden toenemen en de reisduur daarmee ook. Het kopen op afstand (internet) versterkt deze trend. De groepen die wel belemmeringen ervaren in bereikbaarheid van voorzieningen zijn scholieren/studenten, mensen met een beperking en ouderen. Deze groepen zijn minder zelfstandig mobiel en daarom meer afhankelijk van fiets of openbaar- en doelgroepenvervoer. Door centralisering zijn niet alle voorzieningen aan te fietsen, maar daar staat tegenover dat met de elektrische fiets de acceptabele fietsafstand kan verdubbelen. Het busvervoer in Zeeland kent een teruglopend aantal gebruikers en de kosten voor het systeem nemen toe. Voor doelgroepenvervoer geldt dat het gebruik toeneemt, wat voor gemeenten leidt tot kostenstijging.

Evenementen De afgelopen 25 jaar waren er grote ontwikkelingen in de evenementensector in Nederland: groei in aantal, omvang, aandacht die ze genereren, professionaliteit. Evenementen en festivals spelen in op de behoefte aan unieke belevingen, tijdelijke beschikbaarheid, meedoen. Ook in Zeeland zien we dat. Veel evenementen zijn ontstaan in de afgelopen 25 jaar. Vooral het laatste decennium zien we ook in Zeeland een sterke groei in omvang, deelname, en (media)aandacht. Die groei in omvang brengt eenzelfde soort zorgen mee als de groei van het toerisme, namelijk uitdagingen op het gebied van infrastructuur. De doorgangswegen en bruggen tussen de eilanden raken regelmatig overvol en leveren problemen op voor bewoners, bezoekers en zorg- en veiligheidsdiensten. Het aantal evenementen in Zeeland bedroeg in 2019 duizenden op jaarbasis, uiteenlopend van grotere meerdaagse festivals en sportevenementen tot een kleedjesmarkt. De omvang en impact verschilt en de evenementen zijn niet gelijkmatig verdeeld in tijd noch over het gebied. Het overgrote deel van

23

deze evenementen drijft op vrijwilligers, dat geldt overigens ook voor grote delen van de culturele sector. Het vrijwilligersbestand vergrijst en het aantrekken van nieuwe aanwas blijkt lastig. Voor sommige evenementen kan het organiseren daardoor onwerkbaar worden.

Acties om doelen te realiseren Subdoel 1: Iedereen, ongeacht leeftijd, opleidingsniveau, afkomst of vitaliteit, heeft toegang tot alle voorzieningen. Actie 1.1a - De basisvoorzieningen moeten voor iedereen beschikbaar en bereikbaar zijn en worden daarom zoveel mogelijk lokaal ingevuld. Zorgen voor essentiële zaken, zoals nutsvoorzieningen inclusief internet, levensmiddelen, detailhandel, eerstelijns gezondheidszorg, hulpdiensten en basisonderwijs, maar ook bijvoorbeeld een basisbibliotheek of bibliobus. De basisvoorzieningen kunnen veelal lokaal worden ingevuld en moeten voor iedereen beschikbaar en bereikbaar zijn. Rolverdeling:   

   

Euregio Scheldemond faciliteert grensoverschrijdende afstemming van voorzieningen en ondersteunt initiatieven via Interregsubsidies. Het Rijk stelt landelijke kaders vast over toegang tot basisvoorzieningen en draagt financieel bij. De provincie stelt ruimtelijke kaders vast voor vestiging en behoud van voorzieningen in kernen, verzorgt openbaar vervoer en subsidieert een aantal openbare voorzieningen. De gemeenten maken gemeentelijk beleid en stellen kaders vast, adviseren publieke instellingen en ondernemers, richten openbare ruimte in, communiceren over beschikbaarheid van voorzieningen, vergunnen, verlenen subsidie aan voorzieningen en bieden zelf basisvoorzieningen en bijzonder vervoer aan. Inwoners en toeristen maken gebruik van voorzieningen en betalen daar voor. Ondernemers leveren commerciële voorzieningen aan inwoners en toeristen, maken gebruik van en dragen financieel bij aan voorzieningen. Woningcorporaties investeren in voorzieningen als onderdeel van woonprojecten. Zorginstellingen bieden lokaal kleinschalige en goed toegankelijke voorzieningen aan voor cliënten en omwonenden. Culturele organisaties brengen een breed en gevarieerde aanbod aan cultuuruitingen Onderwijsinstellingen zorgen voor een divers aanbod aan basisonderwijs. Terreinbeheerders zorgen voor optimale toegankelijkheid van natuurgebieden voor bewoners en toeristen.

Actie 1.1b - Inwoners van kleine kernen waar de basisvoorzieningen niet beschikbaar zijn, kunnen deze voorzieningen bereiken door slimme mobiliteit en/of digitale ontsluiting. Dit valt samen met subdoel 2: Ontwikkelen en invoeren van een robuust en flexibel mobiliteitssysteem, slim en toegankelijk vervoer in het hoofdstuk Mobiliteit. Actie 1.2 - Aanvullende voorzieningen zoveel mogelijk op knooppunten geconcentreerd, die optimaal bereikbaar zijn gemaakt voor alle Zeeuwen. Aanvullende voorzieningen bieden een meerwaarde op basisvoorzieningen. Ze zijn niet in iedere kern aanwezig. Het gaat bijvoorbeeld om zwembaden, winkelcentra, tweedelijns gezondheidszorg, middelbaar onderwijs, culturele instellingen en evenementen. Rolverdeling:     

Euregio Scheldemond faciliteert grensoverschrijdende afstemming voorzieningen en ondersteunt initiatieven via Interreg subsidie. Het Rijk zorgt voor bereikbaarheid via rijkswegen, stelt landelijke kaders vast over toegang tot voorzieningen en draagt financieel bij. De provincie stelt ruimtelijke kaders vast voor concentratie van voorzieningen (inclusief grootschalige en perifere detailhandel) op geschikte locaties, stemt openbaar vervoer af op de locaties en subsidieert een aantal regionale voorzieningen en evenementen. Het waterschap zorgt voor bereikbaarheid van voorzieningen via waterschapswegen. De gemeenten maken regionaal en gemeentelijk beleid en stellen kaders op, adviseren publieke instellingen en ondernemers, vergunnen, verlenen subsidie aan voorzieningen, verzorgen het gemeentelijk wegennet en bieden zelf voorzieningen en bijzonder vervoer aan.

24

  

Ondernemers leveren commerciële voorzieningen aan inwoners en toeristen, maken gebruik van en dragen financieel bij aan voorzieningen. Zorginstellingen bieden goed toegankelijke centrale zorgvoorzieningen aan voor inwoners en toeristen. Onderwijsinstellingen zorgen voor een divers aanbod aan voorzieningen voor middelbaar onderwijs.

Actie 1.3 - De toegang tot kwalitatief hoogwaardige topvoorzieningen binnen en buiten Zeeland verzekeren. Bij de echte top- en of kwaliteitsvoorzieningen gaat het over voorzieningen die van bovenregionaal of (sub)nationaal belang zijn en effecten hebben die over gemeente en/of regiogrenzen heen gaan, zoals ziekenhuizen met specialisaties, top toeristische en culturele voorzieningen (musea, toeristische dagattracties, schouwburgen, theaters, bioscopen en festivals), hoger- en wetenschappelijk onderwijs met onderscheidende studierichtingen. Rolverdeling:    

  

Euregio Scheldemond faciliteert grensoverschrijdende afstemming voorzieningen en ondersteunt initiatieven via Interreg subsidie. Het Rijk zorgt voor bereikbaarheid via spoor- en rijkswegen, stelt landelijke kaders vast en draagt financieel bij aan specifieke topvoorzieningen. De provincie stelt ruimtelijke kaders vast voor vestiging van voorzieningen op centrale locaties, stemt openbaar vervoer af op de locaties en subsidieert een aantal topvoorzieningen en onderscheidende evenementen. Het waterschap zorgt voor bereikbaarheid van voorzieningen via waterschapswegen. De gemeenten maken regionaal en gemeentelijk beleid en stellen kaders op, adviseren publieke instellingen en ondernemers, vergunnen, verlenen subsidie aan voorzieningen, verzorgen het gemeentelijk wegennet en dragen financieel bij aan topvoorzieningen. Ondernemers ontwikkelen en exploiteren commerciële topvoorzieningen. Zorginstellingen bieden goed toegankelijke specialistische zorg aan in samenwerking met (universitaire) ziekenhuizen buiten Zeeland. Onderwijsinstellingen zorgen voor een breed aanbod aan hoger onderwijs met specialisaties op de thema's voedsel, water en energie.

Actie 1.4 - Door ‘slimme mobiliteit’ de bereikbaarheid van voorzieningen verbeteren. Zie actie 2.2 bij 'Mobiliteit'

Subdoel 2: Zeeland beschikt over een aantal bijzondere en zich onderscheidende kleinschalige top- en kwaliteitsvoorzieningen op het gebied van onderwijs, zorg en cultuur, die de regio extra aantrekkelijk maken om te blijven of zich van elders te hier vestigen. Actie 2.1 - Behoud en ontwikkeling onderscheidende top- en kwaliteitsvoorzieningen. Om de aantrekkelijkheid van Zeeland te vergroten is behoud, verbetering en uitbreiding van onderscheidende voorzieningen noodzakelijk. Rolverdeling:     

Euregio Scheldemond ondersteunt de ontwikkeling van onderscheidende voorzieningen met grensoverschrijdende effecten. Het Rijk draagt via het compensatiepakket Marinierskazerne financieel bij aan topvoorzieningen op het gebied van veiligheid, onderwijs, onderzoek, bereikbaarheid en energie. Daarnaast investeert het Rijk ook in kwalitatieve hoogwaardig cultureel aanbod in Zeeland. De provincie en gemeenten ondersteunen realisatie van topvoorzieningen en onderscheidende evenementen met menskracht, lobby en financiële middelen. Ondernemers ontwikkelen en exploiteren commerciële topvoorzieningen. Zorginstellingen bieden goed toegankelijke specialistische zorg aan in samenwerking met (universitaire) ziekenhuizen buiten Zeeland.

25

Onderwijsinstellingen zorgen voor een breed aanbod aan hoger onderwijs met specialisaties op de thema's voedsel, water en energie.

Subdoel 3: Evenementen zijn het duurzame uithangbord van de ultieme Zeeuwse beleving. Actie 3.1 - Realiseren van een Zeeland brede coördinatie van evenementen. Samenwerking en coördinatie is noodzakelijk om de ambities voor evenementen te halen. Daar is een betere coördinatie voor nodig. Afhankelijk van omvang en impact van het evenement gaat de coördinatie van gemeentelijk naar regionaal naar Zeeuwsbreed. Binnen deze gewenste coördinatie worden evenementen op elkaar en op de belasting voor een gebied, kern, toegangswegen, vrijwilligers en hulpdiensten afgestemd. Rolverdeling:  

Organisatoren van evenementen melden hun programmering bij het coördinatiepunt en vragen vergunning aan. Provincie, gemeenten en veiligheidsregio stemmen de planning van evenementen centraal af.

Actie 3.2 - Zorgen voor voldoende vrijwilligers om evenementen te organiseren. Investeren in ondersteuning bij werven en inzet van vrijwilligers is noodzakelijk zodat een organisatie voldoende handen en voeten heeft om een evenement op het Zeeuwse kwaliteitsniveau te organiseren. Rolverdeling:  

Gemeenten ondersteunen evenementen bij de werving van vrijwilligers Evenementen verzorgen de werving van vrijwilligers en delen kennis over de aanpak

Actie 3.3 - Breder benutten van evenementen voor andere opgaven. Met een gezamenlijke aanpak kunnen evenementen voor andere opgaven worden benut zoals het werven van arbeidskrachten, stedelijke aantrekkelijkheid/vestigingsklimaat, en toeristische promotie. Evenementen zorgen voor een directe aanleiding/actie voor mensen om Zeeland te bezoeken en koppelen een positieve beleving aan de regio. Rolverdeling:  

Organisatoren benaderen ondernemers voor verbreding van de commerciële samenwerking. Provincie en gemeenten stemmen met organisatoren af over koppeling met bredere maatschappelijke doelen en leveren een financiële tegenprestatie via subsidieverlening.

Actie 3.4 - Evenementen meer laten bijdragen aan klimaat en energie Om evenementen in het teken te laten staan van klimaat en duurzaamheid is aansluiting gevonden bij partners die zich bezighouden met energietransitie en klimaatadaptatie, met name voor kennis en expertise. Evenementen zijn steeds meer op zoek om de impact op klimaat en omgeving te verminderen. Men ondervindt wel drempels als het gaat om kennis over de mogelijkheden en ontwikkelingen en de kosten die er soms mee gemoeid zijn. Rolverdeling: 

Gemeenten stemmen met organisatoren af over mogelijkheden voor verduurzaming van evenementen.

Kansen en risico's bij de uitvoering 1. Doe meer met minder grond.   

Bundeling van verschillende voorzieningen op één locatie maakt deze aantrekkelijker, beter bereikbaar per collectief vervoer, eenvoudiger te exploiteren en het bespaart ruimte. Digitalisering van voorzieningen vermindert de behoefte aan fysieke uitbreidingsruimte. Locaties en terreinen die tijdelijk geen invulling hebben, kunnen geschikt zijn voor evenementen.

2. Werk samen en deel kosten en baten.

26

  

Investeringen in voorzieningen vallen samen met noodzakelijke aanpassingen voor klimaatadaptatie en energietransitie. Combinatie is nodig en kan zorgen voor lagere exploitatiekosten. Openbaar toegankelijk groen is een waardevolle voorziening in stedelijk gebied en draagt bij aan klimaatdoelen, woningwaarde, biodiversiteit en gezondheid. Benutting van evenementen is een onderdeel van marketing en promotie van Zeeland en kan een deel van de organisatiekosten dragen.

3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.   

Topvoorzieningen worden onderscheidend en aantrekkelijk als ze optimaal aansluiten op de Zeeuwse kernkwaliteiten. Binnen Zeeland zijn kernkwaliteiten niet gelijk verdeeld, daarom is het ook logisch dat er verschillen zijn in soort en schaal van voorzieningen. Evenementen zijn zeer geschikt om bijzondere Zeeuwse kwaliteiten in de schijnwerpers te zetten.

4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.  

De bereikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen moet ook rekening houden met de mogelijkheden van toekomstige inwoners en toeristen. Voortgaande digitalisering en andere technologische innovaties zal de fysieke versie van een aantal voorzieningen overbodig en/of onbetaalbaar maken. Voor mensen die afhankelijk zijn van deze voorzieningen, moet de toegang tot de voorziening worden verzekerd.

27

6. Woningvoorraad Doelstelling 2030 Een toekomstbestendige en CO2-neutrale woningvoorraad die in kwaliteit en kwantiteit aansluit op de vraag. Door de geringe uitbreidingsbehoefte van de Zeeuwse woningvoorraad moet de focus van het woonbeleid meer en meer op de bestaande voorraad komen te liggen. De toekomstige woningvoorraad is namelijk voor het overgrote deel al gebouwd. Subdoel 1: Toekomstbestendig maken van de bestaande woningvoorraad; CO2-neutraal en levensloopbestendig. De grootste opgave ligt in de versterking van de bestaande woningvoorraad. Hoe maken we de bestaande woningvoorraad toekomstbestendig? Het gaat daarbij om de verduurzaming en het levensloopgeschikt maken van de woningvoorraad en daarmee samenhangend, het op peil houden van de leefbaarheid in wijken en dorpen. In delen van Zeeland gaat het daarnaast om het onttrekken van woningen die niet toekomstbestendig (te maken) zijn, vaak om ruimte te maken voor passende nieuwbouw. Voor het CO2-neutraal maken staat in de Zeeuwse Regionale energiestrategie als doel voor 2030 een verlaging van 34% van het energieverbruik van particuliere woningen t.o.v. 2017. Voor corporatiewoningen is regionaal geen tussentijds doel afgesproken. Landelijk hebben de corporaties als doelstelling dat al hun huurwoningen CO2-neutraal zijn in 2050.

Het eerste ijkpunt op weg daarheen is 2021: dan hebben corporatiewoningen gemiddeld energielabel B. Waar mogelijk wordt circulair gewerkt bij aanpassingen. Subdoel 2: Nieuwbouw passend bij de huidige en toekomstige behoefte en minimaal 50% circulair: focus op kwaliteit in woningtypen en locaties. Bij nieuwbouw gaat het veel meer om kwaliteit en minder dan vroeger om kwantiteit. Het gaat om het toevoegen van de juiste woningen aan de voorraad op de juiste plekken, complementair aan de bestaande voorraad. Zo draagt nieuwbouw maximaal bij aan een toekomstige woningvoorraad die in kwaliteit en kwantiteit aansluit bij de vraag. Subdoel 3: Inspelen op de behoefte aan specifieke segmenten op woningmarkt Naast de behoefte aan ‘reguliere woningen’ wordt een behoefte gesignaleerd aan specifieke type woningen zoals flexwonen, huisvesting van internationale werknemers en passende woonvormen voor oudere huishoudens, al dan niet met zorgindicatie. Voor ouderen gaat het bijvoorbeeld om geclusterde woonvormen voor gelijkgestemden en woonvormen op het grensvlak van zelfstandig en intramuraal wonen. De behoefte aan specifieke segmenten op de woningmarkt kan worden gestimuleerd via hergebruik van bestaand vastgoed. Indicatoren:         

Ontleend aan het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland, uit 2019 (verder aangeduid als KWOZ 2019) en klimaatmonitor.nl Percentage woningen dat CO2-neutraal is Gemiddeld energieverbruik, geldige energielabels (2019: 67% groen (A, B of C), 33% D of lager volgens klimaatmonitor.nl). Het aantal gerenoveerde, gesloopte en nieuwe woningen Percentage aanpasbare woningen (www.zorgopdekaart.nl) Ontwikkeling percentage leegstand Ontwikkeling percentage ‘overig gebruik’ (niemand ingeschreven, wel in gebruik, bijvoorbeeld deeltijdwonen) Aantal woningen per soort en type afgezet tegen doelgroepontwikkeling (zie grafiek uit 2019 onder ‘Huidige situatie’) Door kennisontwikkeling zoals genoemd in subdoel 2 kunnen mogelijk aanvullende indicatoren benoemd worden.

Huidige situatie Kwalitatieve match Uit het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland (KWOZ, Stec Groep, 2019) volgt een aantal belangrijke conclusies over de woonopgaven in Zeeland: Huishoudensgroei op korte termijn met balans en krimp

28

op middellange termijn, parallel zien we grote verschillen tussen en binnen regio’s. Tot 2040 komen er in totaal nog circa 11.550 huishoudens bij in Zeeland. De huishoudensgroei zit primair in de 65- en 80plushuishoudens. Alleen op Tholen en de Bevelanden groeit de groep gezinnen –traditioneel de grote drijver van groei – de komende jaren nog. Er ontstaat een overschot in het reguliere grondgebonden segment en juist een sterke behoefte aan nultredenwoningen. Voor ouderen is het soort huizen waar men woont vaak niet meer passend, maar doorstromen naar een passende woning wordt als erg lastig ervaren. Door de toename van met name alleenstaande 80+ huishoudens ontstaat een mismatch tussen de huidige woningvoorraad en de woningvoorraad die er op langere termijn zou moeten staan. De behoefte aan nultredenwoningen en beschutte woonzorgwoningen neemt fors toe. Bijna 20% van de voorraad is ‘levensloopgeschikt’, 60% van de woningen is geschikt te maken voor ouderen (bron: Kwalitatief Woononderzoek Zeeland 2019). In het kader van het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland 2019 is de behoefte per type woning tot 2029 in beeld gebracht, zie de grafiek hieronder.

Een deel van de oudere huishoudens wil - mits er passend aanbod is - doorstromen naar een nultredenwoning en de groep die interesse heeft in de vrijkomende reguliere grondgebonden woning wordt (in veel regio’s) kleiner. Dit heeft gevolgen voor de bestaande voorraad. Een deel kan worden aangepast om beter aan te sluiten bij de toekomstige behoefte. Dit is echter niet overal mogelijk en wenselijk. Woningen waar op termijn naar verwachting overschotten van ontstaan (type, soort en prijsklasse) én die relatief minder courant zijn (lage energieprestatie, minder aantrekkelijke buurt, etc.), zijn het meest risicovol: de minst presterende woningen binnen deze voorraad hebben het hoogste risico op leegstand en achteruitgang. De woningmarktopgaven liggen dus voornamelijk in de bestaande voorraad. Daarbij geldt dat niets doen uiteindelijk meer geld kost dan het aanpakken van de bestaande voorraad. Daarnaast worden bewoners kritischer over de gewenste woning en de daarbij horende woonomgeving. Hierdoor worden er steeds meer verschillende woningtypes op de markt gebracht in Nederland, zoals woonhoven voor gelijkgestemde ouderen (‘knarrenhof’), tiny houses of kleine appartementen voor jongeren in een stedelijke omgeving. Er is ook vraag naar zogenaamde middenhuurwoningen in Zeeland. Dit type woning is nodig voor de doorstroming op de woningmarkt en voor het verbreden van de flexibele schil.

Omdat de ontwikkeling van afwijkende woningtypen vaak risicovoller is voor investeerders, wordt het nog niet vaak toegepast in Zeeland, terwijl de vraag er wel is.

29

Uitbreiding De vraag naar extra woningen neemt nog toe in steden en in goed bereikbare kernen met voorzieningen. Daarbuiten is de vraag naar woningen wisselend. Bundeling van voorzieningen in combinatie met een goede bereikbaarheid daarvan is een gezamenlijke uitdaging. In regioverband maken gemeenten afspraken waar en hoeveel woningen er worden toegevoegd in de regionale woningmarktafspraken. De behoefteraming van de meest recente Provinciale bevolkings- en huishoudenprognose is daarvoor de basis. Afspraken over soorten woningen en woonmilieus worden nog niet in elke regio gemaakt. Er zijn in de meeste regio’s meer dan voldoende woningbouwplannen om de uitbreidingsbehoefte op te vangen. Veel plannen zijn echter in het verleden gemaakt toen er een andere vraag en andere verwachtingen waren. De situatie ziet er op dit moment anders uit, waardoor plannen soms niet van de grond komen. Deze plancapaciteit dreigt, de totstandkoming van actuele plannen die beter aansluiten op de behoefte, te blokkeren. Bouwen binnen het bestaand stedelijk gebied en zorgvuldig ruimtegebruik is voor iedere stedelijke ontwikkeling het uitgangspunt. De Ladder voor duurzame verstedelijking wordt daarom ook toegepast bij woningbouwprojecten. Op die manier beschermen we het landschap, de agrarische functie van het buitengebied, natuurwaarden en andere kwaliteiten die maken dat het in Zeeland goed wonen is.

Het mes snijdt aan twee kanten, want in het stedelijk gebied verliezen steeds meer vormen van vastgoed hun functie, zoals maatschappelijk vastgoed, scholen, winkels, kerken en kantoren. Voor de dynamiek van het stedelijk gebied is het cruciaal dat woningen toegevoegd kunnen worden in of in plaats van deze gebouwen. Daarnaast is inbreiding interessant in grotere steden. Het kan de kwaliteit van de openbare ruimte verbeteren (beschut, levendig, sociaal veilig) en voor een rendabeler grondexploitatie zorgen. Hierbij is wel aandacht nodig voor maatregelen voor klimaatadaptatie, zoals stedelijk groen en waterberging. Er bevinden zich dan immers meer mensen en veel functies op een gering bouwoppervlakte. In de groeiende stad kan inbreiding zorgen voor het sparen van groen en landschap, omdat de ruimte in de stad beter benut wordt en uitbreiding niet of minder noodzakelijk is. Verduurzaming De woningvoorraad staat aan de vooravond van een enorme verduurzamingsopgave. Bijna de helft (45%) van de woningen in Zeeland heeft label D of lager en 13% heeft label G. Het Zeeuws energieakkoord gaat uit van een energieneutrale particuliere woningvoorraad in 2045. Hierbij hoort ook de opgave 'Nederland van het gas af' en de transitievisies warmte die opgesteld moeten worden vanuit het concept Klimaatakkoord.

Grootschalige (na)isolatie en energiebesparing bij woningen, maatschappelijk vastgoed en bedrijfsgebouwen zal verder geregeld worden o.a. via de RES Zeeland en de gemeentelijke warmteplannen op wijkniveau. Zie hiervoor ook het onderdeel Energietransitie en duurzame energie. Energieneutraal (duurzaam) (ver)bouwen is één, maar daarnaast dient de milieudruk omlaag gebracht te worden en mogen minder milieubelastende bouwmaterialen worden toegepast door circulair te bouwen. Hier speelt de toenemende schaarste van (grond)stoffen en materialen. 'Urban mining' is een ontwikkeling die daarop inspeelt door bij sloop materialen terug te winnen en grondstoffen uit afval te halen. De eerste resultaten van circulaire projecten en samenwerkingen in de regio zijn al zichtbaar (o.a. circulair bouwen Emergis, onderzoeksproject Circulair Biobased Construction Industry, Kennis en Innovatienetwerk circulair bouwen). Voorraadbeheer en sloop Er worden jaarlijks nauwelijks particuliere woningen onttrokken aan de woningmarkt door sloop, functieverandering of samenvoeging. Doorgaan in dit tempo zou betekenen dat alle woningen nog zo’n 2000 jaar mee zouden moeten gaan. Elke extra woning zorgt uiteindelijk voor sloop van een woning elders. De rekening hiervan ligt (straks) bij de samenleving. Verevening van andere functies met extra woningbouw is daarom onwenselijk.

Bij woningcorporaties ligt het slooptempo hoger; corporatiewoningen worden gemiddeld na 100 jaar vervangen. Door overheidsmaatregelen hebben woningcorporaties echter minder te besteden aan de uitvoering van het strategisch voorraadbeheer. De nieuwbouw, sloop en renovatie van woonblokken gaathierdoor op een lager tempo. Door het uitponden van woningen door woningcorporaties is mogelijk versnipperd bezit ontstaan waardoor herstructurering, transformatie of renovatie ingewikkelder is geworden. Het stimuleren van corporaties tot ‘inponden’(terugkopen van eerder verkocht bezit) kan helpen, bijvoorbeeld bij gebiedsgerichte aanpak.

30

Internationale werknemers en vergunninghouders De groeiende economie en de afnemende beroepsbevolking zorgen voor een toename van internationale werknemers die hier tijdelijk komen wonen. Deze doelgroep is divers van aard en kent ook verschillende woonwensen, die niet altijd binnen de huidige woningvoorraad zijn te vervullen. De internationale werknemers die hier langer dan twee tot drie jaar blijven, stromen door naar reguliere woningen in onze dorpen en wijken. Voor kort en middellang verblijf bestaan in sommige regio’s tekorten. Vooral de kwaliteit van de tijdelijke huisvesting laat te wensen over. Vaak moet men genoegen nemen met een te dure, brandgevaarlijke of illegale oplossing. Een bijzondere doelgroep zijn de vergunninghouders. Gemeenten hebben een wettelijke taak voor het huisvesten van asielzoekers die een verblijfsvergunning hebben. De provincie houdt hier toezicht op. Deeltijdwonen Deeltijdwonen is het bezit van tweede woningen van mensen die hun hoofdverblijf elders hebben en speelt vooral aan de kustgebieden. Een deeltijdwoning heeft altijd betrekking op een reguliere woning met een woonbestemming, maar kan in deeltijd gebruikt worden. De woning is permanent beschikbaar voor gebruik door de eigenaar en wordt niet recreatief verhuurd aan derden. De behoefte aan deeltijdwoningen is moeilijker te voorspellen dan woningen bedoeld voor permanente bewoning.

De vraag naar deeltijdwoningen is afhankelijker van de economische ontwikkelingen dan de vraag naar wonen, omdat deeltijdwonen geen primaire levensbehoefte is maar een ‘luxeproduct’. Deeltijdwoningen hebben wel een belangrijke link met de bestaande woningvoorraad, omdat door aan- of verkoop, de woningvoorraad wordt verkleind c.q. vergroot. Deeltijdwonen is een kans voor regio’s waar door daling van het aantal huishoudens leegstand dreigt. Aan de andere kant vormt het een bedreiging voor de ervaren leefbaarheid van permanente bewoners en de betaalbaarheid van woningen. We willen de kansen die ‘deeltijdwonen’ biedt voor Zeeland graag benutten. De uitdaging is om de nadelen (leefbaarheid, betaalbaarheid) te beperken. Gemeenten kunnen een helder onderscheid maken in het gewenste gebruik via het bestemmingsplan (keuze tussen woon- of recreatiebestemming) en de gemeentelijke gebruiks- of huisvestingsverordening. Helderheid omtrent gebruiksmogelijkheden biedt de noodzakelijke duidelijkheid voor (toekomstige) eigenaren. Een adequate registratie en monitoring biedt bovendien de mogelijkheid om onttrekkingen aan de reguliere woningvoorraad voor deeltijdwonen ten goede te laten komen aan de ‘ladderruimte’ voor woningbouw. Bij het streven naar kwalitatief hoogwaardige, leefbare badplaatsen kan het toevoegen van woningen bestemd voor deeltijdwonen gewenst zijn.

In de Omgevingsverordening wordt uiteengezet onder welke voorwaarden dit mogelijk wordt gemaakt. Wonen in het landelijk gebied Op het Zeeuwse platteland wordt de komende jaren een toename verwacht van het aantal agrarische ondernemers dat gaat stoppen door onder andere een gebrek aan opvolging. Dit leidt ertoe dat in het landelijk gebied veel agrarische bebouwing overbodig raakt en leeg komt te staan. Leegstand heeft nadelige gevolgen voor het aanzicht en gebruik van het landelijk gebied. De inschatting is dat de komende jaren een grote hoeveelheid vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) ontstaat. Daarnaast is het belangrijk dat het landelijk gebied op bepaalde plaatsen versterkt wordt met bos en natuur in combinatie met landschapsversterking of –herstel (bijv. vanuit de structurele aanpak Stikstof). Om de kosten van het slopen van vrijkomende agrarische bebouwing en van natuurontwikkeling te dekken is in het verleden gekozen om op beperkte schaal woningbouw toe te staan in het landelijk gebied als kostendrager. Het toevoegen van woningen in het buitengebied (of: buiten bestaand stedelijk gebied) is daarom bij de volgende situaties mogelijk gemaakt: 

‘Rood-voor-rood’: Het verbeteren, uitbreiden of verplaatsen van bestaande bebouwing, zoals bestaande burger- of bedrijfswoningen. Ook is het mogelijk om cultuurhistorisch waardevolle agrarische bebouwing te verbouwen tot een of meer wooneenheden om de instandhouding ervan te waarborgen. Met het maken van een selectie van cultuurhistorisch waardevolle boerderijen heeft de provincie focus aangebracht op een beperkt aantal boerderijen.

‘Ruimte-voor-Ruimte’: Hierbij wordt het mogelijk gemaakt om de sloop van VAB’s te bekostigen met een bouwrecht voor een woning in het landelijk gebied per 500 m2 te slopen schuur of 0,5 ha glastuinbouw. Hiermee wordt beoogd verrommeling van het landelijk gebied tegen te gaan.

‘Rood-voor-groen’: Het gaat hierbij om het mogelijk maken van woningbouw in het landelijk gebied in de vorm van landgoederen/buitenplaatsen. Een maximale omvang van bebouwing is

31

toegestaan mits er een landgoed wordt aangelegd met bepaalde landschapswaarden dat voor een groot deel openbaar toegankelijk is. Bovenstaande regelingen zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening. Er kunnen vraagtekens gezet worden bij de effectiviteit van deze regelingen om verrommeling van het landschap tegen te gaan, ook in relatie tot de neveneffecten op het landschap en de bestaande woningvoorraad. Het is daarom belangrijk de regelingen te evalueren en te heroverwegen. In Actie 4.B wordt hier verder op ingegaan.

Acties om doelen te realiseren Subdoel 1: Toekomstbestendig maken van de bestaande woningvoorraad; CO2-neutraal en levensloopbestendig. Actie 1.1 Stimuleren onderhoud, renovatie en sloop van koop- en huurwoningen De huidige woningvoorraad van Zeeland staat er in 2050 voor het overgrote deel nog steeds. Onderhoud en renovatie van woningen is belangrijk om de woningvoorraad toekomstbestendig te maken en te houden. Er moet ingespeeld worden op de drie maatschappelijke opgaven: ‘klimaat’ (isoleren, fossielvrije energieopwekking), circulaire economie en ‘demografische transitie’ (levensloopbestendig, geschikt voor nieuwe doelgroepen, flexibeler woonvormen). Dit vraagt om bewustwording, begeleiding en stimulering van woningeigenaren, maar ook om een cultuuromslag in beleid en focus bij alle overheden. Het is nodig om aan strategisch voorraadbeheer te doen, in nauwe samenwerking met woningcorporaties en marktpartijen. De focus moet liggen op de bestaande voorraad met oog voor nieuwe of afwijkende woonconcepten (patio, knarrenhofjes, wooncoöperaties), flexibel aanpasbare of verplaatsbare woningen. Lokale of particuliere initiatieven kunnen hierbij een aanjagende rol hebben.

Om de verandering van de bevolkingssamenstelling en de energietransitie te accommoderen is in de particuliere sector een hoger sloop- en nieuwbouwtempo nodig, waarbij een koppeling tussen nieuwbouw en sloop wenselijk is. In het kader van het Nationaal Klimaatakkoord heeft elke corporatie een plan vastgesteld voor een CO2-neutraalwoningbezit in 2050. Circulair en biobased bouwen zorgt voor besparing van energie en grondstoffen door hergebruik van materialen. Ontwikkelingen in de inzichten over verduurzaming van woningen worden gevolgd en meegenomen in deze actie. Rolverdeling:          

Provincie Zeeland, verantwoordelijk voor heldere kaders, kennis, behoefteramingen en monitoring: kaderstellend richting regio’s en gemeenten, stimulerend, verbindend en kennismakelaar Zeeuwse regio’s, verantwoordelijk voor regionale afstemming en opstellen regionale woningmarktafspraken: kaderstellend naar de individuele gemeenten, verbindend, kennisdelend, regisserend en signalerend Zeeuwse gemeenten, verantwoordelijk voor aanpak bestaande woningvoorraad, uitvoering regionale woningmarktafspraken/uitvoeringsagenda, opstellen transitievisies warmte: kaderstellend naar de inwoners en ondernemers, uitvoerend, participerend en signalerend Zeeuwse woningcorporaties, verantwoordelijk voor strategisch voorraadbeheer sociale woningvoorraad en zoveel mogelijk toepassen van herbruikbare en/of demontabele materialen: samenwerkend, uitvoerend en signalerend. Rijksoverheid: kaderstellend richting lagere overheden en vastgoedeigenaren, meedenkend en stimulerend Economische Impuls Zeeland: stimulerend (duurzaamheid en innovatie marktpartijen) Particuliere woningeigenaren: uitvoerend Kadaster, CBS, adviesbureaus : kennisdelend Marktpartijen (ontwikkelaars en aannemers): kennisdelend, bijv. over hergebruik van materialen (in ontwerp en uitvoering) en uitvoerend Kennis en Innovatienetwerk circulair bouwen: kennisdelend

Actie 1.2 Gebiedsgerichte aanpak De generieke aanpak voor heel Zeeland van de bestaande woningvoorraad biedt een antwoord op veel problemen. Duidelijk is echter dat sommige gebieden extra aandacht nodig hebben om te kunnen

32

zorgen voor een toekomstbestendige woningvoorraad en goede leefomgeving. Het gaat hierbij om (delen van) binnensteden, wijken of dorpen waar een integrale gebiedsgerichte aanpak nodig is. Een gebiedsgerichte aanpak vraagt om de gebundelde inzet van instrumenten van verschillende partijen uit meerdere sectoren. Rolverdeling:        

Zeeuwse gemeenten, verantwoordelijk voor aanpak bestaande woningvoorraad, uitvoering regionale woningmarktafspraken/uitvoeringsagenda: kaderstellend naar de inwoners en ondernemers , uitvoerend, participerend en signalerend Zeeuwse woningcorporaties, verantwoordelijk voor strategisch voorraadbeheer sociale woningvoorraad, mogelijk ook een rol in planvorming, voorbereiding en uitvoering bij particuliere woningen: samenwerkend, uitvoerend , signalerend en kennis leverend Provincie Zeeland: stimulerend, verbindend en kennismakelaar Marktpartijen (ontwikkelaars en aannemers): risiconemend en uitvoerend Rijksoverheid: meedenkend en stimulerend Economische Impuls Zeeland: stimulerend (duurzaamheid en innovatie marktpartijen Particuliere woningeigenaren: meedenkend, uitvoerend en initiatiefnemend Veiligheidsregio en GGD Zeeland: meedenkend, participerend en uitvoerend

Subdoel 2: Nieuwbouw passend bij de huidige en toekomstige behoefte en minimaal 50% circulair: focus op kwaliteit in woningtypen en locaties. Actie 2.1 Adaptief programmeren Adaptief programmeren is nodig om te zorgen dat de nieuwbouw van woningen 100% raak is. Dit betekent nieuwbouw die zo goed mogelijk aansluit bij de gesignaleerde kwantitatieve en kwalitatieve langetermijnbehoefte en die niet alleen inspeelt op de korte termijnvraag. In veel regio’s sluiten de huidige plannen nog niet optimaal aan bij de gesignaleerde behoefte en leidt een teveel aan woningen in plannen ertoe dat er niet of nauwelijks meer Ladderruimte is voor nieuwe, kwalitatief gewenste plannen. Dit is ongewenst. Door de schaal van de Zeeuwse woningmarkten is programmering en afstemming op regioniveau onontbeerlijk. Door adaptief te programmeren wordt gezorgd dat plannen beter aansluiten bij de gesignaleerde behoefte en kwalitatief gewenste plannen niet worden geblokkeerd door de bestaande, verouderde plancapaciteit. Afhankelijk van de regio is het doel herprogrammeren en voorzienbaarheid creëren, plannen optimaliseren en flexibiliteit in de programmering inbouwen. Er is een duidelijke samenhang met acties 1.1 en 1.2; door (concrete plannen voor) woningonttrekkingen te realiseren wordt Ladderruimte gecreëerd.

Zo kan het aanpakken van de bestaande voorraad ook bijdragen aan mogelijkheden voor een sterkere nieuwbouwprogrammering. Ontwikkelen van kennis van vraag en aanbod van de woningmarkt, juridische kennis en een goede monitoring zijn hierbij een randvoorwaarde. Deze kennis wordt in gezamenlijkheid ontwikkeld, zodat een gezamenlijke feitenbasis ontstaat. Rolverdeling: 

Provincie Zeeland o Kennisverzamelen, maken en delen van woningmarktinformatie o Behoefteramingen voor kwantitatieve en kwalitatieve behoefte, samen met gemeenten en woningcorporaties. o Monitoring: Voortgang van demografische en volkshuisvestelijke ontwikkelingen toetsen aan beleid. o Plannen van aanpak vaststellen voor aanpak overtollige plancapaciteit en creëren ruimte voor kwalitatief gewenste woningbouwplannen o Ondersteuning gemeenten bij juridische onderbouwing o Voorzienbaarheid creëren Gemeenten en woningcorporaties o Kennis delen aan andere partijen en voor monitoring o Monitoring van ontwikkelingen voor optimale beleidssturing o Medeopdrachtgever kwalitatieve behoefteraming

33

 

o Plannen van aanpak vaststellen voor aanpak overtollige plancapaciteit en creëren ruimte voor kwalitatief gewenste woningbouwplannen o Voorzienbaarheid creëren o Bestemmingen voor wonen schrappen of aanpassen Rijk ondersteunt gemeenten bij juridische onderbouwing Marktpartijen o delen kennis met andere partijen en voor monitoring o ontwikkelen en passen woningbouwplannen aan zodat die aansluiten bij de behoefte

Actie 2.2 Complementair bouwen van nieuwe woningen In regioverband maken gemeenten afspraken waar en hoeveel woningen er worden toegevoegd in de regionale woningmarktafspraken. De behoefteraming van de meest recente Provinciale bevolkings- en huishoudenprognose en het KWOZ is daarvoor de basis. Per regio worden afspraken over soorten woningen en woonmilieus gemaakt. Ook hier geldt dat bij ontwerp en bouw moet worden ingespeeld op de drie maatschappelijke opgaven: ‘klimaat’ (isoleren, fossielvrije energieopwekking), circulaire economie en ‘demografische transitie’ (levensloopbestendig, geschikt voor nieuwe doelgroepen, flexibeler woonvormen). Om maximale kwaliteit in nieuwbouwplannen te creëren, zetten we extra in op specifieke woningtypen en segmenten die zonder deze aandacht minder goed van de grond komen. Het gaat om segmenten waarvan we zonder ingrijpen oplopende tekorten zien. Primair betekent dit de realisatie van middenhuur en passende woonvormen voor ouderen: levensloopbestendig wonen en wonen met zorg. Vanuit deze actielijn stimuleren we deze segmenten. Concreet doen we dit door op regioniveau een bidboek middenhuur op te stellen om beleggers te verleiden te investeren in middenhuur in Zeeland. Daarnaast gaan we kennis importeren en een samenwerking opzetten met ontwikkelaars om meer en passende woningen voor ouderen van de grond te krijgen.

Het gaat daarbij om passende woonvormen voor zowel zorgbehoevende- als ook voor niet zorgbehoevende ouderen, bijvoorbeeld geclusterde woonvormen. Deze actielijn draagt vanuit dit perspectief ook bij aan ambitie 3: innovatieve en flexibele woonvormen. Parallel werken regio’s en gemeenten zelf aan een woon-zorgvisie. Vanuit de actielijn Complementair bouwen verkennen we hoe we op Zeeuws niveau hiervoor onderling kennis kunnen delen en waar mogelijk samen kunnen optrekken. Rolverdeling: 

 

Gemeenten o Ontwikkelen woningbouw- en herstructureringsplannen o Opstellen gemeentelijk woonvisie o Begeleiden van aannemers/ontwikkelaars, woningcorporaties, particulieren/CPO en wooncoöperaties bij de uitvoer van woningbouwprojecten. Provincie o Stimuleren regionale afstemming van aantallen, woningtypes en locaties op behoefte per regio o Kaders stellen om regionale afstemming en prognose te borgen in verordening Woningcorporaties o Uitbrengen bod op gemeentelijke woonvisie: prestatieafspraken o Uitvoeren eigen strategisch voorraadbeheer, daarbij zoveel mogelijk gebruik makend van biobased, herbruikbare en/of demontabele materialen. Marktpartijen voeren woningbouw- en herstructureringsprojecten uit, daarbij zoveel mogelijk gebruik makend van biobased, herbruikbare en/of demontabele materialen. Kennis en Innovatienetwerk circulair bouwen deelt kennis

Subdoel 3: Inspelen op de behoefte aan specifieke segmenten op woningmarkt Actie 3.1 Hergebruik lege panden voor wonen Als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen zoals demografische transitie, schaalvergroting en de technologische transitie is de behoefte aan voorzieningen veranderd. Dit heeft gevolgen voor verschillende vastgoedsegmenten: op veel plekken is of dreigt er leegstand in detailhandel, monumentale gebouwen, kerken, scholen en kantoren. Leegstand werkt negatief op de economische

34

aantrekkingskracht en leefbaarheid in binnensteden en kleine kernen. Door middel van transformatie kunnen deze bestaande panden – daar waar passend – worden ingezet om invulling te geven aan woonvormen waar behoefte aan is. Transformatie draagt bij aan het versterken van de leefbaarheid en (binnen)stedelijke woonmilieus. Bovendien lossen we hiermee problemen in andere vastgoedsegmenten op en leidt het maximaal benutten van bestaande locaties tot minder onnodig bouwen in het weiland. De markt ziet en pakt echter nog niet alle kansen die bestaande lege panden bieden. Dit vraagt om meer innovatie en creativiteit en onderzoek naar de wijze waarop leegstaand vastgoed optimaal kan worden benut voor de invulling van de woningmarktopgave. Het gaat hierbij niet alleen om kansrijke vastgoedtypes en -locaties maar ook hoe te komen tot een soepel transformatieproces. Een provinciale subsidieregeling hergebruik leegstaande panden wordt ingezet om te komen tot de beste projecten op cruciale plekken. Rolverdeling:   

Provincie Zeeland o Kennis verzamelen, maken en delen van woningmarktinformatie o Stimuleren met financiële instrumenten en stedelijk herverkavelen Gemeenten o Beleid, vergunningverlening en visievorming o Faciliteren met ontwikkelaars voor nieuwe invulling Marktpartijen o brengen eigendom in eventuele ruilcarrousels o uitvoering nieuwe invulling panden

Actie 3.2: Uitbouw flexibele schil Er zijn diverse doelgroepen met een specifieke woningbehoefte. Doel van de ambitie is dan ook het gericht inzetten op innovatie om te komen tot nieuwe en flexibele woonvormen. Het gaat om specifieke segmenten (internationale werknemers, studenten, flexwonen, et cetera). Vanuit deze actielijn wordt toegewerkt naar een passende flexibele schil in de Zeeuwse gemeenten. Hiervoor is onderzoek nodig naar de behoefte aan flexwonen, onderzoek naar geschikte locaties en het opstarten van pilots opgeschikte locaties. De opgedane inzichten vormen de opmaat naar de uitbouw van de flexibele schil van de Zeeuwse woningvoorraad. Rolverdeling:      

Provincie Zeeland, verantwoordelijk voor heldere kaders, kennis, behoefteramingen en monitoring: kaderstellend richting regio’s en gemeenten, stimulerend, verbindend en kennismakelaar Zeeuwse gemeenten, verantwoordelijk voor regionale afstemming en opstellen regionale woningmarktafspraken: kaderstellend naar de individuele gemeenten, verbindend, kennisdelend, regisserend en signalerend Zeeuwse gemeenten, verantwoordelijk voor aanpak bestaande woningvoorraad, uitvoering regionale woningmarktafspraken/uitvoeringsagenda, opstellen transitievisies warmte: kaderstellend naar de inwoners en ondernemers, uitvoerend, participerend en signalerend Zeeuwse woningcorporaties, verantwoordelijk voor huisvesting doelgroepen en waar mogelijk uitvoering van projecten voor flexwonen: samenwerkend, uitvoerend en signalerend. Rijksoverheid: kaderstellend richting lagere overheden en vastgoedeigenaren, meedenkend en stimulerend Marktpartijen (ontwikkelaars en aannemers): kennisdelend, bijv. over hergebruik van materialen (in ontwerp en uitvoering) en uitvoerend

Subdoel 4. Acties die bijdragen aan subdoelen 1 t/m 3 Actie 4.1: Regionale woningmarktafspraken De vijf Zeeuwse regio’s maken regionale woningmarktafspraken met de provincie Zeeland. De regionale woningmarktafspraken werken door in lokale woonvisies, uitvoeringsprogramma’s en prestatieafspraken met de coöperaties. Bouwstenen die terugkomen in de regionale woningmarktafspraken zijn:

35

 

   

De ontwikkeling van de kwantitatieve en kwalitatieve woningvraag voor een 10-jaarsperiode met een doorkijk naar de periode daarna. De provinciale prognose en het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland zijn hierin richtinggevend. Afwijken hiervan kan mits onderbouwd en bij akkoord binnen de regio en provincie. Inzicht in de bestaande plancapaciteit met onderscheid naar planologisch harde plannen en zachte plannen. Daarnaast wordt inzicht gegeven in overige potentiële inbreidings- en transformatielocaties binnen het bestaand stedelijk gebied van steden en kernen. Effectenanalyse van de bestaande plancapaciteit in relatie tot de woningvoorraad en uitbreidingsbehoefte. Op regionaal niveau moet duidelijk zijn hoe de 100% match van vraag en aanbod wordt nagestreefd. Bij overprogrammering en/of overschotten in de bestaande voorraad is een aanpak nodig om effecten hiervan te mitigeren. De uitwerking kan lokaal plaatsvinden in Plannen van Aanpak. Keuzes en aanpak voor een toekomstbestendige woningvoorraad. Het gaat om het verbeteren (verduurzamen), aanpassen (levensloopbestendig maken) en onttrekken (slopen/samenvoegen) van woningen. Keuzes en aanpak voor kwalitatief complementaire nieuwbouw waarbij de volgende woonsegmenten minimaal terugkomen: middenhuur, levensloopbestendig en wonen met zorg. Keuzes en aanpak voor een flexibele schil.

Duidelijk moet zijn hoe wordt ingezet op innovatieve en flexibele woonvormen in de betreffende regio. Een regionaal woningbouwprogramma waarbij de bovenstaande bouwstenen in onderlinge samenhang uitmonden in een aanpak voor strategische voorraadbeheer: welke plannen worden hard, welke (weer) zacht, en wat is de strategie voor de bestaande voorraad.

Regionale woningmarktafspraken vormen een randvoorwaarde voor het ontwikkelen van nieuwe woningbouwplannen en voor eventuele aanspraak op (financiële) regelingen die worden ontwikkeld in het kader van de Zeeuwse woonagenda. Regionale woningmarktafspraken worden in ieder geval iedere 3 jaar te actualiseren zodra een nieuwe provinciale prognose beschikbaar is. Wanneer omstandigheden hier aanleiding toe geven kan worden besloten afspraken eerder te actualiseren. Monitoring gebeurt constant door gemeenten en provincie via het Dashboard Ladderruimte en de Monitor Bevolking en wonen. De provincie zorgt voor borging van de noodzaak tot regionale afstemming en andere afspraken in de Omgevingsverordening Zeeland. Aan de hand van de woonagenda zal worden gekeken of en zo ja hoe herziening van de verordening nodig en nuttig is, om de ambities die in de woonagenda centraal staan beter te borgen. Rolverdeling: 

Provincie o Samen met gemeenten opstellen en vaststellen van regionale woningmarktafspraken o Vanuit de Zeeuwse Woonagenda gemaakte afspraken en noodzaak tot regionale afstemming borgen in Provinciale Omgevingsverordening o Monitoren van regionale woningmarktafspraken. Gemeenten o In regionaal verband opstellen en vaststellen van regionale woningmarktafspraken o In regionaal verband uitvoering geven aan regionale woningmarktafspraken door onderling af te stemmen over woningmarktbeleid.

Actie 4.2: Evaluatie drie regelingen voor woningbouw in landelijk gebied om ruimtelijke kwaliteitsverbetering landelijk gebied te bekostigen. Het toevoegen van woningbouw in het landelijk gebied is in het verleden mogelijk gemaakt om kosten te dragen die gepaard gaan met ruimtelijke kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied. Het gaat hierbij om de kosten voor het instandhouden van cultuurhistorische agrarische bebouwing, de kosten van het slopen van vrijkomende agrarische bebouwingen (VAB’s) en de kosten van het versterken van het landschap door de aanleg van een (deels) openbaar toegankelijk landgoed. De effectiviteit van deze regelingen, in de vorm van ruimtelijke kwaliteitsverbetering staat ter discussie. De regeling stimuleert sloop van cultuurhistorisch waardevolle boerderijen. Ook de proportionaliteit van de verevening door middel van bouwrechten in relatie tot de daadwerkelijke kosten zijn niet altijd in verhouding, waardoor projecten soms onhaalbaar zijn of in andere gevallen (te) lucratief. Ook zijn er

36

negatieve neveneffecten te benoemen in relatie tot de bestaande woningvoorraad. Het toevoegen van woningen in het landelijk gebied zorgt immers voor een toename van de herstructureringsopgave in het bestaand stedelijk gebied, een opgave waarvan gehoopt wordt dat de beperkte huishoudengroei die ons nog rest als kostendrager kan fungeren. De tijden dat woningbouw altijd gebruikt kan worden als kostendrager voor allerlei ruimtelijke problemen ligt dan ook achter ons. De grote aantallen VAB’s die op de lange termijn verwacht worden kunnen bovendien zorgen voor verstening van het buitengebied en verdere inperking van het agrarisch gebruik van landbouwgrond. Verschillende gemeenten zijn om die redenen terughoudend in het toepassen van de Ruimte voor Ruimte regeling. Van de Rood-voor-Rood regeling lijkt eveneens te beperkt gebruik gemaakt te worden. Met betrokken partijen worden de drie regelingen geëvalueerd. De centrale vraagstelling is hoe effectief deze regelingen zijn bij het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied in relatie tot de neveneffecten op de functies in het landelijk- en bebouwd gebied. Dit moet leiden tot aanbevelingen voor beleid en eventueel aanpassing van de Omgevingsverordening.

Hierbij is het belangrijk dat er mogelijkheden moeten blijven bestaan om knelgevallen in het landelijk gebied aan te pakken, zeker als het gaat om ondernemers die als gevolg van overheidsbeleid gedwongen worden de bedrijfsvoering te beëindigen. Rolverdeling: 

De provincie onderzoekt als onderdeel van het uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied 20212030 met betrokken partners of en hoe de regelingen moeten worden aangepast.

Kansen en risico's bij de uitvoering 1. Doe meer met minder grond. 

Benut de ruimte binnen het stedelijk gebied: bekijk nieuwbouwplannen kritisch, gebruik de ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling, maak gebruik van leegstaande/vrijkomende panden, bekijk de mogelijkheden van verdichting in het stedelijk gebied.

2. Werk samen en deel kosten en baten. 

Verbeter de samenwerking: maak in regioverband niet alleen afspraken over aantallen woningen, maar ook over soorten woningen, betaalbaarheid en woonmilieus.

3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten. 

Ontwikkel woningbouwplannen die passen bij en meerwaarde bieden voor de locatie.

4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld. 

Zorg ervoor dat het bouwproces én de woningen alleen toekomstbestendig, CO2-neutraal en zoveel mogelijk circulair.

37

7. Woonomgeving Doelstelling 2030 Onze woonomgeving is veilig en klimaatadaptief, lokt gezond gedrag uit en draagt meer bij aan biodiversiteit. Subdoel 1: Investeren in toekomstbestendige woongebieden op de goede plek Subdoel 2: Stimuleren veiligheid, gezondheid, duurzaamheid, biodiversiteit en klimaatadaptiviteit door ruimtelijke ordening en -inrichting Indicatoren: 

Veilige woonomgeving (ervaren veiligheid in eigen kern/wijk 2017: 48,1% voelt zicht altijd veilig volgens zeelandscan.nl)

Huidige situatie De woonomgeving is het gebied dat in de directe omgeving van een woning ligt. De woonomgeving heeft invloed op de ervaren leefbaarheid. De herbestemmings- en herstructureringsopgave in het bebouwd gebied is fors. Dit biedt kansen voor het bereiken van de doelstellingen voor de woonomgeving. De verschillende elementen van de woonomgeving worden hieronder beschreven. Voorzieningen Door schaalvergroting en maatschappelijke ontwikkelingen staat de aanwezigheid en/of bereikbaarheid van voorzieningen onder druk, met name in dorpen en het buitengebied. Het draagvlak onder voorzieningen wordt bij een stabiele of afnemende bevolking kleiner. Naast het afnemende draagvlak zorgt de voortschrijdende schaalvergrotingstendens en de steeds kleiner wordende betekenis van het openbaar vervoer ervoor dat het voorzieningenniveau en daardoor de leefbaarheid onder druk staat. Door de toename van het aantal ouderen in onze samenleving moet onze woonomgeving hierop aangepast worden. De bereikbaarheid tot voorzieningen is een potentieel knelpunt, maar ook vereenzaming en isolement is een toenemend probleem. Het ontbreekt vaak aan toegankelijke wandel/fietsroutes met mogelijkheid om te rusten en naar het toilet te gaan: hierdoor mijden ouderen vaak om naar buiten te gaan, zodat eenzaamheid een steeds groter probleem wordt.

Hittestress en vergroening De huidige woonomgeving wordt als stenig ervaren. De klimaatverandering zorgt voor toenemende overlast als gevolg van hitte en wateroverlast. Door hogere temperaturen ontstaan ‘hitte-eilanden’ op plaatsen met weinig groen, water en schaduw. Hitte is met name een risico voor kwetsbare groepen. Door de toenemende verstening van onze tuinen en openbare ruimte wordt het risico op overstromingen groter. Niet alleen neemt de kans op toenemende temperaturen en wateroverlast toe, doordat de schadelijke stoffen tussen de gebouwen blijven hangen wordt de gezondheid en leefomgeving ook aangetast door luchtverontreiniging. Het gebrek aan groen zorgt voor een lage waardering van de buitenruimte. In droge perioden neemt de kans op brand in bermen, parken en natuurgebieden toe. Dat kan ook voor nabijgelegen woongebieden een risico vormen. Ruimte voor verkeer versus kwaliteit van de woonomgeving De huidige woonomgeving wordt als autogericht ervaren. Er is een vicieuze cirkel gaande, waarbij opstoppingen van autoverkeer worden opgelost door nog meer ruimte te geven aan autoverkeer, waardoor de straat nog onveiliger en onaantrekkelijker wordt om te voet of fiets te gaan. Gezondheid en de kwaliteit van de woonomgeving staan hierdoor onder druk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9806233/1