Bijlage 8 Rapport 'Kijk voorbij de Krimp'
Tekst van het document
23
•
met gerichte inspanningen – ingezet om investeringen van derden op gang te brengen. De DU fungeert dan als ‘aanjaaggeld’ of ‘triggermoney’. op het vormgeven van een regionaal plan, uitvoeringsagenda of regionaal afwegingskader voor honorering projecten.
In alle regio’s op één na is, mede of geheel met behulp van de DU, een regionaal uitvoeringsplan of toetsingskader opgesteld. In Noordoost Fryslân is dat ‘ANNO II, De Agenda voor noordoost Fryslân’. In Noord-Groningen is het Woonen Leefbaarheidsplan 2017-2021 'Noord-Groningen Leeft! opgesteld, als opvolger van WLP 2011, gezamenlijk met maatschappelijke organisaties. Parkstad Limburg heeft een ‘Ontwikkelagenda’ gemaakt. Oost-Groningen heeft een ‘Menukaart’ opgesteld, waarin de algemene doelen van de krimpaanpak concreet zijn uitgewerkt in concrete projecten, gefinancierd vanuit het ‘Regiofonds’ waarvan de DU-middelen deel uitmaken. Aan deze programma’s zijn concrete plannen en projecten gekoppeld, inclusief financiering, waaraan verschillende partijen bijdragen. Alleen in de regio Zeeuws-Vlaanderen is tot nu toe geen regionaal afwegingskader vastgesteld. Daar is men momenteel bezig met de ontwikkeling van een regionale visie •
•
•
voor regionale coördinatie en/of lobby voor de regio. Dit betreft organisatiekosten om te zorgen dat er gezamenlijk regionaal beleid kan worden gevoerd. Voorbeelden zijn: een programmabureau, een regiocoördinator, een lobbyist, een subsidieadviseur. als cofinanciering voor projecten (al dan niet in het kader van een regiodeal met het Rijk of anderszins gesubsidieerde projecten) of ter aanvulling van een financieringstekort. Hiermee wordt bijgedragen aan het kunnen laten doorgaan van projecten waarvoor de financiering niet rond kwam. Een voorbeeld is de Buitenring Parkstad. als startkapitaal. Dit gebeurt in de Westelijke Mijnstreek voor de oprichting van een Woonbedrijf. Op die manier wil men effectief de particuliere woningvoorraad aanpakken.
meer verscholen inzet De volgende manieren van inzet zijn toegepast, waarbij de DU is opgegaan in een breder fonds en het moeilijker is de inzet afzonderlijk in beeld te houden: • onderbrenging in een fonds dat mede wordt gevoed door andere bronnen. Onder ‘andere bronnen’ vallen in het algemeen in elk geval provinciale middelen (fondsen voor bepaalde doelstellingen, zoals transitie van de particuliere woningvoorraad, verbetering van leefbaarheid), maar ook middelen uit Rijksregelingen (bijvoorbeeld Regiodeals). In de regio Achterhoek is een Regionaal investeringsfonds ingesteld, waar de DU-middelen in zijn gestort. Dit fonds is bedoeld voor regionale projecten die bijdragen aan de ontwikkeling van de Achterhoek. Dit fonds wordt ook door andere middelen gevoed, waardoor er geen strikte scheiding te maken is welke projecten met de DU-middelen zijn medegefinancierd. In Eemsdelta en Hoogeland zijn de DU-middelen onderdeel van een ‘krimpfonds’, waaruit de krimpopgaven worden bekostigd. In het krimpfonds zijn ook provinciale bijdragen, bijdragen van gemeenten, van corporaties en bedrijven gestort. •
Storting in specifieke of algemene reserve om te kunnen aanwenden voor projecten.
Hoogeland In de (voormalige) gemeente Eemsmond werd de DU in een specifieke reserve gestort. In de (voormalige) gemeente de Marne werd de DU toegevoegd aan de algemene reserve, waardoor de specifieke uitgaven niet terug te halen zijn, maar in principe gebruikt werd om het Woon- en Leefbaarheidsplan uit te voeren. Kijk voorbij de krimp
24
•
Voeding voor Dorpsontwikkelingsmaatschappijen (DOM), ter ondersteuning van leefbaarheid in dorpen.
Bestedingen vanuit fondsen of reserves kunnen bij deze vormen van inzet niet één op één worden gekoppeld aan de DU. De DU speelt echter wel een rol in het totaal van de ‘krimp-projecten’ die worden uitgevoerd.
3.4
Besteding DU Uit de voorgaande beschrijving van de verschillende bestedingsvormen van de DU, blijkt dat lang niet altijd traceerbaar is waarvoor de DU precies is ingezet. Vier regio’s konden inzicht bieden in de verdeling van de DU over projecten. traceerbare DU-inzet naar thema’s Uit de vier regio’s die inzicht in de DU-besteding hebben kunnen geven, komen de volgende beelden naar voren: Oost-Groningen Alle met DU-middelen bekostigde projecten op het beleidsterrein (a) ‘Ruimte en wonen’ liggen. Het betreft driekwart van de DU. De overige kwart is besteed aan regionale organisatie en het ontwikkelen van regionaal beleid. Parkstad Limburg Van de regionaal ingezette DU (75%) is circa 85% ingezet op het beleidsterrein (a) ‘Ruimte en wonen’. Hiervan heeft een groot deel betrekking op mobiliteit: fietsverbindingen, rail- en weginfrastructuur (bijdrage DU aan grotere projecten). De overige circa 15% is besteed aan (c) economie, projecten die de regio economisch aantrekkelijker moeten maken, met name op het terrein van vrijetijdsbesteding. Westelijke Mijnstreek Van de regionaal ingezette DU (75%) is verreweg het meest DU-geld ingezet op (a) de woningmarkt: herstructurering / sloop particuliere woningvoorraad en aanpassing woningvoorraad op veranderende vraag in verband met vergrijzing, en voor het aantrekkelijker maken van de regio als woongebied.
Daarbij wordt ook toekomstgericht rekening gehouden met energietransitie en klimaatadaptatie. Noordoost Fryslân De DU-middelen zijn ingezet op verschillende projecten, veelal in de sfeer van verkenningen en analyses en opstellen van visies en agenda’s. Deze zijn verspreid over de thema’s (a) Wonen en ruimte, (b) Voorzieningen en (c) Economie. Ook is een kwart besteed aan regionale coördinatie en lobby, gericht op het binnenhalen van financiering. Voor enkele grote projecten is de DU ingezet als cofinanciering; kleinere zijn geheel uit de DU bekostigd. Bovenstaande vier voorbeelden laten zien dat de DU in deze regio’s vooral is aangewend voor (a) Ruimte en wonen (inclusief mobiliteit). Daarnaast is ook toekomstgericht ingezet op het economisch aantrekkelijker maken van de regio, aansluitend op de thema’s met betrekking tot duurzaamheid, zoals energietransitie en klimaatadaptatie.
Kijk voorbij de krimp
25
Voorts is er een regio -Maastricht-Mergelland- die, expliciet heeft gekozen voor één thema transformatie van maatschappelijk vastgoed. Onderwijsgebouwen, gymzalen, buitensportaccommodaties en gemeenschapsvoorzieningen die leegstaan ten gevolge van de krimp, worden getransformeerd naar nieuwe bestemmingen. De DU-gelden hebben een hefboomfunctie voor het realiseren van deze projecten. “Door voor één thema te kiezen wordt er inhoudelijke focus aangebracht en worden geld en menskracht gebundeld en kunnen we dus het meest efficiënt en effectief werken.”
DU-inzet naar thema – globale duiding In de overige vier regio’s is geen 1:1-relatie tussen de inzet van DU-middelen en de bestedingsrichting zichtbaar. Wel komen algemene beelden naar voren: Eemsdelta en Hoogeland De DU-middelen worden mede ingezet binnen regionale uitvoeringsprogramma’s van het Woon- en Leefbaarheidsplan. Die programma’s hebben betrekking op (a) leefbaarheid, woningmarkt, (b) versterken van de regionale voorzieningenstructuur, zorgvoorzieningen en onderwijs, ook recreatie en sportvoorzieningen. Zeeuws-Vlaanderen Om de omvang van de opgaven op het terrein van wonen en voorzieningen inzichtelijk te maken, is eind 2013 voor Zeeuws-Vlaanderen een maatschappelijke kosten-batenanalyse verricht. Uit de analyse komen drie centrale beleidsopgaven naar voren, namelijk omvangrijke en kostbare herstructurering van de woningvoorraad, concentratie van voorzieningen en herbestemming van bestaand vastgoed. De DU-middelen zijn ingezet bij (a) Ruimte en wonen: de aanpak van de particuliere woningvoorraad (aankoop en sloop van verpauperde panden), (b) onderwijsvoorzieningen: voorschoolse educatie en onderzoek naar mogelijkheden voor clustering van voorzieningen en voor (c) economie: bijdrage aan het Sectorbureau grensarbeid. Het betreft een kleine bijdragen vanuit de DU aan projecten met hoge kosten. Achterhoek De DU is ondergebracht in een regionaal investeringsfonds.
Hieruit is vooral ingezet op het thema (a) wonen, transformatie van vastgoed en buitengebied, leefbaarheid en (c) economie met projecten op het gebied van circulaire economie en energietransitie en van smart werken en innovatie.
3.5
Samenvattend: werking DU Uit het deskresearch komt naar voren dat er een verscheidenheid is aan manieren waarop de DU een rol speelt voor het aanpakken van krimpproblematiek. Regio’s zijn daar creatief in gebleken: voor ondersteuning en coördinatie, voor beleidsvoorbereidende projecten (onderzoek, verkenning, uitvoeringsagenda opstellen), voor het aanjagen of geheel uitvoeren van nieuwe projecten, voor bijdrage aan bestaande projecten (triggermoney, rondkrijgen financiering of niet specifiek herkenbaar doordat de DU deel uitmaakt van een breder samengesteld fonds) en als startkapitaal voor een woonbedrijf. De DU blijkt dus op velerlei wijzen een bijdrage te leveren aan het stimuleren van regionale krimpaanpak. De DU vormt in veel gevallen niet de enige financieringsbron van projecten.
Kijk voorbij de krimp
26
Bij sommige (‘recentere’) krimpregio’s ligt meer nadruk op het opzetten van samenwerking, het laten doen van onderzoek en verkenningen, het ontwikkelen van een regionaal afwegingskader en/of uitvoeringsprogramma. Bij één van de krimpregio’s komt de gezamenlijke visievorming binnen de regio nu op gang. De DU heeft (samen met andere middelen) een stimulerende, aanjagende en versterkende rol gespeeld voor het regionaal aanpakken van krimpproblematiek. Bij andere (‘oudere’) krimpregio’s was al meer verkend en uitgewerkt en hadden samenwerkingsstructuren al vorm; daar wordt meer ingezet op uitvoering van concrete projecten, waarbij de DU als aanjaaggeld, cofinanciering of – soms – aanvullend dekkingsmiddel dient. De DU-middelen hebben dan vooral een rol gespeeld bij het tot uitvoering laten komen van regionale projecten. De inzet van de DU gebeurt op verschillende beleidsterreinen: ruimte en wonen, voorzieningen en economie. Bij de meeste regio’s is de inzet op ruimte en wonen, met nadruk op herstructurering van de particuliere woningvoorraad, dominant. Maar ook inzet op voorzieningen en op transformatie van leeggekomen maatschappelijk vastgoed is kenmerkend voor de DU-inzet.
Voorts is er expliciete aandacht voor recente ontwikkelingen, met name op het gebied van duurzaamheid en met betrekking tot verandering in bevolkingssamenstelling, waarop men, met behulp van de DU-inzet, inspeelt.
Kijk voorbij de krimp
27
4
Leren van negen krimpregio’s
4.1
Inleiding De bevindingen uit de kwantitatieve analyse en documentenanalyse is aangevuld met kwalitatief onderzoek bij de negen krimpregio’s. Hieruit zijn niet alleen ‘verhalen achter de cijfers’ ontleend maar is ook input gehaald voor toekomstbeelden van de krimpregio’s. De transitie biedt namelijk ook kansen voor de krimpregio’s. In de evaluatie diende daarom ook te worden bekeken welke kansen voor de toekomst er worden gezien voor de krimpregio’s, op welke manieren krimpregio’s zich aantrekkelijk kunnen maken of aantrekkelijk kunnen blijven. Er is gekozen voor een ‘lerende evaluatie’, die erop is gericht om samen met regionale stakeholders de feiten te duiden, oog te krijgen voor andere visies om vandaaruit een realistisch regionaal perspectief te kunnen schetsen. Doel was dat zowel de krimpregio’s als het rijk leren van de opgedane ervaringen met de DU Bevolkingsdaling. Per krimpregio zijn gesprekspartners gezocht ten behoeve van de evaluatie. Hierbij is steeds gestreefd naar een combinatie van direct bij krimpbeleid betrokkenen en zogenaamde ‘non-usual suspects’. Deze nonusual suspects, waaronder bijvoorbeeld lokale journalisten en vertegenwoordigers van bewonersgroeperingen, dienden vooral ook om te voorkomen slechts ‘politiek gewenste’ antwoorden te krijgen.
De gesprekken vonden allen plaats via een Ms-Teams meeting, duurden ruim anderhalf uur en hadden een half open karakter. Dat wil zeggen dat er weliswaar een itemlijst was van thema’s die in ieder geval aan de orde moesten komen, maar dat er volop ruimte was voor de deelnemers zelf om onderwerpen in te brengen. Omdat het onderzoek plaatsvond in vakantietijd was het niet mogelijk alle respondenten tegelijk in één meeting te verzamelen. Daarom zijn ook individuele interviews op afstand afgenomen. clustering regio’s in drie bijeenkomsten Krimpregio’s hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken (bevolkingsdaling over een langere periode en een perifere ligging in Nederland ten opzicht van de Randstad). Daarnaast hebben regio eigen, specifieke problematiek die vaak samenhangt met de historisch gegroeide sociaal-economische structuur van de regio (zie ook paragraaf 2.6). Sommige regio’s lijken op elkaar in hun specifieke kenmerken, bijvoorbeeld ten aanzien van stedelijkheid, aard van de werkgelegenheid of potentie (aantrekkelijkheid) van de omgeving. Er zijn ten behoeve van de verdiepingsslag drie clusters van krimpregio’s samengesteld met per cluster (deels) overeenkomstige kenmerken en problematiek. 1.
Eemsdelta, Oost-Groningen, Hoogeland. Deze krimpregio’s liggen alle drie in Groningen. Tijdens de evaluatie van de DU zal ook zeker de aardbevingenproblematiek aan de orde komen die tot nieuwe opgaven en uitdagingen op het gebied van krimp heeft geleid.
2.
Parkstad Limburg, Maastricht-Mergelland, Westelijke Mijnstreek. Deze krimpregio’s liggen alle drie in Zuid-Limburg. Het bijzondere aan deze regio is het stedelijke karakter, waardoor de opgaven rond krimp deels anders zijn dan in meer rurale krimpregio’s.
3.
Zeeuws-Vlaanderen, Achterhoek, Noordoost Fryslân. Deze krimpregio’s liggen perifeer in ons land, maar hebben alle drie een gecombineerd industrieel-toeristisch profiel. Daarnaast hebben de regio’s middelen ontvangen in het kader van de Regiodeal.
Kijk voorbij de krimp
28
Teneinde onze bevindingen uit de groepsgesprekken te toetsen en om het lerende aspect van de evaluatie nog beter uit de verf te laten komen, is na de drie groepssessies een afsluitende online-bijeenkomst gehouden. Om de bevindingen in een mogelijke breder perspectief te plaatsen is daaraan ook deelgenomen door een vertegenwoordiger van de samenwerkende plattelandsgemeenten (P10). Een lijst van organisaties waaruit de deelnemers afkomstig zijn in de bijlage opgenomen. Voordat we de bevindingen uit de kwalitatieve analyse presenteren (in paragraaf 4.3 tot en met paragraaf 4.7) wordt in paragraaf 4.2 kort ingegaan op enkele demografische ontwikkelingen op basis van CBS-data.
4.2
Demografische ontwikkelingen krimpregio’s De krimpregio’s worden hierna kort getypeerd met behulp van rechtstreeks bij het CBS beschikbare data.22 Bevolkingsdaling is een kwantitatief gegeven. De daling van het aantal inwoners gebeurt echter niet gelijkmatig over de hele linie van alle bevolkingscategorieën. In documenten en interviews is naar voren gekomen dat er verandering plaatsvindt in de samenstelling van de bevolking; bepaalde categorieën nemen sterker af dan andere, of sommige nemen zelfs toe. Er is daarom gericht gekeken naar cijfermatige duiding van genoemde aspecten, voor zover uit direct beschikbare data mogelijk. Verfijnder inzicht kan op basis van deze gegevens niet worden geboden. In hoeverre er bijvoorbeeld selectiviteit is naar opleidingsgraad van vertrekkenden, van sociaal-economische status van vestigers, of hoeveel ‘terugkeerders’ er zijn onder de vestigers (in de regio geboren personen), zal met onderstaande cijfers niet in beeld komen. Dit vormen interessante thema’s voor nadere uitdieping.
Hierna worden de volgende kenmerken in beeld gebracht, waarbij de krimpregio’s telkens worden vergeleken met de overige Nederlandse gemeenten, exclusief de vier grote steden: • de ontwikkeling van het aantal inwoners (meting bevolkingsdaling) en het aantal huishoudens; • de ontwikkeling van het aandeel jongeren respectievelijk het aandeel ouderen; • de ontwikkeling van het aantal inwoners met een migratie-achtergrond; • de verhouding tussen natuurlijke bevolkingsontwikkeling (geboorteoverschot of -tekort) en migratiesaldi. De genoemde kenmerken van de krimpregio’s worden als totaal en per afzonderlijke krimpregio in beeld gebracht. Hierdoor wordt een duidelijke typering op hoofdlijnen per regio en voor de krimpgemeenten in het totaal verkregen. inwoners en huishoudens In de eerste plaats is gekeken naar de bevolkingsdaling: de ontwikkeling van het aantal inwoners in de periode 2015-2019. Hiernaast zijn de cijfers van de ontwikkeling van het aantal huishoudens gezet.
22
Uitgebreidere typering, zoals op basis van specifiek bij het CBS op te vragen microdata, valt buiten de context van het onderhavige onderzoek en is daarom niet gedaan.
Kijk voorbij de krimp
29
Tabel 4.1: Ontwikkeling aantal inwoners en aantal huishoudens (2015-201923) Krimpregio
Inwoners
Inwoners
Huishoudens
Eemsdelta
45.857
47.560
46.051
20152020 -3,2%
Oost-Groningen Hoogeland24
135.208
136.769
134.822
-1,4%
47.801
50.142
47.888
-4,5%
21.882
21.391
-2,2%
Parkstad Limburg
257.069
259.730
256.863
-1,1%
124.555
125.793
1,0%
Maastricht-Mergelland
206.814
207.236
206.954
-0,1%
105.838
107.899
1,9%
Westelijke Mijnstreek
133.301
135.072
133.551
-1,1%
63.311
64.085
1,2%
Zeeuws-Vlaanderen
105.192
105.684
105.499
-0,2%
48.792
49.575
1,6%
Achterhoek
298.804
297.696
298.788
0,4%
126.105
129.156
2,4%
Noordoost Fryslân
124.045
124.555
123.736
-0,7%
51.610
52.280
1,3%
Totaal krimpregio’s
1.354.091
1.364.444
1.354.152
-0,8%
625.485
633.556
1,3%
Rest NL excl. G4 13.626.145 Bron: CBS. Bewerking Cebeon
13.241.841
13.529.729
2,2%
5.849.372
6.052.628
3,5%
2020
• • •
•
2015
2019
2015
2019
21.504
21.384
20152019 -0,6%
61.888
61.993
0,2%
De krimpregio’s hebben gemiddeld per saldo 0,8% van het aantal inwoners verloren tussen 2019 en 2015, terwijl de overige gemeenten in Nederland zijn gegroeid met 2,2%. De mate van bevolkingsdaling verschilt per regio25, tussen -0,1% (Maastricht-Mergelland) en -3,2% (Eemsdelta), terwijl de bevolking in de Achterhoek licht is toegenomen met 0,4%. Kijken we naar het aantal huishoudens, dan zien we een toename van gemiddeld 1,3% in de krimpregio’s, tegenover 3,5% voor de rest van Nederland. De algemene tendens van huishoudensverdunning doet zich in de krimpregio’s dus ook voor. Ook ten aanzien van de ontwikkeling van het aantal huishoudens zijn er verschillen tussen de regio’s. Deze liggen in lijn met de ontwikkeling van het aantal inwoners.
leeftijdsspecifieke kenmerken Vervolgens is gekeken naar het aandeel jongeren respectievelijk het aandeel ouderen in de bevolking, en de ontwikkeling daarin sinds 2015, uitgedrukt in ‘groene druk’ en ‘grijze druk’. ‘Groene druk’ is de verhouding tussen het aantal personen van 0 tot 20 jaar en het aantal personen van 20 tot 65 jaar. Dit cijfer geeft inzicht in de verhouding van de jeugd tot het (potentieel) werkende deel van de bevolking. ‘Grijze druk’ is de verhouding tussen het aantal personen van 65 jaar of ouder en het aantal personen van 20 tot 65 jaar.
23 24
25
Het aantal huishoudens per 1-1-2020 is nog niet beschikbaar bij het CBS. Daarom is de periode 2015-2019 in beeld gebracht. Bij de gemeentelijke herindeling van Het Hogeland in 2019 is een deel van de voormalige gemeente Winsum (Ezinge) niet meegegaan, maar onderdeel geworden van de gemeente Westerkwartier. Dit verklaart de ogenschijnlijk sterke bevolkingsdaling van 2018 naar 2019. Hoogeland laten we buiten beschouwing bij de vergelijking tussen regio’s vanwege het effect van de gemeentelijke herindeling.
Kijk voorbij de krimp
30
Tabel 4.2: Groene en grijze druk (verhouding t.o.v. 20-65-jarigen; 2015-2020) Krimpregio
Inwoners
Groene druk
Grijze druk
Eemsdelta
45.857
0,37
0,36
20152020 -2%
0,40
0,45
20152020 13%
Oost-Groningen
135.208
0,37
0,36
-3%
0,40
0,44
13%
Hoogeland
47.801
0,41
0,40
-2%
0,36
0,43
19%
Parkstad Limburg
257.069
0,31
0,31
0%
0,38
0,43
15%
Maastricht-Mergelland
206.814
0,30
0,29
-3%
0,36
0,41
13%
Westelijke Mijnstreek
133.301
0,32
0,31
-5%
0,37
0,43
17%
Zeeuws-Vlaanderen
105.192
0,35
0,34
-3%
0,42
0,47
11%
Achterhoek
298.804
0,39
0,37
-5%
0,37
0,42
14%
Noordoost Fryslân
124.045
0,43
0,42
-2%
0,35
0,39
14%
Totaal krimpregio’s
1.354.091
0,35
0,34
-3%
0,37
0,43
14%
Rest NL excl. G4 13.626.145 Bron: CBS. Bewerking Cebeon
0,39
0,38
-3%
0,31
0,35
12%
2020
2015
2020
2015
2020
Conclusies groene druk: • In de krimpregio’s is in 2020 de groene druk lager dan gemiddeld in de overige Nederlandse gemeenten: 0,34 in de krimpregio’s ten opzichte van 0,38 in de overige gemeenten. Er zijn in 2020 in krimpregio’s dus minder jongeren in de bevolking dan in de rest van het land. • Ook in 2015 was dit het geval. De groene druk in de krimpregio’s is zelfs iets afgenomen in die periode (met 3%). De afname was echter even sterk als in de overige gemeenten. In de ontwikkeling van de groene druk onderscheiden krimpregio’s zich dus niet van de overige gemeenten. • Tussen krimpregio’s is er verschil: met name in de drie Zuid-Limburgse regio’s is de groene druk laag. Wel zijn de ontwikkelingen verschillend: met name in de Westelijke Mijnstreek is sprake van een relatief sterke daling. • Er zijn ook krimpregio’s met een bovengemiddelde groene druk: Hoogeland (0,40) en Noordoost Fryslân (0,42). Conclusies grijze druk: • In de krimpregio’s is in 2020 de grijze druk hoger dan gemiddeld in de overige Nederlandse gemeenten: 0,43 in de krimpregio’s ten opzichte van 0,35 in de overige gemeenten. Er zijn in 2020 in krimpregio’s dus duidelijk meer ouderen in de bevolking dan in de rest van het land. Dit geldt ook voor elke krimpregio afzonderlijk. • Ook in 2015 was dit het geval.
De grijze druk in de krimpregio’s is toegenomen in die periode (met 14%, meer dan in de overige gemeenten (12%). De vergrijzing was in de krimpregio’s al groter en neemt ook nog eens sneller toe. • Twee krimpregio’s springen eruit wat betreft de snelheid van vergrijzing: Hoogeland (+19%) en de Westelijke Mijnstreek (+17%) in deze periode. kenmerkende migratieachtergrond Er is nagegaan wat het aandeel personen met een migratie-achtergrond is en wat de aard van die migratieachtergrond is: niet-westers of westers. ‘Migratieachtergrond’ is een kenmerk dat weergeeft met welk land een persoon is verbonden op basis van het geboorteland van de ouders of van zichzelf. Als ‘westerse’ achtergrond geldt verbondenheid met een land in Europa (exclusief Turkije), Noord-Amerika en Oceanië, en Indonesië en Japan.
Kijk voorbij de krimp
31
Als ‘niet-westerse’ achtergrond geldt verbondenheid met een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije. Tabel 4.3:
Aandeel inwoners met migratieachtergrond, onderscheiden naar westers en niet-westers (% t.o.v. 1-1-2020; 2015-2020)
Krimpregio
2020
2015
2020 Totaal
waarvan westers
15%
7%
waarvan niet-westers 8%
4%
11%
6%
5%
2%
8%
4%
3%
19%
5%
25%
18%
7%
17%
7%
27%
19%
8%
19%
14%
5%
20%
14%
6%
25%
20%
5%
28%
22%
6%
298.804
11%
7%
4%
11%
7%
5%
124.045
5%
3%
2%
5%
3%
3%
1.354.091
17%
12%
5%
18%
12%
6%
Rest NL excl. G4 13.626.145 Bron: CBS. Bewerking Cebeon
18%
9%
9%
20%
9%
11%
• •
•
•
•
•
Inwoners
Totaal
Eemsdelta
45.857
14%
7%
waarvan niet-westers 7%
Oost-Groningen
135.208
10%
6%
Hoogeland
47.801
6%
4%
Parkstad Limburg
257.069
24%
Maastricht-Mergelland
206.814
24%
Westelijke Mijnstreek
133.301
Zeeuws-Vlaanderen
105.192
Achterhoek Noordoost Fryslân Totaal krimpregio’s
waarvan westers
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat in 2020 het aandeel personen met een migratieachtergrond in de krimpregio’s iets lager is (18%) dan in de overige Nederlandse gemeenten (20%). Ook in 2015 was er een klein verschil (17% versus 18%). De toename van personen met een migratieachtergrond is in de krimpregio’s minder snel gegaan (+1%-punt) dan in de overige gemeenten (+2%punt). Er blijkt een duidelijk verschil in herkomstlanden tussen krimpregio’s en de rest van Nederland: in krimpregio’s betreft het veel meer westerse landen (12% westers, versus 6% niet-westers) dan in de rest van Nederland (9% westers, versus 11% niet-westers). In zowel krimpregio’s als de rest van Nederland is het aandeel personen met een niet-westerse achtergrond gestegen tussen 2015 en 2020. Daarin onderscheiden krimpregio’s zich niet van de rest van het land. Tussen krimpregio’s bestaan opvallende verschillen ten aanzien van personen met westerse migratieachtergrond. Alleen de drie Zuid-Limburgse regio’s en Zeeuws-Vlaanderen hebben een hoog aandeel van deze categorie, met percentages tussen 14% en 22%. De overige vijf krimpregio’s hebben juist een relatief klein deel personen met westerse migratieachtergrond. Wel geldt voor elke krimpregio dat het aandeel personen met niet-westerse migratieachtergrond laag is.
bevolkingsontwikkeling: betekenis van natuurlijke ontwikkeling en migratie Toename of daling van het totaal aantal inwoners is de resultante van de natuurlijke bevolkingsontwikkeling (het aantal geboorten minus het aantal sterfgevallen) en migratie (het aantal vestigers minus het aantal vertrokken personen). In onderstaande tabel is aangegeven hoe de uiteindelijke bevolkingsontwikkeling tot stand is gekomen voor de periode 2015 tot en met 2018. Er zijn op dit moment nog geen cijfers over buitenlandse migratie beschikbaar over het jaar 2019.
Kijk voorbij de krimp
32
Tabel 4.4:
Samenstelling bevolkingsontwikkeling26: geboorteoverschot, binnenlands migratiesaldo, buitenlands migratiesaldo (per 1.000 inwoners op 1-1-2020; 2015-2018) 2020
Krimpregio
Inwoners
Eemsdelta
45.857
2015 - 2018 Geboorteoverschot -17
Oost-Groningen
135.208
Hoogeland
47.801
Parkstad Limburg
Binnenlands migratiesaldo -35
Buitenlands migratiesaldo 19
Bevolkingsontwikkeling -33
-16
-142*
143*
-14
-6
-12
3
-15
257.069
-18
0
7
-11
Maastricht-Mergelland
206.814
-15
-17
30
-1
Westelijke Mijnstreek
133.301
-14
2
1
-11
Zeeuws-Vlaanderen
105.192
-14
-9
22
-2
Achterhoek
298.804
-8
-4
17
4
Noordoost Fryslân
124.045
-1
-7
1
-7
Totaal krimpregio’s
1.354.091
-13
-20
27
-6
Rest NL excl. G4 13.626.145 3 4 13 21 Bron: CBS. Bewerking Cebeon *) De binnenlandse en buitenlandse migratiesaldi zijn sterk beïnvloed door de aanwezigheid van het AZC in Ter Apel.
• •
•
•
•
De krimpregio’s worden, niet verrassend, gekenmerkt door een bevolkingsdaling (-6 pro mille), terwijl in de overige gemeenten een stijging is (+21 pro mille). De bevolkingsdaling is de uitkomst van een geboortetekort (13 pro mille, waar de rest van Nederland een positief geboorteoverschot heeft), een binnenlands vertrekoverschot (20 pro mille, waar de rest van Nederland een vestigingsoverschot heeft) en – een de andere kant op werkend – buitenlands vestigingsoverschot van 27 pro mille, waar dat in de rest van Nederland 13 pro mille is. Alle krimpregio’s hebben een geboortetekort. De omvang ervan varieert echter. Bij drie regio’s is het tekort betrekking laag (Hoogeland, Achterhoek, Noordoost Fryslân), in de overige zes regio’s is het tekort veel forser, tussen 14 en 18 pro mille. Alle krimpregio’s hebben een positief buitenlands migratiesaldo27. Dit is echter in vier regio’s betrekkelijk laag (Hoogeland, Parkstad Limburg, Westelijke Mijnstreek, Noordoost Fryslân, namelijk 1-7 pro mille). In de overige vier regio’s (Eemsdelta, Maastricht-Mergelland, Zeeuws-Vlaanderen en Achterhoek) is er een substantieel buitenlands migratiesaldo, dat bijvoorbeeld hoger is dan het geboortekort in deze regio’s. Ten aanzien van de rol van binnenlandse migratie is er een sterk wisselend beeld tussen de krimpregio’s onderling.
Er is, met uitzondering van twee regio’s (Parkstad Limburg en Westelijke Mijnstreek), een vertrekoverschot: er trekken meer mensen weg naar elders in Nederland dan er zich vestigen in de krimpregio’s. Dit gebeurt in Eemsdelta, Maastricht-Mergelland en ook Hoogeland is sterke mate.
Al met al laat tabel 4.4 zien, dat achter een simpel getal van ‘bevolkingsdaling’ verschillende bewegingen schuil gaan, van geboortekort en (over het algemeen) binnenlands vertrekoverschot enerzijds, en buitenlands vestigingsoverschot anderzijds. De mate waarin deze drie factoren invloed op de uiteindelijke bevolkingsontwikkeling hebben, verschilt echter sterk tussen de individuele krimpregio’s.
26
27
De bevolkingsontwikkeling is berekend op basis van de drie gepresenteerde variabelen geboorteoverschot, binnenlands en buitenlands migratiesaldo, zonder administratieve correcties. Er zijn daardoor kleine afwijkingen ten opzichte van de verschillen in inwonertallen op 1 januari van elk jaar De regio Oost-Groningen laten we met betrekking tot migratiecijfers buiten beschouwing, aangezien hier de invloed van de aanwezigheid van het Asielzoekerscentrum in Ter Apel een grote invloed op de migratiecijfers heeft.
Kijk voorbij de krimp
33
samenvattend Als algemene typering van krimpregio’s geldt, dat • de bevolkingsdaling tussen 2015 en 2019 0,8% was, terwijl de overige Nederlandse gemeenten zijn gegroeid met 2,2%; • er meer vergrijzing is en deze sneller toeneemt dan in de overige Nederlandse gemeenten; • er relatief iets minder jongeren zijn, maar dat de ontwikkeling niet afwijkt van de rest van Nederland • er iets minder personen met een migratieachtergrond zijn, maar relatief meer een westerse achtergrond hebben in vergelijking met de rest van Nederland (exclusief G4). Er zijn echter grote verschillen tussen regio’s. • de bevolkingsdaling een resultante is van geboortekort en binnenlands vertrekoverschot enerzijds en buitenlands vestigingsoverschot anderzijds. Dit geldt echter niet voor alle regio’s. Ook de mate waarin de drie factoren een rol spelen verschilt sterk per regio. Er is dus sprake van verschillen in demografische ontwikkeling tussen krimpregio’s en de rest van Nederland (exclusief G4). Voor de krimpregio’s zelf geldt dat het beeld divers is. Er zijn verschillen maar ook duidelijke overeenkomsten. De demografische analyse onderstreept de diversiteit in de uitgangspositie waarmee krimpregio’s te maken hebben gehad in de periode van de decentralisatie-uitkering bevolkingsdaling. We gaan hierna per regio dieper in op de verhalen achter de cijfers en toekomstbeelden.
4.3
Groningen DU Bevolkingsdaling: koppelkansen en experimenten De DU Bevolkingsdaling, jaarlijks circa € 4 miljoen, heeft volgens de betrokken partijen in Groningen een positieve bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de regio. In het gebied waar de aardbevingen plaatsvonden bood het geld van het Nationaal Programma Groningen veel koppelkansen met de krimpgelden. Zo konden scholen zowel fysiek opgeknapt worden (aardbevingsgeld) als ook onderwijsinhoudelijk worden vernieuwd (krimpgelden). In Oost Groningen, waar geen aardbevingsgelden naartoe gaan, hebben de DU-middelen een belangrijke bijdrage geleverd aan de financiering van het Regionaal Woon en Leefbaarheidsplan (RWLP)28. Dit RWLP wordt door meer betrokkenen aangewezen als ‘topper’ in de regio. Er zit veel kwaliteit in dit plan en men werkt hierbij effectief en over grenzen (sectoraal en geografisch) heen. In het RWLP werd in 2016 de ‘menukaart particuliere woningvoorraad’ gepresenteerd met daarin ‘keuzegerechten’: projecten die als laaghangend fruit kunnen worden gezien omdat ze op korte termijn tegen bescheiden middelen tot duidelijke resultaten kunnen leiden. Onder meer via het RWLP heeft de DU geleid tot meer experimenten en een groeiend bewustzijn van de problematiek. De pilot ‘energiecoaches’ in Musselkanaal en Westerwolde zijn voorbeelden van experimenten die zijn geïnitieerd door het RWLP.
Hierin zijn huishoudens bezocht voor een gesprek en advies over energiegebruik. Experimenteren is zinvol, want het levert inzichten op over succes- en faalfactoren en zo verbetering van de aanpak/methodiek, maar na het experiment is het geld op voor een vervolg.
28 Circa een derde van de begroting van het RWLP, wat neerkomt op 50% van de krimpgelden voor Oost Groningen.
Kijk voorbij de krimp
34
Een nadeel van de DU is dus dat het om geringe bedragen gaat. ‘Maar als ik bijvoorbeeld kijk naar Stadskanaal of Veendam waar dezelfde problematiek is, maar geen aardbevingsgelden, dan kom je met de DUgelden tot een gesprek en een conferentie en dan is het geld gewoon op’. De krimpgelden vanuit de DU zijn nuttig geweest, maar alleen in combinatie met andere geldstromen, zoals provinciaal en gemeentelijk geld, aangevuld met bijdragen van corporaties en andere partijen in de regio. In de delen van de regio met aardbevingen lopen de geldstromen ook door elkaar heen: ‘In dit gebied zijn aardbeving en krimp totaal met elkaar verweven… af en toe zit ik ook te denken van, God waar wordt dat nu uit betaald? Krimpgelden of aardbeving?’ Dilemma: integraal of sectoraal? In de voormalige gemeente De Marne (nu onderdeel van gemeente Het Hogeland) is krimp vanouds integraal benaderd, want wonen is nu eenmaal moeilijk te scheiden van vraagstukken als leefbaarheid, onderwijs en zorg. De krimpgelden die hierheen vloeiden kwamen hier op een grote hoop terecht en konden mooi gecombineerd worden met provinciaal en gemeentelijk geld, aangevuld met bijdragen van corporaties en andere partijen in de regio. Binnen de gemeente Het Hogeland is er nu echter een tendens om weer meer sectoraal te gaan denken, naar voorbeeld van Oost Groningen.
Daar huldigt men het credo ‘integraal denken werkt het best, maar heeft als risico dat je maar blijft praten met elkaar’. Uiteindelijk is sectoraal denken voor een bestuurder makkelijker, want het leidt sneller tot tastbaar resultaat). Het levert een dilemma op: sectoraal ga je sneller, maar integraal kom je verder. Dit blijft een lastig issue.
woningproblematiek: van kwantiteit naar kwaliteit Er is lange tijd ingezet op het terugbrengen van de voorraad woningen, op de kwantiteit dus. Daarvoor werd in Oost Groningen bijvoorbeeld het Sloop- en Transitiefonds ingezet. Nu is er steeds meer aandacht voor kwaliteit. ‘Waar wij 8 jaar geleden dachten dat het probleem zat in de huursector, zit die nu vooral in de goedkope particuliere sector” (uitgeponde huurwoningen). Eigenaren kunnen het onderhoud niet opbrengen. “Je gunt deze eigenaren een woningcorporatie!”29 Corporaties moeten volgens enkele betrokkenen een rol krijgen om particuliere eigenaren te helpen hun bezit waarde te laten houden. Nieuwe concepten zijn nodig (zie ook noot 2). Maar de onrendabele top is gigantisch. In het aardbevingsgebied kun je dat slim oplossen, maar elders kan dat niet, omdat er te weinig geld is. Aandacht voor kwaliteit is ook van belang om trek uit de stad Groningen te faciliteren. Huishoudens, met name gezinnen, verlaten de stad Groningen vanwege oplopende huizenprijzen. De oververhitte woningmarkt drukt woningzoekenden uit de stad, een proces dat bij meer populaire steden in ons land waarneembaar is, zoals Amsterdam of Utrecht. ‘Laatst kwamen er op een oud-schoolpand in Zuidwolde dat te koop stond dertig gegadigden af. Dat was acht jaar geleden ondenkbaar geweest’.
De groepen die de stad Groningen willen verlaten, zoeken in de omliggende regio naar kwalitatief goede, maar betaalbare woningen. De voorraad in de krimpregio’s moet dus ook vernieuwing kennen. Probleem is dat (betaalbare) nieuwbouw bijna niet rendabel is. Dus vanuit de markt gebeurt het bijna niet. Er zouden daarom nieuwbouwsubsidies overwogen kunnen worden naast de reeds bestaande sloopsubsidies. ‘Dat die nieuwbouw niet op gang komt is een doodsteek op langere termijn voor de regio’s’. Hierbij gaat vooralsnog wel vooral om de dorpen die vlak bij de stad liggen: Bedum en Winsum liggen dicht bij de stad Groningen en zijn meer in trek bij gezinnen. De Marne en Eemsmond liggen verder weg. Daar is nog wel leegstand, waarbij het in De Marne meevalt. Dit past in beeld dat dorpen bij de stad het beter doen dan afgelegen dorpen. Deze ‘tweede’ ring kent soms nog gebreken in de infrastructuur, zoals snel internet.
29 Met het ‘Inpondfonds’ koopt men binnen het RWLP goedkope koopwoningen op en brengt ze terug in de sociale huurvoorraad. Op termijn volgt
dan vaak sloop. Het is één van de keuzegerechten.
Kijk voorbij de krimp
35
Lokale verschillen binnen herindelingsgemeenten In dorpen in de voormalige gemeente De Marne heeft de krimpaanpak door de jaren heen zijn vruchten afgeworpen. Het beleid was integraal opgezet en werd in samenspraak met de bewoners ontwikkeld (‘We hebben onze ideeën nooit over de schutting gegooid, maar hebben inwoners eerst gevraagd wat ze ervaren, om daarna samen op te trekken’). Met de herindeling van Bedum, Winsum, De Marne en Eemsmond tot de nieuwe gemeente Het Hogeland in 2019 is de succesvolle krimpaanpak van De Marne voor het hele gebied van toepassing verklaard. De gemeente werkt met een ‘dorpenbudget’: elk dorp kan initiatieven indienen. Door de ervaring met dit beleid loopt dit in De Marne beter dan in de rest van het gebied. Daarom houdt een dorpencoördinator nu in de gaten of het uitblijven van initiatieven in dorpen zijn oorzaak vindt in een gebrek aan noodzaak (‘het gaat goed in het dorp’) of juist in onwetendheid of apathie bij de inwoners. wat blijft zijn ‘zorgen over zorg’ Bij de gesprekspartners bestaat veel bezorgdheid over de toekomst van de regio waar het gaat om de groeiende zorgvraag. Er is een aantal ontwikkelingen waar te nemen: • Vergrijzing. Die levert een steeds grotere zorgvraag op, terwijl: • Vrijwilligers die zorg verlenen ook steeds ouder worden: ‘In sommige dorpen doen 70-plussers de boodschappen voor 80-plussers’.
Jonge vrijwilligers hebben een ander tijdbestedingspatroon, hun inzet is meer selectief en gericht op eigen interesses. • Import van sociale problemen uit andere delen van het land: ‘Ik ken praktijkvoorbeelden dat vanuit de sociale dienst in Rotterdam is gezegd: goh, zou je niet in Groningen gaan wonen, want voor de prijs van je kelderbox hier kun je een huis kopen in Nieuw-Beerta….en inmiddels zitten drie kinderen in de jeugdzorg, twee kinderen in de bijstand en kost het gezin ons 60.000 euro per jaar’ Volgens de demograaf van de provincie ondersteunen de cijfers dit betoog: wat je nu ziet, is dat de krimp is gestopt. Vanaf 2016 is er een ‘indrukwekkende migratieomslag in Oost Groningen’. Dat betreft zowel binnenlandse als buitenlandse migratie. Allereerst het binnenland: ‘Niet alleen vanuit de stad maar vanuit heel Nederland komen er mensen op Oost Groningen af’ Verklaring: woningnood in grote delen van Nederland. In Oost Groningen is er voorraad; je ziet er bevolkingsgroei zonder nieuwbouw. Hier komen goedkope koopwoningen vrij door sterfte. De overleden alleenstaande eruit – gezinnetje erin. ‘Maar als je kijkt wie er dan op die woningen afkomen; dat zijn niet altijd de meest draagkrachtige en kansrijke mensen’ Er komen veelal kwetsbare groepen wonen.
Ook trekt het relatief goedkope vastgoed (lege scholen, kerken) marktpartijen in de zorg aan die daar ruimtes in zien voor klinieken e.d. Zo moest één gemeente een initiatief afwijzen om een groep gameverslaafde allochtone jongeren uit de Randstad te huisvesten. ‘En dan zegt men in Den Haag: nou er komen dan wel mensen bij jullie wonen; daar moet je toch blij mee zijn?’ Voor deze problematiek is er in de huidige aanpak nog weinig aandacht. Verder is er influx van buitenlandse werknemers, vooral arbeidskrachten uit Oost-Europa die bijvoorbeeld in de Eemshaven werken. Bewoners vinden dat een zorgelijke ontwikkeling. In sommige gevallen kopen werkgevers of vastgoedpartijen voor de buitenlandse werknemers hele complexen woningen op. Deze groep nieuwkomers heeft andere leefpatronen dan de oorspronkelijke bewoners, wat ervoor zorgt dat overlast wordt ervaren. Als voorbeeld werd genoemd dat deze bewoners hun tuin slecht onderhouden. De huisvesting van buitenlandse werknemers in Groningen wordt nu dus vooral benaderd vanuit thema overlast. Voor het behoud en groei van regionale werkgelegenheid is deze groep echter van belang. Wanner er geen voldoende arbeidsaanbod is, vestigen nieuwe bedrijven zich niet. Voldoende goede woonruimte voor deze groep is van belang voor het economisch vestigingsklimaat. ‘Houd je omgeving aantrekkelijk voor deze arbeiders’, zo stelt een betrokkene.
Kijk voorbij de krimp
36
Het grootste probleem vormt echter het feit dat de actieve, hoger opgeleide, jongere mensen wegtrekken en dat mensen met minder kansen achterblijven en binnenkomen. Door deze selectieve migratie blijft er in de Groningse krimpregio’s een bevolking over die relatief oud en ongezond is en te kampen heeft met veel (structurele) werkloosheid. toekomst: geen sprintje, maar een marathon Vanuit het perspectief van bevolkingsdaling gloort er hoop aan de Groninger horizon: met de aantallen bewoners gaat het wel goed. Maar qua samenstelling van de bevolking en de aardbevingenproblematiek zijn er zorgen. ‘Het gaat hier in Groningen om bestaanszekerheid en dat is een basisvoorwaarde. Als dat niet op orde hebt, en dat hebben we soms niet, dan komen we niet verder dan wonen werken en welzijn; de basis drie. En daar zijn we hier heel druk mee bezig.’ Dat betekent dat de ‘weg omhoog’ nog ver weg is. De regio voelt behoefte aan langjarige financiële ondersteuning, waarmee men ‘rustig kan bouwen’. Financiering via Regiodeals en dergelijke stimuleringsmiddelen hebben nadelen: ‘Goede manier om op programmatische wijze extra geld naar binnen te fietsen, maar aan de andere kant vind ik het ook wel wat bezwaarlijk dat het een soort van schoonheidswedstrijd is wie de beste lobby heeft en het leukste plan’. Het leidt er ook toe dat lokale bestuurders zich soms schoothondjes van het rijk voelen.
‘Ik ben echt voor 20 minuten soms naar Den Haag gereden, om half 9 op woensdagochtend. En dat deed je dan he, want er lagen miljoenen op de plank’ en ‘Ik dacht, het gaat om 12,5 miljoen, nou dan schrijf ik ook iets over agro’. Wel is de eis van regionale samenwerking bij krimpgelden belangrijk in een regio waar kerktorenpolitiek vanouds veel voorkomt: ‘Ik heb van dichtbij meegemaakt hoe iedere gemeente bezig was een zo groot mogelijk deel van de beschikbare middelen binnen te harken. Men vond elkaar in samenwerkingsverbanden omdat dergelijke verbanden de garantie vormden voor het succesvol binnenhalen van middelen. Maar over de verdeling werd eindeloos gesteggeld’. Regionale samenwerking komt niet vanzelf tot stand. Maar wat echt nodig is, is een langjarig, bestendig programma ‘zonder te hoeven zeggen kijk es hoe leuk, hoe zielig of hoe innovatief of hoe dan ook, dat kost zoveel energie en kracht, ook van partners in de regio’. Werken aan Groningen is geen sprintje, maar een marathon.
4.4
Zuid-Limburg DU Bevolkingsdaling: hefboom voor investeringen De DU Bevolkingsdaling, jaarlijks circa € 5,5 miljoen, heeft volgens de betrokken partijen een positieve bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van Zuid-Limburg. Het zwaartepunt van de krimpgelden lag bij de regio Parkstad Limburg, waar de gelden zijn ingezet voor leefbaarheidsdoelen, grootschalige fysieke herstructurering en economisch structuurversterking. De middelen uit de DU zijn op verschillende wijze aangewend, als trigger-geld of hefboom om grotere investeringen aan te jagen. De triggerfunctie van de krimpgelden zie je zowel in de stedelijke als landelijke kernen terug. In Parkstad Limburg met zijn stedelijke karakter heeft men het zelfs over een multiplier van 22. ‘Bijvoorbeeld in Rolduckerveld (Kerkrade-Oost), daar is € 5,5 miljoen subsidie ingegaan en daar wordt € 117 miljoen in geïnvesteerd’. Maar het geld hielp ook bij het financieren van kleinere projecten in kleinere kernen, omdat ze zorgden voor draagvlak voor krimpbeleid onder de bevolking. Ook in combinatie met andere middelen (bijv. Regiodeal) zijn de krimpgelden effectief gebleken. Zo bood de DU uitkomst om het gat te dichten in de financiering van de Buitenring, een ringweg om het stedelijk gebied van Parkstad. Als zeer positief hierbij ervoer men het feit dat het langjarige financiering betrof; het bood de kans iets op te bouwen.
Ook heeft de DU regionale samenwerking bevorderd, wat zeker in Zuid-Limburg niet vanzelfsprekend was. Het belangrijkste effect van de middelen is volgens de meeste betrokkenen echter de erkenning die de regio heeft gekregen vanuit het rijksbeleid.
Kijk voorbij de krimp
37
weer op de radar van de rijksoverheid Jarenlang hing over de regio een grauwsluier, zo stellen diverse respondenten. Dat geldt met name voor de Oostelijke Mijnstreek, waar onder de bevolking lange tijd het gevoel leefde min of meer vergeten te zijn: ‘We hadden het idee dat we eigenlijk niet meer op de radar stonden bij de overheid’. ‘Zij in Den Haag’ hadden geen enkele aandacht voor de regio die vroeger als steenkolenproducent zo belangrijk was voor het hele land, zo was het gevoel. In de twee andere regio’s in Zuid-Limburg was de bevolkingsdaling en economische teruggang minder heftig. Zo is het dal in de Westelijke Mijnstreek – waar altijd veel werkgelegenheid was bij bedrijven als DSM, Sabic en VDL – nooit zo diep geweest. Het krimpbeleid, dat rond 2010 is ingezet, heeft in het defaitisme in de Oostelijke Mijnstreek verandering gebracht. Met name in de gebieden waar massief is geïnvesteerd, zoals Heerlen en Kerkrade is de stemmig aan het omslaan: ‘Er is een hele andere dynamiek ontstaan in die wijken’ en ‘Mensen hadden gewoon het idee, we doen er weer toe’ (Kerkrade). De metamorfose van Heerlen is symbolisch voor die omslag. De gelden van de DU zijn echter ook juist regionaal, in kleine kernen in de Oostelijke en Westelijke Mijnstreek en het Heuvelland ingezet, ten behoeve van verbetering leefbaarheid.
Dat had belangrijk effect bij lokale bevolking, het zorgde ervoor niet vergeten te zijn: Anders hoorde men al snel ‘Ja, dat geld gaat allemaal naar Kerkrade of Heerlen’. zelfbewustzijn en regionale samenwerking Parallel aan de looptijd van het krimpbeleid in ons land lijkt er de afgelopen tien jaar een sterker zelfbewustzijn in Zuid-Limburg te zijn ontstaan. De trots op de eigen identiteit is toegenomen, waarbij ook de aandacht voor Limburgse muziek in de rest van het land een rol gespeeld zou kunnen hebben. Uit de Parkstad Monitor blijkt ook dat de mensen positiever worden, juist in wijken met transformatie. In het begin was men sceptisch, maar later tevreden. Wat positief bijdraagt is dat in sommige krimpprojecten ook een duurzaamheidsaanpak mee loopt. Nieuwe woningen zijn veel energiezuiniger en dat merken mensen ook in hun beurs. En dat bevalt goed. De aandacht voor de regio met de middelen die daaraan gepaard gingen brengt een respondent er zelfs toe om te stellen: ‘Krimp bracht veel goeds’. Op ambtelijk niveau wijzen de gesprekspartners uit Zuid-Limburg erop dat de krimpgelden een sterke impuls gaven aan regionale samenwerking en coördinatie tussen overheden. De gemeenten Sittard-Geleen, Beek en Stein hebben hun krachten bijvoorbeeld gebundeld in de oprichting van het Participatiebedrijf Westelijke Mijnstreek.
Meer samenwerking in Zuid-Limburg Niet alleen binnen elk van de drie regio’s, maar ook tussen de drie krimpregio’s in Zuid-Limburg is er de laatste jaren meer samenwerking. Dit is opvallend, omdat er binnen de regio verschillen zijn in omvang en aard van de problematiek. Zo is er in de Westelijke Mijnstreek op dit moment nog geen uitgebreide leegstand, terwijl Maastricht altijd een beetje een dubbele houding heeft ingenomen (‘Zo van, wij hebben geen krimp, niets aan de hand hier’). Regionale samenwerking op de schaal van Zuid-Limburg ‘blijkt onder meer uit de gezamenlijke structuurvisies die we hebben opgesteld rond wonen, ruimte en economie. En we leren van elkaar. Belangrijk daarbij is de regiocoördinatiefunctie, die we mede uit de DU-gelden betaalden’. Die bereidheid tot samenwerking wordt als zeer positief ervaren, hoewel er op dit vlak nog veel te winnen valt. Of zoals Peter Bertholet, één van de gesprekspartners, het in een gelijknamig artikel in Ruimte + Wonen (dec. 2019, pp. 40-49) onder woorden brengt: ‘Uiteindelijk is de regio van niemand’.
migratie uit de regio, maar ook terugkeer Er was lange tijd sprake van een selectieve migratie uit Zuid-Limburg: jongeren en hoger opgeleiden vertrokken uit de regio. Dit verlies aan inwoners die belangrijk zijn voor de toekomstkracht van de regio blijft aandacht vragen. Respondenten constateren echter ook een (begin van) ommekeer. Steeds meer jongeren komen na hun opleiding terug naar de regio. Men gaat wonen in bijvoorbeeld Sittard. Daar is sprake van Kijk voorbij de krimp
38
een stedelijke sfeer, maar toch in de ‘eigen’ omgeving. Pendelen naar onder meer Eindhoven is geen uitzondering. Ook voor sommige ouderen (pensionado’s) lonkt Limburg weer. Voor hen voelt het als terug naar ‘huis’, terug naar de geborgenheid van vroeger. Maar Limburgers die de regio hebben verlaten zien ook dat er steeds meer faciliteiten zijn in de regio. Men ziet de stad Heerlen hipper worden, mede door het opknappen van de openbare ruimte. Alles in de stad wordt aantrekkelijker gemaakt. ‘Heerlen is lange tijd niet zo leefbaar geweest’. toekomst: lange weg vereist lange adem Het gaat goed in Zuid-Limburg, maar tegelijkertijd is er in de regio nog veel te doen. Er zijn drie punten die volgens de gesprekspartners om blijvende aandacht vragen. Om te beginnen constateren de betrokkenen een noodzaak tot het verbreden van de transitieagenda. Er dringen zich urgente sociale vraagstukken op. Nog steeds is er sprake van intergenerationele armoede. Die concentreert zich vaak in bepaalde wijken/buurten (multi-problem-wijken), met name in de steden. Hier is overheidsinterventie in structurele zin gewenst. De vergelijking met het Nationaal Programma RotterdamZuid dringt zich op. ‘In het fysieke vlak hebben we behoorlijke paradepaardjes weten te realiseren. Maar nu is aandacht nodig voor de sociaaleconomische aspecten. Vergelijk het met de Rotterdam-Zuid-aanpak’.
Een respondent vat dit punt als volgt samen: ‘Uiteindelijk zit het probleem niet in de stenen maar in de mensen. Daarin moet je structureel gaan investeren.’ Verder vragen de betrokkenen aandacht voor het feit dat bovengenoemde problematiek na de decentralisatie van het sociaal beleid op het bordje van de gemeente terecht zijn gekomen. Lokale vertegenwoordigers stellen vast dat de gemeenten deze opgave niet of nauwelijks meer aan kunnen; het water staat ze aan de lippen. Of zoals een gesprekspartner het ondiplomatiek stelt als de financiële huishouding van de gemeente ter sprake komt: ‘Die is gewoon zwaar klote. We redden het niet’. Een collega heeft dezelfde boodschap, maar zegt het wat keuriger: ‘Ik houd mijn hart vast als de rekening voor de corona wordt neergelegd bij de gemeentebegrotingen, wat er dan overblijft van ons sociaal beleid.’30 Ten slotte wijzen lokale bestuurders op het feit dat – ondanks de verbeterde aandacht voor de regio – ZuidLimburg voor de rijksoverheid nog steeds een relatief vergeten hoek van Nederland vormt: ‘De regio wordt niet gezien als een krachtbron’. Een pregnant voorbeeld is het uitblijven van het doortrekken van de spoorlijn Randstad-Heerlen-Aken.
Zo’n rechtstreekse verbinding zou het veel makkelijker maken om te profiteren van de ligging van Zuid-Limburg in de Euregio, want: ‘Wij zijn een doodlopende straat in Nederland, maar om ons heen leeft het. Maar we hebben geen toegang’. Zuid-Limburg centraal in de Euregio Menig respondent stoort zich aan het gebrek aan aandacht vanuit het rijk voor de positie van grensregio’s. ‘Alleen vanuit Den Haag bezien zijn we Randland. We liggen hier midden in de Euregio’. En die grensligging biedt kansen voor het lokale bedrijfsleven. Zo loopt net over de grens van Zuid-Limburg op dit moment het grootste economische structuurversterkingsprogramma van Europa, Strukturwandel im Rheinischen Revier (herstructurering van de bruinkoolindustrie). Om daarvan te kunnen profiteren, heeft Zuid-Limburg goede verbindingen nodig. Maar daar is op nationaal niveau nauwelijks aandacht voor. ‘Als je vier jaar geleden op de NS-routeplanner ‘Heerlen-Aken’ intikte, kreeg je een route waarmee je 3,5 uur onderweg was. Lopend ging sneller.’ Maar niet alleen naar Aken wenst men betere verbindingen, ook naar Luik, Hasselt en bijvoorbeeld Brussel. ‘Aken en Luik hebben geen krimp, hè. Trek die trein eens door naar Aken, aub’. Een gesprekspartner verzucht dan ook ‘Mensen in de Randstad kunnen zich niets voorstellen bij een grensregio’.
30 Deze problematiek komt ook naar voren uit de kwantitatieve analyse van dit onderzoek. De krimpgemeenten geven veel meer uit aan sociaal
domein dan niet-krimpgemeenten.
Kijk voorbij de krimp
39
Al met al constateert men in Zuid-Limburg dat veel ontwikkelingen de goede kant op gaan. Maar, zo wordt er telkens aan toegevoegd: in dit deel van het land is er nog een lange weg te gaan en dat vereist een lange adem van alle betrokkenen. Blijvende aandacht, gepaard gaande met inzet van extra middelen vanuit het rijk, ziet men als hoogst noodzakelijk.
4.5
Zeeuws-Vlaanderen DU Bevolkingsdaling: druppel op de gloeiende plaat in een grensregio De DU Bevolkingsdaling, jaarlijks bijna 400.000 euro, is volgens de betrokken partijen in Zeeuws-Vlaanderen niet meer dan ‘een druppel op de gloeiende plaat. Je kunt er een woning mee opkopen, maar daar houdt het mee op’. Die kwalificatie heeft te maken met de relatief geringe omvang van het bedrag (van alle krimpregio’s het laagste bedrag, als je Noordoost Fryslân en De Marne – nu deel van Het Hogeland waarin ook Eemsdelta zit – niet meerekent) gekoppeld aan de grote herstructureringsopgave in de regio, met name in de woningmarkt. Volgens adviesbureau Ecorys, dat in 2013 een MKBA heeft gemaakt, bedragen de kosten minimaal 100 miljoen euro, in het meest extreme scenario zelfs 200 miljoen euro. Als ZeeuwsVlaanderen de krimpgelden niet had ontvangen, had het maar weinig verschil gemaakt. De saneringsopgave in de woningvoorraad is daar simpelweg te groot voor. Toch heeft de DU volgens de gesprekspartners wel positieve effecten gehad voor Zeeuws-Vlaanderen. De ontvangende gemeente Terneuzen (die het geld heeft verdeeld over de rest van de regio) heeft een deel van de DU ingezet om drie panden aan te kopen en te saneren.
Een ander deel van het geld is gebruikt om een sectorbureau op te tuigen dat zich richt op het verbinden en uitbouwen van grensoverschrijdende activiteiten op het gebied van de arbeidsmarkt – een thema dat in dit deel van Zeeland erg relevant is. Het belang van Vlaanderen Het woord ‘Vlaanderen’ in Zeeuws-Vlaanderen zegt het al: deze regio is van oudsher sterk gericht op België. Jongeren gaan bijvoorbeeld voor middelbaar onderwijs naar Vlaamse scholen, terwijl het ziekenhuis van Brugge ook in het daily urban system van veel inwoners zit. Daarnaast pendelen redelijk veel Zeeuws-Vlamingen over de grens voor hun werk. Vandaar dat de regio zich al jaren hard maakt voor hulp bij het oplossen van arbeidsmarktvraagstukken – er liggen met name veel juridische barrières. Op hun beurt komen de Belgen graag naar Zeeuws-Vlaanderen, en niet alleen om te winkelen in Sluis. Ze kopen bijvoorbeeld woningen die ze in familieverband opknappen. Dat levert een kwaliteitsimpuls op in de dorpen waar die woningen staan. Dat grensoverschrijdende verkeer beoordeelt men in de regio positief: ‘Wij moeten ons gezicht meer richten naar het zuiden, naar België, dan naar het noorden. Daar ligt de potentie’.
toekomst: trots op onderwijs, maar ook zorgen In Zeeuws-Vlaanderen is men trots op de ontwikkeling van de organisatie van het voortgezet onderwijs over de afgelopen jaren. Door een teruglopend aantal leerlingen moesten scholen noodgedwongen samenwerken, maar dat is gelukt en levert resultaat op. Aan deze ontwikkeling hebben de krimpgelden van het rijk overigens niet bijgedragen. Tegelijkertijd hebben de betrokkenen ook zorgen over de toekomst van de regio. Zeeuws-Vlaanderen kampt met meerdere uitdagingen, aldus de gesprekspartners: Woningmarkt De noodzakelijke sanering van de woningvoorraad loopt in de miljoenen (zie hiervoor) en vraagt daarom veel financiële inspanningen. Zolang het geld er niet is, kan de regio geen stappen op dit terrein zetten. Afgezien hiervan speelt het probleem van de verduurzaming. Met
Kijk voorbij de krimp
40
-
-
name ouderen en eigenaren van tweede woningen hebben hier niet veel zin in en vragen zich af of investeringen wel nut hebben. Juist in een vergrijzende regio levert dit problemen op. Bereikbaarheid De regio is via de Westerscheldetunnel (6,6 kilometer) verbonden met Zuid-Beveland. Er wordt tol geheven, wat de bereikbaarheid van de sowieso perifeer gelegen regio niet ten goede komt. ‘Zeeuws-Vlaanderen is nog erger dan een dierentuin. Voor een dierentuin hoef je alleen te betalen als je erin gaat. Voor Zeeuws-Vlaanderen ook als je eruit gaat.’ Overigens gaat er via de tunnel meer verkeer uit dan erin komt – Zuid-Beveland trekt meer dan ZeeuwsVlaanderen. Aantrekkelijkheid Zeeuws-Vlaanderen mag dan een toeristengebied zijn, veel jongeren verlaten de regio om hun heil ergens anders te zoeken. ‘De dynamiek die zit er bij ons niet in, hè. Als je hier op zaterdagmiddag op het marktplein in Oostburg loopt dan, zitten er een paar mensen op het terras en dat is het dan. Je merkt echt dat de jeugd weggetrokken is, dat we daar een aderlating doen’.
Niet krimp, maar ontwikkeling! In Zeeuws-Vlaanderen zijn burgers en bestuurders het label ‘krimp’ beu. ‘We schieten in ons eigen voet om regio als topkrimpgebied te verkopen’. De regio heeft dan ook de wens om haar kansen uit te venten. Er is evengoed een positief en toekomstgericht verhaal te vertellen, bijvoorbeeld op het gebied van industriële ontwikkeling, toenemende belangstelling van de regio vanuit Vlaanderen en internationale werknemers die het gebied weten te vinden. Afgaande op het demografische profiel mag Zeeuws-Vlaanderen dan een krimpregio zijn, tegelijkertijd is het een regio met ontwikkelingspotentieel.
hartenkreet vanuit Zeeuws-Vlaanderen naar Den Haag Zeeuws-Vlaanderen pleit voor een ontwikkelgerichte benadering van de regio. Het liefst zouden de inwoners en bestuurders het ‘krimplabel’ van zich afschudden. Natuurlijk sluit men de ogen niet voor zaken die aandacht behoeven (wonen, onderwijs, infrastructuur, arbeidsmarkt), maar dat kan ook vanuit een positiever perspectief. Drie wensen: Van krimp- naar aandachtsgebieden De framing van Zeeuws-Vlaanderen moet anders. ‘Krimpgebied’ als term werkt niet, maak er ‘aandachtsgebied’ van. Geef corporaties een rol Voor de saneringsopgave op de woningmarkt in de regio is veel geld nodig. In de bestaande regionale setting is het een illusie dat dit geld uit de markt komt – in Zeeuws-Vlaanderen wordt het gat dat is ontstaan niet opgevuld door projectontwikkelaars. Kijk daarbij ook eens naar corporaties als partners, zij kunnen een nuttige rol vervullen bij de aanpak van de particuliere woningvoorraad. ‘Ik zou er voor willen pleiten dat corporaties meer armslag krijgen om in onze regio zich ook vrij te kunnen begeven op de particuliere woningvoorraad’. Ruimte voor regionaal maatwerk Het rijk zou meer oog en oor moeten hebben voor regionale verschillen. Dat geldt zeker voor grensregio’s. Met een uniform beleid kan Zeeuws-Vlaanderen niet uit de voeten. Bied daarom mogelijkheden voor maatwerk.
Een generalistische aanpak werkt niet, laat ruimte voor een regionale invulling.
4.6
Achterhoek smart governance en regionaal ‘investeringsfonds’ In de Achterhoek hebben overheid, ondernemers en maatschappelijke organisaties sinds enkele jaren de handen ineen geslagen om de regionale ontwikkeling te stimuleren. Samenwerking tussen de drie o’s (triple helix) zien we overal, maar de Achterhoek gaat er een stuk verder in: daar is het een nieuw ‘democratisch Kijk voorbij de krimp
41
model’, waarin de acht gemeenten via de Achterhoek Raad het mandaat geven aan de Achterhoek Board om aan de hand van Thematafels projecten uit te voeren om de regio als geheel verder te brengen. Deze nieuwe bestuurlijke samenwerking – die naast publieke samenwerking dus ook publiek-private samenwerking omvat – noemt men in de Achterhoek smart governance. De Achterhoek Board baseert zijn beleid op een Achterhoek Visie 2030 getiteld ‘Ruimte voor innovatie, groeien in kwaliteit’. Deze strategische agenda is leidend en bestrijkt niet alleen de terreinen ruimte en economie, maar ook wonen, gezondheid en duurzaamheid. Met de strategische opgaven als uitgangspunt wordt per project gekeken welke financieringsbron het beste past. Soms is dat EU-geld, dan weer een provinciale subsidie of geld uit het bedrijfsleven. In die constellatie moeten we ook de DU Bevolkingsdaling zien die voor de Achterhoek ruim een miljoen euro per jaar bedraagt: het is één van de vele geldstromen die samen een soort Achterhoeks sociaaleconomisch ‘investeringsfonds’ vormen. Juist in hun combinatie leveren de diverse financieringsbronnen een multiplier op. Op deze wijze heeft de Achterhoek onder meer drie innovatiecentra kunnen co-financieren: De Marke in Hengelo voor landbouw, De Steck in Doetinchem voor duurzame economie en CIVON Smart Business Centre in Ulft voor innovatie in de smart industry.