991760 Bijlage 12 Omgevingsverordening Zeeland 2018
Tekst van het document
b.
de aard en de omvang van de kosten dan wel de schade;
c.
de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de verzoeker dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.
67
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Artikel 3.74 Deskundigen advies en betrokkenheid grondwateronttrekker 1.
Gedeputeerde staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 3.72.
2.
Gedeputeerde staten kunnen het advies inwinnen van de in het eerste lid bedoelde deskundigen omtrent een verzoek om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging.
3.
Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt de aanvrager van de beschikking in de gelegenheid gesteld aan die deskundigen zijn aanvraag toe te lichten. Indien gedeputeerde staten voornemens zijn uit eigen beweging een beschikking te geven, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken.
4.
Indien de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade door het van toepassing worden van artikelen van afdeling 3.4 en deskundigen zijn aangewezen die zijn belast met het adviseren inzake de toekenning van die vergoeding, wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over die aanvraag of dat voornemen aan die deskundigen kenbaar te maken.
5.
De deskundigen brengen advies uit inzake: a.
de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van dit hoofdstuk, dan wel het verbinden van voorschriften uit dit hoofdstuk;
b.
de omvang van de kosten dan wel de schade;
c.
de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te blijven;
d.
de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien;
e.
de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt;
f. 6.
de hoogte van de toe te kennen vergoeding.
De deskundigen brengen hun advies zo snel mogelijk uit aan gedeputeerde staten, doch in elk geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, en in een geval als bedoeld in het vierde lid, tevens aan de grondwateronttrekker. Gedeputeerde staten vermelden daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvattingen omtrent het advies kenbaar kunnen maken.
Artikel 3.75 Betrokkenheid grondwateronttrekker indien geen deskundigen advies Indien geen toepassing is gegeven aan artikel 3.74, tweede lid, stellen gedeputeerde staten de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen voordat zij een vergoeding van kosten dan wel schade door het van toepassing worden van artikelen van afdeling 3.4.
Artikel 3.76 Inhoud verzoek van ander bestuursorgaan 1.
Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gedeputeerde staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding
Omgevingsverordening Zeeland 2018
68
van kosten dan wel schade door het aan een omgevingsvergunning voor een inrichting verbinden van voorschriften waarvan de inhoud als instructie is aangegeven in afdeling 3.4, gaat dat verzoek tenminste vergezeld van: a.
indien het bestuursorgaan een aanvraag om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van die aanvraag en de daarbij gevoegde stukken;
b.
indien de grondwateronttrekker schriftelijk zijn opvattingen over de aanvraag of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt: een afschrift van die opvattingen;
c.
indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies;
d.
het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding, dan wel, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven, een afschrift van die beschikking.
2.
Indien bij het verzoek niet een afschrift van de opvattingen van de grondwateronttrekker is gevoegd, stellen gedeputeerde staten hem in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen.
3.
Gedeputeerde staten geven de beschikking op het verzoek uiterlijk vier maanden na ontvangst van dat verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.74, tweede lid, binnen zeven maanden na de ontvangst van het verzoek.
69
Omgevingsverordening Zeeland 2018
HOOFDSTUK 4 WATER AFDELING 4.1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 4.1 Begripsbepalingen 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.
beheerplan: plan als bedoeld in artikel 4.6 van de wet;
b.
legger: legger als bedoeld in artikel 5.1 van de wet;
c.
peilbesluit: besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de wet;
d.
projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.5 van de wet;
e.
regionale wateren; wateren als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;
f.
waterschap: het bevoegde bestuursorgaan van het Waterschap Scheldestromen;
g.
wet: de Waterwet;
2. Dit hoofdstuk is van toepassing op het beheergebied van het waterschap ingevolge het reglement op grond van de Waterschapswet.
AFDELING 4.2 OPPERVLAKTEWATER
Artikel 4.2 Normen afvoer- en bergingscapaciteit regionale wateren 1. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht geldt als norm een gemiddelde overstromingskans van: a. 1/100 per jaar voor gebouwde onroerende zaken met een aaneengesloten karakter in gebieden met de functie bebouwing als bedoeld in artikel 2.1, onder k, anders dan de functies genoemd in het tweede lid, onder b; b. 1/25 per jaar in gebieden met de functie agrarisch; c. 1/50 per jaar in gebieden met de functie glastuinbouw, groter dan 1 hectare. 2. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt geen norm voor: a. gebieden met de functie natuur; b. andere gebieden dan genoemd in het eerste lid, zoals gebieden met de functie wegen of overige infrastructuur, stedelijk groen en sport; c. gebieden die op grond van een beoordeling door het waterschap uit oogpunt van kosteneffectiviteit worden aangeduid in de legger van het waterschap, die zijn gelegen binnen de oppervlakte van 10%-laagst gelegen gebieden zoals aangeduid op de waterkansenkaart behorende bij het Omgevingsplan Zeeland, dan wel andere met instemming van gedeputeerde staten in de legger aangeduide gebieden. 3.
Bij de toepassing van het eerste en tweede lid wordt ten aanzien van gebieden en functies rekening gehouden met ruimtelijke plannen op grond van de Wet ruimtelijke ordening, de waterfunctiekaart behorend bij het Omgevingsplan Zeeland en, indien nodig, het feitelijk grondgebruik. 4. Voor gebouwde onroerende zaken in andere gebieden dan genoemd in het eerste lid, onder a, geldt de norm van het omringend grondgebruik. 5. Bij de beoordeling of een gebied voldoet aan de norm genoemd in het eerste lid, onder b en c, kan 1% van de oppervlakte van het genormeerde gebied buiten beschouwing worden gelaten.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
70
6. Het waterschap draagt zorg dat de afvoer- en bergingscapaciteit van de regionale wateren in het beheergebied uiterlijk in 2027 voldoet aan de normen in dit artikel. De voortgang en prioriteitstelling komt aan de orde in het verslag en het overleg als bedoeld in artikel 4.15.
Artikel 4.3 Rangorde bij watertekorten Onverminderd artikel 2.1 van het Waterbesluit kan het waterschap een nadere rangorde bepalen ten aanzien van de verdeling van het beschikbare water in geval van een watertekort, over de maatschappelijke en ecologische behoeften als bedoeld in het vierde en vijfde lid van dat artikel, op zodanige wijze dat de maatschappelijke en economische gevolgen zo gering mogelijk zijn.
Artikel 4.4 Inhoud beheerplan Het beheerplan van het waterschap bevat, in aansluiting op artikel 4.6 van de wet, in elk geval: a. een beschrijving van de bestaande toestand van de regionale wateren; b. het beleid met betrekking tot het beheer van de regionale wateren, in het licht van de functies van deze wateren, doelstellingen, normen en maatregelen; c. gegevens die inzicht geven in de prioriteitstelling en fasering van maatregelen en voorzieningen, met het oog op het tijdig realiseren van de gestelde doelstellingen en normen; d. gegevens die inzicht geven in de dekking van de kosten van maatregelen en voorzieningen.
Artikel 4.5 Voorbereiding beheerplan 1. Het waterschap raadpleegt bij de voorbereiding van het beheerplan ten minste de beheerders van aangrenzende watersystemen, gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten binnen het plangebied. 2. Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 4.6 Uitwerking beheerplan 1. In het beheerplan kan worden bepaald dat het dagelijks bestuur van het waterschap het beheerplan of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens de in het beheerplan gegeven regels. 2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt aangemerkt als onderdeel van het beheerplan. Artikel 4.5 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.7 Legger regionale wateren 1. De legger van regionale wateren gaat vergezeld van een technisch beheerregister, waarin de voor het behoud van de bergings- en afvoercapaciteit kenmerkende gegevens van deze wateren en ondersteunende kunstwerken en de feitelijke toestand nader zijn omschreven. 2. Een vrijstelling als bedoeld in artikel 5.1, derde lid, van de wet geldt voor het omschrijven van vorm, afmeting en constructie van regionale wateren en ondersteunende kunstwerken die niet overwegend van belang zijn voor de bergings- en afvoercapaciteit waarop de deze wateren moeten zijn ingericht.
Artikel 4.8 Peilbesluiten 1. Het waterschap stelt voor de oppervlaktewaterlichamen onder zijn beheer peilbesluiten vast.
71
Omgevingsverordening Zeeland 2018
2. Gedeputeerde staten kunnen voor daartoe aan te wijzen gebieden vrijstelling verlenen van het eerste lid, indien daarvoor naar het oordeel van het waterschap zwaarwegende redenen bestaan. 3. Een peilbesluit bevat, naast het bepaalde in artikel 5.2 van de wet, in elk geval een aanduiding van de aanpassing van de te handhaven waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie. Bij een peilbesluit wordt rekening gehouden met het kader voor het gewenste grond- en oppervlaktewaterregime als bedoeld in het Omgevingsplan van de Provincie. 4. Op de voorbereiding van een peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het waterschap stelt gedeputeerde staten op de hoogte van ontwerp-peilbesluiten en vastgestelde peilbesluiten. 5. Het waterschap draagt zorg voor het actueel houden van peilbesluiten, zodanig dat deze zijn toegesneden op veranderingen in de omstandigheden ter plaatse en aanwezige functies en belangen.
Artikel 4.9 Projectprocedure Gedeputeerde staten kunnen, na overleg met het waterschap, hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de wet van toepassing verklaren op een projectplan tot aanleg of wijziging van een regionale waterkering of een ander waterstaatswerk van bovenlokale betekenis dat met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moet worden gebracht.
AFDELING 4.3 GRONDWATER
Artikel 4.10 Grondwaterregister 1. Gedeputeerde staten onderscheidenlijk het waterschap, elk voor zover bevoegd gezag, dragen zorg voor inschrijving van de houders van inrichtingen of werken bestemd tot het onttrekken van grondwater of infiltreren van water op basis van een vergunning of melding, in het daarvoor te hanteren landelijke register, met vermelding van de voor dit register benodigde gegevens als bedoeld in artikel 6.11 van het Waterbesluit. 2. Gedeputeerde staten raadplegen het register bedoeld in het eerste lid ten behoeve van de grondwaterheffing als bedoeld in artikel 7.7 van de wet en de Grondwaterheffingsverordening Zeeland.
Artikel 4.11 Grondwatermeetnet Gedeputeerde staten dragen zorg voor de inrichting en het beheer van een meetnet ten behoeve van het grondwaterbeleid en onderzoekingen als bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, onder b van de wet.
Artikel 4.12 Bescherming grondwater 1. Bij of krachtens verordening of vergunning van het waterschap worden ten aanzien van het onttrekken van grondwater of infiltreren van water ten behoeve van andere doeleinden dan genoemd in artikel 6.4 van de wet, regels of voorschriften gesteld met als doelstelling het tegengaan van nadelige gevolgen voor: a. de kwantitatieve toestand van het grondwater in verdrogingsgevoelige natuurgebieden die zijn aangeduid in bijlage 15; b. een duurzame kwantitatieve toestand van het grondwater in andere gebieden dan bedoeld onder a;
Omgevingsverordening Zeeland 2018
72
c. de kwaliteit van het grondwater, in geval van infiltratie van water. 2. Gedeputeerde staten kunnen de aanduiding van gebieden als bedoeld in het eerste lid onder a wijzigen op grond van een besluit tot wijziging van een beheerplan ingevolge de Wet natuurbescherming.
AFDELING 4.4 WATERVEILIGHEID
Artikel 4.13 Aanwijzing stelsel regionale waterkeringen, normen 1. Regionale waterkeringen zijn waterstaatkundig van belang zijnde waterkeringen anders dan primaire waterkeringen bedoeld in artikel 1.1 van de wet. 2. De regionale waterkeringen met de daarvoor geldende normen zijn aangeduid in bijlage 8.
Artikel 4.14 Legger waterkeringen 1. Op de overzichtskaart als bedoeld in artikel 5.1 van de wet wordt mede aangegeven welke ruimte als onderdeel van de beschermingszone naar het oordeel van het waterschap nodig is ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering. 2. Gedeputeerde staten kunnen vrijstelling verlenen van het in de legger omschrijven waaraan waterkeringen naar ligging, vorm, afmeting of constructie moeten voldoen, voor zover de betreffende waterkeringen zich naar hun aard of functie niet lenen voor het omschrijven van die elementen.
AFDELING 4.5 INFORMATIE EN OVERLEG
Artikel 4.15 Overleg en verslaglegging 1. Het waterschap en gedeputeerde staten voeren periodiek overleg over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan. 2. Het waterschap brengt jaarlijks aan gedeputeerde staten schriftelijk verslag uit over de voortgang als bedoeld in het eerste lid. Het verslag bevat in elk geval informatie over: a. artikel 4.2, in het licht van de gestelde doelstellingen en normen; b. de chemische en ecologische kwaliteit van regionale wateren, in het licht van de gestelde doelstellingen en normen als bedoeld in artikel 2.10 van de wet. c. artikel 4.3, indien dat is toegepast; d. artikel 4.8, vijfde lid.
73
Omgevingsverordening Zeeland 2018
HOOFDSTUK 5 WEGEN EN VAARWEGEN AFDELING 5.1 ALGEMEEN
Artikel 5.1 Begrippen 1.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.
bebouwde kom: de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
b.
beheer: de verantwoordelijkheid voor de instandhouding van de weg of vaarweg en voor het door die weg of vaarweg vervullen van zijn functie of functies van algemeen nut, met inbegrip van de bevoegdheid tot het treffen van maatregelen en het al dan niet toestaan van handelingen van derden of gedogen van situaties die van invloed zijn op de toestand of het gebruik van de weg of vaarweg;
c.
beplanting: opgaande gewassen bestaande uit bomen of struiken;
d.
bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
e.
bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is krachtens dit hoofdstuk een besluit te nemen, zijnde GS, tenzij op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of dit hoofdstuk een ander bestuursorgaan wordt aangewezen als bevoegd gezag;
f.
kunstwerk: een civieltechnisch bouwwerk dat dient om een weg of verkeersbaan over een andere weg of verkeersbaan, een spoorweg, een vaarweg of ander oppervlaktewater heen, dan wel daaronder door te voeren;
g.
omgevingsvergunning: een vergunning die verleend wordt krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
h.
uitweg: een constructie ter ontsluiting van percelen van derden, buiten de weg gelegen;
i.
vaarweg: de in artikel 5.24 genoemde, voor de scheepvaart openstaande, wateren;
j.
vaarwegbeheer: de overheidszorg gericht op de instandhouding, bereikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken;
k.
schip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet. Onder schepen zijn mede begrepen drijvende inrichtingen, luchtkussenvaartuigen en woonschepen.
l.
natte doorsnede: het product van de maximale breedte van het schip en de grootst optredende diepgang in stilliggende toestand.
m. verkeersbaan: de verhardingsconstructie van zowel een hoofdrijbaan, parallelweg, fiets- of voetpad. n.
weg: een voor openbare verkeersdoeleinden bestemde strook grond met daarop tenminste één verkeersbaan, al dan niet voor beperkt gebruik, met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en andere daartoe behorende voorzieningen, waaronder uitwegen;
o.
werk: elk kunstwerk of ander bouwsel, waaronder begrepen oevers en oevervoorzieningen, kabels, buizen en dergelijke, boven, op, in, onder of langs een vaarweg gelegen;
2.
Voor zover voor dit hoofdstuk van belang zijn de begripsbepalingen uit artikel 1.01 van Deel 1 van het Binnenvaartpolitiereglement (Stb.1982/682, zoals sindsdien gewijzigd) van toepassing.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
74
AFDELING 5.2 WEGEN
Artikel 5.2 Reikwijdte 1.
Deze afdeling is van toepassing op de openbare wegen in Zeeland die in beheer zijn bij de Provincie.
2.
De grens van de weg ligt: a.
ingeval aan de buitenzijde van de weg een sloot of greppel aanwezig is, op de buiten insteek van die sloot;
b.
ingeval geen sloot aanwezig is, op 6 meter uit de zijkant van de verkeersbaan of verkeersbanen en op 3 meter uit de onderkant van taluds bij wegen die in ophoging liggen, dan wel zoveel minder als uit overeenkomsten voortvloeit of uit de kadastrale begrenzing van het wegperceel volgt.
Artikel 5.3 Onderhoudsplicht 1.
De verplichting tot onderhoud van een weg, dan wel het bijdragen daarin, rust op degene die daarmee is belast bij of krachtens wettelijk voorschrift of ingevolge een overeenkomst, ontheffing of vergunning.
2.
De verplichting tot onderhoud van beplanting op een weg rust op de rechthebbende op die beplanting, indien die rechthebbende niet is aan te merken als onderhoudsplichtige krachtens het eerste lid.
3.
De wegbeheerder kan, ter bescherming van de weg en het veilige gebruik ervan, voorschriften geven waaraan onderhoudsplichtige derden zich bij de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden dienen te houden.
Artikel 5.4 Omvang onderhoud 1.
Het onderhoud van een weg omvat al wat nodig is om deze in goede en veilig bruikbare staat te houden, zulks in overeenstemming met de eisen die de functie van de weg daaraan redelijkerwijs stelt.
2.
Ingevolge het bepaalde in het eerste lid wordt de beplanting op een weg ten minste zodanig onderhouden dat: a.
tot 4,60 meter boven het hoogste punt van de verkeersbaan of verkeersbanen, niet zijnde fietspaden of andere paden, zich geen uitstekende delen van de beplanting bevinden binnen een afstand van 1,80 meter uit die verkeersbaan of verkeersbanen;
b.
tot 3 meter boven het hoogste punt van fietspaden of andere paden, zich geen uitstekende delen van de beplanting bevinden binnen een afstand van 0,60 meter uit die paden;
c.
wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.11;
d.
delen van beplanting die door de slechte staat waarin ze verkeren of anderszins het veilige gebruik van de weg bedreigen, direct worden verwijderd.
3.
Van het bepaalde in het tweede lid, aanhef en de onderdelen a, b en c, kan door of met instemming van de wegbeheerder worden afgeweken, indien de aard en de functie van de weg zich daartegen niet verzetten.
75
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Artikel 5.5 Aanbrengen en snoeien of verwijderen van beplanting 1.
Het is verboden op een weg beplanting aan te brengen, dan wel aanwezige beplanting - anders dan bij gewoon onderhoud - te snoeien of te verwijderen.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover het in strijd is met bevoegdheden van zakelijk gerechtigden ten aanzien van de beplanting.
3.
Het voornemen om krachtens een zakelijk recht beplanting op een weg aan te brengen of aanwezige beplanting te snoeien of te verwijderen, wordt door de zakelijk gerechtigde ten minste vier weken voordat deze daartoe overgaat, meegedeeld aan de wegbeheerder. Gedeputeerde Staten kan, ter bescherming van de weg en het veilige gebruik ervan, voorschriften geven waaraan de zakelijk gerechtigde zich bij de uitvoering van het voornemen dient te houden.
Artikel 5.6 Wijzigen en aantasten van wegen 1.
2.
Het is verboden: a.
een weg op een bestaande weg aan te sluiten;
b.
naar een weg een uitweg te maken of te hebben of een bestaande uitweg te wijzigen;
c.
de aard en de afmetingen van een weg te wijzigen;
d.
in een weg te graven of deze op een andere wijze aan te tasten;
e.
enig ander werk uit te voeren waardoor in de toestand van een weg verandering wordt gebracht.
Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van het uitvoeren van onderhoud aan bermsloten door of namens een waterschap, voor zover de zorg voor de waterbeheersing dat vereist.
Artikel 5.7 Zaken op, in en boven wegen 1.
Het is verboden op, respectievelijk in wegen: a.
masten, palen, afrasteringen en andere terreinafscheidingen, borden, spandoeken, vlaggen of andere voorwerpen te plaatsen of te hebben;
b. 2.
kabels en leidingen te leggen of te hebben.
Het is verboden: a.
delen van bouwwerken die tot boven een weg reiken, te maken of te hebben;
b.
aan bouwwerken langs een weg, voorwerpen, die tot boven de weg reiken, te bevestigen of te hebben;
c.
touwen, draden of kabels over een weg te spannen of te hebben;
d.
uitstekende delen van buiten een weg aanwezige beplanting tot boven of in die weg te laten reiken, tenzij die beplanting wordt onderhouden overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.4, tweede lid, voor beplanting op een weg.
3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor middelen, gebruikt voor het openbaren van gedachten of gevoelens, bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen, waaraan de middelen als bedoeld in dit lid moeten voldoen.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
76
Artikel 5.8 Gebruik van en activiteiten op wegen 1.
Het is verboden: a.
een weg anders dan voor verkeersdoeleinden te gebruiken;
b.
op wegen waar een snelheidsregime geldt van 80 km per uur of meer geldt, (land- en tuinbouw)producten te deponeren of te hebben;
c.
op wegen waar een snelheidsregime geldt van minder dan 80 km per uur (land- en tuinbouw)producten te deponeren of te hebben, anders dan voor korte tijd op toegangsdammen buiten de berm en op geen kleinere afstand dan 1,80 meter uit de dichtst bij gelegen verkeersbaan;
d.
op een weg stoffen of voorwerpen te deponeren en te hebben die de weg verontreinigen of de afwatering van de weg belemmeren, dan wel gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg en de veiligheid van het verkeer op de weg;
e.
een weg zodanig te gebruiken dat daardoor schade aan die weg ontstaat;
f.
beplantingen en andere vegetatie op een weg te bemesten of met chemische stoffen te behandelen, dan wel de vegetatie op bermen en in bermsloten te maaien;
g.
op een weg een standplaats in te nemen of in te richten voor het aanbieden en leveren van producten;
h.
zich met een voertuig op een weg te begeven, anders dan via een weg, een uitweg of werken die tot uitweg dienen;
i.
een uitweg of werken die tot uitweg dienen, voor een ander doel te gebruiken dan tijdens het maken daarvan gebruikelijk was in verband met de bestemming van het terrein waarvoor de uitweg dient.
2.
Het eerste lid, aanhef en onder f, is niet van toepassing ten aanzien van maaiwerk aan bermsloten door of namens een waterschap, voor zover de zorg voor de waterbeheersing dat vereist.
Artikel 5.9 Zaken en activiteiten langs wegen Het is verboden op terreinen langs een weg: a.
masten, palen, afrasteringen en andere terreinafscheidingen, borden, spandoeken, vlaggen of andere voorwerpen aan te brengen of te hebben binnen een afstand van 1,80 meter uit een verkeersbaan, niet zijnde een fietspad of ander pad, dan wel binnen een afstand van 0,60 meter uit een fietspad of ander pad;
b.
binnen een afstand van 5 meter uit de buiten insteek van bermsloten die niet staan aangegeven in een legger als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet en artikel 4.7 van hoofdstuk 4 van de verordening en /of in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet, beplanting, grondwallen of andere zaken aan te brengen die het onderhouden van die sloot met machines vanaf de landzijde belemmeren, indien op de wegberm aanwezige beplanting of andere obstakels verhinderen zulk onderhoud vanaf de weg uit te voeren;
c.
handelingen te verrichten die de hoogteligging van die terreinen binnen een afstand van 7 meter uit de grens van de weg meer dan 0,50 meter beneden het oorspronkelijke niveau brengt;
d.
loslopende dieren te houden indien geen deugdelijke maatregelen zijn genomen om te verhinderen dat die dieren op de weg kunnen komen.
77
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Artikel 5.10 Gedoogplicht voor eigenaren en gebruikers van gronden Eigenaren en gebruikers van erven of gronden die grenzen aan wegen zijn verplicht personen en werktuigen op hun erf of grond toe te laten voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden ingevolge de Wegenwet of dit hoofdstuk, door of namens de wegbeheerder, indien die werkzaamheden in redelijkheid niet vanaf de weg zijn uit te voeren. Schade die daarbij aan erven of gronden ontstaat wordt door de wegbeheerder vergoed.
Artikel 5.11 Uitzichtstroken 1.
Het is verboden op en langs wegen buiten de bebouwde kom, ter plaatse van kruisingen, aansluitingen, uitwegen en bochten, bouwwerken, wallen, beplanting, gewassen, terreinafscheidingen en andere uitzichtbelemmerende voorwerpen te hebben dan wel te maken, waardoor het vrije uitzicht wordt belemmerd.
2.
Gedeputeerde staten kunnen de grens vaststellen van een gebied, waarbinnen het uitzicht moet worden vrijgehouden.
3.
Het verbod als bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor bomen bij uitwegen op wegen mits deze hoog zijn opgesnoeid en tussen de stammen voldoende doorzicht voor verkeersdeelnemers aanwezig is.
Artikel 5.12 Bebouwingsvrije stroken 1.
Het is verboden langs wegen buiten de bebouwde kom bouwwerken te maken of te hebben binnen een afstand van 40 meter uit de as van de hoofdverkeersbaan of, indien de weg twee hoofdverkeersbanen heeft, uit de as van de dichtst bij gelegen hoofdverkeersbaan.}
2.
Het is verboden bestaande bouwwerken binnen de in het eerste lid bedoelde stroken te vernieuwen, te wijzigen of uit te breiden. Dit verbod geldt niet voor interne verbouwingen en vernieuwingen van ondergeschikte betekenis waardoor de bebouwde oppervlakte niet wordt vergroot.
Artikel 5.13 Bevoegdheid 1.
De in Afdeling 5.3 opgenomen verbodsbepalingen gelden niet voor de Provincie voor zover het activiteiten betreft die zij uitoefent met betrekking tot haar eigen wegen.
2.
Van het bepaalde in Afdeling 5.3 kan ontheffing worden verleend door het bevoegd gezag. Indien de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is op de verboden als bedoeld in Afdeling 5.3, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen.
3.
Als verbod om te handelen zonder omgevingsvergunning in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden aangemerkt de verboden: a.
Als bedoeld in artikel 5.5, voor zover er sprake is van het vellen of doen vellen van een houtopstand;
b.
Als bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, voor zover er sprake is van het aanleggen van een weg, of verandering brengen in de wijze van aanleg van een weg, voor zover daarvoor tevens een verbod geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
c.
Als bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, voor zover er sprake is van het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan te veranderen, als bedoeld in artikel 5.8 lid 1 sub i;
Omgevingsverordening Zeeland 2018
78
d.
Als bedoeld in artikel 5.7 en 5.9, voor zover er sprake is van het maken of voeren van handelsreclame;
e. 4.
Als bedoeld in artikel 5.8 en 5.11, voor zover er sprake is van opslag van roerende zaken
Het bestuursorgaan dat aangewezen is als bevoegd gezag op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is tevens het bevoegd gezag op grond van de in artikel 5.13 lid 3 bedoelde gevallen.
5.
Het bestuursorgaan dat op grond van artikel 5.13 lid 4 aangemerkt wordt als bevoegd gezag, vraagt advies aan Gedeputeerde Staten.
6.
Alvorens het bevoegd gezag besluit af te wijken van het in artikel 5.13 lid 5 bedoelde advies, treedt zij in overleg met het bestuursorgaan dat haar ter zake adviseerde.
7.
Aan een ontheffing of omgevingsvergunning, als bedoeld in dit hoofdstuk, kunnen voorschriften worden verbonden.
8.
Het bevoegd gezag kan een verleende ontheffing of omgevingsvergunning wijzigen dan wel geheel of gedeeltelijk intrekken. Het in artikel 5.13 lid 5 en 6 bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.14 Toeristische bewegwijzering 1.
Van het verbod op grond van artikel 5.9, aanhef en onder a tot het plaatsen van borden langs provinciale wegen en fietspaden, kan ontheffing worden verleend in geval sprake is van toeristische bewegwijzering
2.
Bij de verlening van de ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt de CROW-richtlijn (no 262) gevolgd, met dien verstande dat: a.
Ontheffing niet kan worden verleend op (regionale) stroomwegen;
b.
maximaal vijf verwijzingen per locatie buiten de kom en maximaal acht verwijzingen binnen de bebouwde kom zijn toegestaan;
c.
de te rijden afstand van de provinciale weg tot het betreffende doel is in principe maximaal twee kilometer;
d.
de hele route tot doel bewegwijzerd moet worden, om zoekgedrag op onderliggend wegennet te voorkomen. Dus langs wegen van andere wegbeheerders, indien dit aan de orde is.
e.
Doelen moeten een duidelijk aantoonbaar toeristisch motief hebben;
f.
Vorm en afmeting van de borden worden afgestemd met de wegbeheerder.
Artikel 5.15 Motieven voor afwijzen, wijzigen en intrekken van een ontheffing of omgevingsvergunning 1.
Het afwijzen, wijzigen of intrekken van een ontheffing of omgevingsvergunning op grond van dit hoofdstuk, dan wel het verbinden van voorschriften aan een dergelijke ontheffing of omgevingsvergunning, geschiedt in het belang van: a.
het verzekeren van de veiligheid van weggebruikers;
b.
het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
c.
het voorkomen of beperken van aantasting van op de weg aanwezige beplanting en andere vegetatie;
d.
het verzekeren van mogelijkheden voor de uitvoering van onderhoud en voor uitbreiding of reconstructie van de weg.
79
Omgevingsverordening Zeeland 2018
2.
Een ontheffing of omgevingsvergunning kan geheel of gedeeltelijk, ambtshalve worden gewijzigd of ingetrokken, indien: a.
de in het eerste lid vermelde motieven dat vorderen;
b.
de ontheffing of omgevingsvergunning is verleend ten gevolge van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens;
c.
de voorschriften, als bedoeld in artikel 5.13, zevende lid, niet worden nageleefd;
d.
gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar geen gebruik is gemaakt van de ontheffing of omgevingsvergunning of van de werken die daarin worden toegestaan.
Artikel 5.16 Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen Op aanvragen om een ontheffing op grond de artikelen 5.5, 5.6, 5.7, 5.8, 5.9, 5.11, 5.12 en 5.14, is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 5.17 Schadevergoeding Indien belanghebbenden door het geven, weigeren, wijzigen of intrekken van een ontheffing of omgevingsvergunning als bedoeld op grond van dit hoofdstuk schade lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel voor hun rekening behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, kent het bevoegd gezag hen op aanvraag bij afzonderlijke beschikking een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
Artikel 5.18 Termijn behandeling aanvraag 1.
Tenzij uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht anders voortvloeit geeft het bevoegd gezag een beschikking op een aanvraag om verlening of wijziging van een ontheffing of omgevingsvergunning uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
2.
De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het bevoegd gezag doet hiervan mededeling aan de aanvrager.
AFDELING 5.3 VAARWEGEN
Artikel 5.19 Toedeling en toepassingsgebied van deze afdeling 1.
Bij Koninklijk Besluit van 21 november 1991 (91.010539) is het beheer en onderhoud van het Kanaal door Walcheren door het rijk aan de Provincie Zeeland overgedragen. Dit omvat zowel het nautischals het vaarwegbeheer. De provincie Zeeland heeft zichzelf, in het kader van de implementatie van de Waterwet, als vaarwegbeheerder van genoemd kanaal aangewezen.
2.
De bepalingen in deze afdeling zijn van toepassing op het Kanaal door Walcheren met een gedeelte van het Kanaal door de Oude Arne (te rekenen vanaf het Kanaal door Walcheren tot vijfentachtig meter na de Arnespoorbrug) en de bijbehorende (voor)havens, oevers, oeverwerken, kunstwerken en alle overige toebehorende werken, voor zover in beheer bij de provincie, een en ander zoals op de bijbehorende overzichtskaart (bijlage 16) met rode kleur is aangegeven.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
80
3.
Gedeputeerde Staten dragen er zorg voor dat de overzichtskaart met de in het tweede lid bedoelde beheerssituatie zoveel mogelijk in overeenstemming is.
Artikel 5.20 Doelen De toepassing van deze afdeling is gericht op: a.
het belang van de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen en de bijbehorende werken;
b.
het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarwegen.
c.
De toepassing van het eerste lid, kan mede zijn gericht op het belang van de bescherming van de landschappelijke, ecologische of andere natuurwetenschappelijke waarden van het gebied waarin een vaarweg is gelegen.
Artikel 5.21 Onderhoud Onder onderhoud wordt verstaan: a.
het houden of brengen van een vaarweg op de vastgestelde afmetingen;
b.
het in goede staat houden of brengen van de oevers en de oeverwerken, zodanig dat de instandhouding en de bruikbaarheid van de vaarweg gewaarborgd blijven;
c.
het schoonhouden van de vaarweg, met inbegrip van het afvoeren van vuil en waterplanten;
d.
het verrichten van de werkzaamheden waardoor de goede staat en het functioneren van het werk, behorende bij de vaarweg, gewaarborgd blijven.
Artikel 5.22 Snelheden Een schip en een samenstel mogen de hieronder vermelde snelheden in kilometers per uur ten opzichte van de oever niet overschrijden: 1e bij een natte doorsnede kleiner dan 20 m2 15 2e bij een natte doorsnede van 20 m2 of meer doch kleiner dan 30 m2 12 3e bij een natte doorsnede van 30 m2 of meer 8
81
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Artikel 5.23 Afmetingen en diepgang van schepen Het is verboden zich op de hierna genoemde gedeelten van de vaarweg te bevinden met een schip of samenstel, dat met inbegrip van de lading, de toegestane afmetingen of diepgang overschrijdt: Vaar-
Omschrijving
weg
Lengte
Breedte
Diep-
in m
in m
gang in m
a
Kanaal door Walcheren tussen Veere en het Zijkanaal naar
130
18
3.70
50
7
2,20
130
18
4,5
140
20,5
7,90*
140
20,5
7
Arnemuiden b
Zijkanaal naar Arnemuiden tussen de Arnebrug en een denkbeeldige grens op vijfentachtig meter na de Arnespoorbrug.
c
1. Kanaal door Walcheren tussen het zijkanaal naar Arnemuiden en de binnenkeersluis te Vlissingen met inbegrip van het verbrede deel van het Zijkanaal naar Arnemuiden 2. Bij gebruik binnenkeersluis
d
Grote schutsluis te Vlissingen en het Verbreed kanaal tussen de schutsluis en de 1e Binnenhaven
e
Verbreed kanaal te Vlissingen tussen de 1e Binnenhaven en de Binnenkeersluis
* In de schutsluis evenveel minder als de buitenwaterstand lager is dan NAP+ 0.90. 1.
Gedeputeerde Staten kunnen deze toegestane afmetingen en diepgang wijzigen. Op de voorbereiding of wijziging van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
2.
Het besluit tot wijziging wordt bekendgemaakt door publicatie in het Provinciaal blad.
Artikel 5.24 Samenstellen 1.
Een schip mag niet meer dan twee andere schepen slepen. Dit verbod is niet van toepassing op het slepen van kleine schepen.
2.
Een gekoppeld samenstel mag uit ten hoogste twee schepen bestaan.
3.
Een duwstel met een lengte van meer dan 110 meter moet zijn voorzien van een actieve kopbesturing van voldoende vermogen die vanuit de stuurhut kan worden bediend, tenzij de gemiddelde diepgang groter is dan 2 meter dan wel de diepgang van het voorste schip of de voorste schepen groter is dan 2,50 meter. indien aan dit voorschrift niet wordt voldaan moet het duwstel worden geassisteerd.
Artikel 5.25 Bedieningsregime bruggen en sluizen 1.
Gedeputeerde Staten stellen, in het belang van het verkeer te water, de bedieningstijden vast van de beweegbare bruggen en sluizen, niet zijnde spoorbruggen.
2.
Gedeputeerde Staten kunnen de bedieningstijden, als bedoeld in het eerste lid, wijzigen.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
82
3.
Gedeputeerde Staten houden bij het nemen van hun beslissing rekening met de belangen van het wegverkeer in het algemeen en van het openbaar vervoer in het bijzonder, voor zover het belang van het verkeer te water niet onevenredig wordt geschaad.
Artikel 5.26 Onttrekken van een vaarweg aan het openbaar scheepvaartverkeer 1.
Gedeputeerde Staten kunnen een vaarweg of een gedeelte daarvan voor alle schepen blijvend onttrekken aan het openbaar verkeer met schepen.
2.
Op de voorbereiding of wijziging van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 5.27 Stoffen, voorwerpen e.d. Het is verboden: a.
in, langs, boven, onder of over een vaarweg stoffen of voorwerpen te brengen die schade toebrengen aan de vaarweg en de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer;
b.
houtgewas of takken van bomen zodanig in of boven de vaarweg te laten hangen dat zij hinder voor de scheepvaart veroorzaken;
c.
op andere wijze enige belemmering of hinder voor de scheepvaart te veroorzaken.
Artikel 5.28 Bescherming en gebruik van vaarweg en kunstwerken Het is verboden, tenzij het onderhoud betreft door of namens de provincie, zonder ontheffing van gedeputeerde staten: a.
de vaarweg te verleggen, te versmallen, te ver(on)diepen of op andere wijze te veranderen dan wel buiten gebruik te stellen;
b.
het gebruik van kunstwerken te belemmeren of te beletten;
c.
werken boven, op, in, onder of langs de vaarweg, binnen tien meter, horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn, aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen;
d.
een ligplaats of enige andere voorziening bestemd voor het meren van schepen te maken, te hebben of te veranderen.
e.
zich op de vaarweg of een kunstwerk op te houden voor het drijven van handel of het afleveren van koopwaar.
Artikel 5.29 Ligplaats nemen (ankeren en meren) 1.
2.
Het is verboden ligplaats te nemen; a.
langer dan drie achtereenvolgende dagen;
b.
binnen twaalf uren, nadat de onder a. bedoelde periode is beëindigd, opnieuw ligplaats te nemen.
Op een gedeelte van de vaarweg waar ligplaats nemen is toegestaan mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, niet:
83
a.
aan herstelwerkzaamheden worden onderworpen;
b.
laden, lossen of ontgassen.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Artikel 5.30 Verhaalplicht 1.
Onverminderd artikel 7.11 van het Binnenvaartpolitiereglement, moeten schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen op aanwijzing van de vaarwegbeheerder worden verhaald indien onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt.
2.
Behoudens in spoedgevallen, wordt de zakelijk gerechtigde of de gebruiker van een schip, een samenstel van schepen of van een drijvend voorwerp ruimschoots van tevoren schriftelijk in kennis gesteld van de te verrichten onderhoudswerkzaamheden, bedoeld in het eerste lid.
3.
Indien er technische problemen optreden bij het verhalen zoals bedoeld in het eerste lid, wordt assistentie verleend door of vanwege de vaarwegbeheerder.
Artikel 5.31 Ontheffing 1.
Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen genoemd in deze afdeling onder artikel 5.23, 5.24 lid 1, 2 en 3 alsmede de artikelen 5.27, 5.28 en 5.29.
2.
Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
3.
Een ontheffing kan ambtshalve worden ingetrokken of gewijzigd indien: a.
de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou worden verleend;
b.
de ontheffing gedurende twee jaar niet is gebruikt;
c.
gebleken is dat de ontheffing is verleend op basis van door de houder verstrekte onjuiste gegevens;
d.
de in het tweede lid bedoelde voorschriften of beperkingen niet of niet voldoende worden nageleefd
4.
Op de voorbereiding of wijziging van een besluit omtrent de beperking van de gebruiksmogelijkheid van de vaarweg voor de scheepvaart is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 5.32 Vaststelling legger 1.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om van de vaarwegen, alsmede van een daaraan grenzend vaarwater en de bijbehorende werken, een legger vast te stellen bevattende een zo volledig mogelijke beschrijving met vermelding van de eigenaren, beheerders, huurders, gebruikers en onderhoudsplichtigen.
2.
De in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure is van toepassing op een in dit artikel bedoeld besluit alsmede op de besluiten die de wijziging of intrekking van de legger beogen.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
84
Artikel 5.33 Rechtskracht legger Voor zover van een werk als bedoeld in artikel 5.32 een legger is vastgesteld, vormt deze de grondslag van ieders verplichting van het daarin omschreven onderhoud.
Artikel 5.34 Onderhoudsplicht Onderhoudsplichtig is de natuurlijke of rechtspersoon die op grond van wet, concessie, eigendom, overeenkomst of anderszins de verplichting heeft tot het onderhouden van een vaarweg of een daarbij behorend werk.
Artikel 5.35 Schadevergoeding 1.
Indien en voor zover blijkt dat de houder van een ontheffing door wijziging of intrekking daarvan schade lijdt, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, kennen Gedeputeerde Staten hem op zijn verzoek bij afzonderlijke beschikking een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. De aanvraag om schadevergoeding moet worden ingediend bij Gedeputeerde Staten binnen dertig dagen nadat de wijziging of intrekking onherroepelijk is geworden.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de aanvrager indien de ontheffing wordt geweigerd.
85
Omgevingsverordening Zeeland 2018
HOOFDSTUK 6 NATUUR AFDELING 6.1 BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 6.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.
BIJ12: uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke Provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging interprovinciaal Overleg;
b.
boskern: aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 5 hectare;
c.
faunabeheereenheid: faunabeheereenheid als bedoeld in artikel 3.12, eerste lid van de wet;
d.
faunabeheerplan: faunabeheerplan als bedoeld in artikel 3.12, eerste en derde tot en met het zesde lid van de wet en dat is goedgekeurd overeenkomstig artikel 3.12, zevende lid van de wet;
e.
gevalideerde (onderzoeks)gegevens: gegevens gebaseerd op, afkomstig uit of terug te leiden tot wetenschappelijke gegevens van universitaire organisaties dan wel gekende onderzoek- of kennisinstellingen;
f.
grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
g.
jacht: bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid van de wet, alsmede het doen van pogingen daartoe, overeenkomstig paragraaf 3.5 van de wet;
h.
kwantitatieve gegevens: voor de in het faunabeheerplan beschreven diersoorten telcijfers (trendtellingen), inschattingen en afschotcijfers en op basis hiervan een analyse van de populatietrend;
i.
jachthouder: degene die krachtens artikel 3.23 van de wet gerechtigd is tot het uitoefen van de jacht in een veld;
j.
schadesoorten: soorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid van de wet die in de provincie schade veroorzaken en niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen;
k.
taxateur: een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12;
l.
wet: de Wet natuurbescherming;
m. wildbeheereenheid: wildbeheereenheid als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid van de wet.
AFDELING 6.2 VRIJSTELLING BEWEIDEN EN BEMESTEN
Artikel 6.2 Vrijstelling vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet is niet van toepassing op de volgende handelingen: a.
het weiden van vee;
b.
het op of in de bodem brengen van meststoffen.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
86
AFDELING 6.3 FAUNABEHEEREENHEDEN
Artikel 6.3 Eisen aan de faunabeheereenheid 1.
In een faunabeheereenheid werken jachthouders en maatschappelijke organisaties, die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de provincie Zeeland, samen ten behoeve van het opstellen en uitvoeren van het faunabeheerplan.
2.
Bij of krachtens de statuten van de faunabeheereenheid worden de rechten en plichten opgenomen die de bij de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders hebben met betrekking tot de uitoefening van de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden en de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen.
3.
De binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht: a.
liggen in de provincie Zeeland;
b.
hebben een oppervlakte van ten minste 5000 hectare;
c.
vormen ten minste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van de fauna-beheereenheid; en
d. 4.
zijn aaneengesloten
Het werkgebied van de faunabeheereenheid, bedoeld in het derde lid van dit artikel, strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere faunabeheereenheid uitstrekt.
5.
De vorming van meerdere faunabeheereenheden binnen de provincie Zeeland is niet mogelijk.
Artikel 6.4 Bestuurssamenstelling 1.
In het bestuur van de faunabeheereenheid zit ten minste één vertegenwoordiger vanuit ieder van de volgende organisaties van jachthouders of jachtaktehouders werkzaam binnen het werkgebied van de betreffende faunabeheereenheid:
2.
a.
agrariërs;
b.
verenigingen van jagers;
c.
particuliere grondeigenaren;
d.
terreinbeherende organisaties.
In het bestuur van de faunabeheereenheid zit daarnaast een vertegenwoordiger van één of meer maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in Zeeland. Dit doel dient tot uitdrukking te komen in de statuten van de betreffende maatschappelijke organisatie.
3.
Elke organisatie, genoemd in het eerste en tweede lid van dit artikel kan slechts één vertegenwoordiger voordragen voor een bestuurszetel.
4.
De in het eerste en tweede lid van dit artikel genoemde organisaties kunnen in onderling overleg een kandidaat voordragen die namens meerdere organisaties deelneemt aan het bestuur van de faunabeheereenheid.
5.
Het bestuur van de faunabeheereenheid wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter die: a.
geen dienstverband bij één van de in het bestuur vertegenwoordigde organisaties heeft, en
b.
geen bestuurslid van één van de in het bestuur vertegenwoordigde organisaties is.
6.
Een voorzitter wordt voorgedragen door het bestuur van de faunabeheereenheid.
87
Omgevingsverordening Zeeland 2018
7.
De voorzitter wordt benoemd door gedeputeerde staten.
AFDELING 6.4 FAUNABEHEERPLANNEN
Artikel 6.5 Doelstelling faunabeheerplan Het faunabeheerplan is gericht op het duurzaam beheer van in het wild levende dieren, met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1˚ tot en met 4˚, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1˚ tot en met 3˚ en artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b tot en met h, van de wet, alsmede op de bestrijding van schadeveroorzakende dieren en de uitoefening van de jacht.
Artikel 6.6 Reikwijdte faunabeheerplan Het faunabeheerplan geldt voor ten minste 5000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.
Artikel 6.7 Geldigheidsduur faunabeheerplan 1.
In het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het plan een geldigheidsduur van ten hoogste zes jaren heeft.
2.
De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het eerste lid van dit artikel bedoelde tijdvak waarvoor het is vastgesteld.
3.
Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de in het eerste lid van dit artikel bedoelde geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal één jaar verlengen.
Artikel 6.8 Eisen aan een faunabeheerplan - Algemeen Een faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens: a.
de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid;
b.
een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven;
c.
inzicht in de samenhang tussen de jacht op de wildsoorten, het beheren van de populaties van in het wild levende dieren en het bestrijden van schade door deze dieren.
Artikel 6.9 Eisen aan een faunabeheerplan - Duurzaam beheer van populaties en schadebestrijding op basis van ontheffingen In aanvulling op artikel 6.8 bevat een faunabeheerplan, indien sprake is van duurzaam beheer van populaties: a.
een beschrijving van het planmatig, gecoördineerd en duurzaam beheer van populaties en de bestrijding van schade op basis van ontheffingen van in het wild levende dieren;
b.
kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;
Omgevingsverordening Zeeland 2018
88
c.
een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van de onder b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b.
onder 1˚ tot en met 4˚, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1˚ tot en met 3˚, artikel
3.10, tweede lid, onderdeel b tot en met h en artikel 3.17, eerste lid van de wet die zouden worden geschaad indien niet tot beheer of schadebestrijding zou worden overgegaan; d.
een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren;
e.
de huidige en gewenste stand van de in onderdeel b bedoelde diersoorten;
f.
per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel e, te bereiken;
g.
per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel d, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel c bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;
h.
een omschrijving van passende en doeltreffende preventieve maatregelen en de mate waarin deze maatregelen moeten worden ingezet alvorens mag worden overgegaan tot schadebestrijding;
i.
voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;
j.
een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel f bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;
k.
voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel f bedoelde handelingen;
l.
een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald;
m. informatie, op basis van gevalideerde (onderzoeks)gegevens en de daaruit voortvloeiende inzichten, waaruit blijkt dat een gunstige staat van instandhouding van de onder b bedoelde diersoorten wordt gewaarborgd.
Artikel 6.10 Eisen aan een faunabeheerplan - Schadebestrijding op basis van vrijstellingen In aanvulling op artikel 6.8 bevat een faunabeheerplan, indien sprake is van schadebestrijding op basis van vrijstellingen: a.
een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde bestrijding van schadeveroorzakende dieren;
b.
kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan sprake is van schadebestrijding, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;
c.
per diersoort een beschrijving van de handelingen die binnen de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan zijn verricht om het schaden van de in de betreffende vrijstelling bedoelde belangen te voorkomen, waaronder het, naar soort onderscheiden, aantal gedode dieren alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen.
89
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Artikel 6.11 Eisen aan een faunabeheerplan - Uitoefening jacht In aanvulling op artikel 6.8 bevat een faunabeheerplan, met betrekking tot de uitoefening van de jacht: a.
een beschrijving van de vormen van jacht die in Zeeland worden beoefend;
b.
kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarop wordt gejaagd, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden;
c.
een overzicht van het gerealiseerde afschot per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden.
Artikel 6.12 Goedkeuring faunabeheerplan 1.
Teneinde voor goedkeuring als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid, van de wet in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de eisen die voortvloeien uit de wet en het in dit hoofdstuk bepaalde.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een gedeeltelijke wijziging van het faunabeheerplan als bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, en een verzoek als bedoeld in artikel 6.7, derde lid.
AFDELING 6.5 WILDBEHEEREENHEDEN
Artikel 6.13 Omvang en begrenzing 1.
De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een aaneengesloten gebied met een oppervlakte van ten minste 5000 hectare binnen de provincie Zeeland.
2.
Wildbeheereenheden die niet kunnen voldoen aan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde eis gaan met betrekking tot de uitvoering van de wettelijke taken van de wildbeheereenheid een samenwerkingsovereenkomst aan met een naburige wildbeheereenheid binnen de provincie Zeeland, zodanig dat ze gezamenlijk voldoen aan deze eis.
3.
Gedeputeerde staten kunnen – als overgangsmaatregel - ontheffing verlenen van de eis, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, voor de duur van ten hoogste twee jaar.
4.
Het gebied waarover zich de zorg van een wildbeheereenheid uitstrekt, strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt.
5.
De wildbeheereenheid maakt de begrenzing van het werkgebied bekend aan de faunabeheereenheid.
6.
Zowel de wildbeheereenheid als de faunabeheereenheid publiceert de begrenzing van het werkgebied van de wildbeheereenheid op het internet.
Artikel 6.14 Jachthouders met jachtakte en verenigd in wildbeheereenheid 1.
Jachthouders met een jachtakte, met een jachtveld dat met het geweer bejaagbaar is, gelegen in het gebied waarover zich de zorg van een wildbeheereenheid uitstrekt, zijn aangesloten bij deze wildbeheereenheid.
2.
De wildbeheereenheid heeft de rechtsvorm van een vereniging. De aansluiting, bedoeld in het eerste lid van dit artikel heeft de vorm van een lidmaatschap van de vereniging. Ook grondgebruikers en terreinbeheerders kunnen lid worden van de vereniging.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
90
Artikel 6.15 Lidmaatschap en geschillen 1.
Het lidmaatschap van een wildbeheereenheid kan bij besluit van het bestuur van de betreffende wildbeheereenheid worden opgezegd wanneer het lid bij de uitvoering van de vrijstelling en de uitoefening van de jacht niet handelt conform het faunabeheerplan, dit ter beoordeling van het bestuur van de wildbeheereenheid, gehoord het bestuur van de faunabeheereenheid.
2.
De wildbeheereenheden stellen een gezamenlijke geschillenregeling vast waarin wordt vastgelegd hoe geschillen, die voortkomen uit bestuursbesluiten als bedoeld in het eerste lid van dit artikel worden behandeld.
Artikel 6.16 Rapportage De wildbeheereenheid neemt, in het kader van het faunabeheerplan, deel aan trendtellingen van diersoorten, en draagt zorg voor afschotregistratie en de registratie van dood gevonden dieren, voor het gehele gebied waarover zich de zorg van de wildbeheereenheid uitstrekt.
Artikel 6.17 Uitzondering lidmaatschap De verplichting, bedoeld in artikel 6.14, is niet van toepassing op medewerkers van Staatsbosbeheer, de Vereniging Natuurmonumenten of Stichting het Zeeuwse Landschap, wanneer het jachtveld in eigendom is van deze organisatie, onder de voorwaarde dat deze organisatie zich heeft aangesloten bij een faunabeheereenheid en op grond daarvan deelneemt aan de gegevensverzameling, bedoeld in artikel 6.16, en de uitvoering van het faunabeheerplan.
AFDELING 6.6 VRIJSTELLING SOORTEN
Artikel 6.18 Aanwijzing schadesoorten Als schadesoorten in de provincie Zeeland worden aangewezen de soorten, genoemd in bijlage I bij deze verordening.
Artikel 6.19 Vrijgestelde handelingen 1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1, vierde lid en artikel 3.5, tweede lid, van de wet is het aan de grondgebruiker toegestaan om de in bijlage J bij deze verordening genoemde schadesoorten opzettelijk te (ver)storen op de door hem gebruikte gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied.
2.
In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1, eerste lid, van de wet is het aan de grondgebruiker toegestaan om de in bijlage K bij deze verordening genoemde schadesoorten opzettelijk te doden op de door hem gebruikte gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van in
91
Omgevingsverordening Zeeland 2018
het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied. 3.
De in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde vrijstellingen gelden ten behoeve van de in bijlage J en K bij deze verordening bij de betreffende soort genoemde belangen, voor het hierin genoemde gebied, onder gebruik van de hierin genoemde middelen en onder de hierin genoemde voorschriften en beperkingen.
Artikel 6.20 Faunabeheerplan 1.
Vrijgestelde handelingen als bedoeld in artikel 6.19, eerste en tweede lid, vinden plaats overeenkomstig het faunabeheerplan.
2.
Over de uitvoering van de vrijgestelde handelingen, bedoeld in artikel 6.19, tweede lid, wordt jaarlijks gerapporteerd aan de faunabeheereenheid.
3.
Indien de grondgebruiker in overeenstemming met artikel 3.15, zevende lid, van de wet de vrijgestelde handelingen, bedoeld in artikel 6.19, eerste en tweede lid, door een ander laat uitoefenen, dient deze persoon de schriftelijke en gedagtekende toestemming van de grondgebruiker bij zich te dragen en op eerste vordering van een daartoe bevoegde beambte ter inzage te geven.