991760 Bijlage 12 Omgevingsverordening Zeeland 2018
Tekst van het document
3.
Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing is uitsluitend de in titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
4.
De aanvraag om ontheffing dient in tweevoud te worden ingediend.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
46
5.
De aanvraag omvat: -
een kaart waarop de plaats van handeling is aangegeven;
-
een rapport van het onderzoek als genoemd in de Wet geluidhinder, naar de akoestische gevolgen van de activiteit;
6.
-
motivering van nut en noodzaak van het te gebruiken toestel en/of uit te voeren activiteit
-
tijdsduur en periode waarbinnen het te gebruiken toestel en/of de activiteit zich afspeelt.
Een afschrift van een verleende ontheffing wordt toegezonden aan de gemeente waarbinnen de activiteit wordt verricht.
§ 3.3.5 Milieukwaliteitseisen Artikel 3.24 Richtwaarden voor activiteiten binnen milieubeschermingsgebieden 1.
Ter bescherming van de omgevingskwaliteit rust en stilte worden binnen gebieden zoals bedoeld in artikel 3.18 onderscheiden: a.
gebieden waarvoor een richtwaarde geldt van maximaal 40 dB(A), die zijn gelegen binnen de gebieden als bedoeld onder b, en waarvan de grens wordt gevormd door de binnengrens van de gebieden als bedoeld onder b;
b.
gebieden waarvoor een richtwaarde geldt van maximaal 48 dB(A), die grenzen aan de gebieden als bedoeld onder a, en een breedte hebben van 250 meter, te rekenen vanaf de grens van de gebieden als bedoeld onder a;
c. 2.
gebieden waarvoor een richtwaarde geldt van maximaal 48 dB(A).
Bij het nemen van besluiten krachtens de wet, de wetten genoemd in bijlage 1 van de wet en de Wet ruimtelijke ordening, wordt indien activiteiten plaatsvinden buiten een gebied die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen dit gebied, rekening gehouden met de richtwaarden zoals genoemd in artikel 3.25.
3.
Bij het nemen van besluiten als bedoeld in het vorige lid, wordt indien activiteiten plaatsvinden binnen een gebied als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen dit gebied, rekening gehouden met de richtwaarden als genoemd in artikel 3.26 en in paragrafen 3.3.2 tot en met 3.3.3 genoemde verbodsbepalingen en of vrijstellingen.
4.
Het bepaalde in het tweede en derde lid geldt niet voor: a.
inrichtingen gelegen op bestaand bedrijfsterrein buiten het gebied;
b.
mobiele activiteiten die onderdeel zijn van een agrarisch bedrijf;
c.
inrichtingen verband houdende met laad- en losactiviteiten van scheepvaart;
d.
concentraties van windenergielocaties als bedoeld in het Omgevingsplan Zeeland;
e.
bestaande wegen door milieubeschermingsgebieden;
f.
toestellen en/of activiteiten waarvoor een vrijstelling geldt op grond van artikel 3.22.
g.
ten behoeve van het onderhoud van het gebied, inclusief dijkwerkzaamheden of andere werkzaamheden aan of ten behoeve van waterkeringen in het gebied of in de directe omgeving van het gebied, en/of de in het gebied aanwezige bouwwerken en andere constructies met de daartoe geëigende middelen;
h.
de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken, telecommunicatiewerken en openbare energievoorziening indien deze activiteiten niet structureel plaatsvinden en een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is afgegeven of geen vergunning op basis van deze wet noodzakelijk is;
47
Omgevingsverordening Zeeland 2018
5.
Voor een gebied als bedoeld in het eerste lid, onder c, kan het bevoegd gezag van de gemeente aanvullend lokaal gebiedsgericht geluidbeleid vaststellen, voor zover dit gebied voor tenminste 75% uit landoppervlakte bestaat. Vaststelling van aanvullend lokaal gebiedsgericht beleid kan slechts geschieden na overleg met gedeputeerde staten.
Artikel 3.25 Richtwaarden voor activiteiten buiten milieubeschermingsgebieden 1.
Ten aanzien van activiteiten buiten een gebied, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen een gebied als bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, onder a, geldt als richtwaarde voor het langtijdgemiddeld geluidsniveau van deze activiteiten het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van die gebieden. Indien en voor zover uit metingen en berekeningen blijkt dat het referentieniveau in de dag-, avond-, of nachtperiode a.
meer bedraagt dat 40 dB(A), wordt voor de betreffende periode een waarde van 40 dB(A) als richtwaarde gehanteerd;
b.
minder bedraagt dan 30 dB(A), wordt voor de betreffende periode een waarde van 30 dB(A) als richtwaarde gehanteerd.
2.
Ten aanzien van activiteiten buiten een gebied, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen een gebied als bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, onder b, geldt als richtwaarde voor het langtijdgemiddeld geluidsniveau van deze activiteiten het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van de (buitenste) begrenzing van het gebied. Indien en voor zover uit metingen en berekeningen blijkt dat het referentieniveau in de dag,- avond,- of nachtperiode meer bedraagt dan 48 dB(A), wordt voor die periode een richtwaarde van 48 dB(A) gehanteerd.
Artikel 3.26 Richtwaarde voor gebiedsvreemde stationaire geluidbronnen Als richtwaarde voor gebiedsvreemde stationaire geluidbronnen binnen de grenzen van een gebied als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, geldt het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het gebied dat fysiek door de activiteit in beslag wordt genomen. Artikel 3.27 Ontheffing Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de in de artikelen 3.24 en 3.25 genoemde richtwaarden. Artikel 3.28 Bepalen richtwaarde volgens Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 Metingen en beoordelingen ter bepaling van het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid en het langtijdgemiddeld geluidsniveau van nieuwe activiteiten, worden uitgevoerd volgens één van onderstaande handleidingen en regelingen: a.
het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 of ingeval van herziening van dit voorschrift het daarvoor in de plaats tredende voorschrift.
b.
de richtlijnen voor karakterisering en meting van het omgevingsgeluid (IL-HR-15-01)
Artikel 3.29 Verplichting tot meten voorgenomen activiteit
Omgevingsverordening Zeeland 2018
48
1.
Degene die binnen een gebied voornemens is activiteiten te ontplooien die niet vallen onder de activiteiten als bedoeld in artikel 3.24, tweede en derde lid, maar die wel kunnen leiden tot verstoring van de omgevingskwaliteit rust en stilte, dient het effect daarvan te meten.
2.
Beoordeling van de meting vindt plaats door het bevoegd gezag in het kader van de besluitvorming ter zake een aangevraagd ontheffing waarvan de betreffende activiteiten deel uit maken.
Artikel 3.30 Vastleggen uitgangssituatie 1.
Alvorens binnen dan wel buiten een gebied activiteiten worden ontplooid als bedoeld in artikel 3.24, tweede en derde lid, legt degene die daartoe voornemens is de uitgangssituatie vast volgens één van de handleidingen en regelingen als genoemd in artikel 3.28.
2.
De uitgangssituatie wordt aan het bevoegd gezag voorgelegd in het kader van de besluitvorming ter zake van de vergunning of melding waarvan de betreffende activiteiten deel uit maken.
§ 3.3.6 Hardheidsclausule Artikel 3.31 Hardheidsclausule Gedeputeerde staten kunnen artikel 3.21 buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de bescherming van het milieu en het gebiedseigen karakter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
AFDELING 3.4 GRONDWATERBESCHERMING MET HET OOG OP DE WATERWINNING
§ 3.4.1 Algemeen Artikel 3.32 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
achtergrondwaarde, baggerspecie, grond, IBC-bouwstof, kwaliteitsklasse wonen, kwaliteitsklasse A en werk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit Bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit;
b.
boorput: met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering;
c.
buisleiding: buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van aardgas), olie of chemicaliën alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën;
d.
drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet;
e.
extensieve beweiding: beweiding door maximaal anderhalf grootvee-eenheden per hectare per kalenderjaar;
f.
grond- of funderingswerken: een werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies;
g.
NRB: Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, uitgegeven door InfoMil;
h.
niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof: een stof die als zodanig is aangewezen in bijlage H, onderdeel A:
49
Omgevingsverordening Zeeland 2018
i.
potentieel voor het grondwater schadelijke stof: een stof die behoort tot een categorie als bedoeld in hoofdstuk 9 van de wet;
j.
verwaarloosbaar bodemrisico: een situatie als bedoeld in de NRB waarin door een goede afstemming van bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen die kans op een verandering van de bodemkwaliteit, ten gevolge van een immissie van een stof, verwaarloosbaar is gemaakt;
Artikel 3.33 Aanwijzing beschermingsgebieden 1.
Als gebieden waarvoor regels gelden ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, zijn aangewezen: a. Haamstede; b. Oranjezon; c. Sint Jansteen.
2.
De in het eerste lid aangewezen gebieden kunnen bestaan uit één of meer waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. Deze zijn aangegeven in bijlage 14.
3.
Gedeputeerde staten kunnen een op de kaart aangegeven grens nader bepalen.
4.
Het betrokken drinkwaterbedrijf plaatst langs alle openbare wegen en vaarwateren die toegang geven tot een grondwaterbeschermingsgebied en / of waterwingebied dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grenzen van het gebied, borden die bij het betreffende gebied horen en waarvan het model is vastgesteld in bijlage H, onderdeel C en D.
Artikel 3.34 Zorgplicht 1.
Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een gebied dat in artikel 3.33 is aangewezen, kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten - behoudens voor zover dat ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk uitdrukkelijk is toegestaan - dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
2.
In geval van een verontreiniging of een direct dreigende verontreiniging van het grondwater behoort tot de maatregelen bedoeld in het eerste lid, in ieder geval dat degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten, terstond gedeputeerde staten en de directeur van het drinkwaterbedrijf informeert.
3.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing a.
voor zover artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1, eerste, tweede of derde lid, van de wet of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is;
b.
met betrekking tot inrichtingen tenzij in deze verordening anders is bepaald.
§ 3.4.2 Waterwingebieden
Omgevingsverordening Zeeland 2018
50
Artikel 3.35 Inrichtingen 1.
Het is verboden in een waterwingebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht.
2.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, indien het in werking hebben van de inrichting noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.
Artikel 3.36 Activiteiten buiten inrichtingen 1.
Het is in waterwingebieden verboden: a.
stoffen, combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen, waarvan degene die de handeling verricht, weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat ze, op of in de bodem gebracht of gerakend, de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen;
b.
een constructie of werk van welke aard dan ook op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als daarmee de verspreiding of lozing van hetgeen bedoeld is onder a, in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan;
c.
grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt;
d.
handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd.
2.
Onder de in het eerste lid onder a bedoelde stoffen worden in elk geval begrepen aardolie en aardolieproducten, afvalstoffen, IBC-bouwstoffen, meststoffen als bedoeld in de Meststoffenwet, gewasbeschermingsgebieden en biociden als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de stoffen als bedoeld in Bijlage H, Onderdeel A.
3.
Onder de in het eerste lid, onder b, bedoelde constructies of werken worden in elk geval begrepen boorputten, grond- en funderingswerken, wegen, parkeergelegenheden voor motorvoertuigen, kampeerterreinen, recreatiecentra, leidingen, installaties, opslagreservoirs, begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as.
4.
Het in het eerste lid onder a, b en c gestelde verbod geldt niet voor: a.
het oprichten en hebben van boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;
b.
aardgasleidingen die dienen voor huishoudelijk gebruik;
c.
het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding;
d.
hetgeen is bedoeld in het eerste lid, onder a, voor zover dit aanwezig is en benodigd is voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;
e.
het vervoeren van hetgeen is bedoeld in het eerste lid, onder a, voor zover dit gebeurt in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;
f.
het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden van hetgeen is bedoeld in het eerste lid, onder a, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen,
51
Omgevingsverordening Zeeland 2018
die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; g.
het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen als gevolg van extensieve beweiding;
h.
het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over her aangrenzend perceel met inachtneming van de Wet bodembescherming;
5.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, indien de betreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.
§ 3.4.3 Grondwaterbeschermingsgebieden Inrichtingen Artikel 3.37 Niet toegelaten categorieën van inrichtingen Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot één of meer van de categorieën die zijn aangewezen in bijlage H, onderdeel D.
Artikel 3.38 Instructies voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen 1.
Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op een inrichting die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht en
2.
a.
die is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied,
b.
waarin een bodembedreigende activiteit wordt ondernomen, en
c.
waarvoor een omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist.
Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, in ieder geval de volgende voorschriften: a.
een voorschrift met gelijke inhoud als artikel 3.34, eerste en tweede lid (zorgplicht);
b.
het voorschrift dat bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen worden getroffen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd;
c.
het voorschrift dat in de inrichting een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof als bedoeld in artikel 3.32, onder h, niet aanwezig mag zijn;
d.
het voorschrift dat in de inrichting van een potentieel voor het grondwater schadelijke stof als bedoeld in artikel 3.32, onder i, niet meer dan de hierna aangegeven hoeveelheden aanwezig mag zijn: 1° in geval van een giftige of anderszins schadelijke stof als bedoeld in bijlage H, onderdeel B, tabel B.1.1 of tabel B.1.2: de voor de stof in die tabel aangegeven drempelwaarde; 2° in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof, zijnde een tot vloeistof gekoeld gas of een vloeistof: niet meer dan 5 m³ per opslageenheid; 3° in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof, zijnde een visceuze of vaste stof: niet meer dan 5000 kilogram per opslageenheid;
Omgevingsverordening Zeeland 2018
52
e.
het voorschrift dat indien in de inrichting een potentieel voor het grondwater schadelijke stof aanwezig is, de onder b bedoelde bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de hoogst mogelijke vorm van bescherming bieden, waaronder in ieder geval wordt verstaan dat: 1ْ volledig gesloten procesapparatuur of procesapparatuur met geïntegreerde lekdetectie wordt toegepast; 2ْ proces en opslag vrij van de grond boven een vloeistofdichte vloer of een lekbak plaatsvindt; 3ْ tussentijds bodemonderzoek met een tenminste tweemaal hogere frequentie plaatsvindt dan op basis van de NRB wordt aanbevolen, doch tenminste eenmaal per vijf jaar.
f.
voorschriften met een gelijke inhoud als die van de artikelen 3.41 tot en met 3.47, voor zover die regels betrekking hebben op de in het eerste lid bedoelde bodembedreigende activiteit. Daarbij wordt bepaald dat als voor een activiteit als bedoeld in die artikelen een omgevingsvergunning is vereist, de melding tegelijkertijd met de aanvraag om die vergunning wordt gedaan.
3.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onder c, kan het bevoegd gezag bepalen dat een stof wel aanwezig mag zijn indien deze deel uitmaakt van: a.
een geneesmiddel in de zin van de Richtlijn 2001/83/EG of een geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik in de zin van Richtlijn 2001/82/EG;
b.
cosmetische producten waarop de Richtlijn 76/768/EEG van toepassing is;
c.
de volgende brandstoffen en olieproducten: 1ْ benzine en dieselbrandstof als bedoeld in Richtlijn 98/70/EG; 2ْ derivaten van minerale oliën, bestemd voor gebruik als brandstof in mobiele of vaste verbrandingsinstallaties; 3ْ brandstoffen die in een gesloten systeem worden verkocht (bijvoorbeeld flessen vloeibaar gas);
d.
kunstschilderverven die onder Verordening (EG) nr. 1272/2008 vallen;
e.
asbest, erioniet en vuurvast keramische vezels;
f.
derivaten van aardolie of minerale oliën die in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving worden gebruikt in wegverhardingen of dakbedekkingen (bijvoorbeeld asfalt).
4.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onder d, 2ْ en 3ْ, kan het bevoegd gezag bepalen dat de aanwezigheid van en grotere hoeveelheid van de daar bedoelde stof per opslageenheid is toegestaan als die stof - getoetst volgens de beoordelingsmethodiek die is opgenomen in bijlage H, onderdeel B, sub B.2, - naar hoedanigheid, mobiliteit en persistentie toelaatbaar is.
Artikel 3.39 Regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen 1.
Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op een inrichting die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht en
2.
a.
die is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied,
b.
waarin een bodembedreigende activiteit wordt ondernomen, en
c.
waarvoor geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist.
Degene die een inrichting als bedoeld in het eerste lid, drijft, treft de bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd.
3.
Het is verboden dat in de inrichting een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof als bedoeld in artikel 3.32, onder h, aanwezig is.
4.
Het in het derde lid gestelde verbod geldt niet indien de stof deel uitmaakt van:
53
Omgevingsverordening Zeeland 2018
a.
een geneesmiddel in de zin van Richtlijn 2001/83/EG of een geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik in de zin van Richtlijn 2001/82/EG;
b. c.
cosmetische producten waarop de Richtlijn 76/768/EEG van toepassing is; de volgende brandstoffen en olieproducten: 1ْ benzine en dieselbrandstof als bedoeld in Richtlijn 98/70/EG; 2ْ derivaten van minerale oliën, bestemd voor gebruik als brandstof in mobiele of vaste verbrandingsinstallaties; 3ْ brandstoffen die in een gesloten systeem worden verkocht (bijvoorbeeld flessen vloeibaar gas);
d.
kunstschilderverven die onder Verordening (EG) nr. 1272/2008 vallen;
e.
asbest, erioniet en vuurvast keramische vezels;
f.
derivaten van aardolie of minerale oliën die in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving worden gebruikt in wegverhardingen of dakbedekkingen (bijvoorbeeld asfalt)
5.
In de inrichting mag van een potentieel voor het grondwater schadelijke stof als bedoeld in artikel 3.32, onder i, niet meer dan de hierna aangegeven hoeveelheden aanwezig zijn: a.
in geval van een giftige of anderszins schadelijke stof als bedoeld in bijlage H, onderdeel B, tabel B.1.1 of tabel B.1.2: de voor de stof in die tabel aangegeven drempelwaarde;
b.
in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof, zijnde een tot vloeistof gekoeld gas of een vloeistof: niet meer dan 5 m³ per opslageenheid;
c.
in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof, zijnde een visceuze of vaste stof: niet meer dan 5000 kilogram per opslageenheid.
6.
In afwijking van het bepaalde in het vijfde lid, onder b en c, is de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid van de daar bedoelde stof per opslageenheid toegestaan als die stof - getoetst volgens de beoordelingsmethodiek die is opgenomen in bijlage H, onderdeel B, sub B.2, - naar hoedanigheid, mobiliteit en persistentie toelaatbaar is.
7.
Indien in een inrichting als bedoeld in het eerste lid, een potentieel voor het grondwater schadelijke stof aanwezig is, bieden de in het tweede lid bedoelde bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de hoogst mogelijke vorm van bescherming, waaronder in ieder geval wordt verstaan dat: a.
volledig gesloten procesapparatuur of procesapparatuur met geïntegreerde lekdetectie wordt toegepast
b.
proces en opslag vrij van de grond boven een vloeistofdichte vloer of een lekbak plaatsvindt;
c.
tussentijds bodemonderzoek met een tenminste tweemaal hogere frequentie plaatsvindt dan op basis van de NRB wordt aanbevolen, doch tenminste eenmaal per vijf jaar.
8.
De artikelen 3.34, eerste en tweede lid, 3.41 tot en met 3.47 en 3.51 zijn ook van toepassing op een inrichting als bedoeld in het eerste lid.
9.
Bij het melden als bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, van de wet, wordt medegedeeld welke potentieel voor het grondwater schadelijke stoffen in de inrichting aanwezig zullen zijn en welke bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen zijn of worden getroffen.
10. Indien ten aanzien van een inrichting een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40 van de wet van toepassing is en niet een melding op grond van artikel 8.41 van de wet is voorgeschreven, geeft degene die de inrichting drijft, kennis van de in het negende lid bedoelde gegevens. Artikel 3.50 van deze verordening is op deze melding van toepassing. Het in de eerste volzin bepaalde is niet van toepassing ten aanzien van een inrichting type A als bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
54
11. Het tweede tot en met zevende lid is niet van toepassing op degene die een inrichting drijft, voor zover op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriele regeling de in die leden bedoelde voorschriften reeds voor die inrichting gelden met het oog op de waterwinning. Activiteiten buiten inrichtingen
Artikel 3.40 Werkingssfeer De artikelen 3.41 tot en met 3.47 hebben uitsluitend betrekking op activiteiten die in een grondwaterbeschermingsgebied en buiten een inrichting worden ondernomen tenzij in deze verordening anders is bepaald.
Artikel 3.41 Boorputten en grond- of funderingswerken 1.
Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben. Het verbod geldt niet voor: a.
boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;
b.
het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet bodembescherming: of
c.
tijdelijke bronbemaling ten behoeve van de uitvoering van werken, mits het VKB-Protocol 2006 Mechanisch boren, in acht wordt genomen.
2.
Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van drie meter of meer onder het maaiveld. Het verbod geldt niet voor graafwerkzaamheden en het inbrengen van palen indien wordt voldaan aan de volgende algemene voorschriften: a.
bij graafwerkzaamheden: indien grond wordt verwijderd en het bodemprofiel wordt aangevuld tot tenminste drie meter onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken;
b.
voor het inbrengen van palen: indien uitsluitend gebruik gemaakt wordt van: 1ْ grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; 2ْ in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is, grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken; of 3ْ schroefpalen.
3.
Van het voornemen tot het oprichten van een boorput of het uitvoeren van grond- of funderingswerken waarbij toepassing wordt gegeven aan de in het tweede lid bedoelde voorschriften, doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.50 van toepassing.
Artikel 3.42 Buisleidingen Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een buisleiding te leggen, te hebben, te vervangen, te veranderen of te verleggen.
55
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Artikel 3.43 Gebouwen, wegen en andere verhardingen 1.
Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om afstromend water van gebouwen en verhardingen op of in de bodem te lozen. Het verbod geldt niet a.
ten aanzien van gebouwen: 1° indien geen bouwmaterialen worden gebruikt die tot gevolg hebben dat hetgeen is bedoeld in artikel 3.36, eerste lid, onder a, door afspoelen of uitloging in het afstromend water kan komen, of 2° indien afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem;
b.
ten aanzien van wegen: indien het afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem; Van het voornemen tot het lozen van afstromend water op of in de bodem doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.50 van toepassing.
2.
Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden afstromend water via diepinfiltratie in het grondwater te lozen.
3.
Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden op eigen terrein te parkeren of parkeergelegenheid voor motorvoertuigen aan te bieden indien het terrein niet is voorzien van een aaneengesloten verharding. Het verbod geldt niet indien het een parkeergelegenheid betreft met maximaal vier parkeerplaatsen.
Artikel 3.44 Meststoffen 1. 2.
Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied meststoffen op of in de bodem te brengen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het op of in de bodem brengen van: a.
dierlijke meststoffen;
b.
anorganische meststoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
c.
compost als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
d.
kalkmeststoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.
Artikel 3.45 Begraafplaatsen Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een begraafplaats of uitstrooiveld als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats aan de leggen of te hebben.
Artikel 3.46 Warmtetoevoeging en -onttrekking 1.
Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd.
2.
Onder een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval begrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem.
Artikel 3.47 IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie 1.
Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied IBC-bouwstof toe te passen.
2.
Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied grond of baggerspecie toe te passen.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
56
3.
Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor de toepassing van grond of baggerspecie: a.
op of in de bodem: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie 1°
de achtergrondwaarde niet overschrijdt; dan wel
2°
de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;
b.
in oppervlaktewater: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie 1°
de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel
2°
de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;
c.
bij toepassing in een omvang van meer dat 5000 m³ indien wordt aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie 1°
bij een toepassing op of in de bodem de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt;
2°
bij een toepassing in oppervlaktewater de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt;
d.
voor zover het betreft baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoudt van watergangen: op het aangrenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen.
4.
Van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid, onder a, b en c, doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. De melding van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid, onder c, bevat de resultaten van locatiespecifiek onderzoek op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen. Ten aanzien van de melding is artikel 3.50 van toepassing.
§ 3.4.4 Overige bepalingen Artikel 3.48 Beperkingen instructieverplichting De verplichtingen van artikel 3.38, tweede lid, tot het verbinden van voorschriften van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een inrichting gelden niet: a.
ten aanzien van een inrichting voor zover door degene die de inrichting drijft, de in dat artikel bedoelde voorschriften gelden of aan de vergunning dienen te worden verbonden op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriele regeling;
b.
voor een omgevingsvergunning voor een inrichting ten aanzien waarvan Onze Minister of de Minister van Economische zaken het bevoegd gezag is.
Artikel 3.49 Relatienotagebied Deze titel is niet van toepassing op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de wet.
57
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Artikel 3.50 Meldingen 1.
Indien in dit hoofdstuk het doen van een melding is voorgeschreven, wordt de melding schriftelijk gedaan en wordt in de melding aangegeven: a.
de naam en het adres van degene die de melding doet;
b.
de dagtekening;
c.
een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft;
d.
een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit zal plaatsvinden;
2.
De melding wordt gedaan uiterlijk negen weken voordat tot de handeling waarop de melding betrekking heeft, wordt overgegaan.
3.
Een melding ingevolge een voorschrift dat aan een omgevingsvergunning voor een inrichting is verbonden, wordt gedaan aan het bevoegd gezag. Een melding ingevolge artikel 3.39, tiende lid, wordt gedaan aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen. In andere gevallen wordt de melding gedaan door gedeputeerde staten.
4.
Het bestuursorgaan bevestigt de ontvangst van de melding en stuurt onverwijld een afschrift van de melding aan het drinkwaterbedrijf. Het geeft uiterlijk binnen zes weken na de ontvangst van de melding schriftelijk zijn oordeel of op basis van die gegevens verwacht mag worden dat wordt voldaan aan de voorschriften, waarop de melding betrekking heeft.
5.
Indien het bestuursorgaan niet binnen de in het vierde lid bedoelde termijn aan degene die de melding heeft gedaan een bericht als daar bedoeld heeft gezonden, wordt zijn oordeel geacht instemmend te zijn.
6.
De aanvang van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden waarop de melding betrekking heeft, wordt minimaal twee weken voor de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk aan het bestuursorgaan gemeld.
7.
Indien niet binnen zes maanden na de verzending van de in het tweede lid bedoelde melding met de handeling waarop die melding betrekking had, is begonnen, dient opnieuw een melding te worden gedaan.
Artikel 3.51 Ontheffingen 1.
Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit waarop een verbod betrekking heeft, noodzakelijk maakt, kunnen gedeputeerde staten zo nodig in afwijking van artikel 3.64, ontheffing verlenen van de in de artikelen 3.36, 3.41, 3.42, 3.43 en 3.47 opgenomen verboden. Aan de ontheffing worden de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden.
2.
In aanvulling op de gegevens bedoeld in artikel 3.70, derde lid, vermeldt de aanvrager in de aanvraag om ontheffing het algemeen belang dat met de uitvoering van de activiteit is gediend.
3.
Gedeputeerde staten stellen naast de in artikel 3.71 genoemde organen de inspecteur en het drinkwaterbedrijf in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag om ontheffing en naar aanleiding van het voornemen een beschikking te geven op grond van artikel 3.67 of 3.68.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
58
Artikel 3.52 Mogelijkheid tot afwijken van instructies 1.
Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit noodzakelijk maakt en de verplichting van artikel 3.38, tweede lid, tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een inrichting daaraan in de weg staat, kan her bevoegd gezag van deze verplichting afwijken. Alsdan worden aan de vergunning de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden.
2.
Het bevoegd gezag stelt de in artikel 3.71 genoemde organen, de inspecteur en het drinkwaterbedrijf in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van het voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid.
AFDELING 3.5 BODEMSANERING
Artikel 3.53 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
saneringsplan: een plan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming;
b.
evaluatieverslag: een verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming;
c.
nazorgplan: een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming.
Artikel 3.54 Wijze van melden 1.
Het rapport van het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming, het saneringsplan, het evaluatieverslag, het nazorgplan en de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden met de daarbij behorende stukken in enkelvoud bij gedeputeerde staten, per adres aan RUD Zeeland ingediend, waarbij voor het nader onderzoek, het saneringsplan en de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid van de Wet bodembescherming gebruik wordt gemaakt van een op de website van RUD Zeeland geplaatst meldingsformulier.
2.
Voor de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt op het formulier als bedoeld in het eerste lid in aanvulling op de gegevens bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Wet bodembescherming in ieder geval vermeld: a.
het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt;
b.
de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder a, alsmede van de gebruiker daarvan;
c.
de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden dan wel handelingen zullen worden verricht ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst.
Artikel 3.55 Procedure 1.
Op de voorbereiding van een beschikking op grond van artikel 29 van de Wet bodembescherming en van een beschikking met betrekking tot de instemming met een saneringsplan (artikel 39, tweede lid
59
Omgevingsverordening Zeeland 2018
van de Wet bodembescherming) is de in afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing. 2.
Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.
3.
Indien gedeputeerde staten toepassing geven aan het tweede lid, vermelden zij dit in de kennisgeving, bedoeld in artikel 28, vijfde lid, van de Wet bodembescherming. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 39, derde lid, van die wet, doen zij van een besluit als bedoeld in het tweede lid digitaal mededeling via het provinciaal blad op www.overheid.nl.
Artikel 3.56 Inhoud saneringsplan 1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden in het saneringsplan de volgende gegevens vermeld: a.
Algemene gegevens 1°
het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt;
2°
een kadastrale kaart, welke ten hoogste dertien weken voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven, waarop het geval van verontreiniging is aangegeven;
3°
een uittreksel van het kadaster waaruit de huidige eigendomssituatie blijkt, welke ten hoogste dertien weken voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven;
4°
het huidige en voorgenomen gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan;
5°
de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder 1º, alsmede van de gebruiker daarvan;
6°
de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden;
7°
de naam en het adres van degene die de sanering feitelijk uitvoert;
8°
een overzicht van de bij de uitvoering van de sanering belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen;
9°
een tijdschema met een planning van de werkzaamheden, waarbij in ieder geval de datum is aangegeven waarop met de sanering naar verwachting zal worden begonnen;
10° een specificatie van de bij de uitvoering van de sanering betrokken bedrijven en instanties, voor zover deze ten tijde van het indienen van het saneringsplan bekend zijn; 11° een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het werk te kunnen uitvoeren; 12° indien de sanering in fasen wordt uitgevoerd, als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming: de voorgenomen fasering, alsmede de argumentatie om de sanering gefaseerd uit te voeren; 13° indien een deelsanering wordt uitgevoerd, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet bodembescherming: de redenen daarvoor. b.
Keuze saneringsvariant 1°
c.
de argumentatie voor de gekozen saneringsvariant met het saneringsdoel;
De te nemen maatregelen 1°
een beschrijving van de maatregelen die de sanering mogelijk moeten maken;
Omgevingsverordening Zeeland 2018
60
2°
een beschrijving van de te treffen (geo)hydrologische en andere technische voorzieningen met de gekozen dimensionering en de invloed hiervan op de omgeving;
3°
een beschrijving van maatregelen die milieu hygiënisch ongewenste effecten als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken;
4°
indien verontreinigde grond zal worden afgegraven of verontreinigd grondwater zal worden onttrokken: - de te verwachten hoeveelheid af te graven grond dan wel te onttrekken hoeveelheid grondwater; - indien de grond of het grondwater geheel of gedeeltelijk niet zal worden gereinigd: de redenen daarvoor;
5°
een weergave van de ontgravingscontour en het grondwateronttrekkingssysteem: - vanuit bovenaanzicht bezien, aangegeven op een kadastrale kaart, welke ten hoogste dertien weken voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven; - vanuit zijaanzicht bezien;
6°
gegevens over de kwaliteit en kwantiteit van de eventueel te gebruiken aanvulgrond;
7°
gegevens over de bestemming van overige verontreinigde stoffen die, naast de verontreinigde grond, vrijkomen bij de sanering;
8°
een beschrijving van de wijze waarop de voortgang van de grondwatersanering wordt gecontroleerd en hoe over de voortgang wordt gerapporteerd;
9°
een beschrijving van de wijze waarop de milieukundige begeleiding van de sanering plaatsvindt, waartoe in elk geval behoort: het bijhouden van een logboek.
2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het saneringsplan van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege blijven indien: a.
bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken,
b.
daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en
c.
die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsplan.
Artikel 3.57 Inhoud saneringsplan waterbodem 1.
In een geval als bedoeld in artikel 63c, eerste lid, van de Wet bodembescherming, bevat het saneringsplan de gegevens als bedoeld in artikel 3.61, eerste lid, alsmede de volgende gegevens: a.
bij A. Algemene gegevens 14° de naam en de functie van het oppervlaktewaterlichaam; 15° de wijze waarop de beheerder van het watersysteem waarin zich de verontreiniging bevindt voor zover deze niet zelf met de sanering is belast - bij de uitvoering van de sanering wordt betrokken.
b.
bij C. De te nemen maatregelen 10° de hoeveelheid te verwijderen baggerspecie, onderverdeeld in de hoeveelheid onderhoudsbaggerspecie en de hoeveelheid saneringsbaggerspecie.
2.
In een geval als bedoeld in artikel 63c, eerste lid, van de Wet bodembescherming, is artikel 3.61, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
61
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Artikel 3.58 Meldingsplichten 1.
Degene die de bodem saneert of degene die de sanering feitelijk uitvoert op grond van een saneringsplan waarmee gedeputeerde staten op basis van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, meldt uiterlijk twee weken voor de feitelijke aanvang van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering schriftelijk bij gedeputeerde staten de aanvangsdatum van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering.
2.
Indien sprake is van een grondsanering, respectievelijk grondwatersanering waarbij door gedeputeerde staten is ingestemd met een gefaseerde aanpak overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de start van iedere afzonderlijke fase op de in het vierde lid beschreven wijze gemeld.
3.
Indien de grondsanering respectievelijk de grondwatersanering niet zal worden gestart op de overeenkomstig het eerste lid gemelde aanvangsdatum of de overeenkomstig dit lid aangepaste aanvangsdatum, meldt degene die de bodem saneert of degene die de sanering feitelijk uitvoert dit onverwijld schriftelijk aan gedeputeerde staten, onder opgave van de nieuwe aanvangsdatum. Indien de nieuwe aanvangsdatum op dat moment nog niet bekend is, meldt degene die de bodem saneert alsmede degene die de sanering feitelijk uitvoert de nieuwe aanvangsdatum minimaal twee weken voor deze datum schriftelijk aan gedeputeerde staten.
4.
Indien bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt degene die de bodem saneert of die de sanering feitelijk uitvoert uiterlijk twee dagen voorafgaand aan het tijdstip waarop over het hele gebied van de ontgraving de einddiepte bereikt zal worden en tot aanvulling van de ontgraving zal worden overgegaan gedeputeerde staten van dat tijdstip op de hoogte. Bij ontgraving en aanvulling in gedeeltes, geldt voornoemde verplichting tot melding per gedeelte.
5.
Degene die de bodem saneert of degene die de sanering feitelijk uitvoert, meldt de beëindiging van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering binnen een week na beëindiging van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering schriftelijk aan gedeputeerde staten.
6.
Indien sprake is van een grondsanering, respectievelijk grondwatersanering waarbij door gedeputeerde staten is ingestemd met een gefaseerde aanpak overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de beëindiging van iedere afzonderlijke fase op de in het vierde lid beschreven wijze gemeld.
Artikel 3.59 Wijziging saneringsplan Bij een melding inzake wijziging van het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming dienen de volgende gegevens te worden verstrekt: a.
alle gegevens die afwijken van het saneringsplan, waarmee gedeputeerde staten op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd;
b.
de inhoud van de wijziging;
c.
de reden van de wijziging;
d.
de gevolgen van de wijziging voor de oorspronkelijk beoogde saneringsdoelstelling en de ter uitvoering daarvan te treffen saneringsmaatregelen.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
62
Artikel 3.60 Evaluatieverslag 1.
Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk dertien weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan gedeputeerde staten aan.
2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden in het evaluatieverslag de volgende gegevens vermeld: a.
het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt;
b.
een kadastrale kaart, die de actuele situatie weergeeft, met daarop ingetekend de contour van de restverontreiniging boven de interventiewaarde;
c.
een korte omschrijving van de kwaliteit van de bodem voor het uitvoeren van de sanering, waaronder mede begrepen een beschrijving van de aard en omvang van de verontreiniging;
d.
gegevens over het verloop van de sanering, waaronder in elk geval: de relevante data van de uitvoering;
e.
een beschrijving van de uitvoering van de sanering, voor zover deze wijzigingen betreft van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd, alsmede de reden voor deze wijzigingen, die zijn gemeld ingevolge artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming;
f.
een beschrijving van de uitvoering van de sanering naar aanleiding van aanwijzingen ingevolge artikel 38, vierde lid, en 39, vijfde lid, van de Wet bodembescherming die een wijziging inhouden van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd;
g.
een beschrijving van de getroffen saneringsmaatregelen, waaronder afmetingen van ontgravingen, de analyseresultaten van de controlegrondmonsters, depotmonsters, in- en effluentmonsters en monsters uit waarnemingsfilters;
h.
de daadwerkelijk gemaakte saneringskosten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de kosten van onderzoek en de kosten van sanering;
i.
indien na de sanering nog verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven: een beschrijving van deze verontreiniging, die leidt tot beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen, als bedoeld in artikel 39c, eerste lid onder f, van de Wet bodembescherming met hierbij een verwijzing naar het nazorgplan, bedoeld in artikel 39d, eerste lid, van de Wet bodembescherming dat op deze verontreiniging ziet en dat tegelijkertijd met het evaluatieverslag wordt ingediend bij gedeputeerde staten.
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het evaluatieverslag van gegevens als bedoeld in het tweede lid achterwege blijven indien: a.
bij de indiening van het evaluatieverslag wordt aangegeven welke gegevens ontbreken,
b.
daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en
c.
die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het evaluatieverslag.
Artikel 3.61 Nazorgplan 1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 39d, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming worden in het nazorgplan de volgende gegevens vermeld: a.
Algemene gegevens 1°
het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt;
63
Omgevingsverordening Zeeland 2018
2°
een kadastrale kaart, die de actuele situatie weergeeft, met daarop ingetekend de contour van de restverontreiniging boven de interventiewaarde en meer dan 25 kubieke meters in het vaste bodemvolume;
3°
het huidige en toekomstige gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan;
4°
een overzicht van bij de nazorg betrokken personen en instanties, waartoe in elk geval behoren: naam- en adresgegevens, taken en verantwoordelijkheden;
5°
indien een ander dan degene die de bodem heeft gesaneerd in het nazorgplan wordt aangewezen als degene die is belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen: de door betrokken partijen ondertekende contractuele afspraken die gelden en waaruit blijkt dat diegene zich tot de uitvoering hiervan verbindt.
b.
Aanvangssituatie 1°
een globale beschrijving van de sanering en de reden voor de achtergebleven verontreiniging;
2°
een beschrijving van de aard, de omvang, de mate en de ligging van de achtergebleven verontreiniging van de grond en het grondwater, waartoe in elk geval behoort: een kadastrale kaart, die de actuele situatie weergeeft, met daarop de achtergebleven verontreiniging;
3°
indien isolerende voorzieningen zijn aangebracht: een beschrijving van de aard van deze voorzieningen, inclusief kaartmateriaal met daarop de ligging van deze voorzieningen (dwarsdoorsnede en bovenaanzicht);
4°
indien de restverontreiniging wordt gemonitoord: een beschrijving van het monitoringssysteem, inclusief kaartmateriaal met daarop de plaats en filterstelling van de monitoringspeilbuizen (dwarsdoorsnede en bovenaanzicht) en controlefrequentie van de monitoring;
5°
een beschrijving van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt en haar omgeving, waaronder in ieder geval: de bodemopbouw, de geohydrologie en de aanwezigheid van kwetsbare objecten en activiteiten in de omgeving;
6°
een kaart met daarop aangegeven de aanwezige kabels en leidingen in het gebied waar de achtergebleven verontreiniging zich bevindt.
c.
Gebruiksbeperkingen 1°
indien gebruiksbeperkingen noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze beperkingen, met bijbehorend kaartmateriaal (bovenaanzicht).
d.
Nazorgmaatregelen 1°
de doelstelling van de nazorg;
2°
een beschrijving van de nazorgmaatregelen en de nazorgvoorzieningen, alsmede de verwachte levensduur daarvan;
3°
indien isolerende voorzieningen zijn aangebracht: een beschrijving van de wijze waarop de aangebrachte isolerende voorzieningen worden beheerd en onderhouden, de wijze en frequentie van de controle op het functioneren van de voorzieningen en de criteria waarmee dit wordt beoordeeld, en de wijze waarop gehandeld wordt als de voorzieningen niet naar behoren functioneren.
4°
indien de restverontreiniging wordt gemonitoord: een beschrijving van de wijze waarop en de frequentie waarmee de restverontreiniging wordt gemonitoord, hoe de resultaten worden geïnterpreteerd, de wijze waarop de monitoringsinstrumenten worden beheerd en onderhouden en hoe gehandeld wordt als de verwachte resultaten niet worden bereikt;
Omgevingsverordening Zeeland 2018
64
5°
een beschrijving van hoe wordt gehandeld bij calamiteiten;
6°
een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om de nazorg te kunnen uitvoeren.
e.
Rapportage en evaluatie 1°
de tijdstippen waarop over de resultaten van de nazorg aan het bevoegd gezag verslag wordt gedaan.
f.
Financiële aspecten 1°
een begroting van de kosten van de nazorgmaatregelen, inclusief de eventueel noodzakelijke vervangingen van de voorzieningen.
2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 39d, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het nazorgplan van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege blijven indien: a.
bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken,
b.
daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en
c.
die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het nazorgplan.
AFDELING 3.6 ONTHEFFINGEN
Artikel 3.62 Werkingssfeer Van de bepalingen van dit hoofdstuk en van de daarvan deel uitmakende bijlagen kan een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3 van de wet worden verleend voor zover dat bij die bepalingen is aangegeven. Deze afdeling is van toepassing op de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag tot het geven van een ontheffing en van de beschikking tot wijziging of intrekking van een ontheffing. In het geval in bepalingen en of de paragrafen waarin een ontheffingsmogelijkheid is opgenomen bijzondere bepalingen over de procedure van totstandkoming van de beschikking op de aanvraag zijn opgenomen gaan deze bijzondere bepalingen voor.
Artikel 3.63 Inhoud en eisen ontheffing Het bevoegd gezag houdt bij het besluit op de aanvraag om ontheffing in ieder geval rekening met: de richtwaarden voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, gevolgen kan hebben, voor zover de verplichting om daarmee rekening te houden is vastgelegd in artikel 3.24.
Artikel 3.64 Weigeringsgrond De ontheffing wordt geweigerd indien door het stellen van voorschriften niet voldoende kan worden tegemoet gekomen aan het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd.
Artikel 3.65 Voorschriften verbonden aan ontheffing 1.
Aan een ontheffing worden de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt verleend.
2.
Met betrekking tot de ontheffing en de aan die ontheffing te verbinden voorschriften zijn de artikelen 2.22, eerste en vijfde lid, en tweede lid juncto artikel 2.14, eerste lid, onder a, onder 5°, van de Wet
65
Omgevingsverordening Zeeland 2018
algemene bepalingen omgevingsrecht en 5.5, eerste lid, 5.6, 5.7, tweede en vijfde lid, en 5.9 van het Besluit omgevingsrecht, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.66 Rechtsopvolging 1.
Een ontheffing geldt voor degene aan wie zij is verleend en voor zijn rechtsopvolgers, tenzij bij de ontheffing anders is bepaald.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt een ontheffing die betrekking heeft op de verwijdering van afvalstoffen slechts voor degene aan wie zij is verleend.
Artikel 3.67 Op aanvraag of ambtshalve wijzigen, intrekken of toevoegen voorschriften 1.
Op aanvraag van de houder van een ontheffing kan het bevoegd gezag voorschriften verbinden die aan de ontheffing zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog voorschriften aan de ontheffing verbinden.
2.
Het bevoegd gezag kan - anders dan op aanvraag van de houder- voorschriften die aan een ontheffing verbonden zijn, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog voorschriften aan een ontheffing verbinden in het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend.
Artikel 3.68 Op aanvraag of ambtshalve (geheel of gedeeltelijk) intrekken ontheffing 1.
Het bevoegd gezag kan een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken op aanvraag van de houder van de ontheffing, indien het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend, zich daartegen niet verzet.
2.
Het bevoegd gezag kan - anders dan op aanvraag van de houder - een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken indien: a.
het gebruik maken van de ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend, en toepassing van artikel 3.67 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt;
b.
gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de ontheffing;
c.
in gevallen dat artikel 3.66 tweede lid, van toepassing is of bij de ontheffing is bepaald dat zij niet geldt voor de rechtsopvolgers van degene aan wie zij is verleend: de houder van de ontheffing niet meer degene is die de gedraging waarvoor ontheffing is verleend, uitvoert.
Artikel 3.69 Weigeringsgrond, beperkingen en voorschriften bij wijzigen Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking op grond van artikel 3.67 of 3.68 zijn van overeenkomstige toepassing; artikel 1.3, derde lid, van de wet en de artikelen 3.63 tot en met 3.65.
Artikel 3.70 Procedure en inhoud aanvraag 1.
Op de voorbereiding van een ontheffing krachtens dit hoofdstuk is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij deze verordening anders bepaalt.
2.
Een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt in enkelvoud ingediend bij het bevoegd gezag.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
66
3.
Een aanvraag bevat in ieder geval: a.
een beschrijving van de gedraging waarvoor een ontheffing wordt verzocht, daaronder begrepen gegevens omtrent constructie, afmetingen en het gebruik van installaties of andere werken, alsmede de reden van de gedraging;
b.
een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de gedraging zal plaatsvinden;
c.
een opgave van de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van stoffen ten aanzien waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze van belang zijn voor de nadelige gevolgen voor het milieu die de gedraging kan veroorzaken, alsmede van de te verwachten emissies;
d.
een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om de nadelige gevolgen voor het milieu tegen te gaan.
Artikel 3.71 Betrokkenheid andere bestuursorganen 1.
Indien afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag om een ontheffing, stelt het bevoegd gezag: a.
burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden, in gevallen waarin zij niet het bevoegd gezag zijn, of
b.
gedeputeerden staten in gevallen waarin ontheffing wordt gevraagd voor een gedraging die plaats vindt of zal plaatsvinden in een gebied dat in artikel 3.18 of 3.33 is aangewezen en zij niet het bevoegd gezag zijn, in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het voornemen een beschikking te geven op grond van artikel 3.67 of 3.68.
AFDELING 3.7 VERGOEDING VAN KOSTEN EN SCHADE
Artikel 3.72 Werkingssfeer Deze afdeling is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van gedeputeerde staten ingevolge artikel 15.21 juncto artikel 15.20 en ingevolge artikel 15.22 van de wet met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van dit hoofdstuk, dan wel het verbinden van voorschriften.
Artikel 3.73 Inhoud aanvraag De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat tenminste de volgende gegevens: a.
de bepalingen van dit hoofdstuk door het van toepassing worden waarvan de verzoeker zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt;