991760 Bijlage 12 Omgevingsverordening Zeeland 2018
Tekst van het document
Artikel 2.6 Detailhandel 1.
In een bestemmingsplan worden nieuwe detailhandelsvoorzieningen, daaronder mede verstaan de uitbreiding van bestaande detailhandelsvoorzieningen, primair toegelaten in bestaande kernwinkelgebieden. In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin nieuwe detailhandelsvoorzieningen, met inbegrip van de uitbreiding van bestaande -voorzieningen, worden toegelaten wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het plan bijdraagt aan het beleidsdoel van bundeling en concentratie in bestaande kernwinkelgebieden.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de in bijlage B genoemde categorieën.
AFDELING 2.3 WONEN Artikel 2.7 Wonen In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie in het landelijk gebied wordt toegelaten wordt aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de in bijlage C bedoelde
Omgevingsverordening Zeeland 2018
24
voorwaarden. Nieuwe kleinschalige woningbouwlocaties in het landelijk gebied, die niet voldoen aan de in bijlage C bedoelde voorwaarden, worden in een bestemmingsplan niet toegelaten.
AFDELING 2.4 DUURZAME ENERGIE Artikel 2.8 Windenergie 1.
In een bestemmingsplan worden nieuwe windturbines, met een hogere tiphoogte dan 20 meter, toegelaten binnen de in bijlage 4 globaal aangegeven windenergie concentratielocaties. De toelichting bij een bestemmingsplan waarin windturbines overeenkomstig de eerste volzin worden toegelaten bevat een gebiedsafbakening waarbij, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, op kaart wordt aangegeven wat de begrenzing is van de windenergie concentratielocatie.
2.
Buiten de in bijlage 4 globaal aangegeven windenergie concentratielocaties wordt in een bestemmingsplan de vervanging van een, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, bestaande windturbine met een hogere tiphoogte dan 20 meter, door een turbine met een hogere tiphoogte dan de bestaande, niet toegelaten.
3.
In afwijking van het eerste lid kunnen nieuwe windturbines geconcentreerd worden toegelaten op gronden die zijn gelegen buiten de in bijlage 4 aangegeven windenergie concentratielocaties indien: a.
er sprake is van een ligging langs een grootschalige infrastructuurlijn of
b.
er sprake is van een ligging op of aangrenzend aan een grootschalig bedrijventerrein
In de toelichting bij het bestemmingsplan waarin nieuwe windturbines op concentratielocaties worden toegelaten buiten de in bijlage 4 aangegeven windenergie concentratielocaties wordt aannemelijk gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich niet tegen de nieuwe concentratielocatie verzetten en de windturbines zijn gesitueerd in een cluster of een lijnopstelling van ten minste 3 windturbines. Artikel 2.9 Zonne-energie 1.
In een bestemmingsplan wordt een opstelling voor zonne-energie uitsluitend toegelaten binnen bestaand stedelijk gebied
2.
In afwijking van het eerste lid kan een opstelling voor zonne-energie worden toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied: a.
aangrenzend aan bestaand stedelijk gebied indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan het aangrenzende bestaand stedelijk gebied
b.
op of aangrenzend aan een bouwvlak, mits de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan het aangrenzende bouwvlak
c.
op of aangrenzend aan een bedrijventerrein indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan het bedrijventerrein
d.
op of aangrenzend aan gronden waarop glastuinbouwbedrijven zijn toegelaten indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan de glastuinbouwbedrijven
e.
op of aangrenzend aan gronden die bestemd zijn voor infrastructuur, nutsvoorzieningen, stortplaats of een windenergie concentratielocatie
f.
op gronden die bestemd zijn voor water indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat er geen significant nadelige effecten zijn voor natuur, recreatie of visserij
25
Omgevingsverordening Zeeland 2018
In de toelichting bij het bestemmingsplan waarin een opstelling voor zonne-energie wordt toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied wordt aannemelijk gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten. 3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, een opstelling voor zonne-energie reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze gronden niet mag worden vergroot.
AFDELING 2.5 VERBLIJFSRECREATIE Artikel 2.10 Verblijfsrecreatie in de kustzone 1.
In een bestemmingsplan wordt een nieuw verblijfsrecreatieterrein of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein uitsluitend toegelaten in de in bijlage 5 aangewezen badplaatsen en met inachtneming van de overige bepalingen van deze verordening. In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage D onder 1 opgenomen uitgangspunten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, de nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet mag worden vergroot.
3.
In afwijking van het eerste lid is een nieuw verblijfsrecreatieterrein buiten de in bijlage 5 aangewezen badplaatsen toegelaten in de in bijlage 5, globaal aangegeven gebieden met de aanduiding 'aandachtsgebied' indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage D bij deze verordening onder 2 opgenomen uitgangspunten. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat een gebiedsafbakening waarbij, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, wordt onderbouwd dat de bestemming van het nieuwe verblijfsrecreatieterrein valt binnen het bedoelde aandachtsgebied of, gezien de situeringskenmerken, in voldoende mate daarop aansluit.
4.
Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op een nieuw verblijfsrecreatieterrein dat gerealiseerd wordt in de vorm van een nieuw landgoed en buitenplaats, zoals bedoeld in bijlage C bij artikel 2.7, onder 3.
5.
In afwijking van het eerste lid is uitbreiding van een bestaand verblijfsrecreatieterrein toegelaten buiten de in bijlage 5 aangegeven badplaatsen, met dien verstande dat a.
In de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage D onder 1 opgenomen uitgangspunten.
b.
Uitbreiding in de in bijlage 5 globaal aangegeven gebieden met de aanduiding Groene Zeeuwse Topkwaliteit en Beschermingsgebieden niet is toegelaten. Ingeval van uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een gebiedsafbakening waarbij, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, wordt onderbouwd dat de uitbreiding van het verblijfsrecreatieterrein, gezien de situeringskenmerken, niet wordt gerealiseerd binnen de bedoelde gebieden.
c.
In afwijking van het vijfde lid, onder b, is uitbreiding van een bestaand verblijfsrecreatieterrein toegelaten in de in bijlage 5 globaal aangegeven beschermingsgebieden indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de kenmerken en waarden van deze gebieden niet significant worden aangetast. De kenmerken en waarden van de beschermingsgebieden
Omgevingsverordening Zeeland 2018
26
zijn vermeld in Zeeuwse Kustvisie zoals deze luidt op de datum van vaststelling van deze verordening. d.
In afwijking van het vijfde lid onder b, is uitbreiding van een bestaand verblijfsrecreatieterrein toegelaten in de in bijlage 5 globaal aangegeven gebieden met de aanduiding Groene Zeeuwse Topkwaliteit indien deze gebieden tevens zijn aangeduid als aandachtsgebied. In de toelichting bij het bestemmingsplan dient aannemelijk te worden gemaakt dat de kenmerken en waarden van het gebied met de aanduiding Groene Zeeuwse Topkwaliteit niet significant worden aangetast. De kenmerken en waarden van de gebieden met de aanduiding Groene Zeeuwse Topkwaliteit zijn vermeld in de kustvisie zoals die luidt op de datum van vaststelling van deze verordening.
Artikel 2.11 Verblijfsrecreatie buiten de kustzone 1.
In een bestemmingsplan wordt een nieuw verblijfsrecreatieterrein of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein uitsluitend toegelaten in bestaand stedelijk gebied en met inachtneming van de overige bepalingen van deze verordening. In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage D onder 3 opgenomen uitgangspunten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, de nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet mag worden vergroot.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op een nieuw verblijfsrecreatieterrein dat gerealiseerd wordt in de vorm van een nieuw landgoed en buitenplaats, zoals bedoeld in bijlage C bij artikel 2.7, onder 3.
4.
In afwijking van het eerste lid is uitbreiding van een bestaand verblijfsrecreatieterrein toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied, met dien verstande dat in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage D onder 3 opgenomen uitgangspunten.
5.
In afwijking van het eerste lid kan een nieuw verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied indien in de toelichting op het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage D onder 4 opgenomen uitgangspunten.
Artikel 2.12 Strandzonering 1.
In een bestemmingsplan wordt in de in bijlage 5 aangegeven gebieden met de aanduiding Natuurstranden en Recreatiestranden nieuwvestiging en uitbreiding van recreatieve bebouwing niet toegelaten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, de nieuwvestiging of uitbreiding van recreatieve bebouwing reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet mag worden vergroot.
3.
In afwijking van het eerste lid is nieuwe recreatieve bebouwing toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat: a.
sprake is van het verplaatsen van bestaande recreatieve bebouwing van de in bijlage 5 aangegeven gebieden met de aanduiding Natuurstranden naar Recreatiestranden
b.
sprake is van het verplaatsen van bestaande recreatieve bebouwing binnen de in bijlage 5 aangegeven gebieden met de aanduiding Recreatiestranden
27
Omgevingsverordening Zeeland 2018
c.
sprake is van het verplaatsen van bestaande recreatieve bebouwing binnen de in bijlage 5 aangewezen gebieden met de aanduiding Natuurstranden, indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten en dit niet leidt tot een verminderde doorstuiving van zand.
4.
In afwijking van het eerste lid is uitbreiding van bestaande recreatieve bebouwing toegelaten, met dien verstande dat a.
in de in bijlage 5 aangegeven gebieden met de aanduiding Natuurstranden het oppervlak van een strandpaviljoen ten hoogste 600 m2 en van dagcabines ten hoogste 5 m2 bedraagt;
b.
in de in bijlage 5 aangeven gebieden met de aanduiding Recreatiestranden het oppervlak van een strandpaviljoen ten hoogste 1000 m2, van slaaphuisjes 40 m2 en van dagcabines 5 m2 bedraagt.
5.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a.
Reddingsbrigadegebouwen
b.
Bouwwerken van openbaar belang voor zover deze bouwwerken niet buiten de in het eerste lid bedoelde gebieden kunnen worden gebouwd. Tot deze bouwwerken behoren in ieder geval: 1.
Bouwwerken voor het beheer van natuur en hulpdiensten
2.
Bouwwerken ten behoeve van de waterstaatkundige functie
3.
Bouwwerken ten behoeve van telecommunicatievoorzieningen, opsporing, winning, opslag en transport van olie, gas en water, transport van elektriciteit en kleinschalige opwekking van elektriciteit door middel van windturbines.
Artikel 2.13 Centraal bedrijfsmatige exploitatie en verbod permanent wonen 1.
In een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan wel regels worden gegeven voor een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden regels gesteld ter voorkoming van permanente bewoning. Tevens worden regels gesteld waarmee wordt verzekerd dat standplaatsen of bouwwerken die bestemd zijn voor recreatief nachtverblijf worden verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie. Bedoelde regels worden tevens opgenomen in volgende herzieningen van het bestemmingsplan voor het verblijfsrecreatieterrein.
2.
Het bepaalde in het eerste lid omtrent het stellen van regels ter voorkoming van permanente bewoning is ook van toepassing op de herziening van een bestemmingsplan voor een bestaand verblijfsrecreatieterrein waarin reeds regels zijn opgenomen ter voorkoming van permanente bewoning en het bepaalde omtrent centrale bedrijfsmatige exploitatie is mede van toepassing op de herziening van een bestemmingsplan voor een bestaand verblijfsrecreatieterrein waarin reeds regels zijn opgenomen omtrent een centraal bedrijfsmatige exploitatie.
3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid omtrent het stellen van regels waarmee wordt verzekerd dat standplaatsen of bouwwerken die bestemd zijn voor recreatief nachtverblijf worden verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie is niet van toepassing wanneer in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat wordt voldaan aan de in bijlage E bedoelde voorwaarden.
4.
In de toelichting bij een bestemmingsplan voor een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein en in de toelichting bij daarop volgende planherzieningen wordt aannemelijk gemaakt dat duurzaam beheer en onderhoud van het terrein is geborgd.
Artikel 2.14 Kleinschalig kamperen
Omgevingsverordening Zeeland 2018
28
1.
In een bestemmingsplan waarin kleinschalige kampeerterreinen worden toegelaten of waarin voor deze terreinen regels worden gegeven worden zodanige regels gesteld dat op deze terreinen ten hoogste 25 kampeermiddelen zijn toegelaten, waarvan 20% met een maximum van 5 kampeermiddelen permanent zijn toegestaan.
2.
In afwijking van het eerste lid mag de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande situatie positief worden bestemd.
Artikel 2.15 Jachthavens en watersport 1.
In een bestemmingsplan worden nieuwe ligplaatsen in jachthavens toegelaten indien in de toelichting bij een bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat: a.
omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten en
b.
de sanering van ligplaatsen elders in de provincie Zeeland, met een gelijk aantal als de toename van het aantal ligplaatsen is gewaarborgd.
2.
Het eerste lid onder b is niet van toepassing voor het toelaten van nieuwe ligplaatsen in het transformatieproject Scheldekwartier in de gemeente Vlissingen, zoals opgenomen in de Ontwikkelingsvisie Scheldekwartier en vastgesteld door de gemeenteraad bij besluit van 22 december 2016.
AFDELING 2.6 AGRARISCH Artikel 2.16 Concentratie agrarische bebouwing 1.
In een bestemmingsplan worden nieuwe agrarische bouwwerken niet toegelaten buiten het in het plan, voor een agrarisch bedrijf, aangewezen bouwvlak.
2.
In afwijking van het eerste lid mogen in een bestemmingsplan worden toegelaten: a.
sleufsilo's en kuilvoerplaten aansluitend aan een bouwvlak;
b.
tijdelijke mestopslag op veldkavels;
c.
als onderdeel van een agrarisch bedrijf, teelt ondersteunende voorzieningen en bassins ten behoeve van aquacultuur.
3.
In afwijking van het eerste lid mag de, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, bestaande situatie, voor zover die niet in overeenstemming is met het bepaalde in het eerste lid, positief worden bestemd.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken ten aanzien waarvan in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat het kleinschalige bouwwerken betreft die noodzakelijk zijn ten behoeve van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering.
Artikel 2.17 Bufferzones 1.
In een bestemmingsplan waarin voor de eerste maal woon- of verblijfsrecreatieve bestemmingen worden aangewezen worden nieuwe woon- of verblijfsrecreatieve functies niet toegelaten binnen een afstand van 100 meter tot buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde gronden waarop agrarische gebouwen anders dan kassen zijn toegelaten.
29
Omgevingsverordening Zeeland 2018
2.
In een bestemmingsplan waarin voor de eerste maal op buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde gronden agrarische gebouwen, anders dan kassen, worden toegelaten worden deze gebouwen niet toegelaten binnen een afstand van 100 meter tot gronden waarop woon- of verblijfsrecreatieve functies zijn toegelaten.
3.
In afwijking van het eerste en het tweede lid kan een kleinere afstand worden gehanteerd indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat geen of nagenoeg geen hinder optreedt bij woon- of verblijfsrecreatieve functies en de kleinere afstand niet leidt tot onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van de betrokken agrarische bedrijven.
4.
In een bestemmingsplan waarin voor de eerste maal woon- of verblijfsrecreatieve bestemmingen worden aangewezen worden nieuwe woon- of verblijfsrecreatieve functies niet toegelaten binnen een afstand van 50 meter vanaf buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde kassen en, primair, vanaf daarvoor aangewezen bouwvlakken alsmede vanaf buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde gronden waarop fruitteelt is toegelaten.
5.
In een bestemmingsplan waarin voor de eerste maal op buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde gronden de nieuwbouw van kassen wordt toegelaten en in een bestemmingsplan waarin het gebruik voor fruitteelt wordt toegelaten op buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde gronden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet als zodanig in gebruik waren, worden deze functies niet toegelaten binnen een afstand van 50 meter tot gronden waarop woon- of verblijfsrecreatieve functies zijn toegelaten.
6.
In afwijking van het vierde en het vijfde lid kan een kleinere afstand worden gehanteerd indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat geen schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid zullen optreden en de kleinere afstand niet leidt tot onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van de betrokken agrarische bedrijven.
Artikel 2.18 Glastuinbouw 1.
In een bestemmingsplan wordt de nieuwvestiging of uitbreiding van glastuinbouwbedrijven niet toegelaten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, de nieuwvestiging of uitbreiding van glastuinbouwbedrijven reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet mag worden vergroot.
3.
In afwijking van het eerste lid kan de nieuwvestiging en uitbreiding van glastuinbouwbedrijven, tot een oppervlakte van ten hoogste 300 hectare worden toegelaten in het gebied in de gemeente Terneuzen met de aanduiding Glastuinbouw zoals vermeld in bijlage 6.
4.
In afwijking van het eerste lid kan de nieuwvestiging of uitbreiding van glastuinbouwbedrijven worden toegelaten in of aansluitend aan het in bijlage 7 aangegeven gebied met de aanduiding Glastuinbouw, bij Oosterland. De nieuwvestiging of uitbreiding is uitsluitend toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat: a.
sprake is van een beperkte ontwikkeling en
b.
inbreidingsruimte wordt benut voorafgaand aan of in plaats van het benutten van uitbreidingsruimte en
c. 5.
sprake is van landschappelijke afronding.
In afwijking van het eerste lid kan bij een bestaand agrarisch bedrijf, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf, een neventak glastuinbouw van ten hoogste 2000 m² worden toegelaten, indien in de toelichting
Omgevingsverordening Zeeland 2018
30
bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten. 6.
In afwijking van het eerste lid kan uitbreiding van een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaand solitair volwaardig glastuinbouwbedrijf worden toegelaten tot ten hoogste 2 hectare indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten. Een verdere uitbreiding van een bestaand solitair volwaardig glastuinbouwbedrijf tot ten hoogste 4 hectare kan worden toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten en de sanering van kassen elders in de provincie Zeeland, met een gelijke oppervlakte als de uitbreiding, voor zover deze meer bedraagt dan 2 hectare, is gewaarborgd.
7.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de begrenzing van de gebieden zoals aangegeven in bijlage 6 aan te passen indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat het om een ondergeschikte aanpassing gaat en dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten.
Artikel 2.19 Intensieve veehouderij 1.
In een bestemmingsplan wordt de nieuwvestiging van intensieve veehouderij, de omschakeling van een bestaand bedrijf naar intensieve veehouderij alsmede het toevoegen van een neventak intensieve veehouderij niet toegelaten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, de nieuwvestiging van, de omschakeling naar intensieve veehouderij of het toevoegen van een neventak reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet mag worden vergroot.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing indien sprake is van een knelgeval.
4.
Het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels in verband met de vestiging van knelgevallen is toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten en een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf.
5.
Het bedrijfsvloeroppervlak van een bestaande intensieve veehouderij met een bedrijfsvloeroppervlak kleiner dan 5000 m², die wordt aangemerkt als knelgeval, bedraagt ten hoogste 5000 m².
6.
Het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels in verband met de uitbreiding van een bestaande intensieve veehouderij tot ten hoogste 5000 m² bedrijfsvloeroppervlak is toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat het een uitbreiding betreft
7.
a.
waarmee een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf en
b.
die noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en
c.
waartegen omgevingskwaliteiten zich niet verzetten.
Het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels in verband met de uitbreiding van een bestaande intensieve veehouderij met een bedrijfsvloeroppervlak groter dan 5000 m² is toegelaten met ten hoogste 20% van het bestaande bedrijfsvloeroppervlak of tot een totaal bedrijfsvloeroppervlak van ten hoogste 8000 m2 indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat het een uitbreiding betreft
31
a.
waarmee een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf en
b.
de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en
c.
omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten
Omgevingsverordening Zeeland 2018
8.
Het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels in verband met de uitbreiding van een bestaande neventak intensieve veehouderij tot ten hoogste 2100 m² bedrijfsvloeroppervlak is toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten.
9.
Indien wettelijke eisen ten aanzien van dierenwelzijn een groter bedrijfsvloeroppervlak vergen is het bepaalde omtrent het bedrijfsvloeroppervlak in het vijfde tot en met het achtste lid niet van toepassing.
10. Indien het toepassen van het Beter Leven Keurmerk (1 ster) ten aanzien van dierenwelzijn een groter bedrijfsvloeroppervlak voor de pluimveehouderij vergt, is het bepaalde omtrent bedrijfsvloeroppervlak in het vijfde tot en met het zevende lid niet van toepassing. Deze regel is uitsluitend van toepassing indien en voorzover een bedrijf bij toepassing van genoemd keurmerk minder dieren zou mogen houden dan in de huidige planologisch vergunde situatie. Artikel 2.20 Agrarische onderzoeksbedrijven 1.
In een bestemmingsplan wordt de nieuwvestiging van agrarische onderzoeksbedrijven uitsluitend toegelaten op: a.
een bedrijventerrein of
b.
op gronden waarop, met inachtneming van de overige bepalingen van deze verordening, mede agrarische bedrijven of glastuinbouwbedrijven worden toegelaten.
2.
In een bestemmingsplan wordt de uitbreiding van bestaande agrarische onderzoeksbedrijven uitsluitend toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien, op het tijdstip van inwerkingtreding van de eerste wijziging van deze verordening de nieuwvestiging of uitbreiding van agrarische onderzoeksbedrijven, krachtens een bestemmingsplan, reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet mag worden vergroot.
AFDELING 2.7 LAWAAISPORTEN, GEMOTORISEERDE LUCHTSPORTEN EN LANDINGSPLAATSEN Artikel 2.21 Lawaaisporten, gemotoriseerde luchtsporten en landingsplaatsen 1.
In een bestemmingsplan worden terreinen, water daaronder mede verstaan, ten behoeve van de nieuwvestiging of uitbreiding van lawaaisporten, gemotoriseerde luchtsporten en landingsplaatsen voor parachutisten niet toegelaten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan de vestiging of uitbreiding van de in het eerste lid bedoelde sporten reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet mag worden vergroot.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van verplaatsing teneinde een betere concentratie of een beperking van geluidsoverlast te bereiken.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
32
4.
Het eerste lid is niet van toepassing voor het toelaten van een kartbaan in of aansluitend aan het concentratiegebied voor lawaaisporten bij de landelijke bebouwingsconcentratie Bath in de gemeente Reimerswaal.
5.
Het eerste lid is niet van toepassing op het toelaten van start- en landingsplaatsen voor modelvliegtuigen op gronden die op tenminste 500 meter zijn gelegen van de gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Zeeland, niet zijnde binnendijken zoals aangegeven in bijlage 9 en met inachtneming van de ingevolge artikel 2.26 vastgestelde begrenzing.
6.
Het eerste lid is niet van toepassing op evenementen.
AFDELING 2.8 WATERKERINGEN Artikel 2.22 Regionale waterkeringen 1.
In een bestemmingsplan wordt voor de in bijlage 8 aangegeven regionale waterkeringen primair de bestemming Waterstaat - waterkering aangewezen.
2.
Gedeputeerde staten zijn bevoegd de bijlage te wijzigen.
3.
In een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan wel regels worden gegeven voor een beschermingszone wordt een gebiedsaanduiding vrijwaringszone opgenomen.
4.
Met betrekking tot gronden waarop een regionale waterkering ligt of die een functie als beschermingszone hebben kan een bestemmingsplan worden vastgesteld dat een wijziging inhoudt ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering.
AFDELING 2.9 NATUUR EN LANDSCHAP Artikel 2.23 Bestaande natuur 1.
In een bestemmingsplan wordt voor de in bijlage 9 aangegeven gebieden met de aanduiding Bestaande natuur, primair de bestemming Natuur, Bos, Beschermde of Waardevolle dijk aangewezen.
2.
Bestaand gebruik en bestaande bebouwing mogen positief worden bestemd.
3.
In afwijking van het eerste lid worden binnendijken zoals aangegeven in bijlage 9 voor zover deze samenvallen met binnendijken, in bijlage 8 aangeduid als regionale waterkering, primair bestemd voor Waterstaat-waterkering en secundair voor Natuur, Bos, Beschermde- of Waardevolle dijk.
4.
De wezenlijke kenmerken en waarden van de in bijlage 9 aangegeven gebieden met de aanduiding Bestaande natuur zijn de huidige en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied. De natuurdoelen zijn vermeld in het Natuurbeheerplan Zeeland 2016 zoals dat luidt op de datum van vaststelling van deze verordening.
5.
In een bestemmingsplan worden geen bestemmingen aangewezen of regels gesteld die, ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, mogelijk maken dat de wezenlijke kenmerken of waarden van de in bijlage 9 aangegeven gebieden met de aanduiding Bestaande natuur per saldo significant worden aangetast. Ook mag de bestemming niet leiden tot een significante vermindering
33
Omgevingsverordening Zeeland 2018
van de oppervlakte van de gronden of tot een significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Zeeland. In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin, ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, nieuwe bebouwing of nieuwe vormen van grondgebruik worden toegelaten wordt aannemelijk gemaakt dat de in de vorige volzin bedoelde aantasting en vermindering zich niet voordoet. 6.
Het eerste en het vijfde lid zijn niet van toepassing op het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels waarbij: a.
sprake is van een groot openbaar belang en
b.
er geen reële andere mogelijkheden zijn en
c.
de negatieve effecten op de in het vierde lid bedoelde wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd volgens de in bijlage F beschreven voorwaarden.
7.
Tot een groot openbaar belang wordt in ieder geval gerekend de veiligheid, de drinkwatervoorziening, inrichtingen voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie of de plaatsing van installaties voor de opsporing, winning, opslag of het transport van olie en gas.
Artikel 2.24 Agrarisch gebied van ecologische betekenis 1.
In een bestemmingsplan wordt voor het in bijlage 10 aangegeven gebied met de aanduiding Agrarisch gebied van ecologische betekenis, naast de agrarische bestemming, tevens de ecologische waarde in de bestemmingsomschrijving tot uitdrukking gebracht.
2.
Bestaand gebruik en bestaande bebouwing mogen positief worden bestemd.
3.
De wezenlijke kenmerken en waarden van de in bijlage 10 aangegeven gebieden met de aanduiding Agrarisch gebied van ecologische betekenis zijn vermeld in het Natuurbeheerplan Zeeland 2016 zoals dat luidt op de datum van vaststelling van deze verordening.
4.
In een bestemmingsplan worden geen bestemmingen aangewezen of regels gesteld die, ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, mogelijk maken dat de wezenlijke kenmerken of waarden van de in bijlage 10 aangegeven gebieden met de aanduiding Agrarisch gebied van ecologische betekenis per saldo significant worden aangetast. Ook mag de bestemming niet leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte van de gronden of tot een significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Zeeland. In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin, ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, nieuwe bebouwing of nieuwe vormen van grondgebruik worden toegelaten wordt aannemelijk gemaakt dat de in de vorige volzin bedoelde aantasting en vermindering zich niet voordoet.
5.
In een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan wel regels worden gegeven voor de in het eerste lid bedoelde gebieden wordt de regel gesteld dat het zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders verboden is in het bestemmingsplan nader te omschrijven werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren die een nadelig effect kunnen hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte van de gronden of samenhang tussen gebieden. Daarbij wordt de regel gesteld dat de in de vorige volzin bedoelde omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend indien de wezenlijke kenmerken en waarden per saldo niet significant worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet worden verkleind.
6.
Het eerste, vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing op het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels waarbij:
Omgevingsverordening Zeeland 2018
34
a.
sprake is van een groot openbaar belang en
b.
er geen reële andere mogelijkheden zijn en
c.
de negatieve effecten op de in het derde lid bedoelde wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd volgens de in bijlage F beschreven voorwaarden.
7.
Tot een groot openbaar belang wordt in ieder geval gerekend de veiligheid, de drinkwatervoorziening, inrichtingen voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie of de plaatsing van installaties voor de opsporing, winning, opslag of het transport van olie en gas.
Artikel 2.25 Natuurontwikkelingsgebieden 1.
In de gebieden vermeld in bijlage 11 met de aanduiding Nieuwe natuur mogen het bestaand gebruik en de bestaande bebouwing positief worden bestemd.
2.
In een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan wel regels worden gegeven voor de in het eerste lid bedoelde gebieden worden geen nieuwe vormen van grondgebruik en wordt geen nieuwe bebouwing toegelaten.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op het toelaten van grondgebruik en bebouwing ten behoeve van natuurdoeleinden.
4.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken of tijdelijke vormen van grondgebruik zoals bedoeld in artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht zoals dat luidt op de datum van vaststelling van deze verordening.
Artikel 2.26 Wijziging begrenzing Natuurnetwerk Zeeland 1.
Gedeputeerde staten kunnen de begrenzing van de in bijlage 9 en 10 aangegeven gebieden en de aanduiding van wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden wijzigen ten behoeve van: a.
een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van het Natuurnetwerk Zeeland voor zover: 1.
de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang tussen gronden van het Natuurnetwerk Zeeland worden behouden en
2. b.
de oppervlakte van het Natuurnetwerk Zeeland ten minste gelijk blijft.
een kleinschalige ontwikkeling voor zover: 1.
de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden beperkt is en
2.
de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Zeeland of een vergroting van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Zeeland en
3.
de oppervlakte van het Natuurnetwerk Zeeland ten minste gelijk blijft.
4.
de voorgenomen wijziging zorgvuldig is onderbouwd waarbij, blijkend uit de bij het bestemmingsplan behorende toelichting, in ieder geval alternatieven zijn afgewogen.
c.
de in artikel 2.23 en 2.24, zesde lid onder c bedoelde mitigerende en compenserende maatregelen.
2.
Gedeputeerde staten kunnen de begrenzing van de in bijlage 11 aangegeven gebieden en de aanduiding van wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden wijzigen.
35
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Artikel 2.27 Afwegingszone natuurgebieden 1.
In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan wel regels worden gegeven voor gronden die zijn gelegen binnen 100 meter rond bestaande natuurgebieden, niet zijnde binnendijken, zoals aangegeven in bijlage 9, met inachtneming van een ingevolge artikel 2.26 vastgestelde wijziging van de begrenzing, wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop rekening is gehouden met de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurgebieden en wordt aannemelijk gemaakt dat geen onevenredige aantasting van de bedoelde kenmerken en waarden plaatsvindt.
2.
In een bestemmingsplan waarin een bevoegdheid tot afwijking van de regels door middel van een omgevingsvergunning wordt opgenomen, voor de in het eerste lid bedoelde gronden, wordt de regel gesteld dat de omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend indien geen onevenredige aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het binnen 100 meter afstand gelegen natuurgebied plaatsvindt.
Artikel 2.28 Landschap en erfgoed 1.
In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan wel regels worden gegeven voor landschappen, landschapselementen, cultuurhistorisch waardevolle boerderijen of cultuurhistorische elementen vermeld in bijlage G en aangegeven in bijlage 12 wordt inzicht gegeven in de landschappelijke respectievelijk cultuurhistorische waarden van de gronden, boerderijen of elementen.
2.
In een bestemmingsplan worden geen bestemmingen aangewezen of regels gesteld die, ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, mogelijk maken dat de in het eerste lid bedoelde landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de gronden of elementen significant worden aangetast. Ook mogen de bestemming en de regeling niet leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte van de gronden of tot een significante aantasting van de samenhang tussen de gronden of elementen. In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin, ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, nieuwe bebouwing of nieuwe vormen van grondgebruik worden toegelaten wordt aannemelijk gemaakt dat de in de vorige volzin bedoelde aantasting en vermindering zich niet voordoen.
3.
Het tweede lis is niet van toepassing op cultuurhistorisch waardevolle boerderijen zoals vermeld in bijlage G en aangegeven in bijlage 12.
4.
Het tweede lid is niet van toepassing op het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels waarbij: a.
sprake is van een groot openbaar belang en
b.
er geen reële andere mogelijkheden zijn en
c.
de negatieve effecten op de in het eerste lid bedoelde landschappelijke en cultuurhistorische waarden, oppervlakte en samenhang van de gronden of elementen zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd volgens de in bijlage F beschreven voorwaarden.
5.
Tot een groot openbaar belang wordt in ieder geval gerekend de veiligheid, de drinkwatervoorziening, inrichtingen voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie of de plaatsing van installaties voor de opsporing, winning, opslag of het transport van olie en gas.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
36
AFDELING 2.10 MOLENBIOTOOP Artikel 2.29 Molenbiotoop 1.
In de toelichting bij een bestemmingsplan wordt inzicht gegeven in de cultuurhistorische waarde van in of nabij het plangebied aanwezige traditionele windmolens.
2.
Een bestemmingsplan bevat regels tot behoud van windvang van de in of nabij het plangebied aanwezige traditionele windmolens. In ieder geval worden in een bestemmingsplan op zodanige wijze bestemmingen aangewezen dan wel regels gegeven dat binnen een straal van 100 meter gerekend vanaf het middelpunt van de traditionele windmolen geen nieuwe bebouwing en beplanting wordt toegelaten hoger dan het laagste punt van de verticaal staande wieken.
3.
Het bepaalde in het tweede lid, tweede volzin is niet van toepassing op: a.
bestaand gebruik en bestaande bebouwing;
b.
het toelaten van een bouwwerk dat, gezien vanuit de molen, aan de achterzijde van bestaande bebouwing wordt opgericht en waarbij de hoogte en de breedte blijft binnen de hoogte en de breedte van de bestaande bebouwing waarachter het bedoelde bouwwerk wordt opgericht.
c.
het toelaten van een bouwwerk dat strekt ter vervanging van bestaande bebouwing en dat al dan niet wordt gebouwd ten behoeve van een andere functie dan de functie van de bestaande bebouwing voor zover de bebouwingsmogelijkheden, krachtens het vigerende bestemmingsplan waarin de bestaande bebouwing is toegelaten, niet worden vergroot. In afwijking van de vorige volzin mogen meer bebouwingsmogelijkheden worden geboden indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat geen nadelige effecten zullen optreden voor de windvang en de cultuurhistorische waarde van de molen.
4.
In een bestemmingsplan worden voorts op zodanige wijze bestemmingen aangewezen dan wel regels gegeven dat binnen een straal van 400 meter gerekend vanuit het middelpunt van de traditionele windmolen een zekere mate van vrije windvang is gewaarborgd.
AFDELING 2.11 SLOTBEPALINGEN Artikel 2.30 Ontheffing Gedeputeerde staten kunnen, op aanvraag van burgemeester en wethouders, ontheffing verlenen van één of meer krachtens artikel 4.1, eerste lid van de Wro gestelde regels voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 2.31 Termijn voor aanpassing bestemmingsplannen of beheersverordeningen
37
Omgevingsverordening Zeeland 2018
1.
Voor zover een bepaling in deze verordening verplicht tot aanpassing van een geldend bestemmingsplan, stelt het bevoegd gezag, in afwijking van de in artikel 4.1, tweede lid van de Wro genoemde termijn van een jaar, uiterlijk binnen 2 jaar na inwerkingtreding van de desbetreffende bepaling een bestemmingsplan vast met inachtneming van deze verordening.
2.
Het bepaalde in deze verordening ten aanzien van de toelichting bij een bestemmingsplan is niet van toepassing op bestemmingsplannen die in werking zijn getreden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
38
HOOFDSTUK 3 MILIEU AFDELING 3.1 ALGEMEEN Artikel 3.1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.
de wet: de Wet milieubeheer;
b.
de grondwateronttrekker: de houder van een inrichting als bedoeld in art. 15.34, tweede lid, van de wet;
c.
bestaand bedrijfsterrein: een bedrijfsterrein dat op 1 februari 1999 is toegelaten krachtens een bestemmingsplan, een uitwerkings- of wijzigingsplan of een vrijstellingsbesluit ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals deze gold tot 1 juli 2008.
AFDELING 3.2 ALGEMEEN PROVINCIAAL MILIEUBELEID § 3.2.1 Milieukwaliteitseisen (gereserveerd) § 3.2.2 instructies voor vergunningen voor inrichtingen (gereserveerd)
§ 3.2.3 Gebruik van gesloten stortplaatsen Artikel 3.2 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: a.
gesloten stortplaats: een stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de wet;
b.
nazorgvoorzieningen: de voorzieningen ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de wet;
c.
werk: een werk als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel 3.3 Verbodsbepalingen 1.
Het is verboden in, op, onder of over een plaats waar de in artikel 8.49 van de wet bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd: a.
werken te maken of te behouden;
b.
stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen;
c.
andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten indien die handelingen de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de wet, kunnen belemmeren, dan wel de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
39
Omgevingsverordening Zeeland 2018
a.
het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de wet;
b.
handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan.
Artikel 3.4 Ontheffing 1.
Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 3.3, eerste lid, gestelde verbod indien het belang dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet.
2.
Aan een ontheffing kunnen in ieder geval voorschriften worden verbonden die tot doel hebben: a.
de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;
b.
aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;
c.
te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.
Artikel 3.5 Inhoud aanvraag ontheffing 1.
De aanvraag voor de ontheffing, bedoeld in artikel 3.4, wordt in enkelvoud bij gedeputeerde staten ingediend.
2.
In afwijking van artikel 3.70, derde lid, worden in de aanvraag de volgende gegevens vermeld: a.
naam en adres van de aanvrager;
b.
het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats en van het gebied waarin nazorgvoorzieningen zijn gelegen;
c.
het adres, de kadastrale aanduiding en een kadastrale kaart, die uiterlijk drie maanden voor de aanvraag van de ontheffing door het kadaster is afgegeven, waarop het grondgebied van het voorgenomen gebruik als bedoeld onder b is aangegeven;
d.
de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied bedoeld onder c;
e.
een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik te kunnen realiseren;
f.
de maatregelen die worden getroffen om:1° de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; 2° aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; 3° anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren;
g.
de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder f. bedoelde maatregelen.
§ 3.2.4 overige algemene regels
§ 3.2.4.1 onderwater flora en fauna Artikel 3.6 Verbodsbepalingen Het is een ieder die zich langs, te, op of onder een oppervlaktewater bevindt verboden, zonder ontheffing van gedeputeerde staten: a.
waterplanten en wieren uit te steken, af te snijden of anderszins te verwijderen, voorhanden te hebben of te vervoeren;
Omgevingsverordening Zeeland 2018
40
b.
waterdieren nodeloos te verontrusten, te vangen, te doden, voorhanden te hebben of te vervoeren;
c.
voorwerpen bij zich te hebben die kennelijk tot doel hebben een onder a of b verboden handeling te verrichten;
d.
Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de in dit artikel genoemde verboden.
Artikel 3.7 Ontheffing De aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6 wordt in enkelvoud ingediend. § 3.2.4.2 industrieterreinen van regionaal belang
Artikel 3.8 Aanwijzing industrieterreinen van regionaal belang 1.
Als industrieterreinen van regionaal belang als bedoeld in artikel 163, tweede lid, van de Wet geluidhinder zijn aangewezen de volgende gezoneerde industrieterreinen:
Industrieterrein
Geluidszone
Vastgesteld bij
Besluitnum-
Geluidszone
Besluitnum-
GS besluit
mer
Vastgesteld bij:
mer Geluids-
KB besluit
zone vastgesteld bij: Bestemmingsplan
Arnestein
n.v.t.
n.v.t.
29 juni 1992
92.005653
n.v.t.
Vlissingen-
n.v.t.
n.v.t.
26 juli 1991
91.006723
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
14 september
90.019388
n.v.t.
58
n.v.t.
90.018025
n.v.t.
90.022947
n.v.t.
Oost Schelde / Buitenhaven
1990
Terneuzen-
12 augustus
west
1986
Oostelijke Ka-
n.v.t.
1979/95
1987 n.v.t.
naaloevers Sluiskil-oost
14 augustus 1990
n.v.t.
n.v.t.
Kanaaleiland Poel- en Ghel-
16 december
27 november 1990
6 januari 1987
145
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Axelse Vlakte
26 november
971170 7+8
n.v.t.
n.v.t.
25 september
II
1997
linckpolder
2.
1997, nr. 22a2
De aanwijzingen van de geluidszones, zoals aangegeven in het eerste lid, van deze bepaling blijven van kracht ook indien de geluidszone(s) zelf bij afzonderlijke besluit word(t)en gewijzigd.
§ 3.2.5 Ontgassen
41
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Artikel 3.9 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: a.
ADN: Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (Trb. 2001, 67);
b.
binnenschip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet;
c.
vaarweg: voor het openbaar verkeer met schepen openstaand water in de zin van artikel 1.01, onder D, onder 5°, van het Binnenvaartpolitiereglement;
d.
ladingtank: tank vast verbonden met een binnenschip waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd;
e.
restladingdamp: damp die na het lossen in de ladingtank achterblijft;
f.
stoffen: chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen;
g.
ontgassen: afvoeren van restladingdamp uit een ladingtank waarbij restladingdampen terechtkomen in de open lucht;
h.
schipper: persoon als bedoeld in artikel 1.2.1 van deel 1 van het ADN;
i.
vervoerder: de onderneming, bedoeld in 1.2.1 van deel 1 van het ADN.
j.
UN-nummer: een getal van vier cijfers dat een gevaarlijke stof identificeert tijdens het transport, zoals vastgelegd in de Recommendations on the Transport of Dangerous Goods van de Verenigde Naties.
Artikel 3.10 Verbod ontgassen 1.
Het is de vervoerder en de schipper verboden een ladingtank met restladingdampen van: a.
benzeen (UN 1114),
b.
ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN 1267),
c.
aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268),
d.
brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863),
e.
brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993), of
f.
koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295).
vanaf een binnenschip op een vaarweg te ontgassen. 2.
Door Gedeputeerde Staten kunnen andere stoffen dan genoemd in het eerste lid aanwijzen waarop het in dat lid bepaalde van overeenkomstige toepassing is, indien dit in het belang van de bescherming van het milieu is of deze stoffen gezondheidsschadelijke eigenschappen bevatten.
Artikel 3.11 Minimumconcentratie restladingsdampen 1.
Van een restladingladingsdamp als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, is sprake bij een concentratie van die damp groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens.
2.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd het percentage, genoemd in het eerste lid, te verlagen.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
42
Artikel 3.12 Voorafgaande belading Het verbod, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, is niet van toepassing indien kan worden aangetoond dat de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als genoemd in artikel 3.10, eerste lid, of aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel, dan wel indien kan worden aangetoond dat de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan vermeld in artikel 3.10, eerste lid, of aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel.
Artikel 3.13 Veiligheidsredenen Het verbod, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, is niet van toepassing, wanneer het ontgassen plaatsvindt: 1.
om redenen van drukverevening die om redenen van veiligheid moet plaatsvinden;
2.
tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, indien het ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is.
Artikel 3.14 Vrijstelling Gedeputeerde staten kunnen vrijstelling verlenen van het verbod, gesteld in artikel 3.10, eerste lid, voor daarbij aan te geven categorieën van gevallen.
Artikel 3.15 Ontheffing Gedeputeerde staten kunnen met inachtneming van artikel 3.13 ontheffing verlenen van het verbod, gesteld in artikel 3.10, eerste lid.
Artikel 3.16 Nadere regels Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in dit hoofdstuk geregelde onderwerpen.
AFDELING 3.3 VOORKOMEN EN BEPERKEN VAN GELUIDHINDER § 3.3.1 Algemeen Artikel 3.17 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: 1.
Toestel en, motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
2.
Openbare weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, wordt verstaan onder het begrip wegen met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers of fietsers;
43
Omgevingsverordening Zeeland 2018
3.
Snelle motorboot: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Binnenvaartpolitiereglement artikel 1.01. onder A, onder 17°;
4.
Deltawateren: Westerschelde, Oosterschelde, Keeten, Mastgat, Zijpe, Krammer, Slaak, Zuidvlije, Krabbekreek, Markiezaatsmeer, Grevelingenmeer, Voordelta, Veerse Meer;
5.
Vuurwapen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder 3º, van de Wet wapens en munitie;
6.
Waterscooter: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Binnenvaartpolitiereglement artikel 1.01. onder A, onder 18°;
7.
Luchtkussenvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Besluit luchtkussenvoertuigen Wet geluidhinder.
8.
Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
9.
Motorschip: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Binnenvaartpolitiereglement artikel 1.01. onder A, onder 2°;
10. Niet structurele activiteiten: activiteiten die maximaal 12 maanden duren, al dan niet verdeeld in meerdere kort durende perioden die zich over meerdere jaren kunnen uitstrekken, maar waarbij de totale tijdsduur van deze activiteiten het totaal van 12 maanden niet overschrijdt. 11. Referentieniveau van het omgevingsgeluid: de hoogste waarde van de volgende geluidsniveaus in de dag-, avond en/of nachtperiode: a. Het L95 van het omgevingsgeluid exclusief de bijdrage van de zogenaamde "niet-omgevingseigen bronnen". b. Het optredende equivalente geluidsniveau in dB(A), veroorzaakt door zoneringsplichtige wegverkeersbronnen, minus 10 dB. Voor de nachtelijke periode worden alleen wegverkeersbronnen in rekening gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende de nachtperiode. Artikel 3.18 Aanwijzing milieubeschermingsgebieden 1.
De gebieden waarvoor regels gelden ter voorkoming of beperking van geluidshinder worden als zodanig aangewezen op de bij deze verordening behorende kaarten genoemd in bijlage 13 en 14.
2.
Gedeputeerde staten kunnen een op de kaart aangegeven grens nader bepalen.
3.
Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat de in het eerste lid aangewezen gebieden als zodanig goed zichtbaar zijn aangeduid door middel van borden, waarvan het model wordt vastgesteld door gedeputeerde staten.
4.
De in het derde lid bedoelde borden worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die tot het gebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van dat gebied.
Artikel 3.19 Zorgplicht 1.
Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een gebied dat in artikel 3.18 is aangewezen, geluid wordt voortgebracht in zodanige mate dat de heersende natuurlijke rust in dat gebied kennelijk is of wordt verstoord, is verplicht dergelijk handelen achterweg te latenbehoudens voor zover dat ingevolge deze verordening nadrukkelijk is toegestaan- dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade zich voordoet, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
44
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a.
handelingen verricht in inrichtingen waarvoor het in artikel 2.1, eerste lid, aanhef onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gestelde verbod geldt;
b.
de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoel in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin van de wet;
c.
voor zover artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1 van de wet, of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is.
Artikel 3.20 Toepassingsbereik In een gebied dat in artikel 3.18 is aangewezen, gelden de in de paragrafen 3.3.2 tot en met 3.3.6 omschreven regels. § 3.3.2 Verbodsbepalingen Artikel 3.21 Verbodsbepalingen 1.
Het is verboden zonder noodzaak geluid voort te brengen, te doen of te laten voortbrengen in zodanige mate dat de heersende natuurlijke rust kennelijk is of wordt verstoord.
2.
Het is verboden de volgende activiteiten te ontplooien en/of toestellen te gebruiken: a.
omroepinstallaties, sirenes, hoorns en andere vergelijkbare toestellen, bestemd voor het versterken of voortbrengen van geluid;
b.
modelvliegtuigen, modelboten, en modelauto's aangedreven door verbrandingsmotoren;
c.
muziekinstrumenten en ander daarmee vergelijkbare geluidsapparaten, al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker;
d.
waterscooters;
e.
luchtkussenvoertuigen;
f.
vuurwapens;
g.
een airgun en andere knalapparatuur;
h.
een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken bij seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen
i.
Vuurwerk te gebruiken en of te ontsteken;
j.
zich met een motorvoertuig of bromfiets met in bedrijf zijnde verbrandingsmotor te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen;
3.
k.
een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen.
l.
op andere wateren dan Deltawateren met een motorschip sneller te varen dan 6 km per uur.
Gedeputeerde staten kunnen andere toestellen aanwijzen waarvoor het in het tweede lid gestelde verbod geldt.
4.
Bij de aanwijzing genoemd in het derde lid kan worden bepaald, dat deze slechts gedurende een bepaalde periode, voor een bepaald gebied of voor een bepaald gebruik van een toestel van kracht is.
§ 3.3.3 Vrijstellingen
45
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Artikel 3.22 Vrijstellingen De in de bepalingen 3.21, tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover zij betrekking hebben op een activiteit of toestel dat wordt gebruikt: a.
voor de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij;
b.
voor de grondwateronttrekking in een gebied dat in bijlage 14 is aangewezen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, voor zover dat gebruik redelijkerwijs noodzakelijk is voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie;
c.
ten behoeve van de algemene/openbare orde en veiligheid, de afwending van dreigend gevaar, de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid; of de opsporing van een mens of dier in levensbedreigende omstandigheden en/of ten behoeve van het verlenen van spoedeisende medische hulp.
d.
het gebruik van een vuurwapen, indien dat wordt gebruikt 1.
door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie
2.
in geval van nood
3.
met inachtneming van het bij of krachtens de Wet natuurbescherming bepaalde;
e.
het gebruik van een gehandicaptenvoertuig voor het vervoer van een minder valide;
f.
een toertocht met elektrisch aangedreven motorrijtuigen;
g.
het varen met een elektrisch aangedreven vaartuig;
h.
het gebruik van vuurwerk indien dat: 1°. noodzakelijk is ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar; 2°. plaatsvindt ter gelegenheid van de jaarwisseling gedurende een bij het Vuurwerkbesluit aangewezen periode;
i.
beheer en schadebestrijding met knalapparatuur waarbij het aantal knallen maximaal 3 per uur is. Indien binnen 300 meter nog een knalapparaat in gebruik is, geldt voor deze apparaten gezamenlijk het maximum van 3 knallen per uur;
j.
een geluidsapparaat als bedoeld in artikel 3.21, tweede lid, onder c, dat wordt gebruikt binnen 50 meter van een woonhuis, mits niet hoorbaar op een afstand van meer dan 50 meter van het apparaat;
§ 3.3.4 Ontheffingen Artikel 3.23 Ontheffing 1.
Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de in artikel 3.21, eerste lid en tweede lid onder e, en de krachtens het derde lid gestelde verboden indien het belang van de heersende natuurlijke rust in dat gebied zich daartegen niet verzet.
2.
Gedeputeerde staten kunnen een ontheffing van de in artikel 3.21 vervatte verboden intrekken, indien het belang van de heersende natuurlijke rust in dat gebied dat vereist.