991760 Bijlage 12 Omgevingsverordening Zeeland 2018
Tekst van het document
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Omgevingsverordening Zeeland 2018 Datum:
17 april 2018
Auteur:
Provincie Zeeland
Versienummer: Ontwerp
Omgevingsverordening Zeeland 2018
2
Inhoudsopgave ALGEMENE TOELICHTING 1.
Algemeen
5 5
1.1
Ambitie en bestuursfilosofie van de Provincie Zeeland
5
1.2
Status van de Omgevingsverordening
6
1.3
Digitale vastlegging
7
1.4
Rechtsbescherming
7
1.5
Opbouw van de Omgevingsverordening
7
1.6
Omgevingswet
8
Hoofdstuksgewijs
9
2. 2.1
Ruimte
9
2.2
Milieu
14
2.3
Water
14
2.4
Wegen en vaarwegen
16
2.5
Natuur
16
2.6
Distelbeheer
16
2.7
Landschapsbescherming
16
2.8
Ontgrondingen
16
2.9
Toezicht en strafbepaling
17
2.10
Overgangs- en slotbepalingen
REGELS
17
18
HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN
18
HOOFDSTUK 2 RUIMTE
19
AFDELING 2.1 ALGEMEEN
19
AFDELING 2.2 BEDRIJVEN
23
AFDELING 2.3 WONEN
24
AFDELING 2.4 DUURZAME ENERGIE
25
AFDELING 2.5 VERBLIJFSRECREATIE
26
AFDELING 2.6 AGRARISCH
29
AFDELING 2.7 LAWAAISPORTEN, GEMOTORISEERDE LUCHTSPORTEN EN
3
LANDINGSPLAATSEN
32
AFDELING 2.8 WATERKERINGEN
33
AFDELING 2.9 NATUUR EN LANDSCHAP
33
AFDELING 2.10 MOLENBIOTOOP
37
AFDELING 2.11 SLOTBEPALINGEN
37
HOOFDSTUK 3 MILIEU
39
AFDELING 3.1 ALGEMEEN
39
AFDELING 3.2 ALGEMEEN PROVINCIAAL MILIEUBELEID
39
AFDELING 3.3 VOORKOMEN EN BEPERKEN VAN GELUIDHINDER
43
AFDELING 3.4 GRONDWATERBESCHERMING MET HET OOG OP DE WATERWINNING
49
AFDELING 3.5 BODEMSANERING
59
AFDELING 3.6 ONTHEFFINGEN
65
AFDELING 3.7 VERGOEDING VAN KOSTEN EN SCHADE
67
HOOFDSTUK 4 WATER
70
Omgevingsverordening Zeeland 2018
AFDELING 4.1 ALGEMENE BEPALINGEN
70
AFDELING 4.2 OPPERVLAKTEWATER
70
AFDELING 4.3 GRONDWATER
72
AFDELING 4.4 WATERVEILIGHEID
73
AFDELING 4.5 INFORMATIE EN OVERLEG
73
HOOFDSTUK 5 WEGEN EN VAARWEGEN
74
AFDELING 5.1 ALGEMEEN
74
AFDELING 5.2 WEGEN
75
AFDELING 5.3 VAARWEGEN
80
HOOFDSTUK 6 NATUUR
86
AFDELING 6.1 BEGRIPSBEPALINGEN
86
AFDELING 6.2 VRIJSTELLING BEWEIDEN EN BEMESTEN
86
AFDELING 6.3 FAUNABEHEEREENHEDEN
87
AFDELING 6.4 FAUNABEHEERPLANNEN
88
AFDELING 6.5 WILDBEHEEREENHEDEN
90
AFDELING 6.6 VRIJSTELLING SOORTEN
91
AFDELING 6.7 TEGEMOETKOMINGEN FAUNASCHADE
93
AFDELING 6.8 HOUTOPSTANDEN
94
AFDELING 6.9 BIJZONDERE SITUATIES
95
AFDELING 6.10 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
96
HOOFDSTUK 7 DISTELBEHEER
97
HOOFDSTUK 8 LANDSCHAPSBESCHERMING
98
AFDELING 8.1 BEGRIPSBEPALINGEN
98
AFDELING 8.2 ALGEMENE BEPALINGEN
98
AFDELING 8.3 VRIJSTELLINGEN
99
AFDELING 8.4 BIJZONDERE SITUATIES
103
HOODSTUK 9 ONTGRONDINGEN
104
HOOFDSTUK 10 TOEZICHT EN STRAFBEPALING
106
HOOFDSTUK 11 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
107
AFDELING 11.1 OVERGANGSRECHT
107
AFDELING 11.2 SLOTBEPALINGEN
111
BIJLAGEN BIJ REGELS
112
Kaartbijlagen
113
Overige bijlagen
114
TOELICHTING OP REGELS
146
Colofon
253
Omgevingsverordening Zeeland 2018
4
ALGEMENE TOELICHTING 1.
Algemeen
1.1 Ambitie en bestuursfilosofie van de Provincie Zeeland Ambitie De provincie Zeeland heeft het Omgevingsplan Zeeland 2018 (hierna Omgevingsplan) vastgesteld als opvolger van het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018. In de geest van de nieuwe Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding 1 januari 2021) is het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd en daar waar nodig geactualiseerd in dit integrale Omgevingsplan. Het Omgevingsplan omvat onderstaande (wettelijke) plannen:
Omgevingsplan Zeeland (structuurvisie Wro, Millieubeleidsplan en Waterplan)
Natuurvisie
Mobiliteitsvisie
Kustvisie
Economische agenda
Cultuurnota
Zolang de nieuwe Omgevingswet nog niet in werking is, moet de Provincie zich houden aan de huidige wetgeving. Met het vaststellen van de opvolger van het Omgevingsplan 2012-2018 is getracht om, daar waar mogelijk, rekening te houden met de komende Omgevingswet. Dit zijn eerste bescheiden stappen in een omvangrijker traject richting de Omgevingswet:
Alle provinciale beleidsvisies over de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd en krijgen de titel Omgevingsplan Zeeland 2018
In het plan zijn doelen en ambities voor de lange termijn opgenomen
Het plan is minder gedetailleerd dan de huidige beleidsplannen en uitvoeringsacties zullen in aparte programma's worden ondergebracht
In het plan en daaruit volgende Omgevingsverordening is meer flexibiliteit ingebouwd.
Parallel aan het opstellen van het Omgevingsplan wordt met medeoverheden en andere externe partijen een structuur opgezet om in 2021 geheel te kunnen werken volgens de uitgangspunten en systematiek van de Omgevingswet. Daarbij zal ook duidelijk worden hoe een provinciale Omgevingsvisie onder de Omgevingswet er uit kan gaan zien. Bestuursfilosofie De Provincie heeft verschillende rollen binnen samenwerkend Zeeland waarmee zij haar ambities uit het Omgevingsplan realiseert. Voor zover dat past in het wettelijk kader gaat de Provincie uit van de filosofie uit de Omgevingswet, namelijk het denken van 'nee, tenzij' naar 'ja, mits' en het hanteren van loslaten en vertrouwen. Daar passen vier rollen bij:
De Provincie als normsteller
Gebiedsgerichte regisseursrol en kwaliteitsbewaker. De ondernemende Provincie.
Stimulerende rol, de Katalysator van processen. De verbindende Provincie.
Kennismakelaar en vindingrijke partner. De inspirerende Provincie.
5
Omgevingsverordening Zeeland 2018
In het kader van de normerende rol zetten we de Omgevingsverordening in voor die onderwerpen waarvoor de Provincie eraan hecht dat doorwerking van het beleid van het Omgevingsplan juridisch geborgd is. Er wordt niet meer geregeld dan nodig is voor het belang zoals dat in het Omgevingsplan is verwoord. De Omgevingsverordening voorziet ten opzichte van het Omgevingsplan dus niet in nieuw beleid. Ook regelen we niet meer dan noodzakelijk is. De inzet van de verordening beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of noodzakelijk is om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Dubbelingen met andere regelgeving vermijden we. Wat elders geregeld is, bijvoorbeeld in sectorale wet- en regelgeving, wordt niet nog eens geregeld in deze verordening om extra regeldruk te voorkomen. Het uitgangspunt 'decentraal wat kan, centraal wat moet' is toegepast bij de flexibiliteitsbepalingen in deze verordening. Waar mogelijk zijn afwijkmogelijkheden toegepast in plaats van ontheffingsbepalingen. Ook is zoveel mogelijk gekozen voor positief geformuleerde voorwaarden. In enkele gevallen was het niet goed mogelijk om een bepaling te formuleren als een 'ja, mits-constructie' en is een bepaling voor de benodigde juridische helderheid toch geformuleerd als een 'nee, tenzij-constructie'.
Om te voorkomen dat procedures nodeloos ingewikkeld worden, is afgezien van de mogelijkheid om rechtstreeks werkende bepalingen op te nemen. Artikel 4.1 lid 3 van de Wet ruimtelijke ordening biedt die mogelijkheid in de vorm van regels die moeten voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening in werking is getreden die is aangepast op de inhoud van deze verordening. Er is dus geen sprake van rechtstreeks werkende bepalingen waaraan bouwaanvragen getoetst zouden moeten worden zolang bestemmingsplannen niet zijn aangepast. 1.2 Status van de Omgevingsverordening De Omgevingsverordening richt zich – net zo breed als het Omgevingsplan – op de fysieke leefomgeving in de Provincie Zeeland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, maar ook op het gebied van mobiliteit, milieu, natuur, water en bodem. De Omgevingsverordening Zeeland 2018 heeft de status van:
Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1. Wet ruimtelijke ordening
Milieuverordening in de zin van artikel 1.2 Wet milieubeheer
Waterverordening in de zin van artikel 2.4 van de Waterwet en artikel 2 Scheepvaartsverkeerwet
Wegenverordening in de zin van artikel 57 van de Wegenwet en artikel 2A van de Wegenverkeerswet 1994
Verordening Wet natuurbescherming Zeeland in de zin van de Wet natuurbescherming
Distelverordening in de zin van artikel 145 en 150 Provinciewet
Landschapsverordening in de zin van artikel 145 Provinciewet
Ontgrondingenverordening in de zin van artikel 5, lid 2 en artikel 7, lid 2 Ontgrondingenwet
Omgevingsverordening Zeeland 2018
6
1.3 Digitale vastlegging Ingevolge artikel 1.2.1. Besluit ruimtelijke ordening dient de verordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening langs elektronische weg beschikbaar te worden gesteld. Dit dient te geschieden volgens een bepaalde standaardmethode. Er is voor gekozen de gehele verordening digitaal beschikbaar te maken. 1.4 Rechtsbescherming De Omgevingsverordening Zeeland bevat algemene regels. Tegen het besluit tot vaststelling van algemene regels staan geen bezwaar- en beroepsmogelijkheden open bij de bestuursrechter. Wel kunnen belanghebbenden in procedures tegen bijvoorbeeld bestemmingsplannen, de onverbindendheid van de Omgevingsverordening inroepen. De Omgevingsverordening voorziet in de mogelijkheid om ontheffingen te verlenen. Wanneer een ontheffing is verleend of geweigerd, kan hiertegen door belanghebbenden bezwaar en beroep worden ingesteld. De procedure daarvoor is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in andere specifieke wetgeving die aan de Omgevingsverordening ten grondslag ligt. Bewoners van Zeeland worden bij elke wijziging van het Omgevingsplan en de Omgevingsverordening betrokken, in ieder geval volgens de openbare voorbereidingsprocedure.
1.5 Opbouw van de Omgevingsverordening Hoewel de Omgevingsverordening beoogt verschillende regelgeving te integreren is voor wat betreft indeling besloten om een thematische onderverdeling te maken. Dit leidt er toe dat de Omgevingsverordening onderverdeeld is in de navolgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Algemeen. In dit hoofdstuk staan enkele bepalingen die op het totaal van de Omgevingsverordening van toepassing zijn. Hoofdstuk 2 Ruimte. In dit hoofdstuk is de ruimtelijke verordening te vinden die zich richt tot gemeenteraden en instructies bevat over de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen. Hiermee wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wro biedt in artikel 4.1. Hier wordt nog eens expliciet vermeld dat de ruimtelijke verordening geen direct werkende bepalingen bevat. Verder wordt ter voorkoming van misverstanden duidelijk gemaakt dat de instructies in hoofdstuk 2 niet alleen gelden voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen, uitvoeringsbesluiten en 'kruimelgevallen'. Hoofdstuk 3 Milieu In dit hoofdstuk is de milieuverordening te vinden die zich richt tot gemeenten burgers, bedrijven en instellingen. Met dit onderdeel wordt invulling gegeven aan verplichtingen op grond van de Wet milieubeheer.
In dit hoofdstuk zijn onder andere regels opgenomen met betrekking tot gesloten stortplaatsen, onderwater flora en fauna, varend ontgassen, het voorkoming en beperking van geluidhinder, grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning en bodemsanering.
7
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Hoofdstuk 4 Water betreft de Waterverordening. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die zich vooral richten tot waterschappen en inrichtingen. Met dit onderdeel wordt voldaan aan de verplichtingen van de Waterwet. Hoofdstuk 4 is gebaseerd op de IPO-modelverordening en richt zich met name tot waterschappen. Hoofdstuk 5 Wegen en vaarwegen heeft betrekking op de aansluiting op en het gebruik van provinciale (vaar)wegen en is gericht op gebruikers van (vaar) wegen en aanwonenden. Hoofdstuk 6 Natuur geeft invulling van bevoegdheden die de Provincie heeft op het gebied van natuurbescherming Hoofdstuk 7 Distelbeheer richt zich vooral op gebruikers, eigenaren, of andere zakelijk gerechtigden van landbouwgronden en een strook van 30 meter daaraan grenzend. Hoofdstuk 8 Landschapsbescherming richt zich tot gemeenten, burgers, bedrijven en instellingen en bevat verboden voor het plaatsen van borden, vlaggen en andere (reclame)uitingen om het Zeeuwse landschap te beschermen. Hoofdstuk 9 Ontgrondingen richt zich tot een ieder die de bodem gaat afgraven en verlagen en bevat vrijstellingsbepalingen en procedurele bepalingen. Overige hoofdstukken De overige hoofdstukken bevatten procedurele bepalingen en inwerkingtredingsbepalingen. Hoofstuk 10 gaat over toezicht en strafbepaling. In hoofdstuk 11 staan overgangs- en slotbepalingen.
1.6 Omgevingswet Het Rijk werkt aan een fundamentele herziening van het omgevingsrecht. Het omgevingsrecht moet inzichtelijker en voorspelbaarder worden en het gebruiksgemak van iedereen vergroten. Ook moet er meer ruimte komen voor initiatieven van onderop. De Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking treedt, integreert zo’n 26 wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving. Hieronder vallen onderwerpen als bouwen, milieu, waterbeheer, ruimtelijke ordening, monumentenzorg en natuur. Met de Omgevingswet wil het Rijk het wettelijk systeem ‘eenvoudig beter’ maken. Het Omgevingsplan van Zeeland biedt in de geest van de Omgevingswet al een integraal beleidskader voor alle aspecten van het fysieke domein die van provinciaal belang zijn. Omdat de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten vooralsnog niet in werking treden, is deze Omgevingsverordening nog gebaseerd op de nu geldende wet- en regelgeving. Wanneer de Omgevingswet en bijbehorende uitvoeringsbesluiten in werking treden, zal deze Omgevingsverordening daarop worden aangepast.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
8
2.
Hoofdstuksgewijs
2.1
Ruimte
Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. De Wro biedt het wettelijk kader en de wettelijke instrumenten voor het (uit)voeren van ruimtelijk beleid. De wet heeft een instrumenteel karakter en doet geen beleidsinhoudelijke uitspraken over wat een goede ruimtelijke ordening is. De grondslag voor het opstellen van de verordening is gelegen in artikel 4.1 van de Wro. Een grondgedachte achter de verordening is dat de provincie bij het vaststellen van strategisch beleid (zoals het Omgevingsplan) steeds moet afwegen welke onderdelen van het voorgestane beleid zo belangrijk zijn dat deze in acht genomen moeten worden bij ruimtelijke besluiten van gemeenten. (Het gebruik van dit instrument is met name aangewezen als de gemeentelijke beleidsruimte voor de vaststelling van de inhoud of de inrichting van bestemmingsplannen, al dan niet voorwaardelijk, naar het oordeel van het Rijk of de Provincie moet worden genormeerd of ingeperkt.; Mvt, TK, 2002-2003, 28916, nr. 3, p. 42). Provinciale regels worden in dit geval gesteld vanuit provinciale ruimtelijke belangen. De verordening is een middel om provinciaal beleid te verwezenlijken. Als het provinciaal bestuur een verordening vaststelt (het rijk heeft overigens een vergelijkbare bevoegdheid tot het vaststellen van algemene regels) wordt daarmee de beslissingsruimte van gemeenten ingekaderd.
Dit is de kern van de regels zoals bedoeld in art. 4.1 Wro. Gemeenten hebben de plicht bestemmingsplannen vast te stellen voor het eigen gemeentelijk grondgebied dat per definitie ook steeds tevens provinciaal grondgebied is. Vanuit die optiek is het ook noodzakelijk dat provinciale regelgeving in gemeentelijke plannen doorwerkt. De verordening richt zich dan ook primair tot de gemeentelijke bestuursorganen. De verordening raakt immers de inhoud van bestemmingsplannen, omgevingsvergunningen, projectuitvoeringsbesluiten (en zo nodig ook de toelichting of de onderbouwing van genoemde besluiten) alsmede van beheersverordeningen. Voor de burger heeft deze systematiek als voordeel dat er eenheid ontstaat in ruimtelijk relevante regelgeving: regels van rijk en provincie werken door in gemeentelijke plannen en besluiten (die het dichtst bij de burger staan). Voor de gemeenteraad ontstaat de plicht binnen, in beginsel, een jaar na inwerkingtreding van de verordening, een bestemmingsplan of een beheersverordening vast te stellen met inachtneming van de verordening. Bij de verordening kan, ingevolge het bepaalde in artikel 4.1, tweede lid Wro een andere termijn worden gesteld (voor het opstellen van een nieuw bestemmingsplan of aanpassing van geldende bestemmingsplannen aan de inhoud van de verordening).
Hoewel niet in de bepalingen van de Wro voorzien lijkt een redelijke uitleg van art. 4.1, tweede lid Wro te zijn dat bestemmingsplannen, die op het moment van inwerkingtreding van de verordening reeds voldoen aan het bepaalde in de verordening of in de verordening gestelde normen niet overschrijden, niet behoeven te worden aangepast. Ook in de rechtswetenschappelijke literatuur wordt aangenomen dat het overbodig is en daarmee in strijd met het doel van de wet dat gemeenteraden bestemmingsplannen moeten vaststellen die niet aangepast behoeven te worden. Een vraag in dit verband is ook in hoeverre, bij het stellen van algemene regels, aan gemeenten nog beleidsruimte kan worden geboden. Een keuze is in de verordening, ten aanzien van bepaalde thema’s, ‘maximale grenzen’ aan te geven die gemeenten niet mogen overschrijden. Bij de vertaling daarvan in het bestemmingsplan kan de gemeente de keuze maken of men, na afweging van lokale omstandigheden en
9
Omgevingsverordening Zeeland 2018
belangen, zover wil gaan als de verordening toelaat. Denkbaar is ook dat het gemeentebestuur geen gebruik maakt van ontwikkelingen die in de verordening, binnen bepaalde grenzen, zijn toegelaten. In dat geval wordt het bestemmingsplan op dat specifieke punt niet aangepast aan de verordening. Ook hier lijkt sprake van enige discrepantie met de uitdrukkelijke wetsbepaling van art. 4.1, tweede lid. Anderzijds is er een aanknopingspunt in de parlementaire stukken te vinden (zie Nota n.a.v. het verslag, TK 2004-2005, 28916, nr. 12, p.57: “Algemene regels en aanwijzingen kunnen aan de gemeente enige mate van beleidsvrijheid bieden bij de vertaling in het bestemmingsplan”). Wat deze verordening betreft geldt dan ook primair dat een bestemmingsplan, dat in de verordening aangegeven grenzen niet overschrijdt, niet behoeft te worden aangepast. In de verordening worden tevens ‘voorwaardelijke normen’ gesteld in die zin dat regels worden gesteld omtrent de toelichting bij een bestemmingsplan of de ruimtelijke onderbouwing bij een besluit. Zo mogen bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen eerst worden toegelaten indien de toelichting voldoet aan bepaalde motiveringseisen. De grondslag daarvoor is eveneens gelegen in art. 4.1, eerste lid van de Wro dat de mogelijkheid kent tot het stellen van regels omtrent de toelichting of de ruimtelijke onderbouwing.
Wat deze ‘voorwaardelijke normen’ betreft kan nog worden opgemerkt dat wanneer een ruimtelijke ontwikkeling slechts binnen zekere randvoorwaarden wordt toegelaten, al hetgeen niet aan die randvoorwaarden voldoet niet is toegelaten. In dat verband wordt tevens nog verwezen naar de hierboven weergegeven citaat uit de memorie van toelichting waaruit volgt dat rijk en provincie de beleidsruimte van gemeenten al dan niet voorwaardelijk kunnen normeren. Considerans Het waarom van de verordening In art. 4.1 Wro heeft de wetgever de bevoegdheid gegeven bij of krachtens provinciale verordening regels te stellen “indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken”. Dit betreft een motiveringsvereiste. Voor de motivering van de in de verordening geregelde onderwerpen wordt verwezen naar het Omgevingsplan Zeeland 2018. Voorts is in de artikelsgewijze toelichting aandacht besteed aan de motivering van de verschillende onderwerpen / beleidskeuzes die deel uitmaken van de verordening. In algemene zin wordt nog gewezen op het volgende. Bij de vaststelling van het Omgevingsplan is besloten een select aantal provinciale belangen (onderdelen uit het Omgevingsplan) te regelen in de verordening.
Het betreft een aantal concreet geformuleerde provinciale beleidsdoelen waarvoor, met het oog op het gewicht dat vanuit het provinciaal belang daaraan wordt toegekend en met het oog op een goede ruimtelijke ordening, regeling bij verordening noodzakelijk wordt geacht (en niet de inzet van lichtere instrumenten). Tevens wordt beoogd ten aanzien van de in de verordening geregelde onderwerpen een bepaalde mate van rechtszekerheid te bieden. Dit kan worden bereikt door in de verordening een norm te stellen of door het stellen van regels omtrent de toelichting of de ruimtelijke onderbouwing. Bij het stellen van regels omtrent de toelichting c.q. de onderbouwing wordt een zorgvuldige afweging nagestreefd voorafgaand aan het op gemeentelijk niveau toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling. Bedacht moet worden dat het niet gaat om extra regels of ‘overregulering’. De onderwerpen die in de verordening worden geregeld zijn reeds onderdeel van het Omgevingsplan. Het gaat om bekende beleidsthema’s. In veel gevallen is ook sprake van ‘bestendig beleid’ (dat reeds in eerdere provinciale plannen en/of in een verordening is neergelegd).
De normen die bij deze thema’s horen worden in de verordening, waar mogelijk, nog helderder en objectiever geformuleerd zodat het mogelijk is deze normen bij het opstellen van bestemmingsplannen over te nemen of het voorgeschreven afwegingskader in acht te nemen. Bij
Omgevingsverordening Zeeland 2018
10
het ‘vertalen’ van de beleidsdoelen uit het Omgevingsplan in de verordening is getracht zoveel mogelijk ‘beleidsneutraal’ te werken. Daarmee wordt bedoeld dat niet is beoogd beleidswijzigingen ten opzichte van het Omgevingsplan door te voeren. Naar zijn aard is een verordening echter een product van wetgeving waaraan, vanuit het rechtszekerheidsbeginsel, hoge eisen worden gesteld. Op onderdelen kent de verordening dan ook een meer exacte formulering en een verfijning van in het Omgevingsplan opgenomen beleidsteksten. Voor een juridisch sluitende regeling is het ook noodzakelijk een vrij uitgebreide lijst van definities (begripsbepalingen) op te nemen voor in de verordening gehanteerde begrippen. Deze lijst is opgenomen in artikel 2.1. Geen ‘overregulering’ Slechts een select aantal onderdelen uit het Omgevingsplan is geregeld in de verordening. Wat de regeling van het Natuur Netwerk Zeeland betreft is bovendien sprake van een wettelijke verplichting. Het gehele Omgevingsplan houdt zijn betekenis voor het provinciale ruimtelijke beleid. Van gemeenten wordt een loyale bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen van het plan, ook ten aanzien van die onderdelen van het plan die niet in de verordening zijn opgenomen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten.
Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan. Provinciale belangen De wetgever heeft bewust niet gekozen voor een duidelijke definitie van rijks-, provinciale of gemeentelijke belangen in de ruimtelijke ordening. Dit betekent dat een zekere mate van vrijheid bestaat voor het provinciaal bestuur om te beoordelen of de behartiging van een bepaald belang op provinciaal niveau dient plaats te vinden. De keuze voor behartiging van een bepaald belang zal uiteraard zorgvuldig dienen plaats te vinden en moet steeds worden gemotiveerd. In verband hiermee heeft, vooraf, overleg plaatsgevonden met de betrokken andere bestuursorganen en is bij de voorbereiding aan een ieder gelegenheid geboden opmerkingen naar voren te brengen. Bij de totstandkoming van de Wro (parlementaire behandeling van het wetsvoorstel) is de vraag naar het onderscheid in rijks-, provinciale en gemeentelijke belangen aan de orde gesteld. Hierna volgt een toelichtende tekst uit de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel (Wro) die inzicht geeft in de bedoeling van de wetgever.
“Het zijn politieke, sociaaleconomische en maatschappelijke opvattingen die op enig moment bepalen of de behartiging van een bepaalde waarde, een bepaald belang op het gemeentelijke, provinciale of rijksniveau dient te geschieden of op welk van die drie niveaus een maatschappelijke opgave het meest adequaat kan of moet worden aangepakt. Een belangrijk ordeningsbeginsel in de moderne rechtsstaat is dat maatschappelijke belangen in eerste instantie op het meest nabije niveau worden behartigd, totdat is vastgesteld dat een adequate belangenbehartiging op dat schaalniveau niet langer verantwoord is omdat de belangen het lokale niveau overstijgen en een effectieve en evenwichtige afweging van de betrokken openbare belangen alleen op een hoger bestuurlijk schaalniveau kan plaatsvinden. En dat beginsel geldt ook op het terrein van de ruimtelijke ordening. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is dit kernachtig verwoord met ‘decentraal, tenzij’. In de ruimtelijke bestuurstraditie, opgebouwd tijdens de afgelopen decennia, hebben de drie overheidsniveaus vanuit dit beginsel beleid gevoerd.
De vele streekplannen van de afgelopen decennia laten zien dat de provinciale besturen naar regio en tijd heel goed in staat zijn geweest om vanuit het algemene begrip ‘provinciaal belang’ aan te geven voor welke vraagstukken de afzonderlijke provincies zich verantwoordelijk achtten en, afhankelijk van ‘de gewichten’ in de planteksten, aan te geven welke beleidsinstrumenten zij inzetten ter behartiging of ter borging van de daarbij betrokken be-
11
Omgevingsverordening Zeeland 2018
langen. Daarbij kan het gaan om regionale bedrijfsterreinen, grote woningbouwlocaties, infrastructuur, natuur en landschappen of regionale milieuvoorzieningen, zoals stortplaatsen, vuilverbrandingsovens en rioolwaterzuiveringsinstallaties. Ik ga ervan uit dat provinciale staten onder vigeur van de nieuwe Wro op diezelfde lijn zullen doorgaan”. “Of een onderwerp van zorg door de provincie of het Rijk wordt opgepakt en of de Wro-bevoegdheden zullen worden ingezet, is volgens het wetsvoorstel in eerste en laatste instantie een besluit dat door het desbetreffende democratisch gekozen overheidsorgaan wordt vastgesteld of waarop dat orgaan een democratische controle uitoefent”. (Eerste Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 28916, C, pag. 3 en 4) Zoals hiervoor onder “het waarom van de verordening” reeds is aangegeven zijn de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld als van ‘provinciaal belang’ aangemerkt. Structuur van de verordening en werkingsgebied Wat de inhoud van de verordening betreft is, zoals hiervoor reeds aangegeven, de tekst van het Omgevingsplan leidend geweest. Bij het converteren van beleidstekst naar verordening moesten echter ook verschillende inhoudelijke en instrumentele keuzes worden gemaakt. In de verordening zijn onder meer de volgende structuurbepalende elementen te onderscheiden: a.
Bij bepaalde onderwerpen (zoals onderdelen van de regeling voor intensieve veehouderij) worden directe kwantitatieve normen gesteld: sommige ontwikkelingen (op bepaalde locaties) mogen niet worden toegelaten of worden begrensd in m² of hoogte in meters of aantal (kampeermiddelen);
b.
Voor bepaalde gebieden wordt een opdracht gegeven voor het aanwijzen van een (primaire) bestemming (waterstaatswerken / natuur);
c.
In veel gevallen worden kwalitatieve normen gesteld volgens een ‘ja, mits’-benadering. Bepaalde vormen van grondgebruik mogen worden toegelaten indien de plantoelichting voldoet aan bepaalde motiveringseisen, met als doel: ontwikkelen met kwaliteit.
d.
Bij het opstellen van het voorontwerp is in belangrijke mate het principe van ‘eerbiedigende werking’ gehanteerd voor gevestigde rechten en belangen. Bestaande rechten worden in belangrijke mate gerespecteerd. Dit betekent dat de verordening in de eerste plaats betekenis heeft voor nieuwe situaties.
In verschillende onderdelen van de verordening zijn combinaties te vinden van de onder a t/m d genoemde elementen. De verordening bevat regels zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 4.1 Wro. Vooralsnog is er geen noodzaak tot het stellen van regels zoals bedoeld in artikel 4.1, derde lid van de Wro (zogenaamde ‘bevriezende regels’). De verordening geldt voor het grondgebied van de provincie Zeeland. Ingevolge artikel 4.1 van de Wro kan worden bepaald dat een regel slechts geldt voor een gedeelte van het grondgebied van de provincie. Verschillende artikelen of onderdelen daarvan gelden slechts voor specifiek aangegeven gebieden. In artikel 1.2.5 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voorgeschreven dat de verordening een geometri-
Omgevingsverordening Zeeland 2018
12
sche plaatsbepaling bevat van het werkingsgebied. De kaarten bij de verordening bevatten deze plaatsbepaling. Voorts wordt de verordening langs elektronische weg vastgelegd overeenkomstig de daarvoor geldende regels (IMRO en STRI). Delegatie aan gedeputeerde staten (GS) Ingevolge het bepaalde in artikel 4.1 Wro kunnen bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld. Op grond hiervan kan in de verordening aan GS bevoegdheid worden gegeven tot nadere regeling. In de verordening wordt van deze mogelijkheid gebruik gemaakt bijvoorbeeld voor het aanpassen van de begrenzing van gebieden en het wijzigen van kaarten. Het betreft in deze gevallen een praktische regeling voor aanpassing, betrekking hebbend op een gebied van beperkte omvang. Per geval zal worden bezien welke voorbereidingsprocedure daarbij zal worden gevolgd. In ieder geval zal overleg met de gemeenten plaatsvinden. Voor belangrijke wijzigingen, die betrekking hebben op een groter gebied, zal de reguliere procedure voor herziening van de verordening worden doorlopen. Voorbereidingsprocedure Het ontwerp van de verordening is bekendgemaakt in de Staatscourant, de PZC en de huis-aan-huis bladen. Tevens is het ontwerp langs elektronische weg bekendgemaakt via plaatsing op de website ‘zeeland.nl’.
Vanaf 26 april t/m 20 juni 2018 is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijke opmerkingen over het ontwerp ter kennis van provinciale staten te brengen. Een overzicht van ingekomen opmerkingen en een reactie daarop is opgenomen in de antwoordnota die tezamen met de verordening is vastgesteld. Gevolgen voor gemeenten en lasten voor burgers, bedrijven en instellingen Een principe dat in de verordening in belangrijke mate wordt gehanteerd is de zogenaamde ‘eerbiedigende werking’ voor gevestigde belangen (rechtsposities). Dit betekent dat de verordening in de eerste plaats betekenis heeft voor nieuwe situaties en dat bestaande rechten worden gerespecteerd. In de verordening zijn geen ‘bevriezende regels’ opgenomen zoals bedoeld in artikel 4.1, derde lid Wro. Aan gemeenten wordt ook een ruime periode gegund voor aanpassing van bestemmingsplannen aan de verordening. Een schoksgewijze verandering van rechtsposities wordt niet beoogd. Voor enkele onderdelen is voorzien in overgangsrecht. Verder worden in diverse artikelen ‘maximale grenzen’ aangegeven. Het gemeentebestuur heeft hierbij de vrijheid een keuze te maken of men zover wil gaan als de verordening toelaat. Zoals hiervoor reeds is aangegeven geldt primair dat een bestemmingsplan dat in de verordening aangegeven grenzen niet overschrijdt, niet behoeft te worden aangepast.
De in artikel 2.30 opgenomen hardheidsclausule is tenslotte het sluitstuk waarmee, in bijzondere omstandigheden, een te rigide werking van de bepalingen van de verordening kan worden voorkomen. Daar waar vigerende bestemmingsplannen (nog) niet voldoen aan de bepalingen van de verordening is aanpassing van deze plannen noodzakelijk. Dit vloeit immers voort uit het bepaalde in artikel 4.1, tweede lid van de Wro. Aan de gemeenten wordt voor deze aanpassing een ruime termijn gegund. Verwezen wordt naar het bepaalde in artikel 2.31 van de verordening. Daarbij moet worden aangetekend dat diverse artikelen ook reeds onderdeel vormden van de provinciale ruimtelijke verordening Zeeland zoals vastgesteld op 29 juni 2010 en de Verordening Ruimte Provincie Zeeland, zoals vastgesteld op 28 september 2012. Ook bij die verordeningen gold de wettelijke plicht tot aanpassing van bestemmingsplannen. Uit het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de verordening niet leidt tot significante extra lasten voor de gemeentebesturen in Zeeland of voor burgers, bedrijven en instellingen.
13
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Doorwerking In het overleg over de voorbereiding van bestemmingsplannen en projectbesluiten dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening met provinciale diensten moet plaatsvinden, zal van provinciezijde aandacht worden besteed aan de vraag of het desbetreffende voorontwerp in strijd is met provinciaal beleid. Daarbij kan ook de vraag in beschouwing worden genomen of de plantoelichting of de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan gestelde motiveringseisen. Ingeval, naar het oordeel van de provincie, geen of onvoldoende rekening wordt gehouden met een vooroverlegreactie en vervolgens een ontwerpbestemmingsplan of ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd dat in strijd moet worden geacht met het provinciaal belang kunnen GS een zienswijze indienen met als doel dat het plan of het besluit alsnog in overeenstemming wordt gebracht met het provinciale beleid. Indien de gemeenteraad bij het vaststellen van het bestemmingsplan de zienswijze niet of niet volledig overneemt kunnen GS een reactieve aanwijzing geven of beroep instellen bij de bestuursrechter. Verder kunnen ook andere belanghebbenden zo nodig zienswijzen inbrengen en beroep instellen. In het uiterste geval kan de provincie zo nodig zelf een bestemmingsplan(herziening) vaststellen (inpassingsplan). 2.2
Milieu
Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) is het opstellen van een milieuverordening verplicht. De milieuverordening omvat in ieder geval:
Regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden (grondwaterbeschermingsgebieden) (artikel 1.2 Wm)
Regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden (stiltegebieden) (artikel 1.2 Wm)
2.3
Water
Wettelijk kader In de Waterwet (2009), het daarop gebaseerde Waterbesluit en de ministeriële waterregeling, zijn regels opgenomen over de taken en bevoegdheden van het Rijk, Provincies, waterschappen en gemeenten op het terrein van het waterbeheer. Daarnaast bevat de Waterschapswet regels met betrekking tot de taken van waterschappen als organisaties van functioneel bestuur en de relatie met Provincies. Waterschappen richten zich op het beheer van regionale wateren en hebben als taak de zorg voor het regionale watersysteem en de zuivering van afvalwater. Een en ander in samenhang met kaders die worden opgesteld door de algemene democratie. Waterschappen beschikken over een eigen belastinggebied om hun taken te bekostigen en over eigen bevoegdheden op het terrein van vergunningverlening en handhaving. Naast wettelijke regels zijn in het nationaal bestuursakkoord water uitgangspunten en afspraken opgenomen met het oog op doelmatig waterbeheer en de afstemming van taken van de overheden die zijn betrokken bij het waterbeheer. Het begrip watersysteem wordt in de Waterwet omschreven als een samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken (artikel 1.1). De Waterwet omschrijft als doel van deze wet (artikel 2.1):
voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met
Omgevingsverordening Zeeland 2018
14
bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en
de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
Doelstelling is het watersysteem ‘op orde te krijgen’ en duurzaam te beheren. De Waterwet geeft een aantal onderwerpen aan waarvoor Provincies bij verordening regels moeten vaststellen, in afstemming met het waterschap. Daaronder vallen het vaststellen van normen voor de afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale watersysteem (artikel 2.8), normen voor de regionale waterkeringen (artikel 2.4) en de aanwijzing van gebieden waarvoor het waterschap peilbesluiten moet vaststellen (artikel 5.2). De normen voor de primaire waterkeringen staan in de Waterwet (artikel 2.2 e.v.). Uit de Waterwet volgt dat de normen en doelstellingen voor de waterkwaliteit niet in de verordening worden gesteld (artikel 2.10). Doelen en maatregelen ingevolge de Europese Kaderrichtlijn Water worden neergelegd in plannen van Provincies en beheerplannen van waterschappen. Deze worden verwerkt in stroomgebiedbeheerplannen die worden vastgesteld door het Rijk (hoofdstuk 4 Waterbesluit). Voor Zeeland is dat het Stroomgebiedbeheerplan voor de Schelde. De Waterwet geeft ook onderwerpen aan waarvoor Provincies bij verordening regels kunnen vaststellen, zoals regels met betrekking tot monitoring en het beoordelen van de mate van verwezenlijking van de normen (artikel 2.14) en gegevens in de waterschapslegger (artikel 5.1).
Verder staat in de Waterwet een algemene bepaling dat bij of krachtens provinciale verordening, met het oog op een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer, regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de voorbereiding, vaststelling, wijziging en inhoud van door besturen van waterschappen vast te stellen plannen, besluiten of waterakkoorden (artikel 3.11). Op grond van Waterwet stellen Provincies de hoofdlijnen van het regionale waterbeleid vast (oppervlaktewater en grondwater) en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid (artikel 4.4). Daaronder valt de vastlegging van functies van regionale wateren en het beleid met betrekking tot de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van regionale wateren, gelet op de wettelijke doelstellingen en normen. Dit is uitgewerkt in het Omgevingsplan Zeeland. Waterschappen stellen in samenhang hiermee beheerplannen vast en voeren maatregelen uit (artikel 4.6). Daarnaast stellen zij regels vast in de keur. Ten aanzien van grondwater volgt uit de Waterwet (artikel 6.4) dat het verboden is zonder daartoe strekkende vergunning van gedeputeerde staten grondwater te onttrekken of water te infiltreren: a.
ten behoeve van industriële toepassingen, indien de te onttrekken hoeveelheid water meer dan 150 000 m3 per jaar bedraagt;
b.
ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening of een bodemenergiesysteem.
Voor andere grondwateronttrekkingen of infiltraties is het waterschap het bevoegd gezag. Op grond van de Waterwet zijn gemeenten verantwoordelijk voor het rioleringsbeheer en hebben zorgplichten voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving (artikel 3.5 en 3.6). Daarnaast is de gemeente belast met de lokale ruimtelijke inpassing van maatregelen op het gebied van de waterkwantiteit en het uitvoeren van milieumaatregelen. Bij de afstemming van watertaken is samenwerking het uitgangspunt. Het Rijk ziet toe op de taakuitoefening ten aanzien van rijkswateren en de provinciale taakuitoefening bij het regionale waterbeheer; Provincies zien toe op de taakuitoefening van de waterschappen, in samenhang met gemeentelijke watertaken. De regels in hoofdstuk 4 van de verordening sluiten aan bij het provinciale waterbeleid (Omgevingsplan Zeeland).
15
Omgevingsverordening Zeeland 2018
2.4
Wegen en vaarwegen
Hoofdstuk 5 heeft betrekking op de openbare wegen en vaarwegen in Zeeland die in beheer zijn bij de provincie. Regels zijn opgenomen betreffende het onderhoud en het beheer van wegen en vaarwegen. De regels zijn gericht op weggebruikers en ‘aanwonenden’. 2.5
Natuur
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet is een samenvoeging van de Boswet, Flora- en Faunawet en Natuurbeschermingswet. De Wet natuurbescherming regelt de wijze waarop de bescherming van natuur vorm krijgt en geeft invulling aan de afspraken tussen Rijk en Provincies uit het Bestuursakkoord Natuur. De provincie heeft hierbij nieuwe bevoegdheden gekregen. De invulling van deze bevoegdheden is geregel in hoofdstuk 6. Ook wordt een aantal bestaande bevoegdheden (bijvoorbeeld beheer en schadebestrijding) opnieuw geregeld in de wet. In hoofdstuk 6 zijn voor de onderdelen beweiden en bemesten, faunabeheereenheden, faunabeheerplannen, wildbeheereenheden, vrijstelling soorten, tegemoetkomingen faunaschade en houtopstanden regels opgenomen. 2.6
Distelbeheer
Hoofdstuk 7 Distelbeheer richt zich vooral op gebruikers, eigenaren, of andere zakelijk gerechtigden van landbouwgronden en een strook van 30 meter daaraan grenzend 2.7
Landschapsbescherming
Dit hoofdstuk heeft als doel om het belang van het landschapsschoon te beschermen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen voor het plaatsen van borden, spandoeken, vlaggen en informatiezuilen. Het hoofdstuk richt zich tot gemeenten, burgers, bedrijven en instellingen en bevat verboden voor het plaatsen van borden, vlaggen en andere (reclame) uitingen om het Zeeuwse landschap te beschermen. Dit belang is vooral aan de orde in gebieden buiten de bebouwde kom. Buiten de bebouwde kom liggen een aantal bedrijventerreinen, waar het uit landschappelijk oogpunt geen bezwaar behoeft te zijn als daar borden worden geplaatst. Deze bedrijventerreinen zijn daarom van het verbod uitgezonderd. Borden die zijn geplaatst binnen de bebouwde kom en op bedrijventerreinen vallen daarom buiten de werkingssfeer van de verordening. Deze borden kunnen wel onderworpen zijn aan gemeentelijke regelgeving. 2.8
Ontgrondingen
Uit artikel 3 van de Ontgrondingenwet volgt dat het is verboden zonder vergunning te ontgronden dan wel als eigenaar, erfpachter, vruchtgebruiker, opstalhouder, beklemde meier of gebruiker van enige onroerende zaak toe te laten, dat aldaar zonder vergunning ontgronding plaats heeft. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bevordering en bescherming van belangen, betrokken bij de ontgronding, de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken. In artikel 4 van de Ontgrondingenwet is bepaald in welke gevallen deze wet niet van toepassing is. Uit artikel 8 van de Ontgrondingenwet volgt dat, voor zover niet de Minister bevoegd is, de bevoegdheid tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning berust bij gedeputeerde staten van de Provincie waarin de betrokken onroerende zaak is gelegen.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
16
Op grond van artikel 10 van de Ontgrondingenwet deelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten op het gebied waarvan de aanvraag om vergunning betrekking heeft, nadat het verzoek daartoe is ingekomen, mee of de beoogde ontgronding in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Op grond van de artikelen 5 en 7 van de Ontgrondingenwet kunnen bij provinciale verordening regels worden gesteld met betrekking tot vrijstellingen van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet en procedurele aspecten met betrekking tot de vergunningverlening. In dit hoofdstuk is hieraan invulling gegeven. 2.9
Toezicht en strafbepaling
Dit hoofdstuk is nodig om de rol van de Provincie als toezichthouder uit te kunnen oefenen door de aanwijzing van toezichthouders en de mogelijkheid van strafbaarstelling te regelen. 2.10
Overgangs- en slotbepalingen
In hoofdstuk 11 van deze Omgevingsverordening worden in het algemeen overgangsbepalingen geformuleerd die moeten voorkomen dat geldende besluiten opnieuw ter discussie komen en dat aanvragers lopende een procedure geconfronteerd worden met nieuw recht. De bepalingen van hoofdstuk 2 Ruimte richten zich in hoofdzaak op nieuwe ontwikkelingen. Dit betekent dat de verordening pas op dat moment doorwerkt in de gemeentelijke bestemmingsplannen.
17
Omgevingsverordening Zeeland 2018
REGELS HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: Bestemmingsplan: plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) Bijlage: bij deze verordening behorende bijlage Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland Omgevingsplan Zeeland 2018: provinciaal plan voor de fysieke leefomgeving zoals vastgesteld door Provinciale Staten van de Provincie Zeeland op PM 2018 Provinciale Staten: Provinciale Staten van de Provincie Zeeland Artikel 1.2 Toepassingsbereik 1.
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder een bestemmingsplan mede verstaan een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro zoals deze luidde vóór 1 oktober 2010, een uitwerkings- en wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6 van de Wro, een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wro, een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken alsmede een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet.
2.
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder de toelichting bij het bestemmingsplan mede verstaan de ruimtelijke onderbouwing bij een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro zoals deze luidde vóór 1 oktober 2010, de toelichting bij een projectuitvoeringsbesluit zoals bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet en de ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
3.
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder nieuwvestiging en nieuwe bebouwing of nieuwe bouwwerken niet verstaan het toelaten van grondgebruik of bouwwerken op gronden waar dit gebruik of die bouwwerken reeds vóór de inwerkingtreding van deze verordening krachtens een bestemmingsplan zijn toegelaten.
4.
Voor de toepassing van deze verordening wordt onder de zinsnede "krachtens een bestemmingsplan toegelaten" mede verstaan vormen van bebouwing of grondgebruik die rechtens zoals krachtens een vrijstelling ingevolge de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een projectbesluit dan wel een ontheffing ingevolge de Wro zoals deze luidde vóór 1 oktober 2010, een omgevingsvergunning of een projectuitvoeringsbesluit zijn toegelaten.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
18
HOOFDSTUK 2 RUIMTE AFDELING 2.1 ALGEMEEN Artikel 2.1 begripsbepalingen 1.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.
aan huis gebonden beroep: dienstverlenend beroep dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie overeenkomt;
b.
agrarisch bedrijf: een bedrijf dat zich richt op het voortbrengen van agrarische producten; daaronder tevens begrepen aquacultuur, waaronder wordt verstaan de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen;
c.
agrarische bouwwerken: bouwwerken behorend bij een agrarisch bedrijf met uitzondering van erf, terreinafscheidingen, drink- en voederbakken;
d.
agrarisch onderzoeksbedrijf: een bedrijf dat zich geheel of in overwegende mate richt op onderzoek naar nieuwe agrarische gewassen en verbetering van bestaande agrarische gewassen ten behoeve van de agrarische sector;
e.
bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
f.
bedrijf: een onderneming die is gericht op het vervaardigen, bewerken, installeren en verhandelen van goederen dan wel op het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt en niet zelfstandig onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop of levering van ter plaatse vervaardigde bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen;
g.
bedrijfsvloeroppervlak: de gezamenlijke oppervlakte van vaste vloeren in gebouwen en andere bouwwerken geen gebouw zijnde – mestdoorlatende vloeren daaronder begrepen – die worden of kunnen worden gebruikt voor de huisvesting van dieren ten behoeve van intensieve veehouderij, waaronder begrepen de hok- of stalruimten, inclusief scheidingswanden en gangpaden;
h.
bedrijventerrein: een terrein van ten minste een hectare dat bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie;
i.
beschermingszone: beschermingszone, voor zover grenzend aan een regionale waterkering zoals aangegeven in bijlage 8 en zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet zoals deze luidt op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening;
j.
bestaand: gebruik dat en bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening krachtens een bestemmingsplan zijn toegelaten;
19
Omgevingsverordening Zeeland 2018
k.
bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;
l.
bestaande intensieve veehouderij: een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, toegelaten intensieve veehouderij;
m. bestaande neventak: een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, toegelaten neventak; n.
bestaand solitair glastuinbouwbedrijf: een op het tijdstip van inwerking van deze verordening krachtens een bestemmingsplan toegelaten glastuinbouwbedrijf dat is gelegen buiten de glastuinbouwconcentratiegebieden op de Axelse Vlakte bij Terneuzen, bij Kapelle, Oosterland, Rilland, Sint Annaland of Sirjansland;
o.
binnenhaven: een haven ten behoeve van de binnenvaart die niet onmiddellijk aan zee of aan de Westerschelde grenst;
p.
biologische veehouderij: veehouderij waarin producten worden vervaardigd die gecertificeerd zijn volgens in Nederland geldende regelgeving van de Europese Unie voor biologische productie;
q.
bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak waarmee gronden zijn aangeduid waar, ingevolge de regels van een bestemmingsplan, bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
r.
bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
s.
centrale bedrijfsmatige exploitatie: het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanige exploitatie dat daarbij gedurende het jaar, in verschillende perioden, aan verschillende personen die hun hoofdverblijf elders hebben, recreatieve verblijfsmogelijkheden worden geboden;
t.
continuïteit: de ontwikkeling van een bedrijf op een termijn van 10 jaar;
u.
detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, verkopen en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
v.
evenement: een éénmalige of ten hoogste 3 keer per jaar terugkerende publieke gebeurtenis op het gebied van ontspanning, kunst of cultuur; de reguliere beoefening van gemotoriseerde luchtsporten of regulier gebruik van landingsplaatsen wordt niet tot het begrip evenement gerekend;
Omgevingsverordening Zeeland 2018
20
w.
gemotoriseerde luchtsporten: het in wedstrijdverband, ter voorbereiding op wedstrijden of voor recreatieve doeleinden gebruiken van gemotoriseerde luchtvaartuigen, zoals modelvliegtuigen, ultra lichte vliegtuigen, micro light aeroplanes, schermvliegtuigen, paramotorvliegen, met uitzondering van zweeftoestellen.
x.
glastuinbouwbedrijf: een bedrijf gericht op de teelt of veredeling van gewassen geheel of nagenoeg geheel met behulp van kassen;
y.
grondgebonden agrarisch bedrijf: een bedrijf dat geheel of nagenoeg geheel afhankelijk is van agrarische grond als productiemiddel en waarbij geheel of nagenoeg geheel gebruik wordt gemaakt van open grond of plat glas dan wel een ander lichtdoorlatend materiaal met een hoogte van niet meer dan 1 meter;
z.
grootschalig bedrijventerrein: een als zodanig in bijlage 2 aangegeven bedrijventerrein;
aa. grootschalige detailhandelsvoorzieningen: detailhandelsvoorzieningen met een bruto vloeroppervlak van 1500 m² of meer; bb. grootschalige zelfstandige kantoren: kantoren met meer dan 1000 m² bruto vloeroppervlak waar niet-kantoorfuncties geen substantieel onderdeel uitmaken van het gebouw of de gebouwen; cc. intensieve veehouderij: een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat zich toelegt op de teelt van slacht-, fok-, leg-, pels- of melkdieren, waarbij de teelt plaatsvindt zonder of nagenoeg zonder weidegang met uitzondering van een biologische veehouderij; dd. jachthaven haven die naar zijn aard en inrichting bedoeld en geschikt is voor het in hoofdzaak aanleggen van pleziervaartuigen, met bijbehorende voorzieningen. ee. kampeermiddelen: 1° een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of stacaravan, 2° enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan voor zover geen bouwwerk zijnde voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht, dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf en waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben; ff.
kassen: gebouwen van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de teelt of veredeling van tuinbouwgewassen, fruitteelt of sierteelt;
gg. kleinschalige bedrijventerreinen: bedrijventerreinen niet zijnde een grootschalig bedrijventerrein; hh. kleinschalige kampeerterreinen: kampeerterreinen die in gebruik zijn als neventak bij een agrarisch of bij een ander bedrijf dan wel behorend bij een woning;
21
Omgevingsverordening Zeeland 2018
ii.
knelgeval: een in de provincie Zeeland gevestigde intensieve veehouderij die in verband met de realisering van een natuurontwikkelingsproject, stads- of dorpsuitbreiding of -vernieuwing of een gebiedsgericht project wordt verplaatst;
jj.
lawaaisporten: het in wedstrijdverband, ter voorbereiding op wedstrijden of voor recreatieve doeleinden gebruiken van voer- of vaartuigen met verbrandingsmotoren zoals motoren, bromfietsen, waterscooters en modelvaartuigen alsmede alle modelvliegtuigen en het beoefenen van de schietsport met vuurwapens in de open lucht;
kk. loswal: een kadeterrein dat bestemd en geschikt is voor het laden en lossen van schepen; ll.
neventak: een bedrijfsonderdeel dat qua omvang, arbeidsinzet en gelet op de inkomsten die daaruit redelijkerwijs kunnen worden verworven niet als hoofdtak kan worden aangemerkt of een activiteit waaruit de betrokkene niet het hoofdinkomen verwerft;
mm. omgevingskwaliteiten: kwaliteiten die van belang zijn voor een goede leefomgeving, bij de beschrijving waarvan tenminste de navolgende aspecten in beschouwing worden genomen: luchtkwaliteit, stank, geluid, lichtvervuiling, veiligheid, bodem- en waterkwaliteit - waterbodems en grondwater daaronder begrepen -, waterkwantiteit, ecologische en natuurlijke kwaliteit, landschappelijke en beeldkwaliteit, cultuurhistorische kwaliteit, bereikbaarheid en sociale kwaliteit; nn. opstelling voor zonne-energie: een samenstel van bouwwerken of een andere constructie ten behoeve van het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon geplaatst op of boven de grond, water daaronder begrepen met uitzondering van zonnepanelen op daken; oo. peil: het aansluitende afgewerkte terrein, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein wordt gemeten vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg; pp. recreatieve bebouwing: 1°
gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van recreatief nachtverblijf
2°
gebouwen ten behoeve van recreatief dagverblijf waar dranken worden geschonken of eet en drinkwaren voor consumptie worden bereid of verstrekt;
qq. solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied: niet op bedrijventerreinen geclusterde bedrijven die, op basis van een in de toelichting bij het bestemmingsplan opgenomen onderbouwing, toelaatbaar zijn binnen bestaand stedelijk gebied, daaronder mede verstaan detailhandelsen horecabedrijven; rr.
teeltondersteunende voorzieningen: boog- en gaaskassen, overkappingsconstructies en stellingen ten behoeve van de bescherming van grondgebonden plantaardige agrarische teelten alsmede ten behoeve van het voorkomen van de verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen bij grondgebonden agrarische teelten;
Omgevingsverordening Zeeland 2018
22
ss. tiphoogte: de totale hoogte van een windturbine, vanaf het peil tot aan het uiteinde of tip van de rotor in de hoogste stand; tt.
traditionele windmolen: een molen die in vroeger tijden is bedoeld voor bemaling ten behoeve van waterbeheer, het malen van granen of overige ambachtelijke werkzaamheden waarbij het gaande werk nog volledig intact dan wel in overwegende mate intact is;
uu. verduurzaming: het treffen van maatregelen die verder gaan dan hetgeen bij of krachtens de wet is voorgeschreven ten aanzien van milieu en dierenwelzijn en die strekken tot 1° milieuwinst en 2° het versterken van omgevingskwaliteiten; vv. volwaardig glastuinbouwbedrijf: een glastuinbouwbedrijf dat de arbeidsinzet vergt van tenminste één voltijd arbeidskracht die daaruit zijn hoofdinkomen verwerft en waarbij de continuïteit van het glastuinbouwbedrijf op langere termijn is gewaarborgd; ww. Wro: Wet ruimtelijke ordening zoals deze luidt ten tijde van de vaststelling van deze verordening; Artikel 2.2 Wijzigingsbevoegdheid Gedeputeerde staten zijn bevoegd de bijlagen behorende bij artikel 2.1, eerste lid te wijzigen.
AFDELING 2.2 BEDRIJVEN Artikel 2.3 Bedrijven 1.
In een bestemmingsplan worden bedrijven uitsluitend toegelaten op gronden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening daartoe zijn bestemd alsmede op bedrijventerreinen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a.
grondstoffenwinning;
b.
olie- en gaswinning;
c.
waterwinning;
d.
afvalstort;
e.
nutsvoorzieningen;
f.
horeca- en recreatiebedrijven;
g.
agrarische bedrijven, de vestiging van nieuwe economische dragers, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage A alsmede overige krachtens deze verordening toegelaten bedrijvigheid;
3.
h.
overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid;
i.
solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied.
In de toelichting bij een bestemmingsplan voor een nieuw bedrijventerrein, alsmede de uitbreiding van een bedrijventerrein, wordt aannemelijk gemaakt dat:
23
Omgevingsverordening Zeeland 2018
a.
het plan bijdraagt aan of niet in strijd is met de doelstelling dat 80 procent van de bedrijvigheid regionaal wordt geclusterd op of aansluitend aan grootschalige bedrijventerreinen en
b. 4.
duurzaam beheer en onderhoud van het bedrijventerrein gewaarborgd is.
In een bestemmingsplan wordt uitbreiding van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande kleinschalige bedrijventerreinen niet toegelaten, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van een eenmalige beperkte afronding met ten hoogste 20% of 0,5 hectare waarbij de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert.
5.
In afwijking van het vierde lid kan een verdere uitbreiding van een bestaand kleinschalig en goed ontsloten bedrijventerrein worden toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert en de sanering en het voorkomen van heroprichting van bedrijven elders in de provincie Zeeland, met ten minste een gelijke oppervlakte als de uitbreiding, voor zover deze meer bedraagt dan 20% of 0,5 hectare, is gewaarborgd.
Artikel 2.4 Binnenhaven en loswal In een bestemmingsplan wordt aan een binnenhaven en een loswal uitsluitend een andere functie toegekend indien binnen een afstand van 30 kilometer, berekend over de weg, een mogelijkheid aanwezig is de bestaande overslag en watergebonden bedrijvigheid op te vangen. Artikel 2.5 Kantoren 1.
In een bestemmingsplan worden nieuwe grootschalige, zelfstandige kantoren uitsluitend toegelaten in of direct aansluitend aan de binnenstad van Goes, Middelburg, Vlissingen en Terneuzen.
2.
In afwijking van het eerste lid is vestiging aan toegangswegen naar het stadscentrum, dichtbij doorgaande wegen en aan de stadsranden bij de toegangswegen toegestaan indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat vestigingsruimte, mede gelet op specifieke vestigingseisen, in de centra ontbreekt.