887095 Bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.
5.1
Milieu
De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 5.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Deze beoordeling moet ook plaatsvinden als de omvang onder de drempelwaarde valt. De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven.
Onderzoek/ beoordeling Dit project valt mogelijk onder categorie D11.2, stedelijk ontwikkelingsproject uit bijlage D. Met dit bouwplan worden twee woningen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling op deze plaats is om de volgende redenen niet te beschouwen als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.: fysieke wijziging: bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, waarvoor twee woningen worden teruggebouwd. lokale context: een bestaande bedrijfsfunctie in de dorpskern vervalt. In de plaats hiervan worden twee woningen toegevoegd planologische mogelijkheden: de gronden zijn in het geldende bestemmingsplan bestemd voor Bedrijf. Met een vervolgfunctie naar Wonen wordt aangesloten op de omliggende bestemmingen. Er is geen m.e.r. beoordeling nodig, omdat het oprichten van twee woningen volgens het Besluit m.e.r. niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. Conclusie Dit bouwplan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, en dus ook niet m.e.r.-plichtig. Deze fysieke wijziging is beperkt, omdat het plangebied maar twee woningen worden toegevoegd. Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bouwplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu.
5.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009).
Ruimtelijke onderbouwing
31
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 5.1 vermeld. Tabel 5.1: Richtafstanden en omgevingstype. Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype Milieucategorie rustige woonwijk gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Onderzoek/ beoordeling Vanuit een goede ruimtelijke ordening dient te worden aangetoond dat er voor de twee woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Het plangebied ligt in het centrumgebied van de kern Nieuwerkerk waar ook winkels staan. Een winkel valt onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. De dichtstbijzijnde winkel staat aan de Oude Noordstraat 11 op circa 12 meter afstand. Er is geen beperking voor het plangebied. Verderop staan aan de Molenstraat twee kerken. Een kerk valt onder milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied.
De dichtstbijzijnde kerk (Apostolisch Genootschap) staat aan de Molenstraat 10 op circa 25 meter van het plangebied. De Gereformeerde Kerk aan de Molenstraat 16 staat op 30 meter afstand. Er is geen beperking voor het plangebied. Verder zijn er binnen 100 meter van het plangebied geen relevante bedrijven gevestigd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de nieuw te bouwen woningen binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. Een goed verblijfs- leefklimaat blijft gegarandeerd. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen tegen deze planontwikkeling. 5.1.3 Geluid Wettelijk kader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Deze voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de gevoelige bestemmingen en het type weg.
Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van gevoelige functies. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Wettelijk kader industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten
32
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform artikel 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (artikel 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Verkeerslawaai Voor de wegen binnen 200 meter van het plangebied geldt een maximum snelheid van 30 km/uur. Op grond van de Wet geluidhinder is er geen onderzoeksplicht naar 30 kilometer wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het echter wel noodzakelijk zijn de akoestische gevolgen van de 30 kilometer per uur wegen in kaart te brengen om te onderzoeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Hierover kan het volgende worden gezegd. Woon- en leefk limaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht vereist in de geluidsbelasting ter plaatse van de woningen. Het geluidsniveau van alle geluidsbronnen samen geeft een indicatie voor de te verwachten geluidhinder. De Oude Noordstraat maakt in het gemeentelijke wegenstructuurkaart onderdeel uit van het stratennetwerk van Nieuwerkerk. Deze wegen worden gebruikt voor bestemmingsverkeer en hebben een lage verkeersintensiteit.
Nader akoestisch onderzoek is op basis van de Wet geluidhinder niet nodig. Voor de woningen kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Industrielawaai Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 5.1.2). In de nabijheid van het plangebied liggen geen gezoneerde bedrijventerreinen. Vanuit oogpunt van industrielawaai zijn er geen beperkingen. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen deze planontwikkeling. 5.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.
Onderzoek/ beoordeling In verband met deze herontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. (rapport van 2 juni 2022, project 23220023, Bijlage 1). Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een olie-, koper en asbestverontreiniging in de grond. Op de locatie is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Sanering dient plaats te vinden aan de hand van een saneringsplan, waarin de noodzakelijke saneringsmaatregelen zijn beschreven voor sanering van de aangetoonde verontreiniging. Binnen de grondexploitatie wordt hiervoor een budget gereserveerd. Het rapport wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag. Na deze sanering zijn de gronden geschikt voor woondoeleinden. Conclusie Op dit moment is bodem niet geschikt voor de toekomstige functie. Er wordt nader onderzoek uitgevoerd naar de grondwaterverontreiniging en koperverontreiniging. Een sanering is nodig om de verontreinigingen weg te nemen. De effectieve realisatie van de ontwikkeling (zoals grondroerende werkzaamheden en bouw) kan pas plaatsvinden, nadat het bevoegd gezag (provincie Zeeland) heeft ingestemd met het saneringsplan en de saneringsevaluatie. De grond wordt door middel van saneren
Ruimtelijke onderbouwing
33
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
geschikt gemaakt voor de woonfunctie. Na deze sanering zijn de gronden geschikt voor woondoeleinden. Het aspect bodem vormt met inachtneming hiervan geen belemmering. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid van het bevoegd gezag. 5.1.5 Luchtkwaliteit Wet- en regelgeving De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vanaf 15 november 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen). In de wet zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. In tabel 5.2 is een overzicht gegeven van de grenswaarden. Tabel 5.2: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer. stof jaargemiddelde uurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden PM2,5 25 µg/m3 n.v.t. n.v.t. n.v.t. 3 3 PM10 40 µg/m n.v.t.
50 µg/m 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; b. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 en PM2,5 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; d. het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Verder is er met deze wijziging een wettelijke basis voor een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit opgesteld. Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening Naast de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet Luchtkwaliteit een relatie gelegd met de Wet ruimtelijke ordening, in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van een “goede ruimtelijke ordening”. Een dergelijke afweging wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten.
Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden. Ook onder de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen, gezondheidseffecten optreden. In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling) hoe beter. Onderzoek/ beoordeling Het plan omvat het oprichten van twee woningen. Door de omvang van dit project is dit een project niet in betekenende mate. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Om toch een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2020 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs verderop gelegen de N59. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten onder de grenswaarden. Langs de Oude Noordstraat liggen geen rekenpunten in de NSL Monitoringtool. De concentraties langs deze straat zijn evenwel veel lager zijn dan de concentraties van de veel drukker
34
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
bereden N59 die onder de grenswaarde ligt. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. Conclusie In de huidige situatie voldoet de luchtkwaliteit op de meest kritische locatie in het plangebied aan de luchtkwaliteit-grenswaarden. Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren door het schoner worden van het verkeer steeds beter. De planontwikkeling valt onder de noemer “kleine projecten”, zodat voor deze planontwikkeling een luchtonderzoek achterwege kan blijven. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg. 5.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.
Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek / beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van dit Besluit beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid.
Transport over water Er ligt in de omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen rijksweg of provinciale weg (de afstand tot de N59 bedraagt 330 meter, zie figuur 6) met een route gevaarlijke stoffen, zodat deze planontwikkeling geen belemmering vormt. De Oude Noordstraat is ook niet opgenomen als een route gevaarlijke stoffen. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in het Besluit. Er liggen in de omgeving van het plangebied geen aardgasleidingen van de Gasunie. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de ontwikkeling. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst
Ruimtelijke onderbouwing
35
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Signaleringskaart EV (figuur 6) zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied.
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bouwplan dan ook niet in de weg.
Figuur 6: Uitsnede Signaleringsk aart EV (plangebied zwart omlijnd).
5.2
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.
36
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Onderzoek/ beoordeling In de provincie Zeeland kan in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Binnen het plangebied zijn geen rijksmonumenten en beeldbepalende panden aanwezig. De gemeenteraad van Schouwen-Duiveland heeft op 28 februari 2008 archeologiebeleid vastgelegd in het Beleidsplan Archeologie en Archeologische waarden- en verwachtingenkaarten voor de historische kernen en het buitengebied. Het gemeentelijk beleid gaat primair uit van "behoud in situ". Dit betekent dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard moeten blijven. Daar waar verstoring van de bodem onvermijdelijk is, dient initiatiefnemer zorg te dragen voor archeologisch onderzoek, zodat de informatie over het verleden middels opgravingen behouden blijft. Het beleid is daarbij streng waar het moet en minder streng waar het kan en niet tot kennisverlies leidt.
Dit uitgangspunt vertaalt zich naar de vrijstellingsgrenzen: daar waar veel en waardevolle archeologische resten verwacht worden, wordt aangesloten op de wettelijke voorgeschreven vrijstellingsgrens van 100 m². Op plaatsen waar de kans op het aantreffen van archeologische resten klein is, is de kans op informatieverlies eveneens klein en worden ruimere vrijstellingsgrenzen gehanteerd. Op de beleidskaart bij het Beleidsplan is het plangebied aangeduid als "Terrein van hoge archeologische waarde, historische kern" (figuur 7). In het later vastgestelde bestemmingsplan 'Nieuwerkerk en Oosterland (2014) is het voorste deel van het plangebied aangeduid als 'Waarde - Archeologie 5'; het achterste deel heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6'. Op grond hiervan geldt een vrijstellingsgrens voor bodemingrepen dieper dan 50 cm -Mv en plangebied respectievelijk groter dan 250 m² en 2.500 m². De twee woningen krijgen een oppervlakte van afgerond 114 m². Gelet hierop is een Bureauonderzoek naar archeologie achterwege gelaten. Het is niet volledig uit te sluiten dat binnen het gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij het bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Deze aanbeveling zal worden overgenomen.
Wanneer onverhoopt tijdens het bouwrijp maken toch archeologische sporen worden gevonden, dan zullen verdere bodemingrepen onder archeologische begeleiding plaatsvinden. Conclusie Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing
37
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
Figuur 7: Uitsnede archeologische beleidsk aart. Plangebied met gele stip aangeduid.
5.3
Flora en fauna
Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Oosterschelde' ligt circa 2,3 km ten oosten van het plangebied (ten zuiden van de kern Oosterland). In zuidelijke richting ligt dit Natura2000-gebied op een afstand van circa 3,3 km (figuur 8). Aan de noordzijde ligt op 3 km afstand het Natura2000-gebied 'Grevelingen'.
Gelet op de geringe ingreep en de relatief grote afstand worden geen (significante) effecten verwacht op deze Natura2000-gebieden. Er is voorts geen sprake van toename van stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase. In paragraaf 5.3.1 wordt hierop ingegaan. Daarom is een Habitattoets achterwege gelaten.
38
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
Figuur 8: Natura2000-gebieden nabij het plangebied. Plangebied met een rode stip aangeduid. Het plangebied ligt evenmin in de directe nabijheid van NNN (voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) van de provincie Zeeland. Het dichtstbijzijnde NNN ligt ten oosten van het plangebied op circa 2,3 km van bestaande natuur (figuur 9). Ook heeft de planontwikkeling geen nadelige gevolgen voor de ecologische hoofdstructuur.
Ruimtelijke onderbouwing
39
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
Figuur 9: Uitsnede Natuurbeheerplan Zeeland. Plangebied met een rode stip aangeduid. 5.3.1 Stikstofdepositie Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Binnen het invloedsgebied van de planlocatie liggen twee Natura2000-gebieden, te weten het Natura2000-gebied 'Oosterschelde' op 2,3 km afstand en het Natura2000-gebied 'Grevelingen' op circa 3,3 km afstand. In onderhavige situatie is er sprake van het oprichten van twee woningen. Belangrijke nadelige milieugevolgen voor de natuur vallen hierdoor niet op voorhand uit te sluiten. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt onder de in te voeren Omgevingswet op 1 januari 2024). De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe zijn een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035. De twee woningen worden gebouwd volgens de eisen van het BENG. In de aanleg- en gebruiksfase is er geen sprake van toename van stikstofdepositie, zoals dat is aangetoond in de AERIUS-berekeningen van Contek te Serooskerke (stikstofberekening van 3 februari 2023, Bijlage 2). Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bouwplan geen belemmering.
Kort samengevat: Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing. Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten. Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. 5.3.2 Effect vergunnen activiteiten Onderhavig initiatief voorziet in de sloop van een bedrijfsloods. Het terrein is verder gecultiveerd. Er vinden geen kap- of snoeiwerkzaamheden plaats van aanwezig groen. Voor de beschermde soorten, Bastaardkikker, Bruine kikker, Gewone pad, Kleine watersalamander, Meerkikker, Bunzing, Dwergmuis, Egel, Haas, Hermelijn, Konijn, Veldmuis, Wezel, Bosmuis, Huisspitsmuis, Ree, Vos en Woelrat geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden.
40
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
Het slopen van de bedrijfsloods dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wnb wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaard periode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Vogelnesten die jaarrond beschermd worden door de Wnb, zijn niet aangetroffen of te verwachten binnen het plangebied. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels. Er zullen maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat er gedurende de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen. Gelet hierop is de kans klein dat er een negatief effect optreedt op aanwezige flora en fauna, zodat een ecologisch onderzoek achterwege kan worden gelaten. Het bouwplan is uitvoerbaar ten aanzien van ecologie.
Aanbevelingen Wat betreft tuin- en eventuele straatverlichting zal er dynamisch licht worden geplaatst, zodat het buitenlicht slechts aangaat als er beweging is. Buitenlicht wordt naar beneden gericht en qua lichtsterkte doelmatig afgestemd. Algemene zorgplicht De Wet natuurbescherming bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora of fauna veroorzaakt, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. Wanneer er toch beschermde soorten worden gevonden, dan zal hiervoor tijdig ontheffing worden aangevraagd. Conclusie Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd er vanuit de gebiedsbescherming en soortenbescherming geen belemmeringen bestaan voor deze planontwikkeling.
5.4
Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten
5.4.1 Kabels en leidingen In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen ruimtelijk relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.
Ruimtelijke onderbouwing
41
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
42
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
Hoofdstuk 6 6.1
Beoordeling project
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt op basis van de verzamelde informatie uit de voorgaande hoofdstukken ingegaan op de overwegingen om aan het verzoek planologische medewerking te verlenen. De aanvraag omgevingsvergunning voor het oprichten van twee woningen wordt getoetst aan de gemeentelijke beleidsuitgangspunten en de provinciale toetsingscriteria. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met conclusies op basis waarvan besluitvorming kan plaatsvinden over het starten van een uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
6.2
Beoordeling verzoek aan gemeentelijk beleid
Bestemmingsplan Het verzoek is niet in overeenstemming met het vigerende bestemmingsplan “Nieuwerkerk en Oosterland”, omdat de gronden zijn bestemd voor 'Bedrijf'. De twee woningen worden vanuit planologisch oogpunt aanvaardbaar geacht, omdat de herontwikkeling in bestaand dorpsgebied plaatsvindt. Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan heeft het plan geen negatieve invloed op de stedenbouwkundige uitgangspunten. Om hieraan medewerking te verlenen is een procedure als bedoeld in artikel 3.10 e.v. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht noodzakelijk. De planontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke uitgangspunten, zoals beschreven in hoofdstuk 3. Vanuit planologische overwegingen zijn er derhalve geen overwegende bezwaren om medewerking te verlenen aan het oprichten van twee woningen. Milieu, water, archeologie en natuur In hoofdstuk 4 en 5 zijn de milieuaspecten, water, de aanwezige archeologische waarden en natuurwaarden onderzocht. Hieruit kan worden afgeleid dat er vanuit deze beleidsvelden geen beperkingen zijn tegen de planontwikkeling.
6.3
Beoordeling verzoek aan provinciale beleidsregels
De gevraagde planontwikkeling ligt in het bestaand bebouwd gebied van de Omgevingsverordening. De aanwezige kwaliteiten van deze woonomgeving worden opgewaardeerd. De planontwikkeling maakt onderdeel van de lokale woningbehoefte en is als zodanig opgenomen in de hernieuwde regionale woningmarktafspraken met de Provincie. Mitsdien kan worden gesteld dat de aanvraag omgevingsvergunning in overeenstemming is met de uitgangspunten van het provinciale ruimtelijke beleid. Er is geen strijd met de provinciale belangen.
6.4
Conclusie
De aanvraag omgevingsvergunning voor het oprichten van twee woningen aan de Oude Noordstraat 15 in Nieuwerkerk heeft betrekking op een particulier initiatief. Het verzoek voldoet aan de gemeentelijke beleidsdoelstellingen, zoals deze zijn vastgelegd in de structuurvisie. Ook is de gevraagde omgevingsvergunning niet strijdig is met het provinciale beleid, zoals dat is vastgelegd in het provinciale Omgevingsplan en de Omgevingsverordening. Voorts zijn er vanuit oogpunt van milieu, water, archeologie en natuur geen bezwaren om medewerking aan dit verzoek te onthouden, omdat de woningen geen negatieve effecten heeft op het woon- en leefklimaat. Aan het verzoek kan mitsdien planologische medewerking worden verleend door middel van uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Ruimtelijke onderbouwing
43
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
44
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
Hoofdstuk 7 7.1
Economische uitvoerbaarheid
Financiële haalbaarheid
De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten exploitatieovereenkomst. Er is een raming gemaakt van de saneringskosten. Er is hiervoor binnen de grondexploitatie door de initiatiefnemer budget gereserveerd. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen als bedoeld in artikel 6.12 Wro, om een exploitatieplan vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de exploitatieovereenkomst.
Ruimtelijke onderbouwing
45
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
46
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
Hoofdstuk 8 8.1
M aatschappelijke betrokkenheid
Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het ontwerpbesluit zal aan Gedeputeerde Staten van Zeeland en het Waterschap Scheldestromen worden toegezonden met de mogelijkheid hierop te reageren gedurende de termijn van tervisielegging.
8.2
Communicatie
Hier volgt een bespreking van de momenten dat omwonenden ingelicht en betrokken zijn bij de planvorming en hoe de argumentatie zijn weerslag in het bestemmingsplan heeft gevonden.
8.3
Zienswijzen
Voor onderhavig ontwerpbesluit wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken heeft daartoe vanaf DDMMJJ zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende de termijn van tervisielegging zijn wel/ geen zienswijzen ingekomen.
Ruimtelijke onderbouwing
47
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
48
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
Bijlagen onderbouwing
Bijlagen onderbouwing
49
omgevingsvergunning Oude Noordstraat 15, Nieuwerkerk
Bijlage 1 Bodemonderzoek
50
Bijlagen onderbouwing
Eindrapport bodemonderzoek Oude Nieuwstraat 15 te Nieuwerkerk Project 23220023 2 juni 2022
Opdrachtgever:
V&V Bouw Rijksweg 26a 4306 AW NIEUWERKERK
Opgesteld door:
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.
Auteur:
A.N. de Vries, MSc
Kwaliteitscontrole:
E.D. Postma
Autorisatie:
Interim-manager SMA Zeeland B.V.
2001, 2002, 2018
Inhoudsopgave SAMENVATTING ......................................................................................................................................... 1 CONCLUSIES ......................................................................................................................................... 1 CONSEQUENTIES EN AANBEVELINGEN............................................................................................. 3 1. INLEIDING................................................................................................................................................ 5 1.1. AANLEIDING EN DOEL ................................................................................................................... 5 1.2. REFERENTIEKADER ....................................................................................................................... 5 1.3. BETROUWBAARHEID ..................................................................................................................... 7 2. VOORONDERZOEK .............................................................................................................................. 10 2.1. ALGEMENE BODEM- EN LOCATIEGEGEVENS .......................................................................... 10 2.2. HISTORISCHE KAARTEN, LUCHTFOTO9S EN OVERIG BEELDMATERIAAL ............................. 12 2.3.
RELEVANTE BODEMDOCUMENTEN EN VERGUNNINGEN ....................................................... 12 2.4. REGIONALE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE .............................................................. 13 2.5. INTERPRETATIE VERWACHTE MILIEUHYGIËNISCHE BODEMKWALITEIT ............................. 14 2.6. HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE ............................................................................. 17 3. VELDWERK ........................................................................................................................................... 19 3.1. UITGEVOERD VELDWERK ........................................................................................................... 19 3.2. VELDWAARNEMINGEN ................................................................................................................ 21 4. ANALYTISCH ONDERZOEK ................................................................................................................. 23 4.1. VERKENNEND BODEMONDERZOEK NAAR CHEMISCHE PARAMETERS ............................... 23 4.2. VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST ............................................................................. 29 4.3. INTERPRETATIE............................................................................................................................ 29 5.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................... 32 5.1. CONCLUSIES ................................................................................................................................ 32 5.2. TOETSING ONDERZOEKSHYPOTHESES ................................................................................... 33 5.3. CONSEQUENTIES EN AANBEVELINGEN .................................................................................... 34 ACHTERGRONDDOCUMENTEN .............................................................................................................. 36 BIJLAGE 1 OVERZICHTSKAART LIGGING ONDERZOEKSLOCATIE BIJLAGE 2 SITUATIETEKENING BIJLAGE 3 BOORBESCHRIJVINGEN EN -PROFIELEN BIJLAGE 4 TOETSINGSTABELLEN BIJLAGE 5 ANALYSERESULTATEN BIJLAGE 6 HISTORISCHE BODEMINFORMATIE, KAARTEN EN LUCHTFOTO9S BIJLAGE 7 FOTO9S
23220023
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport bodemonderzoek Oude Nieuwstraat 15 te Nieuwerkerk
Samenvatting Door V&V Bouw is aan SMA Zeeland B.V. de opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een bodemonderzoek aan de Oude Nieuwstraat 15 te Nieuwerkerk. Aanleiding tot dit bodemonderzoek is de voorgenomen sloop van de huidige bebouwing en de nieuwbouw van twee woningen met omliggende tuin. Op de locatie zijn in eerste instantie twee verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd: -
Het doel van het verkennend bodemonderzoek op het algemene terrein NEN 5740 is inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische bodemkwaliteit (grond en grondwater) met betrekking tot chemische parameters.
-
Het doel van het verkennend bodemonderzoek NEN 5707 c.q. NEN 5897 is bepalen in hoeverre de verdenking van de locatie voor het voorkomen van asbest in de grond dan wel puin terecht is, alsmede een uitspraak te doen over het indicatieve gehalte asbest in grond.
Op basis van de verkennende bodemonderzoeken zijn aanvullend drie nader bodemonderzoeken uitgevoerd: -
Het doel van het nader bodemonderzoek naar minerale olie is bepalen of sprake is van een geval 3
van ernstige bodemverontreiniging (>25 m grond verontreinigd met gehalten minerale olie tot boven de interventiewaarde) met als nevendoel het afperken van de olieverontreiniging tot de terugsaneerwaarde klasse Achtergrondwaarde/Wonen. -
Het doel van het nader bodemonderzoek naar koper is bepalen of sprake is van een geval van 3
ernstige bodemverontreiniging (>25 m grond verontreinigd met gehalten koper tot boven de interventiewaarde) met als nevendoel het afperken van de olieverontreiniging tot de terugsaneerwaarde klasse Wonen. -
Het doel van het nader bodemonderzoek naar asbest is het definitieve asbestgehalten bepalen in de grond alvorens een uitspraak te kunnen doen over de saneringsnoodzaak.
Conclusies Olieverontreiniging in grond De zintuiglijk met olie verontreinigde grond aan de noordzijde van de bebouwing bevindt zich vanaf het maaiveld tot ca. 1,5 m-mv. Inpandig en ter plaatse van het voorterrein bevindt de zintuiglijke verontreiniging zich vanaf de onderzijde van het zandpakket tot maximaal 2,0 m-mv. Op basis van deze veldwaarnemingen geverifieerd met analytisch onderzoek wordt de hoeveelheid grond verontreinigd met 3
gehalten minerale olie tot boven de interventiewaarde geschat op ca. 270 m . Het betreft hier een geval 3
van ernstige bodemverontreiniging. In totaal is ca. 460 m grond verontreinigd met gehalten minerale olie tot boven de terugsaneerwaarde klasse Achtergrondwaarde/Wonen. De PFAS gehalten van de sterk verontreinigde grond zijn onder de detectielimiet gelegen.
23220023
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport bodemonderzoek Oude Nieuwstraat 15 te Nieuwerkerk
1
Het inpandige zandpakket is analytisch schoon. Het zandpakket aan de voorzijde van de bebouwing heeft verhoogde gehalten minerale olie tot onder de interventiewaarde. Met betrekking tot minerale olie voldoet deze grond indicatief aan de klasse Niet Toepasbaar (>industriewaarde) zoals vastgesteld in het Besluit bodemkwaliteit. In het grondwater uit peilbuis 01 is de streefwaarde voor xylenen en de interventiewaarde voor minerale olie overschreden. Koperverontreiniging in grond Ter plaatse van een gedeelte van de voormalige sloot is een koperverontreiniging met gehalten tot boven de interventiewaarde aangetoond. Op basis van het analytisch onderzoek wordt de hoeveelheid grond 3
verontreinigd met gehalten koper tot boven de interventiewaarde geschat op 8 m . De verontreiniging is in noordelijke richting afgeperkt tot de perceelsgrens. Het is zodoende nog niet bekend of het hier een geval 3
van ernstige bodemverontreiniging betreft. In totaal is ca. 76,5 m grond verontreinigd tot boven de terugsaneerwaarde klasse Wonen. De PFAS gehalten van de sterk verontreinigde grond liggen onder de achtergrondwaarden. Asbestverontreiniging in grond Aan de noordzijde van de bebouwing is een asbestverontreiniging aangetoond met gehalten tot boven de interventiewaarde van 100 mg/kg.ds. Het betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging van circa 55 3
m. Overig onderzoeksresultaten Grond Verder zijn op de locatie in de boven- en ondergrond achtergrondwaarde-overschrijdingen aangetoond voor meerdere zware metalen, PAK en PCB aangetoond. In de bovengrond zijn daarnaast de achtergrondwaarde voor verschillende OCB9s overschreden en werden PFAS gehalten tot onder de achtergrondwaarde gemeten. Grondwater Naast de olie gerelateerde stoffen (zie hiervoor) werden geen streefwaarde-overschrijdingen aangetoond in het grondwater. Asbest Op het overig terrein is een marginaal asbestgehalte van 4,8 mg/kg.ds aangetoond. In het puinmonster van de voormalige fundering is geen asbest aangetoond.
23220023
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport bodemonderzoek Oude Nieuwstraat 15 te Nieuwerkerk
2
Consequenties en aanbevelingen Saneringsnoodzaak Olieverontreiniging in grond Op de onderzoekslocatie blijkt meer dan 25 m³ grond aanwezig met gehalten minerale boven de interventiewaarde. De verontreiniging is ontstaan vóór 1987. Daarmee is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Indien (graaf)werkzaamheden zijn voorzien ter plaatse van een geval van ernstige bodemverontreiniging, zullen deze werkzaamheden moeten worden gecombineerd met saneringsmaatregelen. Hiertoe moet een saneringsplan worden opgesteld dat door het bevoegd gezag Wet bodembescherming (RUD Zeeland namens de provincie Zeeland) dient te worden goedgekeurd. De uitvoerende partijen van de saneringswerkzaamheden dienen BRL 6000 cq. BRL 7000 gecertificeerd te zijn. Koperverontreiniging in grond Gelet op het perceelgrensoverschrijdende karakter van de verontreiniging, kan vooralsnog niet worden vastgesteld of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het is aan het bevoegd gezag Wet bodembescherming om te beslissen of de verontreiniging wel of niet als een geval van ernstige bodemverontreiniging wordt gezien. Daarvoor dient onderhavige rapportage ter beoordeling te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag Wet bodembescherming (RUD Zeeland namens de provincie Zeeland).
Asbestverontreiniging in grond Op de onderzoekslocatie is over het gedeelte van de locatie ten noorden van de bebouwing een gewogen asbestgehalte >100 mg/kg.ds aangetoond. Bij een werkelijk gewogen asbestgehalte hoger dan 100 mg/kg.ds is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Een geval van ernstige bodemverontreiniging impliceert dat er een potentieel risico is dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. Bij een voorgenomen sanering (graven in / verplaatsen van verontreinigde grond) dient een saneringsplan te worden opgesteld en ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Aanvullend bodemonderzoek De grondverontreinigingen met minerale olie, asbest en koper zijn tijdens de nader bodemonderzoeken in kaart gebracht. Echter is de olieverontreiniging in het grondwater nog niet afgeperkt. Aangenomen wordt dat deze geheel gelegen is binnen de contour van de van de grondverontreiniging en dat hiermee het grondwater
buiten
deze
contour
niet is
verontreinigd.
Zodoende is tijdens
het
voorliggend
bodemonderzoek de verontreiniging in het grondwater niet nader onderzocht. Verder is de koperverontreiniging op het achterterrein niet volledig afgeperkt. Op basis van de onderzoeksresultaten uit het verkennend bodemonderzoek en nader bodemonderzoek is de verwachting dat de verontreiniging zich beperkt tot de noordzijde van de onderzoekslocatie. Met de nu beschikbare gegevens kan al een inschatting worden gemaakt van de hoeveelheid verontreinigde grond tot boven de terugsaneerwaarde. Zodoende is besloten om de koperverontreiniging tijdens het voorliggend onderzoek
23220023
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport bodemonderzoek Oude Nieuwstraat 15 te Nieuwerkerk
3
niet verder af te perken. Echter is het bij een sanering van de verontreiniging wel gewenst om enkele aanvullende afperkende analyses uit te voeren om de uiteindelijke saneringscontouren beter in kaart te kunnen brengen. Aanbevolen wordt om voorafgaand aan een sanering: -
na te gaan of de olieverontreiniging in het grondwater zich inderdaad beperkt tot de bronlocatie;
-
de koperverontreiniging in grond verder af te perken tot de terugsaneerwaarde klasse Wonen.
De overige geconstateerde verhoogde gehalten in de grond geven geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend of nader bodemonderzoek. Grondverzet In geval van het nuttig herbestemmen van uitkomende grond kan alsnog een onderzoek conform het Besluit bodemkwaliteit (partijkeuring op grond) nodig zijn. Dit is afhankelijk van onder andere -maar niet uitsluitend- de afzetlocatie, de partijomvang, de aangetroffen gehalten en de bodemvreemde bijmengingen. Er dient ook rekening mee te worden gehouden dat in de OCB aanwezig zijn. De afzetmogelijkheden in buurgemeenten op basis van hun Nota9s bodembeheer kunnen hierdoor beperkt worden. Daarbij komt dat op 13 december 2021 door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie en kamerbrief9 is aangeboden aan de Tweede Kamer. Het handelingskader is gericht op het aantreffen in het milieu van PFAS, met name perfluoroctaanzuur (PFOA), perfluoroctaansulfonaat (PFOS) en HFPO-DA (GenX). De eventuele noodzaak tot verdere keuring en mogelijkheden hiervoor kunnen in overleg met het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (veelal de ontvangende gemeente) en/of een milieuadviesbureau worden bepaald.
Grondroerende werkzaamheden Bodemvreemde lagen of bijmengingen kunnen stoffen bevatten die, bij vermenging met grond, een bodemverontreiniging kunnen veroorzaken of reeds hebben veroorzaakt. Vermenging met (bijvoorbeeld onder-, boven-, en naastgelegen) grond dient daarom voorkomen te worden.
23220023
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport bodemonderzoek Oude Nieuwstraat 15 te Nieuwerkerk
4
1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doel Door V&V Bouw is aan SMA Zeeland B.V. de opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een bodemonderzoek aan de Oude Nieuwstraat 15 te Nieuwerkerk. Aanleiding tot dit bodemonderzoek is de voorgenomen sloop van de huidige bebouwing en de nieuwbouw van twee woningen met omliggende tuin. Op de locatie zijn in eerste instantie twee verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd: -
Het doel van het verkennend bodemonderzoek op het algemene terrein NEN 5740 is inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische bodemkwaliteit (grond en grondwater) met betrekking tot chemische parameters.
-
Het doel van het verkennend bodemonderzoek NEN 5707 c.q. NEN 5897 is bepalen in hoeverre de verdenking van de locatie voor het voorkomen van asbest in de grond dan wel puin terecht is, alsmede een uitspraak te doen over het indicatieve gehalte asbest in grond.
Op basis van de verkennende bodemonderzoeken zijn aanvullend drie nader bodemonderzoeken uitgevoerd: -
Het doel van het nader bodemonderzoek naar minerale olie is bepalen of sprake is van een geval 3
van ernstige bodemverontreiniging (>25 m grond verontreinigd met gehalten minerale olie tot boven de interventiewaarde) met als nevendoel het afperken van de olieverontreiniging tot de terugsaneerwaarde klasse Achtergrondwaarde/Wonen. -
Het doel van het nader bodemonderzoek naar koper is bepalen of sprake is van een geval van 3
ernstige bodemverontreiniging (>25 m grond verontreinigd met gehalten koper tot boven de interventiewaarde) met als nevendoel het afperken van de olieverontreiniging tot de terugsaneerwaarde klasse Wonen. -
Het doel van het nader bodemonderzoek naar asbest is het definitieve asbestgehalten bepalen in de grond alvorens een uitspraak te kunnen doen over de saneringsnoodzaak.
1.2. Referentiekader Onderzoeksopzet De onderzoeksopzet is afgeleid van de NEN 5740 en de NEN 5707 c.q. NEN 5897. Het onderzoek bestaat uit: vooronderzoek, veldonderzoek, chemische analyses, interpretatie en toetsing. Toetsingskader verkennend bodemonderzoek naar chemische parameters (NEN 5740) De voor de standaardbodem (lutum 25% en organische stof 10%) gecorrigeerde analyseresultaten van de grond worden conform de Wet bodembescherming getoetst aan de achtergrondwaarden (AW2000) en interventiewaarden. De analyseresultaten van het grondwater worden getoetst aan de streefwaarden en interventiewaarden. 23220023
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport bodemonderzoek Oude Nieuwstraat 15 te Nieuwerkerk
5
De achtergrondwaarden hebben betrekking op achtergrondgehalten van stoffen die van nature voorkomen, of op detectiegrenzen bij stoffen die niet van nature voorkomen. In principe is sprake van een onbeïnvloede bodemkwaliteit. De streefwaarden grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van verwaarloosbare risico9s voor het ecosysteem. De interventiewaarden bodemsanering geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Ze zijn representatief voor het verontreinigingsniveau waarboven sprake is van een geval van ernstige (bodem) verontreiniging. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien voor ten minste één stof de gemiddelde
gemeten
concentratie
van
minimaal
25
m
3
bodemvolume
in
het
geval
van
3
grondverontreiniging, of 100 m bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. In enkele specifieke situaties kan bij gehalten onder de interventiewaarden ook sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. Dit geldt voor de zogenaamde gevoelige functies: -
moestuin/volkstuin,
-
plaatsen waar vluchtige verbindingen aanwezig zijn in het grondwater in combinatie met hoge grondwaterstanden en/of in de onverzadigde bodem onder bebouwing.
Als een geval van ernstige verontreiniging is vastgesteld dan is sprake van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. De achtergrond-, streef- en interventiewaarden worden in het vervolg, samenvattend, toetsingswaarden genoemd. De norm voor barium in grond is tijdelijk ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg ds (interventiewaarde barium voor een standaardbodem). Handelingskader PFAS De analyseresultaten van de op PFAS geanalyseerde monsters worden aanvullend getoetst aan het 13 december 2021 gepubliceerde Handelingskader PFAS. Dit rapport voldoet niet aan de onderzoekseisen voor nuttige toepassing van grond elders onder de voorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit in combinatie met het Handelingskader PFAS. De toetsing aan deze normwaarden is daarom indicatief van aard en bedoeld voor eventuele afvoer van grond naar een erkende grondverwerkingsinrichting. Toetsingskader bodemonderzoek naar asbest Het beleid ten aanzien van asbest in de bodem is vermeld in de Circulaire Bodemsanering.
Bij toetsing van het asbestgehalte in bodem wordt enkel een interventiewaarde gehanteerd. De interventiewaarde bodemsanering voor asbest en de restconcentratienorm voor asbesthoudende
23220023
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport bodemonderzoek Oude Nieuwstraat 15 te Nieuwerkerk
6
bulkmaterialen is vastgesteld op 100 mg/kg gewogen (gewogen betekent de concentratie serpentijnasbest vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest). Deze nu geldende interventiewaarde voor asbest in bodem van 100 mg/kg.ds, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen serpentijn- en amfiboolasbest, is gebaseerd op het Verwaarloosbaar Risiconiveau in lucht, zoals voorgesteld door de Gezondheidsraad in 1988 en vervolgens opgenomen als streefwaarde in de beleidsnotitie asbest in het milieu uit 1991. Op materialen met een asbestconcentratie beneden genoemde norm worden het Arbeidsomstandighedenbesluit en het Asbestverwijderingsbesluit geacht niet van toepassing te zijn (bij een gehalte van 100 mg/kg ds gewogen en lager is, bij historische asbestverontreinigingen d.w.z. verontreinigingssituaties die voor
1 juli 1993 zijn ontstaan, formeel geen sprake van een
asbestverontreiniging). Tijdens verkennend onderzoek is in principe geen directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Indien het indicatief vastgestelde asbestgehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de interventiewaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Toetsingskader veiligheid en gezondheid bij beroepsmatig werk in de bodem Bij werkzaamheden in verontreinigde bodem dienen de door de aannemer getroffen maatregelen ten behoeve van de veiligheid en gezondheid van de bij het werk betrokkenen in overeenstemming te zijn met de CROW-publicatie 400 8Werken in en met verontreinigde bodem9. Welke maatregelen nodig zijn voor het werken in en met verontreinigde bodem wordt mede bepaald op basis van de vastgestelde veiligheidsklasse, de locatie, de blootstellingsduur en blootstellingsrisico9s. De te nemen maatregelen vanuit de veiligheidsklasse zijn aanvullend op de standaardmaatregelen van de basishygiëne.
De aannemer dient de definitieve veiligheidsklasse en de daarbij de treffen maatregelen te laten bepalen door een veiligheidskundige die daartoe bevoegd is (zie CROW-publicatie 400). 1.3. Betrouwbaarheid Het hier gerapporteerde bodemonderzoek is uitgevoerd op zorgvuldige wijze, in overeenstemming met de geldende richtlijnen en de gebruikelijke inzichten en methoden. SMA Zeeland B.V. beschikt over een kwaliteitsmanagementsysteem (NEN-EN-ISO 9001: 2015) en veiligheidsmanagementsysteem (VGM Checklist Aannemers) waarbinnen de kwaliteit van de werkzaamheden dusdanig wordt beheerst en gewaarborgd dat haar diensten zo goed mogelijk aan de eisen en doelstellingen van de opdrachtgever voldoen. Het veldwerk is uitgevoerd door SMA Zeeland B.V. Het milieukundige veldwerk ten behoeve van het grond- en grondwateronderzoek is uitgevoerd op basis van de richtlijnen van de BRL SIKB 2000 en conform de hierbij van toepassing zijnde protocollen. De uitvoerende partij beschikt hiertoe over het procescertificaat <Veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek= op basis van de Beoordelingsrichtlijn